11 2 Bijlage 1 Bestemmingsplan Kamerlingh Onneslaan.pdf
Tekst van het document
Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van
24
een LPG-tankstation. De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom LPG-tankstations. De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. Onderzoek Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Hieronder is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. De blauwe stip geeft de ligging van het plangebied aan.
Figuur 4.2: Uitsnede nationale risicokaart Uit de nationale risicokaart blijkt dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt buiten de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van transportroutes, inrichtingen en buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
4.9 Kabels en leidingen Beleid, Wet- en regelgeving Structuurvisie Buisleidingen De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Deze leidingen, bestaand of nieuw, moeten volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 4 of 5 meter aan weerszijden van de leiding. Verder moet op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening worden gehouden met de risiconormering voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Onderzoek In het plangebied zijn geen (te beschermen of beschermde) kabels en leidingen aanwezig. Dit blijkt uit het vigerende bestemmingsplan en uit de provinciale risicokaart waarin in het plangebied
25
geen kabels- en leidingen worden beschermd. Het vigerende bestemmingsplan is vastgesteld in 2013 en daarmee redelijk recent. In de nabijheid van het plangebied is verder ook geen sprake van kabels en leidingen die belemmerend zijn voor de ontwikkeling zoals een hoogspanningslijn of buisleiding. Los van voorgaande dient voorafgaand aan eventuele grondwerkzaamheden in het plangebied te zijner tijd een KLIC-melding opgevraagd te worden bij de betrokken netwerk-/leidingbeheerders. Conclusie Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.10 Water Beleid, Wet- en regelgeving Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument de Watertoets. In de waterparagraaf van het ruimtelijke plan moeten de resultaten van deze toets worden opgenomen, waaronder het wateradvies van de waterbeheerder. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei & Veluwe Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Vallei & Veluwe. In september 2015 is het nieuwe Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden.
Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn een zestal ambities geformuleerd: • beschermen tegen overstromingen; • zorgen voor de juiste hoeveelheid water; • zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit; • schoon en vuilwater worden zoveel mogelijk gescheiden; • hoogst mogelijk waarde uit water halen; • beheren afvalwaterketen en watersysteem als een geheel met partners. Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest – Baarn 2018-2022 Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 heeft betrekking op alle gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met de leefomgeving. Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. Ook komen de rollen van gemeente, waterschap, bewoners en bedrijven aan bod. Daarnaast houdt het plan rekening met recente ontwikkelingen en het pas afgeronde technische onderzoek Basiswaterketenplan. Doelstelling is het maken van een duurzaam en robuust watersysteem en rioleringsstelsel, zodat deze de effecten van de klimaatverandering kunnen opvangen. Dit gebeurt in samenhang met andere ingrepen in de (stedelijke) omgeving, waarbij de kansen worden benut en effectgericht word gewerkt.
Het hemelwater van de bebouwing zal worden opgevangen in infiltratiekratten. Het water dat op straat valt zal naar straatkolken worden geleid. In het plangebied zal hiervoor een gescheiden stelsel worden aangelegd tot aan de perceelsgrens. De riolering wordt daar aangesloten op het bestaande gemengde stelsel. Indien dit gemengde stelsel te zijner tijd wordt vervangen, kan zodoende de droogweerafvoer en hemelwaterafvoer van het plangebied op dit gescheiden stelsel worden aangesloten. Nieuwe ontwikkelingen worden 'waterneutraal' ontworpen (geen extra afvoer van hemelwater). Het afvalwater wordt als bron van grondstoffen en energie gezien. Waar kansen zich voordoen, maken we het afvalwater onderdeel van de circulaire economie. Het grond- en oppervlaktewaterbeleid richt zich op waterbestendig bouwen, zodat de natuurlijke
26
waterhuishouding behouden blijft. Onder het motto wat groen is moet groen blijven probeert het gemeentebestuur het verharden van tuinen te beperken. Door de klimaatverandering zal hevige neerslag vaker voorkomen en nog heviger worden. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bewoners en bedrijven zullen vaker hinder ondervinden, maar de gemeente wil de kans op overlast beperken en waterschade zoveel mogelijk voorkomen. De gemeente zet het beleid voort om vuil water en schoon hemelwater te scheiden. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Dit afkoppelen is duurzaam en nodig om de gemeente klimaatbestendig te maken. Voor nieuwbouw is de inzet om de ideale situatie steeds meer te benaderen op basis van de stand van de techniek. Dit vraagt om een vroegtijdige verbinding tussen disciplines als ruimtelijke ordening en stedelijk waterbeheer. De initiatiefnemer zal over de definitieve uitvoering in overleg treden met gemeente.
Onderzoek De woningen in het plangebied zullen voor wat betreft de afvoer van afvalwater aangesloten worden op het bestaande rioolstelsel aan de Kamerlingh Onneslaan. De afvoer van het hemelwater zal niet via het rioolstelsel lopen, maar in de bodem worden geïnfiltreerd. Hiertoe het volgende. De gemeente Soest streeft hemelwaterneutraal ontwikkelen na. Dat betekent dat hemelwater zoveel mogelijk tijdelijk op eigen terrein geborgen en geïnfiltreerd moet worden. In dat kader is voor onderhavige ontwikkeling gekeken naar het verhard oppervlak en het op basis daarvan tijdelijk te bergen aantal kubieke meters aan hemelwater op eigen terrein. De bergings- en infiltratie-eis is 0,02 m3 per vierkante meter dakvlak. Sprake is van 115 m2 dakvlak per woning. Dat betekent dat per woning 2,30 m3 aan hemelwater tijdelijk geborgen moet worden en langzaam geïnfiltreerd. De initiatiefnemer wil voor zijn wateroplossing gebruik maken van infiltratiekratten. De infiltratiekratten die hij wil gebruiken hebben een waterbergend vermogen van 0,3 m3 per krat. Om 2,30 m3 te kunnen bergen zijn 8 kratten nodig. Per woning zullen 8 infiltratiekratten met een totaal aan hemelwaterbergend vermogen van 2,40 m3 water worden aangelegd. Een en ander conform de Leidraad Fysieke Leefomgeving van de gemeente Soest zoals verwoord in paragraaf 4.2.2.
