11 2 Bijlage 1 Bestemmingsplan Kamerlingh Onneslaan.pdf
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan
Toelichting Ontwerpbestemmingsplan: ‘Kamerlingh Onneslaan’ NL.IMRO.0342.BPSTB0025-0201 21 juli 2020
1
2
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
1.1 Aanleiding Aanleiding voor het opstellen van het voorliggend bestemmingsplan vormt een particulier initiatief op het perceel Kampweg 56 en 58 in Soesterberg. Het perceel zal door deze ontwikkeling gesplitst worden in Kampweg 56, Kampweg 58 en Kamerlingh Onneslaan 7B en 7C te Soesterberg. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van twee twee-aaneengesloten woningen aan de Kamerlingh Onneslaan 7B en 7C te Soesterberg. De bestaande woningen aan Kampweg 56 en Kampweg 58 blijven met een kleinere tuin bestaan. De woningen aan Kampweg 56 en Kampweg 58 vormen geen onderdeel van dit bestemmingsplan, dat slechts over de nieuwe ontwikkeling gaat. Om deze nieuwe ontwikkeling mogelijk te maken, moet ze planologisch-juridisch worden geregeld in een bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt hieraan invulling gegeven.
1.2 Ligging van het plangebied Het bestemmingsplangebied is gelegen aan de Kamerling Onneslaan 7B en 7C, aan de zuidzijde van Soesterberg. Het plangebied is ongeveer 448 vierkante meter groot en bevat twee woningen. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de tuin van de woning aan Kampweg 56, die ietwat kleiner wordt, omdat een deel van de tuin betrokken wordt bij de nieuwe woningen. De oostelijke grens wordt gevormd door de woning en tuin van Kampweg 58 en zuidelijke grens wordt gevormd door de Kamerlingh Onneslaan. Ten westen wordt de grens gevormd door Kamerlingh Onneslaan 7A een twee-aaneengesloten woning met tuin waarvan de oprit aan de kant van het plangebied is gelegen. In de bijgaande figuren is de ligging van het plangebied in beeld gebracht. Het globale plangebied is met een blauw pijltje aangegeven en met een groene arcering aangeduid op de luchtfoto met kadastrale ondergrond.
Figuur 1.1: Ligging plangebied in Soest
3
Figuur 1.2: Ligging plangebied aan Kamerlingh Onneslaan en Kampweg
1.3 Geldende plannen Het plangebied valt momenteel in het bestemmingsplangebied Soesterberg, hierna wel moederplan genoemd. Dit plan is op 4 juli 2013 door de gemeenteraad van Soest vastgesteld. In het bestemmingsplan Soesterberg heeft het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie lage verwachting’. Er is geen sprake van een bouwvlak. Daarnaast is nog sprake van de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – snelweg’. Deze bestemmingen maken het mogelijk dat momenteel binnen het plangebied bijgebouwen opgericht kunnen worden en het plangebied als tuin bij Kampweg 56 en Kampweg 58 gebruikt kan worden. Bijgaand is een uitsnede opgenomen van de verbeelding van het plangebied in het vigerende bestemmingsplan. Het blauwe pijltje geeft de locatie van het plangebied aan.
Figuur 1.3: ligging geldende bestemmingsplan
4
1.4 Leeswijzer Allereerst wordt, in hoofdstuk 2, ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied. Hier komen onderwerpen aan bod als ruimtelijke en functionele structuur van het gebied. Hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving. Deze beschrijving dient als uitgangspunt bij het verdere ontwerp van het plangebied. Het ruimtelijk beleid wordt per thema beschreven. Als er sprake is van nieuwbouwplannen, gaat dit hoofdstuk ook in op de belangrijkste uitgangspunten voor de stedenbouwkundige inrichting. Hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het plangebied getoetst aan bestaand beleid van de Rijksoverheid, de provincie Utrecht en het regionale beleid. Ook komt het gemeentelijke beleid aan de orde in dit hoofdstuk. Daarnaast wordt een toelichting gegeven over de resultaten van de onderzoeken naar milieu- en andere aspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de regels en geeft aan waarom voor een bepaalde regeling is gekozen. In meer algemene zin wordt eerst de juridische plansystematiek uiteen gezet. De afstemming van het bestemmingsplan met andere wetten en verordeningen komt eveneens in dit hoofdstuk aan de orde. Vervolgens wordt per bestemming kort ingegaan op de (on)mogelijkheden binnen de betreffende bestemming. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid aan de orde.
Tenslotte is in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid, te weten de resultaten van inspraak en vooroverleg, opgenomen.
5
HOOFDSTUK 2
BESTAANDE SITUATIE
2.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de bestaande situatie van het plangebied en geeft een beeld van alle voor dit bestemmingsplan relevante aspecten. Allereerst wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het gebied. Daarna komt de ruimtelijke structuur aan de orde. Deze ruimtelijke structuur wordt opgesplitst in de deelstructuren, waaronder de bebouwingsstructuur, de verkeersstructuur en de groenstructuur.
2.2 Ontstaansgeschiedenis In vroegere tijden was er slechts heide. Hier komt de naam Soesterberg ook vandaan. De naam Soesterberg komt namelijk van de berg op de heide (Heiberg) in de gemeente Soest. In de 17e eeuw verlieten vele Soesters Soest, trokken over den Berg en vestigden zich op de heide. De reden van hun vertrek was armoe en zucht naar zelfstandigheid. Het waren voornamelijk kleine boeren, heiboeren in die tijd genoemd. Hun plaggenhutten stonden in de hei verscholen, ver van de weg. Dit omdat ze bang waren voor de struikrovers die in die tijd veelvuldig "optraden". Op de heide trof men een rijke wildstand aan. Dat betekende dat onder de nieuwe bewoners veel stropers zaten. Vele boeren gingen de bijenteelt beoefenen, terwijl als huisnijverheid veel aan bezembinderij werd gedaan, per slot van rekening was de hei als materiaal dichtbij. Het dorp ontstond waarschijnlijk rond het kruispunt van de Amersfoortseweg (nu N237) en de oude Postweg van Amsterdam naar Arnhem. Vanouds werd de herberg op dat kruispunt, het 'Huis ten Halve' (halverwege tussen Amsterdam en Arnhem), bevoorraad vanuit Soest. Het dorp kwam bekend te staan als 'Den Bergh'. In 1837 veranderde dat, toen bij Koninklijk Besluit het de naam 'Soesterberg' kreeg. In datzelfde jaar kreeg het dorp zijn eerste geestelijke, pastoor Rademaker.
Hij presteerde het om, zonder geld, binnen enkele jaren een kerk te bouwen. Ook deed hij veel voor de naamsbekendheid van Soesterberg. In 1910 vroegen enkele ondernemers, Lugard en Verwey, toestemming om een deel van de heide aan de noordkant van Soesterberg te mogen gebruiken als start- en landingsplaats voor hun bedrijf voor vliegtuigen. Na bijna twee jaar werd het faillisement aangevraagd voor hun onderneming. Ondertussen werd er wel doorgevlogen, en wel door enkele officieren van de Landmacht die door Lugard en Verwey waren opgeleid als vliegenier. In 1913 werd de Luchtvaartafdeling van de Koninklijke Landmacht opgericht. De vliegheide werd vliegbasis Soesterberg. De basis trok veel toerisme, en het dorp groeide dan ook snel. Telde het dorp in 1900 nog slechts 300 inwoners, na de komst van de eerste vliegtuigen zoals de Aviatik in 1913 werden het er 600. Ook in de jaren erna ontwikkelden de middenstand en de industrie zich. In 1940 telde Soesterberg 2.300 inwoners, in 1965 6.100. In 1973 werd de provinciale weg Amersfoort-Utrecht om de dorpskern heen geleid. Het oudste stukje Soesterberg verdween toen in 1980 het, inmiddels intens verbouwde, Huis ten Halve afbrandde. In het begin van de jaren tachtig van de 20e eeuw werd de autosnelweg A28 geopend, langs de zuidkant van Soesterberg. Tegenwoordig telt Soesterberg 7000 inwoners.
6
Figuur 2.1: Historische kaarten Soesterberg en omgeving uit 1767, 1850 – 1864 en 1962
2.3 Ruimtelijke hoofdstructuur Het plangebied is gelegen aan de Kamerlingh Onneslaan 7B en 7C te Soesterberg. De Kamerlingh Onneslaan doorsnijdt de Kampweg die ten oosten van het plangebied is gelegen en wordt gekenmerkt door haar ruime groene opzet met vrijstaande en twee-aaneengesloten woningen. Het bebouwingslint aan de Kampweg kenmerkt zich door een verscheidenheid aan woningtypen, vormgeving / architectuur en kleurgebruik. Alle voorgevels zijn op de Kampweg gericht. De villa op het perceel Kampweg 58 vormt een uitzondering daarop en heeft de voordeur aan de Kamerlingh Onnesstraat gesitueerd. De belangrijkste ruimtelijke structuurdragers in het gebied waarin het plangebied is gelegen zijn de Kampweg en de snelweg A28. De luchtfoto’s en straatbeelden in onderstaande afbeeldingen geven een goed beeld van de huidige situatie. Het blauwe pijltje geeft de locatie van het plangebied aan.
7
Figuur 2.2: Ruimtelijke structuur 2.3.1 Bebouwingsstructuur en -typologieën De bebouwing in en rondom het plangebied bestaat grotendeels uit grondgebonden woningen in de typen vrijstaand, vrijstaand geschakeld en twee-aaneengesloten. De woningen hebben allemaal een redelijk grote tuin en oprit. Het merendeel is uitgevoerd in één of twee lagen met een kap. Gestapelde en aaneengebouwde woningen komen in en rondom het plangebied niet voor. 2.3.2 Functionele structuur functionele structuur wordt voornamelijk bepaald door de functie ‘wonen’. Tevens komen in de omgeving een tweetal maatschappelijke functies (basisschool ‘De Postiljoen’ en Centrum voor Mens en Luchtvaart) en een kantoorfunctie (onderzoeksbureau TNO; Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) voor. Ten noorden van deze basisschool is een gereformeerde kerk aanwezig. 2.3.3 Verkeersstructuur De Kampweg loopt in noord-zuid richting haaks op de A28. Hier geldt een 50 km-regiem. De kampweg wordt doorsneden door de Kamerlingh Onneslaan, die een 30 km-uur regiem kent. Op beide wegen is het ook mogelijk te fietsen. Op de Kamerling Onneslaan delen fietsers het wegdek met gemotoriseerd verkeer. Op de Kampweg is met markering een fietslaan aangebracht. Het plangebied wordt ontsloten aan de Kamerlingh Onnestraat. Waar het mogelijk is om langs te parkeren in de openbare ruimte of op de oprit bij woningen.
Voor wat betreft openbaar vervoer: in de nabijheid van het plangebied is ten noordwesten aan de Kampweg een bushalte aanwezig.
8
2.3.5 Natuur- en groenstructuur Ecologische hoofdstructuur Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied en maakt evenmin onderdeel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Groenstructuur in het plangebied Het plangebied betreft een voormalige achtertuin. In het plangebied zijn vier bomen aanwezig. Het gaat om een grove den, een Noorse esdoorn en om twee Californische cypressen. Beschermwaardige bomen Volledigheidshalve worden hier op basis van de bomeninventarisatie (Bomen Effect Analyse 5 bomen Kampweg 58 in Soesterberg, Treevision, bijlage 1 bij deze toelichting) de waardevolle/behoudenswaardige bomen in dit plangebied opgesomd: één Grove den (boom 2) en één Noorse esdoorn (boom 3). De Noorse esdoorn valt buiten het bouwvlak. 2.3.6 Waterstructuur Grondwater De variaties in de aanleghoogte verschillen enorm. Tussen de laagst gelegen rand van de wijk en de hoogst gelegen rand van de wijk is het verschil in maaiveld ruim 13.00 m. Tussen de laaggelegen rand van de wijk en het hooggelegen midden van de wijk is het verschil in maaiveld ruim 9.00 m. Hierdoor zijn de verschillen in de grondwaterstand binnen de wijk groot. De hooggelegen gebieden hebben relatief een lage grondwaterstand, de laaggelegen gebieden hebben relatief een hoge grondwaterstand.
Op een aantal plaatsen in de hooggelegen gebieden van de wijk is door particulieren putten geslagen om grondwater op te pompen ten behoeve van de beregening van hun tuinen. Het plangebied is gelegen in een hooggelegen gebied, de grondwaterstand is laag. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afval- en hemelwater De Kamerlingh Onneslaan is voorzien van een gemeentelijk rioolstelsel voor afvalwater. Het huidige waterbeleid is om het hemelwater niet te mengen met afvalwater en niet via het riool af te voeren naar de rioolwaterzuivering. Bij nieuwe ontwikkelingen is er daarom bergingscapaciteit voor hemelwater nodig, waarbij hemelwater zoveel mogelijk wordt verwerkt daar waar het valt, indien mogelijk binnen het eigen perceel. In gebieden met een lage grondwaterstand en een doorlaatbare bodem kan hemelwater rechtstreeks infiltreren in de bodem. Dit is het geval in het plangebied.
9
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING
3.1 Inleiding Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven is de belangrijkste reden voor het opstellen van dit bestemmingsplan het juridisch-planologisch regelen van een ontwikkeling, nl. de realisatie van twee twee-aaneengesloten woningen in het plangebied. De bestemmingen uit de hiervoor geldende bestemmingsregelingen zijn zoveel mogelijk overgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan.
3.2 Ruimtelijke uitgangspunten De bestaande ruimtelijke hoofdstructuur en bebouwingsstructuur, zoals beschreven in paragraaf 2.3, zijn het uitgangspunt voor de ruimtelijke hoofdopzet van dit nieuwe bestemmingsplan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat het plan naadloos aansluiting vindt bij het bestaande karakter, waarin de nu aanwezige functies hun plaats behouden. Voor het plangebied en haar omgeving betekent dit onder meer het volgende: • Behoud van de bestaande verkeers-, groen en waterstructuur; • Behoud van de bestaande stedenbouwkundige karakteristieken; • Behoud van functionele structuur;
3.3 Planbeschrijving Het plangebied bestaat uit een afsplitsing van het voormalige perceel behorend bij de woning Kampweg 56 en 58 in Soesterberg en is zo afgesplitst zodat bij Kampweg 56 nog een ruime tuin aanwezig blijft en bij Kampweg 58 nog een brede oprit voor het parkeren van twee auto’s naast elkaar kan worden gerealiseerd. De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de realisatie van twee twee-aaneengesloten woningen. Qua functie en type passend in de karakteristiek van het gebied waarin het is gelegen. Het gaat om één hoofdgebouw van één laag met kap, waarin twee wooneenheden zijn vormgegeven. Bij iedere woning is een garage en oprit voor twee auto’s achter elkaar bedacht. De afbeelding hieronder geeft inzicht in de opzet van het plan.
Figuur 3.1: Opzet plangebied i.r.t. voormalig totaalperceel en nieuwe oprit voor nr. 58.
10
3.3.1 Stedenbouw Nieuwe ontwikkelingen moeten passend zijn in de huidige stedenbouwkundige karakteristiek. In het verlengde van de Kamerlingh Onneslaan staan diverse kleinere twee-aaneengesloten woningen, één laag met kap. Aan de Kampweg hebben luxueuze en statige panden de boventoon. Qua type, massa en korrelgrootte is aansluiting gezocht bij de omliggende kleinschalige tweeaaneengesloten woningen. Qua architectuur is naar een overgang gezocht, tussen het meer burgerlijke karakter van de Kamerlingh Onneslaan en de wat statigere uitstraling van de Kampweg. Door het toepassen van rood kleurig metselwerk, gecombineerd met witte overstekken en eigentijdse vormgeving van de kozijnen, ontstaat een eigentijds karakter en tevens een luxe uitstraling. Onderstaande afbeeldingen – waarover de welstandscommissie positief heeft geadviseerd - geven een beeld van hoe de toekomstige ontwikkeling eruit komt te zien.
Figuur 3.2: Artist impressions nieuwe ontwikkeling
3.3.2 Verkeer en parkeren Verkeer De nieuwe woningen worden ontsloten op de Kamerling Onneslaan. Dit levert – omdat op dezelfde manier ontsloten wordt als de andere woningen in de straat en niet op of dichtbij een bestaande kruising wordt aangetakt – vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren op. De ontwikkeling brengt tevens slechts een minimale toename van het aantal verkeersbewegingen met zich mee, dit aantal is gezien de omgeving en de daar plaatsvindende verkeersbewegingen niet als noemenswaardig te bestempelen. Parkeren De gemeente Soest heeft haar parkeernormenbeleid vastgelegd in de “Nota parkeernormen auto en fiets” (vastgesteld d.d. 6 juni 2017). Hierin zijn normen voor zowel auto- als fietsparkeren opgenomen. In onderhavige situatie worden twee woningen opgericht met ieder meer dan 121 m2 GO wat qua parkeereis resulteert in de realisatie van 2 parkeerplaatsen per woning of 1,8 parkeerplaatsen per woning + ruimte voor 6 fietsen (9,5 m2 totaal). Uitgegaan wordt van 1,8 parkeerplaatsen per woning, omdat er bij iedere woning in ieder geval 9,5 m2 aan ruimte is om 6 fietsen te stallen. In totaal is de parkeereis voor onderhavige ontwikkeling 3,6 parkeerplaatsen.
In onderhavige situatie wordt de parkeeroplossing per woning als volgt ingevuld: lange oprit met garage (33 m2 totaal, dus 18 m2 + 9,5 m2 past), dit telt voor 1,3 parkeerplaatsen mee; 1 parkeerplaats in openbaar gebied, dit telt als 1 parkeerplaats mee. De parkeerplaats in het openbaar gebied wordt voor rekening van de initiatiefnemer van de ontwikkeling aan de Kamerlingh Onneslaan schuin tegenover het plangebied gerealiseerd.
De afbeelding hieronder geeft inzicht in de parkeeroplossing ten gevolge van de ontwikkeling in en rondom het plangebied.
11
Figuur 3.3: Parkeeroplossing ontwikkeling inclusief maatvoering Voldaan wordt aan de parkeereis van 3,6 parkeerplaatsen totaal voor de ontwikkeling en ook het fietsparkeren is conform de nota opgelost. 3.3.3 Groen Door Treevision is een bomeneffectanalyse van de bomen in en zeer nabij het plangebied gemaakt, zie voor de volledige rapportage bijlage 1 bij deze toelichting. De tabel hieronder komt uit de rapportage van Treevision en geeft inzicht in de status van de geanalyseerde bomen en het advies. Op basis van analyse en het advies van Treevision blijft in het plangebied één boom, nr. 2: de Grove den (binnen bouwvlak), behouden. Boom nr. 3 valt buiten het bouwvlak en zal ook behouden blijven.
Figuur 3.4: Overzicht boomtechnische knelpuntanalyse.
12
HOOFDSTUK 4
HAALBAARHEID
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het in hoofdstuk 3 beschreven plan getoetst aan bestaand beleid, wet- en regelgeving. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijk relevante beleid voor het bestemmingsplan “Kamerlingh Onneslaan 7B en C” op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Dit vormt gezamenlijk het toetsingskader voor de huidige situatie en voor nieuwe ontwikkelingen. Dit beleidskader is één van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en voor de bijbehorende juridische regelingen. Naast de toetsing aan het bestaande beleid zal de nieuwe ontwikkeling ook moeten worden getoetst aan de wettelijke voorschriften omtrent milieu. Dit om de impact op de omgeving te verantwoorden. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de onderzoeken naar een aantal milieuaspecten besproken, die relevant zijn voor het bestemmingsplan. Het gaat dan vooral om geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geur, zoneringsafstanden tussen bedrijven, etc. Naast milieu gaat dit hoofdstuk in op de onderdelen water, natuur en archeologie.
4.1 Algemeen ruimtelijk beleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie infrastructuur en ruimte 2040 (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat en • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk gaat voor verstedelijking en economische activiteiten uit van de bundelingsstrategie. Voordelen hiervan zijn dat steden ondersteund worden in hun economische en culturele functie. Zowel in dorpen als steden wordt het draagvlak voor voorzieningen ondersteund. Het bundelingsbeleid is een taak van decentrale overheden. Het Rijk heeft een stimulerende rol. Doel is dat in iedere gemeente voldoende mogelijkheid is om in de natuurlijke bevolkingsaanwas te voorzien.
Naast de eigen bevolkingsaanwas moet ook voldoende ruimte zijn voor de lokaal gerichte bedrijvigheid. Bundeling houdt in dat nieuwe bebouwing geconcentreerd tot stand komt, dat wil zeggen in bestaand bebouwd gebied of direct aansluitend aan het bestaand bebouwd gebied. Voor geheel Nederland is een basiskwaliteit geformuleerd waaraan moet worden voldaan. Verdere verfijning wordt overgelaten aan de decentrale bestuurslagen. De gebieden en netwerken die het kabinet van nationaal belang acht, zijn bestemd als Ruimtelijke Hoofdstructuur. In deze gebieden wil het Rijk nadrukkelijk een rol vervullen. Voor de gemeente Soest betekent dit het volgende: • Verstedelijking: bundeling van verstedelijking en economische activiteiten ondersteunt de functie van steden als economische motor. Nieuwe bebouwing moet geconcentreerd tot stand komen: in het bestaande bebouwde gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in clusters daarbuiten. Uitgangspunt is dat iedere gemeente voldoende ruimte krijgt om te voorzien in de natuurlijke aanwas; • Vitaal platteland: een economisch vitale grondgebonden landbouw is belangrijk voor het beheer van het buitengebied. Het economisch draagvlak en de vitaliteit van landelijke gebieden staat onder druk.
Om daarin verlichting te brengen moeten de mogelijkheden voor hergebruik, nieuwbouw en de mogelijkheden voor een brede(re) bedrijfsvoering ruimer worden; • Borging van bijzondere landschappelijke waarden: Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame en nationaal kenmerkende kwaliteiten op landschappelijk, cultuurhistorisch en natuurlijk gebied. Uitgangspunt voor de Nationale landschappen is 'behoud
13
door ontwikkeling'. De polders van de oostkant van Soest vallen gedeeltelijk in het Nationale landschap Arkemheen-Eemland. Conclusie Het plangebied ligt niet specifiek binnen een gebied van nationaal belang of de Ruimtelijke Hoofdstructuur. De in hoofdstuk 1 genoemde ontwikkeling sluit aan bij het streven van het Rijk om verstedelijking binnen bestaande steden en dorpen op te vangen. De ontwikkeling past dan ook binnen het beleid van het Rijk. 4.1.2 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (2013-2028) en Provinciale Ruimtelijke Verordening (2013) In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) wordt het ruimtelijk beleid van de Provincie Utrecht voor de periode tot 2028 beschreven. Deze periode sluit aan bij die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. Gemeenten kunnen binnen het PRS-beleid onder meer woningen bouwen, natuur aanleggen, bedrijven huisvesten of recreatievoorzieningen ontwikkelen. Het nieuwe ruimtelijke beleid van de provincie heeft als uitgangspunt: lokaal wat kan, regionaal wat moet. Gemeenten krijgen hierdoor meer ruimte om, binnen gestelde kaders, zelf beslissingen te nemen. Ruimtelijke kwaliteit staat hierbij voorop. De verdere uitwerking van het ruimtelijk beleid rust op 2 belangrijke pijlers: 1. inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling: ten minste 2/3 van de woningbouwopgave moet binnenstedelijk worden gerealiseerd.
Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave en 2. behoud en versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied: het aantrekkelijk landelijk gebied moet worden behouden en versterkt, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. Binnen de rol van de provincie is het accent verlegd van toetsing naar sturing (ontwikkelingsplanologie). In de verordening komt bijvoorbeeld het ontheffingsinstrumentarium niet langer voor. In plaats daarvan biedt de verordening ruimte voor lokale ontwikkelingen binnen regionale randvoorwaarden. Als aan die randvoorwaarden wordt voldaan, zijn de ontwikkelingen mogelijk zonder enige betrokkenheid van de provincie. Op 4 februari 2013 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. Sinds de vaststelling hebben Provinciale Staten de PRV enkele malen partieel herzien. De verordening schrijft voor hoe gemeenten om moeten gaan met provinciale belangen in bestemmingsplannen.
De regels in de verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. Conclusie Volgens de Provinciale Ruimtelijke Verordening is het plangebied gelegen in als stedelijk gebied aangemerkt gebied. In dergelijk gebied kan een ruimtelijk plan regels bevatten voor verstedelijking. De toelichting op het ruimtelijk plan dien een beschrijving te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Indien het ruimtelijk plan betrekking heeft op grootschalige verstedelijking bevat de toelichting een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overstromingsgevaar.
Onderhavige ontwikkeling is passend in de regels die de Provinciale Ruimtelijke Verordening stelt, namelijk de ontwikkeling – stedelijk van aard - is gelegen in als stedelijk gebied aangemerkt gebied. In paragraaf 3.3.4 van deze toelichting wordt ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en de toepassing van duurzame energiebronnen. Het plan is kleinschalig van aard, slechts 2 woningen en heeft daarom geen betrekking op grootschalige verstedelijking. Geen toelichting is benodigd op hoe rekening wordt gehouden met overstromingsgevaar. 4.1.3 Structuurvisie Soest (2009-2030) In de structuurvisie is globaal vastgelegd hoe de gemeente Soest er in 2030 ongeveer uit moet zien. De kracht van de structuurvisie zit in de samenhang tussen elementen als aantal en soort woningen, werkgelegenheid, voorzieningen en verkeersafwikkeling. Het speerpunt van de structuurvisie is om het dorp Soest levendig en groen houden. In de structuurvisie wordt gestreefd naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen in de gemeente Soest. Daarom wordt er gebouwd
14
voor de eigen bevolking en wordt rekening gehouden met een kleine instroom. Het toevoegen van woningen, voornamelijk voor het goedkope segment en voor doorstromers, mag niet ten koste gaan van het groene en dorpse karakter. Het combineren van deze punten leidt tot een integrale visie voor de kern Soest met enkele nieuwe ontwikkelmogelijkheden. Deze nieuwe mogelijkheden worden, waar mogelijk vertaald naar het bestemmingsplan. Omdat nog niet alle mogelijkheden voldoende zijn uitgekristalliseerd is het niet altijd mogelijk om alle maatregelen uit de structuurvisie direct mee te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om bouwplannen waarvan nog onvoldoende duidelijk is hoe de precieze plannen zullen zijn. Hiervoor moeten dan aparte procedures worden gevolgd. In de structuurvisie wordt ten aanzien van het plangebied De Eng vooral aandacht besteed aan de kwaliteit en openheid van de Engenstructuur. Behoud van kwaliteit staat daarin centraal. Conclusie De kern Soesterberg en de vliegbasis Soesterberg zijn in de structuurvisie niet meegenomen omdat hiervoor al plannen zijn opgesteld met een eigen besluitvorming. Later wordt bekeken of deze plannen tot één structuurvisie voor de hele gemeente worden samengevoegd. Toetsing aan de ‘Structuurvisie Soest’ is derhalve niet mogelijk.
4.2 Milieuffectrapportage Wet- en regelgeving Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Op 7 juli 2017 het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: - door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; - het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; - de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Onderzoek/Conclusie De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is onder onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage opgenomen. Onderhavige ontwikkeling is stedelijk, maar niet in de zin van het m.e.r.-besluit. Uit jurisprudentie blijkt dat voor nieuwvestiging van 95 woningen (ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1640, r.o. 13.2) en 17.000 m2 (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, r.o. 20.3) aan volumineuze detailhandel door de Raad van State een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gevraagd. In onderhavige situatie gaat het om veel minder woningen dan 95 en is sprake van inbreiding in plaats van nieuwvestiging buiten bestaand stedelijk gebied of grootschalige herstructurering. Geconcludeerd kan worden dat dit bestemmingsplan geen activiteiten uit bijlagen C en D van het “Besluit milieueffectrapportage (MER)” mogelijk maakt. Er is daarom geen die aanleiding voor een vormvrije MER-beoordeling of het opstellen van een MER. Ook bevindt zich in het plangebied en omgeving geen Natura-2000 gebied. Daarom is een rapportage in het kader van de Wet natuurbescherming niet nodig.
4.3 Milieuzonering Wet- en regelgeving Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid hebben als doel om de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven andere ‘inrichtingen’ enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en
15
recreëren anderzijds. Oftewel het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate het milieu sterker wordt belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • voldoende zekerheid bieden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Soest hanteert voor het bepalen van de afstanden de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Hierin staat een hele reeks van milieubelastende activiteiten met richtafstanden ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend. De afstanden worden gemeten tussen de grens van de milieubelastende bestemming en gevel van een milieugevoelige functie. De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. In bestaande situaties kan de afstand kleiner zijn dan de gewenste richtafstand.
Naast de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Bijvoorbeeld uit de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de nieuwe ontwikkelingen. Rustige woonwijk Om een goede milieuzonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden van de VNG gelden standaard voor het omgevingstype rustige woonwijk. In een ‘rustige woonwijk’ zijn functies gescheiden: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de ‘rustige woonwijk’ zijn ‘rustig buitengebied’, ‘stiltegebied’ en ‘natuurgebied’. Voor al deze omgevingstypes gelden dezelfde richtafstanden. Gemengd gebied Naast het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ hanteert de VNG ook het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Als hier sprake van kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies (vooral het aspect geluid) met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is in dit soort gebieden vaak maatgevend. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Gezien de functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie bij de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven. milieucategorie richtafstand voor omgevingstype richtafstand voor omgevingstype ‘rustige woonwijk’ ‘gemengd gebied’ 1 10 m 0m 2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
16
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6.1
1.500 m
1.000 m
Tabel: relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. Functiemenging Naast ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’ is er een derde categorie: ‘gebieden met functiemenging’. Hier kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gelegen zijn of worden gesitueerd. In deze gebieden is het niet goed mogelijk om functiescheiding toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan stads- en wijkcentra, horecaconcentraties en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om meer levendigheid tot stand te brengen. De richtafstandenlijst is voor gebieden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden heeft de VNG een "Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging". Hierin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen, die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. • A: activiteiten die zo weinig milieubelastend voor de omgeving zijn, dat ze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor voldoende.
• B: activiteiten in gemengd gebied met een zodanige milieubelasting voor de omgeving, dat ze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats moeten vinden. • C: activiteiten die door hun verkeer aantrekkende werking op een goede ontsluiting op de hoofdinfrastructuur zijn aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden samengevat de volgende randvoorwaarden: • het gaat om kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijvigheid; • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen overdag plaats; • activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; • activiteiten met een hoge vervoersintensiteit moeten beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Richtafstanden gelden in geval van nieuwe situaties. Daarom is bij nieuwe ontwikkelingen altijd toetsing vereist. Als nieuwe ontwikkelingen op een kleinere afstand dan de richtafstand worden gerealiseerd, moeten hiervoor de onderzoeksresultaten worden opgenomen in het bestemmingsplan, waaruit blijkt, dat het afwijken van de richtafstand aanvaardbaar is. Onderzoek Het plangebied en omliggend gebied kan worden getypeerd als ‘gemengd gebied’, gezien de ligging op korte afstand van hoofdinfrastructuur (A28 en de invalsweg Kampweg) en diverse functies in de omgeving.
In de omgeving van het plangebied zijn de navolgende bedrijven/ organisaties/ instellingen van belang: • Centrum voor Mens en Luchtvaart (Kampweg 3), ter plaatse is maximaal milieucategorie 2 toegestaan; • Onderzoeksbureau TNO (kampweg 5), ter plaatse is maximaal milieucategorie 2 toegestaan; • Basisschool de Postiljon (generaal winkelmanstraat 111), ter plaatse is maximaal milieucategorie 2 toegestaan; • Gereformeerde kerk (generaal winkelmanstraat 101), ter plaatse is maximaal milieucategorie 2 toegestaan; • Eat & Joy cafetaria Soesterberg (Buys Ballotlaan 5), ter plaatse is maximaal milieucategorie 1 toegestaan; • Een niet nader gedefinieerd bedrijf in categorie 1 of 2 (Generaal Winkelmanstraat 97), ter plaatse is maximaal maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Voor een categorie 1 bedrijf is de maximale richtafstand 10 meter. Voor een categorie 2 bedrijf is die afstand 30 meter. Voor ieder bedrijf wordt voldaan aan die richtafstand, gemeten vanaf de
17
gevel van de nieuwe woningen tot aan het bestemmingsvlak van het desbetreffende bedrijf. De planologische mogelijkheden worden dus niet aangetast, ook kan gesteld worden dat voor het aspect bedrijven en milieuzonering sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat niet alleen de toegestane mogelijkheden gerespecteerd moeten worden, maar ook de bedrijfssituatie van een gevestigd bedrijf niet belemmerd mag worden, wordt hieronder ook op iedere locatie specifiek nog ingegaan. Centrum voor Mens en Luchtvaart Dit centrum heeft de faciliteiten voor medische keuringen, psychologische selecties en vliegfysiologische trainingen van luchtvarenden van de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine. Dit betreft een maatschappelijke functie die niet specifiek wordt genoemd in de VNGbrochure Bedrijven en Milieuzonering. Wel kan gesteld worden dat de inrichting in categorie 2 te onderscheiden is, waarvoor een maximale richtafstand van 10 meter geldt. De werkelijke afstand bedraagt 50 meter. Er wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand.
Onderzoeksbureau TNO Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering valt dit bedrijf onder de omschrijving ‘Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk’ met bijbehorende SBI-code: 721, milieucategorie 2. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: geur 10m, stof 0m, geluid 10m, gevaar 10m. De werkelijke afstand bedraagt 175 meter. Er wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. Basisschool de Postiljon Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering valt deze instelling onder de omschrijving ‘Scholen voor basis- en algemeen voorgezet onderwijs’ met bijbehorende SBI-code: 852, 8531, milieucategorie 2. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: geur 0m, stof 0m, geluid 10m, gevaar 0m. De werkelijke afstand bedraagt 110 meter. Er wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. Gereformeerde Kerk Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering valt deze organisatie onder de omschrijving ‘Kerkgebouwen e.d.’ met bijbehorende SBI-code: 9491, milieucategorie 2. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: geur 0m, stof 0m, geluid 10m, gevaar 0m. De werkelijke afstand bedraagt 60 meter. Er wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand.
Eat & Joy cafetaria Soesterberg Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering valt dit bedrijf onder de omschrijving ‘Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.’ met bijbehorende SBI-code: 561, milieucategorie 1. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden: geur 0m, stof 0m, geluid 0m, gevaar 0m. De werkelijke afstand bedraagt 165 meter. Er wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. Een niet nader gedefinieerd bedrijf in categorie 1 of 2 Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering heeft een categorie 2 bedrijf een maximale richtafstand van 10 meter. De werkelijke afstand bedraagt 65 meter. Er wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. Tussen alle bedrijven, organisaties en instellingen zijn reeds gevoelige bestemmingen zoals in onderhavig plangebied worden mogelijk gemaakt gelegen. Ieder bedrijf heeft reeds dichterbij gelegen maatgevende gevoelige objecten dan die in het plangebied worden gerealiseerd. Conclusie Op basis van voorgaand onderzoek kan geconcludeerd worden dat in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat bedrijven, instellingen en organisaties in de nabije omgeving door de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd.
18
4.4 Bodem Wet- en regelgeving Wet bodembescherming De Wet bodembescherming gaat primair over bescherming en sanering van de bodem, zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van ernstige bodemverontreiniging en of er gesaneerd moet worden. De hoeveelheid grond dan wel grondwater en de mate van vervuiling zijn criteria voor de mate van bodemverontreiniging. Sanering is nodig als er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De urgentie hangt ook af van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De provincie Utrecht heeft alle gevallen van ernstige bodemverontreinigingen in beeld gebracht; ook in de gemeente Soest. Onderzoek Door MOS Milieu is een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd en kent de navolgende conclusies en aanbevelingen. “Uit de onderzoeksresultaten kan het volgende worden geconcludeerd. • Vanaf het maaiveld is tot de maximaal geboorde diepte van 2,0 m-mv is voornamelijk matig fijn zand waargenomen.
• In de bodem zijn geen bijmengingen, asbestverdachte materialen of andere kenmerken waargenomen die kunnen duiden op bodemverontreiniging. • Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat in mengmonster MM01 van de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik, lood en PAK zijn gemeten. • In het mengmonsters van de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. • Uit de toetsing aan het besluit bodemkwaliteit blijkt dat eventueel vrijkomende grond kan worden aangeduid "klasse wonen" en "overal toepasbaar”. Vanwege licht verhoogde gehalten in de bovengrond dient de onderzoekshypothese ‘onverdachte locatie’ strikt genomen te worden verworpen. De aangetoonde verhoogde concentraties geven geen aanleiding voor nader onderzoek en vormen geen belemmering voor het gebruik van de onderzoeklocatie.” Conclusie Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie geschikt is voor de voorgenomen functie en het gebruik. Het bevoegd gezag heeft ingestemd met het onderzoek. Bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.5 Geluid Wet- en regelgeving Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(soor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld.
19
Geluidsonderwerpen die niet in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn onder andere: • Aanleg/wijzigen van hoofd(spoor)wegen (Hst. 11 Wet milieubeheer); • Luchtvaartlawaai (Luchtvaartwet, Wet luchtvaart); • Bescherming van werknemers tegen lawaai (Arbeidsomstandighedenwet); • Industrielawaai (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Activiteitenbesluit); • Geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wgh (Wet ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht); • Geluidswering gevels (Woningwet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Bouwbesluit 2012); • Geluid op straat (APV). Bij vaststelling van een bestemmingsplan houden we rekening met deze regels en wetten als: • we gronden bestemmen voor nieuwe geluidsgevoelige objecten (bijv. woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen, zones rondom industrieterreinen en zones rondom luchtvaartterreinen; • we gronden bestemmen voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; • we gronden bestemmen voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen; • we zonegrenzen van industrieterreinen en luchtvaartterreinen herzien. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde.
Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten. Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken. Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB(A). Onderzoek Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is om de geluidsbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai in kaart te brengen een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3 bij deze toelichting en kent de navolgende resultaten en conclusies. In het onderzoek is de geluidsbelasting op de nieuwe woningen van de Kampweg, Kamerlingh Onneslaan en Rijksweg A28 berekend. • • •
Ten gevolge van de Rijksweg A28 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 44 dB. Ten gevolge van de Kampweg wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 47 dB. Ten gevolge van de Kamerlingh Onneslaan wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 45 dB.
De cumulatieve geluidsbelasting overschrijdt echter wel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar bedraagt op zijn hoogst niet meer dan 57 dB.
20
Het is belangrijk dat een aanvaardbaar binnengeluidsniveau (maximaal 33dB) wordt behaald. Het onderzoekbureau zegt hierover het volgende. “Het Bouwbesluit gaat ervan uit dat de karakteristieke geluidwering van een gevel van normale bouwkundige opzet op zijn minst 20 dB bedraagt. Ter plaatse van 6 geveldelen wordt de cumulatieve geluidbelasting van 33 dB (vereist binnenniveau) + 20 dB (minimale geluidwering) = 53 dB overschreden. De hoogst berekende cumulatieve geluidbelasting bedraagt 57 dB. Niet voor alle gevels kan worden volstaan met minimale waarde van 20 dB uit het Bouwbesluit. Wij achten een onderzoek naar de geluidwering van de gevels met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (tot maximaal 57 dB) echter niet noodzakelijk. Bij nieuwbouw wordt een gevelwering van 24 dB al snel bereikt. Het is aan de vergunningverlenende instantie om te bepalen of een extra onderzoek naar de geluidwering van de gevels wenselijk is.” Uit het onderzoek blijkt dat er geen hogere waarde procedure hoeft te worden gevolgd. Niet voor alle gevels kan worden volstaan met minimale waarde van 20 dB uit het Bouwbesluit. Het onderzoekbureau acht een onderzoek naar de geluidwering van de gevels met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (tot maximaal 57 dB) echter niet noodzakelijk. Bij nieuwbouw wordt een gevelwering van 24 dB al snel bereikt.
Het bevoegd gezag heeft hierover bepaald dat geen extra onderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig is. Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A). Onderzoek Het plangebied is niet gelegen in een geluidszone ten gevolge van het spoor. Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A). Onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn geen industrieterreinen of bedrijven/ instellingen en organisaties gelegen die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken waarmee voor wat betreft de te realiseren geluidsgevoelige functies in het plangebied rekening moet worden gehouden. Conclusie In het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.6 Geur Wet- en regelgeving Wet geurhinder en veehouderij De “Wet geurhinder en veehouderij” (Wgv) 2006 geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken voor een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij deze geurnorm, gemeten in odeur units, zijn slechts twee factoren van belang. In de eerste plaats of een geurgevoelig object binnen of buiten de bebouwde kom ligt. En ten tweede is het van belang
21
of een geurgevoelig object in een gebied ligt waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. Op grond van de Wgv kan de gemeente geurbeleid ontwikkelen. Hiermee kan worden afgeweken van de wettelijke normen. Hiervoor moet wel een gebiedsvisie en een gemeentelijke verordening over geurhinder worden opgesteld. In de gemeente Soest wordt/is momenteel geurbeleid ontwikkeld. Het algemeen uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van bestaande geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid. Onderdeel van het geurbeleid is dat lokale overheden de uiteindelijke lokale afweging moeten maken, zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen. Het geurbeleid bestaat uit de volgende beleidslijnen: • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; • als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van BBT bepaald; • voor bepaalde branches is het hinderniveau bepaald en in een bijzondere regeling vastgelegd; • de mate van hinder, die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd gezag; • het landelijk geurbeleid is opgenomen in de NeR (Nederlandse emissierichtlijn lucht). Besluit Landbouw milieubeheer (vervallen per 01-01-2013) Alle agrarische bedrijven vallen sinds 01-01-2013 onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit besluit is sinds 1 januari 2013 uitgebreid met 'agrarische activiteiten'. Daarmee zijn de eerdere agrarische besluiten vervallen, zoals het Besluit landbouw en het Besluit glastuinbouw milieubeheer. Onderzoek Onderhavige ontwikkeling ligt niet in de nabijheid van een veehouderij of ander bedrijf dat geurhinder veroorzaakt.. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.7 Lucht Wet- en regelgeving Wet milieubeheer De hoofdlijnen voor luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (Wm). Het verkeer langs drukke wegen kan voor overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zorgen. Aspecten van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), ook wel Besluit NIBM; • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), ook wel Regeling NIBM; • Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van minder dan 3%. Deze 3 %-grens is van toepassing sinds 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/ aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen of luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Voor woningen is in de Regeling NIBM het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen gesteld uitgaande van de 3%-grens.
Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Als in zo’n onderzoekzone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal
22
aantal mensen, dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Vestiging van bijvoorbeeld een school is dan niet toegestaan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het besluit geldt voor nieuwbouw, uitbreiding van gevoelige bestemmingen én voor functiewijziging van bestaande gebouwen naar een gevoelige bestemming. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekzone. Onderzoek Onderhavige planontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 nieuwe woningen. Derhalve kan dit plan gezien worden als een project dat een niet in een betekenende mate bijdrage levert op het gebied van de luchtkwaliteit. Op basis van de GCN-kaarten is getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dat is het geval. Zie onderstaande uitsnede van de GCNkaart (PM10) die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van een gridcelwaarde tussen de 18 en 20 (lichtblauw).
Figuur 4.1: Uitsnede GCN-kaart Conclusie Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit voldoet aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Tevens voldoet het plan aan de richtafstanden voor het aspect “stof” die in het kader van bedrijven- en milieuzonering van toepassing zijn. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op voor onderhavige ontwikkeling.
4.8 Externe veiligheid Wet- en regelgeving Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
23
Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken, dat wil zeggen 24-uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden.
Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR). Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden.
Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden. De "Wet basisnet" is een heel stelsel van wetten en regels. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid Op 28 juni 2016 is de “Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid" in de Staatscourant gepubliceerd.