5. Bijlage 4 Archeologisch bureau onderzoek
Tekst van het document
Van Weedestraat 97, Soest (gemeente Soest) Archeologisch bureauonderzoek
Rubicon Erfgoed Rapport 124 DEFINITIEF
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Colofon Auteur Versie Datum Rubicon Erfgoed projectnummer
H.G. Pape-Luijten Definitief 28-08-2023 23023
Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever
Domus Vastgoedontwikkeling T. Dekkers
Bevoegde overheid Contactpersoon bevoegde overheid
Gemeente Soest C. van den Berg
Adviseur bevoegde overheid Contactpersoon adviseur bevoegde overheid
Centrum voor Archeologie Amersfoort M. Verhamme
Onderzoeksmelding (ARCHIS3) Beheer documentatie
5450785100 Rubicon Erfgoed, Rheden
Vrijgave Naam
Datum
Handtekening
H.G. Pape-Luijten Senior KNA Bureauonderzoek Archeoloog Actorregistratienummer 23021110
28-08-2023
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ............................................................................................................................. 1 Samenvatting ............................................................................................................................... 1 Selectiebesluit bevoegde overheid .............................................................................................. 1 Inleiding....................................................................................................................................... 3 Aanleiding onderzoek ................................................................................................................ 3 Doelstelling onderzoek ............................................................................................................... 3 Werkwijze onderzoek................................................................................................................. 3 Kaders onderzoek...................................................................................................................... 3 Leeswijzer ................................................................................................................................
5 Locatie en planvorming ................................................................................................................. 6 Afbakening plan- en onderzoeksgebied ....................................................................................... 6 Huidige situatie plangebied ........................................................................................................ 6 Toekomstige situatie plangebied ................................................................................................ 7 Landschappelijke informatie........................................................................................................... 8 Inleiding landschappelijke informatie .......................................................................................... 8 Beknopte landschapsontwikkeling ............................................................................................... 8 Paleogeografie .......................................................................................................................... 9 Geologie ................................................................................................................................... 9 Geomorfologie ........................................................................................................................
10 Bodem ................................................................................................................................... 10 Grondwater ............................................................................................................................ 11 Conclusie landschappelijke informatie ....................................................................................... 11 Archeologische informatie............................................................................................................ 13 Inleiding archeologische informatie........................................................................................... 13 Archeologische verwachting op provinciaal niveau ..................................................................... 14 Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau .................................................................. 14 Archeologische monumenten ................................................................................................... 14 Archeologische vondstmeldingen .............................................................................................. 14 Archeologische onderzoeksmeldingen .......................................................................................
14 Conclusie archeologische informatie ......................................................................................... 17 Cultuurhistorische informatie ....................................................................................................... 18 Inleiding cultuurhistorische informatie....................................................................................... 18 Beknopte lokale en regionale geschiedenis ................................................................................ 18 Historisch kaartmateriaal ......................................................................................................... 19 Conclusie cultuurhistorische informatie ..................................................................................... 19 Verwachtingsmodel, conclusie en advies ....................................................................................... 20 Verwachtingsmodel ................................................................................................................. 20 Conclusie en advies ................................................................................................................. 21 Selectiebesluit bevoegde overheid ............................................................................................
22 Bronnen ..................................................................................................................................... 23 Documenten ........................................................................................................................... 23 Overig .................................................................................................................................... 23 Bijlage 1 – Inleiding .................................................................................................................... 25
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Bijlage 2 – Locatie en planvorming ............................................................................................... 27 Bijlage 3 – Landschappelijke informatie ........................................................................................ 32 Bijlage 4 – Archeologische informatie ........................................................................................... 38 Bijlage 5 – Cultuurhistorische informatie ....................................................................................... 40 Bijlage 6 – Verwachtingsmodel, conclusie en advies ...................................................................... 44
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Samenvatting Ter plaatse van een perceel aan de Van Weedestraat 97 te Soest (gemeente Soest, provincie Utrecht, kadastraal bekend als Soest K 3437), bestaat het voornemen om het terrein in kwestie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Hoewel er altijd een kans bestaat dat relevante archeologische lagen (ten dele) niet meer aanwezig zijn, of (ten dele) niet worden bedreigd door de geplande ontgravingen, is de bodemopbouw op basis van bureauonderzoek alleen niet vast te stellen. Hetzelfde geldt voor de aard en mate van eventuele bodemverstoringen. Op basis van dit bureauonderzoek adviseert Rubicon Erfgoed dan ook om de archeologische verwachting uit dit bureauonderzoek in het veld te toetsen, door de opbouw en aard en mate van intactheid van de bodem vast te stellen middels een verkennend booronderzoek.
Naast het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting dient het verkennend booronderzoek ook waar mogelijk (extra) informatie te verschaffen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het plangebied, betreffende de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Daarnaast heeft de verkennende fase als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Doel daarbij het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor volgende vormen van onderzoek, indien aanwezig. Geadviseerd wordt om, verspreid over het gehele plangebied, minimaal 5 boringen uit te voeren met een 7 cm Edelmanboor. De uitvoerder van de boringen wordt aangeraden om zowel een KLIC-melding te doen alsook navraag te doen bij de initiatiefnemer, om een zo recent en duidelijk mogelijk beeld te krijgen van de toestand van de ondergrond wat betreft eventuele kabels en leidingen. Zie Bijlage 6 (figuur 23) voor de advieskaart in deze. Bovenstaande betreft een onafhankelijk tot stand gekomen advies, op basis van bekende informatie en de kwaliteitsnormen van de beroepsgroep archeologie.
Naar aanleiding van dit advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Soest) een eigen besluit nemen. In dat besluit kan en mag de bevoegde overheid beredeneerd afwijken van het advies. Mocht het plangebied in dat besluit worden vrijgegeven door de bevoegde overheid en er worden onverhoopt toch archeologische waarden aangetroffen tijdens de geplande graafwerkzaamheden, dan geldt op basis van de Erfgoedwet de plicht deze zogenaamde toevalsvondsten te melden bij het Rijk. Uit praktische overweging is het aan te bevelen deze melding te doen bij de bevoegde overheid, de gemeente Soest. Aan bovenstaand advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit kan voortvloeien, worden geclaimd.
1
Selectiebesluit bevoegde overheid Het in dit rapport geadviseerde verkennende booronderzoek is d.d. 14-08-2023 uitgevoerd, na akkoord van Centrum voor Archeologie Amersfoort (archeologisch adviseur gemeente Soest) op het Plan van Aanpak daarvan. Dit rapport is d.d. 22-08-2023 door dhr. M. L. Verhamme van het Centrum voor Archeologie Amersfoort beoordeeld. De gemaakte opmerkingen zijn in deze definitieve versie verwerkt.
2
Inleiding Aanleiding onderzoek Ter plaatse van een perceel aan de Van Weedestraat 97 te Soest (gemeente Soest, provincie Utrecht, kadastraal bekend als Soest K 3437), bestaat het voornemen om het terrein in kwestie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. Doelstelling onderzoek Het doel van een archeologisch bureauonderzoek is het vaststellen van de specifieke archeologische verwachting van een plangebied. Op basis hiervan wordt een advies gegeven over aanbevolen archeologische vervolgstappen. Werkwijze onderzoek In het bureauonderzoek wordt de archeologische verwachting van een plangebied gespecificeerd aan de hand van informatie uit databases, kaartmateriaal, onderzoeksrapporten en literatuur over ontwikkelingen in het landschap (geologie, geomorfologie, bodem) en de bewoningsgeschiedenis (archeologie en recente historie).
De eerste stap is dan ook het raadplegen en analyseren van verschillende bronnen: • ARCHIS 3, de nationale archeologische database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), is een primaire bron: zij biedt toegang tot de bekende landschappelijke informatie (geomorfologische kaart, bodemkaart inclusief grondwaterstand) en archeologische informatie (monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen) en in en rond het plangebied. Het bureauonderzoek wordt ook aangemeld bij ARCHIS, zodat het later zelf weer gebruikt kan worden als bron in andere onderzoeken; • Cultuurhistorische basisinformatie volgt uit (waar mogelijk en beschikbaar) gebiedspecifieke literatuur, alsook uit historisch kaartmateriaal (betrokken van o.a. het Kadaster); • Overige bronnen geven aanvullende informatie, zoals over de opbouw van de ondergrond (DINOloket) en bekende bodemvervuiling (Bodemloket); • Bovenstaande opsomming is uiteraard niet uitputtend en kan per project uitgebreid worden, bijvoorbeeld met kennis van archeologische vrijwilligers en professionele (overheids)archeologen, of boorgegevens van milieukundige onderzoeken. De informatie die uit de verschillende bronnen is vergaard wordt vervolgens gerangschikt, geduid, gekoppeld en verwerkt in tekst en kaartmateriaal middels een GIS (Geografisch Informatie Systeem).
Uit deze elementen wordt een rapport opgebouwd, met een verwachtingsmodel en advies als kernpunten. Dit rapport wordt vervolgens in concept aangeboden aan de opdrachtgever ter controle en aan de bevoegde overheid ter beoordeling. Na verwerking van eventuele opmerkingen wordt het rapport definitief gemaakt en afgemeld bij ARCHIS. Kaders onderzoek Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd binnen wettelijke, beleidsmatige, juridisch-planologische en procesmatige kaders. Deze kaders zijn onderling met elkaar verbonden.
3
Wettelijke kaders In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend. Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland of de stad waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in Nederland geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Vanuit de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. In feite is de Wamz een concrete invulling en verbreding van deze verplichting. Sinds 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Een gedeelte van de Monumentenwet 1988 is daarmee opgegaan in de Erfgoedwet.
Een ander deel zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet, maar bevindt zich nu nog in het overgangsrecht. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is dat roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten in de Erfgoedwet staan, terwijl de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet komen. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die later naar de Omgevingswet gaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt (naar verwachting in 2024).
Beleidskaders De veranderende wetgeving in de afgelopen decennia heeft gezorgd voor decentralisatie, waarmee de verantwoordelijkheid voor het opstellen en handhaven van archeologiebeleid verschoven is naar de gemeentes. Het archeologische beleid van de gemeente Soest is vastgelegd in een archeologische beleidsadvieskaart uit 2016 (geactualiseerd), met bijbehorende toelichting uit 2011. Het plangebied ligt op deze kaart (Bijlage 1, figuur 1) in een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 1 (AWVcategorie 1), waar vrijstellingsgrenzen gelden van respectievelijk 100 m2 en 30 cm -Mv.1 De in het plangebied voorziene bodemingrepen overschrijden de geldende vrijstellingsgrenzen. Derhalve geldt een onderzoeksplicht.
Juridisch-planologische kaders Om de koppeling met de ruimtelijke ordening te maken, worden de verwachtingen van archeologische beleidskaarten (al dan niet aangevuld of gewijzigd door recenter archeologisch onderzoek) juridischplanologisch ingebed, zowel op provinciaal niveau in inpassingsplannen, alsook op gemeentelijk niveau in bestemmingsplannen. In het vigerende bestemmingsplan Soestdijk (vastgesteld op 04-07-2013) kent het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’, met vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm -Mv.2 De in het plangebied voorziene bodemingrepen overschrijden de geldende vrijstellingsgrenzen. Echter, aangezien dit bureauonderzoek kadert in een nieuw op te stellen bestemmingsplan en er (nog) geen sprake is van een omgevingsvergunningaanvraag
1 2
Gemeente Soest, 2011. ruimtelijkeplannen.nl, NL.IMRO.0342.BPSOE0014-0301.
4
is de archeologische dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan niet van toepassing; de onderzoeksplicht volgt uit het gemeentelijke archeologische beleid.
Procesmatige kaders Vanuit de archeologische beroepsgroep is in de afgelopen jaren continu gestreefd naar verbetering van het archeologische proces. Aan de basis hiervan ligt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA stelt de eisen en randvoorwaarden aan de procesmatige kwaliteit van archeologisch onderzoek, wat bijdrage levert aan de borging van de inhoudelijke kwaliteit van het onderzoek. Dit bureauonderzoek is opgesteld aan de hand van de vigerende versie van de KNA (4.1), specifiek Protocol 4002 Bureauonderzoek en de daarin opgenomen specificaties LS01-LS06. Het hoofdstuk met cultuurhistorische informatie binnen dit bureauonderzoek (zie leeswijzer hierna) is opgesteld aan de hand van beschikbare historische bronnen, kaartmateriaal, ervaring en expert judgment. Na goedkeuring van het bureauonderzoek door de bevoegde overheid wordt het definitieve rapport digitaal gedeponeerd bij het e-depot van ARCHIS, conform specificatie DS05. Leeswijzer Het bureauonderzoek dat op deze inleiding volgt is opgedeeld in een aantal tekstuele hoofdstukken, die hieronder zijn weergegeven. Tussen haakjes is per hoofdstuk aangegeven welke specificatie(s) uit Protocol 4002 Bureauonderzoek van toepassing is/zijn. • • • • •
Locatie en planvorming (LS01, LS02, LS03); Landschappelijke informatie (LS04); Archeologische informatie (LS04); Cultuurhistorische informatie (LS04); Verwachtingsmodel, conclusie en advies (LS05, LS06).
In de lopende tekst van bovenstaande hoofdstukken wordt verwezen naar afbeeldingen. Deze zijn achteraan het bureauonderzoek opgenomen in bijlagen, die gekoppeld zijn aan de inleiding en gelijknamige hoofdstukken.3
3
N.B. Een bureauonderzoek van Rubicon Erfgoed is letterlijk de verslaglegging van een lopend onderzoek, wat betekent dat informatie in eerdere hoofdstukken (zoals verwachte landschapselementen) door feiten in latere hoofdstukken (zoals archeologische waarnemingen) bevestigd, ontkracht of genuanceerd kunnen worden.
5
Locatie en planvorming Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied betreft de percelen, of delen daarvan, waarbinnen de toekomstige bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het betreft het perceel dat kadastraal bekend staat als Soest K 3437. De plangebiedgrenzen zijn in dit geval gelijk aan de perceelsgrenzen. De administratieve gegevens van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Het onderzoeksgebied betreft wegens aanwezigheid van bekende archeologische waarden in de nabije omgeving een gebied met een straal van 500 m rond het plangebied (zie het hoofdstuk Archeologische informatie). De ligging van het plan- en het onderzoeksgebied op de topografische kaart en een recente luchtfoto zijn te zien in Bijlage 2 (figuren 2-3). Gegeven
Informatie
Toponiem
Van Weedestraat 97
Plaats
Soest
Gemeente
Soest
Provincie
Utrecht
Kaartblad
32A
Coördinaten (bounding box)
MIN: 148.761/466.355 MAX: 148.810/466.400 CNT: 148.786/466.377
Oppervlakte
Circa 1205 m2
Tabel 1: Gegevens plangebied.
Huidige situatie plangebied Het plangebied betreft een perceel aan de kruising van de Van Weedestraat en het Nassauplantsoen, in het noordoosten van de bebouwde kom van Soest. Ongeveer een derde van het plangebied wordt in beslag genomen door het voormalige ABN AMRO-kantoor, welke volgens de BAG Viewer van het Kadaster uit 1982 dateert.4 Op het achtererf bevinden zich zestien parkeerplaatsen. Het voormalige bankgebouw heeft een tijdelijke invulling gekregen in de vorm van ’t LOU-vre, een verbindende broedplaats voor creatieve en maatschappelijke initiatieven en activiteiten in hartje Soest.5 Uit de bouwtekeningen uit 1982 blijkt dat de fundering grotendeels circa 60 cm -Mv bedraagt en bestaat uit betonnen balken op poeren, met daaronder palen. Daarnaast is sprake van een deels verdiepte kluis van circa 40 m2, aangelegd tot circa 160 cm -Mv. De palen reiken, afhankelijk van de locatie in het bouwvlak (op hun beurt weer afhankelijk van het reliëf en de ondergrond) tot 1,0 m NAP (maaiveld op 6,76 m NAP), -0,5 m NAP (maaiveld op 6,03-6,59 m NAP) of -1,5 m NAP (maaiveld op 6,53 m NAP).6
4
bagviewer.kadaster.nl. Domus Vastgoedontwikkeling, 2023. 6 De bouwtekeningen zijn opgevraagd via het digitale loket van de gemeente Soest en d.d. 25-08-2023 verstrekt. 5
6
In Bijlage 2, figuur 4, is middels Google Streetview de huidige situatie in beeld gebracht. Figuur 5 toont de fundering van het bestaande pand. In het Bodemloket is geen informatie opgenomen m.b.t. milieukundige onderzoeken of saneringen die eventueel de bodem ter plaatse (verder) verstoord kunnen hebben.7 Toekomstige situatie plangebied Domus Vastgoedontwikkeling is voornemens om de locatie van het voormalige ABN AMRO-kantoor te herontwikkelen. Daarbij zal het bestaande pand worden gesloopt en vervangen door een vierlaags appartementencomplex met een gedeeltelijke commerciële functie. Vooralsnog zijn negen studio’s voor bewoners met een zorgvraag voorzien op de begane grond, alsmede zestien appartementen op de eerste tot en met derde verdieping. Het pand zal worden voorzien van een halfverdiepte parkeerkelder, met 22 parkeerplaatsen, te bereiken via een hellingbaan vanaf de zijde van het Nassauplantsoen. Hiervoor zullen ontgravingen nodig zijn tot 200-260 cm -Mv, rekening houdend met het verloop van het reliëf richting de stuwwal. Buiten het pand zullen zes aanvullende parkeerplaatsen komen. In Bijlage 2, figuren 6-9, zijn tekeningen opgenomen met betrekking tot de toekomstige situatie.
7
bodemloket.nl.
7
Landschappelijke informatie Inleiding landschappelijke informatie De archeologische verwachting van een plangebied is in de eerste plaats afhankelijk van de bewoningsmogelijkheden van het landschap. Op basis van informatie over de geologie (diepere ondergrond), geomorfologie (landschapsvormen), bodem (bodemvorming- en types) en de grondwaterstand kunnen de bewoningsmogelijkheden in en rond een plangebied in kaart worden gebracht. Beknopte landschapsontwikkeling8 Eén van de belangrijkste vestigingsfactoren tot in de Middeleeuwen was de aanwezigheid van natuurlijk voorkomende hoge – en dus droge – delen in het landschap. Het landschap waar Soest deel van uitmaakt is in hoge mate het resultaat van de invloed van de voorlaatste ijstijd, het Saalien (circa 238.000 – 126.000 jaren geleden). Het Saalien is een geologisch tijdvak binnen de etage van het Midden-Pleistoceen en is de laatste periode waarin het landijs van Scandinavië tot in Nederland reikte. Onder de enorme fysieke druk van dit landijs werden hele delen van Nederland als het ware opgestuwd, waarbij de kenmerkende hoge wallen – stuwwallen zoals de Utrechtse Heuvelrug – ontstonden die tegenwoordig nog enkele van de hoogste landschapsvormen van Nederland zijn.
Het landijs zorgde tevens voor de afzetting van de zogenaamde grondmorene, beter bekend als keileem (Formatie van Drenthe, Laagpakket van Gieten): een zeer compact, slecht gesorteerd mengsel van zandige klei, grind en (vuur)steen dat eerst door het ijs werd voortgestuwd en vervolgens werd ‘overreden’ en achtergelaten in het kielzog van de ijsmassa. Tenslotte heeft de ijsmassa grote invloed gehad op de loop van rivieren in ons land, zoals van de Rijn en Maas. Op het Saalien volgde het Eemien, een interglaciaal (een periode tussen twee glacialen in) waarin de temperatuur leek op die van de huidige periode – het Holoceen – of zelfs nog wat warmer. Het resultaat na afsmelten van het achtergelaten landijs door deze klimaatverandering was dat de grondmorene verwerd tot een slecht waterdoorlatende laag, die later in het Holoceen in veel lagere delen van Noorden Oost-Nederland de oorzaak is geweest van het ontstaan van menig drassig (veen)gebied. De stijgende temperatuur in deze periode zorgde er ook voor dat smeltwater diens weg zocht naar de lager gelegen delen, waardoor enerzijds dalen ontstonden of zelfs gaten in de stuwwallen – zoals de Darthuizerpoort bij Leersum – en anderzijds werd het door eht water meegevoerde sediment afgezet in zogenaamde smeltwaterwaaiers of sandrs. Het Eemien eindigde rond 116.000 jaren geleden met de intrede van de laatste ijstijd, het Weichselien.
Hoewel het landijs ditmaal niet tot in Nederland geraakte en het relatief minder koud was dan in het voorgaande Saalien, veranderde ons land wel in een bevroren poolwoestijn waar vooral de invloed van de wind voor nieuwe landschappelijke veranderingen zorgde. Omdat het merendeel van de vegetatie verdween door de ijzige kou werd het zand uit drooggevallen beken en rivieren niet meer ‘vastgehouden’, met als resultaat dat de wind dit opstoof en soms over grote afstanden elders in Nederland als een deken deponeerde, soms met grote zandruggen tot gevolg. De bewegingen van dit zogenaamde dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) werden pas aan banden gelegd toen het klimaat wederom verbeterde, toen rond 11.700 jaren geleden onze huidige geologische periode 8
De Mulder e.a., 2003; Van Zijverden en De Moor, 2014; Stouthamer e.a., 2015.
8
begon: het Holoceen. Hiermee kwam het Pleistoceen tot een einde en begon het Kwartair. Door nieuwe vegetatie werd het dekzand grotendeels vastgelegd en werd de basis gevormd voor ons huidige landschap. Paleogeografie Op de paleogeografische kaarten in Bijlage 3 (figuren 10-11)9 is in grote lijnen de landschappelijke ontwikkeling te volgen van het plangebied en haar omgeving, over een periode van 11.000 jaren. De pleistocene situatie laat zien dat het plangebied destijds in een relatief hooggelegen zandgebied (boven 0 m NAP) lag, ten zuiden van een beekdal – waar later de Eem zou gaan stromen – en ten noorden van een gestuwd gebied – de Lazarusberg en Engeberg, uitlopers van de Utrechtse Heuvelrug. In de navolgende situaties is te zien dat vanaf 3850 voor Chr. delen van het omringende landschap met veen begroeid zijn geraakt, komende vanuit het beekdal. Tot 1500 voor Chr. blijft het plangebied gevrijwaard van veengroei, waarna te zien is dat het veen is opgerukt tot aan de voet van de stuwwal en daarmee ook ter plaatse van het plangebied. Tot op het kaartbeeld van 1250 na Chr. blijft dit de situatie, waarna het veen zich terugtrekt (al dan niet door actieve ontginning) en ook het ingedijkte overstromingsgebied van de Eem zichtbaar is.
Geologie Volgens de geologische kaart van 2021 (Bijlage 3, figuur 12) ligt het plangebied op de grens van afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel (code BX4), ongedifferentieerd of toe te wijzen aan het Laagpakket van Wierden (oftewel dekzand en overige periglaciale afzettingen) en gestuwde pleistocene afzettingen (code G1).10 Vervolgens is in het DINOloket gekeken naar geologische boringen in of nabij het plangebied om dit te bevestigen, ontkrachten of te nuanceren. Deze zijn helaas niet van voldoende diepte, of ontberen lithostratigrafische informatie.11 Daarom is ook gekeken naar een geschikt ondergrondmodel om alsnog een uitspraak te doen over de vermoedelijke opbouw van bodem en diepere ondergrond ter plaatse tot 10 m -Mv.12 Centraal in het plangebied is dan ook middels een digitale appelboor middels BRO DGM v2.2 de volgende bodemopbouw gemodelleerd tot 10 m -Mv: Diepte (NAP)
Diepte (-Mv)
Lithostratigrafie
Lithologie
Ouderdom
9,20 – 8,49 m
0 – 71 cm
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, kleiig
Pleistoceen/Holoceen
8,49 – -0,80 m
71 – 1000 cm
Gestuwde afzettingen
Heterogeen (afhankelijk van de lithologische samenstelling van de lokale ondergrond)
Pleistoceen
Tabel 2: Gegevens geologische eenheden digitale appelboring BRO DGM v2.2.13
De geologische boring laat de top van het pleistocene niveau zien vanaf maaiveld, daar waar de Formatie van Boxtel ongedifferentieerd wordt verwacht. Dit kan zowel duiden op dekzand en/of
9
Dataset nationaalgeoregister.nl, op basis van kaarten ontleend aan Vos e.a., 2018. dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 11 dinoloket.nl/ondergrondgegevens. 12 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 13 idem. 10
9
sneeuwsmeltwaterafzettingen. Daaronder bevinden zich de gestuwde afzettingen, welke tot een diepte van circa 48 m -Mv reiken. De top van het pleistocene oppervlak (Bijlage 3, figuur 13) ligt tegenwoordig in het bereik van 0-10 m NAP.14 Dit strookt met de verwachting vanuit de beknopte landschapsontwikkeling. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart van 2021 (Bijlage 3, figuur 14)15 ligt het plangebied binnen de bebouwde kom van Soest en is derhalve niet gekarteerd. Naar verwachting ligt het plangebied ofwel op de overgang van, ofwel op één van, de volgende twee geomorfologische eenheden die respectievelijk ten zuidwesten en noordoosten op het kaartbeeld te zien zijn: stuwwal (kaartcode B12) en/of glooiing van hellingafspoelingen (kaartcode H32). De vormsubgroep stuwwal is ontstaan door de druk en stuwende werking die het landijs op bevroren ondergrond onder en voor het ijsfront uitoefende. Het zijn boogvormige heuvelruggen, die veelal een vlakker plateaudeel bezitten. De afzettingen in de stuwwal liggen veel hoger dan het niveau waarop ze oorspronkelijk zijn afgezet. Ze zijn typisch voor Midden-Nederland, zoals bijvoorbeeld de Utrechtse heuvelrug en de Veluwe. Bij vormsubgroep stuwwal wordt in Midden-Nederland het landoppervlak gekenmerkt door de aanwezigheid van stenen, grind en grofzand.
De stuwwallen in Oost-Nederland bestaan naast zand en grind uit tertiaire kleien en gestuwde grondmorene (B12). Bij de toevoegingen (al dan niet) bedekt met dekzand en/of bedekt met löss zijn de gestuwde pakketten (grof) rivierzand en grind afgedekt, waardoor het reliëf op of aan de flank van de stuwwal enigszins vlak golvend is. Vormsubgroep H32 wordt aan de voet van duidelijk ontwikkelde hellingen aangetroffen, zoals bij stuwwallen. Zij heeft haar vorm te danken aan denudatie en afspoeling van sneeuwsmeltwater en regenwater langs de helling. Hierop kan plaatselijk dekzand zijn afgezet. Voorbeelden zijn te vinden aan de randen van de stuwwallen in Midden-Nederland.16 Het verschil in reliëf in het plan- en onderzoeksgebied is te zien op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).17 In Bijlage 3 (figuur 15) is ten eerste een uitgezoomd kaartbeeld te zien, waarop duidelijk de plaatselijke top van de stuwwal te zien is (de Lazarusberg), alsook het plangebied aan de voet van de gestuwde afzettingen. De insert met focus op het plangebied toont het lokale verschil in maaiveldhoogte binnen de grenzen van het plangebied, dat ligt tussen 6,7 m en 7,7 m NAP. Het reliëf loopt met een ZW-NO oriëntatie af vanaf de Lazarusberg naar de Van Weedestraat. Het voormalige ABN AMROgebouw, waar de nieuwbouw zal verrijzen, ligt daarmee iets lager dan het achtererf van het perceel.
Daarmee ligt het plangebied ter plaatse van een landschapsgradiënt; een overgang van hoger en droger naar lager en natter, wat voor mensen in het verleden vaak een aantrekkelijke vestigings- en gebruikszone was. Bodem Op de bodemkaart van 2021 (Bijlage 3, figuur 16)18 is het plangebied evenmin gekarteerd. Binnen het onderzoeksgebied is sprake van verschillende bodemtypes, waarvan er één of meerdere in het
14
nationaalgeoregister.nl. dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 16 legendageomorfologie.wur.nl. 17 ahn.arcgisonline.nl. 18 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 15
10
plangebied voor zouden kunnen komen. Gelet op de voorgaande paragrafen is het meest waarschijnlijk dat het oorspronkelijk ging om ofwel gooreerdgronden (lager en natter), ofwel hoge zwarte enkeerdgronden (hoger en droger), ofwel beiden. Gelet op de maaiveldhoogte is het meest aannemelijk dat sprake was van hoge zwarte enkeerdgronden. Aan de voet van de stuwwal zijn gooreerdgronden gekarteerd. Dit zijn lage zandgronden met een zwarte bovengrond, die meestal aan de humusrijke kant is en een dikte van 20-40 cm heeft; de ondergrond bestaat uit grijs, niet roestig zand, dat meestal leemarm is. Soms is de ondergrond zwak gekleurd door ingespoelde humusstoffen. Deze gronden vormen de overgang van eerdgronden naar podzolgronden. Ze worden niet tot de podzolgronden gerekend, omdat de inspoelingshorizont niet duidelijk genoeg is ontwikkeld. De naam ‘goor’ wordt gebruikt voor laag gelegen, moerassig land en komt in het oosten van het land als veldnaam voor.19 Ter plaatse van de stuwwal zelf komen hoge zwarte enkeerdgronden voor; op de stuwwal zelf in grof zand (kaartcode zEZ30) en op de flanken ervan in leemarm of zwak lemig fijn zand (kaartcode zEZ21). Deze gronden zijn vanaf de Middeleeuwen ontstaan door het ophogen van de bestaande zandgronden, bij de zwarte variant (er zijn ook bruine) voornamelijk met heideplaggen. Hierdoor ontstonden vruchtbaardere gronden.