Afvoervoorzieningen woningen van die leidraad, waarbij de noodoverstort uit de bladvang weg kan lopen naar een lager deel van de tuin waar het kan infiltreren. Conclusie Voor wat betreft de afvoer van het afvalwater zullen de woningen in het plangebied aangesloten worden op het bestaande rioolstelsel. Met onderhavige ontwikkeling wordt hemelwaterneutraal ontwikkelen nagestreefd. Voldaan wordt aan de gestelde bergings- en infiltratie-eis. Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.12 Natuur en groen Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet
27
toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen.
De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De bescherming van de EHS betekent niet dat bijvoorbeeld woningbouw en bedrijvigheid altijd verboden zijn. Ontwikkelingen zijn onder bepaalde voorwaarden mogelijk.
Het Rijk en de provincies hebben hiervoor samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties, spelregels opgesteld. In de EHS geldt het 'nee, tenzij'-principe. Ruimtelijke ingrepen zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Ook moeten de ontwikkelingen een groot openbaar belang hebben. De schadelijke effecten van de activiteit op de natuur moeten bovendien worden gecompenseerd. Ook hierover zijn afspraken gemaakt.
De groene kernkwaliteit van Soest 2014 Het groenbeleid is vastgelegd in de nota ‘de groene kernkwaliteit van Soest’ (2014). De gemeente Soest heeft een uitgebreide groenstructuur zowel binnen de bebouwde kom als in het groene buitengebied. Daarbij zijn nog veel landschappelijke cultuurhistorische elementen aanwezig. De kernkwaliteit van het groen in Soest bestaat uit een combinatie van visueel-ruimtelijke, functioneel-ruimtelijke en economische kwaliteiten. Het groen op dorps- en wijkniveau draagt bij aan de collectieve beleving van de groene kernkwaliteit, waarbij bomen de belangrijkste groenelementen zijn. Het groen dat bepalend is voor de groene kernkwaliteit is vastgelegd op de groenstructuurkaart. Het doel van de nota ‘de groene kernkwaliteit van Soest’ en de groenstructuurkaart is: • Het behouden en versterken van de groene kernkwaliteit van Soest; • Het herstel van landschappelijke cultuurhistorische elementen;
28
•
Het bieden van kaders voor het herstel van lanenstructuren en landschappelijke cultuurhistorische elementen.
In het bestemmingsplan zijn de belangrijke groenstructuren vastgelegd. De belangrijkste structuurbepalende elementen zijn opgenomen in de bestemming ‘Groen - Structuurgroen’, waarin beschermende bepalingen zijn opgenomen. De overige groenstructuren dan wel groengebieden zijn opgenomen in de bestemming ‘Groen - Wijkgroen’. Bescherming en kap van bomen (2012) In de nota ‘Bescherming en kap van bomen’ is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De juridische regels rondom het beschermen en kappen van bomen zijn vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Soest (APV Soest). Het beschermen van bomen is gericht op het behoud van het groene karakter van de gemeente Soest, dat hoofdzakelijk wordt bepaald door bomenstructuren. Daarnaast kunnen individuele bomen of bomengroepen van grote waarde zijn voor een bepaalde plek. De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën: 1. Bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken; 2. Monumentale bomen (particulier en gemeentelijk); 3. Waardevolle bomen (gemeentelijk); 4. Toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen ≥ 175m²; 5. Overige openbare bomen. De beschermwaardige bomen van categorieën 1 t/m 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen.
Er wordt géén vergunning verleend voor kap, tenzij sprake is van een zwaarwegend planologisch argument van algemeen belang. Daarbij geldt de juridische voorwaarde dat eerst aantoonbaar gekeken moet worden naar alternatieve ruimtelijke en boomkundige oplossingen om de monumentale boom te behouden. Er wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Voor de bomen in categorie 4 en 5 geldt dat een vergunning wordt verleend mist geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij dient aangetoond te worden dat de boom in de planvorming uitdrukkelijk is meegewogen, er géén haalbare alternatieven zijn en het belang van het doorgaan van de plannen/ontwikkeling(en) groter is dan de waarde van de boom. Bij vergunningverlening kan een herplantplicht worden opgelegd. Bomen en ruimtelijke ontwikkelingen In de oriëntatiefase van een planontwikkeling moet door de initiatiefnemer het aanwezige groen en de bomen/houtopstanden worden ingemeten, geïnventariseerd en gewaardeerd. Bij het inventariseren is het van belang dat ook de kroonprojectie wordt ingemeten en de mogelijkheid tot verplanten van de bomen wordt onderzocht. Op basis van deze inventarisatie beoordeeld de gemeente welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden gesteld.
Ook bomen binnen de directe invloedssfeer van de ontwikkeling (5 meter uit bouwwerk (rondom) of binnen 5 meter uit perceelsgrens) moeten geïnventariseerd worden, om mogelijke schade / noodzaak tot vellen vooraf in beeld te hebben en bepalend te laten zijn voor de vergunningverlening van het bouwwerk. In de ontwerp-/ voorbereidende fase moet inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is van het (bouw)plan / de werkzaamheden op de bomen. Een Bomeneffectanalyse (BEA) beoordeelt of de boom/houtopstand, in het perspectief van de voorgenomen bouw/aanleg, in zijn huidige verschijningsvorm en standplaats, duurzaam behouden kan blijven. Ook worden knelpunten in beeld gebracht. Op basis van een BEA worden passende oplossingen gezocht. Tevens worden maatregelen en randvoorwaarden (ontwerpeisen) aangegeven met als doel de bomen duurzaam te behouden, zowel tijdens de sloop, de bouw als daarna. Onderzoek Het bestemmingsplangebied is geen onderdeel van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Dit is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen op nationaal niveau. Ook is het plangebied niet gelegen in Natura 2000 gebied. In het plangebied is op dit moment slechts nog de beplanting aanwezig die conform de bomeneffectanalyse van Treevision geadviseerd werd te behouden.
De andere bomen en het bijgebouw dat op het perceel aanwezig was is reeds verwijderd. Voorafgaand aan de bomenkap en sloop van het bijgebouw is geinventariseerd of er beschermde flora en/ of fauna aanwezig was. Dit
29
was niet het geval. Op dit moment is sprake van een ‘maagdelijk’ bouwterrein dat regelmatig wordt gemaaid. Het plangebied biedt daardoor geen aantrekkelijk verblijfs- en vestigingsklimaat voor flora en/ of fauna, al dan niet beschermd. Van belang blijft dat voor- en tijdens de bouwwerkzaamheden nauwlettend in de gaten wordt gehouden of sprake is van (beschermde) flora en fauna, zodat hiermee indien nodig rekening kan worden gehouden. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat gebiedsbescherming geniet of ander voor natuurontwikkeling aangewezen gebieden. In het plangebied zijn ook geen soorten aanwezig die bescherming genieten. Het plangebied is door haar huidige invulling (maagdelijk bouwterrein dat regelmatig wordt gemaaid) niet aantrekkelijk voor soorten om te verblijven of zich te vestigen.
4.13 Archeologie Wet- en regelgeving Modernisering Monumentenzorg (MoMo) De Rijksoverheid wil de monumentenzorg op hoofdpunten moderniseren. Onder meer door gemeenten en provincies in hun ruimtelijke ordening rekening te laten houden met cultureel erfgoed. Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) Het Europese Verdrag over de bescherming van archeologische erfgoed (het Verdrag van Malta) bepaalt onder andere dat het archeologisch belang wordt meegewogen bij besluitvorming over ruimtelijke ordening. Bij elke activiteit waarmee de bodem wordt verstoord in een gebied met (verwachte) archeologische waarde, moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of nader onderzoek noodzakelijk is. Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) In 2007 is als implementatie van het Verdrag van Malta de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. De Wamz gaat uit van het zo vroeg mogelijk betrekken van archeologische waarden in het ruimtelijk ordeningsproces. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.
Daarom moet bij het opstellen van een bestemmingsplan worden onderzocht in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig (kunnen) zijn, kunnen met een dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan bodemverstorende ingrepen moet dan in bepaalde gevallen eerst nader onderzoek worden uitgevoerd. De Wamz geeft aan dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemverstorende ingrepen van meer dan 100 m2. • Nadruk op “behoud in situ”, dit betekent dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem zelf bewaard blijven; • De noodzaak om in de ruimtelijke ordening tijdig te denken aan archeologisch waarden in het plangebied. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met aanwezige en te verwachten monumenten- en archeologische waarden; • Toepassing van het principe dat de verstoorder betaalt: de initiatiefnemer/projectontwikkelaar draagt de kosten voor het noodzakelijk archeologisch onderzoek; • Provinciale Staten kunnen archeologisch attentiegebied aanwijzen indien het bestemmingsplan onvoldoende bescherming biedt.
Dit betekent dat de gemeente een nieuw plan moet vaststellen waarin wel rekening wordt gehouden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden; • De mogelijkheid tot het werken met opgravingsvergunningen voor commercieel werkende instellingen. Voor archeologisch waardevolle gebieden gelden voor bodemingrepen strengere eisen. Hiervan mag met goed onderbouwd beleid van worden afgeweken. Archeologische beleids- en advieskaart Soest
30
Voor het grondgebied in Soest is een Archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, die aangeeft welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke een hoge, middelhoge en lage verwachtingswaarde hebben. Archeologisch onderzoek is nodig als de (nog niet eerder verstoorde) bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt verstoord: • in een archeologisch waardevol gebied bij een ingreep van meer dan 50 m2; • in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 100 m2; • in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 500 m2; • in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 10000 m2. Onderzoek Uit de archeologische beleids- en advieskaart Soest blijkt dat in het plangebied sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, dat betekent dat archeologisch onderzoek nodig is bij een ingreep dieper dan 30 centimeter over een oppervlakte van 10.000 m2. Het plangebied is slechts 448 m2 groot, wat betekent dat door de ontwikkeling niet meer dan 10.000 m2 geroerd zal worden. Archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.14 Cultuurhistorie en erfgoed Wet- en regelgeving Besluit ruimtelijke ordening In verband met een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 4 onder a.) moeten gemeenten vanaf 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen niet alleen rekening houden met cultuurhistorische waarden onder, maar ook boven de grond. Cultuurhistorie bestaat uit archeologie, historische gebouwen en historische geografie. De potentiële archeologische vindplaatsen zijn reeds in kaart gebracht (Archeologische beleids- en advieskaart Soest). Historische gebouwen worden beschermd via de Monumentenwet. Zij zijn aangewezen als Rijksmonument of als gemeentelijk monument. Cultuurhistorische Waardenkaart De gemeenteraad van Soest heeft op 25 april 2013 ingestemd met het opstellen van een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHWK). Op 27 mei 2014 hebben burgemeester en wethouders van Soest ingestemd met een als zodanig opgestelde cultuurlandschappelijke en historischstedenbouwkundige waarderingskaart en een cultuurhistorische kenmerkenkaart met bijbehorend onderzoeksrapport. Alsook hebben burgemeester en wethouders besloten de gedane beleidsadviezen af te wegen en voorstellen te ontwikkelen over in welke mate en op welke wijze de daarvoor in aanmerking komende beleidsadviezen kunnen worden vertaald in concreet beleid in de ruimtelijke plannen.
Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;
31
•
bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Monumentenverordening gemeente Soest De 'Monumentenverordening gemeente Soest' verbiedt het om binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht gebouwen geheel of gedeeltelijk af te breken. Dit geldt ook voor de dorpsgezichten op de gemeentelijke monumentenlijst. Het monumentenbeleid van Gemeente Soest is erop gericht, dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen binnen een dorpsgezicht flexibel maar verantwoord kunnen worden ingepast in de cultuurhistorische omgeving. Onderzoek In het plangebied komen geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden voor. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en erfgoed vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.15 Beeldkwaliteit en welstand Beeldkwaliteitsplan Voor het plangebied gelden meerdere beeldkwaliteitsplannen: • Beeldkwaliteitsplan 'De entrees van Soest'; • Beeldkwaliteitsplan 'Centrale Lint'; • Beeldkwaliteitsplan 'Flanken van De Eng'. De beeldkwaliteitsplannen geven richtlijnen voor de beeldkwaliteit van de betreffende gebieden. De plannen bestaan uit een analytisch gedeelte en een beschrijving per deelgebied met aanbevelingen. Welstandsnota 2014 Op 13 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Soest de nieuwe Welstandsnota vastgesteld om transparant welstandsbeleid te kunnen voeren. Het welstandsbeleid is bedoeld om te zorgen dat bij bouwen en verbouwen de omgeving niet visueel wordt aangetast. De nota staat vol inspirerende voorbeelden, kaartmateriaal en gebiedsbeschrijvingen. Om mensen die een vergunning aanvragen te ondersteunen bij het indienen van een kwalitatief goed plan, zijn proces en inhoud van de welstandsbeoordeling duidelijk beschreven. Wanneer een omgevingsvergunning voor bouwen of verbouwen wordt aangevraagd vindt er een welstandstoets plaats. Deze toets is beperkt waar dat kan, maar strenger bij hoge cultuurhistorische waarden. Er zijn drie welstandsniveaus. En hoe hoger het welstandsniveau, hoe gedetailleerder de toetsing.
• Gebieden met monumenten en beschermde dorpsgezichten - zoals Oude Kerk en omgeving hebben welstandsniveau 1 (beschermend); • Waar een beeldkwaliteitsplan is opgesteld – zoals voor de entrees van Soest waaronder Vredehofstraat en Koninginnelaan - geldt welstandsniveau 2 (bijzonder); • De rest van de gemeente heeft een basisniveau waarbij een eenvoudige toets volstaat. Onderzoek Onderhavig gebied is niet als een gebied aangemerkt waar bijzondere welstandseisen van toepassing zijn, het betreft hier dus een gebied waar een regulier welstandregime geldt. Dat betekent dat de vorm/ maatvoering overeenkomstig het bestemmingsplan/ vrijstellingsbeleid dient te worden gerealiseerd en de detaillering, materialisering en kleurgebruik aangepast moet worden aan de bestaande gebouwen en belendingen. Plannen moeten voldoen aan algemene welstandscriteria. Conclusie Voor onderhavig gebied gelden geen bijzondere welstandseisen. Het bouwplan dat via dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is reeds door de welstandscommissie getoetst en akkoord bevonden.
32
4.16 Duurzaamheid Duurzaamheidsplan (2016-2020) In februari 2016 is het Duurzaamheidsplan 2016-2020 vastgesteld. De onderstaande ambities en doelstellingen hebben betrekking op het ruimtelijk beleid. Ambities voor 2030 • Voor nieuwbouw wordt de GPR-score van 10 gehanteerd; • Waar er gebouwd wordt wil de gemeente Soest niet ten koste van de natuur maar met de natuur ontwikkelen. Op ieder schaalniveau moeten natuur en stad worden verbonden in het ruimtelijk ontwerp. Doelstellingen voor 2020 • Voor nieuwbouw geldt de GPR-score van minimaal 7 (GPR= integrale praktijkrichtlijn hoe woningen gebouwd moeten worden met cijfer voor energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit, toekomstwaarde). Waar mogelijk wordt gekeken om een stapje verder te gaan; • Bij verstedelijking en uitbreiding hiervan nemen we de voorwaarde op dat ruimtelijke plannen een onderbouwing moeten bevatten over de wijze waarop het plan rekening houdt met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen; • In ruimtelijke plannen (bv. Structuurvisies, bestemmingsplannen of omgevingsplan) en in het voortraject (verkoop grond) altijd duurzaamheidsaspecten meewegen; • Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienend op het thema energie.
Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, Warmte Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Klimaatakkoord 2007 - 2011 Bij nieuwbouw is een forse energiebesparing mogelijk. In het Klimaatakkoord tussen gemeenten en Rijk 2007-2011 stellen Rijk en gemeenten, dat in 2020 de nieuwbouw klimaatneutraal moet zijn. Het energieverbruik in woningen en gebouwen moet dan met 50% zijn verlaagd. Het Rijk zal de EPC-norm de komende jaren stapsgewijs aanscherpen. Gemeenten gaan innovatieve initiatieven in de gebouwde omgeving actief oppakken. Ook zal er een innovatieprogramma energiebesparing bij nieuwbouw en renovatie worden opgezet voor de uitvoering van veldexperimenten, waarin op gebouw- en gebiedsniveau in goed overleg tussen betrokken partijen een hogere energieprestatie zal worden gerealiseerd dan de huidige energie-prestatie-eis in de nieuwbouw. Nieuwbouw In het plan ‘Meer met Minder Energie’ richt de nationale overheid zich voor de nieuwbouw op aanscherping van de nationale normen, die al bestaan (de EPC).
Voor woningbouw gaat de EPC van 0,8 naar 0,6 in 2011 en naar 0,4 in 2015 met als doel de energieneutrale woning in 2020. Voor de utiliteitsbouw geldt een vergelijkbare aanscherping met als doel alle nieuwe utiliteitsbouw 50% energie-efficiënter in 2017. Klimaatbestendige leefomgeving (Klimaatadaptatie) Extreme weersomstandigheden (hitte, droogte, wateroverlast) zullen vaker voorkomen. Rijk en gemeenten brengen de komende vier jaar gezamenlijk de maatregelen voor adaptatie in kaart. De uitwerking moet aansluiten bij de ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkelingen, waterbeheer en gezondheidszorg binnen de gemeenten. Duurzaam bouwen Gebruik van nationale pakketten duurzaam bouwen of GPR (gemeentelijke praktijk richtlijn) gebouwen (nieuw) wordt in overleg met ontwikkelende partijen meegenomen. De gemeente is van mening dat nieuwe woningen in dit plangebied gerealiseerd moeten worden met een verscherpte energieprestatie van 25% t.o.v. het Bouwbesluit en realiseren van een Energieprestatie op locatie van 8,0 tot 9,0 op wijkniveau.
33
Door gebruik te maken van het instrument GPR kan de aannemer/ontwikkelaar de energieprestatie van een gebouw berekenen. Dit instrument geeft ook de maatregelen aan die nodig zijn om deze energieprestatie te halen. De gemeente Soest streeft naar een GPR score van 7 voor nieuwbouw van woningen en zal de woningen toetsen met “GPR-gebouw". De werking is als een rapportcijfer: door invoering van de kenmerken van een woning, berekent GPR een mate van duurzaamheid tussen de 0 en de 10, waarbij een 7 gelijk is aan een standaardwoning volgens het bouwbesluit. GPR deelt de kenmerken in naar vijf duurzaamheidsthema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Van deze 5 duurzaamheidsthema’s valt te denken aan de volgende maatregelen om de ambitie per woning te bereiken: Energie • Oriëntatie: bouwen pal op zuid levert meest op, daarna ZO, ZW; • Ruimte (eventueel) reserveren voor collectieve opwekking/levering. Milieu • Afkoppelen, opvang, hergebruik en infiltratie van hemelwater; • Minimaliseren verhard oppervlak; • Ruimte voor composteren in de tuin/buurt. Gezondheid • Minimale geluidsbelasting op de gevels; • Zicht op groen. Gebruikskwaliteit • Toegankelijkheid met OV en fiets; • Dichtbij parkeren; • Meerdere functies in een gebouw mogelijk; • Woninggrootte & perceeloppervlak.
Onderzoek Onderzocht is in hoeverre met het bouwplan dat via dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt voldaan kan worden aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Soest. In ieder geval zal sprake zijn van een EPC van 0,4 conform bouwbesluit en zal er gasloos gebouwd worden. Er zal sprake zijn van zonnepanelen en een luchtwarmtepomp. Daarnaast wordt de meeste winst behaald doordat het bouwplan compact ontworpen is en voorzien wordt van een goede schil. Parkeren is mogelijk op eigen terrein en op een parkeerplaats nabij in de openbare ruimte. Daarnaast is de locatie per fiets en openbaar vervoer toegankelijk (bushalte om de hoek). Hemelwater wordt tijdelijk op eigen terrein geborgd en geïnfiltreerd in de grond. Conclusie Zoveel als mogelijk is rekening gehouden met de uitgesproken duurzaamheidsambities.
4.17 Afval Beleid Regionaal Afvalbeleidsplan 2014-2018 In de Wet is opgenomen dat de gemeente verplicht is bij ieder perceel in de gemeente huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. voor de inzameling van de diverse soorten huishoudelijke afvalstoffen stelt de gemeente vast via welk inzamelmiddel een bepaalde afvalstroom wordt ingezameld. In de meeste gevallen is dit een mini-container of een ondergrondse container. Voor beide inzamelmiddelen dient voldoende ruimte te worden gereserveerd zodat deze inzamelmiddelen goed bereikbaar zijn voor de inzameldienst. De toenemende vraag naar grondstoffen, en de afnemende beschikbaarheid daarvan, vereist dat er op een andere wijze moet worden omgegaan met afval. Daarom is in het plan voor 2020 als doel opgenomen om te komen tot 75% afvalscheiding. Dit willen we bereiken door enerzijds meer service te bieden op herbruikbare afvalstromen en anderzijds minder service te bieden op
34
restafval. Dit kan betekenen dat er vaker verschillende afvalstromen in de straten worden aangeboden en/of dat er meer ondergrondse afvalcontainers worden gerealiseerd. Bij het ontwerp en de inrichting van private en openbare terreinen dient hier terdege rekening mee te worden gehouden. Onderzoek Het afval in onderhavig gebied wordt op gezette tijden in de straat aangeboden. Het afval wordt opgehaald. Geen sprake is van een ondergrondse afvalcontainer voor het lozen van dagelijks afval. Conclusie De nieuwe bewoners in het plangebied zullen kliko’s beschikbaar gesteld krijgen die ze op eigen terrein moeten stallen. Hiervoor is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig. Het afval dat niet in een kliko thuishoort zullen ze zelf aan moeten bieden op plekken die daarvoor bestemd zijn (textielcontainer, glasbak, et cetera).
4.18 Duurzame verstedelijking Beleid, wet- en regelgeving Sociaal-economisch beleid gemeente Soest (2008-2015) De “Nota Sociaal-Economisch Beleid 2008-2015” schetst een kader voor de gewenste ruimtelijke en sociaal-economische ontwikkelingen in Soest en omgeving. In dit beleidsplan is het sociaaleconomisch profiel van Soest in beeld gebracht en samengevat in een sterkte-zwakte analyse. Op basis van deze analyse is gekozen voor een selectieve groei van de economie in Soest. Naast facilitering van de groei van bestaande bedrijvigheid (waaronder industrie en bouw) en starters zet de gemeente Soest in op de uitbouw van enkele kansrijke sectoren; vooral toerisme en recreatie, maar ook sectoren met duidelijke groeiperspectieven, als zakelijke dienstverlening, zorg en welzijn en hoogwaardige logistiek (nabij de A28). Dit gebeurt door bedrijfsruimte te bieden en eventueel benodigde openbare voorzieningen, werving van bedrijven, netwerkvorming, actief relatiebeheer, etc. Nota wonen in Soest (2012) Het voornaamste doel van deze nota is een actualisering van het woonbeleid op basis van nieuwe gegevens.
De meest recente prognoses ten aanzien van bevolkings- en huishoudenontwikkeling, de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de nieuwste inzichten in woontrends vormen samen een actueel en volledig beeld waarin onder meer duidelijk wordt waar mensen willen wonen, hoe ze willen wonen, waarin ze willen wonen et cetera. Een ander doel van deze leidraad is het aanreiken van handvatten om ontwikkelingen te sturen en om volkshuisvesting leidend te maken waar het ruimtelijke ontwikkelingen betreft. De bouwopgave wordt idealiter namelijk ingegeven door wat volkshuisvestelijk gewenst is. Dat vertaalt zich in een opgave gespecificeerd naar types, woonmilieus, locatie enzovoort. Tenslotte vormt de inhoud van deze nota een uitvoeringsagenda voor de toekomst. Deze agenda laat zien waar de prioriteiten liggen waar het de woningmarkt betreft. Ladder voor duurzame verstedelijking Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft in artikel 3.1.6 voor om ten aanzien van een nieuwe stedelijke ontwikkeling een afweging te maken ten aanzien van de nut- en noodzaak in relatie tot duurzaamheidsaspecten. Dit is de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, de laddertoets. De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Vervolgens moet de behoefte aan de ontwikkeling worden gemotiveerd.
35
Allereerst is hier de vraag aan de orde in hoeverre hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Het begrip ‘woningbouwlocatie’, zoals opgenomen in de definitie is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Uit de jurisprudentie die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder blijkt dat de Afdeling een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling ten aanzien van woningbouwplannen geoordeeld dat de realisatie van 1 woning (AbRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4), 4 woningen (AbRvS 27 augustus 2014, nr. 201311233/1/R4), 6 woningen, waarvan 3 rechtstreeks bestemd en 3 eerst na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid (Vz AbRvS 4 juni 2014, nr. 201401129/1/R4) of 10 woningen, behoudens samenhang met een groter woningbouwproject (AbRvS 4 maart 2015, nr. ECLI:NL:RVS:2015:653), niet zijn aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Uit de diverse uitspraken blijkt dat voor woningbouw de minimum omvang ligt rond de 10 woningen.
Onderzoek Onderhavige ontwikkeling is passend in de Nota Wonen en bijbehorende uitvoeringsagenda. Voor wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking het volgende. In dit geval gaat het om het toestaan van twee nieuwe wooneenheden inclusief bijgebouwen in het stedelijk gebied. Dat betekent dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking en de laddertoets niet hoeft plaats te vinden. De toevoeging van het aantal woningen voldoet echter wel aan de behoefte die op basis van de bevolkingsprognoses in Soest bestaat. Verder gaat de ontwikkeling uit van inbreiding in bestaand stedelijk gebied en niet van uitbreiding daarbuiten. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de eisen voor duurzame verstedelijking.
36
HOOFDSTUK 5
TOELICHTING OP REGELS
In hoofdstuk 3 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan, dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling, die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In de inleiding wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. In paragraaf 5.2 wordt een toelichting gegeven op de regels, waarbij de hoofdstukindeling van de regels wordt gevolgd. In paragraaf 5.3 wordt tenslotte de verbeelding beschreven.
5.1 Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn er algemene regels, en overgangs- en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is overwegend gericht op het mogelijk maken van een ontwikkeling, namelijk twee twee-aaneengesloten woningen. Hierna wordt nader ingegaan op de delen van de juridische regeling (de regels en de verbeelding) die nadere toelichting nodig hebben.
5.2 Planregels 5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels. Hier worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen gedefinieerd (artikel 1) en wordt de wijze van meten (artikel 2) toegelicht. 5.2.2 Bestemmingsregels De in het plangebied aanwezige functies worden zoveel mogelijk overeenkomstig het moederplan bestemd. Een aantal regelingen behoeft echter nadere uitleg. In het algemeen geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak. In deze bouwvlakken zijn de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. Hieronder wordt per bestemming en artikelsgewijs een toelichting gegeven op de regels. Artikel 3 Tuin De onbebouwde gronden en gronden bij een woning die vrij moeten blijven van bebouwing hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. In de tuin is in beginsel geen bebouwing mogelijk, met uitzondering van een tuinhekje van maximaal 1 meter hoogte. Met afwijking is ook een erker mogelijk. Artikel 4 Wonen De woningen met behorende tuinen/erven -met uitzondering van voor- en zijtuinen (deze hebben de bestemming ‘Tuin’- en in samenhang daarmee de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn bestemd als 'Wonen'. In deze bestemming zijn de woningen zelf op de verbeelding begrepen in bouwvlakken. Per bouwvlak is via codes op de verbeelding aangegeven, welk soort woningen is toegestaan.
De maximale goot- en bouwhoogte van woningen zijn op de verbeelding vastgelegd. Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken mogen binnen deze woonbestemming (zowel binnen als buiten het bouwvlak) worden gebouwd. Buiten de bouwvlakken mogen bijbehorende bouwwerken uitsluitend worden gebouwd volgens de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen behorende bij de
37
woonbestemming. De dieptemaat van bijbehorende bouwwerken is gekoppeld aan de gevel van de betreffende woning, zoals op de verbeelding is aangegeven. Dat kan zijn de huidige gevel of de in de toekomst nieuw te bouwen gevel van de woning. Bedacht moet worden, dat het bouwvlak in principe voor 100% mag worden bebouwd. Als de gevel van de woning in de grens van het bouwvlak wordt gebouwd, kan vervolgens bijbehorende bouwwerk tot 3 m buiten het bouwvlak worden gebouwd. Het aantal m² bijbehorende bouwwerken is gerelateerd aan de grootte van het perceel. Hiermee wordt voorkomen dat percelen dichtslibben. Hierdoor blijft er een zekere groene, open ruimte gehandhaafd. Beroep-aan-huis Het uitoefenen van een beroep aan huis, zoals dat in de begripsomschrijvingen is omschreven, is als recht toegestaan in de bestemming 'Wonen'. Om te voorkomen, dat de beroepsuitoefening de woonfunctie kan gaan overheersen, is deze aan een maximale vloeroppervlakte gebonden binnen de woning en bijbehorende bouwwerken. Bedrijf-aan-huis Bij bedrijf aan huis zoals in de begripsomschrijvingen in artikel 1 van de regels is omschreven, kan het gaan om activiteiten met wat grotere gevolgen voor de omgeving dan een beroep aan huis.
Om sturing te kunnen geven en omwonenden de gelegenheid te geven om hun zienswijzen naar voren te brengen over een aanvraag voor bedrijf aan huis is voor de vestiging van een bedrijf aan huis een ontheffing nodig. Voor afwijking moet worden voldaan aan de bij die afwijkingsbevoegdheid gestelde voorwaarden voor onder meer maximale vloeroppervlakte, opslag van goederen, verkeers- en parkeereffecten en aard en visuele uitstraling. Hierdoor wordt voorkomen, dat hinderlijke functies zich in woonwijken kunnen vestigen. Om te voorkomen dat de beroepsuitoefening de woonfunctie kan gaan overheersen, is ook deze aan een maximale vloeroppervlakte gebonden binnen de woning en bijbehorende bouwwerken. Zwembaden In de regels zijn bepalingen opgenomen voor de grootte van zwembaden in tuinen. De grootte van een zwembad is gerelateerd aan de grootte van het perceel. Daarnaast is er een algemeen maximum gegeven voor zwembaden. Artikel 5 Dubbelbestemming i.v.m. archeologische waarden In de regels is een dubbelbestemmingen opgenomen voor archeologie. Deze dubbelbestemming ligt als het ware over de andere bestemming heen en geniet voorrang. Bij een dubbelbestemming voor archeologie kan dit betekenen dat er bijvoorbeeld pas gebruik kan worden gemaakt van de bouwmogelijkheden van de woonbestemming als er eerst, op kosten van de initiatiefnemer, archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
5.2.3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen dat gronden die bij een eerder bouwplan al in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals worden meegeteld. Artikel 7 Algemene bouwregels In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen, die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Daarnaast is er een regel, die bepaalt, dat van het plan afwijkende maatvoering, die in het verleden is vergund ook mag worden aangehouden en dus niet onder het overgangsrecht komt. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Als in een bepaald geval strijdig gebruik (met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling) wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden.
38
Seksinrichtingen als strijdig gebruik Aangezien seksinrichtingen vanaf 1 oktober 2000 als een normale bedrijfs-/dienstverlenende activiteit worden aangemerkt moet het bestemmingsplan zich expliciet uitspreken over het al of niet bieden van mogelijkheden voor vestiging van dergelijke inrichtingen. De gemeente Soest kent de regeling, dat seksinrichtingen in alle bestemmingsplannen zijn uitgesloten, behalve één bestaande massagesalon aan de Lange Brinkweg. Dergelijke inrichtingen zijn niet gewenst. Ze zijn dan ook expliciet voor alle overige bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen ten aanzien van de gebiedsaanduiding ‘Geluidszone – snelweg’. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Het gaat vooral om: • nutsbebouwing; • afwijkingen van de ligging van bestemmings- en bouwgrenzen en andere grenzen, voorzover die nodig zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein; • afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages. In dit artikel is ook afwijking ten behoeve van mantelzorg- en kangoeroewoningen opgenomen.
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Verder kunnen de parkeernormen actueel gehouden worden Artikel 12 Overige regels
In dit artikel is de werking van wettelijke regels waarnaar in dit plan wordt verwezen geregeld. 5.2.4 Overgangs- en slotreges Artikel 13 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd en zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze overgangsrechtelijke bepalingen waarborgen dat een bestaand bouwwerk of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. Artikel 14 Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
39
5.3 verbeelding Het plangebied is getekend op schaal 1:500. De verbeelding is IMRO-gecodeerd, conform IMRO2012. Voor de verbeelding is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, die bindend is voorgeschreven vanuit het Ministerie I&M.
40
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een particuliere ontwikkeling mogelijk gemaakt. Dat betekent dat de planvormingskosten voor de gemeente verzekerd moeten zijn. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten. Dat betekent dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling zijn verzekerd en geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat aan de wettelijke vereisten voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is voldaan
41
HOOFDSTUK 7
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
7.1 Vooroverleg Het college van B&W heeft ten aanzien van onderhavig bestemmingsplan vooroverleg gevoerd met eventueel bij het plan belanghebbende instanties zoals de provincie en het waterschap. [@gemeente: passage aanvullen wat er uit het vooroverleg is gekomen].
7.2 Omgevingsdialoog Er heeft overleg tussen de buurt en de initiatiefnemer van de ontwikkeling plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft over de ontwikkeling een nieuwsbrief naar de omwonenden gestuurd. De omwonenden hebben gezamenlijk gereageerd op de nieuwsbrief. Ze keuren de ontwikkeling om diverse redenen (7) in zijn geheel af en geven aan de werkwijze van de initiatiefnemer in communicatieve zin niet als prettig te ervaren. De initiatiefnemer heeft inhoudelijk uitgebreid gereageerd op de reactie van de omwonenden en heeft op één onderdeel een aanvullend onderzoek uitgevoerd (wegverkeerslawaai). De omwonenden hebben aangegeven de reactie van de initiatiefnemer te waarderen alsook dat hun reactie op de plannen niet is gewijzigd. Ze staan ook na verduidelijking van een en ander niet positief tegenover de ontwikkeling. De nieuwsbrief, reacties van de omwonenden en de initiatiefnemer zijn geanonimiseerd bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting.
7.2 Zienswijzen Het college van B&W heeft ervoor gekozen onderhavig plan niet als voorontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, omdat door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog is gevoerd. Het plan wordt met die reden direct als ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd. In de periode dat het ontwerpbestemmingsplan voor 6 weken ter inzage ligt kan een ieder bij de gemeenteraad een zienswijze naar voren brengen. Het plan zal vervolgens al dan niet naar aanleiding van eventuele zienswijzen aangepast worden aangeboden aan de gemeenteraad, die tegelijkertijd ook kennis neemt van de ingediende zienswijzen conceptbeantwoording daarvan door het college van burgemeester en wethouders. Het is vervolgens aan de gemeenteraad om het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.
42
43
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Bomeneffectanalyse 5 bomen Kampweg in Soesterberg, Treevision Verkennend bodemonderzoek, MOS Milieu Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, de Roever Stukken omgevingsdialoog
44
45
Bomen Effect Analyse 5 bomen Kampweg 58 in Soesterberg
Colofon Opdrachtgever Naam: Contactpersoon: Adres: Postcode en plaats: Telefoon: E-mail:
Sterka Beheer B.V. Dhr. J. Steringa Pannebakkerstraat 2 5405 BP Uden (0413) 26 44 72 / (06) 21 94 01 19 jeroen.steringa@me.com
Bedrijfsgegevens Naam: Adres: Postcode en plaats: Telefoon: Mobiel: E-mail: Internet:
Treevision boomtechnisch ingenieursbureau Zwanenhof 11 3862 LW Nijkerk (033) 245 08 58 (06) 30 68 60 60 info@treevision.nl www.treevision.nl
Projectgegevens Uw kenmerk: Onze referentie: Type onderzoek: Straat/locatie: Plaats: Datum onderzoek:
BEA012019001 Bomen Effect Analyse (BEA) Kampweg 58 Soesterberg 11 februari 2019
Boomtechnisch adviseur P.K. (Peter) Spijker European Tree Technician | Gecertificeerd boomtaxateur
Datum:
19 februari 2019
Handtekening adviseur:
© 2019 Treevision Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, scan, fotokopie of op welke wijze dan ook, anders dan bedoeld voor intern gebruik, zonder voorafgaande toestemming van Treevision boomtechnisch ingenieursbureau.
Inhoud 1
Inleiding ....................................................................................................... 2
2
Methode van onderzoek ................................................................................ 3 2.1 Visuele controle ........................................................................................ 3 2.2 Toekomstverwachting ................................................................................ 4 2.3 Bodem- en bewortelingsonderzoek .............................................................. 5 2.4 Bomen en werkzaamheden ......................................................................... 6
3
Situatie en planvorming ................................................................................ 7 3.1 Huidige situatie ......................................................................................... 7 3.2 Planvorming ............................................................................................. 7
4
Onderzoek en resultaten ............................................................................... 9 4.1 Visuele boomcontrole ................................................................................. 9 4.2 Bodem- en bewortelingsonderzoek .............................................................11
5
Conclusie en advies ..................................................................................... 13 5.1 Kwaliteit bomen en groeiplaats ..................................................................13 5.2 Knelpuntenanalyse ...................................................................................13 5.3 Eisen & randvoorwaarden ..........................................................................15 5.3.1 Ontgraving ........................................................................................15 5.3.2 Ophoging ..........................................................................................15 5.3.3 Bodemverdichting ..............................................................................16
6
Boombeschermende maatregelen ............................................................... 17 6.1 Aandachtspunten voorafgaand aan de werkzaamheden .................................17 6.1.1 Boombeschermende maatregelen opnemen in het bestek .......................17 6.1.2 Bomenschouw ...................................................................................17 6.1.3 Instructie van het personeel ................................................................17 6.1.4 Nutsvoorzieningen en huisaansluitingen ................................................17 6.2 Aandachtspunten tijdens de werkzaamheden ...............................................18 6.2.1 Beschermd boomgebied ......................................................................18 6.2.2 Inzet van een boomtechnisch toezichthouder .........................................19 6.2.3 Ophangen poster ...............................................................................19 6.2.4 Schadelijke stoffen .............................................................................19 6.3 Aandachtspunten na de werkzaamheden .....................................................19
Bijlage: Posters ‘werken rond bomen’ .............................................................. 20
Bomen Effect Analyse 5 bomen Kampweg 58 in Soesterberg
1 Inleiding Opdracht In opdracht van Sterka Beheer B.V. heeft Treevision een bomen effect analyse (BEA) uitgevoerd bij 5 bomen op perceel Kampweg 58 in Soesterberg. Aanleiding en doelstelling Men is voornemens in de achtertuin van de woning op het perceel van Kampweg 58 in Soesterberg een twee onder één kapwoning te bouwen. Binnen de invloedssfeer van deze geplande werkzaamheden staan in totaal vijf bomen. De opdrachtgever wil weten of de geplande werkzaamheden nadelige gevolgen hebben voor deze bomen en welke boombeschermende maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om deze te behouden. Vraagstelling In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: