CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Nota bodembeheer gemeente Soest 2021-2031.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 10 februari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Nota bodembeheer met bodemkwaliteitskaart, inclusief PFAS beleid20.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit praktische overweging is er daarom in deze nota voor gekozen dat de ontgravingskwaliteit die is vastgesteld voor de bodemlaag tot 2,0 m-mv ook geldt voor de laag dieper dan 2,0 m-mv.

27

5.4 Gebiedsspecifiek beleid Indien geen gehalten PFAS bekend zijn van grond, die binnen vrijkomt binnen de zone van de BKK PFAS waarvan de gemeente Soest deel uitmaakt, is deze grond ten aanzien van PFAS vrij toepasbaar. In de beleidsnota PFAS zijn scherpere normen vastgesteld voor grondwaterbeschermingsgebieden. Binnen deze gebieden mag de bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS niet verslechteren. Omdat het niet waarschijnlijk is dat het gehalte PFAS buiten het grondwaterbeschermingsgebied in de gemeente Soest anders is dan daarbinnen, vormt het gehalte PFAS in deze situatie geen criterium bij de toepassing van grond. Zijn wel onderzoeksresultaten bekend van PFAS dan moeten deze worden getoetst aan de normen uit het de beleidsnota PFAS. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). Voor de toepassingseisen die gelden in het geval onderzoeksresultaten bekend zijn wordt verwezen naar de Beleidsnota PFAS. 5.5 Toekomstige bijstelling van de landelijke (toepassings-)normen Het RIVM doet onderzoek naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en er worden landelijk meetgegevens verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens definieert het RIVM interventiewaarden en worden de toepassingseisen voor PFAS-verbindingen mogelijk aangepast.

Als de landelijke toepassingseisen voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd zal de gemeente deze toetsen aan de in deze notitie gedefinieerde lokale toepassingseisen voor hergebruik van PFAS-houdende grond (zie dit hoofdstuk). Indien van toepassing worden de gemeentelijke toepassingseisen gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld (zie hoofdstuk 8).

28

6. Bijzondere omstandigheden 6.1 Verontreinigde of gesaneerde gebieden Verontreinigde locaties of gesaneerde terreinen waar de verontreinig in de grond niet volledig is verwijderd, maken geen onderdeel uit van de BKK. De BKK gaat immers over de gebiedseigen bodemkwaliteit die representatief is voor een zone. Verontreinigde locaties of gesaneerde terreinen waar verontreiniging in de grond is achtergebleven zijn niet representatief. Het wettelijk kader voor grondverzet van en naar verontreinigde, verdachte of gedeeltelijk gesaneerde locaties kan anders zijn en er kan een ander erkend bewijsmiddel nodig zijn, zoals een bodemonderzoek voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem. Dit betreft maatwerk waarvoor voorafgaand aan de toepassing van grond afstemming met de RUD Utrecht nodig is. Verontreinigde, verdachte of gedeeltelijk gesaneerde locaties zijn niet weergegeven op de bodemkwaliteitskaart, omdat dit dynamische informatie is (een verontreinigde locatie kan bijvoorbeeld gesaneerd worden, of er kan een nieuwe verdachte locatie bijgekomen zijn op basis van nieuwe informatie). Voor elke locatie waar grondverzet gepleegd gaat worden, is het daarom nodig om vast te stellen of al dan niet sprake is van een verdachte of gesaneerde locatie. Zie paragraaf 7.2.

6.2 Functies Wonen en Industrie in het buitengebied Het buitengebied (Zone C, zie kaartbijlage 2) is ingedeeld in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Echter binnen dit gebied bevinden zich percelen met functies Wonen of Industrie (bedrijvigheid waaronder agrarische bedrijven). Voor deze percelen wordt de achtergrondwaarde (Klasse AW2000) als toepassingseis voor aan te brengen grond te streng gevonden. Daarom gelden voor deze percelen dezelfde toepassingseisen als voor gebieden die op de kaart in de bodemfunctieklasse Wonen vallen. Dit is verder niet weergegeven op de Toepassingskaart (kaartbijlagen 4). Voor het elders toepassen van grond afkomstig van deze locaties gelden de generieke regels van het Besluit bodemkwaliteit. 6.3 Grootschalige bodem toepassing (GBT) Het Besluit bodemkwaliteit (art. 63) maakt het mogelijk (grond of baggerspecie) in zogenaamde grootschalige bodemtoepassingen te verwerken. Voor een grootschalige bodemtoepassing gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Voorliggende nota is hierop niet van toepassing.

Van een grootschalige bodemtoepassing is sprake als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: - de toepassing heeft een minimaal volume van 5.000 m³; - de toepassing heeft een minimale hoogte van 2 meter (tenzij sprake is van een leeflaag of (spoor)wegen, want dan geldt een minimale hoogte van 0,5 meter); - een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van tenminste 0,5 m, waarbij de leeflaag dezelfde of betere milieukwaliteit heeft dan de omliggende bodem. 29

Het Besluit bodemkwaliteit (art. 63) noemt de volgende toepassingen grootschalig: toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen; toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving; toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart; toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. 6.4 Tijdelijke uitname Tijdelijke uitname van grond is uitgezonderd van veel verplichtingen uit het Besluit bodemkwaliteit, waaronder de meldingsplicht.

Om te voldoen aan tijdelijke uitname moet worden voldaan aan de volgende criteria uit het Handvat tijdelijke uitname van 7 juli 2010 (opgesteld door voormalig AgentschapNL): - er moet sprake zijn van het terugplaatsen van grond op of nabij dezelfde locatie; - grond moet in dezelfde toepassing teruggeplaatst worden; - grond moet onder dezelfde omstandigheden teruggeplaatst worden; - grond moet zonder bewerking teruggeplaatst worden. Hoewel het uitzeven van bodemvreemd materiaal normaal gesproken als een bewerking wordt gezien, is in de toelichting van het Besluit bodemkwaliteit expliciet opgenomen dat in het geval het uitzeven van bodemvreemd materiaal voor civieltechnische doeleinden niet als bewerking wordt gezien. Dit betekent dat in dat geval de ontgravingskaart ook na het zeven als bewijsmiddel mag worden gebruikt. 6.5 Tijdelijke opslag Grond kan vaak niet direct worden toegepast op de definitieve eindbestemming. Grond wordt dan eerst tijdelijk opgeslagen in een depot. Tijdelijke opslag van grond of baggerspecie valt ook onder het Besluit bodemkwaliteit. Voor een aantal vormen van tijdelijke opslag wordt aangesloten bij het gebiedsspecifieke beleid dat opgesteld is voor het toepassen van grond (zie hoofdstuk 4). Echter niet voor alle vormen van tijdelijke opslag mag de gemeente zelf beleid maken.

De volgende regels uit het generieke beleidskader die gelden bij tijdelijke opslag blijven gelden: een tijdelijke opslag mag nooit langer duren dan 3 jaar; alle tijdelijke opslagen dienen gemeld te worden, met uitzondering van opslag bij tijdelijke uitname (zie paragraaf 6.4); bij een opslag die korter duurt dan 6 maanden (kortdurende opslag) is de kwaliteit van de ontvangende bodem niet van belang, zolang het geen (vermoedelijk) ernstig geval van bodemverontreiniging betreft.

30

7. Handvat grondverzet 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de werkzaamheden die nodig zijn bij het ontgraven en hergebruik/toepassen van grond. Tevens zijn enkele aandachtspunten vanuit verschillende wetgeving opgenomen die relevant zijn bij grondverzet. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen te worden met hoofdstuk 5 (bijzondere omstandigheden). 7.2 Stappenschema grondverzet Grondverzet binnen de grens van het beheergebied van de BKK start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen: 1. Vooronderzoek, conform NEN5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht zijn voor bodemverontreiniging; 2. Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond; 3. Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is; 4. Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden; 5. Melden van het grondverzet bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. De RUD Utrecht controleert in opdracht van de gemeente de meldingen.

Stap 1: onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging Grondverzet op basis van BKK is alleen toegestaan voor locaties die onverdacht zijn op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Daarom is het voorafgaand aan grondverzet noodzakelijk dat historische informatie wordt verzameld over de locatie waarvan de grond afkomstig is en van de locatie waar de grond wordt toegepast. Dit zogenaamde vooronderzoek moet voldoen aan de NEN 5725 en mag worden uitgevoerd door een nietgecertificeerde partij. Het vooronderzoek moet informatie verschaffen over: - Het bodemgebruik; - De bodemsamenstelling met specifieke aandacht voor (mogelijke aanwezige) bodemvreemde materialen, waaronder asbestverdacht materiaal; - Lokale bodemverontreiniging. Relevante informatie kan worden verkregen via de internetsites, vermeld in bijlage 3. Het vooronderzoek zal beoordeeld worden door het bevoegd gezag. Indien sprake is van een onverdachte locatie, dan kan de BKK worden gebruikt als geldig bewijsmiddel. Indien sprake is van een verdachte locatie, is aanvullend (voor)onderzoek noodzakelijk op de verdachte plaatsen en stoffen.

Als vervolgens blijkt dat de bodemkwaliteit ondanks de verdachtheid niet afwijkend is van de verwachte bodemkwaliteit op grond van de Ontgravingskaart, dan kan de vrijkomende grond alsnog worden toegepast met de BKK als bewijsmiddel en met in achtneming van de gebiedsspecifieke regels uit deze nota. Bevestigen de uitkomsten van het aanvullend onderzoek dat de locatie verdacht is dan is de locatie uitgesloten en zijn de gebiedsspecifieke regels uit deze nota niet van toepassing.

31

Stap 2: kwaliteit van de ontgraven grond De ontgravingskaart van de BKK geeft aan welke kwaliteit grond naar verwachting vrijkomt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (kaartbijlage 3A) en de ondergrond (kaartbijlage 3B). Op basis van de kwaliteit (AW2000, wonen of industrie) kan worden bepaald in welke zones deze grond toegepast kan worden. Let op: de kwaliteit van grond die onderzocht is in een partijkeuring gaat altijd vóór op de verwachte kwaliteit op basis van de ontgravingskaart. Als gemeten kwaliteit slechter is dan vermeld op de ontgravingskaart, kan de ontgravingskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Stap 3: de toepassingseis van de ontvangende bodem Bij een toepassing onder het generieke kader kan de toepassingseis worden bepaald aan de hand van de grondstromenmatrix in § 4.2, tabel 4.2 van de nota. Als de initiatiefnemer gebruik wil maken van een toepassing onder het gebiedsspecifieke kader dan gelden de criteria uit § 4.2, tabel 4.3 van de nota. De gebiedsspecifieke toepassingskaart (zie kaartbijlage 4) geeft aan welke kwaliteit in een zone mag worden toegepast. Als een partij grond afkomstig is uit een zone met vergelijkbare (of betere) bodemkwaliteit kan de partij worden toegepast.

Stap 4: specifieke situaties Naast gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn er ook specifieke situaties die vragen om een andere aanpak of vanuit een ander kader wettelijk beschermd zijn. Na het bepalen van de toepassingseis moet worden beoordeeld of een specifieke situatie (hoofdstuk 5) van toepassing is voor dit grondverzet. Stap 5: tijdig melden van het grondverzet Voorafgaand aan de toepassing van grond op een locatie is een melding noodzakelijk (Besluit bodemkwaliteit, artikel 42, lid 1). Dit moet minimaal 5 werkdagen van tevoren via het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Melden is niet nodig voor (artikel 42, lid 8): ieder die grond met de kwaliteit AW2000 toepast in een omvang van minder dan 50 m³ totaal; particulieren die grondverzet in eigen beheer uitvoeren en daarvoor geen bedrijf inhuren; agrariërs die grondverzet plegen tussen percelen binnen het eigen landbouwbedrijf waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld. 7.3 Aandachtspunten Zorgplicht Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen.

Deze zorgplicht betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat nadelige gevolgen voor de bodem kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken (artikel 7 Besluit bodemkwaliteit en artikel 13 Wet bodembescherming).

32

Samenvoegen van grond Het samenvoegen of opbulken van partijen grond is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is vastgelegd in de vergunning van een inzamelaar, een bewerker of een verwerker. Hierbij moet de aard, samenstelling (zand/klei/veen) en concentratie vergelijkbaar zijn. Dit is opgenomen in het Landelijke Afvalplan 2 hoofdstuk 18. Op het samenvoegen van partijen grond is de BRL 9335 van toepassing. Samenvoegen van kleine partijen tot 25 m³ is toegestaan zonder erkenning. Het gevolg van de samenvoeging van grond zonder erkenning is wel dat de bewijsmiddelen van de afzonderlijke partijen komen te vervallen. Transport verontreinigde grond of baggerspecie Voor het transport van bouwstoffen geldt dat het verboden is om bouwstoffen te vervoeren als niet wordt voldaan aan de eisen uit Bbk (artikel 28). Het Besluit bodemkwaliteit regelt weinig over het transport van grond en baggerspecie. In tabel 7.1 is aangegeven welke wetgeving relevant is bij transport van grond en baggerspecie. Tabel 7.1: Wetgeving bij transport van grond Relevante wet- en regelgeving Wet milieubeheer in relatie tot Besluit melden

Verkeersregelgeving/Wet vervoer gevaarlijke stoffen Privaatrecht

Relatie met transport Dit besluit, officieel ‘Besluit melden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen’, bevat regels voor afgifte, ontvangst en vervoer van bedrijfs- en gevaarlijke afvalstoffen. Het besluit geeft regels voor onder andere de ontvangst- en afgiftemelding, het gebruik van het afvalstroomnummer en de begeleidingsbrief. Dit geldt alleen als grond wordt afgevoerd naar een (milieu)inrichting. Op grond van de verkeersregelgeving moet transport aan allerlei regels voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Vanuit het privaatrecht wordt ieder transport vergezeld van een vrachtbrief. Hierin zijn de vracht, herkomst en bestemming aangegeven.

Overige aandachtspunten bij ontgravingen Naast het Bbk geldt er verschillende wet- en regelgeving als men gaat graven in de bodem. Hieronder is een niet limitatieve lijst opgenomen van thema's die meegewogen moeten worden: - Archeologie; - Ontplofbare oorlogsresten; - Kabels, Leidingen en riolering; - Aardkundige Waarden; - ARBO. Informatie is over deze thema's is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de betreffende gemeente en/of de Inspectie SZW.

33

Bijlage 1: Bodemkwaliteitskaart

34

Bodemkwaliteitskaart gemeente Soest Projectteam

Auteur

: Gemeente Soest: Jennifer Franken, Xander Veening RUD Utrecht: Oscar Groenhof, Rob Tuinenburg, Maarten van den Berg : Maarten van den Berg

Datum

: 29 april 2021

35

Inhoudsopgave 1. Inleiding

3

2. Doelstelling

4

3. Werkwijze en resultaat 3.1 Stap 1: Definitiefase 3.2 Stap 2: Onderscheidende gebiedskenmerken 3.3 Stap 4: Indeling bodembeheergebied in deelgebieden 3.4 Stap 3: Gegevensverzameling en –verwerking 3.4.1 Selecteren beschikbare gegevens 3.4.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters 3.4.3 Het vervangen van waardes beneden de detectielimiet 3.4.4 Het opsporen van uitbijters 3.5 Stap 5: Evaluatie gebiedsindeling 3.5.1 Indeling bodemkwaliteitszones 3.5.2 Aantal waarnemingen 3.5.3 PCB in de BKK 3.5.4 Ruimtelijk spreiding 3.6 Stap 6: Verzamelen van aanvullende informatie 3.7 Stap 7: Karakteriseren bodemkwaliteitszones 3.7.1 Heterogeniteit 3.7.2 Controle saneringscriterium 3.8 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart 3.8.1 Bodemzoneringskaart 3.8.2 Ontgravingskaart 3.8.2 Toepassingskaart

5 5 6 7 8 8 9 9 9 10 10 11 12 12 13 13 14 15 15 15 16 16

Bijlagen BBK bijlage 1 Specifieke uitbijters BBK bijlage 2 Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem)

36

1.

Inleiding

De gemeente Soest wil graag de mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) biedt voor gebiedsspecifiek bodembeleid benutten en heeft daarom aan de RUD Utrecht opdracht gegeven om een nota bodembeheer (verder: nota) met bodemkwaliteitskaart (verder: BKK) op te stellen. De BKK is gericht op het grondgebied van de gemeente Soest (hierna: bodembeheergebied). Deze kaart vormt een belangrijke pijler onder het grondstromenbeleid van de gemeente Soest onder het Besluit bodemkwaliteit dat is beschreven in de nota. De nota en de kaart vallen binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Een BKK is een kaart waarop de diffuse bodemkwaliteit (de achtergrondkwaliteit) binnen het bodembeheergebied is aangegeven. Het bodembeheergebied is daarbij verdeeld in zones met een vergelijkbare bodemkwaliteit. Binnen de te onderscheiden zones is de gemiddelde kwaliteit vergelijkbaar, terwijl tussen de zones een verschil in kwaliteit kan bestaan. De kaart geldt niet voor locaties die historisch zijn belast door puntbronnen. De BKK is een onderdeel van de nota bodembeheer van de gemeente Soest. De bodemkwaliteit is bepaald voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket (zie § 3.1). De stofgroep PFAS in niet opgenomen in deze BKK. Hiervoor maakt de gemeente Soest gebruik van de “Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht”.

Nadat de BKK door de gemeenteraad is vastgesteld kan deze onder de voorwaarden uit de nota worden gebruikt als kwaliteitsbewijs bij het ontgraven en toepassen van grond, zonder aanvullende kwaliteitsbepaling. In het voorliggende rapport staat beschreven hoe de BKK tot stand is gekomen, hoe de verwerking van de beschikbare onderzoeksresultaten is uitgevoerd en welke afwegingen zijn gemaakt om uiteindelijk te komen tot de indeling van het grondgebied van de gemeente Soest in bodemkwaliteitszones. In bijlage 2 van de nota zijn de gebruikte begrippen in dit rapport toegelicht.

37

2.

Doelstelling

De doelstelling van een BKK is om een actueel en dekkend beeld te realiseren van de diffuse chemische bodemkwaliteit binnen de gemeente Soest. Daarnaast is de doelstelling van de gemeente om met de BKK gebruik te maken van de mogelijkheden die het Bbk biedt: • bij het toepassen van grond en baggerspecie op en in de landbodem; • als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven dan minder partijkeuringen te worden uitgevoerd, wat kosten- en tijdbesparend werkt bij grondverzet); • bij het minimaliseren van mogelijke knelpunten bij grond- en/of baggerverzet; • om gebiedsspecifiek bodembeleid te kunnen realiseren; • als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit bij de aanvraag van bouwvergunningen.

38

3.

Werkwijze en resultaat

Bij het opstellen van de BKK is het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten1 gevolgd. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven. In de Richtlijn is aangegeven dat het niet noodzakelijk is om de stappen in chronologische volgorde aan te houden. Noodzakelijk is wel dat de elementen van de stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de BKK. Voor de totstandkoming van deze BKK is de volgende volgorde van de stappen gebruikt: 1 → 2 → 4 → 3 → 5 → 6 → 5 → 7 → 8. Stap 1: Stap 2: Stap 4: Stap 3: Stap 5: Stap 6: Stap 7: Stap 8:

Definitiefase. Vaststellen van onderscheidende kenmerken. Indelen van het bodembeheergebied in deelgebieden. Gegevensverzameling en gegevensbewerking. Controle indeling van het beheergebied. Verzamelen van aanvullende informatie. Karakteriseren van de bodemkwaliteitszones. Opstellen ontgravings- en toepassingskaart.

De BKK voldoet aan de eisen in bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit.

3.1

Stap 1: Definitiefase

De BKK is opgesteld binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Bbk. De BKK geeft aan wat de verwachte ontgravingskwaliteit is en, in combinatie met de nota bodembeheer wat de toepassingsmogelijkheden zijn van grond binnen het bodembeheergebied. In de voorliggende BKK zijn de volgende technisch inhoudelijke elementen opgenomen: • • • •

•

Het beheergebied van de BKK omvat het grondgebied van de gemeente Soest. De BKK is niet geldig voor terreinen die als puntbron van bodemverontreiniging zijn aan te merken. De BKK is opgesteld voor de landbodem van het beheergebied voor de bovengrond (bodemlaag 0,0 – 0,5 meter minus maaiveld (m-mv)) en de ondergrond (0,5 – 2,0 mmv). De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de BKK: o Het grootste deel van de voormalige vliegbasis (zie kaartbijlage 2). Het is uitgesloten vanwege het vermoeden van bodemverontreiniging door puntbronnen ter plaatse; o Andere locaties met, of verdacht van, bodemverontreiniging; o Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming; o Het grondwater. De BKK is opgesteld voor het huidige standaard NEN5740 stoffenpakket: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de

1

Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, voormalig Ministerie van VROM en van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en bijbehorende wijzigingsbladen d.d. 1 maart 2012 (sinds 1 april 2012 in werking getreden), d.d. 1 januari 2013 en d.d. 1 januari 2014.

39

•

• • •

stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). De BKK is niet opgesteld voor de stofgroep PFAS (PFOA, PFOS en PFAS Overig). De toepassingsvoorwaarden voor PFAS-houdende grond zijn beschreven in de Beleidsnota PFAS provincie Utrecht, te vinden op www.rudutrecht.nl/het-toepassenvan-pfas-houdende-grond De gegevens van de BKK zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken en in-situ partijkeuringen. De bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld op basis van de gemiddelde gehalten. Daarnaast zijn van elke bodemkwaliteitszone statistische kentallen (percentielwaarden, kortweg P-waarden) berekend (zie BBK bijlage 2). De berekende kentallen zijn getoetst aan de normen uit het Bbk.

3.2

Stap 2: Onderscheidende gebiedskenmerken

Aan de basis van de gemeentelijke BKK ligt de identificatie van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit homogeen is (van vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een deelgebiedenkaart gedefinieerd. Huidige inrichting Het grondgebied van de gemeente bestaat in hoofdlijnen uit de twee woonkernen Soest en Soesterberg. Grenzend aan elk van deze kernen ligt een bedrijventerrein. Tussen beide woonkernen ligt Soestduinen. Dit is een kleine woonkern met vrijstaande woonhuizen. Ten noorden van de woonkern Soesterberg ligt de voormalige vliegbasis. Het terrein heeft primair een functie als natuurgebied. Er zal beperkt woningbouw plaatsvinden aan de noordkant van Soesterberg. Het buitengebied is in gebruik als natuurgebied (bos) en voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor. Historie Het noordelijke en oostelijke deel van de woonkern Soest (burgemeester Grothestraat/ Middelwijksestraat) dateert van vóór 1900. Na WOII is de woonbebouwing geleidelijk in zuidwestelijk richting uitgebreid.

Het gebied rond de Molenweg, dat nu omsloten is door bebouwing, is altijd in gebruik gebleven als landbouwgrond. Begin jaren ’60 is begonnen met de aanleg van een bedrijventerrein aan de noordwestzijde van Soest. Geleidelijk aan is dit uitgebreid tot de huidige omvang. De woonkern Soesterberg bestond tot 1960 uit verspreide woningen in het gebied tussen de Kampweg en de Antonie van Leeuwenhoeklaan. Tussen 1960 en 1970 is dit gebied volgebouwd. Na 1980 zijn ten oosten van Kampweg woonblokken gebouwd maar zijn ook delen onbebouwd gebleven. De onbebouwde delen maken onderdeel uit van landgoederen. Een groot deel van het bedrijventerrein aan de oostzijde van de woonkern was al vóór 1900 in gebruik als militair terrein en dat is nog steeds zo. Vanaf begin jaren ’60 zijn daar enkele bedrijven bijgekomen. 40

De woonkern Soestduinen is ontstaan in de jaren rond 1930 en nadien in zeer beperkte mate uitgebouwd. Ten westen van de woonkern lagen vanaf de beginjaren twee fabrieksterreinen die in de loop der tijd in oppervlak zijn toegenomen. De terreinen zijn respectievelijk in 2008 en 2018 geamoveerd. Op één daarvan is in 2018 gestart met woningbouw. Het andere bedrijfsterrein heeft een natuurbestemming gekregen. Op de topografische kaart uit 1917 wordt voor het eerst melding gemaakt van activiteiten die te relateren zijn aan een vliegveld. Vanaf WOII wordt het gebruikt voor militaire doeleinden. Begin jaren ’80 zijn de huidige startbanen aangelegd. De vliegbasis is vanaf 2008 buiten gebruik gesteld. Bodemopbouw en geomorfologie De bodem in de gemeente Soest bestaat voor een groot deel uit zand (stuifzand, podzolgronden en eerdgronden). Langs de Eem en aan de westzijde van Soest komt op kleine schaal veen voor.

3.3 Stap 4: Indeling bodembeheergebied in deelgebieden Gebaseerd op de gebiedskenmerken is voor de BKK een eerste indeling gemaakt zoals vermeld in tabel 1 en ruimtelijk weergegeven op figuur 1. Tabel 1: Eerste indeling deelgebieden Deelgebied

Omschrijving

Functieklasse

A

Buitengebied Soest

Landbouw/natuur

B

Buitengebied in woonkern Soest

Landbouw/natuur

C

Buitengebied ten zuiden van A28

Landbouw/natuur

D

Woonkern Soesterberg

Wonen

E

Woonkern Soestduinen

Wonen

F

Woonkern Soest

Wonen

G

Bedrijventerrein Soest

Industrie

H

Bedrijventerrein Soesterberg

Industrie

I

Voormalige vliegbasis

Niet gezoneerd

De gebruiksfunctie, zoals weergegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1), is leidend bij de indeling in deelgebieden. Er kan aanleiding zijn om oudere delen van woonkernen, zoals het noordoostelijke deel van Soest, als apart deelgebied aan te merken. Vanwege langdurig humaan gebruik kan de bodemkwaliteit hier negatief zijn beïnvloed. Vooralsnog is hiervan niet uitgegaan. Omdat de bodem in het beheergebied vrijwel volledig uit zand bestaat vormt de bodemsamenstelling geen onderscheidend criterium bij de indeling in deelgebieden. De voormalige vliegbasis is niet gezoneerd en uitgesloten in de ontgravingskaart van de BKK. De reden is dat binnen de begrenzing een aantal gevallen van bodemverontreiniging bekend zijn. Dit is in lijn met gegevens van terreinen met een vergelijkbaar gebruik. 41

Figuur 1: Indeling op basis van onderscheidende kenmerken

Op basis van het voorgaande zijn deelgebieden samengevoegd met de functieklasse als criterium. De indeling zoals vermeld in tabel 2 is gehanteerd voor de verdere totstandkoming van de BKK. Tabel 2: Samenvoeging deelgebieden op basis van functieklasse Samengevoegd Omschrijving deelgebied 1 Buitengebied Soest

Functieklasse

Buitengebied in woonkern Soest

Landbouw/natuur

Buitengebied ten zuiden van A28 2

Woonkern Soesterberg Woonkern Soestduinen

Wonen

Woonkern Soest 3

Bedrijventerrein Soest

Industrie

Bedrijventerrein Soesterberg -

Voormalige vliegbasis

Niet gezoneerd

42

3.4 Stap 3: Gegevensverzameling en -verwerking 3.4.1

Selecteren beschikbare gegevens

De dataset van de BKK is in opdracht van de gemeente Soest samengesteld door adviesbureau WSP en bestaat uit waarnemingen van de periode vanaf 2010 tot en met 2020. Per bodemrapport heeft WSP beoordeeld of deze geschikt is voor de BKK. De waarnemingen zijn hoofdzakelijk gedaan tijdens uitvoering van de volgende typen bodemonderzoek: • Verkennend bodemonderzoek, bijvoorbeeld in het kader van bouw, werkzaamheden aan kabels/leidingen en natuurontwikkeling; • Bodemonderzoek voor het vaststellen van PFAS-achtergrondgehalten; • In-situ partijkeuringen; • Onderzoek naar de milieukwaliteit van de ontvangende bodem bij grondtoepassingen; • Nulsituatie-onderzoeken.

3.4.2

Het samenvoegen van punt- en mengmonsters

De dataset, gebruikt voor het opstellen van de BKK, bevat zowel meng- als puntmonsters met analysegegevens. Onderzoek van de landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft aangetoond dat percentielwaardes2 die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van zowel punt- als mengmonsters vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan als gevolg hiervan geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met analysegegevens waarin zowel puntals mengmonsters zijn opgenomen. De analysegegevens van de mengmonsters zijn als één waarneming opgenomen in de dataset.

3.4.3

Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet

Regelmatig komt het bij analyses voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in concentraties beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyses is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.

2

Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998.

43

3.4.4

Het opsporen van uitbijters

Ondanks dat er representatieve analysegegevens worden geselecteerd voor de analyse, kan er sprake zijn van uitschieters (extreem hoge of lage gehalten) in de dataset. Deze extremen kunnen een gevolg zijn van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door puntbronnen die niet als zodanig bekend zijn. Hierbij worden dan vaak bij meerdere stoffen relatief hoge gehalten of juist hele lage gehalten aangetroffen. Per bodemkwaliteitszone zijn, met een visuele methode (scatterplots) en door 3 maal de interkwartiel afstand (bovenop Q3) aan te houden als maatstaf, extreme waardes geïdentificeerd. De extreme waardes zijn nader beoordeeld. Als de uitbijters tot een puntbron, type- of meetfout waren te herleiden of als niet-representatief zijn beoordeeld in vergelijking met de andere resultaten van dat deelgebied, dan zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd. In bijlage 1 is een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters opgenomen.

3.5 Stap 5: Evaluatie gebiedsindeling 3.5.1

Indeling bodemkwaliteitszones

De indeling in deelgebieden leidt tot de onderstaande bodemkwaliteitszones (zie tabel 3). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen onder- en bovengrond omdat de ondergrond doorgaans een betere kwaliteit heeft dan (of vergelijkbare met) de bovengrond. Tabel 3: Indeling bodemkwaliteitszones op basis van deelgebieden Deelgebied- Bodemkwaliteitszone nummer1)

Functieklasse

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) 1

B1

Landbouw/natuur

2

B2

Wonen

3

B3

Industrie

Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) 1

O1

Landbouw/natuur

2

O2

Wonen

3

O3

Industrie

1)

zie samengevoegde deelgebieden in § 3.3, tabel 2,

De situering van de bodemkwaliteitszones is weergeven in figuur 2.

44

Figuur 2: Indeling in bodemkwaliteitszones

3.5.2

Aantal waarnemingen

De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt aan het aantal waarnemingen per bodemkwaliteitszone de volgende (minimale) eisen: • Voor alle stoffen zijn ten minste 20 waarnemingen beschikbaar. • De waarnemingen liggen voldoende verspreid over de bodemkwaliteitszone: o Voor aaneengesloten bodemkwaliteitszones bij een systematische indeling in 20 vakken zijn er in tenminste 10 vakken één of meer waarnemingen beschikbaar. o Voor elk niet-aaneengesloten deel van een bodemkwaliteitszone zijn ten minste 3 waarnemingen beschikbaar. 45

Na het samenstellen van de dataset voor de BKK (§ 3.3.1), de voorbewerkingen (§ 3.3.3 en § 3.3.4) en de gebiedsindeling (§ 3.4.1) bleek dat alle bodemkwaliteitszones voldoen aan de voornoemde minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (zie ook BBK bijlage 2, kolom N). Tabel 4. Aantal waarnemingen per bodemkwaliteitszone Bodemkwaliteitszone

Aantal waarnemingen1)

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) B1

157/32

B2

509/95

B3

174/39

Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) O1

126/25

O2

390/61

O3

100/22

1) weergegeven is het hoogste en het laagste aantal waarnemingen per stof

3.5.3

PCB in de BKK

Voor PCB is het organisch stofgehalte het enige onderscheidende kenmerk. Het hele beheergebied kan daardoor worden ingedeeld als één PCB-zone, tenzij er in het gebied duidelijk verschillen in het organisch stofgehalte worden aangetroffen. Uit de dataset blijkt dat dit in de gemeente Soest niet het geval is. Daarom is er voor de stofgroep PCB voor gekozen het beheergebied niet te splitsen in aparte kwaliteitszones.

3.5.4

Ruimtelijke spreiding

Figuur 3 geeft inzicht in hoe de waarnemingen ruimtelijk zijn verdeeld over het grondgebied van de gemeente Soest.

46

Figuur 3: Situering waarnemingspunten

Geanalyseerd is of binnen de bodemkwaliteitszones een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Hiervan is sprake bij een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Het overzicht van de variatiecoëfficiënten is opgenomen in BBK bijlage 2. Hieruit blijkt voor PAK in de ondergrond van alle bodemkwaliteitszones de variatiecoëfficiënt hoog is. Hetzelfde geldt voor Kwik in de boven- en ondergrond van de bodemkwaliteitszones B2/O2 en B3/O3. Vastgesteld is dat binnen de bodemkwaliteitszone geen ruimtelijke clustering voorkomt. Er is daarom geen aanleiding tot verdere splitsing van bodemkwaliteitszones.

47

3.6 Stap 6: Verzamelen van aanvullende informatie Bij de indeling van bodemkwaliteitszone zoals beschreven in § 3.5 voldoet de dataset aan de gestelde eisen. Er is daarom geen aanleiding voor het verzamelen van aanvullende informatie.

3.7 Stap 7: Karakteriseren bodemkwaliteitszones Uit de data-analyse volgt dat in alle bodemkwaliteitszones de gemiddelde bodemkwaliteit als schoon kan worden aangemerkt (klasse AW2000). De uitzondering hierop is de bovengrond is de woonkernen van Soest, Soesterberg en Soestduinen; zone B2. Hier is klasse Wonen vastgesteld, hetgeen in overeenstemming is met de gebruiksfunctie. Opmerkelijk, maar niet ongebruikelijk in een gemeente als Soest, is dat de bodem ter plaatse van de bedrijventerreinen, zones B3/O3, gemiddeld schoon is. Voor de volledigheid: het gaat hierbij om de bodemkwaliteit van terreindelen die niet zijn verontreinigd door lokale (bedrijfs-) activiteiten, de zogenaamde puntbronnen. De bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone is weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone Bodemkwaliteits- Functieklasse zone

Bodemkwaliteitsklasse

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) B1

Landbouw/natuur AW2000

B2

Wonen

Wonen

B3

Industrie

AW2000

Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) O1

Landbouw/natuur AW2000

O2

Wonen

AW2000

O3

Industrie

AW2000

In tabel 6 is aangegeven welke stof bepalend is geweest voor de indeling in bodemkwaliteitszones. Tabel 6: Bepalende stofgroep per bodemkwaliteitszone Bodemkwaliteitszone

Kwaliteitsbepalende stof(-groep)

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) Zone B1

-1)

Zone B2

Kwik, Lood, PAK

Zone B3

-1)

Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) Zone O1

-1)

Zone O2

-1)

Zone O3

-1)

1)

De gemiddelde achtergrondwaarde ligt onder de landelijke achtergrondwaarde. Kwaliteitsbepalende stoffen onder deze waarden zijn niet relevant

48

3.7.1

Heterogeniteit

De heterogeniteit van de gemeten gehalten is per bodemkwaliteitszone berekend volgens de onderstaande formule. Heterogeniteitindex =

(P95 – P5) (Waarde Klasse Wonen of Industrie – Waarde klasse Landbouw/Natuur)

In BBK bijlage 2 is per bodemkwaliteitszone en per stof de heterogeniteitsindex weergegeven. De betrouwbaarheid van het berekende gemiddelde gehalte in een zone is kleiner naarmate de diffuse bodemkwaliteit sterker heterogeen is verdeeld. Uit de berekeningen volgt dat in de zones van het bodembeheergebied sprake is van geen of lage heterogeniteit, met uitzondering van de bodemkwaliteitszone B2. Hier zijn de gehalten minerale olie, lood en zink aangemerkt als (sterk) heterogeen. In deze zone zijn echter ruim voldoende waarnemingen bekend om het gemiddelde gehalte, en daarmee de bodemkwaliteit, goed te bepalen. De heterogeniteit is daarom geen aanleiding om aanvullend onderzoek te eisen voorafgaand aan grondtoepassingen.

3.7.2

Controle saneringscriterium

In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde (P95) boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een toetsing aan het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende zone te laten plaatsvinden. In de gemeente Soest komt deze situatie niet voor. In BBK bijlage 2 is per bodemkwaliteitszone en stof vermeld wat de statistische kentallen zijn.

3.8

Stap 8: Bodemkwaliteitskaart

De BKK bestaat uit drie hoofdkaarten: 1. De bodemzoneringskaart 2. De ontgravingskaart 3. De toepassingskaart In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten. Conform bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit moet een kaart waarop puntbronnen (uitgesloten locaties) zijn vermeld, onderdeel uitmaken van de BKK. Voor zover dat grotere aaneengesloten gebieden betreft is dat gedaan. Voor kleinere puntbronnen en bekende bodemverontreinigingen niet omdat dit dynamisch is en vanwege de schaalgrootte. 49

Voorafgaand aan de toepassing van grond moet de ligging van deze locaties volgen uit het vooronderzoek dat de initiatiefnemer van grondverzet voorafgaand aan een grondtoepassing moet uitvoeren (zie hfdst. 7 van de nota).

3.8.1

Bodemzoneringskaart

Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart wordt gebruik gemaakt van zones. Dit is een verzameling van gebieden waar op basis van de gebruikshistorie, grondslag en bebouwingsgeschiedenis vergelijkbare bodemkwaliteit verwacht kan worden. Voor de gemeente Soest zijn 3 zones onderscheiden: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Per zone is een onderverdeling gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). De voormalige vliegbasis valt buiten de zone-indeling. In § 4.3 van de nota is dit toegelicht. De bodemzoneringskaart is opgenomen in kaartbijlage 2.

3.8.2

Ontgravingskaart

De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van grond op een, niet voor bodemverontreiniging verdachte, locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit in een zone kan vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. De ontgravingskaarten voor de boven- en ondergrond zijn opgenomen in kaartbijlage 3.

3.8.3

Toepassingskaart

Op de toepassingskaart is weergegeven welke kwaliteit grond mag worden toegepast in een bepaalde zone van het bodembeheergebied. Bij de totstandkoming van de toepassingskaart is rekening gehouden met de functie, ontgravingskwaliteit en gebiedsspecifiek beleid. Het resultaat is opgenomen in de kaartbijlage 4. De gebiedsspecifieke toepassingskaart geeft weer in welke zones gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden. Deze kaart moet naast de ontgravingskaart worden gebruikt bij het grondverzet. Let op dat de kaart niet zelfstandig te gebruiken is maar alleen in combinatie met de tekst uit hoofdstuk 4 van de nota.

50

BBK bijlage 1: Specifieke uitbijters Uitbijterlijst dataset BKK gemeente Soest Parameter + monster

Rapportnr.

locatie

Zone (bodemlaag)

Reden

Cu (B1) Cu (MM1) Cu (M012) Cu (B31) Hg (203.1) Hg (102.1) Pb (6.1) Pb (MM2) Pb (X101) Pb (MM1) Pb (X04) Pb (X05) Pb (M012) Ni (B31) Ni (mX03) Zn (X103) Zn (X06) Zn (X101) Zn (X102) Zn (X01) Zn (X05) Zn (6.1) Zn (5.1) Zn (MM1) Zn (MM/X7B) Zn (MM/SB) Zn (M012) Zn (X03) Zn (B31) Zn (MM14) Zn (M02b) PAK (MM-1) PAK (X02) PAK (MM4.9) PAK (MM5.3) PAK (MM04)

99-P-162 950537 00.4728.05 17795-20036 0452424 0452424 T800AL02 T800AL02 0017024/fb 172096 0029056/fb 0029056/fb 00.4728.05 17795-20036 9709003/FB 0017024/fb 0017024/fb 0017024/fb 0017024/fb 0017024/fb 0029056/fb T800AL02 T800AL02 T800AL02 GH94087 GH94087 00.4728.05 9821034/MI 17795-20036 GH94061 17795-86461 1211802A_1 0008024/sw 0103053/gk 0103053/gk B17.6826

Dorresteinweg 86 Beukenlaan, hoek Graanakker Koningsweg 7a Eigendomweg/Koningsweg Koningsweg 8, Centrilab Koningsweg 8, Centrilab Kerkpad NZ 45a Kerkpad NZ 45a Nieuweweg 95 Akkerweg 10A Hartweg 52 Hartweg 52 Koningsweg 7a Eigendomweg/Koningsweg Noordelijke Eng (stortplaatsen) Nieuweweg 95 Nieuweweg 95 Nieuweweg 95 Nieuweweg 95 Nieuweweg 95 Hartweg 52 Kerkpad NZ 45a Kerkpad NZ 45a Kerkpad NZ 45a UT Gemini/Mercury UT Gemini/Mercury Koningsweg 7a W Stuutlaan 10 Eigendomweg/Koningsweg UT Gemini/Mercury Maatweg 10 Willaertstraat 41-47, School Oude Utrechtseweg 25 Koninginnelaan 47 Koninginnelaan 47 Oude Tempellaan 1

B1 (landbouw bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B3 (industrie bovengrond) O2 (wonen ondergrond) B3 (industrie bovengrond) B3 (industrie bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B3 (industrie bovengrond) O2 (wonen ondergrond) O2 (wonen ondergrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B3 (industrie bovengrond) B3 (industrie bovengrond) O2 (wonen ondergrond) O2 (wonen ondergrond) O1 (landbouw ondergrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond) O2 (wonen ondergrond) B2 (wonen bovengrond)

PAK (MB1)

162212

B2 (wonen bovengrond)

PAK (002-1)

162212

PAK (MM3.1)

0103053/gk

Chalonhof ong. (tegenover 103109) Chalonhof ong. (tegenover 103109) Koninginnelaan 47

PAK (mm1)

9525495

Hartweg 47

B2 (wonen bovengrond)

PAK (MM/IB)

GH94087

UT Gemini/Mercury

B2 (wonen bovengrond)

PAK (MM/TP2)

GH94087

UT Gemini/Mercury

O2 (wonen ondergrond)

PAK (MM4.11)

0103053/gk

Koninginnelaan 47

O2 (wonen ondergrond)

>3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std >3x std (gevalsLocatie) (gevalsLocatie) (gevalslocatie) (gevalslocatie) (gevalslocatie) (gevalslocatie) (gevalslocatie) (gevalslocatie)

51

B2 (wonen bovengrond) B2 (wonen bovengrond)

BBK bijlage 2: Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem) Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone B1

Landbouw/natuur AW2000

Functieklasse Ontgravingsklasse

bovengrond 0,0-0,5 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N

Min 31 142 31 146 142 147 31 133 147 293 117 31

41,73 0,09 3,69 3,39 0,05 10,08 0,35 3,50 7,54 0,00 0,06 23,73

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

48,79 0,21 3,69 6,19 0,05 10,63 0,35 6,07 8,04 0,01 0,10 36,27

54,25 0,33 6,56 7,09 0,08 14,63 1,05 7,97 31,09 0,02 0,45 53,85

54,25 0,45 7,07 12,55 0,10 33,63 1,05 9,35 51,31 0,02 0,86 85,71

124,00 0,55 7,38 23,61 0,19 61,53 1,05 10,50 110,51 0,02 2,00 116,03

127,88 0,57 7,38 25,36 0,20 68,66 1,05 11,67 132,68 0,02 2,38 122,50

139,50 0,60 7,38 36,10 0,20 99,23 1,05 15,87 182,90 0,02 3,46 138,10

149,19 0,60 7,38 52,53 0,27 134,00 1,05 19,82 211,80 0,04 6,24 191,15

246,51 4,29 7,73 116,62 0,76 362,04 1,05 30,12 814,55 0,25 32,00 380,95

52

Gem 87,18 0,47 6,49 18,37 0,14 49,45 0,89 10,29 84,07 0,02 1,98 97,98

VC 0,52 0,82 0,20 1,98 0,78 1,08 0,33 0,43 1,13 0,76 2,04 0,67

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,10 nee 0,02 nee 0,31 nee 0,05 nee 0,26 nee 0,00 nee 0,21 nee 0,35 nee 0,07 nee 0,16 nee 0,50 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde 0,60 15,00 40,00 0,15 50,00 1,50 35,00 140,00 0,02 1,50 190,00

Max. waarde wonen 1,20 35,00 54,00 0,83 210,00 88,00 39,00 200,00 0,04 6,80 190,00

Max. waarde industrie

Interventiewaarde (I)

4,30 190,00 190,00 4,80 530,00 190,00 100,00 720,00 0,50 40,00 500,00

625,0 13,0 190,0 190,0 36,0 530,0 190,0 100,0 720,0 1,0 40,0 5000,0

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone O1

Landbouw/natuur AW2000

Functieklasse Ontgravingsklasse

ondergrond 0,5-2,0 m-mv Ba Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N

Min 25 120 28 121 121 121 25 121 120 293 66 25

42,97 0,05 3,43 1,85 0,04 2,96 0,35 3,50 4,31 0,00 0,01 26,42

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

45,29 0,12 4,49 3,62 0,05 7,57 0,35 5,83 8,30 0,01 0,07 39,22

52,29 0,24 6,64 6,84 0,05 10,86 1,05 8,17 16,59 0,02 0,07 70,00

54,25 0,48 7,38 7,19 0,10 11,02 1,05 9,88 32,05 0,02 0,17 98,00

54,25 0,60 7,38 7,24 0,19 14,32 1,05 10,22 33,22 0,02 0,37 122,50

54,25 0,60 7,38 7,24 0,20 14,32 1,05 11,96 33,69 0,02 0,44 122,50

80,87 0,60 12,30 12,28 0,20 22,04 1,05 15,46 61,29 0,02 0,70 122,50

169,30 0,86 12,30 14,69 0,20 40,93 1,05 19,73 78,39 0,04 2,36 122,50

333,25 9,38 14,77 61,45 1,40 87,63 1,05 88,98 234,22 0,25 23,00 122,50

53

Gem 71,34 0,51 7,72 10,24 0,12 15,40 0,94 10,83 35,58 0,02 0,77 91,61

VC 0,85 1,64 0,32 0,74 1,17 0,81 0,27 0,75 0,96 0,76 3,72 0,35

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,20 nee 0,04 nee 0,07 nee 0,03 nee 0,07 nee 0,00 nee 0,21 nee 0,12 nee 0,07 nee 0,06 nee 0,27 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde 0,60 15,00 40,00 0,15 50,00 1,50 35,00 140,00 0,02 1,50 190,00

Max. waarde wonen 1,20 35,00 54,00 0,83 210,00 88,00 39,00 200,00 0,04 6,80 190,00

Max. waarde industrie

Interventiewaarde (I)

4,30 190,00 190,00 4,80 530,00 190,00 100,00 720,00 0,50 40,00 500,00

625,0 13,0 190,0 190,0 36,0 530,0 190,0 100,0 720,0 1,0 40,0 5000,0

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone B2

Functieklasse: Ontgravingsklasse

Wonen Wonen

bovengrond 0,0-0,5 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N 107 529 107 542 510 548 107 522 568 293 482 110

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

Gem

34,72 0,04 2,65 1,03 0,04 1,10 0,35 2,04 7,72 0,00 0,01 23,73

43,10 0,17 3,01 6,09 0,05 10,18 0,35 5,93 16,61 0,01 0,11 36,20

51,36 0,25 4,95 7,24 0,09 23,26 0,35 8,17 33,65 0,02 0,57 53,40

54,25 0,45 6,93 15,24 0,10 41,21 1,05 10,21 73,56 0,02 1,20 72,12

112,06 0,53 7,38 21,86 0,18 78,70 1,05 14,26 141,06 0,02 3,20 122,50

118,16 0,57 7,38 24,74 0,20 89,47 1,05 16,02 174,86 0,02 4,30 122,50

179,03 0,68 9,32 34,37 0,20 148,34 1,05 20,42 269,70 0,02 7,86 198,36

228,24 0,89 12,62 41,64 0,28 251,85 1,05 23,03 403,97 0,04 13,00 393,36

542,50 2,91 18,63 173,33 17,68 550,26 3,20 175,00 812,90 0,25 40,00 1400,00

95,26 0,46 6,79 18,37 0,19 70,50 0,83 12,92 120,26 0,02 3,12 135,41

54

VC 0,90 0,56 0,44 1,38 4,57 1,24 0,48 0,95 1,13 0,76 1,66 1,59

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,19 nee 0,05 nee 0,24 nee 0,05 nee 0,50 nee 0,00 nee 0,26 nee 0,67 nee 0,07 nee 0,33 nee 1,15 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde 0,60 15,00 40,00 0,15 50,00 1,50 35,00 140,00 0,02 1,50 190,00

Max. waarde wonen 1,20 35,00 54,00 0,83 210,00 88,00 39,00 200,00 0,04 6,80 190,00

Max. waarde industrie

Interventiewaarde (I)

4,30 190,00 190,00 4,80 530,00 190,00 100,00 720,00 0,50 40,00 500,00

625,0 13,0 190,0 190,0 36,0 530,0 190,0 100,0 720,0 1,0 40,0 5000,0

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone O2

Functieklasse: Ontgravingsklasse:

Wonen AW2000

Achtergrondwaarde

Max. waarde wonen

Max. waarde industrie

Interventiewaarde (I)

0,60 15,00 40,00 0,15 50,00 1,50 35,00 140,00 0,02 1,50 190,00

1,20 35,00 54,00 0,83 210,00 88,00 39,00 200,00 0,04 6,80 190,00

4,30 190,00 190,00 4,80 530,00 190,00 100,00 720,00 0,50 40,00 500,00

625,0 13,0 190,0 190,0 36,0 530,0 190,0 100,0 720,0 1,0 40,0 5000,0

ondergrond 0,5-2,0 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N 69 388 69 398 387 403 69 381 394 293 161 69

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

Gem

17,36 0,04 2,42 0,27 0,02 1,08 0,35 0,20 3,50 0,00 0,01 31,11

42,47 0,12 3,44 3,13 0,05 5,51 0,35 5,60 8,01 0,01 0,06 56,74

51,67 0,24 5,90 6,71 0,05 10,61 0,35 7,72 23,04 0,02 0,14 70,00

54,25 0,47 7,38 7,24 0,10 11,02 1,05 10,12 33,22 0,02 0,35 116,67

54,25 0,52 7,38 7,24 0,14 15,74 1,05 13,57 49,83 0,02 0,70 122,50

54,25 0,57 7,38 8,83 0,17 21,98 1,05 15,22 59,35 0,02 0,91 122,50

63,69 0,60 9,57 12,96 0,20 37,84 1,05 20,42 93,37 0,02 4,00 122,50

115,85 0,96 10,89 20,31 0,20 64,74 1,05 20,42 214,60 0,04 7,90 122,50

313,41 19,53 29,37 185,17 9,68 375,69 1,70 78,75 711,86 0,25 19,00 425,00

79,22 0,54 7,02 9,46 0,16 21,04 0,88 11,42 56,62 0,02 1,52 106,88

55

VC 0,68 2,32 0,49 1,46 3,79 1,63 0,38 0,59 1,57 0,76 2,25 0,51

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,23 nee 0,04 nee 0,11 nee 0,03 nee 0,12 nee 0,00 nee 0,23 nee 0,36 nee 0,07 nee 0,20 nee 0,21 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone B3

Industrie AW2000

Functieklasse Ontgravingsklasse

bovengrond 0,0-0,5 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N 39 162 39 162 177 161 39 161 161 293 134 39

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

25,53 0,11 1,86 2,07 0,02 3,14 0,35 3,50 3,81 0,00 0,01 46,67

38,72 0,20 3,13 4,14 0,05 10,08 0,35 4,08 14,41 0,01 0,06 66,44

50,47 0,26 3,69 7,07 0,05 11,02 0,35 8,17 32,00 0,02 0,20 70,00

54,25 0,48 7,00 7,24 0,10 14,32 1,05 10,21 33,22 0,02 0,61 70,00

54,25 0,55 7,38 16,26 0,17 29,88 1,05 14,58 71,19 0,02 1,11 118,33

54,25 0,60 7,38 17,17 0,20 33,06 1,05 16,44 85,42 0,02 1,62 122,50

61,53 0,82 9,40 21,78 0,20 64,92 1,05 20,42 130,51 0,02 2,60 122,50

89,51 0,91 10,58 49,38 0,31 113,33 1,06 23,04 213,02 0,04 4,95 124,48

487,64 2,93 7,73 196,55 18,48 556,90 9,10 101,69 605,28 0,25 12,00 325,93

56

Gem 65,79 0,51 6,45 14,93 0,30 32,21 1,02 12,84 66,07 0,02 1,22 92,73

VC 1,08 0,96 0,52 1,38 5,59 1,68 1,33 0,85 1,25 0,76 1,65 0,48

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,19 nee 0,04 nee 0,30 nee 0,06 nee 0,22 nee 0,00 nee 0,29 nee 0,34 nee 0,07 nee 0,13 nee 0,19 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde 0,60 15,00 40,00 0,15 50,00 1,50 35,00 140,00 0,02 1,50 190,00

Max. waarde wonen 1,20 35,00 54,00 0,83 210,00 88,00 39,00 200,00 0,04 6,80 190,00

Max. waarde industrie

Interventiewaarde (I)

4,30 190,00 190,00 4,80 530,00 190,00 100,00 720,00 0,50 40,00 500,00

625,0 13,0 190,0 190,0 36,0 530,0 190,0 100,0 720,0 1,0 40,0 5000,0

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone O3

Industrie AW2000

Functieklasse Ontgravingsklasse

ondergrond 0,5-2,0 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N 22 100 22 100 101 99 22 96 100 293 41 22

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

Gem

29,86 0,08 2,92 0,72 0,02 3,15 0,35 2,92 3,32 0,00 0,01 32,43

37,48 0,12 3,20 2,90 0,02 4,72 0,35 3,50 4,75 0,01 0,02 60,61

40,69 0,27 3,53 6,20 0,05 10,50 0,35 6,13 14,24 0,02 0,07 70,00

47,48 0,48 5,93 7,20 0,05 11,02 1,05 9,64 30,92 0,02 0,22 72,04

54,25 0,60 7,38 7,24 0,10 14,32 1,05 10,33 33,22 0,02 0,50 125,13

54,25 0,60 9,34 9,19 0,10 14,32 1,05 11,38 33,22 0,02 0,82 133,00

54,30 0,82 10,57 12,65 0,20 29,44 1,05 14,58 53,55 0,02 3,60 133,00

80,02 0,95 10,58 14,54 0,20 38,49 1,05 16,17 69,29 0,04 5,00 206,89

85,30 6,03 14,77 70,10 5,75 91,13 9,50 23,33 182,25 0,25 27,00 428,57

49,47 0,63 6,22 8,18 0,15 15,38 1,15 9,40 30,47 0,02 1,36 160,78

57

VC 0,26 1,43 0,45 0,89 3,88 0,82 1,61 0,42 0,81 0,76 3,13 0,29

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,22 nee 0,04 nee 0,08 nee 0,04 nee 0,07 nee 0,00 nee 0,19 nee 0,11 nee 0,07 nee 0,13 nee 0,47 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde 0,60 15,00 40,00 0,15 50,00 1,50 35,00 140,00 0,02 1,50 190,00

Max. waarde wonen 1,20 35,00 54,00 0,83 210,00 88,00 39,00 200,00 0,04 6,80 190,00

Max. waarde industrie

Interventiewaarde (I)

4,30 190,00 190,00 4,80 530,00 190,00 100,00 720,00 0,50 40,00 500,00

625,0 13,0 190,0 190,0 36,0 530,0 190,0 100,0 720,0 1,0 40,0 5000,0

Bijlage 2: Begrippenlijst Baggerspecie Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Bodemkwaliteitskaart De BKK bestaat volgens de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten uit de volgende drie hoofdkaarten: 1. Een kaart met uitgesloten (verdachte) locaties en deelgebieden 2. De ontgravingskaart 3. De toepassingskaart Bodemkwaliteitsklassen In het Bbk worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen: 1. Klasse Landbouw/natuur 2. Klasse Wonen 3. Klasse Industrie Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden (zie onderstaand). Voor de BKK van de gemeente Soest is het basispakket van toepassing. Tabel B1: Staffel toegestane aantal overschrijdingen Aantal gemeten stoffen Basispakket 16-26 27-36 37-48

Aantal toegestane overschrijdingen 2 3 4 5

Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): • • •

Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De Overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk).

58

Klasse Wonen: • • •

Alle gehalten voldoen aan de klassegrens wonen met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel B1. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen.

Klasse Industrie: •

Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.

Bodemkwaliteitszone Een deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van eenzelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. Deelgebied Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het beheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als “niet-aaneengesloten deelgebieden”.

Diffuse chemische bodemkwaliteit De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de BKK is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).

59

Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Bbk definieert grond als: “vast materiaal

dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie”. Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Bbk nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. In gebiedsspecifiek beleid kunnen hieraan strengere eisen worden gesteld. Heterogeniteit Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de BKK in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar menig van de gemeente een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule: heterogeniteit =

(P95 − P5) (Maximale waarde industrie − Achtergrondwaarde)

Hierbij wordt als beoordeling van de heterogeniteitsindex aangehouden: Index < 0,2 : weinig heterogeniteit 0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit 0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit Index > 0,7 : sterke heterogeniteit Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken van een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).

60

Niet gezoneerd Zone Gebieden worden gezoneerd wanneer er voldoende waarnemingen beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende waarnemingen beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet meer met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het “Zone niet gezoneerd”. Een zone kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd (deel)gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de BKK (zie ook: Uitgesloten locaties/gebied). Nota bodembeheer Een nota bodembeheer is een beleidsdocument waarin de onderbouwing voor gebiedsspecifiek beleid is opgenomen. In de nota bodembeheer komen de volgende aspecten aan de orde: • • • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=85bfa561-b4bc-4cbe-8620-048aa1692783