De middelhoge zandgronden waren door hun gunstige waterhuishouding hiervoor ideaal; hogere gronden waren veelal te droog, lagere gronden te nat. Deze plaggendekken zijn in de loop der eeuwen tot soms wel een meter opgehoogd. Onder deze buffer bevindt zich het oorspronkelijke, natuurlijke bodemprofiel. Plaggendekken kunnen dan ook vindplaatsen uit het verleden afgedekt hebben, waardoor deze in meer of mindere mate beschermd zijn gebleven tegen ploegwerkzaamheden en andere bodemingrepen. In de bodemkundige classificatie worden plaggenbodems enkeerdgronden genoemd wanneer de cultuurgrond dikker is dan 50 cm. De termen ‘plaggendek’ en ‘es’ worden vaak door elkaar gebruikt, maar kennen elk een eigen genese en ouderdom. Er is zeker overlap, maar niet in alle gevallen.20 Grondwater De grondwaterstand en de fluctuaties daarin hebben effect op zowel de aantrekkelijkheid van bodems voor bewoning/gebruik, alsook op de conservering van archeologische resten in die bodems. De grondwaterstand wordt in twee uitersten ten opzichte van maaiveld gemeten: de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Boven de GHG blijven onverbrande organische resten, zoals begraven botmateriaal, hout, leer of textiel, in het zandgebied meestal niet tot nauwelijks bewaard – uitzonderingen zijn in waterputten en onderin diep ingegraven sporen.
Boven de GHG resteren vrijwel alleen verbrande organische resten (bijvoorbeeld crematieresten en houtskool) en anorganische resten, zoals aardewerk en vuur-/natuursteen (in het rivierengebied gaat deze redenering echter minder goed tot niet op, afhankelijk van de situatie ter plaatse). Op de grondwaterspiegeldieptekaart van 2023 het plangebied niet gekarteerd wegens de ligging in de bebouwde kom, maar oorspronkelijk was wellicht sprake van grondwatertrap IVu (GHG 40-80 cm -Mv, GLG 80-120 cm -Mv) of Vao (GHG <25 cm -Mv, GLG 120-180 cm -Mv).21
19
De Bakker, 1966. Idem. 21 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 20
11
Conclusie landschappelijke informatie Op basis van de informatie die in dit hoofdstuk is verzameld is duidelijk geworden dat het plangebied is een regio ligt die sinds het Pleistoceen weinig is veranderd, daar waar het de zandgronden betreft. De Van Weedestraat ligt op een landschapsgradiënt aan de voet van de Lazarusberg en Engeberg, uitlopers van de Utrechtse Heuvelrug. In de lager gelegen delen van het landschap is op den duur veen gaan groeien, wat gedurende bijna drieduizend jaar ook het plangebied heeft bedekt. Met het beekdal van de latere Eem nabij was sprake van stromend water op relatief korte afstand. Voor prehistorische samenlevingen bood dit gunstige omstandigheden voor bewoning, jacht, visserij en later ook voor landbouw.
12
Archeologische informatie Inleiding archeologische informatie De archeologische verwachting van een plangebied wordt naast het landschap mede bepaald door de daadwerkelijk vastgestelde bewoningsgeschiedenis. Eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, terreinen van archeologische waarde (monumenten) en archeologische vondstmeldingen in de omgeving kunnen de verwachting nader specificeren en soms zelfs informatie verschaffen over de mogelijke diepteligging en conserveringsgraad van archeologische resten in het plangebied. Periode
Deel-/subperiode
Afkorting
Alternatieve periode
Van
Tot
Nieuwe Tijd
Nieuwe Tijd C
NTC
Late Nieuwe Tijd
1850 na Chr.
heden
Nieuwe Tijd B
NTB
Midden-Nieuwe Tijd
1650 na Chr.
1850 na Chr.
Nieuwe Tijd A
NTA
Vroege Nieuwe Tijd
1500 na Chr.
1650 na Chr.
Late Middeleeuwen B
LMEB
Late Middeleeuwen
1250 na Chr.
1500 na Chr.
Late Middeleeuwen A
LMEA
Volle Middeleeuwen
1050 na Chr.
1250 na Chr.
Vroege Middeleeuwen D
VMED
Ottoonse Tijd
900 na Chr.
1050 na Chr.
Vroege Middeleeuwen C
VMEC
Karolingische Tijd
725 na Chr.
900 na Chr.
Vroege Middeleeuwen B
VMEB
Merovingische Tijd
525 na Chr.
725 na Chr.
Vroege Middeleeuwen A
VMEA
Merovingische Tijd
450 na Chr.
525 na Chr.
Laat-Romeinse Tijd B
ROMLB
350 na Chr.
450 na Chr.
Laat-Romeinse Tijd A
ROMLA
270 na Chr.
350 na Chr.
Midden-Romeinse Tijd B
ROMMB
150 na Chr.
270 na Chr.
Midden-Romeinse Tijd A
ROMMA
70 na Chr.
150 na Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd B
ROMVB
25 na Chr.
70 na Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd A
ROMVA
12 voor Chr.
25 na Chr.
Late IJzertijd
IJZL
250 voor Chr.
12 voor Chr.
Midden-IJzertijd
IJZM
500 voor Chr.
250 voor Chr.
Vroege IJzertijd
IJZV
800 voor Chr.
500 voor Chr.
Late Bronstijd
BRONSL
1100 voor Chr.
800 voor Chr.
Midden-Bronstijd B
BRONSMB
1500 voor Chr.
1100 voor Chr.
Midden-Bronstijd A
BRONSMA
1800 voor Chr.
1500 voor Chr.
Vroege Bronstijd
BRONSV
2000 voor Chr.
1800 voor Chr.
Laat-Neolithicum B
NEOLB
2450 voor Chr.
2000 voor Chr.
Laat-Neolithicum A
NEOLA
2850 voor Chr.
2450 voor Chr.
Midden-Neolithicum B
NEOMB
3400 voor Chr.
2850 voor Chr.
Midden-Neolithicum A
NEOMA
4200 voor Chr.
3400 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum B
NEOVB
4900 voor Chr.
4200 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum A
NEOVA
5300 voor Chr.
4900 voor Chr.
Laat-Mesolithicum
MESOL
6450 voor Chr.
4900 voor Chr.
Midden-Mesolithicum
MESOM
7100 voor Chr.
6450 voor Chr.
Vroeg-Mesolithicum
MESOV
8800 voor Chr.
7100 voor Chr.
Laat-Paleolithicum B
PALEOLB
18.000 BP
8.800 voor Chr.
Laat-Paleolithicum A
PALEOLA
35.000 BP
18.000 BP
Midden-Paleolithicum
PALEOM
300.000 BP
35.000 BP
Vroeg-Paleolithicum
PALEOV
-
300.000 BP
Middeleeuwen
Romeinse Tijd
IJzertijd
Bronstijd
Neolithicum
Mesolithicum
Paleolithicum
Tabel 3: Indeling archeologische periodes in Nederland (bron: Archeologisch Basis Register).
13
Archeologische verwachting op provinciaal niveau De provincie Utrecht heeft ervoor gekozen om drie archeologische gebieden te beschermen als provinciaal belang: de Limes, Utrechtse Heuvelrug en Dorestad (Wijk bij Duurstede). Deze staan aangeduid op de digitaal raadpleegbare Cultuurhistorische Atlas (CHAT). Het plangebied valt niet binnen één van deze gebieden.22 Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau Het plangebied ligt op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Soest (Bijlage 1, figuur 1) in een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 1 (AWV-categorie 1), waar vrijstellingsgrenzen gelden van respectievelijk 100 m2 en 30 cm -Mv.23 De verwachtingen in het gemeentelijk beleid zijn met name gebaseerd op de geomorfologie en historische kernen. Archeologische monumenten Binnen het onderzoeksgebied staat één archeologisch monument geregistreerd in ARCHIS3 (Bijlage 4, figuur 17). AMK nr.
Status
Periode
Toponiem en omschrijving
12257
Hoge archeologische waarde
LME-NT
Centrum: Terrein met sporen van bewoning. Het betreft de dorpskern van Soest. Soest ligt in een gebied waar de stuwwal, dekzandgebied en de oeverwallen van de Eem samenkomen. Beschermd dorpsgezicht.
Tabel 4: Archeologische monumententerreinen in het onderzoeksgebied.
Het enige AMK-terrein binnen het onderzoeksgebied is de oorspronkelijke kern van Soest: een langgerekt bewoningslint dat wordt begrensd door de Korte Melmweg, Lange Brinkweg, Eemstraat, Kerkpad ZZ en Kerkpad NZ. Archeologische vondstmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staan in ARCHIS3 geen archeologische vondstmeldingen (vondsten gedaan buiten formele onderzoeksmeldingen, uitgezonderd ouder onderzoek dat met terugwerkende kracht is aangemeld) geregistreerd (Bijlage 4, figuur 17). Archeologische onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staan in ARCHIS3 elf onderzoeksmeldingen geregistreerd (Bijlage 4, figuur 17).
22 23
utrecht.maps.arcgis.com. Gemeente Soest, 2011.
14
ZaakID
Toponiem
Verwerving
Jaar
2042352100
Herinrichtingsgebied Eemland
archeologisch: boring
1988
2373668100
Van Weedestraat
niet-archeologisch: graafwerk
2011
2475533100
Van Weedestraat 62
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2015
4021530100
Burgemeester Grothestraat 23
archeologisch: boring
2016
4542320100
Hoek Prins Bernhardlaan en Spoorstraat
archeologisch: boring
2017
4555898100
Korte Brinkweg 51
archeologisch: bureauonderzoek
2017
4572778100
Korte Brinkweg 51
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2017
4643336100
Korte Brinkweg 51
archeologisch: opgraving
2018
5163080100
Rembrandtlaan 20
archeologisch: boring
2022
5269159100
Nassauplantsoen
archeologisch: bureauonderzoek
2022
5273710100
Prins Bernhardlaan 8B
archeologisch: boring
2022
Tabel 5: Onderzoeksmeldingen in het plangebied.
Binnen het onderzoeksgebied zijn tot nu toe een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het meest nabij uitgevoerde onderzoek is een bureauonderzoek voor het Nassauplantsoen, wat geen nieuwe primaire informatie oplevert.24 Tijdens het proefsleuvenonderzoek aan de Van Weedestraat 62, schuin tegenover het plangebied aan de overzijde van de straat, zijn twee proefsleuven aangelegd met een totale lengte van circa 23 m en een breedte van circa 2 m. Door de proefsleuven liepen verschillende recente leidingen en er was een betonpoer aanwezig. De proefsleuven zijn schavenderwijs verdiept tot op het eerste sporenvlak. Het eerste sporenvlak bevond zich in beide werkputten op de overgang van de A- naar de C-horizont. In beide werkputten ging de humeuze en vergraven bovengrond via een scherpe grens over in de Chorizont van het dekzand. In het dekzand zijn binnen de werkputten geen sporen van bodemvorming waargenomen. De aangetroffen sporen in de proefsleuven waren van subrecente en recente ouderdom en betreffen kuilen, een gemetselde zinkput en een betonfundering. Aan vondstmateriaal werd dierlijk botmateriaal, plastic en recent bouwpuin aangetroffen. Het dierlijk bot was afkomstig uit een kuil die is geïnterpreteerd als een diergraf. Mogelijk heeft dit graf aan de rand van een erf gelegen.
Omdat de bodem geheel verstoord was kwam de waardestelling van het terrein uit op niet- behoudenswaardig. Gezien die waardestelling werd aanbevolen om af te zien van verder onderzoek en het onderzoeksgebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden.25 24 25
Barth en Van der Kuijl, 2022. De Roller, 2015.
15
De andere onderzoeksmelding aan de Van Weedestraat/Stadshouderslaan blijkt een waarneming te zijn van Centrum voor Archeologie Amersfoort, gedaan tijdens rioleringswerkzaamheden. Tijdens de werkzaamheden bleek echter dat er – in verband met de aangetroffen instabiele bodem – een iets groter oppervlak verstoord zou worden. Deze verstoring betrof onder meer het verwijderen van aangetroffen (en niet verwachte) funderingen van het voormalig Hotel Eemland. Bij de graafwerkzaamheden zijn behalve de funderingen van het Hotel Eemland ook enkele oudere sporen aan het licht gekomen. Het betrof enkele paalgaten en een waterput. De paalsporen dateerden uit diverse perioden, afgaand op de vulling en vondsten. Eén (paal)spoor is laatmiddeleeuws en bevatte een scherf 13e-14e-eeuws aardewerk en resten van een ijzeren mesje. De overige paalsporen dateren vermoedelijk tussen de 16e en 19e eeuw. De waterput is uit heide- of grasplaggen opgebouwd. De put is op circa 1,5-2,0 meter onder maaiveld in het vlak zichtbaar als een circa 1,20 meter rond donkergrijs spoor. De grond boven de put was verstoord door de funderingen van het Hotel Eemland. In de put bevonden zich enkele baksteenfragmenten, plagresten en houtresten. Een fragment roodgeglazuurd aardewerk wat tijdens het uitgraven van de put werd gevonden dateert uit de late 18e eeuw, en zal hoogstwaarschijnlijk niet bij de put horen.
Plaggenputten werden namelijk over het algemeen al in de (uiterlijk) 16e eeuw vervangen door baksteenputten.26 Van het booronderzoek aan de Prins Bernhardlaan 8B zijn alleen eerste bevindingen beschikbaar in ARCHIS, waaruit blijkt dat de resultaten van het onderzoek, gezien de op het overgrote deel van het plangebied diepe bodemverstoring en ondanks de hoge boordichtheid en het boren met een megaboor ontbreken van relevante archeologische indicatoren, geen aanleiding gaven om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.27 Het meest uitgebreid onderzochte terrein binnen het onderzoeksgebied is de Korte Brinkweg 51, waar een bureauonderzoek, proefsleuvenonderzoek en een opgraving hebben plaatsgevonden. In het rapport van de opgraving is te lezen dat, hoewel men tijdens het bureauonderzoek had geconcludeerd dat er geen behoudenswaardige resten in de grond aanwezig zouden zijn, het proefsleuvenonderzoek uitwees dat binnen het plangebied rekening gehouden diende te worden met de aanwezigheid van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Zeer waarschijnlijk ging het hier om sporen en vondsten die in relatie stonden tot de nog bestaande boerderij. Naar aanleiding van deze resultaten is geconcludeerd dat binnen het plangebied behoudenswaardige resten aanwezig waren.
Daar het niet mogelijk was deze in situ te behouden is geadviseerd tot het laten uitvoeren van een archeologische opgraving. Dit advies is door het bevoegd gezag overgenomen, waarna in het najaar van 2018 de opgraving is uitgevoerd. Hoewel het terrein behoorlijk verstoord was als gevolg van recente bodemingrepen, bleken er nog vrij veel sporen en vondsten in de grond aanwezig te zijn. Deze sporen en vondsten zijn alle toe te schrijven aan het erf van de boerderij. Interessant is dat met name de sporen uit de vroegste fase lijken te zijn overgeleverd. Dit zijn sporen uit de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw. Dit is in die zin opmerkelijk, daar men er altijd van uit was gegaan dat de boerderij pas aan het einde van de 16e eeuw zou zijn opgericht. Het onderzoek heeft laten zien dat dit dus ongeveer een eeuw eerder zal zijn geweest. De deelonderzoeken van het aardewerk, metaal, bot en het botanisch materiaal vormen tezamen met de overige data uit het veld een mooi beeld van de bewoning in de 16e eeuw en later binnen het plangebied.28
26
Verhamme, 2011. archis.cultureelerfgoed.nl. 28 Van Kampen, 2022. 27
16
Conclusie archeologische informatie Op basis van de in dit hoofdstuk verzamelde gegevens kan worden gesteld dat binnen het onderzoeksgebied relatief weinig bekende archeologische waarden zijn. Wat welk bekend is hangt samen met de bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd in en rond de historische kern van Soest, waar het plangebied vlakbij ligt.
17
Cultuurhistorische informatie Inleiding cultuurhistorische informatie De cultuurhistorische ontwikkeling in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kan van grote invloed zijn op het specificeren van de archeologische verwachting in het plangebied. Niet alleen gaat het om dynamische archeologische perioden, maar bebouwing en landschapsingrepen zoals ontginningen en ruilverkavelingen kunnen voor (soms grootschalige) bodemverstoringen hebben gezorgd. Hierdoor kan de verwachting op archeologische waarden uit eerdere perioden dan de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd mogelijk lager worden. Echter, er werd vanaf de Middeleeuwen ook veelvuldig gebouwd en vele cultuurhistorische relicten zijn met bewoning en activiteit in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd in verband te brengen, waardoor de archeologische verwachting voor deze specifieke periode juist hoger kan worden. Beknopte lokale en regionale geschiedenis De eerste sporen van het verleden van Soest zijn gevonden in de Lange en Korte Duinen. Tijdens de Midden-Steentijd bevolkten enkele jagersgroepen dit gebied. Hun nalatenschap bestaat uit resten van kampementen, getuige de vuurstenen werktuigjes en resten van haardvuren, die zijn aangetroffen. Van regionaal groot belang zijn de vele grafheuvels in Soest (waaronder het Enghenbergje op de Eng), opgeworpen voor overledenen. Deze dateren variërend uit de Nieuwe Steentijd en de Bronstijd.
Het dorp Soest ontstond pas vele eeuwen na deze vroegste bewoners. De eerste boeren vestigden zich mogelijk al in de 7e of 8e eeuw na Chr. op de zuidoosthelling van de Engh (de Engeberg en Lazarusberg), een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. Door hier te gaan wonen waren ze beschermd tegen de Zuiderzee, die regelmatig de Eempolder overstroomde. De Engh werd ontgonnen en bemest, zodat deze geschikt werd voor akkerbouw. De kolonie groeide uit tot een klein boerendorp; zo ontstond het middeleeuwse engdorp. De eerste vermelding van het dorp Soest dateert uit 1028. De nederzetting en de eng van Soest zijn gesitueerd op een stuwwal, bekend als de Engeberg en de Lazarusberg. De oude kern van de nederzetting werd gevormd door de Kerkebuurt, die aan weerszijden werd ingesloten door een langgerekt lint van boerderijen. Het dorp lag langs de zuidoostelijke begrenzing van de Soester Eng. De meeste boerderijen in het dorp lagen ten noorden van de Oude Kerk, tussen de huidige Lange en Korte Brinkweg en de (voormalige) Rijksstraatweg of Bovenweg. Het terrein tussen deze wegen werd van oudsher aangeduid als de ‘brink’. Deze brink schijnt oorspronkelijk een gemeenschappelijke open grasvlakte te zijn geweest, die in gebruik was voor het grazen van vee dat men dicht bij huis wilde hebben en de opslag van onder andere turf, hooi en mest.
Soest is een variant op het brinkdorp, één van de drie types engdorpen op de Utrechtse Heuvelrug (naast het flankengdorp en de verspreide bebouwing), waarbij het dorp zich vanuit de brink als randbebouwing langs de eng heeft ontwikkeld Toen Soest in de 14e eeuw een zelfstandige parochie werd met een eigen kerkgebouw kwam er ook een eigen kerkhof. In 1470 werd er ook een klooster bij het dorp gesticht: Mariënburg. De eeuwen hierna werden gekenmerkt door invallen en plunderingen van de Spaanse, Franse en Pruisische troepen. In deze periode groeide Soest echter ook; de ene na de andere stenen boerderij werd gebouwd. Ze werden getypeerd door hun grootte, met een brede voorgevel en een stomp dak. Voortkomend uit oude boerderijclusters ontstonden er steeds meer buurtschappen. Deze zijn nog steeds kenmerkend voor de gemeente Soest.29 29
oudvorden.nl.
18
Historisch kaartmateriaal De ontwikkeling van een plan- en onderzoeksgebied is te volgen op historisch kaartmateriaal, zoals kadastrale minuutplannen en topografische (militaire) kaarten, maar soms ook oudere bronnen, zeker daar waar het om historische stadskernen gaat. Uit het begin van de 19e eeuw (1811-1832) hebben we de kadastrale verzamelplannen, alsook de meer gedetailleerde minuutplannen en hun bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel (OAT), die een gedetailleerd beeld van bebouwing en eigendomssituatie van percelen geeft. Op het minuutplan Soest, Utrecht, sectie H, blad 01 (MIN06068H01) staat het plangebied weergegeven (Bijlage 5, figuur 18). Op deze kaart is de ruimtelijke structuur van het blok waarin het plangebied tegenwoordig is gelegen, ook al duidelijk te zien: het wordt begrensd door de Van Weedestraat, Nassauplantsoen, Prins Bernhardlaan (‘Den Hollen Weg’ op het minuutplan) en Irenelaan. Volgens de OAT was het betreffende perceel 281 in gebruik als bouwland, in eigendom van Pieter van Romen, bouwman uit Soest. Mogelijk in, maar waarschijnlijk eerder pal naast, het plangebied stond een huis (perceel 280), in eigendom van de weduwe van George Merkenich, van beroep tapster. In de decennia die volgen ontwikkelde de omgeving van het plangebied zich geleidelijk (Bijlage 5, figuren 19-22).
In de loop van de decennia breidt de bebouwing zich eerst langs de voet van de stuwwal uit, waarna vanaf de tweede helft van de 20e eeuw ook de Lazarusberg zelf bebouwd wordt. Hoewel de resolutie van de historische kaarten (en hun georeferentie) niet optimaal zijn, lijkt het erop dat er sinds het begin van de 20e eeuw (al dan niet kleinschalige bebouwing) in het plangebied heeft gestaan. Wat betreft de oorlogsgeschiedenis kunnen in en rond het plangebied resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Deze verwachting geldt voor heel Nederland, daar waar geen sprake is van bijzondere locaties. Er zijn geen inslaglocaties van V1- of V2-raketten bekend in of direct nabij het plangebied.30 Conclusie cultuurhistorische informatie Uit de lokale/regionale geschiedenis en het geraadpleegde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied tot in het begin van de 20e eeuw onbebouwd is gebleven. Tot die tijd was het terrein in gebruik als bouwland.
30
ikme.nl; vergeltungswaffen.nl.
19
Verwachtingsmodel, conclusie en advies Verwachtingsmodel Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de bewonings- en gebruiks(on)mogelijkheden die het landschap in verschillende perioden bood, alsook de bekende archeologische en historische gegevens.
Stratigrafische positie en prospectiekenmerken Op basis van beschouwde gegevens over de landschapsgenese wordt verwacht dat de bodemopbouw voornamelijk bestaat uit eolische/periglaciale afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel, al dan niet het daarbinnen te onderscheiden Laagpakket van Wierden. Het primaire archeologische niveau wordt gevormd door de top van het pleistocene niveau, dat wil zeggen van het dekzand, dat reeds vanaf maaiveld aangetroffen kan worden of onder een moderne ophooglaag.
Archeologische indicatoren en complextypen In het plangebied worden resten van nederzetting, landgebruik en begraving verwacht. Nederzettingen uit het Paleolithicum en Mesolithicum manifesteren zich voornamelijk als vondstconcentraties en strooiingen van vuursteen. Vanaf het Neolithicum kunnen daarbij ook grondsporen en concentraties aardewerk worden aangetroffen. Nederzettingen uit de Bronstijd – Romeinse Tijd kenmerken zich veelal door sporen en concentraties aardewerk, alhoewel ook nog in latere periodes vuursteen werd gebruikt. Archeologisch relevante ophogingslagen uit de Middeleeuwen (al dan niet met vondstmateriaal), alsook grondsporen van (uit hout of steen opgetrokken) bebouwing alsmede erfgerelateerde structuren (bijv. waterputten) uit de Middeleeuwen of Nieuwe Tijd, worden niet direct verwacht maar kunnen evenmin worden uitgesloten. Uit alle perioden kunnen daarnaast losse vondsten of sporen worden aangetroffen, die verband houden met tijdelijk landgebruik of eenmalige activiteiten. Sporen van permanent landgebruik vanaf het Neolithicum kunnen in de vorm van bijvoorbeeld erfgreppels worden aangetroffen.
Beperkingen Sporen van kortstondige bewoning kenmerken zich door (kleinschalige) grondsporen in plaats van door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel een verwachting worden uitgesproken op basis van inzicht in de opbouw en de mate van intactheid van de bodem, wat niet met enkel bureauonderzoek kan worden vastgesteld.
Confrontatie verwachtingsmodel met geplande bodemingrepen en bekende verstoringen Naar verwachting zullen met de herontwikkeling van het plangebied bodemingrepen gemoeid gaan die tot 200-260 cm -Mv zullen reiken. Op basis van dit bureauonderzoek kan niet worden geconcludeerd of daarbij het primaire archeologische niveau, d.w.z. de top van het verwachte dekzand, verstoord zal worden dan wel überhaupt van archeologische interesse is (gelet op mogelijke verspoeling, aftopping of andere verstoring). Een beperkte ophoging kan ook een (extra) buffer hebben gevormd op het oorspronkelijke bodemprofiel. Indien de top van het dekzand zich binnen de toekomstige verstoringsdiepte bevindt, intact is en archeologisch relevant wordt het niveau bedreigd door de voorgenomen plannen. De samenvatting van het verwachtingsmodel is aldus:
20
Datering
Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd (middelhoge verwachting)
Complextype
Nederzetting, begraving, landgebruik of -inrichting
Omvang
<50 m2 (zeer kleine Steentijdsites) tot 500-2000 m2 (huisplaatsen)
Diepteligging
Mogelijk vanaf maaiveld of onder moderne ophooglaag
Gaafheid en conservering
Sterk afhankelijk van impact grondwerkzaamheden in het verleden en eventuele ophoging
Locatie
Gehele plangebied
Uiterlijke kenmerken
Sporenvlak, vondstmateriaal (strooiingen en/of concentraties)
Mogelijke verstoringen
Mogelijk deels verstoord door grondbewerkingen in het verleden
Tabel 6: Samenvatting verwachtingsmodel voor het plangebied.
Conclusie en advies Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Hoewel er altijd een kans bestaat dat (sommige) relevante archeologische lagen (ten dele) niet meer aanwezig zijn, of (ten dele) niet worden bedreigd door toekomstige ontgravingen, is de bodemopbouw op basis van bureauonderzoek alleen niet vast te stellen. Hetzelfde geldt voor de aard en mate van eventuele bodemverstoringen. Op basis van dit bureauonderzoek adviseert Rubicon Erfgoed dan ook om de archeologische verwachting uit dit bureauonderzoek in het veld te toetsen, door de opbouw, aard en mate van intactheid van de bodem vast te stellen middels een verkennend booronderzoek. Naast het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting dient het verkennend booronderzoek ook waar mogelijk (extra) informatie te verschaffen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het plangebied, betreffende de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Daarnaast heeft de verkennende fase als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden.
Doel daarbij het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor volgende vormen van onderzoek, indien aanwezig. Geadviseerd wordt om, verspreid over het gehele plangebied, minimaal 5 boringen uit te voeren met een 7 cm Edelmanboor. De uitvoerder van de boringen wordt aangeraden om zowel een KLIC-melding te doen alsook navraag te doen bij de initiatiefnemer, om een zo recent en duidelijk mogelijk beeld te krijgen van de toestand van de ondergrond wat betreft eventuele kabels en leidingen.
21
Zie Bijlage 6 (figuur 23) voor de advieskaart in deze. Bovenstaande betreft een onafhankelijk tot stand gekomen advies, op basis van bekende informatie en de kwaliteitsnormen van de beroepsgroep archeologie. Naar aanleiding van dit advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Soest) een eigen besluit nemen. In dat besluit kan en mag de bevoegde overheid beredeneerd afwijken van het advies. Mocht het plangebied in dat besluit worden vrijgegeven door de bevoegde overheid en er worden onverhoopt toch archeologische waarden aangetroffen tijdens de geplande graafwerkzaamheden, dan geldt op basis van de Erfgoedwet de plicht deze zogenaamde toevalsvondsten te melden bij het Rijk. Uit praktische overweging is het aan te bevelen deze melding te doen bij de bevoegde overheid, de gemeente Soest. Aan bovenstaand advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit kan voortvloeien, worden geclaimd. Selectiebesluit bevoegde overheid Het in dit rapport geadviseerde verkennende booronderzoek is d.d. 14-08-2023 uitgevoerd, na akkoord van Centrum voor Archeologie Amersfoort (archeologisch adviseur gemeente Soest) op het Plan van Aanpak daarvan. Dit rapport is d.d. 22-08-2023 door dhr. M. L. Verhamme van het Centrum voor Archeologie Amersfoort beoordeeld. De gemaakte opmerkingen zijn in deze definitieve versie verwerkt.