4b 4 Bijlage 3 Ontwerpbestemmingsplan Nieuweweg 2A 201209 toelichting + regels.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
2
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
EDOK-RO
EDOK-RO Van Breugelplantsoen 81 3771 VN Barneveld 06-1395 0955 @ info@edok-ro.nl www.edok-ro.nl
Documenttitel
Bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Status
Ontwerp
Projectnaam
Bestemmingsplan Nieuweweg 2C Soest
Projectnummer
2019-D01
Datum
9 december 2020
Opdrachtgever
Fam. Donselaar
Opsteller
EDOK-RO
Contactpersoon
Dhr. E. Dokter.
(ontwerp)
3
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
4
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Inhoudsopgave
Toelichting
7
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
9 9 9 11 11 12
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
13 13 14
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Utrecht 3.3 Gemeentelijk beleid
17 17 18 20
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Archeologie 4.2 Bodem en asbest 4.3 Water 4.4 Externe veiligheid 4.5 Flora en fauna 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Parkeren en verkeer 4.10 Bomen effect Analyse 4.11 Duurzaam bouwen 4.12 Onderzoeksplicht vanwege mer-wetgeving
21 21 22 23 25 27 29 30 31 32 32 34 35
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Inleiding 5.2 De regels 5.3 De verbeelding
37 37 37 38
Hoofdstuk 6
39
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Procedure en fase bestemmingsplan
41 41
Bijlagen
43
Bijlage 1
Archeologisch onderzoek
45
Bijlage 2
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
47
Bijlage 3
Watertoets
49
Bijlage 4
Samenvatting watertoets
51
Bijlage 5
Natuurtoets
53
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek
55
Bijlage 7
Bomen Effect Analyse
57
Bijlage 8
Overleg
59
(ontwerp)
5
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Regels
61
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
63 63 69
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Tuin Wonen Waarde - Archeologie hoge verwachting
71 71 73 75
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
79 79 81 82 83 85
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
87 87 89
Bijlagen
91
Bijlage 1
Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis
93
Bijlage 2
Nota parkeernormen auto en fiets 3e herziening, slimmer en beter
95
Verbeelding
6
97
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Toelichting
(ontwerp)
7
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
8
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In april 2019 heeft initiatiefnemer een verzoek ingediend bij de gemeente om op zijn perceel een extra vrijstaande woning te mogen realiseren. Op 13 september 2019 heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de bouw van één vrijstaande woning naast Nieuweweg 2 in Soest. Om deze nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken, moet deze planologisch-juridisch worden geregeld in een bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt hieraan invulling gegeven.
1.2
Ligging
Het plangebied ligt vrij centraal in de kern Soest.
Ligging in Soest (bron: www.pdok.nl) Hierna volgt een luchtfoto waarop het oorspronkelijke perceel (circa 1.200 m2) is te zien. Het perceel ligt aan de Nieuweweg ter hoogte van de Molenstraat. Aan de achterzijde aan de Weegbreestraat, bevinden zich appartementen.
(ontwerp)
9
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Ligging in de omgeving (bron: www.pdok.nl) Kadastrale gegevens Het perceel is kadastraal bekend: Gemeente
: Soest
Sectie
:G
Nummer
: 13869
Uitsnede kadastrale kaart (bron: www.kadastralekaart.com)
10
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het perceel is gelegen in het bestemmingsplan 'Klaarwater, Smitsveen en Bosstraat (15 maart 2012).
Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft volgens het vigerende bestemmingsplan de enkel bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. Aangezien er geen bouwvlak aanwezig is kan er geen vrijstaande woning worden gebouwd. Om dit alsnog mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.
1.4
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Nieuweweg 2C" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.0342.BPSOE0061-0201); regels; en deze toelichting bij de verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten samen worden "gelezen". Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het bestemmingsplan zeker te stellen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het plan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
(ontwerp)
11
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan "Nieuweweg 2C" bestaat uit de volgende hoofdstukken: In hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 bevat het relevante beleid voor de voorliggende ontwikkeling. In hoofdstuk 4 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan bod. Aan de orde komen zaken als archeologie, ecologie, water en milieu. In hoofdstuk 5 wordt kort ingegaan op de bestemmingen en de juridische planopzet. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal en de economische uitvoerbaarheid van het plan en tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op het proces van inspraak en overleg in relatie tot dit bestemmingsplan.
12
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Hoofdstuk 2 2.1
Het plan
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit een tuin, met een vijver, planten, gras en bomen. In het verleden heeft op deze locatie ook een woning gestaan. Deze is gesloopt toen de huidige woning aan de Nieuweweg 2 is gebouwd. Hieronder volgt een impressie van het plangebied.
Hierna volgt een impressie van de omgeving (bron: google earth).
(ontwerp)
13
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
2.2
Toekomstige situatie
Op het perceel wordt één vrijstaande woning gebouwd, waarbij de afstand tot de weg op dezelfde afstand komt te liggen als omliggende woningen. Op navolgende afbeelding is weergegeven waarbinnen de woning gebouwd mag worden. Tussen de nieuwe woning en de bestaande woning Nieuweweg 2 moet minimaal 6 meter ruimte zitten en tussen de nieuwe woning en de perceelgrens met Nieuweweg 4 moet minimaal 4 meter zitten. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 5 en 9 meter. Dit sluit goed aan op de toegestane hoogtes in de directe omgeving van het plangebied. De nokrichting is haaks op de Nieuweweg.
14
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Globale situering bouwvlak De inrit van het perceel komt nagenoeg op dezelfde plek, als waar nu ook al een inrit aanwezig is. Richting de straat wordt deze iets afgebogen, zodat de bestaande beuk zo min mogelijk wordt aangetast (zie ook 4.10). Door Bureau Ruiter is in april 2020 een inrichtingstekening gemaakt waarbij rekening is gehouden met de te handhaven bomen. Hierbij is met name goed rekening gehouden met de beuk, welke kan uitgroeien tot een monumentale boom. Op de tekening is ook aangegeven waar de drie parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden zodat voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernota. De afstand van het hoofdgebouw tot aan de perceelgrens bedraagt minimaal 4 meter en tot de erfgrens van huisnummer 2 minimaal 3 meter.
Inrichtingstekening (bron: Bureau Ruiter)
(ontwerp)
15
bestemmingsplan Nieuweweg 2C Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal worden aangegeven hoe met duurzaamheid en energie wordt omgegaan. Ook worden de tekeningen voorgelegd ter beoordeling aan welstand (geldt reguliere welstand). Tevens wordt aangegeven hoe hemelwater wordt opgevangen.
16
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in de provincie Utrecht zijn: Het goed laten functioneren van de 'draaischijf' Nederland (weg, spoorweg en vaarweg) inclusief een goed regionaal openbaar vervoer en het uitvoeren van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer. Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van het gebiedsgerichte deelprogramma Rivieren (Lek, en Neder-Rijn) van het Deltaprogramma. Het samenwerken met decentrale overheden in de generieke deelprogramma's veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructutering van het Deltaprogramma. Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden. Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV) en het indien nodig ruimtelijke accommoderen van de inzet van de regio op geothermie (waaronder warmtekoudeopslag) in de ondergrond. Het op lange termijn stimuleren van regionale ontwikkeling van de A12-zone. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is.
Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig): Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
(ontwerp)
17
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Onderhavig plan betreft de realisatie van één grondgebonden woning.
Op basis van vaste jurisprudentie wordt de realisatie van 11 woningen niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Onderhavig plan is op basis van deze uitspraak dan ook niet aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Echter, ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en dat het plan uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECL:NL:RVS:2015:2921). In de gemeentelijke Woonvisie (paragraaf 3.3.1) is een fasering opgenomen ten aanzien van de verwachte realisatie van verschillende woningbouwprojecten. Een voorzichtige inschatting is dat de behandelde projecten gerealiseerd kunnen worden in de periode tot aan 2023. Dit houdt in dat er vanaf 2012 ongeveer 100 woningen per jaar moeten worden afgezet. Ten behoeve van de Woonvisie heeft de gemeente Soest afstemming gezocht op het gebied van kennis en ondersteuning, afspraken en financiën met andere overheden zoals de provincie Utrecht, de omliggende gemeenten en het gewest Eemland. Het plan voorziet in de realisatie van één vrijstaande woning, passend binnen de bestaande bebouwingsstructuur.
Gelet op het feit dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, het plan passend is binnen het woningbouwprogramma van de Woonvisie en dus sprake is van een actuele behoefte en er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is, kan gesteld worden dat onderhavig plan past binnen de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
3.2
Provinciaal beleid Utrecht
3.2.1
Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028
Op 12 december 2016 heeft Provinciale Staten (PS) van Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) vastgesteld. Dit is een actualisatie/herijkte versie van de PRS die op 4 februari 2013 door PS was vastgesteld. In de PRS zijn 4 pijlers benoemd voor de ruimtelijke ontwikkeling tot 2028. Duurzame leefomgeving Met de ontwikkeling van een duurzame leefomgeving sorteert de provincie voor op de klimaatverandering. Het is de ambitie om in 2040 als provincie klimaatneutraal en klimaatbestendig te zijn. Om dit te halen moet bij ruimtelijke ontwikkelingen nu al rekening worden houden met deze ambitie.
18
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C Beschermen kwaliteiten Ontwikkeling van de kwaliteiten die de provincie dooraderen is gewenst, omdat dit bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de provincie. De kwaliteiten die de gehele provincie raken betreffen het landschap, de cultuurhistorie en de natuur. Deze kwaliteiten spelen altijd een rol bij ontwikkelingen waarbij wordt gestreefd naar het behoud daarvan. Bescherming van deze kwaliteiten is noodzakelijk, want ze zijn kwetsbaar en onvervangbaar. Vitale dorpen en steden Door de ontwikkeling van wonen en werken vooral in het bestaande stedelijke gebied te laten plaatsvinden, blijven vitale dorpen en steden behouden. Dynamisch landelijk gebied De provincie wil de kwaliteit en dynamiek van het landelijk gebied behouden. Functies die bijdragen aan behoud van de openheid, kwaliteit en/of beleefbaarheid van het platteland, zoals landbouw en natuur worden daarom gekoesterd waarbij verdere uitwaaiering van stedelijke functies over het landelijk gebied zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit beleid vormt de contramal van het beleid voor de vitale dorpen en steden. De kwaliteit van het landelijk gebied draagt immers bij aan de aantrekkelijkheid en het goede functioneren van de steden en daarmee aan de aantrekkelijkheid van de provincie.
Uiteraard is het voor zowel het landelijk als stedelijk gebied belangrijk dat stad en land goed met elkaar zijn verbonden. Daarom biedt de provincie mogelijkheden voor het verbeteren van de kwaliteiten van de zones rondom de kernen. Hierbij wordt gedacht aan gebiedsontwikkelingen waarin groene en recreatieve kwaliteiten verbonden worden met stedelijke kwaliteiten. Dit draagt bij aan een goede afronding van de kern en daarmee aan de kwaliteit van het binnenstedelijk leefmilieu. Conclusie Op basis van de Visiekaart geldt voor Soest een binnenstedelijk woningbouwopgave. De provincie Utrecht maakt in haar ruimtelijk beleid de hoofdkeuze om in te zetten op de binnenstedelijke ontwikkeling. Het streven is dat ten minste twee derde van het woningbouwprogramma binnen de actuele rode contouren gerealiseerd wordt. Deze binnenstedelijke opgave biedt kansen om de leefbaarheid in de steden en dorpen te verbeteren, als er voldoende aandacht is voor de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving. De provincie vindt het belangrijk dat er aandacht is voor deze kwaliteit. Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van één vrijstaande woning binnen bestaand stedelijk gebied planologisch mogelijk. Er wordt er aangesloten bij de stedenbouwkundige en architectonische opzet van de nabije woonomgeving. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan past binnen de pijlers van de structuurvisie.
3.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016)
Op 4 februari 2013 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013 (PRV) in werking getreden. Op 12 december 2016 is een herijking van de PRV vastgesteld. De verordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. Deze belangen zijn onderverdeeld in 4 thema's (paragrafen), te weten: 1. Gehele provincie Utrecht. 2. Landelijk gebied. 3. Landelijk gebied, verstedelijkingsverbod en uitzonderingen. 4. Stedelijk gebied. Binnen de thema’s zijn de artikelen van de verordening opgenomen. Hierna worden de voor dit plan relevante artikel aangehaald. Artikel 4.1: Stedelijk gebied Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘stedelijk gebied’ kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Stedelijk gebied’ bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
(ontwerp)
19
bestemmingsplan Nieuweweg 2C 3.2.3
Conclusie
Binnen het plan wordt één wooneenheid binnen het ‘Stedelijk gebied’ en binnen de rode contour toegevoegd. Stedelijke ontwikkelingen, zoals het toevoegen van een wooneenheid, zijn hier toegestaan. Het plan heeft geen gevolgen voor de kernkwaliteiten van de Utrechtse Heuvelrug. Binnen het plan wordt een gasloze woning gerealiseerd. Daarnaast is de initiatiefnemer van plan om duurzaam te verwarmen met een warmtepomp en gebruik te maken van zonnecollectoren. De ontwikkeling is in overeenstemming met de provinciale beleidsambities, zoals verwoord in de Provincie Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Masterplan Wonen Soest
Op 20 mei 2020 heeft de gemeenteraad het Masterplan Wonen Soest vastgesteld. Aanleiding hiervoor is dat in de jaren voorafgaand aan de totstandkoming van dit Masterplan de druk op de woningmarkt sterk is toegenomen. Door de gestegen prijzen voor koopwoningen hebben mensen met een lager of middeninkomen minder mogelijkheden om een huis te kopen. Bovendien is het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter dan het aanbod. Met name in een centraal gelegen regio als Soest. Het is daarom van groot belang om de komende jaren meer, en de juiste, woningen te bouwen. Met het vaststellen van het Masterplan Wonen Soest geeft de gemeenteraad richting aan de nieuwbouw in de kern Soest. Gestreefd wordt naar de realisatie van 700 tot 800 woningen in de kern Soest tot 2025. De focus ligt hierbij op het sociale en betaalbare segment. Daarmee zorgt de gemeenteraad ervoor dat voor de Soesters de zo gewenste woningen beschikbaar komen. Een randvoorwaarde daarbij is dat zorgvuldig met de ruimte en het buitengebied wordt omgegaan, om het woonmilieu waar Soest trots op is zoveel mogelijk te behouden en te versterken.
Het Masterplan Wonen heeft drie belangrijke uitgangspunten: de woningbouw moet inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte van de eigen inwoners; met de woningbouw wordt gestreefd om doorstroming op de woningmarkt stimuleren; gestreefd wordt naar een gevarieerd aanbod in de nieuwbouw (woningtype, eigendom en prijsklasse) In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht. Dit onderzoek leverde een woningbehoefte van 770 woningen op voor de periode tot en met 2025. Deze behoefte wordt al deels ingevuld met bestaande plannen, waardoor de resterende woningbehoefte uitkomt op 635 woningen. Hiervoor zijn ruim 50 woningbouwlocaties beschikbaar, die samen goed zijn voor ongeveer 1.000 woningen. De kwalitatieve woningbehoefte in Soest richt zich de komende jaren op twee soorten woningen: huurappartementen: een vraag van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning; betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken. Het beleid is der daarom gericht met de nieuwe plannen te voorzien in deze kwalitatieve vraag, maar ook de doorstroming op de woningmarkt stimuleren en zorgen voor voldoende gevarieerd aanbod. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het Masterplan.
Omdat op een inbreidingslocatie wordt gebouwd wordt zorgvuldig met de ruimte omgegaan. De woning levert een bijdrage aan de invulling van de behoefte van 635 woningen.
20
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Hoofdstuk 4 4.1
Archeologie
4.1.1
Inleiding
Omgevingsaspecten
Het Europees Verdrag inzake de bescherming van archeologisch erfgoed (het verdrag van Valletta, kortweg Malta genoemd) is in 1992 door twintig Europese staten, waaronder Nederland, getekend en werd in 1998 met een goedkeuringswet bekrachtigd. Vervolgens werd het verdrag op 1 september 2007 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Valletta (Malta) gaat uit van het in de bodem bewaren van archeologische waarden op de locatie zelf ('in situ'). De achterliggende gedachte is dat de bodem zich nog steeds als de beste bewaarplaats bewezen heeft. Een andere gedachte, die hierbij speelt, is het gegeven dat latere generaties mogelijk over betere technieken van opgraven kunnen beschikken. Malta wil verder bevorderen dat in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening al rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Tenslotte gaat het verdrag uit van het beginsel 'de veroorzaker betaalt'. Dat wil zeggen dat degene die de bodem wil verstoren het archeologisch (voor)onderzoek en de eventuele opgraving zelf moet betalen. 4.1.2
Onderzoek
Het perceel is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 100 m² en bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv. De nieuwe woning krijgt een oppervlakte van circa 90 m2 en komt nagenoeg op dezelfde rooilijn als de Nieuweweg 2 te liggen. Op 25 september 2019 heeft de regio-archeoloog drie bodemkundige boringen gezet in het plangebied.
Boorpuntenkaart met locaties van de boringen op een luchtfoto (bron: Google maps 2019). De boringen zijn verspreid over het plangebied gezet, waarbij met name gekeken is naar de toekomstige contour van de nieuwbouw.
(ontwerp)
21
bestemmingsplan Nieuweweg 2C Alle boringen vertonen een nagenoeg zelfde beeld; een pakket verrommeld zand of aarde, gevolgd door een licht puinhoudende laag. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de kans zeer groot is, dat de archeologisch interessante laag door de bouw- en sloopwerkzaamheden t.b.v. de bungalow zwaar verstoord is of zelfs geheel verdwenen is. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.1.3
Conclusie
Archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van de vrijstaande woning op het perceel gelegen naast Nieuweweg 2. Het onderzoek is als Bijlage 1 Archeologisch onderzoek toegevoegd aan het plan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.2
Bodem en asbest
4.2.1
Inleiding
Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Asbest is een verzamelnaam voor natuurlijke mineralen die bestaan uit microscopisch kleine, naaldachtige vezels. In Nederland is de verkoop, het gebruik en het bewerken (zagen, boren, schuren of slopen) van asbest vanaf 1 juli 1993 verboden vanwege de gevaren voor de gezondheid. Voor die tijd werd asbest om zijn goede eigenschappen vaak gebruikt als bouwmateriaal. Als asbest niet of nauwelijks gebonden is aan een bindmateriaal of als het bindmateriaal in slechte staat verkeert, kunnen asbestvezels vrijkomen.
Maar ook als asbesthoudend materiaal op een ondeskundige manier wordt gesloopt of bewerkt kunnen vele miljoenen vezels in de lucht komen en worden ingeademd. Denk bijvoorbeeld aan schuren, boren, zagen en breken. De asbestvezels blijven achter als stof en kunnen eenvoudig in de lucht rondzweven. Asbesthoudend materiaal kan bovendien terecht zijn gekomen in puingranulaat, grond en in de bodem. 4.2.2
Onderzoek
In maart 2020 is door Montferland Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd om vast te stellen of er een grond- of grondwaterverontreiniging aanwezig is, welke mogelijk een belemmering kan vormen. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt: In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. De tevoren gestelde hypothese 'De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd' dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Bij het asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. In mengmonster ASMM01 van de fijne fractie is een gehalte van <0,5 mg/kg d.s. aangetoond. Het mengmonsters bevindt zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
22
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en / of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het voorgenomen nieuwbouwplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). 4.2.3
Conclusie
De resultaten van het onderzoek vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en er zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot het toekomstige bouwen van het terrein. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek toegevoegd aan dit plan.
4.3
Water
4.3.1
Inleiding
De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt.
Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van water tekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Beleid provincie De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband voor de lange èn de korte termijn de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid: Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland.
(ontwerp)
23
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren. Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden. De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan. Beleid waterschap Vallei en Veluwe Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld.
Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: We beschermen het gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners. Gemeentelijk Rioleringsplan Soest 2018-2022 Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer. Het gemeentelijk plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. In het plan wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor een doelmatige inzameling en een doelmatig transport van afvalwater, grondwater en hemelwater. 4.3.2
Onderzoek
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In december 2019 is door EDOK-RO de digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets blijkt dat er geen essentiële waterbelangen worden geraakt. Op basis daarvan heeft het Waterschap Vallei en Veluwe een positief wateradvies gegeven.
Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.
24
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. De woning moet ontworpen worden t.o.v. de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG). Dit betekent dat de ontwatering t.o.v.
de GHG minimaal 90 cm moet zijn bij traditionele bouw (kruipruimtes). Als hier niet aan kan worden voldaan, moet er worden opgehoogd, of aangepast gebouwd worden (bijv. waterdicht en kruipruimteloos bouwen). Bij de omgevingsaanvraag zal worden aangetoond wat de GHG is en of en op welke manier de woning aan het grondwaterregime moet worden aangepast. De Nieuweweg is gevoelig voor wateroverlast. Bij de bouw van de woning wordt hiermee rekening gehouden, door het vloeroppervlak van de woning minimaal 30 cm hoger te leggen dan de kruin van de weg en 15 cm hoger dan de tuin. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van de vrijstaande woning. De watertoets en de samenvatting watertoets zijn respectievelijk als Bijlage 3 Watertoets en Bijlage 4 Samenvatting watertoets toegevoegd aan dit plan.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Inleiding
Kader Wettelijk kader externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. Voor ondergrondse buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
(ontwerp)
25
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich, als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen, vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting, als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. 4.4.2 Onderzoek Woningen zijn geen risico-veroorzakende inrichting. Echter, woningen worden wel aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat wel beoordeeld dient te worden of er risicogevoelige inrichtingen dan wel zones aanwezig zijn waarbinnen het perceel valt. Hiertoe is een check uitgevoerd op de risicokaart.
Uitsnede risicokaart Op circa 400 meter afstand, ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de Sportboulevard De Engh. Hiervoor geldt geen risicoafstand. Ten oosten van het plangebied, op circa 1.000 meter afstand, bevindt zich de Intercitylijn Den Dolder-Baarn. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicoplafonds (PR / GR) van de spoorlijn. Tevens bevindt zich, op circa 1.000 meter afstand van het plangebied, Kemetyl Nederland B.V. In de uiterste situatie geldt hiervoor een (groeps)risicoafstand van 300 meter, waardoor ruimschoots aan de afstand wordt voldaan. Tot slot is op circa 1.100 meter afstand Hooijer Vuurwerk gelegen, hiervoor geldt geen risicoafstand. Uit de inventarisatie blijkt kortom dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
26
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
4.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van de vrijstaande woning.
4.5
Flora en fauna
4.5.1
Inleiding
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.
In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk ‘soortbescherming’: Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). Nationaal beschermde ‘andere soorten’ (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
(ontwerp)
27
bestemmingsplan Nieuweweg 2C Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een ‘Nee, tenzij’- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. Voor onderhavig project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’- toets niet nodig omdat er geen wijziging in het plan plaatsvindt en het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt. 4.5.2
Onderzoek
In april 2019 heeft Otte Groen Advies een quickscan natuurtoets uitgevoerd ten behoeve van het voorgenomen bouwplan. Gebiedsbescherming Natura 2000 Er liggen geen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dichtbij zijnde gebied is de Arkemheen, ongeveer 9 kilometer ten noordoosten van de locatie. Gezien de aard en schaal van de ingreep zijn effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden is niet nodig. Stikstof Uit het onderzoek blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zich op circa 9 km bevindt, voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase zal de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet worden overschreden. Er zijn geen belemmeringen voor het aspect stikstof voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Natuur Netwerk Nederland De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde gebieden betreft de Utrechtse Heuvelrug. De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig. Soortbescherming Flora Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens.
In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving, het bosrijke terrein en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. Zoogdieren Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde.). Vleermuizen Op basis van het veldbezoek is de inschatting dat de vleermuizen geen gebruik maken van de bomen in de siertuin. Nader onderzoek en/of ontheffing aanvragen is niet nodig. Vogels
28
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels als er buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Er mag niet gewerkt worden in de begroeiing van 15 maart t/m 15 juli. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. Amfibieën De vijver beschikt over onvoldoende aspecten wat aansluit bij het leefgebied van algemeen voorkomende soorten als gewone pad en bruine kikker. Het voorkomen van beschermde soorten is derhalve uit te sluiten. Reptielen Het plangebied biedt voor geen van de in Nederland voorkomende reptielen een geschikt biotoop en verspreiding niet verwacht binnen het plangebied. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Vissen Uit gegevens van de verspreidingsatlassen en bureauonderzoek en het voorkomen van koikarpers is geen geschikt habitat aanwezig voor strikter beschermde soorten vissen.
Op grond hiervan is een belang voor vissen in het algemeen en beschermde soorten in het bijzonder uit te sluiten. Ongewervelden De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Het plangebied komt voor geen van de beschermde soorten overeen met hun habitat. Deze soortgroep is daarom in zijn geheel uit te sluiten. 4.5.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna is geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen.
4.6
Geluid
4.6.1
Inleiding
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten. Aangezien er woningen (geluidgevoelige object) in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone.
Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
(ontwerp)
29
bestemmingsplan Nieuweweg 2C wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. 4.6.2 Onderzoek In september 2019 is door NIPA milieutechniek b.v. een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het inzichtelijk maken van de geluidbelasting ten gevolge van de verkeerswegen op de gevels van de woning. Het bouwplan ligt binnen de invloedssfeer van de: Nieuweweg 50 km/u; Beukenlaan 50 km/u; Molenstraat 30 km/u. In kader van een goede ruimtelijke ordening is het effect van de 30 km/u verkeersweg in het onderzoek opgenomen. Uit de resultaten van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. De geluidbelasting ter plaatse van de maatgevende gevels van de nieuwe woonbestemmingen vanwege het verkeer op de Nieuweweg/Beukenlaan inclusief de correctie ex art. 110g van de Wet geluidhinder, bedraagt ten hoogste 58 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met ten hoogste 10 dB overschreden.
Een aanvraag om een ‘hogere waarde’ is noodzakelijk. De motivatie voor het verzoek om hogere waarde is beschreven in hoofdstuk 4.6. van het onderzoeksrapport. In het ontwerp van de woning kan op eenvoudige wijze aan het aanvullend geluidbeleid van de gemeente Soest invulling worden gegeven. Hiertoe moet in de geluidluwe gevel aan de achterzijde (westzijde) van de nieuwe woonbestemming worden voorzien van één te openen deel. De geluidbelasting van het wegverkeer op de (niet geluidgezoneerde) Molenstraat bedraagt ten hoogste 41 dB(A). Deze voldoet aan de richtwaarde voor een goed woon- en leefklimaat en heeft geen relevante bijdrage aan de geluidbelasting. Met de berekende geluidbelastingen tot ten hoogste 63 dB is het woon- en leefklimaat in de woning zonder nader onderzoek niet gewaarborgd. Met eventuele extra gevelmaatregelen dient het woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt, na het nemen van extra gevelmaatregelen geen belemmering voor de realisatie van het plan. Bij de bouwaanvraag zal dit worden aangetoond. Wel dient de hogere grenswaarde procedure te worden doorlopen. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 6 Akoestisch onderzoek toegevoegd aan dit plan.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Inleiding
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
30
(ontwerp)
bestemmingsplan Nieuweweg 2C Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen / klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.7.2
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één woning. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Algemeen
Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en rustig buitengebied’;
(ontwerp)
31
bestemmingsplan Nieuweweg 2C
de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.2
Onderzoek
Het plan voorziet in de realisatie van één woning. Er bevinden zich geen bedrijven in de directe omgeving die in hun bedrijfsvoering gehinderd worden. Andersom zijn er geen bedrijven in de directe omgeving gevestigd die hinder kunnen veroorzaken voor de toekomstige bewoners van de woning. 4.8.3
Conclusie
Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
4.9
Parkeren en verkeer
4.9.1
Parkeren
Voor het parkeren is gebruik gemaakt van de normen die de gemeente Soest hanteert. Voor de vrijstaande woning houdt dat in, dat er drie parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden aangelegd. Bij het indien van de omgevingsvergunning wordt aangegeven waar deze drie parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Door de oppervlakte van het perceel van circa 600 m 2, is dit geen belemmering en wordt dus voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Soest. 4.9.2
Verkeer
Uitgaande van 7 verkeersbewegingen (bron: CROW) per etmaal, vinden er 7 verkeersbewegingen per etmaal plaats. Hiervan vindt 10% plaats tijdens de spits. Dit resulteert in 1 auto per uur. De extra verkeersintensiteit is voor de omliggende wegen geen enkel probleem.