CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Nota bodembeheer gemeente Soest 2021-2031.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 10 februari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Nota bodembeheer met bodemkwaliteitskaart, inclusief PFAS beleid20.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nota bodembeheer gemeente Soest Projectteam

Auteur

: Gemeente Soest: Jennifer Franken, Xander Veening RUD Utrecht: Oscar Groenhof, Rob Tuinenburg, Maarten van den Berg : Maarten van den Berg

Datum

: 08 november 2021

1

Inhoudsopgave 0.

Leidraad grondverzet

4

1.

Inleiding 1.1 Leeswijzer 1.2 Doel en aanleiding om gebiedsspecifiek bodembeleid op te stellen 1.3 Bodembeheergebied 1.4 Uitbreiding beheergebied 1.5 Reikwijdte van de nota bodembeheer Uitgangspunten regionaal beleid 2.1 Karakterisering van het beheergebied Soest 2.2 Gebiedsopgave 2.3 Kostenreductie 2.4 Uniformiteit 2.5 Duurzaamheid Kader nota bodembeheer 3.1 Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid 3.2 Bodemfunctieklassenkaart 3.3 Bodemkwaliteitskaart (BKK) Grondstromen beleid 4.1 Aanleiding voor gebiedsspecifiek grondstromenbeleid 4.2 Grondstromenbeleid op basis van zone-indeling 4.3 Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid Beleidsregels voor PFAS 5.1 Inleiding 5.2 Karakterisering en kwaliteitszone-indeling 5.3 Verwachte ontgravingskwaliteit 5.4 Gebiedsspecifiek beleid 5.5 Toekomstige bijstelling van de landelijke (toepassings-)normen Bijzondere omstandigheden 6.1 Verontreinigde of gesaneerde gebieden 6.2 Functies Wonen en Industrie in het buitengebied 6.3 Grootschalige bodem toepassing (GBT) 6.4 Tijdelijke uitname 6.5 Tijdelijke opslag Handvat grondverzet 7.1 Inleiding 7.2 Stappenschema grondverzet 7.3 Aandachtspunten

8 8 8 9 9 10 12 12 13 13 13 14 15 15 15 16 17 17 17 19 26 26 26 26 27 27 28 28 28 28 29 29 30 30 30 31

2.

3.

4.

5.

6.

7.

2

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Bodemkwaliteitskaart Begrippenlijst Internetadressen

Kaartbijlagen Kaartbijlage 1 Kaartbijlage 2 Kaartbijlage 3A Kaartbijlage 3B Kaartbijlage 4A Kaartbijlage 4B Kaartbijlage 5

Functieklassenkaart Bodemzoneringskaart Ontgravingskaart bovengrond Ontgravingskaart ondergrond Toepassingskaart bovengrond Toepassingskaart ondergrond Verspreiding Japanse duizendknoop

3

0. Leidraad grondverzet De gemeente Soest heeft bodembeleid vastgesteld in de vorm van een nota bodembeheer (verder: nota) met bodemkwaliteitskaart (verder BKK) onder het Besluit bodemkwaliteit. Het beleid is er op gericht het grondverzet duurzamer, goedkoper en eenvoudiger te maken. Dit hoofdstuk is een leidraad voor de gebruiker om aan de hand van vragen snel de weg te kunnen vinden naar de juiste hoofdstukken en paragrafen in deze nota. Hierin staan teksten, figuren of tabellen die nodig zijn voor de uitvoeringspraktijk met betrekking tot het ontgraven en/of toepassen van grond. Voor wie is het beleid bedoeld? Het beleid is met name opgesteld voor overheden en professionele marktpartijen (aannemers, grondreinigers, adviesbureaus) die in hun werk te maken hebben met het hergebruik (toepassen) van grond. Geldt het beleid alleen voor de gemeente Soest? Ja, maar de initiatiefnemers van grondverzet van grond kunnen de nota met BKK ook gebruiken voor de toepassing van grond in gemeenten die de beleidsstukken van de gemeente Soest hebben geaccepteerd. Andersom kan grond afkomstig uit omliggende gemeenten worden toegepast in de gemeente Soest op basis van nota’s die gemeente Soest heeft geaccepteerd. § 1.3 gaat hier nader op in. Voor welke stoffen geldt het beleid? Het beleid geldt voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket.

Dit zijn de stoffen die doorgaans bij een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring worden onderzocht. PFAS maakt hier geen onderdeel van uit. Voor de toepassingsvoorwaarden van PFAShoudende grond verwijst de gemeente Soest naar de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht. § 1.4 gaat hier nader op in. Wat zijn de achtergrondgehalten van de stoffen uit het standaardpakket en PFAS in de gemeente Soest? Per gebruiksfunctie (functieklasse) van de bodem in Soest zijn de gemiddelde gehalten bepaald. Daarbij is de zone-indeling uit tabel 0.1 gehanteerd.

4

Tabel 0.1: Indeling in bodemkwaliteitszones Bodemkwaliteits- Omschrijving zone B1 (bovengrond) Buitengebied Soest en Buitengebied in woonkern Soest O1 (ondergrond) Buitengebied ten zuiden van A28 B2 (bovengrond) Woonkern Soesterberg en Woonkern Soestduinen O2 (ondergrond) Woonkern Soest B3 (bovengrond) Bedrijventerrein Soest en O3 (ondergrond) Bedrijventerrein Soesterberg -

Functieklasse

Landbouw/natuur

Wonen

Industrie

Voormalige vliegbasis

Niet gezoneerd

De indeling van de gemeente Soest in zones is te zien op kaartbijlage 2. In grote delen van de gemeente Soest liggen de gehalten van de stoffen uit het standaardpakket en PFAS in de bodem onder de landelijke achtergrondwaarde (AW-2000). Met andere woorden; de grond is hier schoon. Een uitzondering geldt voor gebiedsdelen met de gebruiksfunctie Wonen. Hier is in de bodemlaag 0,0-0,5 meter minus maaiveld (m-mv) een gemiddeld gehalte vastgesteld dat valt in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Deze gebiedsdelen vallen onder zone B2 (zie kaartbijlage 3A. Ter toelichting: grond met kwaliteitsklasse Wonen is niet geheel schoon maar wel geschikt om zonder risico’s te gebruiken voor de functie Wonen. De vastgestelde gemiddelde bodemkwaliteit in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is weergegeven op de kaartbijlagen 3A en 3B. Het bovenstaande geldt uiteraard niet voor de bodem van terreindelen waar de bodemkwaliteit negatief is beïnvloed door lokale bronnen van bodemverontreiniging. Deze terreindelen zijn uitgesloten. Wat betekenen de vastgestelde achtergrondgehalten voor de toepassingsmogelijkheden van grond in de gemeente Soest? Voor het bepalen van de toepassingsmogelijkheden van grond geldt een dubbele toets. De criteria zijn: 1. de gebruiksfunctie van de bodem waar de grond wordt toegepast (functieklasse) 2.

de kwaliteit van de toe te passen grond (bodemkwaliteitsklasse) Om te bepalen of een grondtoepassing is toegestaan moet aan de scherpste norm worden getoetst. De toepassingsmogelijkheden van grond in de gemeente Soest, onder het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, zijn samengevat in tabel 0.2: de grondstromenmatrix.

