Bijlage 9 - Memo milieu
Tekst van het document
Memo milieu gebiedsgericht Betref t
Project:
Omgevingsplanwijziging
Datum: Auteurs:
18 december 2024 Judith Brouwer, Toni Treffers
1. Inleiding Naast de regels die zien op planologie en milieu an sich – voor zover dat al kan worden gezegd – zijn er in het omgevingsplan ook regels nodig die betrekking hebben op milieuplanologie. Dit zijn regels die de emissies van bepaalde activiteiten met gebruiksruimte (zoals bedrijfsactiviteiten) regelen met het oog op activiteiten met gebruiksruimte die van die emissies hinder kunnen ondervinden (zoals wonen). Het gaat daarbij in de eerste plaats om geluid, geur, trillingen en omgevingsveiligheid, maar ook licht, slagschaduw en de drift van gewasbeschermingsmiddelen kunnen in dit kader relevant zijn. In deze memo zal ingegaan worden op geluid, geur en omgevingsveiligheid. Onder het oude recht werd milieuplanologie met name geregeld door middel milieuzonering in bestemmingsplannen en geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geluidhinder. Onder de Omgevingswet wordt milieuplanologie allereerst geregeld in het omgevingsplan en ingekaderd door instructieregels in het Bkl die in het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. Daarnaast is het ook onder de Omgevingswet nodig om in het omgevingsplan te werken met milieuzonering. De VNG heeft hiervoor de milieuzonering ‘nieuwe stijl’ ontwikkeld, waarbij niet meer wordt uitgegaan van het indelen van bedrijfssoorten in milieucategorieën, maar van emissienormen per bedrijf.
Deze memo zal ingaan op het vormgeven van milieuplanologie in het omgevingsplan, waarbij allereerst ingegaan zal worden op de normering die op grond van het Bkl gemeentebreed in het omgevingsplan opgenomen moet worden. Vervolgens zal de milieuzonering nieuwe stijl worden uitgelegd die toegepast kan worden op de in de gemeente gelegen bedrijventerreinen. Een groot deel van de keuzes die op basis van deze memo worden gemaakt en worden verwerkt in regels zijn breder toepasbaar dan dat gebied. Na het maken van de keuzes op basis van deze memo kan vervolgens de vertaling plaatsvinden naar het wijzigingsbesluit voor de Drachtstercompagnie. Dit op basis van de milieubelastende activiteiten die in dat gebied worden toegelaten en gereguleerd.
FLO Legal Lange Hagelstraat 30 3531 BK Utrecht
info@flolegal.nl www.flolegal.nl
BTW NL 855162612B01 KvK 63269716 IBAN NL53 TRIO 0212 3654 52
2. Geluid In deze paragraaf zal worden ingegaan op de regels voor geluid die de gemeente voor haar volledige ambtsgebied zal moeten opnemen. Deze regels vormen de basis voor het regelen van deze onderwerpen in het omgevingsplan. Daarnaast zal worden beschreven hoe voor bedrijventerreinen regels met betrekking tot milieuzonering kunnen worden opgenomen om ook daar tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te komen. 2.1.
Besluit kwaliteit leefomgeving
2.1.1. Geluid door activiteiten Het eerste wat van belang is bij het reguleren van geluid, geur en trillingen, zijn de standaardwaarden die daarvoor in het Bkl zijn opgenomen. Voor geluid door activiteiten bepaalt het Bkl de standaardwaarden die gelden op de gevel in artikel 5.65 lid 1 onder a. Deze waarden zijn opgenomen in tabel 5.65.1.
Daarnaast zijn ook waarden opgenomen die gelden in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn opgenomen in tabel 5.65.2.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 2 van 68
In artikel 5.65 zijn mogelijkheden opgenomen om van de waarden die gelden op de gevel af te wijken voor bedrijventerrein (5 dB(A) hoger; lid 2), agrarisch gebied (5 dB(A) lager; lid 3) en voor bepaalde woonschepen (5 dB(A) hoger; lid 4). Artikel 5.66, eerste lid, biedt de mogelijkheid om van artikel 5.65 af te wijken met het oog op de aard of locatie van een activiteit en met het oog op cumulatie. Hierbij kan alleen worden afgeweken van de waarden op de gevel. De binnenwaarden uit tabel 5.65.2 blijven onverminderd van kracht.1 Daarnaast vereist artikel 5.66, tweede lid, dat de grenswaarden voor binnenruimten in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen die niet in- of aanpandig zijn niet worden overscheiden (zie tabel 5.66).2
Verder zijn er nog mogelijkheden opgenomen om in specifieke gevallen geen waarden op te nemen of om andere regels op te nemen dan geluidwaarden (art. 5.70 en 5.71 Bkl) en zijn er uitzonderingen voor geluid door festiviteiten en voor specifieke geluidbronnen (art. 5.68 en 5.73 Bkl). Voor militaire terreinen en terreinen met militaire objecten mogen de waarden niet lager zijn dan de standaardwaarden (art. 5.72 Bkl). Ten slotte kan het omgevingsplan (buiten een industrieterrein waar geluidproductieplafonds gelden) geen activiteiten toestaan die in aanzienlijke mate geluid produceren (art. 5.72a Bkl). 2.1.2. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving met betrekking tot het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen vallen uiteen in twee paragrafen: de regels over het aanleggen en wijzigen van wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds en de regels over het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied. 1 Er is alleen een uitzondering voor gevallen die op het moment van inwerkingtreding van het Bkl al
op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift waren toegestaan (art. 5.66, vijfde lid, Bkl). 2 Uitzondering hierop zijn zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard en situaties waarin de eigenaar van het betreffende gebouw niet wil meewerken aan onderzoek of aan het treffen van geluidwerende maatregelen (art. 5.66, derde lid, Bkl).
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 3 van 68
Voordat we op die twee regelingen in hoofdstuk 5 van het Bkl ingaan, moeten de regels in afdeling 3.5 van het Bkl nog kort benoemd worden. In deze afdeling worden namelijk ook regels gesteld over het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Het gaat hier echter niet om instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 3.5 bevat verplichtingen om basisgeluidemissies (BGE) te bepalen en geluidproductieplafonds (GPP) als omgevingswaarde vast te leggen. Geluid door industrieterrein met GPP Voor industrieterreinen met GPP’s wordt in paragraaf 5.1.4.2a.2 bepaald dat paragraaf 3.5.4 van toepassing is op het vaststellen van de GPP’s (art. 5.78d), dat de begrenzing van die industrieterreinen wordt vastgelegd in het omgevingsplan (art. 5.78e) en dat de regels over activiteiten gericht zijn op het voldoen aan de GPP’s (art. 5.78f). Verder zijn voor militaire terreinen en terreinen met militaire objecten in artikel 5.78g aanvullende eisen opgenomen die er met name voor zorgen dat het geluid van die terreinen niet te streng gereguleerd wordt. Ten slotte bevat artikel 5.78h nog de eis dat geluidwaarden niet gelden voor hulpdiensten en onversterkt menselijk stemgeluid.
Aanleggen en wijzigen van wegen en lokale spoorwegen zonder GPP Artikel 5.78l van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen (eerste lid) en dat het omgevingsplan erin voorziet dat het geluid door de gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is (tweede lid). Het derde en vierde lid van dit artikel bepaalt vervolgens dat aan het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan door te voldoen aan de artikelen 5.78m tot en met 5.78o. Artikel 5.78m bepaalt dat bij het toelaten van de aanleg van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.34 (zie hieronder). Bij wijziging van zo’n weg of spoorweg mag het geluid ook hoger zijn dan de standaardwaarde, voor zover het geluid op het tijdstip waarop het omgevingsplan wordt gewijzigd al hoger was.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 4 van 68
Op grond van artikel 5.78n kan van de waarden die genoemd worden in art. 5.78m worden afgeweken tot de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 (zie hieronder). Dat kan alleen als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen waarmee aan die waarden voldaan wordt en als wel alle geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om de overschrijding van die waarden zoveel mogelijk te beperken. Geluidbeperkende maatregelen die niet financieel doelmatig zijn of waartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan mogen hierbij buiten beschouwing worden gelaten.
Art. 5.78o biedt nog de mogelijkheid om af te wijken van de grenswaarde vanwege zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen. Ten slotte wordt bepaald dat bij het afwijken van de standaardwaarde of de bestaande waarde (1) de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moet worden beoordeeld (art. 5.78p) en (2) ook het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen moet worden bepaald (art. 5.78q). Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Op grond van artikel 3.20 van het Bkl is een geluidaandachtsgebied een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden die is opgenomen in (de bovengenoemde) tabel 3.34. Dat geluidaandachtsgebied wordt niet vastgelegd in het omgevingsplan, maar wordt bepaald aan de hand van de regels die daarover in de Omgevingsregeling zijn gesteld. Binnen een geluidaandachtsgebied geldt een aantal instructieregels voor het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen. In de basis moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en moet het omgevingsplan erin voorzien dat dit geluid aanvaardbaar is (art. 5.78s).
Wat die aanvaardbaarheid inhoudt, wordt verder uitgewerkt in de artikelen 5.78t tot en met 5.78ad. Standaardwaarde
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 5 van 68
Artikel 5.78t, eerste lid, bevat de standaardwaarde voor het toelaten voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied (zie de tabel hieronder).
In het tweede tot en met vierde lid worden die standaardwaarden voor een aantal gevallen nog genuanceerd: • Als de basisgeluidemissie gebaseerd is op het gezamenlijke geluid van een gemeenteweg en lokale spoorweg, geldt de standaardwaarde voor gemeentewegen voor het gezamenlijke geluid van de gemeenteweg en de lokale spoorweg; • Bij een gebouw met een onderwijs- of kinderopvangfunctie waarvan het gebruik in de nachtperiode is uitgesloten, geldt er geen waarde Lnight en verandert Lden in Lde; • Bij een gebouw met een onderwijs- of kinderopvangfunctie waarvan het gebruik in de avond- en nachtperiode is uitgesloten, geldt er geen waarde Lnight en verandert Lden in Lday; Afwijken van de standaardwaarde Het omgevingsplan kan volgens artikel 5.78u afwijken van de standaardwaarde onder drie voorwaarden: • Er kunnen geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen. Dit geldt alleen voor geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. • De overschrijding van de standaardwaarde wordt door geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. • Het geluid is niet hoger dan de grenswaarde (zie de onderstaande tabel).
