3. Biljage 2 Toelichting BP Prins Bernhardlaan 8B
Tekst van het document
Programma Energietransitie 2020-2025 De gemeenteraad van Soest heeft op 6 februari 2020 het Programma Energietransitie 2020-2025 vastgesteld. In dit programma zijn de doelstellingen voor de programmaperiode tot en met 2025 vastgelegd en zijn de bijbehorende projecten gezamenlijk bepaald. Het programma is opgebouwd aan de hand van de pijlers wonen, werken, mobiliteit en gemeente als voorbeeld. Daarnaast zijn er projecten gedefinieerd voor energieopwekking. Deze projecten zijn van invloed op alle pijlers. Ook maakt het strategisch communicatieplan onderdeel uit van het programma. Met dit programma wordt een vervolg gegeven aan wat er met het Gemeentelijk Duurzaamheidsplan 2016 – 2020 in gang is gezet. Alle nieuwbouwprojecten moeten voldoen aan het bouwbesluit. In het Bouwbesluit is vastgelegd dat alle nieuwe gebouwen aardgasvrij moeten worden gerealiseerd en minimaal moeten voldoen aan de BENG vereisten (Bijna energieneutrale gebouwen). De BENG-eisen zijn een aanscherping ten opzichte van de EPC. In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: • BENG 1 Energiebehoefte: de hoeveelheid energie die een gebouw nodig heeft voor verwarming en koeling uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar. Deze indicator gaat over het beperken van de energievraag van het gebouw zelf.
Aandachtspunten: stedenbouwkundig ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schilisolatie, luchtdichtheid, zomernacht-ventilatie, ventilatiesysteem en zonwering. • BENG 2 Primair energiegebruik: de hoeveelheid fossiele brandstof in kWh per m2 gebruiksopper-vlakte per jaar die nodig is voor verwarming, koeling, warm water en installaties. Let op: voor netstroom wordt het rendement van elektriciteitsproductie verrekend. Aandachts-punten: efficiënte installaties, warmteafgifte op lage temperatuur, warmwater met korte leidingen en warmteterugwinning en toepassing van hernieuwbare energie (ook BENG 3). • BENG 3 Aandeel hernieuwbare energie: het percentage (in procenten) hernieuwbare energie van het totale energiegebruik. Aandachtspunten:
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
31
toepassing van PV, zonneboiler, bodem-energie, omgevingswarmte, biomassa en externe warmtelevering (mits hernieuwbaar). Momenteel is er nog geen woningbouwontwerp bekend. Bij de definitieve uitwerking van de plannen in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen zullen alle verplichte documenten met betrekking tot het aspect duurzaamheid en energie worden toegevoegd. Conclusie gemeentelijk beleid Het voorliggende bestemmingsplan is niet strijdig met het geldende gemeentelijk beleid.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
32
4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een aantal milieu- en omgevingsaspecten toegelicht die bij een ruimtelijk plan in beschouwing moeten worden genomen. Na een algemene beschrijving, gebaseerd op beleid en regelgeving, wordt voor elk onderdeel ingegaan op de relatie met het plangebied. 4.2
Bodem
Beleid en regelgeving In het kader van een ruimtelijk plan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek (conform NEN 5740) kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Situatie in het plangebied Als onderdeel van de beoogde bouw van een nieuwe woning op het af te splitsen deel van het perceel aan de Prins Bernhardlaan 8B is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd2. Het onderzoeksrapport is als bijlage achter deze plantoelichting opgenomen. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna weergegeven. Resultaten verkennend bodemonderzoek Tijdens de terreininspectie zijn geen verdachte locaties waargenomen. Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit zand (matig fijn/ matig grof, zwak siltig zand, plaatselijk zwak grindig). Tijdens de veldwerkzaamheden is tot 5,5 m-mv geen grondwater aangetroffen.
Derhalve is conform de richtlijnen van de NEN5740 ter plaatse geen grondwateronderzoek uitgevoerd. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Uit de onderzoeksresultaten (analyseresultaten) blijkt dat in de bovengrond van diverse monsterpunten (1, 2, 3, 6, 7 en 8) van enkele onderzochte parameters de achtergrondwaarde wordt overschreden. De gemeten gehalten overschrijden echter niet de streefwaarden en/of detectiegrenzen. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve verworpen. Het aangetroffen loodgehalte overschrijdt wel de risicowaarde, zoals is opgesteld in het advies voor moestuinen en plaatsen waar kinderen spelen (GGD-GHOR, 2016). Dit betekent dat de bovengrond diffuus heterogeen is verontreinigd met lood.