5

Tabel 0.2: Grondstromenmatrix (generiek) Grond afkomstig uit zone 1)

Verwachte bodemkwaliteit

Toepassing in zone 1)

Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) B1

AW2000

B2

Wonen

B3

AW2000

Vliegbasis

B1

B2

B3

O1

O2

O3

Vliegbasis

Niet gezoneerd

Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) O1

AW2000

O2

AW2000

O3

AW2000

Vliegbasis

Niet gezoneerd

toegestaan toegestaan m.u.v. gevoelige gebruiksfuncties niet toegestaan zonder keuring

zie tabel 0.1 voor de definitie van de zones

1)

Onder gevoelige functies verstaan we in dit verband: 1. Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); 2. Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen). Toegestane grondstromen volgens de grondstromenmatrix mogen plaatsvinden zonder keuring/onderzoek van de toe te passen grond en de bodem waar de grond wordt toegepast. Een melding bij het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl is altijd noodzakelijk. Zone1) Om de mogelijkheden voor hergebruik van grond te verruimen gelden alleen voor grond die binnen de gemeente vrijkomt gebiedsspecifieke regels. Uitgangspunt daarbij is dat alleen de functieklasse van de bodem waar de grond wordt toegepast bepalend is. De gedachte achter deze regels is dat hiermee de bodemkwaliteit binnen de gemeente Soest per saldo niet verslechterd. We noemen dit stand-still op beheergebiedsniveau. De gebiedsspecifieke toepassingseisen staan in tabel 0.3. Tabel 0.3: Gebiedsspecifieke toepassingseisen Zone1)

Bodemfunctieklasse (kaartbijlage 1)

Gebiedsspecifieke toepassingseis (kaartbijlage 4A en 4B)

B1

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

B2

Wonen

Klasse Wonen2)

B3

Industrie

Klasse Industrie2)

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

O1

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

O2

Wonen

Klasse Wonen2)

O3

Industrie

Klasse Industrie2)

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

Vliegbasis Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Vliegbasis

zie tabel 0.1 voor de definitie van de zones 2) mogelijk onder gebiedsspecifieke voorwaarden 1)

6

De gebiedsspecifieke voorwaarden staan beschreven in § 4.2. De bovenstaande toepassingseisen gelden ook voor percelen in de zones B1 en O1 die in gebruik zijn als woonlocatie (Wonen) of bedrijventerrein (Industrie). Is het gehalte PFAS in de grond een criterium bij de toepassing van grond? Dit hangt ervan af of van de toe te passen partij grond het gehalte PFAS is bepaald. Is dat niet het geval dan kan grond volgens de grondstromenmatrix in tabel 0.1 worden toegepast. Zijn wel onderzoeksresultaten bekend van PFAS dan moeten deze worden getoetst aan de normen uit het de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). Voor de toepassingseisen die gelden in het geval onderzoeksresultaten bekend zijn wordt verwezen naar de Beleidsnota PFAS. Hoofdstuk 5 gaat hier nader op in. Welke andere gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen in de nota? In § 4.3 van de nota zijn voor de onderstaande situaties gebiedsspecifiek regels opgenomen die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart.

Onderwerp Grondverzet op de voormalige vliegbasis Toepassing van grond op gevoelige gebruiksfuncties Grondverzet dieper dan 2 m-mv Eisen voor bodemvreemd materiaal in toe te passen grond Grondverzet op wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen 6 Grondverzet op wegbermen langs provinciale en rijkswegen 7 Verspreiden van bagger en baggerdepots 8 Grondverzet bij werkzaamheden aan kabels- en leidingen 1 2 3 4 5

Waarom gebiedsspecifiek? Verdacht terrein Maatwerk in normstelling Verruiming toepassingsmogelijkheden Maatwerk in normstelling Verruiming toepassingsmogelijkheden Verruiming toepassingsmogelijkheden Verruiming toepassingsmogelijkheden Maatwerk in normstelling

Welke stappen zijn noodzakelijk in de voorbereiding op de toepassing van grond? Grondverzet binnen de grens van het beheergebied start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen: 1. Vooronderzoek, conform NEN5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht is voor bodemverontreiniging; 2. Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond; 3. Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is; 4. Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden; 5. Melden van het grondverzet bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. In § 7.2 zijn de stappen nader beschreven. Mag de BKK worden gebruikt bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning bouwen? Ja. De voorwaarden staan beschreven in § 4.3 van de nota onder Ad 9. 7

1. Inleiding 1.1 Leeswijzer De kern van de nota bestaat uit het grondstromenbeleid (hoofdstuk 4) en de bodemkwaliteitskaart (bijlagen 1 en kaartbijlagen 2 t/m 4). In de paragrafen 1.3 en 1.4 staat beschreven voor welk gebied dit beleid geldt en met welke andere regio’s wordt samengewerkt (bodembeheergebied). De hoofdstukken 2 en 3 geven de regionale afwegingen weer voor het opstellen van gezamenlijk beleid rondom grondverzet en het wettelijk kader van deze nota. Dit geeft goed inzicht in de wettelijke en beleidsmatige achtergronden van de nota en de samenhang met de regionale bodemkwaliteitskaart. In hoofdstuk 5 zijn de beleidsregels voor de stofgroep PFAS beschreven. Hoofdstuk 6 staat stil bij bijzondere situaties van het grondverzet. De benodigde stappen voorafgaand aan het toepassen van grond wordt in hoofdstuk 7 beschreven. 1.2 Doel en aanleiding om gebiedsspecifiek bodembeleid op te stellen Voor alle bevoegde gezagen voor het Besluit bodemkwaliteit (verder Bbk) gelden de generieke beleidsregels. Het Bbk biedt gemeenten en andere bevoegde gezagen de beleidsvrijheid om de regels inzake grondverzet gebiedsspecifiek te maken, zodat deze meer aansluiten bij het karakter van het gebied en de gebiedsopgave.

Het opstellen van gebiedsspecifiek bodembeleid, vastgelegd in een nota en onderbouwd door een BKK, vindt plaats volgens het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (Ministeries van VROM en V&W, september 2007). De gemeente Soest heeft voor gebiedsspecifiek bodembeleid gekozen om zo het grondverzet goedkoper en duurzamer te maken en de mogelijkheden voor hergebruik van gebiedseigen grond te verruimen. Het beleid is beschreven in de voorliggende nota. De BKK geeft inzicht in respectievelijk de te verwachten kwaliteit van te ontgraven en weer toe te passen grond en de kwaliteit van ontvangende bodem binnen de gemeentegrens van Soest. Wanneer aan de (gebiedsspecifieke) toepassingseis voldaan wordt is de toepassing toegestaan. Over de totstandkoming van de BKK is een rapport opgesteld, met als titel: Bodemkwaliteitskaart gemeente Soest (zie bijlagen 1 en kaartbijlagen 2 t/m 4). Na vaststelling van het gebiedsspecifieke beleid door de gemeenteraad van Soest mag, onder de voorwaarden uit de nota, de BKK als bewijsmiddel voor de milieukwaliteit van grond worden gebruikt bij het grondverzet. In deze nota worden de voorwaarden beschreven waaraan voldaan moet worden bij hergebruik of toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem. De term grond komt vaak voor in de nota. Sinds invoering van het Bbk valt ook baggerspecie onder het begrip grond.

De nota is bestemd voor professionele partijen zoals overheden, bedrijven en adviesbureaus die bij de uitvoering van werkzaamheden grond en/of baggerspecie willen (laten) hergebruiken of toepassen.

8

1.3 Bodembeheergebied Het bodembeheergebied (verder beheergebied) is het gebied waarvoor de gemeente Soest het gebiedsspecifieke beleid vaststelt. Het beleid dat in de voorliggende nota beschreven is, geldt voor het grondgebied van de gemeente Soest. 1.4 Uitbreiding beheergebied Het grondverzet kan verder worden vergemakkelijkt als de gemeente bodemkwaliteitskaarten en het bodembeleid accepteert van omliggende gemeenten. Dit levert veel voordelen op, want grond uit de ene gemeente kan daardoor vaak zonder keuring worden hergebruikt in een andere gemeente binnen het beheergebied. Door samenwerking te zoeken met gemeenten in de omliggende regio’s kan het eigen beheergebied worden vergroot. Hiermee gelden dezelfde beleidsregels voor grond ongeacht of deze afkomstig is van buiten of binnen de regio, zolang de grond afkomstig is van terreinen binnen dit grotere beheergebied. Om grondverzet van buiten naar binnen de gemeentegrens, op basis van de bodemkwaliteitskaart, mogelijk te maken kiest gemeente Soest ervoor het beheergebied te vergroten. De gemeente accepteert naast de bodemkwaliteitskaart van het eigen beheergebied uitsluitend de bodemkwaliteitskaart uit de in tabel 1.1 genoemde regio’s als geldig milieuhygiënisch bewijsmiddel voor het toepassen van grond. Tabel 1.1: Regio’s/gemeenten waarvan gemeente Soest de BKK accepteert Regio Regio ZOU Regio NWU Regio ZWU Regio De Vallei

Gemeenten Zeist, Bunnik, Veenendaal, Rhenen, Wijk bij Duurstede, Vijfheerenlanden), Utrechtse Heuvelrug, De Bilt Woerden, Oudewater, De Ronde Venen, Montfoort, Stichtse Vecht IJsselstein, Houten, Lopik, Nieuwegein Barneveld , Ede, Nijkerk, Scherpenzeel, Wageningen Amersfoort Renswoude Woudenberg Utrecht

De RUD Utrecht en de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) toetsen in de bovenstaande regio’s/gemeenten, in opdracht van de gemeenten of de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart en beleidsregels van gelijkwaardig niveau zijn. Als dit het geval is mag grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart van de betreffende regio plaatsvinden. Voldoet de kaart of het beleid niet dan is een ander geldig bewijsmiddel, bijvoorbeeld een partijkeuring, noodzakelijk om grond toe te kunnen passen. Op afbeelding 1 zijn de beheergebieden aangegeven van de omliggende regio’s/gemeenten waarvan de gemeente Soest de BKK accepteert.

9

Afbeelding 1: regio’s/gemeenten waarvan de gemeente Soest de BKK accepteert

1.5 Reikwijdte van de nota bodembeheer Wetgeving De gemeente Soest heeft gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. De belangrijkste redenen hiervoor is de wens om het grondverzet eenvoudiger, goedkoper en duurzamer te maken. Door gebiedsspecifieke bodemkwaliteitsnormen vast te stellen wordt er een balans gecreëerd tussen het behoud van de huidige bodemkwaliteit en het verruimen van de mogelijkheden voor grondverzet binnen en tussen de gemeenten. Door meer mogelijkheden te creëren om gebiedseigen grond her te gebruiken waar dit milieuhygiënisch verantwoord is, worden niet alleen veel kosten bespaard, maar wordt het grondverzet ook duurzaam. In hoofdstuk 4 zijn de beleidsregels van het gebiedsspecifieke beleid beschreven. In het Bbk zijn veel onderwerpen geregeld die landelijk gelden en waar gemeenten geen vrijheid hebben voor het stellen van nadere regels. Het betreft bijvoorbeeld: - kwaliteitscriteria voor bodemwerkzaamheden (Kwalibo); - toepassen van bouwstoffen; - toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen; - direct nat verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen; - de meldingsprocedure voor het toepassen/tijdelijk opslaan van grond (en bagger).

Omdat de wetgeving voor bovengenoemde onderwerpen landelijk uniform is, is hiervoor in deze nota waar nodig verwezen naar het Bbk, de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit en de Handreiking Besluit bodemkwaliteit. De nota is dus nadrukkelijk geen samenvatting van het Bbk. Onderwerpen die vaak tot discussie leiden of zeer essentieel zijn, worden toegelicht in voorliggende nota. In geval er sprake is van tegenstrijdigheden, geldt dat de wetgeving voor de genoemde onderdelen leidend is boven deze nota.

10

Stoffenpakket en bodemlaag De BKK is vastgesteld voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket voor de landbodem: - Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; - Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); - Polychloorbifenylen (PCB); - Minerale olie. Voor de stofgroep PFAS is in opdracht van de provincie Utrecht separaat gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor de gehele provincie en vastgelegd in de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht” (7 april 2021) met bijbehorende PFAS-kaarten. De gemeente Soest kiest er voor dit PFAS beleid vast te stellen. Verder is de BKK vastgesteld voor de bodemlaag 0,0 – 2,0 m-mv waarbij een onderverdeling is gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). Aansprakelijkheid en geldigheidsduur Na vaststelling van de BKK en nota bodembeheer van de gemeente Soest en de Beleidsnota PFAS met bijbehorende BKK, wordt de BKK een wettig bewijsmiddel voor grond afkomstig van onverdachte terreinen. Dit geldt zowel voor de locatie van herkomst- als voor de toepassingslocatie. De eigenaar van het perceel waar de grond wordt toegepast blijft echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bodem op zijn perceel.

De gemeente, als bevoegd gezag, en toezichthoudende instanties kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die voortvloeit uit een onjuiste toepassing van grond of baggerspecie. De nota bodembeheer wordt vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De BKK heeft een geldigheid van maximaal 5 jaar. Na 5 jaar kan ervoor gekozen worden om de kaart nog 5 jaar te verlengen. Om te bepalen of de BKK ongewijzigd verlengd kan worden, moet een verplicht stappenplan doorlopen worden. Hierbij moet worden beoordeeld of nieuwe gegevens en/of regelgeving leiden tot een noodzaak tot herziening van de kaarten en de nota bodembeheer. Als er wijzigingen in de BKK optreden moet deze opnieuw worden vastgesteld. Als de BKK niet wijzigt, kan het Verlengingsbesluit door het college van B&W worden genomen. Zo nodig dient ook de nota bodembeheer na 5 jaar te worden aangepast en opnieuw te worden vastgesteld.

11

2. Uitgangspunten regionaal beleid 2.1 Karakterisering van het beheergebied Soest Aan de basis van de gemeentelijke BKK ligt de identificatie van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit homogeen is (van vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een deelgebiedenkaart gedefinieerd. Huidige inrichting Het grondgebied van de gemeente bestaat in hoofdlijnen uit de twee woonkernen Soest en Soesterberg. Grenzend aan elk van deze kernen ligt een bedrijventerrein. Tussen beide woonkernen ligt Soestduinen. Dit een kleine woonkern met vrijstaande woonhuizen. Ten noorden van de woonkern Soesterberg ligt de voormalige vliegbasis. Het terrein heeft primair een functie als natuurgebied. Er zal beperkt woningbouw plaatsvinden aan de noordkant van Soesterberg. Het buitengebied is in gebruik als natuurgebied (bos) en voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Historie Het noordelijke en oostelijke deel van de woonkern Soest (burgemeester Grothestraat/ Middelwijkstraat) dateert van vóór 1900. Na WOII is de woonbebouwing geleidelijk in zuidwestelijk richting uitgebreid.