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 6 van 68
Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, moet daarbij: • het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel worden betrokken (art. 5.78ab); • de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw worden beoordeeld (art. 5.78ac) en • moet het gezamenlijke geluid op de gevel van de betreffende geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan worden vastgelegd (art. 5.78ad). Afwijken van de grenswaarde in specifieke gevallen Verder kan er nog worden afgeweken van de grenswaarde. In de volgende gevallen kan de grenswaarde met maximaal 5 dB worden overschreden: • Bij geluidgevoelige gebouwen die worden toegelaten ter vervanging van een bestaand geluidgevoelig gebouw, als het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde daardoor niet wezenlijk toeneemt (art. 5.78v). • Bij geluidgevoelige gebouwen die worden toegelaten door wijziging van het gebruik van een gebouw dat voor die wijziging geen geluidgevoelig gebouw was (5.78w). • Bij geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied van een industrieterrein waarop zeehavengebonden activiteiten noodzakelijkerwijs in de openlucht worden verricht (art. 5.78x). Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, moet daarbij: • rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel (art.
5.78ab); • de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw worden beoordeeld (art. 5.78ac) en • moet het gezamenlijke geluid op de gevel van de betreffende geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan worden vastgelegd (art. 5.78ad).
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 7 van 68
Niet-geluidgevoelige gevels Van de grenswaarde kan ook worden afgeweken als: • er aan het betreffende geluidgevoelige gebouw bouwkundige maatregelen worden getroffen die: o bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie zonder te openen delen, met uitzondering van de gemeenschappelijke doorgang; of o borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde (art. 5.78y); of • zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen (art. 5.78aa). Deze uitzonderingen kunnen alleen worden toegepast als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen. Dit geldt alleen voor geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder moet de gevel waarbij dit artikel wordt toegepast in het omgevingsplan worden aangewezen als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen bij toepassing van artikel 5.78y en als niet-geluidgevoelige gevel bij toepassing van artikel 5.78aa. Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, moet daarbij: • rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel (art.
5.78ab); • de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw worden beoordeeld (art. 5.78ac) en moet het gezamenlijke geluid op de gevel van de betreffende geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan worden vastgelegd (art. 5.78ad). 2.1.3. Overgangsrecht PM 2.1.4. Toepassing in het omgevingsplan Bij toepassen van de bovenstaande instructieregels in het omgevingsplan is het van belang om te bepalen hoe we de relevante activiteiten kunnen definiëren. Het Bkl spreekt alleen over ‘geluid door activiteiten’, ‘aanleggen en wijzigen van wegen’ en ‘toelaten van geluidgevoelige gebouwen’, maar in het omgevingsplan willen we, om een zo klein mogelijke korrelgrootte van activiteiten te bereiken, activiteiten definiëren rondom geluid. In het verlengde van de VNG staalkaart willen we onderscheid maken tussen de veroorzakende en de ontvangende kant: • Geluid veroorzaken • Geluidgevoelig gebouw toevoegen Daarnaast moet er bij het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen onderscheid worden gemaakt tussen de regels die betrekking hebben op het geluid door activiteiten en de regels die betrekking hebben op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De instructieregels voor die beide geluidbronnen bevatten namelijk andere L-normen en de regels over het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen binnen geluidaandachtsgebieden.
Daarom zal er een afzonderlijke paragraaf worden opgenomen met
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 8 van 68
de regels voor het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied. Bij zowel het geluid veroorzaken als het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen zullen dezelfde waarden kunnen gelden. Het verschil is dat bij het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw een toetsingsmoment geldt voor het geluid, terwijl voor het veroorzaken van geluid voortdurend algemene regels gelden. Keuzes Ons voorstel is om 1. Wel/niet/gedeeltelijk te werken met de standaardwaarden uit art. 5.65 Bkl voor geluid door activiteiten. Deelvragen: i. Waar kunnen de standaardwaarden gehanteerd worden? Zijn er situaties waar de standaardwaarden niet volstaan (incl. de mogelijkheden die art. 5.65 Bkl biedt voor bedrijventerreinen)? Voor nu zijn de standaardwaarden opgenomen in de regels. ii. Willen we voor de woonwijken nog strenger zijn dan de standaardwaarden (strenger dan het Bkl om beleidsneutraal over te gaan)? iii. Zijn er gebiedstypen waar we willen afwijken van de standaardwaarden, zoals bedrijventerrein en buitengebied? Toelichting: Willen we de uitzondering voor bedrijventerreinen toepassen: (5 dB(A) hoger; art. 5.65, tweede lid Bkl)?Willen we de uitzondering voor buitengebied toepassen: (5 dB(A) lager; art. 5.65, derde lid Bkl)? iv. Willen we de uitzondering voor woonschepen toepassen: (5 dB(A) hoger; art. 5.65, vierde lid Bkl)? v.
Willen we nog andere regels opnemen naast de waarden (art. 5.69 Bkl)? Voor nu zijn alleen de waarden en een meldingsplicht of vergunningplicht opgenomen. 2. Regels voor aanleggen en wijzigen van (spoor)wegen zonder gpp’s: wel / niet werken met de standaardwaarden conform art. 5.78t Bkl? Of willen we – al dan niet op onderdelen – gebruik maken van de uitzonderingsmogelijkheden? Voor nu gaan we uit van de standaardwaarde. 3. Regels voor geluidgevoelige gebouwen toevoegen bij (spoor)wegen/industrieterreinen zonder gpp’s: wel / niet werken met de standaardwaarden conform art. 5.78t Bkl? Of willen we – al dan niet op onderdelen – gebruik maken van de uitzonderingsmogelijkheden? Voor Drachtstercompagnie wordt alleen geluid van wegen geregeld aangezien wij geen spoorwegen of industrieterreinen in en rond en het dorp hebben aangetroffen. Daarbij gaan we voor nu uit van de standaardwaarde.
2.2. Geluid op bedrijventerreinen (milieuzonering) Zoals al genoemd is in de inleiding heeft de VNG in de afgelopen tijd de zogeheten milieuzonering nieuwe stijl ontwikkeld, waarbij niet meer de milieucategorie waartoe een
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 9 van 68
bedrijf behoort leidend is bij het bepalen van de afstand die moet worden aangehouden tussen het bedrijf en omliggende milieugevoelige activiteiten, maar de daadwerkelijke emissie van het bedrijf. In deze paragraaf zal de systematiek van deze milieuzonering worden uiteengezet, waarbij ook de keuzes worden genoemd die de gemeente moet maken bij het implementeren van deze systematiek. De uiteenzetting is gebaseerd op de handreiking activiteiten en milieuzonering van de VNG (hierna: de handreiking). 2.2.1. De basisregel Milieuzonering nieuwe stijl werkt volgens het principe van inwaartse zonering. Dit betekent dat naarmate de afstand ten opzichte van naastgelegen woongebieden toeneemt, er zwaardere bedrijven kunnen worden toegelaten. Dit principe van inwaartse zonering komt in de eerste plaats tot uitdrukking in het feit dat er verschillende zones kunnen worden gelegd binnen een bedrijventerrein. De handreiking activiteiten en milieuzonering onderscheidt er m.b.t. geluid drie: geluid beperkt, geluid basis en geluid verruimd. Bij geur worden maximaal twee zones onderscheiden: geur basis en geur verruimd.3 Voor alle activiteiten binnen een bedrijventerrein geldt namelijk allereerst een basisnorm, ongeacht de locatie van de activiteit binnen het bedrijventerrein.
De basisnorm voor activiteiten binnen een bedrijventerrein is in de handreiking 50 dB(A) etmaalwaarde op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.4 Deze waarde is gebaseerd op de standaardwaarde uit artikel 5.65 van het Bkl.5 Om de geluidbelasting op een rustig woongebied verder te beperken kan er ook een zone ‘geluid beperkt’ worden gebruikt voor het gedeelte van een bedrijventerrein dat het dichtst tegen het rustig woongebied is gelegen. Binnen die zone gelden strengere geluidnormen dan binnen de zone basis, in de handreiking een etmaalwaarde van 45 dB(A), waardoor deze zone alleen geschikt is voor lichte bedrijvigheid. Het al dan niet toepassen van deze zone is een beleidskeuze. De gemeente kan er ook voor kiezen om de standaardwaarde te hanteren bij zowel rustige als gemengde woongebieden. Verder kan er nog een zone ‘geluid verruimd’ worden geïntroduceerd voor het gedeelte van een bedrijventerrein dat het verst bij woongebieden vandaan gelegen is. Hier wordt in de handreiking ook gewerkt met een etmaalwaarde van 50 dB(A), maar de afstand waarop gemeten wordt is binnen deze zone 100 m in plaats van 50 m. Ook hiervoor geldt dat het aan de gemeente is om, afhankelijk van de omstandigheden op een bepaald bedrijventerrein, deze zone wel of niet toe te passen. 2.2.2.
Zone-overschrijdende gevallen De zone waarin de locatie waar een activiteit wordt verricht, is gelegen, is op zichzelf niet het meest bepalend voor de geldende geluidnormen. Zoals gezegd geldt voor iedere activiteit een basisnorm. Bij die basisnorm hoort een afstand van 50 meter waarop de maximale geluidwaarde geldt. Op basis van die afstand kan een (denkbeeldige) contour rondom een activiteit getrokken worden. Om te bepalen waar precies welke geluidnorm geldt, is bepalend
3 De reden achter dit verschil is dat bij geluid rustige woongebieden extra worden beschermd t.o.v. gemengde
woongebieden, terwijl dit bij geur niet nodig is, omdat er in rustige woongebieden niet per se minder geurbelasting is dan in gemengde woongebieden. 4 In tegenstelling tot de standaardregels voor geluid, geldt de waarde dus op een vaste afstand in plaats van op de gevel van het dichtstbijzijnde geluid- of geurgevoelige gebouw. De reden hiervoor is dat de regels over milieuzonering ook zijn bedoeld om het gecumuleerde geluid te beperken. Wanneer ieder bedrijf een bepaald geluidniveau op de gevel zou mogen produceren, zou dat namelijk leiden tot een gecumuleerd geluidniveau dat een stuk hoger is. 5 Gebaseerd op lid in Bkl dat de waarde op andere plek mag leggen dan bij gevoelige ontvanger.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 10 van 68
in welke zone(s) de grens van die contour ligt. Een voorbeeld is te zien in de onderstaande afbeelding.
In deze afbeelding is een activiteit te zien op een locatie die zich uitstrekt tot in drie verschillende zones. Op grond van de basisnorm wordt er een contour van 50 meter rondom die locatie getrokken, waarbij op de grens van die contour een maximale etmaalwaarde van 50 dB(A) van toepassing is. Die contour van 50 meter reikt tot in alle drie de zones. Zoals te zien is, veranderen de geluidnormen voor zover de contour binnen de zones ‘geluid verruimd’ en ‘geluid beperkt’ reikt. In de zone ‘geluid verruimd’ wordt de contour groter, omdat binnen die zone de waarde van 50 dB(A) op 100 m vanaf de locatie van de activiteit geldt, en binnen de zone ‘geluid beperkt’ wijzigt de maximale waarde van naar 45 dB(A), maar blijft de afstand gelijk. De locatie waar de activiteit wordt verricht is echter niet volledig onbelangrijk, met name in verband met de werking van de zone ‘geluid beperkt’. In de afbeelding hierboven is te zien wat er met de contour rondom de locatie van een activiteit gebeurt binnen de zone beperkt, als die locatie (gedeeltelijk) binnen de zone beperkt is gelegen. Wanneer de locatie van de activiteit echter volledig buiten de zone ‘geluid beperkt’ is gelegen, maar de contour reikt tot binnen de zone ‘geluid beperkt’, dan gebeurt er iets anders. Dat is te zien in de afbeelding hieronder.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 11 van 68
Voor activiteiten waarvan de locatie volledig buiten de zone ‘geluid beperkt’ zijn gelegen, verandert de maximale geluidwaarde niet voor zover de contour binnen de zone ‘geluid beperkt’ ligt (die blijft 50 dB(A)), maar de afstand waarop die maximale geluidwaarde geldt, verandert wel. Die wordt in dat geval namelijk 30 m.6 De reden dat hier gekozen is voor het wijzigen van de afstand in plaats van de waarde, is dat deze manier van regelen zorgt voor een gelijdelijke overgang van de geluidnormen in grensgevallen. Zo zorgt deze regeling ervoor dat voor een activiteit die op 49 meter van de zone beperkt is gelegen een waarde geldt van 50 dB(A) op de grens met de zone beperkt. Pas wanneer een activiteit op minder dan 30 meter van de zone beperkt gelegen is, komt de afstand die zone binnen, maar ook dan blijft de maximale waarde 50 Lden. Op deze manier wordt de afstand waarop de maximale geluidwaarden gelden langzaam kleiner alnaargelang de activiteit dichter bij de zone beperkt gelegen is. Als voor deze gevallen in de zone beperkt een afstand van 50 meter zou blijven gelden in combinatie met lagere waarden, zou dat lijden tot onwenselijke situaties. Dat zou voor de genoemde activiteit die is gelegen op 49 meter afstand van de zone beperkt betekenen dat de afstand van 50 meter net binnen de zone beperkt zou liggen met een waarde van 45 dB(A).
Als een naastgelegen activiteit echter op 50 meter afstand van de zone beperkt zou zijn gelegen, zou hiervoor een waarde van 50 dB(A) gelden. Een verschil van 1 meter zou dan leiden tot 5 dB verschil in de maximale geluidemissie richting de zone beperkt. 2.2.3. Gebiedstype-overschrijdende gevallen Voor gevallen waarin de contour tot op of over de grens van het bedrijventerrein reikt, zijn ook specifieke regels opgenomen. Waar een rustig woongebied of gemengd woongebied aan de grens van het bedrijventerrein is gelegen, is de regel eenvoudig: de contour stopt op de grens van het bedrijventerrein en de maximale geluidwaarde geldt dus op de grens van het bedrijventerrein.
6 NB een geluidwaarde van 45 dB(A) op 50 m is vergelijkbaar met 50 dB(A) op 30 m.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 12 van 68
Als er echter geen woongebied aan de grens van het bedrijventerrein is gelegen, ligt dit anders. In dat geval geldt namelijk dat er altijd een afstand van 50 meter overblijft waarop de maximale geluidwaarde geldt, ook als die 50 meter de grens van het bedrijventerrein overschrijdt.
In de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe dit werkt binnen een zone ‘geluid verruimd’. Zo lang de afstand tussen de locatie van de activiteit en de grens van het bedrijventerrein minder dan 100 m, maar meer dan 50 m is, ligt de grens van de contour op de grens van het bedrijventerrein. Als de afstand tussen de locatie van de activiteit en de grens van het bedrijf echter minder dan 50 m is, dan ligt de grens van de contour op een afstand van 50 m en reikt de contour dus tot buiten de grens van het bedrijventerrein. 2.2.4. Uitwaartse werking De regeling voor milieuzonering heeft niet alleen effect binnen het bedrijventerrein zelf, er is ook een beperkte uitwaartse werking. Deze uitwaartse werking is het gevolg van enerzijds het overschrijden van de grenzen van het bedrijventerrein zoals uitgelegd in paragraaf 2.4.3 en anderzijds het feit dat de geluidproductie op het bedrijventerrein, met uitzondering van de zone ‘geluid beperkt’, zodanig is dat de realisatie van een (rustig) woongebied direct naast het bedrijventerrein niet wenselijk is. Om deze redenen wordt in de handreiking een attentiegebied gehanteerd dat een strook rondom het bedrijventerrein bestrijkt. De breedte van die zone is afhankelijk van welke zone er op het bedrijventerrein tegen de grens aan ligt.
Als dat de zone ‘geluid’ basis is, is de strook 100 m breed en als het de zone ‘geluid verruimd; is, is de strook 150 m.7 Het hanteren van een attentiegebied is echter niet noodzakelijk. De gemeente kan ervoor kiezen om de basisregels voor geluid en geur hun werk te laten doen, waardoor het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen op een locatie waar de belasting op de gevel te hoog is, alsnog niet binnenplans wordt toegestaan. 2.2.5. Overgangsrecht Aangezien de bedrijven op bestaande bedrijventerreinen niet in alle gevallen zullen voldoen aan de nieuwe regels voorziet de handreiking in overgangsrecht voor bestaande bedrijven. Dit 7 NB op locaties waar een bestaand woongebied grenst aan het bedrijventerrein wordt geen attentiegebied gelegd.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 13 van 68
overgangsrecht houdt in dat bestaande bedrijven die niet aan de nieuwe normen voldoen 10 jaar vanaf in werkingtreding van de regels de tijd krijgen om informatie aan te leveren waaruit blijkt dat het betreffende bedrijf voor inwerkingtreding van de regels in overeenstemming was met de toen geldende regels. Als dat het geval is, is het college op grond van het overgangsrecht verplicht een maatwerkvoorschrift te stellen waarmee de bestaande geluidbelasting wordt toegestaan. Zo worden de bestaande bedrijven niet in hun rechten beperkt. Ons inziens staat die aanpak op gespannen voet met art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit – in dit geval het vaststellen van de betreffende regels in het omgevingsplan –de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Om die reden stellen wij voor om de met de regels strijdige situaties vooraf te inventariseren. 2.3.
Toepassing in het omgevingsplan
In Drachtstercompagnie is geen sprake van een bedrijventerrein, milieuzonering is daarom in de regels in RxBase niet verder uitgewerkt.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 14 van 68
3. Geur In deze paragraaf wordt ingegaan op de regels voor geur in het omgevingsplan. De gemeente is verantwoordelijk voor een aanvaardbaar geurniveau op geurgevoelige gebouwen. Er is dan ook veel ruimte – naast de instructieregels opgenomen in par. 3.1 – voor de gemeente om zelf beleidskeuzes te maken in wat de gemeente aanvaardbaar geurniveau vindt en wat de gemeente wil regelen. In deze memo beperken we ons op de activiteiten die geregeld moeten worden vanuit: • de instructieregels van het Bkl, de geurregels m.b.t. milieuzonering; • de regels vanuit de oude omgevingsvergunning beperkte milieutoets opgenomen in de bruidsschat; • het omzetten van gemeentelijk geurwetgeving of -beleid. 8 Daarbij is het belangrijk voor de gemeente om ook na te denken over mogelijk geurbeleid die de gemeente wil toepassen op andere activiteiten. 3.1. Besluit kwaliteit leefomgeving In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of het gedeelte van een gebouw met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d.
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Een omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92 Bkl erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. De gemeente houdt rekening met de aanvaardbaarheid van de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen bij het toelaten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en bij het toelaten van nieuwe activiteiten met geurhinder. Welke mate van geurhinder de gemeente aanvaardbaar vindt mag de gemeente grotendeels zelf invullen. De gemeente kan dit invullen aan de hand van bestaand geurbeleid. Indien de gemeente geen lokaal beleid op geur heeft vastgesteld dan kan de gemeente de volgende regels opnemen: • Afstandsregels voor bepaalde activiteiten tot geurgevoelige gebouwen; of • Waarden voor op een geurgevoelig gebouw of op een locatie. Daarbij moet rekening gehouden worden met cumulatie van geur. Het Bkl bevat voor een aantal activiteiten specifieke instructieregels, voor deze gevallen moet een bebouwingscontour geur worden vastgelegd (artikel 5.97 Bkl): • Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2). • Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3). • Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4). Binnen de bebouwingscontour geur mag minder geurhinder plaatsvinden dan buiten de bebouwingscontour.
8 In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn ook rijksregels opgenomen voor bepaalde activiteiten
om geurhinder te beperken.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 15 van 68
Geurgevoelige gebouwen met een functionele binding met de activiteit Daarnaast moet het omgevingsplan een bepaling bevatten waarin wordt gesteld dat de waarden en afstanden met betrekking tot geur niet gelden voor geurgevoelige gebouwen met een functionele binding met de activiteit met geurhinder (artikel 5.95 Bkl). Deze bepaling geldt voor de afstanden die in de instructieregels van het Bkl zijn uitgewerkt. Daarnaast kan worden opgenomen dat de waarden en afstanden met betrekking tot geur niet gelden voor geurgevoelige gebouwen die een voormalige functionele binding door een activiteit: • in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; • verricht op een bedrijventerrein; of • in de horecasector. 3.1.1. Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2). Het omgevingsplan dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk toelaat, bevat als grenswaarden voor die activiteit om te kunnen voldoen aan een aanvaardbare geurbelasting:9
Als het gaat om een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht en onherroepelijk vergund is voor 1 februari 1996 dan bevat het omgevingsplan een hogere waarde:
Voor de geur door zuiveringtechnische werken waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van de Wabo in werking en onherroepelijk was op bepaalde geurgevoelige gebouwen gelden de waarden van de bovenstaande tabellen niet.10
9 Artikel 5.99 en 5.100 Bkl. 10 Artikel 5.103 Bkl.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 16 van 68
In het omgevingsplan kunnen hogere waarden worden gesteld om zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die een hogere waarde (minder streng) rechtvaardigen.11 Van deze afwijking gebruik maken vraagt een forse motivering. Daarnaast kan een omgevingsplan ook lagere waarden (strenger) bevatten om lokale omstandigheden of omwille van cumulatie. 3.1.2. Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3). Voor de toepassing van deze paragraaf van het Bkl wordt het volgende bedoeld met de activiteiten: • Het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: o Varkens, kippen, schapen of geiten; o Als deze worden gehouden voor de vleesproductie: - rundvee tot 24 maanden; - kalkoenen; - eenden; of - parelhoenders; • Het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. Een omgevingsplan voldoet aan een aanvaardbare geurbelasting als de onderstaande waarden worden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. Daarbij zijn er verschillende waarden en verschillende afstanden voor dieren in een dierenverblijf met een geuremissiefactor en dieren in een dierenverblijf zonder geuremissiefactor.
Dieren met emissiefactor Voor dieren met een emissiefactor gelden de in onderstaande tabel standaardwaarden (artikel 5.109, eerste lid, Bkl):
11 Artikel 5.102 Bkl.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 17 van 68
Van deze standaardwaarden kan worden afgeweken tot aan de grenswaarden (artikel 5.109, tweede lid, Bkl):
Tenzij het geurgevoelig gebouw een functionele verbinding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving, dan kan het omgevingsplan een hogere waarde bevatten dan de grenswaarde. Naast de waarden zijn er ook instructieregels voor het omgevingsplan met betrekking tot de afstand van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig gebouw. Zo moet onverminderd de bovenstaande waarden, ten minste de afstand in de onderstaande tabel worden aangehouden.12 Daarvan kan alleen worden afgeweken als er zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere belangen dit rechtvaardigen.
Woningen die een functionele binding of een voormalige functionele binding (na 19 maart 2000) hebben met het agrarisch bedrijf hoeven niet te voldoen aan de standaard- of grenswaarden. Daar geldt alleen de onderstaande afstandsregeling voor (zie tabel 5.110). Het omgevingsplan kan kortere afstanden bevatten als zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen dit vergen.
12 Artikel 5.116 Besluit kwaliteit leefomgeving.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 18 van 68
Vanuit het oude recht geldt nog een regeling waarbij veehouders die hun bedrijfsactiviteiten beëindigen in ruil daarvoor woningen mogen toevoegen: de ruimte-voor-ruimte woningen. Voor deze woningen gelden andere afstanden m.b.t. geur (zie tabel 5.111).13
Dieren zonder emissiefactor Voor dieren zonder emissiefactor die worden gehouden in een dierenverblijf gelden afstandsregels. De standaardafstand is opgenomen in tabel 5.112: (artikel 5.112, eerste lid,
Bkl) In het omgevingsplan kan een kleinere afstand worden aangehouden, zolang deze niet kleiner is dan: (artikel 5.112, tweede lid, Bkl)
Daarnaast is ook voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor de ruimte voor ruimtewoning geregeld: (artikel 5.115 Bkl)
Onverminderd de bovenstaande afstanden moet ten minste de afstand in de onderstaande tabel worden aangehouden (artikel 5.116). Daarvan kan alleen worden afgeweken als er zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere belangen dit rechtvaardigen.
13 Artikel 5.111 Besluit kwaliteit leefomgeving.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 19 van 68
3.1.3. Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4). In artikel 5.118 Bkl is bepaald dat er sprake is van een aanvaardbaar geurniveau wanneer de afstanden voor de agrarische activiteiten opgenomen in par. 5.1.4.6.4 Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. De afstanden zijn geregeld voor agrarische activiteiten die plaatsvinden bij een agrarische activiteit die is geregeld als mba in het Bal. De afstanden zijn standaardwaarden, in het omgevingsplan kan met een motivering dat het geurniveau aanvaardbaar is ook kleinere afstanden worden opgenomen (artikel 5.127 Bkl). Afstand tot geurgevoelig gebouw Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur
100 m 50 m
Voor de volgende activiteiten zijn de afstanden uit de bovenstaande tabel opgenomen in het Bkl: • de opslag van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m3, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 4.835 van het Bal bij één van de volgende activiteiten:14 o het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal; o het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Bal; o het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Bal; o het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Bal; en o het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Bal. • de opslag van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in artikel 4.848 van het Bal, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bij één van de volgende activiteiten:15 o het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Bal; o het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Bal; o het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Bal; en o het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Bal.
• het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voorde of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Bal, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar aan
14 Artikel 5.120 Bkl. 15 Artikel 5.121 Bkl.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 20 van 68
•
dierlijke meststoffen, bij de activiteit het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 4.864 van het Bal.16 het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal, bij één van de volgende activiteiten:17 o het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal; o het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Bal; o het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Bal; o het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Bal; o het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Bal; en o het voor onderhoud van de openbare ruimte opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen, bedoeld in artikel 3.250 van het Bal.
Voor de opslag van niet in plastic verpakte kuilvoer- of vaste bijvoermiddelenbalen, bedoeld in artikel 4.481 Bal, gelden de afstanden in onderstaande tabel.18 Deze activiteiten moeten dan wel worden uitgevoerd bij het exploiteren van een veehouderijbedrijf (artikel 3.200 Bal) of het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk (artikel 3.215 Bal).
Bij de opslag van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in artikel 4.855 van het Bal, met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m3 gelden de afstanden in tabel 5.123.19 De afstanden gelden vanaf het mestbassin, dat in gebruik is bij het exploiteren van een
16 Artikel 5.124 Bkl. 17 Artikel 5.125 Bkl. 18 artikel 5.122 Bkl. 19 Artikel 5.123 Bkl.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 21 van 68
veehouderij (artikel 3.200 Bal), het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk (artikel 3.215 Bal) of het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal (artikel 3.225 Bal). Bij het bepalen van de afstand is van belang of het mestbassin een functionele binding heeft met het dierenverblijf in de directe omgeving. 3.1.4. Geurcumulatie Het bevoegd gezag moet nu ook rekening houden met geurcumulatie in het kader van gezondheid. PM 3.1.5. Overgangsrecht Bkl In het Bkl zij ook instructieregels met betrekking tot overgangsrecht opgenomen voor het omgevingsplan. Zo is voor het houden van landbouwhuisdieren met een emissiefactor overgangsrecht opgenomen in atikel 5.109a Bkl. Als het omgevingsplan voor een locatie een lagere of hogere waarde bevat dan de waarde die gold onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan en de geur op die locatie op dat tijdstip rechtmatig meer bedraagt dan die lagere waarde dan moet in het omgevingsplan worden bepaald dat de lagere waarde niet van toepassing is. De lagere of hogere waarde geldt zolang de locatie of het aantal landbouwhuisdieren niet toeneemt. Voor bedrijven waar dit overgangsrecht van toepassing is mag alleen worden uitgebreid als een: 1. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en 2.
de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken. In artikel 5.126 van het Bkl is overgangsrecht opgenomen voor de agrarische activiteiten uit paragraaf 5.1.4.6.3 van het Bkl (zie Geur door andere agrarische activiteiten). Als de afstand van de activiteit tot een geurgevoelig gebouw kleiner was dan de standaardafstanden van het Bkl en de activiteit: 1. voor 1 januari 2013 rechtmatig werd verricht; en 2. redelijkerwijs niet kan worden verplaatst. Dan wordt de kleinere afstand in het omgevingsplan in acht genomen en wordt bepaald dat maatregelen of voorzieningen worden getroffen, zodat de geurhinder aanvaardbaar is. 3.2. Geur op een bedrijventerrein (milieuzonering) Geur op een bedrijventerrein wordt voor een groot gedeelte hetzelfde geregeld als geluid op een bedrijventerrein. Niet meer de milieucategorie waartoe een bedrijf behoort is leidend bij het bepalen van de afstand die moet worden aangehouden tussen het bedrijf en omliggende milieugevoelige activiteiten, maar de daadwerkelijke emissie van het bedrijf. In deze paragraaf zal de systematiek van deze milieuzonering worden uiteengezet, waarbij ook de keuzes worden genoemd die de gemeente moet maken bij het implementeren van deze systematiek.
De uiteenzetting is gebaseerd op de handreiking activiteiten en milieuzonering van de VNG (hierna: de handreiking). 3.2.1. De basisregel Milieuzonering nieuwe stijl werkt volgens het principe van inwaartse zonering. Dit betekent dat naarmate de afstand ten opzichte van naastgelegen woongebieden toeneemt, er zwaardere bedrijven kunnen worden toegelaten. Dit principe van inwaartse zonering komt in de eerste
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 22 van 68
plaats tot uitdrukking in het feit dat er verschillende zones kunnen worden gelegd binnen een bedrijventerrein. De handreiking activiteiten en milieuzonering onderscheidt er m.b.t. geluid drie: geluid beperkt, geluid basis en geluid verruimd. Bij geur worden maximaal twee zones onderscheiden: geur basis en geur verruimd.20 Voor alle activiteiten binnen een bedrijventerrein geldt namelijk allereerst een basisnorm, ongeacht de locatie van de activiteit binnen het bedrijventerrein. De basisnorm voor activiteiten binnen een bedrijventerrein zijn in de handreiking de waarden 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel of 2 ouE/m3 als 99.9 percentiel opgenomen op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.21 Deze waarde is gebaseerd op de standaardwaarde uit artikel 5.65 van het Bkl. Ook kan er een zone ‘geur verruimd’ worden geïntroduceerd voor het gedeelte van een bedrijventerrein dat het verst bij woongebieden vandaan gelegen is. Hier wordt in de handreiking ook gewerkt met de waarden 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel of 2 ouE/m3 als 99.9 percentiel, maar de afstand waarop gemeten wordt is binnen deze zone 100 m in plaats van 50 m.
Ook hiervoor geldt dat het aan de gemeente is om, afhankelijk van de omstandigheden op een bepaald bedrijventerrein, deze zone wel of niet toe te passen Op grond van de regels in deze paragraaf kan een bedrijventerrein worden opgedeeld in twee zones: een zone basis en een zone verruimd. In elke van deze zones gelden verschillende maximale geurwaarden of verschillende afstanden waarop die geurwaarden gelden vanaf de grens van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Daarbij worden in de zone basis de ‘reguliere’ normen en in de zone verruimd ruimere normen gehanteerd. 3.2.2. Zone-overschrijdende gevallen De zone waarin de locatie waar een activiteit wordt verricht, is gelegen, is op zichzelf niet het meest bepalend voor de geldende geluidnormen. Zoals gezegd geldt voor iedere activiteit een basisnorm. Bij die basisnorm hoort een afstand van 50 meter waarop de maximale geurwaarde geldt. Op basis van die afstand kan een (denkbeeldige) contour rondom een activiteit getrokken worden. Om te bepalen waar precies welke geluidnorm geldt, is bepalend in welke zone(s) de grens van die contour ligt. Een voorbeeld is te zien in de onderstaande afbeelding.
20 De reden achter dit verschil is dat bij geluid rustige woongebieden extra worden beschermd t.o.v. gemengde
woongebieden, terwijl dit bij geur niet nodig is, omdat er in rustige woongebieden niet per se minder geurbelasting is dan in gemengde woongebieden. 21 In tegenstelling tot de standaardregels voor geur, geldt de waarde dus op een vaste afstand in plaats van op de gevel van het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw. De reden hiervoor is dat de regels over milieuzonering ook zijn bedoeld om het gecumuleerde geur te beperken. