11. Toelichting bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198_ontwerp
Tekst van het document
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
25/36
Milieu-categorie 1
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m
2 3.1
30 m 50 m
10 m 30 m
3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m Tabel 4: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
4.6.2 Betekenis voor het bestemmingsplan De nieuwe woningen komen in een gebied waar naast woningen ook andere maatschappelijke en bedrijfsmatige functies voorkomen. Zodoende kan het gezien worden als een gemengd gebied. Er is een onderzoek milieuzonering uitgevoerd voor het bestemmingsplan (Aveco de Bondt, 12 juni 2023). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven. Uit de inventarisatie op basis van de richtafstanden tussen de omliggende bedrijven en het plangebied blijkt dat er geen beperkingen zijn tussen het plangebied en omliggende functies. Veelal wordt aan de richtafstanden voldaan of is reeds sprake van bestaande beperkingen waardoor de ontwikkelingen binnen het plangebied geen verdere beperkingen opleveren. Bedrijven worden niet onevenredig gehinderd in de uitoefening van hun activiteiten, er is geen sprake van aantasting van planologisch gebruiksmogelijkheden en in het plangebied voor het appartementengebouw zelf zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Wat betreft de milieuhinder van het plan zelf (externe werking): Binnen het plangebied worden appartementen gerealiseerd, appartementen veroorzaken geen milieuhinder voor functies in de omgeving. Daarnaast wordt een klein gebouw met nutsvoorzieningen ten behoeve van telecom ingepast.
De nutsvoorziening heeft een verwachte milieucategorie van 1, met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied, en vormt daarmee geen beperking voor de omgeving. De milieuhinder (planologisch en daadwerkelijk) van de locatie zal per saldo veel kleiner worden, aangezien het bedrijfsmatig gebruik komt te vervallen in de plaats van woningbouw. Deze functie past ook veel beter in het gebied dat overwegend uit woonbestemmingen bestaat.
adres
functie
max. toegestane milieucat.
Maatschappelijk (uitvaartcen2 trum) Maatschappelijk Molenstraat 40 2 (kerkgebouw) Tabel 5: omliggende niet-woonfuncties met richtafstand Albert Cuyplaan 196
feitelijke milieucategorie
richtafstand (gemengd gebied)
werkelijke afstand tot bouwvlak
1
0m
5,6 m
2
10 m
16 m
4.6.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering is geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.7
Geluidhinder wegverkeer
4.7.1 Wettelijk kader Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
26/36
Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh): • Woningen • Onderwijsgebouwen • Ziekenhuizen en verpleeghuizen • Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) 4.7.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone c.q. de invloedsfeer van de Dalweg. Daarnaast bevindt het plan zich in de nabijheid van een aantal niet-zoneplichte 30 km/uur-wegen (Albert Cuyplaan en Molenstraat). Voor het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Aveco de Bondt, 22 september 2022). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven.
Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Dalweg, na aftrek conform artikel 110g Wgh, niet hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De Wet geluidhinder stelt verder geen aanvullende eisen vanwege het geluid van de Dalweg. Ook wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het gemeentelijk geluidbeleid. De geluidbelasting vanwege de Albert Cuyplaan en Molenstraat, na aftrek conform artikel 110g Wgh, is niet hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat er geen wegen zijn met een overschrijding van de voorkeurswaarde, is er, conform artikel 110f Wgh, geen aanleiding om de cumulatieve effecten van geluid te bepalen. 4.7.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er is zodoende vanuit het aspect geluidhinder geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Woningbouwlocaties van 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
27/36
4.8.2 Betekenis voor het plan Het plan blijft ruim onder het aantal van 1.500 woningen. Er kan worden gesteld dat het plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke zijn gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op een schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Voor het plangebied geldt een achtergrond concentratie stikstofdioxide (NO2) van 9,87 µg/m3 voor het meetjaar 2030. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 op basis van de Wet milieubeheer. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) voor het plangebied is voor het meetjaar 2030 15,29 µg/m3. Dit is tevens ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 op basis van de Wet milieubeheer bijlage 2, voorschrift 4.1. Tenslotte is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) voor het plangebied in het meetjaar 2030 8,63 µg/m3. Dit bevindt zich onder de WHO-advieswaarde. 4.8.3 Conclusie voor het plan Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt (zoals woningen).
Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.9.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Aveco de Bondt, 30 augustus 2023). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven. De functies die binnen het plangebied worden gerealiseerd betreffen geen risicobronnen volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een nadere beschouwing naar de
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
28/36
effecten van het plan op de omgeving is vanuit de wetgeving op het gebied van externe veiligheid dus niet benodigd. Uit de inventarisatie blijkt dat rondom het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn. Deze zijn beschouwd in de rapportage in de bijlage. Uit de beoordeling blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen de plaatsgebonden risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied spoorlijn Route 30 Hilversum -Amersfoort waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over deze route worden toxische stoffen vervoerd. Om deze reden dient in het bestemmingsplan rekening te worden gehouden met een ramp/incident met gevaarlijke stoffen op deze spoorlijn en de daarbij behorende maatregelen. Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt met in achtneming van de adviezen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het appartementengebouw. 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Wet en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r.. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.-toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. afbeelding 12 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van: • een directe m.e.r.-plicht of • een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of • een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht.
afbeelding 12: soorten milieueffectrapportage (bron: Aveco)
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. 4.10.2 Betekenis voor het plan Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op ruime afstand van het plangebied
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
29/36
van Natura 2000-gebied is gelegen en de ontwikkeling relatief beperkt van aard is. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.5. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r.-beoor delingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo kent het plangebied een beperkte oppervlakte en relatief beperkt aantal woningen. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
30/36
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
31/36
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Groen – Wijkgroen (artikel 3) Aan de zuidzijde tegen de achtertuinen van de woningen aan de Haagstede aan komt een groenstrook. Ook komt er een groene zone tussen het nieuwe gebouw en de noordelijke perceelsgrens. Deze delen van het plangebied hebben de bestemming Groen – Wijkgroen gekregen. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. De precieze inrichting van het terrein rond het gebouw wordt nog nader uitgewerkt met de exacte indeling van de parkeerplaatsen. Er zullen rond de parkeerhavens waarschijnlijk nog aanvullende kleinere groenstroken komen. Om flexibiliteit in het ontwerp te houden, zijn die echter niet bestemd als groen, maar als verkeer. Verkeer (artikel 4) De toegangsweg en het parkeerterrein rond de nieuwbouw is opgenomen in de bestemming Verkeer. Ook het pad naar de fietsenberging aan de noordzijde van het nieuwe gebouw heeft een verkeersbestemming gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook nog bermen, trottoirs, fiets- en voetpaden en parkeerplaatsen opgenomen, alsmede groenvoorzieningen en tuinen en erven voor aangrenzende woningen.
Wonen - Gestapeld (artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het beoogde appartementengebouw. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven, waterhuishouding, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, andere bouwwerken en ontsluitingsvoorzieningen. Het nieuwe gebouw dient in het bouwvlak te worden gebouwd en er geldt een maximum bouwhoogte van 16 meter. Waarde – Archeologie hoge verwachting (AWV1)’ (artikel 6) Deze bestemming is opgenomen conform het nu geldende plan. Gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de ander daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Een omgevingsvergunningenstelsel beschermt de archeologische waarden. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitbepalingen en algemene bepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om: Anti-dubbeltelregel (artikel 7) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene bouwregels (artikel 8) In dit artikel zijn bouwregels opgenomen voor ondergrondse bouwwerken.
Algemene gebruiksregels (artikel 9) In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
32/36
Algemene afwijkingsregels (artikel 10) Dit artikel geeft een regeling om in beperkte mate af te wijken van voorgeschreven maatvoeringen zoals bouwgrenzen, hoogtes en afmetingen. Ook zijn enkele afwijkingsmogelijkheden benoemd voor specifieke objecten, zoals liftschachten, bouwwerken voor stalling van scootmobielen en objecten van beeldende kunst. Algemene wijzigingsregels (artikel 11) Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Verder kan de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten worden gewijzigd om deze actueel te houden. En in het geval dat de Archeologische beleidskaart wordt gewijzigd, kan de archeologische dubbelbestemming als zodanig ook worden aangepast. Overige regels (artikel 12) In dit artikel is een regeling opgenomen die voorziet in de verplichting om aan de parkeernorm te voldoen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 13) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 14) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
33/36
6
Financieel-economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de toelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. de ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het voorliggende plan betreft een particulier initiatief. De financiering van de kosten die verbonden zijn met de uitvoering van het bestemmingsplan komen dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. In dit kader heeft de gemeente met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten waarin afspraken worden vastgelegd inzake het kostenverhaal. Het plan heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente.
Concluderend kan gesteld worden dat er zijn geen kosten voor de gemeente verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan en het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Er kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan ex artikel 6.12 Wro, omdat dekking van het kostenverhaal anderszins verzekerd is.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
34/36
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Informatiebijeenkomst
De initiatiefnemer van het plan heeft op 21 juni 2022 een informatiebijeenkomst georganiseerd voor omwonenden van de locatie. Op de bijeenkomsten van dinsdag 21 juni waren 202 adressen uitgenodigd hiervan waren 22 belangstellenden aanwezig. Allen omwonenden van de locatie. Na de presentatie en de toelichting door de gemeente was er de mogelijkheid om vragen te stellen. De meeste vragen gingen over onderwerpen als parkeren, bouwhoogte, schaduw, woningtypologie en privacy. In het verslag dat is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting is ingegaan op de vragen.
7.2
Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro
Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan toegezonden aan de provincie Utrecht, de Veiligheidsregio Utrecht en het waterschap. De provincie Utrecht heeft laten weten geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. Er is een reactie van de Veiligheidsregio ontvangen. Deze is hieronder beschreven en van een reactie voorzien. Vooroverlegreactie Veiligheidsregio Utrecht (VRU) Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied spoorlijn Route 30 Hilversum - Amersfoort waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over deze route worden toxische stoffen vervoerd. Om deze reden dient in het bestemmingsplan rekening te worden gehouden met een ramp/incident met gevaarlijke stoffen op deze spoorlijn en de daarbij behorende maatregelen. De VRU is in haar advies ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de spoorlijn Route 30 Hilversum - Amersfoort alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied in het kader van de verantwoording van het groepsrisico. Geadviseerd wordt om het advies met betrekking tot risicocommunicatie over te nemen in de Quick Scan Externe Veiligheid in de bijlage van de toelichting van het bestemmingsplan.
Daarnaast adviseert de VRU om in de omgevingsvergunning afschakelbare ventilatie op te nemen als bouwkundige maatregel. Zodoende wordt voorkomen dat giftige stoffen in de woningen komen. Tot slot wordt gevraagd om in een vroegtijdig stadium de Veiligheidsregio Utrecht te betrekken bij de omgevingsvergunning voor deze planontwikkeling. Beantwoording gemeente Met de opmerkingen van de VRU is rekening gehouden. De quickscan is aangevuld en bij de vergunningverlening zal rekening worden gehouden met de adviezen van de VRU.
7.3
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er geen voorontwerp ter inzage gelegd.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
35/36
7.4
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen voor een ieder om te reageren. De ingekomen reacties worden te zijner tijd hier beschreven.
Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 Soest, Ontwerp
36/36