CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

20211221 Rapportage met nawoord Soester Jeugd geholpen def.pdf

Informatieavond 26 januari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Rapport Rekenkamercommissie Soest: Soester Jeugd geholpen?19.994 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Jeugdteam van indicatiesteller naar behandelaar: eerste resultaten positief In de laatste anderhalf jaar vonden veranderingen plaats in de werkwijze van de sociale wijkteams. Voor de komst van de Integrale Ingang deed het Jeugdteam zowel de intake als de indicatiestelling, waarna veelal werd doorverwezen naar specialistische of ingekochte jeugdhulp en -zorg. Dit leidde tot een groter aantal cliënten met (duurdere) specialistische jeugdzorg waardoor de kosten toenamen. Het aantal aanvragen was in die jaren ook dusdanig groot, dat voor tijdige afhandeling van de hulpvraag ook naar andere verwijzers is verwezen. Het was vanaf 2015 al de bedoeling dat het jeugdteam eenvoudige hulpvragen zelf zou afhandelen, maar het aantal hulpvragen was dusdanig dat het team niet toekwam aan zelf begeleiding geven. De doelstelling van de gemeente uit 2015 om hulp zo dicht mogelijk bij de inwoner organiseren en het beperken van het beroep op professionele ondersteuning is dus niet behaald.

18

Triage is het proces van verhelderen, routeren en escaleren van vragen en casussen. Zodat deze snel op de juiste plek komt en inwoners niet van loket naar loket worden gestuurd.

23 van 54

De gemeente stuurt hier op bij. De laatste anderhalf jaar vindt een andere beweging plaats, mede door de komst van de Integrale Ingang. Het jeugdteam voert nu meer begeleiding zelf uit. Dit is ook één van de businesscases. Doel van het bieden van eigen begeleiding is zorg 1) dichterbij de inwoners, 2) goedkoper te organiseren en 3) het aantal verwijzingen naar duurdere vormen van hulp en ondersteuning in te perken. In een interview werd een inschatting gemaakt dat voorheen zo’n 80 procent van de aanvragen door werden verwezen. Het streven is nu om ongeveer 40 procent van de hulpvragen zelf af te handelen. De werkwijze is om de begeleiding in tien gesprekken af te ronden. Wanneer dit niet mogelijk is wordt de jongere of het gezin doorverwezen. De businesscase is in de zomer van 2021 begonnen, maar de eerste ervaringen zijn positief: “In een beperkt aantal gesprekken kunnen grote stappen worden gemaakt”. In 2019 kwam bureau KPMG in een landelijk rapport het advies dat lokale teams meer inhoudelijke expertise moeten hebben en lokale teams zelf ook kortdurende ondersteuning zouden moeten leveren19. De gemeente Soest geeft met de hiervoor beschreven businesscase invulling aan deze landelijke aanbeveling.

Uitdagingen van zelf meer begeleiding geven Meer begeleiding door het jeugdteam brengt ook nog uitdagingen met zich mee. Aandachtspunt gedurende de businesscase (en ook door de gemeente onderkend) is het goed contact onderhouden met partners in het veld. Maar denk ook aan het maken van keuzes in welke begeleiding zelf wordt gedaan en wanneer wordt doorverwezen. Zorgaanbieders waarschuwen dat bij het geven van begeleiding door medewerkers, deze medewerkers in staat moeten zijn de grens van hun eigen kunnen goed in de gaten te houden. Er is hiervoor een trainingsprogramma voor het jeugdteam opgezet, begeleid door een kwaliteitsmedewerker van de gemeente met jarenlange ervaring in de jeugdzorg. Verder wordt in interviews door enkele zorgaanbieders benoemd dat er veel wisseling is van personeel bij het Jeugdteam. Naast de zorgen om vertrek van opgeleid personeel (en het opnieuw moeten inwerken van nieuw personeel), zijn er ook er vragen over de beschikbare capaciteit. Op dit moment is de werkwijze zo dat per casus begeleiding wordt gegeven door twee medewerkers. Er zijn zorgen uitgesproken dat doordat iedere casus tijd van twee medewerkers vraagt, het team minder hulpvragen kan oppakken. Deze punten worden ook gesignaleerd door samenwerkingspartners zoals de huisarts en scholen.

Er is weliswaar een goede start gemaakt met de eigen begeleiding, maar de werkwijze moet nog wel worden doorontwikkeld. Kwantitatieve resultaten van het bieden van de eigen begeleiding zijn nog niet voorhanden. 4.1.2

Jeugdzorg via externe verwijzers: Huisartsen en Spreekuur Jeugd-GGZ

Inwoners van Soest nemen sneller contact op met de huisarts bij vragen Een verwijzing naar jeugdzorg via de huisarts is een veelvoorkomende route in Soest; 55 procent van de jeugdhulpcliënten heeft in 2020 via de huisarts een indicatie gekregen. Dit is relatief hoog vergeleken met andere gemeenten. De gemeente Soest staat daarmee op de 29e plaats van alle gemeenten, gekeken naar het percentage dat via de huisarts bij jeugdzorg terecht komt. Volgens een school en huisarts weet niet iedereen dat men ook bij de gemeente terecht kan. Uit het

19

Via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/09/30/basisfuncties-voor-lokale-teams-in-kaart-de-routeen-componenten-onder-de-de

24 van 54

cliëntervaringsonderzoek (ceo) blijkt dat dit in 2021 voor ongeveer een kwart van de inwoners geldt. De gemeente benoemt twee redenen waarom inwoners vaak bij de huisarts aankloppen. Enerzijds gaat een verwijzing krijgen via de huisarts sneller dan een beschikking regelen bij de gemeente. Anderzijds was de toegang bij de gemeente Soest tot de komst van de Integrale Ingang minder goed georganiseerd. Het Jeugdteam wees bij perioden van drukte ook door naar huisartsen voor tijdige afhandeling van de hulpvraag.

Minder doorverwijzing door Spreekuur Jeugd-GGZ De mate van grip op verwijzingen via de huisarts is een belangrijk speerpunt voor veel gemeenten. In een landelijk rapport uit 2020 van Andersson Elffers Felix (AEF) staat de aanbeveling opgenomen om een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken op te nemen om doelmatigheidswinst te boeken20. AEF berekende dat het instellen van een POH-jeugd tot wel 40% à 50% minder doorverwijzingen naar specialistische jeugdzorg leidt. De gemeente Soest heeft reeds voor publicatie van het rapport van AEF in 2019 een spreekuur bij de huisarts ingericht voor ADHD-gerelateerde vragen. Per 2021 is dit uitgebreid naar een Spreekuur JeugdGGZ om de doorstroming via de huisarts te verbeteren. De gedachte is dat hulpvragen van jongeren en/of ouders niet in een tienminutengesprek bij de huisarts behandeld worden, maar om in één of enkele gesprekken met de POH’er tot een diagnose te komen. Indien nodig wordt verwezen naar het voorliggende veld 21, jeugdhulp of Jeugd-GGZ. Bij multi-problematiek (wanneer er ook problemen zijn bij andere gezinsleden) wordt verwezen naar het Jeugdteam. De doorverwijzing in geval van Jeugd-GGZ verloopt nog wel via de huisarts (waardoor de 55 procent niet direct zal dalen), maar de grip van de gemeente op deze route is hiermee wel groter.

Wanneer de jeugdige nog niet meteen terecht kan bij doorverwijzing, zijn er tot die tijd overbruggingscontacten. Dit houdt in dat het Spreekuur JeugdGGZ zelf contact onderhoudt tot de cliënt ergens anders terecht kan. Het doel is drieledig: 1) een passender antwoord vinden op de hulpvraag van jongeren, 2) het aantal doorverwijzing naar de Jeugd-GGZ laten dalen met 25 procent en 3) de kwaliteit van de zorg verbeteren. De professionals van het spreekuur ervaren voldoende capaciteit om de hulpvragen die via het spreekuur komen op te pakken. De cijfers laten ook zien dat de gemeente inderdaad meer grip krijgt op de hulpvragen en hiermee duurdere zorgtrajecten voorkomt. Van januari tot en met juni zijn er 76 patiënten aangemeld bij het spreekuur. Daarbij is er 52 procent minder doorverwezen van de huisarts naar de Jeugd-GGZ dan in de situatie voor de komst van het spreekuur. De doelstelling van 25 procent is daarmee ruimschoots behaald, een structureel doel tussen de 40% en 50% is in het vervolg realistisch (uitgaande van de bevindingen in het AEF-rapport).

Belangen van huisartsen en gemeenten samenbrengen in dialoog Om tot de introductie van het ADHD-spreekuur (later: Jeugd-GGZ spreekuur) te komen zijn gesprekken met huisartsen gevoerd. Er is gesproken met ELZIS (Eerste Lijns Zorg In Soest), die het medische spectrum van Soest vertegenwoordigd. Gesprekken over de verwijzingen vinden

20

Via: https://vng.nl/sites/default/files/2020-12/stelsel-in-groei-een-onderzoek-naar-financiele-tekorten-in-de-jeugdzorgdef.pdf (p. 28) 21 Met het voorliggend veld worden organisaties bedoeld die voorliggend zijn aan gespecialiseerde jeugdzorgaanbieders. Denk hierbij aan welzijnsorganisaties als stichting Balans en WelZin, maar ook aan begeleiding gegeven door het Jeugdteam.

25 van 54

periodiek plaats op onder andere avonden georganiseerd door huisartsen ter ‘deskundigheidsbevordering’. Door te praten over verwijzingen wil de gemeente de belangen voor alle partijen afstemmen. Kwaliteitsmedewerkers van de gemeente spreken ook individueel met huisartsen. Een reden om een gesprek aan te gaan is wanneer de gemeente opmerkt dat er van een huisarts geen verwijzingen naar het jeugdteam komen. De contacten tussen de gemeente en de huisartsen zijn over het algemeen goed, al is het nog een aandachtspunt om de huisartsen in Soesterberg beter te betrekken. Dit is volgens betrokkenen historisch zo gegroeid. 4.1.3

Scholen en het voorliggend veld

Scholen pakken steeds meer hulpvragen zelf op Naast het jeugdteam en de huisarts zijn ook scholen een belangrijke pijler in de toegang naar jeugdhulp en -zorg. Wanneer een kind op school problematisch gedrag vertoond, is dat mogelijk een reden om contact op te nemen over jeugdzorg. Het is niet zo dat alle signalen die op een school opgevangen worden tot een indicatie leiden. Uit de gesprekken met twee scholen blijkt dat scholen waar mogelijk de signalen zelf oppakken. Een schooldirecteur schatte in dat 80 procent van de signalen die zij op school opvangen, ook op school zelf worden afgehandeld. Zo worden bijvoorbeeld speciale groepen opgezet voor kinderen die extra ondersteuning behoeven en zijn er op enkele scholen zorgcoördinatoren aanwezig. Als eigen begeleiding door de scholen niet lukt (zo is capaciteit om hulpvragen op te pakken een genoemd knelpunt) dan wordt de samenwerking gezocht met een welzijnsorganisatie (bijv. stichting Balans) of gaat men over tot een doorverwijzing naar de gemeente. De twee scholen vinden dat de samenwerking met andere organisaties en de gemeente goed verloopt, de lijntjes zijn kort.

Nog verbetering mogelijk in samenwerking tussen gemeente en scholen Uit verschillende gesprekken komt naar voren dat er de laatste jaren meer wordt ingezet op de samenwerking tussen scholen en gemeente. In het verleden was niet met alle scholen evenveel afstemming. Hier is in geïnvesteerd, ook rekening houdend met de capaciteit van het jeugdteam. Dit leidde tot maatwerk; op een aantal scholen komt een medewerker van het jeugdteam vast langs en andere scholen nemen op eigen initiatief contact op. Op dit moment heeft iedere school in Soest een vast contactpersoon bij het jeugdteam voor vragen of opmerkingen. Toch blijft vanuit scholen de wens om nog meer samen op te trekken bij hulpvragen van jeugdigen: “Meer gezamenlijk optrekken zou beter kunnen op een proactieve basis. Op dit moment zijn er veel ad-hoc situaties en een reactieve opstelling.” Ook de gemeente zelf ziet dat er nog winst te behalen valt op deze samenwerking: nog niet op iedere school is een vast spreekuur voor een medewerker van het jeugdteam en de lijntjes om contact op te nemen met (de contactpersoon van) het jeugdteam kunnen korter. Ook werd in een van de gesprekken geopperd om het aanbod bij het jeugdteam te verbreden. Bij een eenvoudige ondersteuningsvraag is nog niet altijd ondersteuning vanuit het jeugdteam mogelijk, omdat zij daar de kennis nog niet voor hebben. 4.1.4

Beoordeling businesscases

Gestarte businesscases tot nu toe positief beoordeeld In de paragrafen hierboven lichtten wij twee businesscases uit die zijn gestart. Deze zijn het geven van eigen begeleiding en het instellen van het Jeugd GGZ-spreekuur. De eerste resultaten zijn volgens gesproken medewerkers van de gemeente zowel kwalitatief als financieel voordelig

26 van 54

voor de gemeente. Zo zijn bij het spreekuur Jeugd-GGZ de gewenste besparingen reeds behaald volgens de verantwoordelijke ambtenaar bij de gemeente. En blijkt uit cijfers van het Spreekuur Jeugd-GGZ dat zij doorverwijzingen naar specialistische jeugdzorg met +- 50% verminderden. Hier zijn nog geen cijfers van gepubliceerd, de businesscases worden nog officieel geëvalueerd. Omdat het geven van eigen begeleiding pas in 2021 is gestart, zijn ook hier nog geen kwantitatieve resultaten. Doel voor de komende tijd is om de businesscases nog vanuit het oogpunt van inwoners te evalueren. Met de businesscases lijkt de gemeente meer grip te krijgen op de verwijzing en een te snelle opschaling naar intensievere vormen van jeugdzorg. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de nieuwe ambities van normaliseren en zo lokaal mogelijk ondersteuning bieden. Monitoringsinformatie moet dit nog wel uit gaan wijzen. Meer over monitoring en informatiemanagement in hoofdstuk 5.2.

4.2

Uitvoering

In deze paragraaf maken wij in het aanbod van jeugdzorg onderscheid tussen jeugdhulp zonder verblijf en jeugdzorg met verblijf. Wij gaan hierbij ook kort in op organisaties als WelZin en Balans: de sociale basis. Met jeugdzorg bedoelen wij de specialistischere, ingekochte, jeugdzorg waarbij sprake is van complexe (psychische en gedrags-)problematiek, verblijf en/of uithuisplaatsingen. Daarbij gaan wij vooral in op de totstandkoming van de Breed Spectrum Aanbieders als meest in het oog springende voorbeeld van de transformatie in het sociaal domein in Soest (en de regio). 4.2.1

Jeugdhulp

Sociale basis is goed in Soest Welzijnsorganisaties als Stichting Balans en WelZin zijn in zekere zin de ‘voelsprieten van de gemeente’. De gemeente waardeert deze organisaties omdat zij goed zijn in het overbrengen van de problematiek die zij constateren. De gemeente gebruikt deze probleemschetsen vervolgens om daar actie op te ondernemen. Ook de samenwerking tussen de verschillende partijen gaat steeds beter. Waar de gemeente voorheen constateerde dat de partijen in het voorveld als eilandjes opereerden, is dit in recente jaren minder het geval. De gemeente beschouwt de sociale basis in Soest dan ook als ‘vrij goed’, waarbij verdere versterking niet direct noodzakelijk is. Wel bestaat de indruk dat er nog meer gebruik gemaakt kan worden van de beschikbare voorzieningen.

Jeugdteam signaleert geen aanbod voor verslavingszorg en zwaardere gedragsproblematiek Tijdens de verschillende interviews is gevraagd of er nog ‘witte vlekken’ in het aanbod van jeugdzorg zijn. Twee vormen van ondersteuning, verslavingszorg en plekken voor zwaardere gedragsproblematiek, ontbreken. Volgens bevraagde professionals in de toegang en de uitvoering van zorg is het gecontracteerde aanbod hierop niet voldoende dekkend. Zij constateren wel dat er meer dan voldoende aanbieders zijn voor lichte ondersteuning als psychoeducatie. Voor ondersteuning waar specialistischere expertise noodzakelijk is, is al snel te weinig aanbod. Dit is overigens een trend die ook door landelijke organisaties als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), Kinderombudsman en Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt gezien: “Voor zorgaanbieders is het veelal aantrekkelijker lichtere zorg te bieden, omdat ze op het

27 van 54

resultaat worden afgerekend.”22 Dit is ook een mogelijke verklaring waarom er minder aanbieders inschrijven of te vinden zijn voor zware zorg zoals verslavingsproblematiek. Met de focus op normalisering, ambulantisering23 en zo vroeg mogelijk de hulpvragen oppakken is dit een belangrijk aandachtspunt in de volgende aanbestedingsronde, die in 2023 afgerond moet zijn. 4.2.2 Jeugdzorg en BSA Zoals eerder geschreven wordt specialistische jeugdzorg voor kinderen en jongeren met de meest complexe hulpvragen regionaal ingekocht voor de gehele regio Amersfoort. In totaal zijn er in de regio Amersfoort ongeveer 250 zorgaanbieders actief. Daarvan zijn 7 grote aanbieders (met mogelijkheden voor verblijf) verenigd in Breed Spectrum Aanbieders (BSA).

BSA Jeugdhulp: samenwerking voor complexere ondersteuningsvragen in de regio De kinderen en jongeren met meer complexere ondersteuningsvragen worden in de regio ondersteund door het samenwerkingsverband BSA Jeugdhulp (BSA staat voor Breed Spectrum Aanbieders). Denk bij de hulpvragen aan ernstige psychische stoornissen, suïcidegedachten en eetstoornissen. Dit is een samenwerking tussen zeven jeugdhulporganisaties: GGZ Centraal, Pluryn, ’s Heerenloo, de Rading, Youké, Leger des Heils Midden-Nederland en Timon. BSA biedt alle vormen van ambulante hulp, verblijf en crisishulp. De BSA behandelt ongeveer 2.000 cliënten per jaar voor de hele regio. Een belangrijke ambitie is om verblijf te verminderen en zoveel mogelijk ambulante jeugdhulp te bieden (‘ambulantisering’). Dit vanuit de ervaring van professionals en experts op het gebied van jeugdzorg dat verblijf en uithuisplaatsingen tot schade bij het kind kunnen leiden. Voorheen werkten deze zorgorganisaties apart van elkaar, met elk eigen wachtlijsten en administraties. Voordeel van deze samenwerking is dat de partijen nu één wachtlijst kennen, waarna gekeken kan worden welke aanbieder plek en expertise heeft om de eerstvolgende in de wachtrij op zich te nemen. Hierdoor is de kans kleiner dat een jongere en/of de ouder(s)/verzorger(s) van het kastje naar de muur worden gestuurd.

Eerste ervaringen positief, ontwikkelen samenwerking vraagt tijd Eén van de uitdagingen voor de BSA is de samenwerking tussen de zeven jeugdhulporganisaties. Deze samenwerking is bijzonder omdat zij enerzijds elkaars concurrenten zijn, maar tegelijk ook elkaars collega’s. Er zijn grote en kleine organisaties met ieder hun eigen belangen. Aan deze samenwerking moet worden gewerkt om gezamenlijk de transformatie vorm te kunnen geven. Volgens BSA wordt hier aan gewerkt, maar heeft dit het tijd nodig. De BSA is in 2018 gestart in opdracht van de regio en het samenwerkingsverband ontvangt een taakbudget per jaar om deze opdracht uit te voeren. In het begin voelde deze samenwerking vanuit de organisaties dan ook wel eens als ‘opgedrongen’. Maar gesproken medewerkers erkennen wel dat in de BSA nu wel door de schaarse middelen beter wordt gekeken naar de verdeling daarvan. Ook op het gebied van de kwaliteit van hulp ziet men positieve resultaten. Voor de gemeente Soest lijkt men er in geslaagd het aantal trajecten met verblijf na de start in 2018 te verkleinen. Betrokkenen geven in de gesprekken aan dat het gemakkelijker is geworden om de hulpvragen van inwoners op te

22

Via: https://www.parool.nl/nederland/organisaties-slaan-alarm-over-jeugdzorg-moet-nu-echt-ietsveranderen~b0af7bb3/ 23 Ambulantisering betekent dat de voorkeur uitgaat naar behandelingen zonder verblijf. Dit betekent dat de jongere niet op de locatie blijft, maar zo veel mogelijk in de thuissituatie blijft.

28 van 54

pakken. Het doel is daarbij altijd om te kijken of er thuis een oplossing gevonden kan worden, daarna eventueel met (tijdelijk) verblijf en tot slot een uithuisplaatsing voor langere tijd.

Gebiedsteams ontwikkeld om aan te sluiten op wijkteams van gemeenten in de regio Een verandering in de werkwijze van de BSA, is dat zij vanaf 1 februari 2021 hun ambulante diensten gezamenlijk aanbieden vanuit gebiedsteams. Deze zijn gekoppeld aan de wijkteams van de deelnemende gemeenten. Deze werkwijze maakt een meer integrale benadering en flexibele inzet van de professionals mogelijk. De verschillende expertises bekijken bij een ondersteuningsvraag samen wat nodig is, dit met als doel dat jeugdigen sneller op de juiste plek terecht komen. Specialisten van de organisaties sluiten aan bij de wijkteam om bijv. casuïstiek te bespreken. De komst van de gebiedsteams wordt als iets positiefs gezien door o.a. het Jeugdteam. Men weet elkaar nu beter te vinden, maar toch blijft er aandacht nodig voor de verschillen tussen de deelnemende organisaties. Doordat deze werkwijze recent is opgestart, zijn nog geen kwantitatieve resultaten beschikbaar.

Aandachtspunten bij de nieuwe structuren Een andere uitdaging is de samenwerking en verhoudingen tussen de BSA en andere (PxQ-)gecontracteerde aanbieders en de nieuwe rol van het Jeugdteam in Soest. Wanneer de jeugdteams in Soest meer zelf oppakken zal er minder worden verwezen naar met name de PxQaanbieders. Zoals eerder aangegeven dient het jeugdteam goed de grenzen te kennen en op tijd door te verwijzen. Dit gaat nog niet in alle gevallen goed. Een zorgaanbieder merkt dat er soms aanmeldingen binnenkomen bij hen met verkeerde diagnoses, zowel via het jeugdteam als de het Spreekuur Jeugd-GGZ van de huisartsen. Aan de andere kant zijn er ook situaties waarin juist te snel naar de specialistische jeugdzorg is doorverwezen, met name vanuit de huisartsen terwijl deze jongeren bij het jeugdteam nog niet bekend zijn. Ook hier wordt het spreekuur Jeugd-GGZ gezien als goede aanvulling om deze route beter vorm te geven. Aan de samenwerking tussen de BSA en gemeente wordt volop gewerkt. Wat verder de samenwerking tussen BSA en de gemeente bemoeilijkt zijn de lokale verschillen in de werkwijzen van de wijkteams. De wijkteams van de gemeenten verschillen in de mate waarin zij zelf hulpvragen oppakken; de ene gemeente neemt vooral de regie en de ander pakt zelf ook meer de begeleiding op.

Lokale verschillen zijn goed, maar de verschillende werkwijzen vergen veel afstemming aldus een van de gesproken zorgaanbieders. Kortom, er is veel samenwerking nodig, maar ook een lange adem om samen als één stelsel te gaan werken.

29 van 54

4.3

Inwonerservaringen

4.3.1

Resultaten verplichte cliëntervaringsonderzoeken

Soest voert jaarlijks verplicht cliëntervaringsonderzoek uit Sinds de decentralisaties in 2015 zijn gemeenten verplicht om jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek (ceo) uit te voeren. Artikel 3 van de Jeugdwet schrijft voor dat jeugdhulpcliënten jaarlijks bevraagd moeten worden naar de toegankelijkheid van de ondersteuning, de kwaliteit van de jeugdhulp en de bijdrage van de hulp aan positieve effecten. De opzet van het onderzoek is vormvrij. Dat wil zeggen dat de gemeente zelf mag bepalen hoe bovenstaande drie onderdelen worden uitgevraagd. De gemeente Soest voert jaarlijks dit onderzoek uit met behulp van de modelvragenlijst cliëntervaringsonderzoek jeugd (MCJO). Dit is een standaard vragenlijst, opgesteld in samenwerking met o.a. de VNG, die gemeenten kunnen gebruiken om aan de wettelijke voorschriften te voldoen. De vragenlijst wordt in het voorjaar uitgezet en heeft betrekking op cliënten die in het jaar voor uitvraag hulp ontvingen. Dat betekent dat het ceo uitgevoerd in 2021 rapporteert over de ervaringen uit 2020. Cliënten van 13 jaar en ouder ontvangen zelf een vragenlijst. Voor cliënten tot en met 12 jaar worden de ouders/verzorgers gevraagd de vragenlijst in te vullen. Het onderzoek wordt jaarlijks uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau.

Hieronder vindt u resultaten over 2020 (de meest recente resultaten), uitgevoerd door Research2Evolve in opdracht van de gemeente Soest. De resultaten over 2020 vergelijken wij met de resultaten over 2017. Dit onderzoek is destijds uitgevoerd door I&O Research. De respons over 2020 was 193 cliënten (134 ouders en 59 jongeren). De respons over 2017 was 183 cliënten (104 ouders en 79 jongeren). In beide gevallen is dit voldoende om representatieve uitspraken te doen.

Ten opzichte van 2017 krijgen inwoners niet meer altijd de hulp die zij zelf nodig achten Het eerste blok met vragen van het ceo gaat over de toegang. Figuur 5.1 laat zien dat ten opzichte van 2017 inwoners vaker weten waar zij terecht kunnen met hun hulpvraag. Waar in 2017 70 procent wist waar zij terecht konden, is dit in 2020 gestegen naar 76 procent. Daarbij worden de cliënten ongeveer even snel geholpen. Twee op de drie inwoners (65%) worden snel geholpen na een aanvraag. De opvallendste statistiek is dat minder cliënten aangeven dat zij altijd de hulp krijgen die zij nodig achten. Dit percentage daalde van 40 procent naar 26 procent. Dit hangt mogelijk samen met de invoering van het Spreekuur ADHD/Jeugd-GGZ en het intaketeam. Deze functies waren er in 2017 nog niet, toen kwamen hulpvragen direct terecht bij verwijzers en werden deze vanwege tijdsdruk snel afgehandeld. Nu worden deze eerst beoordeeld in de triage, waarmee de toegang “strenger” is geworden.

30 van 54

Figuur 4.1 Resultaten ceo m.b.t. toegang naar ondersteuning Weet waar ik terecht kan met hulpvragen (2020)

32%

44%

2017

34%

36%

19% 25%

5% 5%

Ik ben snel geholpen (2020)

26%

39%

24%

11%

2017

28%

38%

23%

11%

Krijgt de hulp die nodig is (2020)

26%

2017 altijd

0% vaak

50%

40% 20% 40% soms nooit

19%

32% 60%

5%

20%

8%

80%

100%

Sinds 2017 voelen meer kinderen/jongeren zich beter door de ondersteuning Ondanks dat inwoners minder vaak de ondersteuning kregen die zij voor ogen hadden, is dit niet direct terug te zien in de waardering van de kwaliteit van de hulp en de effecten die jeugdigen ondervinden. Sterker nog: het aantal jongeren dat zegt zich beter te voelen door de ondersteuning is gestegen van 82 procent in 2017 naar 88 procent in 2020. Ook gaat het vaker beter met het gedrag van de jongeren: dit steeg van 78 procent naar 85 procent. In de uitvoering zijn cliënten wel van mening dat beslissingen iets minder vaak gezamenlijk worden genomen (zie tabel 5.2) en voelen zij zich iets minder vaak serieus genomen. Tabel 4.4.3 Resultaten ceo m.b.t. uitvoering van ondersteuning (% altijd/vaak) 2017

2020

Beslissingen samen genomen

86%

83%

Serieus genomen

84%

80%

Goed geholpen bij vragen en problemen

79%

78%

Voldoende informatie gekregen

74%

71%

Zorgorganisaties werken goed samen

65%

65%

31 van 54

Figuur 4.2 Resultaten ceo m.b.t. effecten ondersteuning Kind voelt zich beter (2020)

88%

8% 4%

2017

82%

13%

Gedrag van kind (2020)

85%

10% 5%

5%

2017

78%

18%

4%

Thuissituatie (2020)

78%

16%

5%

2017

78%

17%

5%

Situatie op school, werk of dagbesteding (2020)

82%

14%

4%

2017

83%

15%

3%

Relatie met anderen (2020)

65%

29%

6%

2017

62%

33%

5%

80%

100%

0%

(veel) beter

20%

hetzelfde gebleven

40%

60%

(veel) slechter

32 van 54

Benchmark resultaten ceo Jeugd Om de cliëntervaringen in perspectief te plaatsen voerden wij een benchmark uit met de resultaten uit het landelijke rapport van onderzoeksbureau Significant. Dit zijn resultaten op basis van 17 gemeenten over het jaar 2019. Mede doordat het ceo Jeugd vormvrij is, is het niet mogelijk om een vergelijking met meer gemeenten te maken, omdat de opzet van deze ceo’s niet voldoende overeenkomt. Onder de 17 gemeenten vallen onder meer Lelystad, Duiven, Waddinxveen, Apeldoorn, Alphen a/d Rijn, Steenwijkerland, Westervoort, Zaltbommel en een aantal gemeenten in de Achterhoek. Bij de resultaten in deze gemeenten wordt een indicatie opgegeven, omdat Significant anders dan in Soest de categorie niet van toepassing meetelt. •

Toegang

De gemeente Soest scoort hoger dan gemiddeld op de toegang. In de benchmark weet +- 67 procent waar zij terecht kunnen met vragen (Soest: 76%), wordt +- 60 procent geholpen (Soest: 65%) en kan +- 69 procent de hulp krijgen die nodig is (Soest: 76%) •

Kwaliteit

De gemeente Soest scoort op alle onderdelen vergelijkbaar of iets lager met de referentiegroep. Zo wordt in de referentiegroep 84 procent serieus genomen door hulpverleners (Soest: 80%), wordt bij +- 80 procent gezamenlijk beslissingen genomen (Soest: 83%) en wordt +- 78 procent goed geholpen bij vragen en problemen (Soest: 78%). •

Effecten

De gemeente Soest lijkt veel betere resultaten te scoren als het gaat om bereikte effecten. In de landelijke benchmark zegt +- 78 procent zich beter te voelen (Soest: 88%), +- 70 procent beter gedrag vertoond (Soest: 85%) en bij +- 70 procent het beter gaat op school werk of dagbesteding (Soest: 82%). Bron: https://vng.nl/sites/default/files/2020-01/20200107-eindrapportage-clientervaringenjeugd.pdf

Gemeente wil cliëntervaringen koppelen aan beleidsontwikkeling Naast de cliëntervaringsonderzoeken gebruiken de wijkteams de Ervaringwijzer, een app die ontwikkeld is met medewerking van de gemeente Utrecht24. Na een gesprek met een medewerker kan iemand via deze app ervaringen delen via een korte vragenlijst. Of deze app ook wordt ingezet bij businesscases als het Jeugd-GGZ spreekuur is nog niet besloten. De POH’ers wachten daar tot de gemeente met een gezamenlijk meetinstrument komt. Cliëntervaringen moeten daarbij voor de gemeente meer als een moreel kompas gaan gelden. Het is de wens van de gemeente meer in gesprek te gaan met inwoners die gebruik maken van ondersteuning. Op dit moment sluiten de huidige meetmethoden (o.a. de cliëntervaringsonderzoeken) hier nog onvoldoende bij aan.

24

Zie ook: https://www.ervaringwijzer.nl/

33 van 54

4.3.2

Wachtlijsten

Wachtlijsten korter dan elders Een heet hangijzer op het moment van schrijven zijn de wachtlijsten voor de jeugdzorg. Dit is een landelijke discussie die regelmatig de media haalt. Ook in Soest komen structureel wachtlijsten voor. Gecentraliseerde informatie in een database over wachtlijsten in de jeugdzorg is echter niet voorhanden. Hiermee is het niet mogelijk een vergelijking te maken op kernindicatoren met andere gemeenten of regio’s. Landelijk onderzoek naar de lengte van wachttijden is er niet. Onlangs is er wel een rapport verschenen van stichting ‘Het Vergeten Kind’ die aangeven dat de gemiddelde wachttijd op jeugdhulp tien maanden is. Dit rapport kreeg veel media-aandacht en mogelijk hebben verschillende raadsleden dit onderzoek of een nieuwsbericht erover ook gelezen. Het betreft een landelijk onderzoek waarbij de totale steekproef uit 31 jongeren en 120 behandelaars bestond. Dit zijn naar de mening van de onderzoekers veel te weinig reacties om op landelijk niveau dergelijke uitspraken te doen. Wel houden enkele grotere zorgaanbieders informatie bij over de wachttijd tot een behandeling van start kan gaan. Hiermee maken wij een indicatieve vergelijking om een beeld te schetsen van de stand van zaken van wachttijden in Soest ten opzichte van andere gebieden. De wachttijden van een viertal (boven)regionaal opererende zorgaanbieders zijn in tabel 4.3 weergegeven.

Hieruit valt op te maken dat de wachttijden in de regio Amersfoort niet langer zijn dan elders, eerder korter. Dit volgt ook uit de gesprekken die gevoerd zijn met verschillende zorgaanbieders in de BSA en andere betrokkenen. Toch zijn er nog wel vormen van ondersteuning waar de wachttijd te lang is. Wachtlijsten voor enkele vormen van gespecialiseerde hulp van het BSA-consortium (met name bij scheiding en omgang) zijn veel langer dan toegestaan volgens de zogenaamde treeknormen 25. Een van de zorgaanbieders benadrukte ook dat wachtlijsten niet per definitie een slecht verschijnsel zijn. Deze zegt hierover: “Wachttijden zijn gezond. Want dan is er schaarste en dan zorg je dat professionals uitgenodigd worden om na te denken over de beste oplossing. Schaarste heeft een functie in goede zorg. Een wachtlijst van 0 weken is niet gezond. Dan is er te veel personeel en voldoen wij aan alle zorgvragen. Wat we wel met elkaar willen, is dat er ingewikkelde en urgente problemen zo goed mogelijk geholpen worden. Bijvoorbeeld met overbruggingszorg.” Hoewel dit strijdig lijkt met het belang van de cliënt (minder wachttijd is immers beter), is dit niet per definitie het geval.

Een wachttijd dwingt betrokkenen namelijk tot het maken van keuzes: is de hulp aan de jongere wel nodig? En is dit de best passende ondersteuning of is er voorliggend een alternatief beschikbaar? Wanneer er geen wachtlijsten zouden zijn, is er ook geen noodzaak tot keuzes maken wat economisch ongunstig is. Tabel 4.4.4 Indicatieve vergelijking wachttijden voor jeugdzorg (bron: officiële websites van de instellingen) Instelling

Regio

Betreft

Duur

Fornhese

Amersfoort

Polikliniek J-GGZ

+- 8 weken

PsyMens

25 26

Hilversum

+- 24 weken

Ermelo

+- 16 weken26

Lelystad

+- 16 weken

Amersfoort

Kind en Jeugd

8 – 12 weken

Een treeknorm is een afspraak tussen zorgaanbieders en verzekeraars wat een redelijke wachttijd is. Voor de polikliniek 0-6 jaar is de wachttijd +- 3 weken.

34 van 54

Indigo

Utrecht

+- 8 weken

Nieuwegein

+- 8 – 10 weken

Bilthoven

8 – 10 weken

Woerden

2 – 4 weken

Amersfoort

Begeleiding/gesprekken

Houten

8 – 10 weken

IJsselstein

8 – 10 weken

Nieuwegein

8 – 10 weken

Utrecht Eleos

4.4

3 weken

Amersfoort

8 – 10 weken S-GGZ

7 weken

Barneveld

20 weken

Dordrecht

11 – 12 weken

Ede

15 – 16 weken

Goes

11 weken

Wierden

6 weken

Zwolle

7 weken

Analyse en duiding

Nadat duidelijk werd dat het sociaal domein financieel onhoudbaar werd in 2018/’19 heeft de gemeente in opdracht van de raad ingezet op een snellere transformatie, waarbij wel de oude koers in acht wordt genomen. Uit de praktijk vallen een viertal zaken op: • Het aantal trajecten jeugdzorg met verblijf is sinds 2016 flink afgenomen. Dit laat zien dat de aanpak met de BSA, invoering van de Integrale Ingang en de praktijkondersteuners bij de huisarts de gewenste effecten opleveren; • Ondanks de strengere toegang hebben cliëntervaringen daar niet onder geleden: een groter aantal inwoners is positief over de bereikte resultaten van de ondersteuning en de wachttijden lijken volgens een indicatieve analyse korter dan elders; • Wel wordt in de lijst met huidige gecontracteerde aanbieders expertise gemist op het gebied van verslavingszorg en lijkt er te weinig aanbod voor complexere gedragsproblematiek: dit zijn aandachtspunten voor de inkoopronde van 2023. Ook ondersteuning bij scheidingsproblematiek is een aandachtspunt. • Het aantal inwoners dat via een GI (gedwongen) jeugdzorg krijgt stijgt. Dit zijn veelal de duurste jeugdzorgcasussen met veel schade voor jongere en het gezin. De gesignaleerde toename hangt samen met het ontbreken van voldoende tijdige jeugdhulp bij met name complexe scheidingen.

Samenwerking op dit gebied is bovenregionaal, maar informatie over effecten van ondernomen acties is beperkt. In een reactie zegt de gemeente dat dit wordt besproken in accountgesprekken tussen RISB en de BSA. Tegelijk is er ook een personeelstekort in de jeugdbescherming. De resultaten van de eerste businesscases en de oprichting van de BSA lijken in de ogen van de onderzoekers veelbelovend in het doelmatiger uitvoeren van de jeugdzorg (eigen begeleiding door het Jeugdteam) en grip te krijgen op onderdelen waar de gemeente tot voor kort minder invloed had (Spreekuur Jeugd-GGZ bij huisartsen). De gemeente is geen voorloper geweest in het uitzetten van de businesscases, diverse gemeenten startten namelijk eerder met pilots, maar sinds in landelijke onderzoeken is aangetoond welke maatregelen werken is Soest ook gestart met deze businesscases. Door afstemming, organisatieveranderingen en maatregelen met

35 van 54

relatief weinig kosten zijn stappen gezet om grip te creëren. De eerste indicatieve resultaten en positieve geluiden binnen dit onderzoek nodigen volgens de onderzoekers uit om snel in te zetten op een bredere uitrol van de pilots. Maar enkel positieve geluiden zijn daarbij niet voldoende: data (onder meer over cliëntervaringen bij de businesscases) ontbreekt nog om een onderbouwd en transparanter besluit te kunnen nemen. Op het moment zijn de daarvoor beschikbare meetinstrumenten nog onvoldoende toegerust (of is er nog niet besloten welk meetinstrument ingezet gaat worden). De cliëntervaringsonderzoeken geven een goed beeld van de algemene cliënttevredenheid en tot zekere hoogte mogelijkheid om te benchmarken. Met de resultaten is het niet mogelijk om effecten van ingezette maatregelen precies te meten. Voor ervaringen op het niveau van individuele cliënten (bijv. in de businesscases) heeft de gemeente nog geen keuze gemaakt over het meten van cliëntervaringen. Ook kleven er nog aandachtspunten en risico’s aan deze nieuwe werkwijzen. Belangrijkste uitdaging voor het wijkteam is naast het leren om begeleiding te geven ook het aangeven waar de grens ligt voor wat een behandelaar in het wijkteam kan doen en wat door moet naar specialistische ondersteuning. Het is noodzaak om de kwaliteit van de gegeven ondersteuning te meten.

Uit de cliëntervaringsonderzoeken volgt wel dat ondanks de strengere toegang en organisatorische wijzigingen inwoners – over het algemeen - vaker tevreden zijn over de toegang dan in 2017. Ook merken zij vaker positieve effecten van de ondersteuning. Ten opzichte van de benchmark met 17 andere gemeenten valt met name op dat er in Soest vaker positieve effecten worden bereikt. Strenger zijn aan de poort heeft dus geen negatief effect op de beleving van de bevraagde inwoners. Tegelijk zijn er nog steeds zorgelijke ontwikkelingen: het aantal jongeren dat jeugdbescherming of een ondertoezichtstelling krijgt via een gecertificeerde instelling is gestegen, wat voor een groot deel buiten de invloed van de gemeente ligt. Continue afstemming met alle partijen (scholen, welzijnsorganisaties, huisartsen, zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen) om er voor te zorgen dat probleemsituaties (bijvoorbeeld problematische scheidingen) niet escaleren, blijft daarom cruciaal voor de gemeente. Een ander benoemd aandachtspunt is de door- en uitstroom bij jeugdzorg met verblijf. Hoewel er minder doorverwijzingen zijn naar dit type jeugdzorg, zorgt een beperkte doorstroom voor een soort filevorming in de jeugdzorg met wachtlijsten tot gevolg.

Waar de afgelopen tijd veel aandacht uitging naar het opzetten van de BSA, zou de gemeente (in samenwerking met de regio) er ook goed aan doen om in samenwerking met de GI’s doorverwijzingen uit die hoek te voorkomen. Daarin werkt de gemeente bovenregionaal samen met alle Utrechtse regio’s. Businesscases voor de aanpak van o.a. complexe scheidingen zijn bedacht, maar kennen nog geen status en zijn nog niet ingezet. Hier ligt een uitdaging voor Soest en de regio de komende jaren. Uit het bovenstaande volgt dus het belang van monitoring en de sturing om transparanter tot besluiten te komen. In het volgende hoofdstuk gaan wij dieper op deze zaken in, waarop wij afsluiten met de effecten van het gevoerde beleid.

36 van 54

5

Sturing, monitoring en effecten

Dit hoofdstuk behandelt de onderstaande deelvragen met betrekking tot de sturing, monitoring en hoe de vraag overeenkomt met het aanbod. 10 Hoe ziet de monitoring en informatiehuishouding van de gemeente Soest in het kader van jeugdzorg er uit? 11 In hoeverre worden cliënten en ouders/verzorgers betrokken in de monitoring om te beoordelen of de hulp adequaat was? 12 In hoeverre matchen vraag en aanbod en is daarmee het beleid op het gebied van jeugdzorg van de gemeente Soest effectief en efficiënt? Wij beginnen met de sturing van de gemeente en de regio op de jeugdzorg(aanbieders) en de manier waarop jeugdzorg wordt ingekocht. Daarna volgt de wijze waarop de gemeente Soest zicht probeert te houden op de ontwikkelingen. Wij eindigen met een reflectie op de effectiviteit en efficiëntie van het gevoerde beleid, aangevuld met de belangrijkste knelpunten voor de korte termijn. 5.1.1

Regionale samenwerking

Aansturing van zorgaanbieders vanuit de regio De jeugdzorgregio Eemland vervult voor de gemeente Soest een centrale rol in de sturing en governance rond jeugdzorg. De schaalgrootte van de regio is nodig om o.a. specialistische jeugdzorg in te kopen. Dit is in lijn met de wens van het ministerie van VWS27, zij roepen op tot samenwerking tussen gemeenten bij inkoop van zorg. Er is op verschillende niveaus overleg: tussen beleidsambtenaren, maar ook op bestuurlijk niveau. Alle regiogemeenten hebben een dienstverleningsovereenkomst ondertekend met de gemeente Amersfoort. De gemeente Amersfoort is als grootste gemeente de kartrekker in de regio. De uitvoeringsorganisatie heet het Regionaal Inkoop en Subsidiebureau (RISB). Op het gebied van inkoop en contractmanagement van aanbieders is de regio in de vorm van het RISB aan zet en niet de gemeente zelf. Ook beheert de RISB alle zorgdata en daarmee de basis voor de informatiehuishouding. Soest heeft ten opzichte van Amersfoort als ‘grootste van de kleintjes’ niet altijd een doorslaggevende stem, maar door gesproken betrokkenen uit de regio en de gemeente wordt de samenwerking als constructief gezien. Het beste voorbeeld van een positief resultaat van regionale samenwerking is de constructie met de BSA. Tegelijk kent deze samenwerking in de huidige vorm ook valkuilen, met name op het gebied van informatiemanagement.

Uitdagingen in de regionale samenwerking In de regiovisie Specialistische Jeugdhulp gaan de deelnemende gemeenten in op de uitdagingen van de komende tijd voor de specialistische tak van de jeugdzorg. Inhoudelijk wil men de beweging maken naar ‘normaliseren’, dit betekent zo dicht bij de cliënt als mogelijk. Uithuisplaatsingen en verblijf worden daarbij zo veel als mogelijk vermeden. Wanneer verblijf onvermijdelijk is, zet de regio in op deeltijd verblijf en/of verblijf in een gezinssetting. Om verblijf en escalatie te voorkomen wordt meer expertise ‘aan de voorkant’ ingezet bij de gebiedsteams.

27

Via: https://zorgenz.nl/kabinet-wil-meer-regionale-samenwerking-bij-jeugdzorg/

37 van 54

Ook wordt de samenwerking in de jeugdbeschermingsketen verbeterd, dit om meer grip te krijgen op complexe situaties als complexe echtscheidingen en ondertoezichtstellingen 28. De regio wil meer inzetten op de basisinfrastructuur (hulp vanuit het wijkteam) en vroegsignalering van problemen om escalatie te voorkomen. Hierbij wordt ingezet op betere samenwerking vanuit de specialistische jeugdzorg met stakeholders in de wijken, datagedreven werken en versterken van de lokale teams. 5.1.2

Contractmanagement en inkoop

Na 2015 beweging richting inkopen op basis van taakgericht financieren In 2015 werd voor de inkoop van zorgaanbieders de toen geldende landelijke lijn nog aangehouden. Dit betekent dat er destijds voornamelijk op PxQ-basis werd ingekocht en dat zorgaanbieders voor ieder geleverd uur uitbetaald krijgen. Daarnaast was er sprake van inschrijving volgens de open house methode. Dit betekent dat iedereen zich mag aanmelden voor een contract, zonder dat er een garantie is op afname. Deze aanpak leidde niet tot de gewenste resultaten. Door de open house constructie waren er vermoedens dat het vele aanbod ook vraag creëert en bij deze constructie bestaat ook het (theoretische) risico voor overproductie29. Dit was mede ingegeven door de cijfers die lieten zien dat het aantal jongeren met jeugdzorg juist steeg in plaats van daalde. Voordeel bij deze constructie is dat zorgaanbieders gewend zijn via deze methode te factureren: er hoefde niet een nieuw systeem voor te worden opgetuigd.

Op dit moment combinatie van taakgericht financieren voor de BSA en +- 240 PxQ-aanbieders De kosten in de jeugdzorg bleven stijgen, waardoor de gemeente (en de regio) is gaan kijken naar andere vormen van aanbesteden en inkopen. In 2017 is besloten om de meest specialistische jeugdzorg taakgericht in te kopen via wat nu de BSA is geworden. Op dit moment worden de zeven partijen van de BSA taakgericht ingekocht en zijn de +- 240 andere aanbieders op PxQbasis ingekocht. Taakgericht inkopen betekent dat er een vast budget (met omzetbegrenzing) wordt toegekend aan opdrachtnemers die daarbinnen de ruimte krijgen om de opdracht zelf in te vullen. Dit kan aan meerdere opdrachtnemers zijn, maar het is ook mogelijk dat er één of enkele hoofdaannemers worden aangewezen, die vervolgens zelf onderaannemers kiest wanneer de eigen expertise ontoereikend is. Wanneer het toegekende budget overschreden dreigt te worden gaan opdrachtgever en opdrachtnemer in gesprek over de overschrijding en hoe dit op te lossen. Door de positieve ervaringen met de BSA kijken de regiogemeenten en de RISB naar mogelijkheden om bij de aanbestedingsronde van 2023 ook andere zorgaanbieders taakgericht in te kopen. Met name voor duurdere vormen van jeugdzorg (met verblijf) lijkt dit een beter passende constructie.

Het Centraal Planbureau (CPB) concludeert in een analyse van de inkoop van jeugdzorg dat gemeenten die een omzetbegrenzing toepassen minder vaak doorverwijzen naar jeugdzorg met verblijf: “In gemeenten die omzetbegrenzing toepassen, is het gebruik van jeugdhulp met verblijf minder gestegen dan in gemeenten die geen omzetbegrenzing toepassen. Het aantal kinderen dat jeugdhulp met verblijf gebruikt, is gemiddeld met ca. 66% toegenomen in de periode 2011 – 2019 in gemeenten die omzetbegrenzing toepassen, maar in gemeenten die geen omzetbegrenzing toepassen is het nog sterker gestegen: gemiddeld ca. 85%.” 30

28

Dit zijn ook twee lokale businesscases die nog van start moeten gaan. Overproductie betekent in dit geval meer dan noodzakelijk is behandelen van jongeren, met een marginaal aanvullend resultaat tot gevolg. 30 Via: https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Notitie-De-gemeentelijke-inkoop-van-jeugdzorg.pdf (p. 2) 29

38 van 54

Voordelen en risico’s van taakgericht financieren Taakgericht financieren heeft het voordeel dat het meer ruimte biedt voor innovatie en transformatie doordat zorgaanbieders in samenspraak met de opdrachtgever meer gedwongen worden om keuzes te maken binnen het gegeven budget. Ook geeft het in potentie meer ruimte voor de expertise en ervaring van de jeugdzorgprofessional: het resultaat telt en de weg er naar toe is aan de professional. Met het budgetplafond / taakbudget wordt bovendien het risico op overproductie weggenomen, aangezien er niet per uur wordt betaald voor geleverde zorg. Tegelijk kent ook dit inkoopmodel nadelen en risico’s. In de interviews zijn ook deze risico’s naar voren gekomen, deze zijn benoemd door zowel medewerkers van de gemeente als zorgaanbieders. De drie voornaamste zijn: 1) het optuigen van een onnodig bureaucratisch systeem; 2) beperkte(re) keuzevrijheid voor inwoners en; 3) een inperking van de professionele autonomie van een behandelaar. •

Risico op onnodig veel bureaucratie: Doordat er een vast budget is toegekend, moeten zorgaanbieders vooraf inschatten hoeveel behandelingen zij nodig achten. Daarmee berekenen zij de impact op het totaalbudget. Met alle onzekerheden die hangen rond effectieve behandelingen in de jeugdzorg, bestaat er de angst dat er te veel aandacht komt voor verantwoording en administratie.

•

Beperkte keuzevrijheid voor inwoners: Wanneer een gemeente kiest voor één of enkele hoofdaannemers met een taakgericht budget beperken zij de keuze van zorgaanbieders voor inwoners.

•

Inperking van professionele autonomie voor behandelaars: Bij taakgericht financieren tussen gemeente en zorgaanbieder is de opdrachtgever een beleidsmedewerker en geen jeugdzorgbehandelaar. Wel moet deze inhoudelijk het gesprek aan gaan over welke behandelingen in het budget passen. Zorgaanbieders benoemen het risico dat de beleidsmedewerker te veel op de stoel van de zorgaanbieder gaat zitten en vanuit financiële beheersing keuzes gaat maken en niet op basis van zorginhoudelijke overwegingen.

Toekomst: volledig taakgericht financieren? Zoals in het kader hierboven aangegeven is geen enkel inkoopsysteem perfect: ieder model en ieder aantal aanbieders heeft zijn eigen voor- en nadelen. Het is dus een beleidskeuze die gemaakt wordt, waarbij voor iedere gekozen methode argumenten voor en tegen zijn. De gemeente Soest en de regio kiezen bewust voor een beweging richting taakgericht financieren omdat zij aanbieders willen laten nadenken over het effect van de hulp op kinderen. Uit de interviews blijkt dat het risico op bureaucratisering als aandachtspunt erkend wordt, maar dat de prikkel om te innoveren sterker weegt dan het risico op o.a. bureaucratisering. Resultaten van het onderzoek van het CPB ondersteunen de keuzes van de gemeente Soest hierin. Verdere taakgerichte inkoop zal echter meer transactiekosten vergen van de gemeente. Anders dan de 7 partijen uit de BSA verschillen de andere 240 aanbieders veel meer van elkaar, wat veel meer afstemming vergt. De beweging naar taakgericht financieren wordt ook in andere gemeenten ondernomen31, waarbij goed contractmanagement met aandacht voor hoe te verantwoorden en hoe het gesprek te voeren essentieel is.

31

Een rapport over de gemeente Hollands Kroon, waar sinds 2016 taakgericht wordt ingekocht vindt u hier: https://www.incluzio.nl/var/downloads/var/mediamanager/files/Rapport_Wmo_Jeugdhulp_Hollands_Kroon.pdf

39 van 54

5.2

Monitoring, effecten en efficiency

Informatiehuishouding ontoereikend De gemeente Soest houdt de vinger aan de pols via (ook openbaar beschikbare) kengetallen en de cliëntervaringsonderzoeken. Zorgdata die input leveren voor de kengetallen wordt beheerd binnen de muren van de gemeente Amersfoort, van waaruit het RISB 32 werkt. Veel van deze informatie komt uiteindelijk via de gemeente Amersfoort of databanken als waarstaatjegemeente.nl, allecijfers.nl en informatie van de GGD’en (bijv. de jeugdmonitor) bij de gemeente Soest terecht. Daarnaast organiseert de gemeente verplichte cliëntervaringsonderzoeken (zie paragraaf 4.3). De kengetallen en cliëntervaringsonderzoeken zijn de primaire bron voor de Monitor Sociaal Domein. De gemeente Soest leunt hiermee sterk op openbare cijfers en jaarlijkse verplichte onderzoeken, waarbij zij ook afhankelijk is van capaciteit bij de gemeente Amersfoort om data te leveren of analyses te maken. Een wenselijkere situatie in de ogen van de onderzoekers is om toegang te krijgen tot deze data of deze data ook intern beschikbaar te hebben. Het ontbreken van deze data en de mogelijkheid om uitsplitsingen te maken is een gemis om de effectiviteit, efficiëntie en kwaliteit van de zorg te kunnen bepalen en daarmee het gesprek met zorgaanbieders aan te kunnen gaan. De informatiehuishouding is dus een belangrijk punt van verbetering.

De informatievoorziening wordt in interviews met de gemeente bestempeld als summier, met een trage levering en de kwaliteit van informatie is lastiger te controleren. Data-analyse op aanvraag is niet wat de gemeente Soest zelf wil en dit is zoals hierboven aangegeven ook geen wenselijke situatie om grip te krijgen op ontwikkelingen in de jeugdzorg. Voorbeelden van koppelingen die men zelf wenst te maken zijn een real-time database met onder andere stapeling van zorg, een koppeling met sociaaleconomische status (op buurtniveau) en informatie per zorgaanbieder. Soest is daarom bestuurlijk opdrachtnemer voor de regionale opgave Monitoring en Sturing om deze analysemogelijkheden en sturingstools op gemeenteniveau beschikbaar te krijgen. Dit naar voorbeeld van het model dat in de regio Foodvalley (omgeving Ede) wordt gebruikt 33. Foodvalley is in 2019 een transformatietraject gestart en zou deze volgens planning in 2021 moeten afronden. Zij ontwikkel(d)en een real-time dashboard waar de volgende gegevens (op gemeente, aanbieder- en productniveau) zijn opgenomen: • Berichtenverkeer tussen aanbieder en gemeenten (toewijzingen, declaraties et cetera); • Data vanuit de leerplicht (om te weten op welke school een jeugdige zit); • CBS-gegevens; • Gegevens van lokale teams in gemeenten; • Eigen aanvullende data.

Een datum wanneer deze nieuwe informatiehuishouding in de regio Amersfoort klaar moet zijn is niet bekend. In de uitvoeringsagenda staan hier geen termijnen voor genoemd. Zoals aangegeven is de Strategische Agenda verouderd en staan hier ook geen doelstellingen voor genoemd.

32

Het Regionaal Inkoop en Subsidiebureau dat de inkoop, contract- en accountmanagement verzorgt voor de jeugdzorgregio Eemland. 33 Meer over het Foodvalley-model via: https://www.inkoopsociaaldomein.nl/actueel/nieuws/2021/02/05/praktijkverhaalfoodvalley-praktijkgericht-en-data-gedreven-transformeren

40 van 54

Gemeente Soest doet het op kengetallen beter dan het landelijke en regionale gemiddelde Jaarlijks publiceert de gemeente Soest een monitor Sociaal Domein, in september 2021 is de laatste versie van de monitor (over 2020) gepresenteerd. In tabel 5.1 staan deze cijfers opgenomen. Uit de kengetallen volgt dat de gemeente Soest het ten opzichte van het landelijke en provinciale gemiddelde beter doet. Er zijn naar verhouding minder jongeren met jeugdhulp en minder jeugdhulp met verblijf. In de monitor van 2019 schrijft de gemeente: “Na een stijging in 2018 is het aantal jongeren met jeugdhulp in 2019 weer gedaald. De aantallen in Soest liggen in 2019 lager dan in vergelijkbare gemeenten. Tegenover deze lichte afname blijft de toegenomen zwaarte van de hulp een (regionaal) probleem. Deze dure zorgvormen drukken op de budgetten voor het sociaal domein en dat is niet bevorderlijk voor de transformatie van het sociaal domein.” Tot en met 2019 steeg het aantal volgens plan beëindigde jeugdhulptrajecten. Dit zijn trajecten waarbij vooraf gestelde doelen zijn bereikt en het traject dus als succesvol mag worden beschouwd. In 2016 was dit 79,6 procent en in 2019 steeg dit tot 87,6 procent. In 2020 is dit gedaald naar 82 procent.

De gemeente heeft er in de monitor 2020 geen verklaring voor, maar het is aannemelijk dat dit is veroorzaakt door de coronacrisis waardoor verschillende trajecten anders ingevuld moesten worden (o.a. dagbesteding ging dicht en waren huisbezoeken lastiger om te organiseren). Tabel 5.1 Kernindicatoren jeugdzorg in Soest (bron: WSJG) Onderwerp Jongeren met

Indicator

2016

2017

2018

2019

2020

Landelijk

Utrecht

(2020)

(2020)

Aantal

-

1085

1135

1080

1065

-

-

Jongeren met

% jongeren met

10%

10,6%

11,2%

10,6%

10,7%

11,9%

11,8%

jeugdhulp

jeugdhulp t.o.v. totaal % jongeren tot 18 jaar

9,5%

10,2%

10,7%

10,3%

10,4%

11,7%

12,0%

Jeugdhulp met verblijf

% jongeren tot 18 jaar

1,2%

1%

1%

1%

0,9%

1,3%

0,9%

Jeugdbescherming

% jongeren tot 18 jaar

0,9%

1,2%

1,3%

1,4%

1,2%

1,2%

1,0%

Jeugdhulp beëindigt

% jongeren tot 18 jaar

79,6%

74,8%

84,5%

87,6%

82%

82,2%

79,7%

jeugdzorg

aantal jongeren Jeugdhulp zonder verblijf

volgens plan

Initiële doelen gehaald volgens wethouder De gemeente concludeert in de monitor Sociaal Domein 2019 dat het in het algemeen goed gaat met de inwoners van Soest. Belangrijkste punten van aandacht blijven daarom de budgetten en de financiële beheersbaarheid, waarop momenteel wordt gestuurd door middel van de nieuwe taakbudgetten en de verschillende innovaties met de businesscases. Ernstige tekortkomingen op de kwaliteit van ondersteuning en/of de resultaten van de ondersteuning zijn vooralsnog niet gevonden. Daarmee lijkt er vanuit het oogpunt van de gemeente naar verhouding een match te zijn tussen vraag en aanbod. In het gesprek met de wethouder is aangegeven dat de start van de transities in de afgelopen jaren is gemaakt en in die zin de transformatie in Soest een succes is. Met de kanttekening dat de gemeente Soest er nog niet is. In de monitor 2020 noemt de gemeente als aandachtspunten de door- en uitstroom van cliënten, met als gevolg langere wachttijden en het blijven stijgen van de jeugdzorgbudgetten.

41 van 54

5.3

Analyse en duiding

Uit de beschikbare kengetallen komt naar voren dat Soest bovengemiddeld presteert op het gebied van jeugdzorg, ten opzichte van het landelijke en provinciale kengetallen. In die zin klopt de visie van de gemeente dat het goed gaat met de inwoners van Soest en dat er geen signalen zijn dat de kwaliteit van de jeugdzorg ondermaats is. Eerder bleken al dat – op aandachtspunten na de wachtlijsten korter zijn dan gemiddeld en dat op het gebied van toegang en effecten de cliëntervaringen beter zijn dan in een referentiegroep. Belangrijkste knelpunt voor de korte tot middellange termijn blijft de financiële beheersbaarheid van de jeugdzorg en de grip op externe verwijzers, waarbij kwalitatief goede jeugdzorg het uitgangspunt blijft. Een ander knelpunt dat hier zeker aan toegevoegd moet worden is de beperkte mate waarin de gemeente – na ruim zes jaar sinds de decentralisaties - zicht krijgt op de ontwikkelingen in het sociaal domein. Er zijn voldoende goede plannen (zoals we in hoofdstuk 4 konden lezen), maar het meten van de effecten van deze plannen is naar mening van de onderzoekers duidelijk onder de maat. De gemeente controleert zelf jaarlijks de voortgang van de beleidsdoelen in de monitor Sociaal Domein. De monitor over 2020 is in september 2021 gepresenteerd.

Op het gebied van jeugd zijn kengetallen grotendeels gebaseerd op openbare informatie waarbij aantallen de uitgangspunten zijn. Indicatoren op het gebied van kwaliteit van zorg ontbreken in deze monitor. Uitsplitsingen naar type ondersteuning, wijk of zorgaanbieder zijn op dit moment niet tot nauwelijks mogelijk, mede doordat de beschikbare data hiervan onder is gebracht bij de regio (lees: de gemeente Amersfoort). Dit is een gemiste kans, want ontwikkelingen zoals de businesscases worden lokaal uitgevoerd en het is onvoldoende mogelijk om de kwalitatieve effecten hiervan inzichtelijk te maken. Zelf onderkent de gemeente dat de beschikbare informatiehuishouding van onvoldoende kwaliteit is. Hoewel een medewerker bezig is de informatiehuishouding beter vorm te geven volgens een model uit een andere regio (Foodvalley) is nog niet bekend wanneer en hoe deze verbeterslag afgerond wordt. De gemeente Soest mist hiermee informatie om een verdiepingsslag te maken en daarmee ook de mogelijkheid specifieke knelpunten in de jeugdzorg aan te stippen. Dit belemmert onder andere het aantoonbaar maken dat goede initiatieven zoals de verschillende businesscases vruchten afwerpen. Op basis van de beschikbare data kan evenwel geconcludeerd worden dat de doelen die de gemeente zich stelde in de Strategische Agenda van 2016 (nog) niet zijn bereikt.

Dit is enerzijds zo omdat het open-einde doelen zijn en er geen streefwaarde is opgenomen, maar ook is de gemeente er nog niet in geslaagd om het aantal jongeren met jeugdzorg substantieel terug te dringen. Wel blijkt dat – op basis van de aanwezige cijfers – geïndiceerde ondersteuning effectief is in de ogen van inwoners zelf. Uit de cliëntervaringsonderzoeken volgt dat een grote meerderheid van de cliënten zich beter voelt door de hulp en dat het met het gedrag, thuis of op school beter gaat. Naast het verbeteren van de informatievoorziening zet Soest met de regiogemeenten sterk in op de mate waarin de gemeente kan sturen. In de jaarstukken van 2020 schrijft de gemeente dat ‘de samenwerking met de BSA vruchten afwerpt’ (een officiële evaluatie is nog niet gedaan, maar de onderzoekers delen deze bevinding). Onder andere via de nieuwe taakgerichte inkoop (met de aanbieders in de BSA) wil de gemeente zorgaanbieders stimuleren op efficiënte en effectieve wijze zorg te leveren aan kinderen en jongeren. In de ogen van de onderzoekers is dit een goede beweging: taakgerichte inkoop heeft als voordeel dat het gesprek gevoerd kan worden over de economisch best passende vorm van zorg.

42 van 54

Door af te stemmen wat mogelijk is binnen een budgetplafond houdt de gemeente grip op de financiën en wordt het risico op overbehandeling 34 verminderd. Daarmee zijn er aanknopingspunten om het gesprek over normaliseren te voeren. Valkuil hierbij is wel dat de beleidsambtenaar niet op de stoel moet gaan zitten van de zorgaanbieder en dat financiële motieven de voorkeur krijgen boven zorginhoudelijke argumenten. Ook kan taakgerichte financiering leiden tot een ‘verbureaucratisering’ van het systeem, waardoor zorgaanbieders minder tijd kunnen besteden aan behandelen en het leveren van zorg. Hoewel deze valkuilen niet in het onderzoek zijn geconstateerd is het belangrijk om hier oog voor te blijven houden. Wanneer wij de inspanningen van de gemeente Soest vergelijken met een recent rapport van het Centraal Plan Bureau (CPB) dan valt op dat de gekozen weg van de gemeente Soest in lijn is met de conclusies die het CPB trekt omtrent gemeentelijk beleid in het sociaal domein. De uitgangspunten van de gemeente Soest in de Uitvoeringsagenda 2021 – 2022 zijn: • doorgaan op de ingeslagen weg; • versnellen van de ingezette transformatie door te investeren; • versoberingsmaatregelen en het beperken van uitgaven. Uit het rapport van het CPB35 volgt: “Gemeenten die het qua kosten en kwaliteit van jeugdzorg relatief goed doen, lijken één ding gemeen te hebben.

… Die gemeenten houden langdurig vast aan hun koers en uitgangspunten, terwijl zij binnen die kaders het gemeentelijk opdrachtgeverschap continu doorontwikkelen. Dus niet die ‘andere boeg’ om onvermijdelijke problemen op te lossen, maar stap voor stap leren en bijsturen binnen het huidige model.” De wijze waarop de gemeente Soest het opdrachtgeverschap (met aangegeven bestaande knelpunten) invult, komt naar mening van de onderzoekers, overeen met de conclusies van het CPB. Belangrijkste aandachtspunt is dat de gemeente Soest dit zelf beter inzichtelijk moet maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=d065c032-72d0-4b57-8ad9-577de56b46a7