2
Van der Poel b.v., ‘Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van: Prins Bernhardlaan 8b te Soest’ (kenmerk: 220838), 25 juli 2022
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
33
In relatie tot de bestemming (voorgenomen nieuwbouw woning) vormt dit geen belemmering. Wel wordt geadviseerd de terreindelen waar contactmogelijkheden zijn met de grond – (moes)tuin, kinderspeelplaats – óf vrij te maken van de verontreinigde bovengrond en te vervangen door grond vrij van verontreinigingen óf contactmogelijkheden met deze grond te voorkomen, bijvoorbeeld verharding of worteldoek met een laag schone grond aanbrengen. Conclusie Het aspect bodem staat niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Bij de uitvoering van de plannen dient wel uitvoering te worden gegeven aan het advies met betrekking tot de contactmogelijkheden met de grond. 4.3
Milieuzonering
Beleid en regelgeving Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze richtafstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties.
Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. Situatie in het plangebied Het bestemmingsplan maakt de bouw van een nieuwe woning op het af te splitsen deel van het perceel Prins Bernhardlaan 8B in Soest mogelijk. Wonen betreft een milieugevoelige functie. Invloed omgeving op plangebied In de directe omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. De dichtstbijzijnde niet-woonfunctie is gelegen aan de Lindelaan 4B-6. Het betreft een perceel dat ruim 60 meter ten noorden van het plangebied ligt en op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Soestdijk’ een maatschappelijke bestemming heeft. Binnen deze maatschappelijke bestemming zijn diverse maatschappelijk functies toegestaan, uit maximaal categorie 2 van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Dergelijke functies hebben een richtafstand van 30 meter. Vanwege de relatief grote afstand tot aan het plangebied is er van onevenredige hinder over en weer geen sprake. Met andere woorden, de bestaande niet-
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
34
woonfuncties worden niet in hun bedrijfsvoering gehinderd en er wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Invloed plangebied op de omgeving Een woonfunctie betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Met andere woorden, de woning zelf heeft geen richtafstand waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect milieuzonering voor de uitvoering van het plan. 4.4
Geluid
Beleid en regelgeving Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of deel uitmaken van een woonerf. Situatie in het plangebied De planlocatie ligt niet in de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein of (spoor)wegen. De wegen rondom het plangebied zijn onderdeel van een 30 km/uur-gebied. Gelet op de relatief beperkte verkeersintensiteit op de Prins Bernhardlaan, en het feit dat het bouwvlak voor de nieuw te bouwen woning op meer dan 30 meter van deze weg ligt, is evenmin akoestisch onderzoek (uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening) noodzakelijk. Bovendien is het pad waarop de woning ontsloten wordt uitsluitend bedoeld voor bestemmingsverkeer. Daarmee zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Bezien vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling. 4.5
Luchtkwaliteit
Beleid en regelgeving Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving voor luchtkwaliteitseisen beschreven in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het verkeer langs drukke wegen bewerkstelligt overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Aspecten van de nieuwe regelgeving op grond van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Besluit NIBM;
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
35
•
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Regeling NIBM.
Besluit NIBM Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De 3 %-grens is van toepassing sinds 1 augustus 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. Overigens geldt vanaf 1 januari 2015 dat het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook moet toetsen aan zwevende deeltjes in de atmosfeer, waarvan de omvang (aerodynamische diameter) kleiner is dan 2,5 micrometer. Deze worden aangeduid met PM2,5. PM2,5 is in dit kader een deeltje uit de fractie PM10. De grenswaarde voor PM2,5 is gesteld op 25 µg/m3. Regeling NIBM In de Regeling NIBM is de 3%-bijdrage vertaald naar getalsmatige grenzen van diverse functies, onder andere voor kantoren en woningen. Zo is aangegeven dat bij 1.500 woningen of 100.000 m2 kantooroppervlak de 3%- grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen dan wel - onderzoek nodig is.
Situatie in het plangebied In voorliggend plan wordt de bouw van één nieuwe woning planologisch mogelijk gemaakt, waarmee één extra wooneenheid binnen het plangebied wordt toegevoegd. Daarmee valt het plan binnen de getalsmatige (kwantitatieve) grenzen uit de 'Regeling niet in betekenende mate'. Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect luchtkwaliteit voor onderhavige planontwikkeling. 4.6
Externe veiligheid
Beleid en regelgeving Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels en horeca. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en buisleidingen. De risico’s worden onderverdeeld in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). • Het PR wordt uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon op een plaats in de omgeving van een risicovolle activiteit zou verblijven, overlijdt als
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
36
•
rechtstreeks gevolg van door die activiteit veroorzaakte calamiteit. De kans op overlijden van 1 op de miljoen per jaar (PR=10-6) is een harde grenswaarde die niet mag worden overschreden. Het GR is een maat voor de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en van een daardoor veroorzaakte calamiteit. Het gaat om een richtwaarde. Het bevoegd gezag mag, mits afdoende gemotiveerd, van deze richtwaarde afwijken (de verantwoordingsplicht).
Belangrijke beleid- en regelgeving voor het aspect Externe Veiligheid is: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Betv); • Basisnet. Situatie in het plangebied Met behulp van de landelijke risicokaart is een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Bovendien zijn er in en nabij het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. De spoorverbinding Hilversum – Amersfoort, gelegen op ruim 1 kilometer ten noordoosten van het plangebied, maakt weliswaar deel uit van het Basisnet Spoor maar ligt buiten de toetsingsafstand van 200 meter waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden. Verder komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen (ondergrondse) buisleidingen zijn gelegen, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plangebied vanuit het aspect externe veiligheid. 4.7
Water
Waterbeleid Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoets proces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder (waterschap Vallei en Veluwe) tot stand.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
37
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren diverse beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). In hoofdstuk 3 van deze plantoelichting is daarop al ingegaan, waarnaar wordt verwezen. Situatie in het plangebied Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook zijn er geen waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding in het plangebied aanwezig. Grondwater en grondwaterbescherming De grondwaterstromen in Soest bewegen zich van de Utrechtse Heuvelrug naar de lage gebieden van het Soesterveen en worden vervolgens via de Praamgracht/ Pijnenburgergrift afgevoerd naar de Eem. Het plangebied ligt op circa 10,5 meter boven NAP (bron: Actueel Hoogtebestand Nederland). Uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 4.2.2) blijkt dat het grondwater op dieper dan 5,5 m-mv ligt. Grondwateroverlast is daarmee niet aan de orde en ook aan de ontwateringsnorm die de gemeente Soest hanteert voor bebouwing (90 cm onder het vloeroppervlak ten opzichte van de GHG) levert geen problemen op. Het plangebied is verder niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of 100-jaarsaandachtszone voor drinkwaterwinning.
Bebouwing en verharding Het plangebied heeft betrekking op gronden van een gedeelte van het bestaande woonperceel aan de Prins Bernhardlaan 8B, kadastraal bekend onder gemeente Soest, sectie K, nr. 1745 (gedeeltelijk). De bedoeling is dat een deel van het perceel ter grootte van ca. 825 m2 ten zuiden van een bestaand pad wordt afgesplitst en er op dit afgesplitste deel een nieuwe woning gebouwd wordt. Momenteel is het plangebied grotendeels onverhard en als tuin / erf bij de woning in gebruik. Wel is er binnen dit gedeelte van het perceel een vrijstaand bijgebouw (ca. 55 m2) aanwezig. Er is (nog) geen definitief bouwplan bekend. Dit is aan de toekomstige eigenaren en bewoners. Wel is duidelijk dat de totale oppervlakte aan vergunningplichtige gebouwen (de woning en bijbehorende bouwwerken) op het totale nieuwe woonperceel niet meer mag bedragen dan 124 m2. Dit maximum oppervlakte aan gebouwen is ook in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de oppervlakteverharding (gebouwen) binnen het plangebied dus maar zeer beperkt toe. Afval- en regenwater Bij nieuwbouw moet rekening gehouden worden met het veranderende klimaat. Het waterbeleid is hierop aangepast. Bij de ontwikkeling moet men rekening houden met de toenemende mogelijkheid van 'water op straat'. Bouwplannen moeten hierop afgestemd zijn.
