CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4c 4 Bijlage b2. Visie-document met wijzigingen in kleur.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente SoestBij agendapunt: Omgevingsvisie Soest en Soesterberg22.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bijvoorbeeld als er sprake is van specifieke omstandigheden, zoals: • De capaciteit van het bestaande collectieve systeem is niet toereikend (RWZI en rioolvoorzieningen); • De doelmatige werking van het systeem wordt beïnvloed • Het einde van de technische levensduur van het collectieve systeem (leidingen) is aanstaande; • Het leveren van een vergelijkbaar effluent door nieuwe decentrale technieken (nieuwe sanitatie) als bij zuivering op de 78

RWZI; Bijzondere aandacht zal er zijn door de nu nog aanwezige mechanische riolering en gemalen binnen de bebouwde kom en het buitengebied. Voor deze bijzondere omstandigheden werkt de gemeente een afwegingskader uit in het programma. De gemeente onderhoudt de bestaande infrastructuur (mechanische riolering en gemalen) ten minste tot het moment dat leidingen moeten worden vervangen. Ook biedt de gemeente ruimte voor initiatieven met nieuwe sanitatie. Op het moment dat de infrastructuur aan het einde van de technische levensduur is, zal de gemeente in overleg met het waterschap een nieuwe afweging maken over het invullen van de gemeentelijke taak voor afvalwater.

transporteren naar een zuiveringtechnisch werk (RWZI, bij gemengde riolering), het oppervlaktewater of in de bodem (bij gescheiden riolering). Het gescheiden aanleveren van te lozen regenwater en afvalwater op het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel en het verwerken van overtollig regenwater op het eigen perceel wordt door de gemeente en het waterschap gestimuleerd. De gemeente kan het lozen van hemelwater op het vuilwater- of gemengde riool op enig moment verbieden, bijvoorbeeld in situaties van regelmatig optredende wateroverlast en/of bij rioolvervangingsprojecten, waarbij gemengde riolering wordt vervangen door een gescheiden riolering (en het lozen van schoon regenwater op het nieuwe vuilwaterriool niet langer gewenst is).

2.Gemeentelijke hemelwatertaak

(Ver)nieuwbouw Bij nieuwbouwsituaties (en bij uitbreiding of vernieuwing van bebouwing) zamelt de gemeente geen regenwater in. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt het regenwater zelf binnen de perceelgrens, tenzij dat technisch onmogelijk is.

Het algemene uitgangspunt dat de gemeente hanteert, is dat gebouwen en percelen geen hemelwater lozen op de gemeentelijke riolering, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid noodzakelijk is. Dat geldt naast de private percelen ook voor gebouwen en percelen van de gemeente zelf. Hieronder wordt per gebiedstypologie (bestaande bouw, nieuwbouw en buitengebied) beschreven hoe de gemeente invulling wil geven aan de gemeentelijke hemelwatertaak. Bestaande bouw Voor bestaande gebouwen en percelen geldt dat de gemeente het hemelwater, als zij dat op het moment van het vaststellen van de omgevingsvisie al doet, blijft inzamelen en

Mechanische riolering In gebieden met een mechanische riolering blijft het lozen van hemelwater op deze riolering verboden. Dit geldt zowel voor bestaande bouw als (ver)nieuwbouw. De gemeente zamelt in deze gebieden geen hemelwater in. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt zijn regenwater zelf op het eigen terrein of voert het in overleg met het waterschap af naar het oppervlaktewater

3. gemeentelijke grondwatertaak in omgevingsvisie

die gronden. Dit betekent dat het natuurlijke (grond-)watersysteem zo min mogelijk wordt beïnvloed door of ten behoeve van de Het algemene uitgangspunt dat de gemeen- nieuwe gebruiksfunctie. te hanteert, is dat eigenaren van gebouwen en percelen zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van overtollig grondwater, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid niet haalbaar en niet doelmatig is. Dit geldt specifiek voor de bebouwde omgeving. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar gebiedstypen. De gemeentelijke grondwaterzorgtaak geldt dus ook voor de gemeente zelf als gebouw- en perceeleigenaar. Bij grondwaterproblemen, die zich uitstrekken boven het niveau van individuele percelen, is de gemeente aanspreekbaar en doet onderzoek naar de oorzaken van de problemen en het verbeteren van de grondwatersituatie. De gemeente is aanspreekbaar, maar niet aansprakelijk voor schade aan gebouwen als gevolg van te hoge of te lage grondwaterstanden en funderingsproblemen. Bij het beëindigen van bestaande en het vergunnen van nieuwe grote grondwateronttrekkingen (bijv.

voor industrie of drinkwaterproductie) betrekken gemeente, waterschap en provincie elkaar in het bepalen van de gevolgen voor de lokale grondwaterstand en het nemen van maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen De gemeente vindt dat bij veranderd gebruik van de grond of functiewijziging, het natuurlijke grondwatersysteem uitgangspunt moet zijn voor de inrichting en het gebruik van 79

Intermezzo data en technologie voor de fysieke leefomgeving Technologie

Kennis

Een belangrijke ontwikkeling is de technologische ontwikkeling. Vooral digitalisering heeft grote gevolgen. Deze gaat vaak sneller dan we denken. De landbouwbedrijfsvoering is volop aan het veranderen en technologie en robotisering zijn daar een steeds belangrijker onderdeel van. Op het gebied van toerisme en recreatie spelen diverse ontwikkelingen. Eén voorbeeld daarvan is de introductie van ‘real time’ informatie over een gebied. Hoeveel mensen zijn er aan het recreëren op de Lange Duinen of zitten langs de Eem?, is er ergens een bepaalde vogel gespot?, is er een ‘pop-up’-nachtelijk (en illegaal) evenement in het bos? ‘Virtual en augmented reality’ ontwikkelen zich snel. Dit opent geheel nieuwe mogelijkheden voor de beleving van onze omgeving. Stel je voor dat je met een AR-bril op een wandeling langs de Wegh der Weegen maakt en steeds verschillende tijdsmomenten kunt kiezen? Dit is geen sciencefiction, maar een van de commerciële lijnen van technologie.

Waar technologie een voortdurende motor achter verandering is, komt kennis in onze samenleving centraal te staan. Met kennis kun je de samenleving beïnvloeden, organiseren én inspelen op mogelijkheden van technologie. Daar komt bij dat het bewaren van gegevens zo goedkoop geworden is dat er geen (bewaar)selectie meer nodig is. Kennis is dermate waardevol geworden dat er een soort ‘jacht op data’ ontstaan is. Omdat kennis zo waardevol is, is het onverantwoord deze te verspillen. Overheden, ook wij als gemeente Soest, zijn een van de

grootste dataverzamelaars en de grootste speler in de verdeling van rechten op data; direct en indirect. Zo registreren wij bijvoorbeeld alle verhuisbewegingen van onze inwoners. Maar wij doen daar niets collectiefs mee, wij weten bijvoorbeeld niet welke veralgemeniseerde verhuisbewegingen er binnen onze gemeente zijn. De opgave voor kennis is dat we als overheid een strategie voor het omgaan met kennis en data ontwikkelen. Een onderdeel daarvan is het organiseren van kennisdeling. De VNG stimuleert al enige tijd het datagerichte gemeentelijke beleid. Daarvoor is een

Technologische ontwikkelingen zijn, vanuit gemeentelijk perspectief, autonome ontwikkelingen. Ze vragen een lokaal antwoord en een inbedding. Wie de ontwikkelingen rond Airbnb in Amsterdam volgt, ziet dat dat nog een hele klus kan zijn. De opgave rond technologie is om de impact en mogelijkheden van ontwikkelingen te duiden (omdat ze nieuw zijn is dit wezenlijk, er is geen bestaand kader voor) én om Ontwikkelmodel datagedreven gemeenten (Bron: VNG en A&O fonds gemeenten, klik hier om naar het document ze adequaat te begeleiden. te gaan) 80

‘ontwikkelmodel datagedreven gemeenten’ opgesteld. Voor de implementatie, die dus bij gemeenten ligt, is uiteindelijk nogal wat nodig zoals uit onderstaande schema blijkt. Maar in de praktijk is het handig om bij de inhoud van het beleid te beginnen, en de kern daarvan is het werken volgens de kennisketen. Daarom voegen we in Hoofdstuk 7 een aanpak voor een andere manier van beleidsproductie toe. Kennis ontwikkelt zich in een kennisketen. De hoofdstappen zijn:• Data (geregistreerde gegevens);• Informatie (toegankelijk gemaakte data);• Kennis (betekenisvolle informatie);• Actie (toegepaste kennis). Verspreid door deze omgevingsvisie zijn kennis en technologievoorstellen opgenomen. Om deze voorstellen ook te kunnen uitvoeren is een structuur nodig waarbinnen beslissingen over kennis genomen kunnen worden. We gaan een start maken met technologie en kennisbeleid. In eerste instantie willen we een fundament rond de kennisketen opbouwen.

Datagerichte beleidsontwikkeling, datamining, privacy en monitoring

De kennisketen

latie tussen de beleidskeuzes enerzijds en vacy waarborgen, hoeveel kosten wil je made effecten anderzijds. Dit is een ‘lerende ken om data te verzamelen, waar bewaar je beleidsomgeving’. de data, van wie zijn ze etc? Dergelijke lerende beleidsomgevingen zijn bij ons in ieder geval zinvol rond vragen van recreatief gebruik van ons gebied, kwelwaterstromingen (en de bijbehorende ontwikkeling van de watervoorraad in Heuvelrug) optimaal woninggebruik, bezoekersstromen in de (centra van de) kernen, mobiliteitskeuzes en de ontwikkeling van ons energiegebruik. Rond deze onderwerpen zullen we gaan bouwen aan een lerende beleidsomgeving. Daarmee borgen we direct ook de monitoring van beleid die de Omgevingswet van ons vraagt.

In 2020 en 2021 maken we als samenleving intensief kennis met datagerichte beleidsontwikkeling rond de pandemie. Er worden meetbare doelen gesteld (bijvoorbeeld aantallen ziekenhuisopnames), signaalwaarden gezocht, en voortdurend wordt er door middel van trail- and error beleid rond Het verzamelen van data die de basis van openstelling van de economie ontwikkeld. deze lerende beleidsomgevingen kunnen Langzaamaan ontstaat zo inzicht in de re- zijn is een belangrijk punt. Hoe kun je de pri-

Voor ons als overheid is de situatie vrij eenvoudig. Wij verzamelen soms persoonsdata omdat dat wettelijk moet. Daarnaast kunnen wij alleen data verzamelen die in anonieme vorm waarde hebben of openbaar gemaakt kunnen worden, dus in principe anoniem zijn. Als we bijvoorbeeld stellen dat opbrengstgegevens van zonnepanelen realtime met ons gedeeld moeten worden dan is het voor ons uitstekend als een particuliere eigenaar van de data die anoniem doorgeeft, bijvoorbeeld via de leverancier van de panelen.

81

6. Doelen voor gebieden

Visiekaart ontwerp omgevingsvisie Soest en Soesterberg

het woord landschap toegevoegd

84

Locaties uitnodigingskader grootschalige energie toegevoegd

85

6.1 Inleiding

6.2 Bos- en natuurgebieden

In dit hoofdstuk beschrijven we per gebied welke onderwerpen uit hoofdstuk 5 er spelen en op welke manier. De gebieden die we in de gemeente Soest van elkaar onderscheiden zijn: • De polder • De kern Soest • De Birkt • De Wieksloot en de laagte van Pijnenburg • De Soester Duinen • De heuvelrug • Vliegbasis Soesterberg • De kern Soesterberg en de Wegh der Weegen • Bedrijvengebieden op de flank • Omgeving Kamp Zeist Op de kaart op de vorige pagina is een overzicht van de gebieden en de doelen voor deze gebieden te zien.

• De Wieksloot en de laagte van Pijnenburg • De Soester Duinen • De heuvelrug • Vliegbasis Soesterberg

Voor de doelen voor recreatie en de waterhuishouding zijn er wel verschillen tussen de onderstaande gebieden.

Deze vier deelgebieden zijn bos- en natuurgebieden. Voor al deze gebieden geldt een focus op de doelen voor natuur, recreatie en de waterhuishouding.

In dit gebied worden natuurwaarden verhoogd. De waterhuishouding is bijzonder, er is schoon kwelwater dat hier niet snel wegstroomt. Natuurmonumenten onderhoudt een bijzonder natuurgebied, het Soesterveen. Natuurontwikkeling die op deze bijzondere basis gericht is, is dan ook gewenst.

• De natuur is in 2040 robuuster • Er zijn meer regionale recreanten • Technologie wordt gebruikt om recreatie en bewegen te bevorderen. • Er wordt meer (grond)water vastgehouden

Wieksloot en Pijnenburg

Op de onderstaande historische kaart is te zien waar de veenbodem ruim 150 jaar geleden voorkwam.

Drie gebieden zijn al apart uitgelicht in hoofdstuk 5: Soest, Soesterberg/Wegh der Weegen en de polder. Deze drie gebieden komen om die reden niet terug in dit hoofdstuk.

Soest, kadastrale minuutplan Sectie G met gemarkeerde percelen (grijs) waar indertijd (1840) vervening door Gedeputeerde Staten was toegestaan (Archief Eemland, KDN.0005) 86

Doelen: • In het natte deel: gemiddeld een hogere grondwaterstand dan nu. De nieuwe (grond)waterpeilen zitten nabij het maximum dat maatschappelijk acceptabel is. • Op deze grondwatersituatie is meer bijzondere natuur ontstaan. • Voor de sportaccommodaties: sportvelden en -accommodaties zijn in 2040 behouden. Ze zijn opengesteld voor nieuwe vormen van gebruik, en voor nieuwe gebruikers. Met het streven naar open sportaccommodaties, willen we mogelijkheden creëren voor andere maatschappelijke functies. Het zijn ook ontmoetingsplekken. Sportvelden en sportaccommodaties voldoen in 2040 aan de vraag zowel qua capaciteit als functioneel voor de typen sporten. Deze zijn opengesteld.

Soester Duinen

Doelen: houden in de heuvelrug. • Lange Duinen blijft een recreatieve • Geluid/stilte: de openbare bossen in dit hotspot gebied rustiger en stiller. • Autoverkeer door bezoekers worden • Defensieterrein de Vlasakkers: voor de verder naar de randen afgevangen om opdefensieterreinen in de omgeving worden vangcapaciteit voor recreatie te vergroten. allerlei ontwikkelingsplannen gemaakt. • Door de sturing op bezoekersstromen De Vlasakkers is ook onderdeel van die naar de Lange Duinen blijven andere ontwikkelingen. Defensie ‘zoneert’ haar delen, zoals de Korte Duinen, rustiger en gebieden zoveel mogelijk ‘naar binnen’ stiller. zodat de uitstralingseffceten op de omge• Voor buurtschap Soesterduinen zijn geen ving beperkt. aanvullende doelen. • De natuurlijke verbindingen die zijn ingezet met de aanleg van de ecoducten De Heuvelrug functioneren goed voor de natuur. Doelen: • Er wordt zo veel mogelijk water vastge-

Vliegbasis Soesterberg

Doelen: • De militaire (jonge) cultuurhistorie blijft bewaard. • Het NMM is, maar nog meer dan nu, een recreatieve hotspot en een overstappunt voor recreatie in de bossen. • De bijzondere natuur op de vliegbasis floreert.

Omgeving Kamp Zeist

Naast de bestaande afspraken uit gebiedsprogramma Hart van de Heuvelrug, waar we samen met aangesloten gemeenten en organisaties aan werken, hebben we hier geen specifieke doelen 87

6.3 Bijzondere gebieden

De Birkt

Doelen: • Bereikbaar Soest door goede doorstroming Birkstraat met een hogere capaciteit dan nu. • Landschappelijke, cultuurhistorische natuurverbinding tussen het bos en de Eem • Ruimte voor recreatie binnen het kader voor natuur • Consumentgerichte voedselproductie

Bedrijvengebieden op de flank

Doelen: • Er is veel meer defensiebedrijvigheid in het gebied • De milieubelasting van deze terreinen en de uitstralingseffecten zijn zo beperkt mogelijk gehouden. • Bedrijventerrein Richelleweg is net ontwikkeld en zal niet veranderen.

Situatietekening van percelen (gemarkeerd A t/m M) toebehorende aan het klooster Mariënhof en gelegen ten zuiden van de Eem in De Birkt (polder Middelwijk) onder Soest in 1639. (Gemeentearchief Amersfoort, Kaart_007) 88

Bron: Google maps

Bron: Google maps 89

7. De inrichting van ons beleid en onze beleidsproductie voor de fysieke leefomgeving Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop we met het maken van beleid omgaan. Ten eerste leggen we de hoofdlijnen van de inrichting van ons beleid vast: hoe organiseren we beleid voor de fysieke leefomgeving. Uitgangspunt is natuurlijk het wettelijk kader van de Omgevingswet, hier gaat het om de accenten die we als gemeente daarin kunnen leggen. Ten tweede geven we op hoofdlijnen aan hoe we beleid gaan produceren en monitoren.

7.1 De inrichting van ons beleid

Met deze omgevingsvisie richten we ons beleid samenhangend en overzichtelijk in. Al ons beleid voor de fysieke leefomgeving wordt gekoppeld aan de visie, zo kunnen we er ook daadwerkelijk vanuit sturen. In onderstaand schema staat hoe we het beleid gaan organiseren. We richten ons specifiek op de relatie omgevingsvisie-omgevingsprogramma. In de visie beschrijven we de gewenste situatie. Daarnaast bepalen we omgevingsprogramma’s. In een omgevingsprogramma staat hoe we de huidige situatie naar de gewenste situatie willen komen. Er zijn thematische programma’s en gebiedsgerichte Samenhang omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s programma’s, en programma’s kunnen vrijwillig en verplicht zijn. Wij hebben alleen met vrijwillige omgevingsprogramma’s te Een omgevingsprogramma begint met een startnotitie. Daarin staat op welke wijze de maken. opdracht concreet uitgewerkt gaat worden. De omgevingsprogramma’s die we gaan ma- De kern van die startnotitie wordt later verken worden geïntroduceerd in een apart do- werkt in de inleiding van het programma zocument dat we bijsluiten bij deze visie. Voor dat iedereen weet wat het verband is tussen ieder programma wordt daar een ‘opdracht dat programma en opdrachten die naar aanvoor een omgevingsprogramma’ beschre- leiding van de visie waren vastgesteld. ven.

In zo’n opdracht staat wat de bijdrage van dat programma aan het behalen van de Onder de Omgevingswet is de omgevingsvisie de bevoegdheid van ons als gemeengewenste situatie moet zijn. teraad. En de programma’s zijn de beDe omgevingsprogramma’s gaan we in de voegdheid van het college. Om voldoende komende jaren maken. In de begrotingscy- inhoudelijke samenhang te creëren tussen clus kiezen we jaarlijks welke programma’s beide instrumenten kiezen wij ervoor om we gaan starten. De urgentie wordt bepaald gelijktijdig met de omgevingsvisie ook opop basis van de verwachte bijdrage van een drachten voor uitwerking naar programma’s programma aan de doelen van de visie en de op te stellen. Door deze opdrachten ook actualiteit, in een jaarlijkse discussie over de door ons te laten vaststellen, en later de startnotities, creëren we een kader voor de optimale inzet van de middelen programma’s. 92

Wat is een omgevingsprogramma? https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/instrumenten/ programma/kenmerken-programma/ Na vaststelling van deze visie maken we alleen nog beleidsnota’s (omgevingsprogramma’s) die aan de omgevingsvisie gekoppeld zijn. (Alle beleidsnota’s van na 23 maart 2016 worden automatisch omgevingsprogramma’s. We beoordelen welke van de bestaande beleidsnota’s (omgevingsprogramma’s) nog binnen de visie passen, welke geactualiseerd moeten worden en waar iets nieuws voor moet worden opgesteld/opgestart.

Explorerend beleid

Er kan altijd behoefte zijn aan visieontwikkeling op specifieke onderwerpen. De uitkomsten daarvan kunnen leiden tot aanpassing

van de omgevingsvisie. Waar wij daar een aanleiding voor zien zullen we die visieontwikkeling opstarten en daarbij expliciet aangeven hoe het zich verhoudt tot de omgevingsvisie en hoe de doorwerking op de visie zal zijn.

Herijking van de visie, de beleidscyclus

Een nieuwe raad/coalitie zal aan het begin van een raadscyclus de omgevingsvisie mogelijk willen actualiseren aan de hand van het coalitieprogramma. De koppeling van de visie aan de programma’s is inhoudelijk via de opdrachten voor omgevingsprogramma’s en de startnotities bij de programma’s. Daarnaast is er een koppeling aan de begrotingscyclus om te bepalen welke programma’s prioriteit hebben en krijgen. Om daadwerkelijk een cyclus te kunnen maken moet er gemonitord worden.

93

7.2 Slimme beleidsproductie

Op dit moment zien we het maken van een beleidsproduct als een opzichzelfstaande, unieke gebeurtenis. We formuleren een opdracht, we organiseren een proces, we verzamelen en verwerken data, en we ontwikkelen het beleid. Vervolgens is er een document waarmee we jaren werken, geleidelijk wordt het minder relevant en op een gegeven moment maken we nieuw beleid, of, liever, een update.

(een vereiste van de Omgevingswet) in te bouwen in onze beleidsproductie gaan we voortaan werken met ‘slimme beleidsproductie’. Dat is beleidsproductie waarin de wijze van dataverwerking centraal staat en dat georganiseerd is volgens de kennisketen: data-informatie-analyse-wijsheid.

Deze manier van werken kost vrij veel tijd, het beleid is lastig aanpasbaar en vaak lastig te monitoren. Door al het beleid te koppelen aan de omgevingsvisie komt er meer samenhang, maar het maken van beleid zelf zal er nog niet door veranderen.

Dataverzameling

Hoe gaat dit werken? een stappenplan (zie ook het intermezzo over kennis)

Voor ieder programma bepalen we welke data nodig zijn om het programma te maken. Vervolgens zoeken we een permanente bron van die data. Het kan zijn dat we zelf de data hebben, het kan zijn dat ze ergens publiekelijk verzameld worden (CBS). Om de nadelen van het huidige beleidspro- Mogelijk betrekken we daar ook onze eigen ductieproces aan te pakken en monitoring inwoners en ondernemers bij. In een enkel

geval wordt de benodigde data nog niet geregistreerd en in een aantal gevallen wordt de data commercieel verzameld. Ook zijn er regionale data uit samenwerkingen. We zullen creatief zijn en zoeken naar data waar we geen kosten voor hoeven te maken. Want we willen jarenlang dezelfde data als input kunnen gebruiken. Los van de programma’s zullen we alle openbare data die we nu al verzamelen op een gestructureerde manier in een ‘datamagazijn’ plaatsen. Of het nu gaat om het verpompen van rioolwater of verkeerslichten die schakelen, we verzamelen het. Zo groeit ons ‘datawarehouse’. En hoe voller dat is hoe vaker het data zal bevatten die voor verschillende programma’s bruikbaar zijn.

Informatieroutines

Vervolgens bepalen we welke informatie we uit de data willen halen voor dat specifieke programma. Daar ontwikkelen we routines voor. Een routine is een op een vaste wijze uitgevoerde ‘oogst van data’. Dit doen we op de openbare data en in de raad wordt apart afgesproken welke routines we op nietopenbare data zullen uitvoeren. Denk bij dat laatste bijvoorbeeld aan een routine die eenmaal per kwartaal geaggregeerde informatie ophaalt over verhuisbewegingen binnen de gemeente. Aan het bouwen van een routine zijn eenmalig beperkte kosten verbonden en daarna kunnen we er jaren mee vooruit. 94

Analyses

programma en verbeteren het indien nodig Als volgende stap bepalen we, vanuit de op- (stappen 1,2, en 3). En we bedenken nieuwe dracht van het programma, welke analyses acties. zinvol zijn. Zo nu en dan, bijvoorbeeld als er nieuwe routines zijn uitgevoerd, wordt de informatie geanalyseerd. Deze analyses gebruiken we zelf maar we kunnen ze ook bijvoorbeeld met een vaste groep inwoners en ondernemers delen. Daarmee creëren we een structurele monitoring. Mogelijk bouwen we een gemeenteinformatiesite waarop alle analyses (en achterliggende informatie) op een publieksvriendelijke manier wordt gepubliceerd. Tot nu toe zijn alle stappen, nadat ze zijn ingericht, in principe geheel geautomatiseerd.

Keuzes en acties (‘wijsheid’)

Tijdens de opbouw van het programma richten we de voorgaande drie stappen in en bedenken we in de vierde stap acties, daar passen we de inzichten toe (we willen immers ergens naar toe!). Die acties zijn het sturende deel van het programma waarin de keuzes zitten. Stappen 1,2 en 3 zijn het permanente deel van het programma, stap 4 het flexibele deel. Op een gegeven moment kan het zo zijn dat er behoefte ontstaat aan nieuwe beleidsontwikkeling. Misschien blijkt uit de analyses dat de doelen niet gehaald worden. Misschien zijn er nieuwe kansen voor het programma ontstaan. Er kunnen veel redenen zijn. Dan kijken we opnieuw naar de input voor dit 95

7.3 Kostenverhaal

De Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet regelt de instrumenten waarmee de gemeente gebiedsontwikkelingen stuurt.

Kostenverhaal dat binnen de Omgevingswet gezien wordt als een Programma. In deze Nota leggen we de werking van het kostenverhaal uit. Bij een concrete gebiedsontwikkeling aan de omgevingstafel passen we dan Voor particuliere initiatieven die leiden tot kostenverhaal toe. een concreet project voortvloeiend uit deze visie gaan wij uit van zelfrealisatie. Indien Daarnaast biedt de Aanvullingswet nodig sluit de gemeente vooraf een overeen- Grondeigendom in de omgevingsvisie voor komst met de initiatiefnemers. In zo’n over- de gemeente de mogelijkheid om het vooreenkomst leggen we afspraken vast: kwalita- keursrecht uit te oefenen voor een gebiedstief en financieel. ontwikkeling om op die manier het ontwikkelvermogen van de gemeente, kracht bij te Voor projecten met een plicht tot kosten- zetten. verhaal sluiten we in principe een anterieure – privaatrechtelijke - overeenkomst. In zo’n Projecten staan zelden op zichzelf, maar anterieure overeenkomst regelen we het kos- vormen vaak een onderdeel in de grotenverhaal van tenminste de plan- & bege- tere groen- & infrastructuren. Dit stedeleidingskosten, aanleg van voorzieningen in lijke weefsel in de omgevingsvisie gebruide fysieke openbare ruimte al dan niet met ken we als onderbouwing in subsidie- en een bovenwijks karakter en de financiële co-financieringstrajecten. bijdrage.

Voorwaarde is wel dat voor de ontwikkeling waarvoor een financiële bijdrage wordt gevraagd dit vastgelegd moet zijn in de omgevingsvisie. Als een anterieure overeenkomst niet lukt, sluiten we een publiekrechtelijke overeenkomst met tijdvak (integraal) of zonder tijdvak (organisch). De omgevingsvisie geeft ambities en vergezichten weer die de onderbouwing geven voor het verhalen van kosten in de fysieke openbare ruimte. Dit vertalen we in een Nota

96

7.4 Het creëren van ontwikkelruimte voor initiatieven Ook de Omgevingswet is, net als voorgaande ruimtelijke wetten, gebaseerd op ‘restrictief beleid’: een ruimtelijke ontwikkeling is niet toegestaan totdat hij wordt toegestaan. De lijst van vrije ontwikkelmogelijkheden wordt wel wat langer maar blijft toch beperkt. Op voorhand toegestane ontwikkelingen, of ruimte voor ontwikkelingen, staan in het omgevingsplan. Dat is de bestaande ontwikkelruimte. Nieuwe ontwikkelruimte moet per initiatief (casus) gecreëerd worden. Een casus kan geïnitieerd worden door een particulier, een organisatie (bijvoorbeeld ontwikkelaar) of door onszelf.

Voor het creëren van nieuwe ontwikkelruimte laten wij ons adviseren door de verschillende commissies en door de omgevingskamer. 1 De taak van de commissies is om over inhoudelijke aspecten te adviseren over de mogelijkheden voor het creëren van ontwikkelruimte naar aanleiding van een initiatief. (let op: de commissies kunnen daarnaast adviseren over de programma’s).

Voor de adviezen kijkt de omgevingskamer in eerste instantie naar de doelen van de omgevingsvisie en het beleid dat in de programma’s staat, en baseert zij haar adviezen daarop. Wel heeft de omgevingskamer interpretatieruimte omdat casussen veelvormig zijn.

De commissies zijn vrijer in hun advies. Maar waar ze verbanden leggen met de om2 De taak van de omgevingskamer is om gevingsvisie en het beleid kunnen wij het adover inhoudelijke aspecten en over belan- vies makkelijker op waarde schatten. genafweging te adviseren over de mogelijkheden voor het creëren van ontwikkelruimte Schematisch zit dit in elkaar zoals in de afnaar aanleiding van een initiatief. beelding is weergegeven. Initiatiefnemers dienen hun initiatief (als het niet past in de bestaande ontwikkelruimte) om deze reden te motiveren vanuit de omgevingsvisie en/of omgevingsprogramma’s. De omgevingskamer zal een vormprotocol opstellen waaraan initiatieven moeten voldoen.

Samenhang bestaande en nieuwe ontwikkelruimte 97

Opgesteld door LOS stadomland B.V. in opdracht van de gemeente Soest Postbus 142 5201 AC ‘s Hertogenbosch Nieuwe Linie 1-3 5264 PJ te Vught Tel: 073 - 7113770 info@losstadomland.nl www.losstadomland.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=26d40885-75c8-4750-bd80-963f23bb12ac