CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4b 2 Bijlage 1 bestemmingsplan Veldmaarschalk Montgomeryweg 3 Soesterberg.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Veldmaarschalk Montgomeryweg 321.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de anterieure overeenkomst met de gemeente zal worden afgestemd dat er drie bomen worden herplant. Het plan is daarmee in overeenstemming met de bomenkaart van Soest. In de in bijlage 5 opgenomen quickscan (zie verder paragraaf 5.6) is een inventarisatie van onder andere de bomen in het plangebied opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in een bestemmingsplan ten behoeve van een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, water en het besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2 Situatie plangebied 5.1.2.1

Wegverkeerslawaai

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszone van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied aan de Veldmaarschalk Montgomeryweg. In dit geval is er door BJZ.nu een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van deze weg uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 2. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan: Het te realiseren appartementengebouw ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Veldmaarschalk Montgomeryweg, Rademakerstraat, Banningstraat en de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp Amersfoortseweg. De geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai van de bedraagt hoogstens 53 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Uit onderzoek is gebleken dat de maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen bezwaren ontmoeten vanuit stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Er dient daarom gelijktijdig met het bestemmingsplan een hogere waarde van 53 dB te worden vastgesteld met betrekking tot de Veldmaarschalk Montgomeryweg. Door het nemen van maatregelen met een geluidwering van 22 dB wordt een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd. Ten aanzien van de overige wegen wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.2.2

Railverkeerslawaai

Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied (circa 2 kilometer) is gelegen. 5.1.2.3

Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3 Conclusie Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2 Situatie plangebied Door SGS Search is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport in opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, lood, kwik, zink en PAK. De ondergrond is niet verontreinigd. Gezien de lage grondwaterspiegel ter plaatse, is de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater niet onderzocht. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “niet verdachte locatie” onjuist is. Gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q. toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Hierbij dient wel aangemerkt te worden dat uit de indicatieve toetsing van de analyseresultaten van de bovengrond(meng)monsters blijkt dat de bovengrond op de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp locatie te kwalificeren is als klasse Industrie (BBK). Door het bevoegd gezag dient te worden bepaald, in het kader van de voorgenomen ontwikkeling, of de bodemkwaliteit voldoet aan het voorgenomen gebruik. 5.2.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie plangebied 5.3.2.1

Algemeen

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie (wonen) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.2.2

Advieswaarden WHO en GGD

De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. In onderstaande kaarten (meetjaar 2030) is aangegeven wat de waarden in het plangebied in 2030 zijn. Uit de kaarten blijkt dat de concentratie fijnstof (PM2,5) onder de 10 microgram per kuub ligt. Hiermee wordt voldaan aan de advieswaarden. Uit de kaart in afbeelding 5.2 (fijnstof PM10, meetjaar 2030) blijkt dat de concentratie fijnstof onder de 18 microgram per kuub bedraagt. Hiermee wordt ook voldaan aan de advieswaarden.

Afbeelding 5.1 Luchtkwaliteitskaart fijn stof (PM2,5) (Bron: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, RIVM)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp

Afbeelding 5.2 Luchtkwaliteitskaart fijn stof (PM10) (Bron: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, RIVM)

5.3.3 Conclusie Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte cirkel) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.3

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Amersfoortsestraat (incident regionale wegen) De gemeente Soest heeft een route voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. Zowel het hoofdwegennet als de grote vaarwegen zijn opengesteld voor alle vervoer van gevaarlijke stoffen. De RUD heeft in een rapportage voor de Amersfoortsestraat - N237 (voor het bestemmingsplan Soesterberg-Noord) gesteld dat er jaarlijks over de N237 488 transporten van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) Bij een ongeval met een tankwagen met LPG kan door het exploderen van het vrijgekomen gas een vuurbal en drukgolf ontstaan. Het invloedsgebied van de vuurbal is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp circa 350 meter. Onderdelen van de tanks kunnen tot zeker 500 meter weg neerkomen. Hierdoor is dit scenario voor de N237 relevant. In het plan wordt hier rekening mee gehouden door het realiseren van een van de Amersfoortseweg afgekeerde zijde en voor een ieder te gebruiken uitgang ten behoeve van een veilige ontvluchting van het gebouw. Zowel de ingang als de patio en de ontsluiting zijn zuidelijk georiënteerd, aan de andere zijde dan de Amersfoortseweg gelegen is. In de Circulaire risiconormering gevaarlijke stoffen (Crnvgs) wordt verwezen naar vuistregels om te bepalen om een risicoberekening noodzakelijk is. Deze vuistregels zijn opgenomen in de Handleiding risicoanalyse transport (HART). In de HART is aangegeven dat voor wegen met een maximale snelheid van 80 km/uur geldt dat wanneer het aantal transporten GF3 minder is dan 500 per jaar deze weg geen PR 10-6 contour heeft. Uit de vuistregels kan worden geconcludeerd dat de N237 nabij Soesterberg geen 10-6/jaarrisicocontour heeft voor het plaatsgebonden risico. Aangezien over de N237 geen toxische stoffen worden getransporteerd en uit tellingen blijkt dat er geen transporten met GF3 plaatsvinden volgt uit de vuistregels zoals aangegeven in de HART dat 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

