2. Bijlage 1 Toelichting BP Van Weedestraat 97
Tekst van het document
27
is er bij de uitwerking van de gecumuleerde geluidbelasting, enkel rekening gehouden met de optredende geluidbelastingen afkomstig van deze wegen. Uitgaande van een (fictieve) toetsingswaarde van 48 dB, is er als gevolg van de optredende gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van het wegverkeer over de in de directe nabijheid van het plangebied gelegen woningen, sprake van een overschrijding van maximaal 18 dB. Bronmaatregelen Omdat er sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde, dienen er geluid beperkende maatregelen te worden onderzocht. Allereerst kan hierbij worden gedacht aan bronmaatregelen (b.v. het verminderen van de verkeersintensiteit op de betreffende weg, het verlagen van de rijsnelheid, stiller wegdek, wijziging vormgeving). Naar verwachting zullen de verkeersintensiteiten op de voor het plangebied relevante niet zoneplichtige wegen in de toekomst niet verminderen en ook een verdere verlaging van de rijsnelheid is niet mogelijk. Het kiezen voor een ander soort wegdek blijft dan als enige optie over. Ook dit betreft echter geen optie aangezien het geen wijk- of stad-ontsluitende wegen betreffen. Overdrachtsmaatregelen Maatregelen in de overdracht worden in de regel gerealiseerd via het aanbrengen van een geluidscherm of -wal. Hiervoor ontbreekt in de voorliggende situatie fysiek echter de ruimte.
Ook kan worden gesteld dat vanwege het stadse karakter van de directe omgeving van het plangebied, het eveneens uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk zal zijn om de geprojecteerde woonbestemmingen met een scherm of wal af te schermen. Op basis van het bovenstaande kan worden gesteld dat het toepassen van effectieve overdrachtsmaatregelen niet doeltreffend zijn, dan wel het toepassen van deze maatregelen zal stuiten op verkeerskundige en financiële bezwaren. Maatregelen bij de ontvanger Om een goed woon- en leefklimaat alsnog te kunnen borgen, zullen er derhalve voorzieningen aan de schilconstructie van de voor bewoning bestemde bestemmingen moeten worden aangebracht. Uitgangspunt hierbij is in de regel een binnenniveau te borgen van 33 dB. Geluidluwe gevel en buitenruimte In de praktijk blijkt beperking van de geluidbelasting op de gevel niet of slechts in beperkte mate mogelijk. Bron- of overdrachtsmaatregelen zijn, zoals in het onderhavige geval, niet altijd doeltreffend of stuiten op andere bezwaren. In dergelijke gevallen is maatwerk vaak de enige mogelijkheid om een goed woon- en leefklimaat te kunnen borgen. Een van de belangrijkste voorwaarden hierbij is dat elke woonbestemming moet beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte.
Een woonruimte met een geluidluwe buitenruimte (tuin, loggia of balkon) geeft de bewoners de kans om op een rustige plek in de buitenlucht te kunnen verblijven. Als grenswaarde voor het gecumuleerde wegverkeerslawaai, geldt voor een geluidluwe gevel of buitenruimte in de regel 53 dB (exclusief aftrek). Dit betekent dat de optredende geluidbelasting
28
afkomstig van alle wegen gezamenlijk (inclusief de niet-gezoneerde wegen), wil er sprake zijn van een geluidluwe gevel, op ten minste een gevel maximaal 53 dB mag bedragen. Optredende geluidbelastingen Omdat de maximale gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de geprojecteerde woonbestemmingen 66 dB bedraagt, dienen geluidwerende voorzieningen aan de betreffende gevels waarop een geluidbelasting van 53 dB of meer optreedt. Hierbij mag geen aftrek ex. Artikel 110-g Wet geluidhinder worden toegepast. Aanbeveling Als de optredende geluidbelastingen op de gevels van de geprojecteerde woonbestemmingen niet tot de voorkeurswaarde van 48 dB kunnen worden gereduceerd, zoals in het onderhavige geval, dan dient bij de aanvraag Omgevingsvergunning een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidwerende kwaliteit van de gevels te worden toegevoegd. Hierbij dient te worden aangetoond dat de karakteristieke geluidswering Ga,k van de uitwendige scheidingsconstructies ter plaatse van geluidsgevoelige ruimten als gevolg van het cumulatieve optreden van het wegverkeerslawaai en het industrielawaai voldoet aan de hiervoor gestelde grenswaarden van het Bouwbesluit.
De geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructies van het geprojecteerde woonbestemmingen dienen ten minste gelijk te zijn aan het verschil tussen de cumulatieve geluidsbelasting zoals opgenomen in bijlage 07 bij het rapport en de grenswaarde voor het geluidsniveau in geluidsgevoelige ruimten van 33 dB. Een en ander zoals vermeld in afd. 3.1 van het Bouwbesluit. De karakteristieke geluidswering Ga,k dient in alle situaties echter ten minste 20 dB te bedragen. Industrielawaai In het kader van voorliggend plan is een akoestisch onderzoek ingesteld naar de planologische inpassing van voor geluidgevoelige bestemmingen [appartementencomplex] in de directe omgeving van een aantal geprojecteerde dan wel aanwezige inrichtingen in de zin van de milieuwetgeving. Deze inrichtingen zijn deels gelegen binnen het geprojecteerd plangebied aan de Van Weedestraat 97 te Soest en deels in de directe omgeving hiervan. Het onderzoek industrielawaai is opgenomen als bijlage 7 van deze toelichting. Het doel van het hierbij uitgevoerde onderzoek is om enerzijds om na te gaan in hoeverre er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde woonbestemmingen als gevolg van de in de directe omgeving aanwezige bedrijfsbestemmingen.
Anderzijds dient te worden nagegaan in hoeverre de geprojecteerde woonbestemmingen de ruimte voor bedrijven om op een representatieve wijze hun bedrijfsactiviteiten uit te kunnen blijven oefenen, niet worden beperkt. Een en ander gebaseerd op de criteria uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. (Ruimtelijk spoor). Verder dient er te worden beoordeeld in hoeverre er door de in de directe omgeving aanwezige inrichtingen c.q. bedrijven, als gevolg van de voorgenomen realisatie van de geprojecteerde woonbestemmingen ter plaatse, nog kan worden voldaan aan het gestelde in het kader van het Activiteitenbesluit (Milieu spoor).
29
Beoordeling ruimtelijk spoor Beoordeling horeca-bestemmingen Overeenkomstig de categorie-indeling in het vigerende bestemmingsplan ‘Soestdijk’, is in de directe omgeving van het geprojecteerde plangebied gelegen horeca-inrichting, conform het gestelde in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aan te merken als categorie 1 inrichting. Voor de te projecteren horeca-inrichting binnen het plangebied, wordt voorgesteld een hieraan gelijkgestelde bestemming op te nemen. Voor een gemengd gebied, waarvan in de onderhavige situatie sprake is, dient bij de inpassing van de geprojecteerde woonbestemming rekening te worden gehouden met een grenswaarde van 50 dB(A) op een afstand van 0 meter afstand tot de erfgrens c.q. planologische begrenzing van de betreffende inrichtingen . Aan dit afstandscriterium wordt zowel ten aanzien van de bestaande horeca-inrichting als de binnen het plangebied geprojecteerde horeca-inrichting voldaan. Geconcludeerd kan worden dat de geprojecteerde woonbestemming in relatie tot de horeca-bestemmingen op grond van het Ruimtelijke spoor, zonder het treffen van aanvullende voorzieningen, inpasbaar is en er zonder het treffen van aanvullende voorzieningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Beoordeling parkeervoorzieningen Een voor publiek toegankelijke parkeergarage is overeenkomstig de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aan te merken als categorie 2 inrichting. Voor een gemengd gebied dient bij de inpassing van een geprojecteerde woonbestemming rekening te worden gehouden met een grenswaarde van 50 dB(A) op een afstand van 10 meter. Aan dit afstandscriterium wordt in de onderhavige situatie niet voldaan. Nadere uitwerking van deze activiteiten dienen derhalve onderdeel uit te maken van deze akoestische overweging. Nadere uitwerking parkeervoorzieningen Voor het in beeld brengen van de geluidbelasting afkomstig van de activiteiten binnen het plangebied zelf, zijn in het onderzoek eveneens de optredende geluidbelastingen op het geprojecteerde plangebied uitgewerkt. Dit betreft de optredende geluidbelastingen als gevolg van de parkeeractiviteiten ten behoeve van de geprojecteerde woonbestemmingen. Wanneer de gemiddelde geluidsniveaus worden getoetst aan het toetsingskader voor zowel de ruimtelijke inpassing als in het kader van het Activiteitenbesluit van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode, dan kan worden gesteld dat uit de rekenresultaten blijkt dat, wanneer er geen aanvullende voorzieningen worden getroffen, er niet op alle beoordelingspunten aan deze grenswaarden kan worden voldaan.
Wanneer de maximale geluidsniveaus worden getoetst aan het toetsingskader van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode, dan kan worden gesteld dat hieraan niet op alle beoordelingspunten kan worden voldaan. Zie voor een uitdraai van de rekenresultaten bijlage 05 van het onderzoek. Treffen voorzieningen Met name ter plaatse van de in- en uitrit van de parkeergarage [ontvangerpunten TP007, TP011 en TPburen], is zonder het treffen van aanvullende voorzieningen, sprake van erg hoge optredende geluidbelastingen. Vandaar dat wij voorstellen om de in- en uitrit naar de parkeergarage te overdekken zoals in de bijgaande 3D-schets is aangegeven. Hierbij dient tevens de naar de buren gerichte zijwand 30
te worden dichtgezet. Hierbij kan worden gekozen voor een transparant glazen pui. Het gewicht hiervan dient ten minste 10 kilogram per vierkante meter te bedragen. Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Wanneer de gemiddelde geluidsniveaus worden getoetst aan het toetsingskader van het Activiteitenbesluit van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode nadat de overkapping van de in- en uitrit van de parkeergarage is aangebracht, dan kan worden gesteld dat hiermee een groot aantal knelpunten zijn weggenomen, maar dat nog niet op alle beoordelingspunten aan deze grenswaarden kan worden voldaan. De maximaal optredende geluidbelasting is dan nog enkel afkomstig van de bovengrondse parkeervoorziening. De maximale overschrijding bedraagt in dat geval nog slechts 1 dB(A). Beoordeling maximale geluidniveaus Wanneer na het aanbrengen van de overkapping ter plaatse van de parkeergarage de maximale geluidsniveaus opnieuw worden getoetst aan het toetsingskader van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode, dan kan worden gesteld dat hieraan eveneens nog niet op alle beoordelingspunten kan worden voldaan. Ter plaatse van de woning van de buren wordt door het aanbrengen van de genoemde overkapping ter plaatse van de in- en uitrit naar de parkeergarage, voldaan aan de hieraan te stellen grenswaarden.
Naast het aanbrengen van een overkapping ter plaatse van de in- en uitrit van de parkeergarage, zijn er eveneens verhoogde geluidbelastingen berekend als gevolg van dichtslaande portieren ter plaatse van de tegen de achtergevel gelegen parkeervoorzieningen op de begane grond. Dit geldt met name in de nachtperiode. Maximaal is er in die periode sprake van een overschrijding van 19 dB(A). Wanneer deze parkeerplaatsen onbeperkt gebruikt kunnen worden door alle bewoners, dienen aanvullende voorzieningen te worden opgenomen om geluidhinder ter plaatse van de tegen de parkeervoorzieningen gelegen voor bewoning bestemde ruimten in de nachtperiode te voorkomen. Voorgesteld wordt om hierbij geluidwerende voorzieningen aan te brengen aan de betreffende gevels. Beoordeling milieuspoor Wanneer de gemiddelde geluidsniveaus als gevolg van het representatief in werking zijn van de parkeervoorzieningen overeenkomstig het Ruimtelijke spoor, worden vergeleken met de gemiddelde geluidsniveaus als gevolg van het in werking zijn van deze activiteiten op grond van het gestelde in het Activiteitenbesluit, dan kan worden geconcludeerd dat zowel de representatieve bedrijfssituatie als het toetsingskader in beide situaties vergelijkbaar met elkaar zijn.
Dit houdt in dat wanneer er overeenkomstig het ruimtelijke spoor kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden, dit eveneens het geval zal zijn in het kader van het milieuspoor [Activiteitenbesluit]. Temeer omdat activiteiten voor zover deze niet tot een inrichting behoren, formeel niet behoeven te worden beschouwd in het kader van het milieuspoor. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er als gevolg van het situeren van de geprojecteerde woonbestemming, op grond van het gestelde in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, met betrekking tot zowel de in de directe omgeving reeds aanwezige horeca-inrichting als voor de binnen het plangebied geprojecteerde horeca-inrichting, voldaan wordt aan het gestelde in STAP 1. Dit houdt in dat er vanuit het ruimtelijke spoor voor de beide horeca-inrichtingen geen aanvullend gericht 31
akoestisch onderzoek noodzakelijk is, omdat er op grond van het afstandscriterium reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit geldt niet voor de binnen het plangebied geprojecteerde parkeervoorzieningen. Om hier aan de eisen voor een goed woon- en leefklimaat te kunnen voldoen, dient er ter plaatse van de in- en uitrit van de parkeergarage een overkapping te worden aangebracht. Daarnaast dienen er geluidwerende voorzieningen te worden opgenomen in de buitengevels ter plaatse van de geluidgevoelige ruimten waarbij alsnog sprake is van een overschrijding van de gestelde grenswaarde. Hierbij dient voor de optredende geluidbelastingen te worden uitgegaan van cumulatie van wegverkeerslawaai, zonder aftrek ex. artikel 110-g van de Wet geluidhinder, en van industrielawaai [zie overzicht Bijlage 10 van het onderzoek]. Wanneer de bovengenoemde voorzieningen worden opgenomen in de nader uit te werken plannen, dan kan worden gesteld dat er ter plaatse van alle geprojecteerde woonbestemmingen sprake is van een goed- woon- en leefklimaat en dat er door de voorgenomen ontwikkeling geen inrichting wordt belemmerd in de uitoefening van haar reguliere activiteiten.
Als de optredende geluidbelastingen op de gevels van de geprojecteerde woonbestemmingen niet tot de voorkeurswaarde van 48 dB kunnen worden gereduceerd, zoals in het onderhavige geval, dan dient bij de aanvraag Omgevingsvergunning een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidwerende kwaliteit van de gevels te worden toegevoegd. Hierbij dient te worden aangetoond dat de karakteristieke geluidswering Ga,k van de uitwendige scheidingsconstructies ter plaatse van geluidsgevoelige ruimten als gevolg van het cumulatieve optreden van het wegverkeerslawaai voldoet aan de hiervoor gestelde grenswaarden uit het Bouwbesluit. De geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructies van het geprojecteerde woonbestemmingen dienen ten minste gelijk te zijn aan het verschil tussen de cumulatieve geluidsbelasting zoals opgenomen in bijlage 10 bij het rapport en de grenswaarde voor het geluidsniveau in geluidsgevoelige ruimten van 33 dB. Een en ander zoals vermeld in afd. 3.1 van het Bouwbesluit. De karakteristieke geluidswering Ga,k dient in alle situaties echter ten minste 20 dB te bedragen. Warmtepompen In het kader van voorliggend plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke inpassing van te plaatsen van warmtepompen in het kader van het voorziene appartementencomplex. Het onderzoek is als bijlage 8 opgenomen.
Het doel van het ingestelde onderzoek is het inzichtelijk maken van de optredende geluidsbelasting op de in de directe omgeving van de betreffende inrichting aanwezige geluidgevoelige bestemmingen of aangrenzende percelen, na het in gebruik nemen van deze installatie. Tevens dient er te worden nagegaan in hoeverre de geprojecteerde installaties ruimtelijk zijn in te passen in de betreffende omgeving. 32
Geconcludeerd kan worden dat de in het plan opgenomen buitenunits akoestisch kunnen worden ingepast zonder het aanbrengen van extra voorzieningen. Conclusie Indien in het kader van voorliggend plan een overkapping wordt gerealiseerd ter plaatse van de uitgang van de parkeergarage op basis van de in het onderzoeksrapport (bijlage 7) weergegeven uitgangspunten, is het plan akoestisch uitvoerbaar.
5.6 Water Kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouw- en nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Analyse In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage 9). Op basis hiervan concludeert het waterschap dat met het plan geen waterschapsbelang wordt geraakt. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘water’ uitvoerbaar.
5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ In voorliggend geval is sprake van een locatie die in bestaand stedelijk gebied ligt.
Het plangebied wordt omringd door diverse functies, waardoor gesteld kan worden dat sprake is van gemengd gebied. 33
Analyse Voorliggend plan maakt een nieuwe milieugevoelige functie in de vorm van ‘wonen’ mogelijk. In het kader van voorliggend plan is onderzocht of zich in de directe omgeving van het plangebied bedrijven of instellingen bevinden die vanuit milieukundig oogpunt van invloed zijn op de woningen en andersom. Het gaat daarbij om onderzoek naar de interne en externe werking. Van externe werking is sprake als de functies die het plan mogelijk maakt een negatief effect hebben op de omgeving. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van woningen en een commerciële plint. Woningen zijn geen milieubelastende functie. Dat betekent dat de woningen geen extern effect hebben. Functies die in de commerciële plint worden voorzien betreffen retail of horeca. Retail heeft geen extern effect. Horeca heeft dat, afhankelijk van de categorie, wel. In het kader van het uitgevoerde akoestische onderzoek zijn de effecten van deze horeca in beeld gebracht. Er is geen sprake van een negatief effect. Bij interne werking gaat het om het effect van omliggende functies op milieugevoelige functies binnen het plangebied. In dit geval gaat het daarbij om het effect van omliggende functies op de te realiseren woningen. Ten noordoosten van het plangebied, aan de overzijde van de Van Weedestraat, bevinden zich gronden met de bestemming ‘Centrum’.
De afstand tussen het plangebied en deze gronden is ruim 30 meter. De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel, met uitzondering van supermarkten, dienstverlening met overwegend een baliefunctie, zoals reisbureaus, bankfilialen, makelaarskantoren, videotheken, kap- en schoonheidssalons en schoenmakers. Daarnaast is ‘wonen’ op de verdieping toegestaan. Op basis van de bestemming ‘Centrum’ zijn functies toegestaan die op basis van de VNG-publicatie een richtafstand hebben die een negatief effect hebben op het plan. De toegestane functies hebben zodoende geen negatief effect op het plangebied. Datzelfde geldt voor het oostelijk van het plangebied gelegen perceel. Ook hier geldt de bestemming ‘centrum’ met dezelfde toegestane functies als op het noordelijk gelegen perceel. Ten westen van het plangebied bevindt zich eveneens een perceel met de bestemming ‘Centrum’. Binnen deze bestemming zijn dezelfde functies toegestaan als hiervoor benoemd. Gezien de afstand tussen het bouwvlak van de bestemming en voorliggend plangebied van 30 meter is er geen negatief effect te verwachten. Naast de enkelbestemming ‘Centrum’ heeft de locatie een aanduiding ‘horeca tot en met categorie 2’. De richtafstand van horecabedrijven tot en met categorie 2 bedraagt 30 meter. In gemengd gebied is dat 10 meter.
Dat betekent dat ook horecabedrijven geen negatieve invloed hebben op het plangebied. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een woonbestemming. Woningen hebben geen milieukundige invloed op de omgeving, waardoor ook dit perceel niet tot negatieve effecten leidt. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich op ruim 50 meter een perceel met een maatschappelijke bestemming. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen op het gebied van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar, recreatie, gezondheids- en revalidatiezorg, ouderenzorg en –huisvesting, alsmede openbare en bijzondere dienstverlening. De richtafstand van de hiervoor genoemde functies is kleiner dan 50 meter en dus niet van invloed op de planontwikkeling.
34
Conclusie Op basis van voorgaande is het bestemmingsplan op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op 15 november 2007 is de nieuwe Wet Milieubeheer in werking getreden. In deze wet is ook de regeling voor luchtkwaliteit opgenomen. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden; 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen; 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Analyse Het plan betreft de realisatie van 25 woningen (in combinatie met een commerciële plint). Het betreft hier een plan categorie 3A.2 (woningbouwlocatie) overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd.
Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
5.9 Verkeer en parkeren Beleidskader Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Ook mag er geen nadelig effect ontstaan ten gevolge van de toename van verkeerbewegingen. De gemeente Soest heeft in haar bestemmingsplannen opgenomen dat een plan moet voldoen aan de ‘Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening’. Hierin zijn parkeernormen voor fietsen en auto’s opgenomen.
Analyse Verkeer In de bestaande situatie bevindt zich achter het bestaande gebouw een parkeerterrein met 16 parkeerplaatsen. Vanaf dit parkeerterrein wordt het plangebied ontsloten op het Nassauplantsoen. Vanaf daar verspreidde de auto’s zich via de bestaande wegen. Bezoekers die op de fiets komen kunnen kun plangebied bereiken door middel van de bestaande fietsroutestructuur. In de nieuwe situatie wordt een parkeergarage met 22 plaatsen onder het gebouw gerealiseerd en worden op maaiveld 6 parkeerplaatsen gerealiseerd. Auto’s ontsluiten nog steeds via het 35
Nassauplantsoen. Gezien het beperkte aantal verkeersbewegingen verandert er aan de verkeersintensiteit nagenoeg niets. Parkeren Voorliggend plan is getoetst aan de geldende parkeernormen. Op basis van de geldende parkeernormen geldt de volgende parkeeropgave: Wonen zorg toegelaten instelling
norm
sociale huur tot 55 m2 56 m2 tot 70 m2 71 m2 tot 85 m2 86 m2 tot 100 m2
Commercieel Retail/daghoreca
aantal
totaal
0,6
8
4,8
0,7 1,2 1,3 1,7
3 4 6 4 25
2,1 4,8 7,8 6,8 21,5
4
145
5,8
Totaal
27,3
Op basis van voorgaande is er sprake van een parkeervraag van 27,3 parkeerplaatsen. De ontwikkeling voorziet in het realiseren van in totaal 28 parkeerplaatsen. Van deze 28 parkeerplaatsen zijn er 22 voorzien in een parkeergarage en 6 op maaiveld( Nassuaplantsoen). Het gemeentelijk beleid voorziet erin dat parkeerplaatsen in een parkeergarage voor 0,8 mee mogen worden gerekend. Dat betekent in voorliggend geval met 22 x 0,8 = 17,6 plus 6 parkeerplaatsen op maaiveld = 23,6 parkeerplaatsen gerekend mag worden. Dat zou betekenen dat er een tekort is van 27,3 (parkeeropgave) – 23,6 (parkeeroplossing) = 3,7 parkeerplaatsen. Parkeeroplossing: Eigen terrein Parkeerbak
22
berekeningsaantal** 0,8 17,6
Buiten eigen terrein Nassauplantsoen
6
1
Totaal
6 23,6
Er is echter sprake van maatgevende momenten in het gebruik van de parkeerplaatsen. Het maatgevende moment is het moment op de dag waarop sprake is van de grootste parkeervraag. In het volgende overzicht is het maatgevende moment van de parkeervraag in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat op het maatgevende moment 24 (23,95) parkeerplaatsen nodig zijn. Dat betekent dat er een tekort is van 23,95 (parkeeropgave) – 23,6 (parkeeroplossing) = 0,35 parkeerplaatsen.
36
Het gemeentelijk beleid voorziet erin dat bij een afronding van een parkeereis onder de 0,49 naar beneden wordt afgerond. Dat betekent in voorliggend geval dat sprake is van een afronding naar beneden, waarmee het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen.
Conclusie Het plan is op basis van het aspect parkeren uitvoerbaar.
5.10 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); 37
-
de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Analyse In het kader van voorliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede uit de risicokaart weergegeven. Hieruit blijkt dat
Uitsnede risicokaart. Conclusie Het voorziene plan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.
5.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 38
2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Het bestemmingsplan voorziet in het omzetten van de agrarische bestemming in een woonbestemming welke voorziet in de realisatie van 25 woningen en een commerciële plint. Gelet hierop moet deze ontwikkeling aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan wordt dan ook genoemd onder categorie D 11.2 van de lijst van bijlage D van het Besluit m.e.r. De drempelwaarden zoals opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject worden niet overschreden. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Dit is in voorliggende hoofdstukken beschreven en op basis van onderzoek aangetoond. Het college neemt op basis hiervan het expliciete besluit dat geen m.e.r.-plicht geldt.
5.12 Conclusie In dit hoofdstuk is het plan getoetst aan relevante ruimtelijke en milieukundige elementen. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is. Het vervolgonderzoek naar vleermuizen vindt in 2024 gedurende de wettelijke uitvoeringsperioden plaats. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een verplichting opgenomen dat dit onderzoek uitgevoerd moet zijn en mogelijke aanvullende maatregelen getroffen moeten zijn voordat werkzaamheden plaats mogen vinden die eventuele beschermede soorten kunnen verstoren. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan verzekerd.
39
6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de plannen heeft afstemming plaatsgevonden met omwonenden en belangstellenden. Op verschillende momenten hebben inloopbijeenkomsten plaatsgevonden waar belanghebbenden en belangstellenden reacties op het plan konden geven. Ook hebben individuele gesprekken met omwonenden en ondernemers plaatsgevonden. Bij de planuitwerking is rekening gehouden met gemaakte opmerkingen. Onder andere bij het bepalen van de positie van het voorziene gebouw.
6.3 Economische uitvoerbaarheid De ontwikkelings- en uitvoeringskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die gemoeid zijn met het opstellen van dit bestemmingsplan worden middels een anterieure overeenkomst in rekening gebracht bij de initiatiefnemer. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen omdat het kostenverhaal op een andere wijze is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd.
40
7. Juridische aspecten 7.1 Algemeen 7.1.1 Wat is een bestemmingsplan Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. De grondgebruiker (eigenaar, huurder et cetera) mag de functie uitoefenen die het bestemmingsplan toestaat. Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt daarom: -
het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen).
7.1.2 Over bestemmen, dubbel bestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een (enkel)bestemming. De gronden met een bepaalde bestemming zijn begrensd door het bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Aanvullend daarop kunnen de toegekende gebruiksmogelijkheden op twee manieren verder worden ingevuld: -
-
Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die ook aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en daarnaast soms een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding. Een aanduiding is een vlak of een teken op de ruimtelijke verbeelding van het plan. Bij het vlak kan het gaan om een functieaanduiding. Het teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden en/of beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing. De (on)mogelijkheden van aangeduide gebieden kunnen zijn geregeld in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels, maar ook in een eigen regel in de Algemene aanduidingsregels.
Een toelichting op de in dit bestemmingsplan opgenomen enkel- en dubbelbestemmingen en opgenomen aanduidingen staat in paragraaf 7.3.
7.1.3 Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: -
Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te 41
-
-
-
waarborgen. Ook is de manier waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald. De inhoudelijke opzet van deze regels wordt deels voorgeschreven in de SVBP2012. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Hierbij is een landelijk een hiërarchie afgesproken, waarbij eerst de enkelbestemmingen (alfabetisch) aan de orde komen en vervolgens de dubbelbestemmingen (ook alfabetisch). Per bestemming geven de bestemmingsomschrijving en de (specifieke) gebruiksregels aanwijzingen voor het gebruik. De bouwregels geven per bestemming aanwijzingen voor het bouwen van gebouwen, bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Eventueel zijn hierbij flexibiliteitsbepalingen - mogelijkheden voor afwijken met een omgevingsvergunning en/of wijzigingsbevoegdheden - opgenomen. Daarnaast kan het voorkomen dat een bestemming voorzien is van een omgevingsvergunningstelsel. Dit bepaalt bijvoorbeeld welke werken en/of werkzaamheden alleen mogelijk zijn na verlening van een omgevingsvergunning. Vaak zijn de flexibiliteitsbepalingen en het omgevingsvergunningstelsel gekoppeld aan randvoorwaarden en/of eisen waaraan voldaan moet worden. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Deze gelden in principe voor het hele plangebied.
Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in feite algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. De inhoudelijke opzet van deze regels wordt deels voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de geldende SVBP.
7.2 Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting (met bijbehorende bijlagen). De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide plandelen worden in onderlinge samenhang bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Regels -
De opbouw van de regels van de verschillende bestemmingen is overal hetzelfde, deze is als volgt: Bestemmingsomschrijving: In dit onderdeel worden de toegestane doeleinden en het toegestane gebruik omschreven. Bouwregels: Hierin worden de regels voor wat betreft het bouwen uitgewerkt. Nadere eisen: In deze bepaling is opgenomen dat Burgemeester en Wethouders nadere eisen kunnen stellen inzake de plaats en afmeting van gebouwen, bijvoorbeeld in het kader van een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid of de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Deze bepaling maakt het mogelijk voor het gemeentebestuur om waar nodig sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling. 42
-
-
-
-
Afwijking bouwregels: In dit onderdeel kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels, waarmee ruimere bouwmogelijkheden kunnen worden gegeven. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel kunnen enkele specifieke ongewenste gebruiksmogelijkheden uitgesloten, zoals zelfstandige bewoning van bijgebouwen en stortplaatsen. Afwijking van de gebruiksregels: In dit onderdeel zijn mogelijkheden voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels opgenomen, bijvoorbeeld voor het toestaan van aan huis gebonden bedrijven. Wijzigingsbevoegdheid: In dit onderdeel kunnen mogelijkheden op worden genomen voor het wijzigen van de bestemming. In dit bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden: Dit onderdeel (de voormalige aanlegvergunning) is alleen van toepassing voor de dubbelbestemmingen voor archeologie.
Verbeelding -
-
Voor de vormgeving van de verbeelding geldt een aantal uitgangspunten. Zo worden de kaarten in kleur opgezet, waarbij de kleuren worden ondersteund met een letteraanduiding. De kleuren en letters zijn afgestemd op de kleur en letteraanduiding in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De schaal van de analoge kaarten is 1:1.000. Ten behoeve van de gebruiksvriendelijkheid en digitale raadpleegbaarheid wordt waar mogelijk informatie op de verbeelding gezet (bouwvlakken, goot-/bouwhoogten, eventueel bebouwingspercentages).
7.3 Regels De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Voorliggend bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen. Centrum De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel, met uitzondering van supermarkten, dienstverlening met overwegend een baliefunctie, zoals reisbureaus, bankfilialen, makelaarskantoren, videotheken, kap- en schoonheidssalons, schoenmakers en wonen in een woning. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van centrum - horeca tot en met horecacategorie 1', horeca tot en met horecacategorie 1. Deze aanduiding is opgenomen ter plaatse van de voorziene commerciële ruimte op de begane grond. Op basis van het bestemmingsplan zijn maximaal 25 woningen toegestaan. Waarde - Archeologie hoge verwachting De voor 'Waarde - archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming 'Waarde - archeologie hoge verwachting' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
7.4 Verbeelding Voor de vormgeving van de verbeelding geldt een aantal uitgangspunten die als volgt luiden: 43
-
-
De kaarten worden in kleur opgezet waarbij de kleuren worden ondersteund met een letteraanduiding (bijvoorbeeld B- bedrijventerrein) een en ander afgestemd op de kleur en letteraanduiding in de SVBP2012. De schaal van de kaarten is 1: 1.000. Ten behoeve van de gebruiksvriendelijkheid en digitale raadpleegbaarheid wordt waar mogelijk informatie op de kaart gezet (bouwvlakken, goot-/bouwhoogten, bebouwingspercentages).
In dit bestemmingsplan zijn deze vormgevende uitgangspunten toegepast. Dit bestemmingsplan biedt een nieuwe regeling waarbij aangesloten wordt op bestaande regelingen voor omliggende gebieden. Daarbij worden het handboek en de SVBP2012 als basis voor de regeling aangehouden.
44
Bijlagen Bijlage 1. Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 2. Archeologisch booronderzoek Bijlage 3. Ecologische QuickScan Bijlage 4. AERIUS-berekening Bijlage 5. Bodemonderzoek Bijlage 6. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7. Onderzoek industrielawaai Bijlage 8. Akoestisch onderzoek warmtepompen Bijlage 9. Watertoets
45
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl