4c4 2 Bijlage 1 Toelichting Verkeersplan Soest Zuid 4 (De Bunt en Tankstation).pdf
Tekst van het document
Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De weg en het fietspad betreffen, in het kader van milieuzonering, geen milieugevoelige functies. Er is dan ook geen sprake van hinder van omliggende functies.
27
5.2.3.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.2.3 Geluid
5.2.3.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect "geluid". De Wet geluidhinder behandelt drie geluidsbronnen: industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai. In dit geval wordt geen nieuw geluidsgevoelig object gerealiseerd, waardoor de aspecten railverkeers- en industrielawaai buiten beschouwing gelaten kunnen worden.
5.2.3.2 Situatie plangebied Deze ontwikkeling betreft een fysieke wijziging aan een weg. Wanneer de geluidsbelasting daardoor met 2 dB toeneemt, is sprake van een reconstructie1 als bedoeld in de Wet geluidhinder. In verband daarmee is door Royal Haskoning DHV voor het gehele project in Soest Zuid een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Doel van het onderzoek is om te bepalen of er sprake is van een reconstructie zoals omschreven in de Wet geluidhinder. Indien sprake is van reconstructie wordt onderzocht welke (geluidbeperkende) maatregelen kunnen worden getroffen. Indien de maatregelen niet mogelijk zijn of stuitten op bezwaren dan wordt aangegeven voor welke geluidgevoelige objecten een hogere waarde dient te worden vastgesteld. De resultaten en conclusies van dit onderzoek ten aanzien van de in dit plan besloten ontwikkeling zijn hierna opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek die is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Ten gevolgen van de wijzigingen aan de N221 (waar de Ossendamweg onderdeel van uitmaakt) bedraagt de hoogste toename 1,9 dB op geluidgevoelige bestemmingen binnen het onderzoeksgebied. Conform de Wet geluidhinder is daarmee geen sprake van reconstructie voor wat betreft de woningen gelegen nabij onderhavig plangebied.
De twee woningen waarvoor geldt dat de belasting hoger ligt en waarbij dus wel sprake is van reconstructie (betreffende de Birkstraat 76 en Vondellaan 32), liggen ver buiten de grenzen van onderhavig plangebied. Er worden geen aanvullende eisen gesteld ten gevolge van voorgenomen ontwikkeling.
5.2.3.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid gelden geen belemmeringen voor de ontwikkeling binnen het plangebied. 5.2.4 Luchtkwaliteit
5.2.4.1 Algemeen Beoordelingskader Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving voor luchtkwaliteitseisen beschreven in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het verkeer langs drukke wegen bewerkstelligt overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Aspecten van de nieuwe regelgeving op grond van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: •
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Besluit NIBM;
1
Een reconstructie is gedefinieerd (art.1 Wgh) als: "een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidsbelasting, vanwege de weg, met 2 dB of meer wordt verhoogd".
28
• •
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Regeling NIBM; Besluit gevoelige bestemmingen.
Besluit en de regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De 3 %-grens is van toepassing sinds 1 augustus 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen dan wel luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast.
Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
5.2.4.2 Situatie in het plangebied In voorliggend geval wordt een weg verbreed en een fietspad verlegt. Dit zorgt niet voor een verkeersaantrekkende werking, maar uitsluitend voor een betere verkeersveiligheid. De ontwikkeling wordt daarnaast niet aangemerkt als een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen.
5.2.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.2.5 Externe veiligheid
5.2.5.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit.
29
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.2.5.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende figuur is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte cirkel) en omgeving weergegeven.
Figuur 5.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt kortom dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; 30
• niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
5.2.5.3
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.3 Water 5.3.1 Beleid
5.3.1.1
De Europese Kaderrichtlijn Water (2003)
De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.
5.3.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord
5.3.1.4 Beleid provincie De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband voor de lange èn de korte termijn de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid: •
Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland.
•
Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren.
•
Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden.
De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van
31
functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan.
5.3.1.5 Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec. 2009).
5.3.1.6
Beleid waterschap Vallei en Veluwe
Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. We beschermen het gebied tegen overstromingen 2. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water 3. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit 4. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden 5. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water 6. We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners
5.3.1.7
Gemeentelijk Rioleringsplan Soest 2018-2022
Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer. Het gemeentelijk plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. In het plan wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor een doelmatige inzameling en een doelmatig transport van afvalwater, grondwater en hemelwater. 5.3.2 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen.
Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied. 5.3.3 Waterhuishoudkundige aspecten
5.3.3.1 Grondwaterbescherming 32
Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingszone.
5.3.3.2 Oppervlaktewater en waterkeringen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast zijn hier geen waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen). Binnen het plangebied wordt tot slot geen oppervlaktewater gerealiseerd.
5.3.3.3 Bebouwing en verharding Het voorliggende plan gaat uit van de verbreding van een weg en verleggen van een fietspad. Van een onevenredige toename (meer dan 1.500 m²) van verharding binnen het plangebied is geen sprake. Watercompensatie is op grond van de geldende beleidsregels niet aan de orde. De gemeente Soest beschikt echter over een eigen Gemeentelijk waterhuishoudkundig en rioleringsplan (GWRP 2018-2022). In dit beleidsplan staat dat hemelwater voor elk nieuw aangelegde verharding binnen het plangebied moet worden gecompenseerd. Net zoals in de bestaande situatie wordt het hemelwater afgevoerd via het gemengde riool. Afkoppelen en infiltreren is op deze hoofdwegen ongewenst. Het hemelwater van de verharding is namelijk behoorlijk vervuild.
5.3.3.4 Afval- en regenwater Bij nieuwbouw en uitbreidingen moet rekening gehouden worden met het veranderende klimaat. Bij nieuwbouw en uitbreidingen moet regenwater van verharde oppervlaktes (daken en verhardingen) daarom zoveel mogelijk afgekoppeld worden en afgevoerd worden via infiltratie in de bodem, naar oppervlaktewater of via een gescheiden rioleringssysteem. In dit geval is er geen sprake van bebouwing en daarmee dus ook niet van de afvoer van afvalwater. Het regenwater zal via het riool worden afgevoerd.
5.3.3.5 Klimaatbestendigheid Uit de klimaateffectatlas Vallei en Veluwe blijkt dat het kruispunt volgens de modelberekeningen zelf weinig last heeft van wateroverlast bij forse buien. Maar met name het te vervangen fietspad aan de zuidzijde blijk het water uit het zuidelijke deel van de Soesterbergsestraat te transporteren richting de Ossendamweg om daar een bijdrage te leveren aan de aanwezige wateroverlast. Net zoals in de bestaande situatie wordt het hemelwater afgevoerd via het gemengde riool. Afkoppelen en infiltreren is op deze hoofdwegen ongewenst. Het hemelwater van de verharding is namelijk behoorlijk vervuild. 5.3.4 Conclusie Met inachtneming van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect water niet tot een belemmering van de uitvoerbaarheid van het plan leidt.
5.4 Ecologie 5.4.1 Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.4.2 Gebiedsbescherming
5.4.2.1
Natura 2000-gebieden 33
Algemeen Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Gronden die tot Natura-2000 behoren liggen op minimaal 9,5 kilometer afstand van het plangebied (betreffende Natura 2000gebied Arkenheem). Om te bepalen of de in het gehele plan omsloten verkeerskundige aanpassingen negatieve gevolgen heeft voor Natura-2000 is een stikstofdepositieberekening voor de realisatiefase en de gebruiksfase uitgevoerd. De berekeningen hebben betrekking op drie fases. De eerste is de huidige situatie en de tweede is de beoogde situatie na de herinrichting van het gebied. Voor deze situaties is uitgegaan van verkeersgegevens die door de gemeente zijn aangeleverd. In de derde fase is berekend hoeveel stikstof er ongeveer vrij mag komen bij de bouwwerkzaamheden in het gebied zonder dat er sprake is van een toename van de depositie. Deze berekening is uitgevoerd door Drong Omgeving & techniek. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Conclusies Het project is geen directe oorzaak van een toename van stikstofdeposities in de gebruiksfase. De gebruiksfase is daarom niet met de Aerius Calculator berekend.
De uitvoering van het project is wel met behulp van de Aerius Calculator berekend. Tijdens de uitvoering, die ca. 4 maanden bedraagt, wordt ca. 985,4kg NOx uitgestoten. Voor NH3 bedraagt de uitstoot ca. 59,1 Kg over de duur van het project. In Natura 2000 gebieden wordt slechts een zeer geringe stikstofdepositie waargenomen (0,01 mol/ha/jaar). Dit betreft het natuurgebied Arkemheen. In het natuurgebied zijn geen stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. De uitvoering van het project zal dus niet leiden tot schade aan natuurgebieden. Voor het berekenen van de vervoersbewegingen ten behoeve van de aanlegfase is gerekend met vervoer over buitenwegen vanaf de A1 tot het projectgebied. Hiervan is de stikstofuitstoot aanzienlijk hoger dan van wegen binnen de bebouwde kom. Een gedeelte van het traject vindt echter wel plaats over wegen binnen de bebouwde kom. De stikstofuitstoot t.g.v. verkeersbewegingen zal naar verwachting in de praktijk dus lager uitvallen dan is berekend. Voor de uitvoering van het project is geen vergunnings- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdeposities.
5.4.2.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangewezen als NNN liggen op circa 700 meter van het plangebied. In figuur 5.2 wordt ligging van het plangebied ten opzicht van het NNN weergegeven.
34
Figuur 5.2: Ligging t.o.v. het NNN (Bron: Provincie Utrecht) Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.4.3 Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige soorten (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is er geen sprake van het kappen van bomen of verwijderen van ander opgaand groen. Het plangebied is deels ingericht als grasperceel, deels met verharding en deels met laag (intensief beheerd) struikgewas. Redelijkerwijs kan niet worden verwacht dat er sprake is van aantasting van beschermde flora- en fauna met de voorgenomen werkzaamheden. Een quickscan ecologie is daarom achterwege gebleven.
5.4.4 Boomeffecten Ten behoeve van de verkeerskundige ontwikkelingen in Soest-Zuid wordt op diverse plaatsen extra verharding aangebracht en daarom zullen diverse bomen worden gekapt. Bij andere bomen zullen werkzaamheden dichtbij de stam of beworteling worden uitgevoerd. In de huidige situatie veroorzaken diverse bomen voor opdruk van de verharding. In het kader van dit plan is er geen sprake van de kap van bomen of werkzaamheden in de nabijheid van bomen. De twee bomen in de nabijheid van het plangebied blijven behouden. Eén van deze bomen betreft monumentale boom. Het behouden van deze twee bomen past binnen het beleid om bomen met een goede conditie en toekomstverwachting en zonder beheerproblemen zoveel als mogelijk te behouden. Er is dan ook geen sprake negatieve effecten ten aanzien van bomen. 5.4.5 Conclusie De ecologische aspecten staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
5.5 Archeologie 35
5.5.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.5.2 Situatie plangebied De gemeente Soest heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Dit beleid is middels dubbelbestemmingen vertaald in de bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 (AWV2). Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoekplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld waarbij de bestaande oppervlakte met meer dan 500 m² wordt vergroot. In voorliggend plan is hiervan sprake. Daarom is in dit kader door RAAP Archeologie een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) uitgevoerd voor het gehele zuidelijke gebied waar verkeerskundige maatregelen worden uitgevoerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit onderzoeksgebied.
De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Conclusie Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: • In het plangebied geldt een middelmatige archeologische verwachting voor archeologische resten uit het laat-paleolithicum, en een hoge verwachting voor het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Deze resten kunnen zich al op geringe diepte onder het maaiveld bevinden of onder een eventueel aanwezig plaggendek. • Met name aan weerskanten van de N221 die middenin het plangebied gelegen is, kunnen resten van bebouwing verwacht worden. Onder de Ossendamweg kunnen ook resten van bebouwing van voor 1975 verwacht worden. • Gezien de kazerne die in het herenhuis Vosseveld gevestigd was, geldt voor de archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog een hoge verwachting voor het oostelijke deel van het plangebied. Advies Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat is mogelijk voor de riolering op de locaties waar deze al aanwezig is en deze enkel op dezelfde diepte wordt vervangen.
Op de overige locaties waar nog geen bestaande riolering ligt, lijkt het vermijden van de verstoring van de niveaus met een hoge archeologische verwachting echter niet mogelijk (dit betreft de groene zones in figuur 11, ter plaatse van het onderhavige plangebied). Gezien de locaties van de bestaande kabel- en leidingverbindingen, zijn ook deze locaties echter al ten dele verstoord geraakt tot circa 1 m –Mv. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt normaliter een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek op de locaties waar nieuwe sleuven voor de riolering aangelegd moeten worden. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de 36
bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten. Vanwege de geringe omvang van de geplande werkzaamheden, die tevens deels in geroerde grond plaats zullen vinden, zou het mogelijk praktischer kunnen zijn in dit plangebied om de werkzaamheden archeologisch te begeleiden, conform het protocol ‘Opgraven’. De precieze eisen en voorwaarden aan een dergelijk onderzoek dienen te worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). 5.5.3 Conclusie Er wordt een archeologische begeleiding van de werkzaamheden geadviseerd. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal hiervoor een Programma van Eisen worden opgesteld, die door het bevoegd gezag zal worden gekeurd. Op deze manier wordt aantasting van de archeologische waarden voorkomen.
Met inachtneming van vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het gewenste plan.
5.6 Cultuurhistorie 5.6.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. De gemeenteraad van Soest heeft op 25 april 2013 ingestemd met het opstellen van een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHWK). Op 27 mei 2014 hebben burgemeester en wethouders van Soest ingestemd met een als zodanig opgestelde cultuurlandschappelijke en historischstedenbouwkundige waarderingskaart en een cultuurhistorische kenmerkenkaart met bijbehorend onderzoeksrapport. Alsook hebben burgemeester en wethouders besloten de gedane beleidsadviezen af te wegen en voorstellen te ontwikkelen over in welke mate en op welke wijze de daarvoor in aanmerking komende beleidsadviezen kunnen worden vertaald in concreet beleid in de ruimtelijke plannen.
5.6.2 Situatie plangebied Het initiatief ziet uitsluitend in de verbreding van een weg en het verleggen van een fietspad. Er is geen sprake van de kap van monumentale bomen of de sloop van monumentale panden. Er is dan ook geen sprake van aantasting aan cultuurhistorische aspecten. 5.6.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering ten aanzien van dit plan.
5.7 Kabels en leidingen
37
Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 5.2.5). Kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.8.1.1
Algemeen
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..
Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Hierna wordt er verder op de vormvrije m.e.r. ingegaan.
5.8.1.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit is gebleken uit de stikstofberekening die voor dit project is uitgevoerd. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.4. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk.
38
Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemming waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.rbeoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo kent het plangebied een beperkte oppervlakte. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
5.8.1.3 Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
39
HOOFDSTUK 6
JURIDISCHE PLANOPZET
6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2 De regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels.
Het betreft de begripsbepalingen, waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en de wijze van meten. 6.2.2 Bestemmingsregels Hieronder wordt per bestemming een toelichting gegeven op de regels. ‘Verkeer (Artikel 3) Het volledige plangebied is bestemd met de bestemming ‘Verkeer’ teneinde de verbreding van een fietspad mogelijk te maken. Deze bestemming is conform de systematiek van de bestemming ‘Verkeer’ van het bestemmingsplan “Soest Midden en Zuid” overgenomen. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wegen, rijbanen, inclusief in-, uitvoeg- en opstelstroken, verkeerstekens en verkeersborden. Tevens zijn onder andere voet- en fietspaden toegestaan. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend andere bouwwerken, met inachtneming van de daarvoor opgenomen bouwhoogte, mogelijk. ‘Waarde – Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 (Artikel 4) Deze bestemming is conform het geldende bestemmingsplan overgenomen in het plangebied. Gronden met deze bestemming zijn, behalve de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde.
40
De bestemming 'Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2' heeft voorrang op de andere op de gronden voorkomende bestemmingen. Ter plaatse van de gronden is archeologisch onderzoek verplicht. In een aantal gevallen is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 6.2.3 Algemene regels
Antidubbeltelbepaling (Artikel 5) In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals meegeteld worden. Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden. Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) Het plan bevat een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 8) Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Het gaat hier om een geringe overschrijding van bestemmingsgrenzen of het wijzigen van de archeologische verwachtingswaarde. 6.2.4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in art. 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie.
Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
6.3 De verbeelding Het plangebied is getekend op gekleurde verbeeldingen, schaal 1:1000. De verbeelding is IMROgecodeerd, conform IMRO2012. Voor de verbeelding is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, welke bindend is voorgeschreven in de ministeriële regeling standaarden ruimtelijke ordening. 41
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, onder meer voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient vast te worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor die ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten worden gesloten. Conform artikel 6.12. lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluiten begrepen gronden anderszins verzekerd is. De ontwikkeling wordt volledig bekostigd door de provinciale VERDER-subsidie. De gemeente heeft hierop een akkoord gegeven. De besteding en verdeling van deze subsidie is in gezamenlijkheid door de regio vastgesteld.
42
HOOFDSTUK 8
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
8.1 Procedure en fase bestemmingsplan In deze fase heet het plan een ontwerpbestemmingsplan en kan een ieder bij de gemeenteraad een zienswijze naar voren brengen. In paragraaf 8.1.3 wordt, na afloop van de terinzagelegging inzicht geboden in de strekking van de zienswijzen. De gemeenteraad zal vervolgens kennis nemen van deze eventuele zienswijzen en van overige reacties, die kenbaar worden gemaakt voor de vaststelling, en het bestemmingsplan vaststellen. 8.1.1 Vooroverleg Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), toegestuurd aan de gebruikelijke diensten en instanties. 8.1.2 Inspraak In voorliggend geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Wel is er een uitgebreid vooroverleg gepleegd door de gemeente Soest. In bijlage 7 is een samenvatting hiervan opgenomen. Deze reactienota gaat overigens in op het totale verkeersplan voor Soest Zuid. De reacties hebben geleid tot een aantal aanpassingen in de plannen, die in bijlage 7 omschreven zijn. 8.1.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt na de ter inzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan ingevuld.
43
Bijlagen
44
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek plangebied
45
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek nabij tankstation
46
Bijlage 3 Akoestisch onderzoek
47
Bijlage 4 Standaard waterparagraaf
48
Bijlage 5 Stikstofberekening
49
Bijlage 6 Archeologisch onderzoek
50
Bijlage 7 Samenvatting inspraak
51
52