Het gebied rond de Molenweg, dat nu omsloten is door bebouwing, is altijd in gebruik gebleven als landbouwgrond. Begin jaren ’60 is begonnen met de aanleg van een bedrijventerrein aan de noordwestzijde van Soest. Geleidelijk aan is dit uitgebreid tot de huidige omvang. De woonkern Soesterberg bestond tot 1960 uit verspreide woningen in het gebied tussen de Kampweg en de Antonie van Leeuwenhoeklaan. Tussen 1960 en 1970 is dit gebied volgebouwd. Na 1980 zijn ten oosten van Kampweg woonblokken gebouwd maar zijn ook delen onbebouwd gebleven. De onbebouwde delen maken onderdeel uit van landgoederen. Een groot deel van het bedrijventerrein aan de oostzijde van de woonkern was al vóór 1900 in gebruik als militair terrein en dat is nog steeds zo. Vanaf begin jaren ’60 zijn daar enkele bedrijven bijgekomen. Op de topografische kaart uit 1917 wordt voor het eerst melding gemaakt van activiteiten die te relateren zijn aan een vliegveld. Vanaf WOII wordt het gebruikt voor militaire doeleinden. Begin jaren ’80 zijn de huidige startbanen aangelegd. Vanaf 2008 is de vliegbasis buiten gebruik gesteld. Bodemopbouw en geomorfologie De bodem in de gemeente Soest bestaat voor een groot deel uit zand (stuifzand, podzolgronden en eerdgronden). Langs de Eem en aan de westzijde van Soest komt op kleine schaal veen voor.

In de bodemkwaliteitskaart zijn deze karakteristieke gebiedskwaliteiten onderscheiden. Dit is de basis geweest voor de zone-indeling die als kaartbijlage 2 is toegevoegd. 12

2.2 Gebiedsopgave Binnen de gemeente Soest zijn diverse gebiedsopgaven voor woningbouw. Hierbij zal grondverzet (ontgraven, toepassen en hergebruik van grond) plaatsvinden waarvoor milieuhygiënische bewijsmiddelen nodig zijn van de bodemkwaliteit. Dit geldt ook voor andere activiteiten waarbij grondwerk plaatsvindt zoals regulier beheer/onderhoud aan wegbermen, rioleringen en groenvoorzieningen en de aanleg van kabel- en leidingtracés. Bij het grondverzet wil de gemeente Soest verantwoord en kostenefficiënt omgaan met grond. Bijvoorbeeld door vrijkomende grond bij het ene project weer nuttig toe te passen in een ander project binnen het beheergebied. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat er volgens de generieke normen en regels van het Bbk binnen de gemeentegrens gebieden zijn waar de toepassingseisen onnodig streng zijn gelet op de bodemfunctie. Dit kan belemmerend zijn voor het grondverzet en kan leiden tot onnodige aanvoer en aankoop van grond en onnodige afvoer- en verwerkingskosten. Door goed gemotiveerd gebiedsspecifiek beleid op te stellen voor het grondverzet kan de gemeente grond vanuit de ene zone weer nuttig hergebruiken in de andere zone. Op deze wijze hoeft de gemeente geen extra grond aan te kopen en is hergebruik van grond vanuit het regionale beheergebied mogelijk.

De gebiedsopgave kan zo op een milieuverantwoorde, duurzame en kostenefficiënte wijze worden aangepakt. 2.3 Kostenreductie Het opstellen van een BKK zorgt voor een kostenreductie doordat bij grondverzet minder administratieve handelingen nodig zijn. Zo kan bij grondverzet ter plaatse van onverdachte terreindelen vaak volstaan worden met een historisch vooronderzoek. Zonder een BKK is het noodzakelijk om zowel ter plaatse van de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie een bodemonderzoek uit te voeren om vast te kunnen stellen of de kwaliteit en de functie met elkaar matchen. Door aansluiting te zoeken bij het bodembeleid van omliggende gemeenten worden de afzetmogelijkheden van grond in de regio vergroot, mede door uniformiteit in regelgeving. Bij een betere afstemming van vraag en aanbod wordt onnodig afvoer van grond voorkomen. Door regionaal vrijkomende grond lokaal weer af te zetten is minder afvoer van grond naar grondverwerkers nodig, wat tevens leidt tot kleinere transportafstanden en daarmee reductie in de transportkosten. De BKK kan onder voorwaarden worden benut bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen door vrijstelling van de onderzoeksplicht. In plaats van een bodemonderzoek geeft de BKK dan inzicht in de milieukwaliteit van de bodem op het bouwperceel. Dit bespaart kosten en tijd in de aanvraagprocedure.

2.4 Uniformiteit Uniformiteit in kaart en beleid vergroot de kwaliteit van de uitvoering en bevordert het naleefgedrag. Daar waar mogelijk is aangesloten bij het beleid van de naastgelegen regio’s. Initiatiefnemers en uitvoerders in de keten van grondverzet, die veelal regionaal werken, krijgen daardoor niet te maken met onnodige verschillen tussen gemeenten. Juist dergelijke verschillen zorgen voor een verhoogde kans op fouten en overtredingen bij grondverzet. Daarnaast vergroten een uniforme kaart en beleid de mogelijkheden van gemeentegrens overschrijdend grondverzet. 13

2.5 Duurzaamheid De gemeente Soest heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld: de bodem zodanig benutten, gebruiken en beschermen dat

deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden.

Maar duurzaam bodembeheer kan ook faciliteren in de verduurzaming van andere thema’s of onderwerpen. Verruiming van de hergebruiksmogelijkheden van gebiedseigen grond in de regio zorgt voor minder gebruik van primaire grondstoffen, zoals schoon zand. Bovendien zijn er minder transportbewegingen nodig, wat leidt tot minder uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid (gebiedsspecifieke beleidskader) dat er door grondverzet geen (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico’s mogen ontstaan bij huidig en toekomstig bodemgebruik.

14

3. Kader nota bodembeheer 3.1 Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid De gemeente Soest heeft gekozen om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Gebiedsspecifiek beleid maakt het voor gemeenten mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van grondverzet. Het Bbk stelt eisen aan het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. De gemeente moet beschikken over een bodemfunctieklassenkaart en een actuele BKK. Daarnaast is de gemeente verplicht om haar beleidskeuzes vast te leggen in een nota bodembeheer. Het Bbk geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - bij grondverzet is er sprake van stand-still (geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit) op gebiedsniveau, het beheergebied; - een gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt. Het risiconiveau van de gekozen LMW’s wordt berekend met behulp van de risicotoolbox; - bij grondverzet mag niet een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan. De bodemkwaliteit van een zone mag het saneringscriterium van de Wet bodembescherming niet overschrijden; - het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders in de regio, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb), i.c. de provincie Utrecht.

Opmerking hierbij is dat na de inwerkingtreding Omgevingswet (vanaf 2022) de Wbb-taken over gaan naar de gemeenten. Het Bbk bevat ook procedurele voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over de nota bodembeheer te geven tijdens een terinzagelegging; - de Raad van de betrokken gemeente stelt de nota bodembeheer en de BKK vast. Tenslotte stelt het Bbk dat bij een nota bodembeheer de volgende bijlagen zijn bijgevoegd: - de BKK (zie bijlage 1) en bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1); - verwijzing naar een kaart of website met verdachte locaties die bij ontgraving niet onder de reikwijdte van deze nota vallen als het gaat om grondverzet ter plaatse van deze locaties. 3.2 Bodemfunctieklassenkaart Op de Bodemfunctieklassenkaart worden de functies van de bodem weergegeven in relatie tot het bovengronds bodemgebruik. Het gaat daarbij niet om de functie op perceelsniveau (zoals bij bestemmingsplannen), maar om de hoofdfunctie van een gebied. Het Bbk onderscheidt zeven bodemfuncties die zijn samengevoegd tot drie bodemfunctieklassen (zie tabel 3.1). De Bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Soest is opgenomen in kaartbijlage 1.