In de Crnvgs is aangegeven dat indien uit de vuistregels volgt dat drempelwaarden niet worden overschreden, er formeel geen extern veiligheidsprobleem aanwezig is. Gezien vorenstaande wordt het tevens niet noodzakelijk geacht om een groepsrisicoberekening uit te voeren. A28 (incident rijkswegen) Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen op de Rijksweg A28 is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het invloedsgebied waarbinnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is vanaf de snelweg bij stabiel weer (type F1,5) 1120 meter. Om de eventuele gevolgen te voorkomen, wordt geadviseerd om in de omgevingsvergunning als voorwaarde op te nemen dat het gebouw uitgevoerd moet worden met een afsluitbaar ventilatiesysteem. Door deze maatregel kunnen personen die verblijven in dit object zich tijdelijk onttrekken aan een toxische wolk en veilig schuilen. Gezien de afstand tot de weg (circa 980 meter) wordt gesteld dat het plangebied buiten de zone ligt waarbinnen een verantwoording van het plaatsgebonden risico benodigd is (200 meter). Hoogspanningslijnen en zendmasten De zones rond het bovengrondse hoogspanningsnet zijn door het RIVM vastgelegd in de Netkaart. Deze Netkaart bevat de breedte van de indicatieve zone. Indien de indicatieve zone een bestemmingsplan overlapt moet nader onderzoek plaatsvinden.

Uit de Netkaart blijkt dat ten noorden van Soesterberg de hoogspanningslijn Lageweide-Soest is gelegen. De indicatieve zone van deze hoogspanningslijn ligt ruim buiten het plangebied Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Er zich geen hoogspanningsmasten in het plangebied bevinden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp 5.4.3 Conclusie Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2 Gebiedstypen Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’.

Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied ligt in het centrum van Soesterberg, in een gebied dat wordt gekenmerkt door diverse centrumfuncties, horeca, sport, detailhandel, kleinschalige bedrijfsfuncties, wonen en maatschappelijke voorzieningen komen naast elkaar voor. In dit gebied wordt bewust functiemenging nagestreefd om de levendigheid te creëren. Door deze functiemenging is het plangebied aan te merken als omgevingstype ‘gemengd gebied’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp

Voor gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kunnen de gebieden worden aangemerkt als ‘functiemengingsgebied’. Bij ‘functiemengingsgebieden’ moet gedacht worden aan: • stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; • horecaconcentratiegebieden; • zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; • (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd.

De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1

Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voornemen ziet toe op het realiseren van 17 woonappartementen. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). De dichtstbijzijnde milieubelastende functies in de omgeving zijn in onderstaande tabel weergegeven. Hierna wordt op de functies ingegaan. Ten aanzien van de afstand wordt gesteld dat deze is gemeten tussen de grens waar de gevoelige functie mogelijk is en de grens die de milieubelastende functie toelaat Adres en functie

Afstand in m

Categorie

5m

Bouwkundige situatie Gescheiden

Bedrijf (kleinschalig, in maximaal milieucategorie 2) (Veldmaarschalk Montgomeryweg 5) Maatschappelijke voorziening militaire kazerne (Veldmaarschalk Montgomeryweg 2) Horeca (restaurant) (Rademakerstraat 2) Centrum (supermarkt) (Rademakerstraat 6)

41 m

Gescheiden

C

15 m

Gescheiden

A

20 m

Gescheiden

B

A

In alle gevallen is de ontwikkeling bouwkundig gescheiden van de genoemde functies. Het gaat namelijk om de bouw van een nieuw vrijstaand appartementengebouw. De in de tabel genoemde functies vormen dan ook geen belemmering en worden niet in hun werkzaamheden beperkt. Wanneer er niet aan de functiemengings-systematiek wordt getoetst, maar aan de richtafstanden voor ligging in een gemengd gebied, wordt er ten aanzien van de supermarkt en de horecafuncties voldaan aan de richtafstand van 10 meter voor geluid en gevaar. De functies liggen namelijk op respectievelijk meer dan 20 meter

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp (supermarkt en het horecabedrijf aan de Rademakerstraat 6) en op 15 meter (Rademakerstraat 2). Ten aanzien van de militaire inrichting (een marechausseekazerne) dient te worden vermeld dat deze niet is genoemd in de VNG-publicatie ‘functiemenging’. Gezien het feit dat hier planologisch activiteiten in categorie 4.1 mogelijk zijn, is deze in het kader van worst-case gelijkgesteld met een categorie C inrichting. De locatie is voldoende ontsloten op de hoofdinfrastructuur. Omgekeerd geldt voor deze functie dat deze niet (verder) wordt beperkt in haar werkzaamheden, doordat er reeds woningen (o.a. de bestaande woning in het plangebied) op kortere afstand liggen. Met dit initiatief komen er geen woningen op kortere afstand van deze functie. Ten aanzien van het bedrijf wordt gesteld dat er wordt voldaan aan de systematiek van functiemenging. Wanneer er met richtafstanden gemeten zou worden, wordt niet aan de richtafstanden voldaan. Het bedrijf ligt immers op 5 meter, waarbij voor een bedrijf in milieucategorie 2 op basis van gemengd gebied een afstand van 10 meter geldt. Het gaat echter om een kleinschalig bedrijf. Voor functies in maximaal milieucategorie 2 dat deze slechts beperkt milieubelastend zijn en over het algemeen goed uitgevoerd kunnen worden in een gemengd gebied.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6

Ecologie

5.6.1 Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hierna wordt separaat ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 5.6.2 Gebiedsbescherming 5.6.2.1

Natura 2000

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000gebieden. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gronden aangewezen als Natura 2000-gebied, zijn gelegen op circa 10 kilometer afstand van het plangebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofberekening met behulp van de meest recente Aerius-calculator uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 2 van deze onderbouwing. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op minimaal 200 meter afstand van het plangebied. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de NNN. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van zowel het NNN als Natura 2000-gebied weergegeven.

Afbeelding 5.4 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN en het Natura 2000-gebied (Bron: Provincie Utrecht)

5.6.3 Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp In voorliggend geval is door Boomadvies Nederland uitgevoerd voor het plangebied. Het volledige onderzoek is bijgesloten in bijlage 5 bij deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. Conclusies Gedurende het veldonderzoek is naar voren gekomen dat de woning en de schuilkelder een potentieel rust-/verblijfplaats voor vleermuizen kan zijn. Om deze reden zal als gevolg van het voornemen, de sloop van het gebouw, conform lid 4 een verbodsbepaling worden overtreden. Tevens zullen de eventueel aanwezige vleermuizen de woning/kelder mijden tijdens de werkzaamheden, waardoor lid 1; het opzettelijk doden, of lid 2; verstoren van vleermuizen, aan de orde is; De woning, en dan met name het dak, vormt een potentiële voortplantingsplaats voor huismussen. Hetzelfde geldt voor de aanwezige klimop in de tuin, wat als een overwinterplaats kan functioneren; Het groen, en dan met name de klimop (in de bomen), binnen het perceel vormt een potentieel rust-/verblijfplaats voor (broedende) vogels en/of eekhoorns. Voor aanvang van de werkzaamheden dient hier extra aandacht aan besteedt te worden. Advies In verband met de potentie van verblijfplaats van vleermuizen in de woning en de schuilkelder wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren om de eventuele aanwezigheid te monitoren.

Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden volgens het vleermuisprotocol. Aan de hand van de resultaten van deze waarnemingen worden de eventueel benodigde vervolgstappen uitgezet. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden tussen mei en oktober, in zowel de ochtend-, als avonduren. Aan de hand van de bevindingen kan al dan niet een ontheffing worden aangevraagd; In verband met de potentie van verblijfplaatsen van huismussen in het dak van de woning, wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren om de eventuele aanwezigheid te monitoren. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform soortenstandaard Huismus; Gelijktijdig met het onderzoek naar de vleermuizen en huismussen wordt geadviseerd om ook de aanwezigheid van eekhoorns te onderzoeken. Bij aanwezigheid zal een aangepast werkplan opgesteld moeten worden; Om uit te sluiten dat er gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord, wordt geadviseerd om de (kap-/sloop)werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, wordt geadviseerd om voor aanvang van de werkzaamheden, nog een oriënterende schouw uit te voeren om de aanwezigheid van (zeer vroege, of late) broeders uit te sluiten. Nader onderzoek vleermuizen In oktober 2020 is door Huiding Bureau Groenzorg een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd.

Het volledige rapport is als bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Verblijfplaatsen In de Wet natuurbescherming (artikel 3.5, lid 4) is het verboden om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen. In het plangebied zijn geen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde vleermuizen vastgesteld. Er zijn vanuit het gebouw, schuur ,bijgebouw en kelder geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen en zwermgedrag (dat kan wijzen op een massaverblijfplaats) is niet waargenomen. Om deze reden zal als gevolg van het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp voornemen in het plangebied (sloop van het gebouw en schuur) geen verbodsbepaling worden overtreden. Om deze reden is er in het kader van de Wet natuurbescherming geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming – onderdeel soortbescherming. Foerageergebied en vliegroutes Foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd als het van essentieel belang is voor het in stand houden van een vaste verblijfplaats. Dit is in zijn algemeenheid het geval als bij het verdwijnen van het foerageergebied of een vliegroute, ook de verblijfplaats zou verdwijnen (een indirect effect). In dat geval zou er sprake zijn van het overtreden van artikel 3.5, lid 4 van de Wnb. Het plangebied wordt echter niet intensief gebruikt als foerageergebied en er is ook geen vliegroute vastgesteld. Er wordt daarom door het voornemen geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aangetast. Om deze reden is er geen sprake van het (indirect) overtreden van de verbodsbepaling genoemd in artikel 3.5 lid 4. Overige verbodsbepalingen Vleermuizen zullen het plangebied mijden tijdens de werkzaamheden waardoor het opzettelijk doden of verstoren van vleermuizen niet aan de orde is.

Bovendien is het plangebied niet van wezenlijk belang voor vleermuizen waardoor er geen sprake is van het overtreden van lid 1 (‘het opzettelijk doden’) en lid 2 (‘het opzettelijk verstoren’). Concluderend kan gesteld worden dat gezien het bovenstaande de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de voorgenomen bouw en sloopwerkzaamheden. Conclusie In het plangebied en de directe omgeving van het plangebied aan de Veldmaarschalk Montgomeryweg 3 in Soesterberg, is in de periode mei 2020 tot en met oktober 2020 volgens de geldende protocollen onderzoek gedaan naar het voorkomen en het gebruik van het plangebied door vleermuizen. In het plangebied zijn drie vleermuissoorten waargenomen (Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis). Er zijn geen beschermde verblijfplaatsen of essentiële foerageergebieden of vliegroutes aangetroffen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan in alle redelijkheid worden gesteld dat door het voorgenomen voornemen geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het is op basis van dit onderzoek duidelijk geworden dat de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt. Nader onderzoek huismus In oktober 2020 is door Huiding Bureau Groenzorg tevens onderzoek gedaan naar de huismus. De volledige rapportage is als bijlage 7 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.

In het plangebied en de directe omgeving van het plangebied aan de Veldmaarschalk Montgomeryweg 3 in Soesterberg , is in de periode februari – oktober 2020 volgens de geldende protocollen onderzoek gedaan naar het voorkomen en het gebruik van het plangebied door huismussen. Er zijn geen beschermde verblijfplaatsen of essentiële voortplantingsplaatsen, kwetterplaatsen of winterverblijven aangetroffen . Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan in alle redelijkheid worden gesteld dat door het voorgenomen voornemen geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het is op basis van dit onderzoek duidelijk geworden dat de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp 5.6.4 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1

Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2

Situatie plangebied

De gemeente heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Dit beleid is middels dubbelbestemmingen vertaald in de bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie lage verwachting (AWV1)’. Archeologisch onderzoek is nodig als de (nog niet eerder verstoorde) bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt verstoord in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 10.000 m2. Gelet op het feit dat de bodemingreep minder dan 10.000 m2 bedraagt, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Indien tijdens de uitvoer van de werkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden aangetroffen of resten waarvan redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat dit archeologische resten zijn, dan dient dit zo spoedig mogelijk te worden gemeld bij het bevoegd gezag. 5.7.2 Cultuurhistorie 5.7.2.1

Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp 5.7.2.2

Situatie plangebied

Binnen de begrenzing van het plangebied bevindt zich geen monumentale bebouwing. Voor het overige zijn er binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Wateraspecten

5.8.1 Vigerend beleid 5.8.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.8.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.8.1.3

Provinciaal beleid

De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Wateren Milieuplan 2016-2021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: • •

Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp • •

Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.

Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • •

Focus op 4 prioriteiten Werken vanuit 6 basiskwaliteiten

De vier prioriteiten zijn: • • • •

Waterveiligheid en wateroverlast Schoon en voldoende oppervlaktewater Ondergrond Leefkwaliteit stedelijk gebied

De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid. De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 5.8.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

5.8.1.5

We beschermen het gebied tegen overstromingen; We zorgen voor de juiste hoeveelheid water; We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit; Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden; We halen de hoogst mogelijke waarde uit water; We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners. Gemeentelijk rioleringsplan Soest 2018-2022

Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer. Het gemeentelijk plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. De bestaande riolering heeft hiervoor voldoende capaciteit. Tijdens de realisatie van het plan zal hierop nog een extra controle plaatsvinden. 5.8.2 Waterparagraaf 5.8.2.1

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.8.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Waterschap Vallei en Veluwe adviseert positief over het ruimtelijk plan. Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 7. Hierna wordt op enkele relevante aspecten ingegaan. Vasthouden – bergen – afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden – scheiden – schoonmaken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hierbij verder helpen. In dit plan wordt de waterberging opgevangen op het eigen terrein. Dit gebeurt onder andere door het water te laten infiltreren op de met halfverharding aan te leggen parkeerplaats en de patio.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Hierna wordt er verder op de vormvrije m.e.r. ingegaan. 5.9.2 Situatie plangebied 5.9.2.2

Stikstof

De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is n.a.v. de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) niet meer bruikbaar. Het aspect stikstofdepositie dient daarom ten aanzien van Natura 2000-gebieden nader te worden onderzocht. Projecten die stikstofuitstoot met zich meebrengen door een aanleg- bouwfase of door verkeersbewegingen dienen te worden onderzochten. Zoals in paragraaf 5.6 en bijlage 4 is gebleken, is er in dit geval geen sprake van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp 5.9.2.2

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.beoordeling te worden gehanteerd. Uit de vormvrije m.e.r. beoordeling (opgenomen als bijlage 8 van deze toelichting) blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Voorafgaand aan de besluitlegging zal er een m.e.r-beoordelingsbesluit worden genomen. Dit is afdoende mogelijk op basis van deze paragraaf en de overige paragrafen van dit hoofdstuk. 5.9.3 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp

HOOFDSTUK 6

JURIDISCHE ASPECTEN EN

PLANVERANTWOORDING

6.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

6.2.2 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp 6.2.3 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •

Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

•

Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

•

Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd

6.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel zijn bepalingen omtrent het onderkelderen gebouwen opgenomen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel zijn enkele vormen van verboden gebruik opgenomen.

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 10) Deze regel is opgenomen ten behoeve van de bescherming van de ‘geluidzone weg. In deze regels is een bepaling opgenomen die een aanvaardbaar akoestisch klimaat borgt.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om het plan op ondergeschikte punten te kunnen wijzigen.

•

Overige regels (Artikel 13) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van parkeren.

6.2.5 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan “Veldmaarschalk Montgomeryweg 3, Soesterberg” Ontwerp met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Tuin (Artikel 3) Deze bestemming is, conform de standaard, opgenomen voor de voorgevel van het hoofdgebouw. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzend gelegen gebouwen en perceelontsluitingen. Op deze gronden mogen erkers, ingangspartijen en andere bouwwerken worden gebouwd, waarvoor bouwregels zijn opgenomen. Specifiek zijn bouwregels opgenomen voor bijbehorende bouwwerken en balkons.

Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan tot 100 m2 en tot een hoogte van 3 m, ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding. Tevens is voor balkons, behorend bij het gebouw in de aangrenzende bestemming ‘Wonen – Gestapeld’ specifiek geregeld dat deze ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding zijn toegestaan, tot een bouwhoogte van 6 meter, gemeten tot de vloer van het balkon. Een afrastering van het balkon valt onder de ondergeschikte bouwdelen, waarvoor in artikel 2 (wijze van meten) regels zijn opgenomen. Verkeer (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de inrit en de parkeerplaatsen. Deze gronden zijn met name bestemd voor in- en uitritten, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan, met inachtneming van de daarvoor opgenomen bouwhoogtes. Wonen - Gestapeld (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het beoogde appartementengebouw en het bijbehorend achtererf. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven, waterhuishouding, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, andere bouwwerken en ontsluitingsvoorzieningen. In de bouwregels is onderscheid gemaakt in regels voor hoofdgebouwen en overkappingen en andere bouwwerken. Deze gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=1ba99d1c-e536-4609-9790-39f1cc7f7f28