Bij nieuwbouw moet regenwater van verharde oppervlaktes (daken en verhardingen) afgekoppeld worden. Regenwater wordt, zo dicht mogelijk bij de plek waar het valt, verwerkt om afwenteling te voorkomen. Het regenwater moet daarom, voor zover redelijkerwijs haalbaar, binnen het plangebied worden opgevangen en verwerkt, voor particulier terrein bij voorkeur binnen het eigen perceel. Het wordt bij voorkeur niet getransporteerd naar buiten het plangebied.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
38
Infiltratie van regenwater binnen het plangebied heeft daarom de voorkeur boven afvoer naar oppervlaktewater via een regenwaterriool. Er zijn goede mogelijkheden om het hemelwater, afkomstig van de daken van de nieuwe woning, gescheiden af te voeren en te laten infiltreren in de bodem. De samenstelling van de bodem (vooral zand) in combinatie met een relatief lage grondwaterstand is dit goed mogelijk. Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (zie paragraaf 4.2) bevestigt dit beeld. Welke methode van infiltratie toegepast gaat worden zal nader worden onderzocht en onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. Alvorens de omgevingsvergunning wordt ingediend zal dit ook met de gemeente worden kortgesloten. Het vuile afvalwater vanuit de nieuwe woning zal afgevoerd worden via het bestaande rioleringssysteem. De nieuw te bouwen woning zal daartoe worden aangesloten op dit systeem. Via het rioleringssysteem zal het afvalwater worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.
Het waterschap vraagt de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen. Daarnaast heeft de gemeente Soest het convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug ondertekend. Dit betekent dat de leidraad die aan dit convenant ten grondslag ligt bij ruimtelijke ontwikkelingen in acht moet worden genomen. Bij de uitwerking van het (bouw)plan zal hieraan getoetst worden. Watertoets In het kader van de planontwikkeling is op 8 augustus 2022 de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) doorlopen. Hieruit blijkt dat het voorliggende plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan is door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Het waterschap is niet de enige waterbeheerder. Gemeenten hebben een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater in bebouwd gebied. Daarmee is de gemeente ook een waterbeheerder en moet zij ook worden geconsulteerd in het kader van de watertoets. Omdat dit een uitvoeringsaspect betreft, zal voordat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, de gemeente over deze onderwerpen worden geconsulteerd. De afspraken die in dat kader worden gemaakt, zullen bij de uitwerking van het bouwplan worden gebruikt. Conclusie Ten aanzien van het aspect water zijn geen belemmeringen te verwachten voor de voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied. 4.8
Ecologie
Beleid en regelgeving Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de ‘gebiedsbescherming’ en de ‘soortenbescherming’.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
39
Gebiedsbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen. Naast de bescherming op grond van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voorheen EHS genoemd). Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Uitgangspunt van het beleid is dat plannen, handelingen en projecten in het NNN niet toegestaan zijn indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant aantasten. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe.
Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. Situatie in het plangebied Om te beoordelen wat de effecten zijn van het beoogde woningbouwplan aan de Dorpsstraat 1 te Laren op de natuur, is door adviesbureau EcoTreest een natuurtoets in de vorm van een quickscan3 uitgevoerd, waarbij is gekeken naar gebiedsbescherming en naar soortenbescherming, gebaseerd op een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Dit veldbezoek heeft op 5 juli 2022 plaatsgevonden. De rapportage met daarin de onderzoeksresultaten is integraal als bijlage achter deze toelichting opgenomen. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hieronder weergegeven. Resultaten Quickscan Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 8 kilometer afstand. Vanwege deze afstand, de potentiële effecten, bekende dosis-effectrelaties en de aard/omvang van de voorgenomen ontwikkeling, zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten.
Voor het onderdeel stikstof wordt in de rapportage nog verwezen naar het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State hieromtrent geldt het PAS niet meer voor Natura 2000-gebieden en is 3
EcoReest, ‘Quickscan Wet natuurbescherming Prins Bernhardlaan 8B te Soest’, 21 juli 2022
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
40
specifiek voor dit project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In dit kader wordt ook verwezen naar paragraaf 4.9 van deze plantoelichting. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (en natuur buiten het NNN). Het voorgenomen plan heeft gezien de afstand tot deze gebieden (>1,2 kilometer), de ligging binnen de bebouwde kom en de aard en omvang van het plan, geen effect op deze gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN en natuur buiten het NNN zijn niet aan de orde. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde komgrens Wnb van Soest. Voor de betreffende te kappen bomen geldt het beschermingsregime vanuit de Wnb niet. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn zodoende niet aan de orde. Wel kunnen vervolgstappen vanuit de gemeentelijke regels ten aanzien van kap van bomen van toepassing zijn. Soortbescherming Het plangebied biedt geen geschikte broedgelegenheid voor gebouwgebonden vogels. In de huidige situatie kunnen boombroedende vogels met jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten, dit kan echter in toekomst veranderen. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten, gezien de bebouwing ontoegankelijk is en de aanwezige holtes in bomen ongeschikt zijn.
Mogelijk maakt het plangebied onderdeel van een foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen. Advies Geadviseerd wordt om eventuele kap van bomen na het huidige broedseizoen uit te voeren. Als het niet mogelijk is om de houtopstanden voor maart 2023 te verwijderen, wordt geadviseerd vooraf aan de kapwerkzaamheden opnieuw een controle op nesten van boombroedende vogels met jaarrond beschermde nesten uit te voeren. Verder wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor de meeste soorten kan de periode tussen maart en september worden aangehouden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden, wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te laten voeren om vast te stellen of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden broedvogels aanwezig zijn. Indien deze afwezig zijn, kunnen werkzaamheden doorgang vinden.
Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen, dient een zorgvuldige werkwijze worden bepaald of dienen de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Ook kan ervoor worden gekozen de werkzaamheden voor het
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
41
broedseizoen op te starten en continue door te werken, zodat vogels buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden geschikte broedgelegenheid zullen zoeken. En omdat het plangebied mogelijk onderdeel uitmaakt van een foerageergebied van vleermuizen, wordt geadviseerd de werkzaamheden uitsluitend overdag plaats te laten vinden. Dit om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Zorgplicht Tot slot wordt opgemerkt dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect ecologie voor het plan. Bij de quickscan zijn geen beschermde flora en fauna waargenomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen activiteit. Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. In het plangebied kunnen wel algemene broedvogels aanwezig zijn. Hiervoor dient men te werken buiten het broedseizoen (maart-augustus) of een broedvogelcheck uit te laten voeren door een ecologisch deskundige bij aanvang van de sloop- en kapwerkzaamheden. Ook dient bij de bouwwerkzaamheden rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht uit de Wnb. 4.9
Stikstofdepositie
Wet- en regelgeving Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS niet meer voor Natura 2000-gebieden. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. In plaats daarvan zijn hier een rekentool (AERIUS Calculator) en een beoordelingskader voor ingevoerd. Ook voor dit bestemmingsplan is gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Onderzoek Door mRO is specifiek voor het voorliggende plan, de realisatie van een vrijstaande woning op het perceel Pr. Bernhardlaan 8B in Soest, een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase. Hiervoor is gebruik gemaakt van het meest recente AERIUS-model. De notitie4 met de uitgangspunten en resultaten van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de plantoelichting.
4
mRO b.v., ‘Notitie Stikstofdepositieonderzoek Pr. Bernhardlaan 8B Soest’, 5 mei 2023
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
42
Uit het onderzoek blijkt dat het project aan Pr. Bernhardlaan 8B in zowel de aanlegfase alsook in gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (>0,00 mol stikstof ha/jaar) op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden. De woningbouwontwikkeling heeft derhalve geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Het plan voldoet daarmee aan de Wnb. Conclusie Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.10
Archeologie
Beleid en regelgeving Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient, voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, die momenteel in voorbereiding is. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet, is in het overgangsrecht van de Erfgoedwet bepaald dat de regels met betrekking tot archeologie uit de Monumentenwet 1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Gemeentelijk beleid De gemeente Soest heeft voor de hele gemeente een Archeologische beleidsadvieskaart (versie 2016) opgesteld. Hierop is aangegeven wat de verwachting is op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem. Vervolgens is voor de verschillende onderscheiden gebieden een beleidsadvies gegeven. Situatie in plangebied Op grond van de Archeologische beleidsadvieskaart Soest 2016 blijkt dat het plangebied binnen het Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 1 (AWV1) ligt. Hiervoor geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met bodemingrepen die een grotere oppervlakte hebben dan 100 m2 en dieper reiken dan 30 cm-mv, vooraf archeologisch onderzoek nodig is. Omdat als onderdeel van het beoogde woningbouwplan de bovengenoemde grenzen worden overschreden, is er specifiek voor het plangebied door
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
43
adviesbureau ArcheoPro een inventariserend veld-, bureau- en karterend booronderzoek uitgevoerd5. De rapportage is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. De resultaten laten zich kort als volgt omschrijven. Resultaten Archeologisch onderzoek Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel kunnen binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn die kunnen dateren vanaf het laatpaleolithicum. De verwachting is gezien het ontbreken van (voormalig) open water in de nabijheid van het plangebied, hooguit middelhoog. De verwachting voor (meer permanente) nederzettingsresten uit het neolithicum, de bronstijd, de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen is hoog. Voor resten van bebouwing uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt gezien de ligging tot in de twintigste eeuw op een akker, een lage verwachting. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied zes boringen gezet. Uit de resultaten hiervan blijkt dat binnen het overgrote deel van het plangebied een diepe bodemverstoring aanwezig is. Er zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen, ondanks de hoge boordichtheid en het boren met een megaboor. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.
In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect archeologie. Er is geen dubbelbestemming (meer) opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. 4.11
Cultuurhistorie
Beleid en regelgeving Goede ruimtelijke ordening betekent dat er, onder meer bij het opstellen van bestemmingsplannen, een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is daarbij een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Door wijziging per 1 januari 2012 van het Besluit ruimtelijke ordening (art. 3.1.6) dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Relatie met het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht. Ook zijn in het plangebied geen monumenten of andere objecten met een belangrijke cultuurhistorische waarde aanwezig. 5
Exaltus, R. en Orbons, J., ‘Prins Bernhardlaan 8B, Soest. Gemeente Soest. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en karterend booronderzoek’. ArcheoPro Rapport 22057, Eijsden, 18 juli 2022.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
44
Het plangebied maakt geen deel uit van een (beschermd) cultuurhistorisch waardevol gebied en/of beschermd dorpsgezicht. Bovendien liggen er nabij het plangebied geen gebieden en/of structuren met te beschermen cultuurhistorische waarden. De verbodsbepaling uit de gemeentelijke monumentenverordening is dan ook niet van toepassing. Binnen het plangebied zijn ook geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten als objecten (gebouwen) aanwezig. Een nadere afweging, danwel beschermingsregeling, is dan ook niet nodig. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.12
Kabels en leidingen
Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ook in de nabijheid van de plangebieden zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 4.6 van deze plantoelichting). Wel is er een rioolleiding en een inspectieput aanwezig op het perceel. De inspectieput dient te allen tijde bereikbaar te zijn. Bij de uitwerking van de plannen dient hiermee rekening gehouden te worden. Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 4.13
Toetsing aan m.e.r.-wetgeving
Regelgeving De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit m.e.r. en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen een: • C-lijst met m.e.r.-plichtige activiteiten en daarbij behorende drempelwaarden; • D-lijst met m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en de daarbij behorende drempelwaarden. Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.beoordeling. Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In dat geval gelden er geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
45
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet er volgens bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden getoetst aan de 3 volgende hoofdcriteria: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Beoordeling plan Met het voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van één nieuwe vrijstaande woning mogelijk op een deel van het perceel Prins Bernhardlaan 8B, gelegen in de bebouwde kom van Soest. Daarmee wordt het plan niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. In dit kader wordt ook verwezen naar de uitspraak van de ABRvS op 12 juni 2019 (zaaknummer 201807060/1/R1). In deze uitspraak is namelijk geoordeeld dat de wijziging van het gebruik van een perceel door de realisatie van onder andere twee eengezinswoningen, niet aangemerkt wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Als motivering hiervoor is aangegeven dat het ruimtebeslag beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel. Dit geldt dus ook zonder meer voor het plangebied, aangezien binnen de huidige woonbestemming één nieuwe woning wordt beoogd en er maximaal 124 m2 aan vergunningplichtige gebouwen wordt toegestaan. Op grond van bovenstaande uitspraak en motivering wordt geconcludeerd dat in het kader van voorliggend plan geen m.e.r.-procedure nodig is.
Conclusie Voor dit bestemmingsplan is geen m.e.r.-procedure nodig.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
46
5
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1
Inleiding
Algemeen Dit hoofdstuk geeft inzicht hoe de nieuwe situatie is vertaald in juridisch bindende regels, met hieraan gekoppeld een verbeelding. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van deze regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het belangrijkste onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Aan alle in het plan begrepen gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Zo nodig worden aan deze bestemmingen regels gekoppeld omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. Aanduidingen zijn terug te vinden op de (analoge) verbeelding en hebben een juridische betekenis in het bestemmingsplan.
Alle overige op de (analoge) verbeelding voorkomende zaken worden verklaringen genoemd. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn op de (analoge) verbeelding opgenomen om deze beter leesbaar te maken (bijvoorbeeld topografische ondergrond). Verklaringen worden in de digitale verbeelding niet uitgewisseld, waardoor die informatie de burger via de digitale weg niet zal bereiken. Digitaliseringsvereisten Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn ook digitaliserings- verplichtingen aan een bestemmingsplan gesteld. De regels en de verbeelding dienen daarom te zijn opgesteld volgens IMRO en SVBP, onderdeel van de zogenaamde RO Standaarden. IMRO staat voor Informatie Model Ruimtelijke Ordening en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisaties op het gebied van de ruimtelijke ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen. Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen en de daarbij behorende uitwerkings- en wijzigingsbesluiten.
Vanaf 1 juli 2013 zijn de RO Standaarden 2012 verplicht. Concreet betekent dit dat nieuwe bestemmingsplannen vanaf die datum volgens deze nieuwe standaard opgesteld en gepubliceerd moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan is overeenkomstig deze vereisten opgesteld en is hiermee gereed om digitaal beschikbaar te stellen voor eenieder.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
47
5.2
Opbouw regels en verbeelding
Regels Zoals gezegd is voor de planregels de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP2012 aangehouden. Daarbij is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met Inleidende regels (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de bestemmingsregels, de algemene regels (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de overgangs- en slotregels. Daarbij staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels; • Nadere eisen; • Afwijking van de bouwregels; • Specifieke gebruiksregels; • Afwijking van de gebruiksregels; • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • Wijzigingsbevoegdheid. Opgemerkt wordt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten, dit verschilt per bestemming. Analoge verbeelding (plankaart) Uit de SVBP2012 volgen diverse verplichtingen voor wat betreft de verbeelding, zoals de kleur van de ondergrond (grijs) en minimaal weer te geven aspecten op de ondergrond. Ook de diverse kleuren van de bestemmingen, alsmede de verhouding van de op de verbeelding voorkomende lijndiktes zijn verplicht voorgeschreven.
Voor wat betreft de ondergrond van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), gecombineerd met de Basisregistratie Kadaster (BRK). De analoge verbeelding is op een schaal van 1:1000 geplot. 5.3
Toelichting op de artikelen
In deze paragraaf wordt daar waar dat noodzakelijk en nuttig wordt geacht een nadere toelichting gegeven op de artikelen van de regels. Sommige regelingen zijn daarom hierna niet opgenomen, deze worden geacht voor zich te spreken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden, zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
48
De inleidende regels zijn daarbij zoveel mogelijk afgestemd op het bestemmingsplan ‘Soestdijk’. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin Deze bestemming is vooral bedoeld voor (voor)tuinen bij woningen, die vrij dienen te blijven van bebouwing. Op grond van de ‘standaard’ regeling van het bestemmingsplan ‘Soestdijk’ is wel een erker aan de voor- of de zijgevel of een afdakje boven de voordeur toegestaan Tevens mag er binnen de bestemming ‘Tuin’ worden geparkeerd. Artikel 4 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is toegekend aan de toekomstige woonpercelen in het plangebied, waaronder ook tuinen en bijbehorende erven worden verstaan. Ook bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluitingsverhardingen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen (o.a. ten behoeve van het opvangen en lokaal verwerken van hemelwater) zijn zonder meer toegestaan. De woning (het hoofdgebouw) dient binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak gebouwd te worden. Daarbij is de aanduiding ‘vrijstaand’ opgenomen, waarmee de typologie is vastgelegd, en is tevens de maximum toegestane goot- en bouwhoogte aangegeven. Buiten het bouwvlak zijn ook nog gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan.
Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het gezamenlijke oppervlakte aan vergunningplichtige gebouwen (hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, en overkappingen) binnen de woonbestemming niet meer mag bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak (m2)’ aangegeven aantal vierkante meters. Vermeldenswaardig is wel dat conform de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (Wabo) nog bouwwerken vergunningsvrij kunnen worden opgericht. Echter, bij vergunningsvrij bouwen is de initiatiefnemer wel aan regels gebonden. Deze regels omvatten vooral maximale oppervlakten en maximale afmetingen. Bij de woonfunctie worden beperkte mogelijkheden geboden voor de beroepsuitoefening of kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis. Tegelijkertijd geniet het rustige woon- en leefklimaat echter bescherming. Vandaar dat de beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis aan strenge regels zijn gebonden. Deze regeling is afgestemd op de mogelijkheden die bij woonbestemmingen elders in Soest mogelijk zijn. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hiervoor een standaard bepaling opgenomen. Het Bro verplicht om deze bepaling in het bestemmingsplan op te nemen.
De anti-dubbeltelbepaling beoogt te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling van met name gebouwen, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het bestemmingsplan. Door het "overhevelen" van gronden tussen percelen, via al of niet tijdelijke huurcontracten of eigendomsoverdrachten, zou op een van de percelen of op alle
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
49
betrokken percelen uiteindelijk een bebouwde oppervlakte kunnen ontstaan, die groter is dan het bestemmingsplan blijkens de regels beoogt toe te staan. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit bestemmingsplan zijn deels gestandaardiseerde bouwregels opgenomen, voor zover deze betrekking hebben op de reeds aanwezige bouwwerken. Er kunnen echter overschrijdingen voorkomen, waarvoor in het verleden bouwvergunningen zijn verleend. Deze vergunde overschrijdingen zijn hier positief bestemd. Ook is een nadere regeling opgenomen voor de maximale goothoogte en onderkeldering van gebouwen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In deze regel is aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt en daarmee valt onder het algemene gebruiksverbod in artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wabo. Volgens deze bepaling in de Wabo is het verboden om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels De regels bevatten een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Het betreft met name geringe overschrijdingen van bouwgrenzen, voorgeschreven maten en percentages. Artikel 9 Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen o.a.
bestemmings- en bouwgrenzen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Artikel 10 Overige regels In dit artikel is bepaald dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals die luidden op het moment van vaststelling van het plan. Ook is in dit artikel een regeling opgenomen voor parkeren. Hierbij is een relatie gelegd met de gemeentelijke ‘Nota parkeernormen auto en fiets’ (4e herziening). Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke regels dienen om te waarborgen dat een bestaand bouwwerk of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie.
Uitgangspunt is dat overgangsrechtelijke situaties, zowel voor bouwen als
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
50
voor gebruik, uitzonderingen zijn en binnen de bestemmingsplanperiode worden beëindigd. De regels van het overgangsrecht zijn voorgeschreven in het Bro. Deze regels zijn zodoende overgenomen. Artikel 12 Slotregel Bij deze regel is vermeld hoe het plan kan worden aangehaald.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
51
6
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan dienen op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de verplichting ontstaan om indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (ondermeer voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient vast te worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is nodig voor die ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten wordt gesloten. Conform artikel 6.12 lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten om af te zien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een particulier initiatief en heeft als doel een planologisch juridisch kader te creëren om een nieuwe vrijstaande woning op het af te splitsen gedeelte van het perceel aan de Prins Bernhardlaan 8B te kunnen bouwen.
De financiering van het bestemmingsplan en de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan komen voor rekening van de initiatiefnemer. In dit kader heeft de gemeente Soest met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten waarin afspraken zijn vastgelegd inzake het kostenverhaal. Voor de gemeente Soest zijn er geen financieel-economische gevolgen als gevolg van de realisatie van het bouwplan. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie, draagvlaktoets Op 3 februari 2022 hebben de initiatiefnemers een bijeenkomst georganiseerd om omwonenden te informeren over het plan om één woning te realiseren op het af te splitsen deel van het perceel aan de Prins Bernhardlaan 8B. Van de presentatie van het plan, en de ingekomen reacties daarop, is een verslag gemaakt dat ook met de gemeente is gedeeld. Aan de hand van ingekomen reacties ontstaat een divers beeld. Een deel van de omwonenden heeft te kennen gegeven dat zij geen bezwaren hebben tegen de komst van een extra woning. Een ander deel is bezorgd over de effecten van het plan op de rust en ruimte rondom het pad en tevens beducht voor de negatieve gevolgen, onder andere vanwege verkeer, ontsluiting en toegankelijkheid. Hoewel het (bouw)plan nog verder uitgewerkt moet worden, heeft de gemeente al wel contact gehad met de veiligheidsregio met betrekking tot de toegang voor hulpdiensten. De veiligheidsregio heeft aangegeven dat, hoewel het pad krap is, er bij een calamiteit met moderne hulpmiddelen in voldoende mate handelend opgetreden kan worden.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
52
Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan De formele bestemmingsplanprocedure start met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van 6 weken ter inzage dient te leggen. Gedurende deze periode kan eenieder zienswijzen naar voren brengen. Daarna neemt de Gemeenteraad een besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan en neemt daarbij ook een standpunt in met betrekking tot eventueel ingediende zienswijzen. Vervolgens worden het vaststellingsbesluit en bijbehorende stukken ter inzage gelegd.
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
53
BIJLAGEN BIJ TOELICHTING
Concept-Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Prins Bernhardlaan 8B / v4 / 5mei 2023
54
Bijlage 1
Bomen Effect Analyse (BEA)
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Quickscan Wet natuurbescherming
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek (IVO-O)
Bijlage 5
Notitie Stikstofdepositieonderzoek
Ontwerp, Toelichting bestemmingsplan Eigendomweg 2a en 2c en deel van Nieuweweg 64b / v2 / sep 2020
7