15

Tabel 3.1: Bodemfunctieklassen volgens het Bbk Bodemfunctie

Bodemfunctieklasse

Moestuin en volkstuinen Natuur

Landbouw/Natuur

Landbouw Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie

Wonen

Industrie

Opmerking: In het Bbk zijn de bodemfunctieklassen gekoppeld aan bodemkwaliteitsklassen met dezelfde naam. De kwaliteitsklassen staan voor een bodemkwaliteit die verwacht mag worden bij het bodemgebruik. In de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur is dat onbelaste, schone grond (ook wel achtergrondwaarde-kwaliteit of AW2000-kwaliteit). De kwaliteitsklasse Industrie staat voor, door het industrieel gebruik, belaste grond maar altijd onder het niveau van de interventiewaarde (= grenswaarde voor ernstige bodemverontreiniging/potentieel humaan- of milieurisico). De kwaliteitsklasse Wonen zit tussen de twee andere klassen in.

Op de bodemfunctieklassenkaart in kaartbijlage 1 worden de volgende gebieden/klassen weergegeven: - gebieden die in de bodemfunctieklasse Wonen vallen; - gebieden die in de bodemfunctieklasse Industrie vallen; - gebieden die niet in de bovenstaande bodemfunctieklassen zijn ingedeeld vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur (met uitzondering van de uitgesloten gebieden). Daar gelden de strengste eisen voor het toepassen van grond. Hier mag alleen schone grond worden toegepast, tenzij in de nota bodembeheer is gemotiveerd waarom hiervan mag worden afgeweken. 3.3 Bodemkwaliteitskaart (BKK) De BKK is een kaart die de te verwachten gebiedseigen bodemkwaliteit van onverdachte gebieden weergeeft. De kwaliteit is niet op perceelsniveau maar op zoneniveau bepaald. Voor de bodemkwaliteit van een zone is veelal een combinatie van factoren bepalend. Dit betreft onder andere de grondslag en het historische bodemgebruik, dat vaak gerelateerd is aan de bebouwingsgeschiedenis. Zo heeft een bedrijventerrein of een historische woonkern doorgaans een slechtere kwaliteit dan een nieuwbouwwijk. Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn deze factoren, onderscheidende gebiedskenmerken, in samenhang met de bodemkwaliteitsgegevens verwerkt tot een definitieve bodemzoneringskaart.

Vervolgens is per zone, van deze bodemzoneringskaart, de gebiedseigen kwaliteit bepaald voor zowel de boven- als ondergrond. Deze kwaliteit is afgeleid met behulp van statistiek op de beschikbare gegevens uit al uitgevoerde bodemonderzoeken en uit bodemonderzoek dat speciaal voor het opstellen van de BKK is uitgevoerd. Het resultaat is een ontgravingskaart (zie nadere toelichting hieronder). Een BKK bestaat uit kaarten met de volgende drie thema’s: - Een bodemzoneringskaart; - Een ontgravingskaart; - Een toepassingskaart. Een nadere beschrijving van de kaarten is opgenomen in de rapportage van de BKK (zie bijlage 1).

16

4. Grondstromen beleid 4.1 Aanleiding voor gebiedsspecifiek grondstromenbeleid Gebiedsspecifiek beleid kan om uiteenlopende redenen wenselijk zijn. Belangrijk hierbij is dat een goede balans wordt gezocht tussen het optimaliseren van het grondverzet, het beschermen van de kwetsbare functies en het voorkomen van risico’s. Daarnaast wordt het bodembeheer, zowel voor gebiedsontwikkelingen als voor het onderhoud en beheer van de openbare ruimte, goedkoper en duurzamer. Op basis van de BKK zijn enkele gebiedsspecifieke keuzes gemaakt door de gemeente. Dit gaat enerzijds om keuzes die voor één of enkele zones gelden (zie par. 4.2) en anderzijds om keuzes die overkoepelend van toepassing zijn voor alle zones (zie par. 4.3). 4.2 Grondstromenbeleid op basis van zone-indeling Toepassing van grond binnen het generieke kader In het generieke kader wordt de toepassingseis, die aangeeft welke kwaliteit grond mag worden toegepast, bepaald op basis van de bodemkwaliteit van de toe te passen grond en bodemzoneringskaart. Hierbij is de strengste eis leidend. De generieke toepassingseis vertaald naar de 3 zones die in de gemeente Soest worden onderscheiden en de niet gezoneerde voormalige vliegbasis, levert de onderstaande tabel op. Tabel 4.1: Totaaloverzicht bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het generieke kader Bodemkwaliteitszone

Indeling in bodemkwaliteit volgens: Ontgravingskaart Toepassingskaart Bodemfunctieklassekaart (Bodemkwaliteitsklasse) (Toepassingseis)

bovengrond (0,0-0,5 m-mv) B1

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

B2

Wonen

Klasse Wonen

Klasse Wonen

B3

Industrie

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Landbouw/natuur

Niet gezoneerd

Klasse AW2000

Vliegbasis

ondergrond (0,5-2,0 m-mv) O1

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

O2

Wonen

Klasse AW2000

Klasse AW2000

O3

Industrie

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Landbouw/natuur

Niet gezoneerd

Klasse AW2000

Vliegbasis

Tabel 4.2 laat in de vorm van een grondstromenmatrix zien welke verplaatsingen van grond tussen de bodemkwaliteitszones zijn toegestaan.

17

Tabel 4.2: Grondstromenmatrix (generiek) Grond afkomstig Verwachte uit zone bodemkwaliteit

Toepassing in zone

Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) B1

AW2000

B2

Wonen

B3

AW2000

Vliegbasis

B1

B2

B3

O1

O2

O3

Vliegbasis

Niet gezoneerd

Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) O1

AW2000

O2

AW2000

O3

AW2000

Vliegbasis

Niet gezoneerd

toegestaan toegestaan m.u.v. gevoelige gebruiksfuncties niet toegestaan zonder keuring

Toepassing van grond binnen het gebiedsspecifieke kader De gebiedsspecifieke toepassingsvoorwaarden voor grond gelden alleen voor grond die binnen het beheergebied is ontgraven. Door onder voorwaarden toe te staan dat een schoon woongebied of industrieterrein wordt opgehoogd met grond uit respectievelijk (maximaal) kwaliteitsklasse Wonen en Industrie, verruimt de gemeente Soest de mogelijkheden voor het grondverzet. Het gevolg van deze handelwijze is dat op sommige plaatsen binnen het beheergebied de bodemkwaliteit iets verslechtert terwijl op de plaats van herkomst verbetering optreedt. Zo wordt invulling gegeven aan het principe van stand-still op beheergebiedniveau. Tabel 4.3 en kaartbijlage 4 geven de toepassingsmogelijkheden in dit gebiedsspecifieke kader weer. Tabel 4.3: Totaaloverzicht bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het gebiedsspecifieke beleidskader voor stoffen uit het standaard pakket Bodemkwaliteitszone

Indeling in bodemkwaliteit volgens: Ontgravingskaart Toepassingskaart Bodemfunctieklassekaart (Bodemkwaliteitsklasse) (Toepassingseis)

bovengrond (0,0-0,5 m-mv) B1

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

B2

Wonen

Klasse Wonen

Klasse Wonen1)

B3

Industrie

Klasse AW2000

Klasse Industrie1)

Landbouw/natuur

Niet gezoneerd

Klasse AW2000

Vliegbasis

ondergrond (0,5-2,0 m-mv) O1

Landbouw/natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

O2

Wonen

Klasse AW2000

Klasse Wonen1)

O3

Industrie

Klasse AW2000

Klasse Industrie1)

Landbouw/natuur

Niet gezoneerd

Klasse AW2000

Vliegbasis 1

) mogelijk onder gebiedsspecifieke voorwaarde

18

Toepassing van grond met een slechtere kwaliteitsklasse in woongebieden en op bedrijfsterreinen is alleen toegestaan als: - de toepassing plaatsvindt met grond die binnen de gemeentegrens is vrijgekomen; - de toepassing niet plaatsvindt op gevoelige gebruiksfuncties binnen woongebied of een bedrijfs-/industrieterrein zoals bedrijfswoningen, speelplaatsen en tuinen (zie par. 4.3, ad. 2); - de kans op functiewijziging naar een risicogevoeliger bodemgebruik in de toekomst klein is; - de toepassing integraal en aaneengesloten plaatsvindt; - de toepassing functioneel is. Dat wil zeggen niet van grotere omvang dan voor het doel van de toepassing nodig is. De RUD Utrecht toetst per voorgenomen toepassing of aan deze voorwaarden wordt voldaan. 4.3 Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid In deze paragraaf worden de onderstaande keuzes van gebiedsspecifiek beleid toegelicht die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart. 1. Voormalige vliegbasis; 2. Gevoelige gebruiksfuncties; 3. Grondverzet dieper dan 2 m-mv; 4. Bodemvreemd materiaal; 5. Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen; 6. Wegbermen langs provinciale en rijkswegen; 7. Verspreiden van bagger en baggerdepots; 8. Kabels- en leidingen; 9. Omgevingsvergunning bouwen; 10. Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Ad.

1: Voormalige vliegbasis Ten noorden van de woonkern Soesterberg ligt de voormalige vliegbasis. Van dit terreindeel is bekend dat op meerdere plaatsen de milieukwaliteit van de bodem negatief is beïnvloed door activiteiten in het verleden. Op andere plaatsen binnen de begrenzing van de vliegbasis zal de bodemkwaliteit niet of nauwelijks zijn aangetast. Vanwege de aanwezigheid van puntbronnen en de heterogeniteit is het niet mogelijk om een gemiddelde ontgravingskwaliteit te bepalen en is de vliegbasis uitgesloten in de ontgravingskaart (zie kaartbijlage 3). Het toekomstig gebruik van de voormalige vliegbasis is grotendeels Natuur. Om die reden mag hier alleen schone grond worden toegepast (kwaliteitsklasse AW2000). Dit is aangegeven op de toepassingskaart in kaartbijlage 4. Ad. 2: Gevoelige gebruiksfuncties Binnen de gemeente liggen terreindelen met gevoelige gebruiksfuncties. Onder gevoelige functies wordt in dit verband verstaan: 1. Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); 2. Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen) Ad.1

19

Volgens het generieke beleidskader mag in volks- en moestuinen alleen schone grond (AW2000) worden toegepast. De gemeente Soest kiest ervoor om voor volks- en moestuinen het generieke beleid te volgen (alleen toepassen van schone grond). Ad. 2 Voor kinderspeelplaatsen is hand-mondgedrag van kinderen de blootstellingsroute die het meest van belang is voor het berekenen van de potentiële humane risico’s. Om de werkelijke humane risico’s in te kunnen schatten zou eigenlijk onderscheid gemaakt moeten worden in het soort speelplaats of -tuin. Op speelplaatsen waar voornamelijk peuters en kleuters (kinderen tot 6 jaar) spelen en waar direct contact met de grond mogelijk is, zou je het liefst schone grond als toepassingseis willen hanteren. Als het gaat om speelplaatsen waar voornamelijk kinderen spelen die ouder zijn dan 6 jaar en waar je niet direct in contact kan komen met de grond (bijvoorbeeld een trapveldje) is het hand-mondgedrag een stuk minder en zou zonder risico klasse Wonen-grond toegepast kunnen worden. In de praktijk is het lastig om bij elke toepassing van grond op plaatsen waar kinderen kunnen spelen bovengenoemd onderscheid in soort speelplaats te maken en het verschil uit te leggen aan de omwonenden. Daarom geldt voor alle hierboven genoemde gevoelige functies dezelfde toepassingseis: schone grond (AW-2000). In tabel 4.4 is dit schematisch weergegeven.

Tabel 4.4: Toepassingseis voor het toepassen van grond op speelplaatsen (gebiedsspecifiek) Zone-overkoepelend thema

Bodemfunctieklasse

Bodemkwaliteitsklasse

Gebiedsspecifieke toepassingseis

Speelplaatsen

Wonen

AW2000

AW2000

Ad. 3: Grondverzet dieper dan 2 m-mv De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv). Voor grond afkomstig van een diepte groter dan 2 m-mv is de kwaliteit niet bekend en is de BKK formeel niet van toepassing. Uit de praktijk blijkt dat grond die dieper vrijkomt dan 2 meter ongeveer dezelfde kwaliteit heeft als de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv. Daarom gelden in de gemeente Soest voor het grondverzet in de bodemlaag dieper dan 2,0 m-mv dezelfde regels als voor grond uit de bodemlaag 0,5 - 2,0 m-mv. Ad. 4: Bodemvreemd materiaal In de bodem komen verschillende bijmengingen voor. Dit kunnen natuurlijke materialen zijn zoals stenen of schelpen, maar bijmengingen zijn vaak ook niet natuurlijk zoals puin, plastic en glas. In het verleden zijn beleidsmatig verschillende percentages gehanteerd van de hoeveelheid bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond. Een gemeente heeft de mogelijkheid om het percentage bodemvreemd materiaal vast te stellen tot een maximum van 20 % (gewichtsprocent). De gemeente Soest kiest er voor om in grond die toegepast wordt in het buitengebied en op gevoelige locaties (zie tabel 4.4) een hoeveelheid bodemvreemd materiaal toe te staan die niet meer is dan 5 gewichtsprocenten.

Ook in andere situaties kan een hoeveelheid van 20 % bodemvreemd materiaal onwenselijk zijn, gelet op de gebruiksfunctie. In bestekken kunnen desgewenst scherpere eisen worden gesteld worden aan bijmenging met bodemvreemd materiaal. 20

Aan de samenstelling wordt als voorwaarde gesteld dat kunststoffen (plastic, PVC, piepschuim ed.) evenals visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal, geen onderdeel mogen uitmaken van het bodemvreemde materiaal. In de tabel 4.5 is het gebiedsspecifieke beleid voor dit thema schematisch weergegeven. Tabel 4.5: Maximale bijmenging aan bodemvreemd materiaal (steen en hout in gewichtspercentage) Bodemfunctieklasse

Landbouw/natuur Wonen (gevoelig gebruik, zoals wonen met tuin, moestuin en speelplaats)

Maximaal percentage bijmenging*) 5% 5%

Wonen (geen gevoelig gebruik)

20%

Industrie

20%

*) geen kunststoffen en visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal

Ad. 5: Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen De kwaliteit van vrijkomende bermgrond kent veel variatie en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), lood, zink en andere zware metalen en minerale olie. Deze verontreiniging is veroorzaakt door: - depositie uitlaatgassen (PAK, lood); - afstromend regenwater (minerale olie, PAK en zware metalen); - wegfunderingsmateriaal (PAK en zware metalen); - toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); - uitloging vangrails (zink). Het gebiedsspecifieke beleid houdt in dat de grond uit een wegberm, zonder partijkeuring of bodemonderzoek, mag worden hergebruikt in een andere wegberm die in beheer is van de gemeente. Als men de grond elders wil toepassen dan in een wegberm die in eigen beheer is, dan is een partijkeuring noodzakelijk. Op wegbermen met gevoelige functies mag alleen schone grond worden toegepast (zie boven). Voor grond die van buiten de wegberm wordt toegepast, geldt de toepassingseis Klasse Industrie. Wegbermen langs onverharde wegen vormen een uitzondering hierop. Deze zijn niet verontreinigd door de naastgelegen weg. Er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van grond in de wegbermen langs onverharde wegen gelijk is aan de gebiedskwaliteit.

Dit betekent dat voor grondverzet de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel geldt en de toepassingseis gelijk is aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is. Wil men bermgrond elders (dus buiten wegbermen) toepassen dan is een partijkeuring noodzakelijk om te toetsen of de toepassing is toegestaan. Voor wegbermen gelegen langs onverharde wegen moet de kwaliteit van de toe te passen grond voldoen aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is. Grond uit verdachte wegbermen moet altijd onderzocht worden. De reden hiervoor is dat het niet wenselijk is dat grondwerkers in aanraking komen met mogelijk sterk verontreinigde grond (> interventiewaarde) zonder dat de juiste veiligheidsmaatregelen getroffen zijn. Bovendien valt sterk verontreinigde grond buiten het kader van de nota bodembeheer. 21

Het is niet werkbaar om op een kaart aan te duiden welke wegbermen wel en niet verontreinigd zijn. Er zijn namelijk (te) veel representatieve waarnemingen van grond uit gemeentelijke wegbermen noodzakelijk om wegbermen te kunnen zoneren (dat wil zeggen: in te delen op bodemkwaliteit). In tabel 4.6 is het gebiedsspecifieke beleid voor gemeentelijke wegbermen schematisch weergegeven. Tabel 4.6: Overzicht gebiedsspecifiek beleid gemeentelijke wegbermen Wegbermen langs:

Vrij grondverzet voor Toepassingseis voor grond binnen de wegberm grond afkomstig van buiten de wegberm

Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast

Gemeentelijke onverharde wegen

Tussen bermen waar de ontgravingskwaliteit voldoet aan de toepassingseis

De toepassingseis van de zone

Bodemkwaliteitskaart

Gemeentelijke verharde wegen (onverdacht)

Tussen bermen binnen de gemeente

Klasse Industrie

Partijkeuring

Gemeentelijke verharde wegen (verdacht)

De vrijkomende grond moet Klasse Industrie altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring

Partijkeuring

De volgende definitie van wegbermen wordt gehanteerd: de strook van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt doorsneden door een sloot dan wel de grens van het desbetreffende perceel. Dit is visueel weergegeven in afbeelding 4.1. Het kan ook voorkomen dat er een middenberm aanwezig is. Ook voor de middenberm, groen tussen de twee wegconstructies, geldt hetzelfde beleid. Afbeelding Fout! Geen tekst met de opgegeven stijl in het document..1: Begrenzing wegbermen

Bron: brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009.

22

Ad. 6: Wegbermen langs provinciale- en rijkswegen De bodemkwaliteit van de wegbermen langs provinciale en rijkswegen (binnen de gemeentegrens gaat het dan om de A28 en de N221, N234 en N237) is negatief beïnvloed door dezelfde oorzaken als bij gemeentelijke wegen. Voor het toepassen van grond afkomstig uit andere bodembeheergebieden geldt dat vrij grondverzet is toegestaan binnen de wegbermen van provinciale en rijkswegen. Voor het toepassen van de grond in wegbermen van deze wegen geldt de lokale maximale waarde Klasse Industrie. In tabel 4.7 is een samenvatting weergegeven van grondverzet in wegbermen. Tabel 4.7: Overzicht gebiedsspecifiek beleid provinciale- en rijkswegbermen Wegbermen langs:

Vrij grondverzet

Toepassingseis voor grond afkomstig van buiten de wegberm

Provinciale wegen (onverdacht)

Tussen bermen van provinciale Klasse Industrie wegen binnen beheergebied

Partijkeuring

Rijkswegen (onverdacht)

Tussen bermen van rijkswegen Klasse Industrie binnen beheergebied

Partijkeuring

Indien verdacht

De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring

Partijkeuring

Klasse Industrie

Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast

Ad. 7: Verspreiden van bagger en baggerdepots Watergangen moeten regelmatig worden gebaggerd om uiteenlopende redenen. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor, bijvoorbeeld in bebouwde gebieden. Het is echter wenselijk om zoveel mogelijk gebiedseigen bagger te kunnen verspreiden of toe te kunnen passen binnen de gemeente of het beheergebied van aangesloten gemeenten/regio’s. Binnen het generieke kader van het Besluit mag baggerspecie worden verspreid op aangrenzende percelen en tijdelijk worden opgeslagen in weilanddepots (voor ontwatering en rijping) op het aan de watergang grenzende perceel. Voorwaarde hieraan is dat de kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm of dat de baggerspecie aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte watergang. In de toelichting op het Bbk wordt het begrip ‘aangrenzende perceel’ slechts summier toegelicht en er wordt geen maximale afstand genoemd. In lijn met de wens tot decentralisatie is het Bbk bewust minder sturend en kaderstellend. Nadere invulling ligt bij gemeenten en waterschappen, die kunnen vaststellen hoe de baggeractiviteiten het beste passen binnen het beheer van het gebied. De gemeente Soest vult het begrip aangrenzend perceel als volgt in: alle percelen die zijn gelegen binnen de grenzen van de bodemkwaliteitszone van de betreffende watergang.

Deze invulling geldt voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied en aanvullend op de mogelijkheden die het Bbk biedt. Voor het opbrengen van hoeveelheden of laagdikte bij het verspreiden van baggerspecie is geen maat opgenomen in het Besluit. De aërobe afbraak van organische verontreinigingen 23

wordt ernstig bemoeilijkt bij baggerspecielagen dikker dan 30 cm. De gemeente Soest hanteert een maximale dikte van de baggerlaag na rijping van 30 cm. Binnen een zone mag vrijkomende (natte) baggerspecie worden toegepast als deze voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld aan het gebiedsspecifiek beleid voor grond. Het direct toepassen wordt dan niet gezien als verspreiden en er hoeft dus ook niet te worden getoetst aan de verspreidingsnorm. In wezen wordt er bij direct toepassen geen onderscheid gemaakt tussen grond en baggerspecie welke vrijkomt en weer wordt hergebruik binnen de eigen zone. De argumentatie voor deze invulling is: - binnen dezelfde zone zal vermoedelijk sprake zijn van een vrij homogene waterbodemkwaliteit. Het betreft immers gebiedseigen bagger met een vergelijkbare kwaliteit; - binnen een zone hebben de watergangen een vergelijkbare dynamiek, veelal sloten ten behoeve van ontwatering zonder vaarbewegingen; - het verspreiden van bagger gebeurt al eeuwen en de bodemkwaliteit is dus ook al eeuwen beïnvloed door deze handelswijze; - de totale kwaliteit van het systeem “bodem en waterbodem” verslechtert niet, maar blijft gelijk (stand-still). Dit is dus een integrale benadering van de maatschappelijke baggeropgave.

Het direct toepassen van bagger binnen dezelfde zone wordt niet gezien als verspreiden en er hoeft dus ook niet te worden getoetst met de msPAF-toets. Er wordt bij het direct toepassen geen verschil gemaakt tussen grond en bagger. Bovenstaande invulling geldt voor zowel het landelijk gebied als de bebouwde kom, zolang de verspreidbare bagger maar binnen dezelfde zone blijft en de bagger ofwel afkomstig is uit onverdachte watergangen dan wel op basis van een milieuhygiënische verklaring conform het Besluit bodemkwaliteit als verspreidbaar (ms-PAF-toets) kan worden gekwalificeerd. Concreet maakt het gebiedsspecifieke kader het verspreiden/toepassen van bagger ook buiten aangrenzende percelen, onder voorwaarden, mogelijk. Ter voorkoming van overlast voor omwonenden is het inrichten van een baggerdepot in de zones B2 en B3 niet toegestaan. Ad. 8: Kabels en leidingen Veel grondwerkzaamheden bij de aanleg of vervanging van kabels en leidingen en riolering vallen onder het begrip tijdelijke uitname (par. 5.4). In het Besluit bodemkwaliteit is gesteld dat het tijdelijk uitnemen en het daarna weer terugplaatsen van grond, onder voorwaarden is toegestaan, mits deze niet is bewerkt.

Vanwege een (potentieel) verschil in samenstelling en milieukwaliteit tussen boven- en ondergrond mogen beide bodemlagen in het generieke beleidskader bij het toepassen van grond, niet zonder meer worden gemengd. Met andere woorden: ontgraven bovengrond moet als bovengrond worden toegepast, hetzelfde geldt voor de ondergrond. Dit principe is niet in alle situaties werkbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. Dit zijn kleinschalige grondwerken waarbij weinig ruimte is om ontgraven grond op te slaan. Grond die vrijkomt bij het graven van een sleuf wordt op een rug naast de sleuf 24

gelegd. Vaak is bij eerdere werkzaamheden aan de kabels en leidingen de grond al geroerd en heeft herstel van het bodemprofiel geen meerwaarde. Binnen het gebiedsspecifieke beleidskader is het daarom toegestaan om, bij tijdelijke uitname van grond bij reparatie- of vervangwerkzaamheden aan kabels en leidingen, bovenen ondergrond niet gescheiden te ontgraven en terug te plaatsen. Dit betekent dat in ontgravingstraject de boven- en ondergrond geroerd teruggeplaatst mag worden, mits de ontgravingsdiepte functioneel is. Bij hergebruik van grond uit kabel- en leidingsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van deze grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond uit de betreffende zone. Deze werkwijze resulteert erin dat de bodem ter plaatse van leidingtracés (verder) geroerd raakt, met als gevolg het mengen van verschillende kwaliteitsklassen. Deze vermenging wordt geaccepteerd omdat: - na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating, waardoor er geen direct contact met de grond mogelijk is; - de grond ter plaatse van de leidingtracés in het verleden vaak al geroerd is bij de aanleg en en/of de ontgravingssleuf bij aanleg vaak aangevuld is met schone grond.

Bij hergebruik van grond uit kabels-, leidingen- en rioolsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond van de desbetreffende zone. De acceptant van de grond kan altijd om een partijkeuring vragen om de kwaliteit van de grond aan te tonen. Ad. 9: Omgevingsvergunning bouwen Om te mogen bouwen is in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Als onderdeel van de vergunningaanvraag kan een gemeente vragen om een bodemonderzoek. In de gemeentelijke bouwverordening (art. 2.1.5) staat vermeld in welke situatie wel/geen bodemonderzoek noodzakelijk is. Het doel van het bodemonderzoek is om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd waardoor risico’s kunnen ontstaan voor de eigenaar/gebruiker. Omdat de BKK inzicht geeft in de gemiddelde bodemkwaliteit van de zones in het beheergebied en daarmee ook van het bouwperceel, kan deze op onderstaande wijze worden benut in de vergunningprocedure voor bouwen. In gevallen waarin volgens de gemeentelijke bouwverordening een bodemonderzoek noodzakelijk is, als onderdeel van de vergunningaanvraag, is altijd een vooronderzoek conform NEN5725 nodig.

Blijkt uit de resultaten van dit vooronderzoek dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging dan kan op basis van de ontgravingskaart (zie kaartbijlage 3A) de milieukwaliteit van de bodem worden bepaald en is verder onderzoek niet nodig. Hiervoor gelden twee uitzonderingen. Een vooronderzoek (in combinatie met de BKK) is geen geldig bewijsmiddel in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wanneer: - uit het vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat de locatie of een gedeelte van de locatie verdacht is. Dan dient altijd minimaal een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 te worden uitgevoerd voor het gehele deel waarop het plan betrekking heeft;

25

-

de locatie in één van de in de BKK uitgesloten gebieden gesitueerd is. Hier dient na een vooronderzoek conform NEN5725 altijd een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden.

Ad. 10: Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeente de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond moet aandacht worden besteed aan het (eventueel) voorkomen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. De gemeente houdt een kaart bij waarop de locaties aangegeven staan waar de Japanse Duizendknoop is waargenomen (zie bijlage 5). Deze kaart wordt door de gemeente actueel gehouden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen opgesteld.

Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieveexoten/.

26

5. Beleidsregels voor PFAS 5.1 Inleiding Op 8 juli 2019 is een Tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit Tijdelijk handelingskader is op 2 juli 2020 voor het laatst geactualiseerd. Er zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFASgehalten gedefinieerd, evenals toepassingseisen in verschillende toepassingssituaties. De provincie Utrecht heeft voor het gebied binnen de provinciegrens gebiedsspecifiek beleid voor PFAS-houdende bodem op laten stellen. Gemeenten die daarvoor kiezen kunnen dit PFAS-beleid vaststellen voor hun grondgebied. De gemeente Soest heeft dat gedaan. Het beleid is beschreven in de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht, 7 april 2021”. Hieronder is samengevat wat dit PFAS-beleid inhoudt voor de gemeente Soest. 5.2 Karakterisering en kwaliteitszone-indeling In tegenstelling tot de meeste andere bodemverontreinigende stoffen is de verspreiding van PFAS hoofdzakelijk bepaald door depositie vanuit puntbronnen en in beperkte mate door het gebruik van de bodem. Onderzoeksresultaten laten zien dat er geen significante verschillen zijn tussen achtergrondgehalten PFAS in landelijk gebied en stedelijk gebied. De afstand tot puntbronnen bepaalt de mate waarin de bodem belast is met PFAS.

Uit de Bodemkwaliteitskaart PFAS van de provincie Utrecht (6 april 2021) volgt dat de bodem in de gemeente Soest in lichte mate diffuus belast is met PFAS in gehalten die gemiddeld onder de grenswaarde liggen van de functieklasse Landbouw/Natuur uit het Tijdelijk handelingskader PFAS (THK). Vanwege de homogene verspreiding van PFAS is binnen de gemeentegrens geen zoneverdeling aangebracht. 5.3 Verwachte ontgravingskwaliteit De ontgravingskaarten in de BKK PFAS geven de te verwachten kwaliteit aan van respectievelijk te ontgraven boven- en ondergrond. Deze kaart mag onder voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie niet is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Par. 7.2 van deze nota gaat hier nader op in. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van de PFAS-verbindingen PFOS, PFOA en PFAS overig. Uit de BKK PFAS volgt dat de bodemlagen 0,0 – 0,5 m-mv en 0,5 – 2,0 m-mv gehalten PFAS bevat die gemiddeld onder de grenswaarden voor Klasse Landbouw/Natuur liggen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat in de diepere bodemlagen hogere gehalten voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=85bfa561-b4bc-4cbe-8620-048aa1692783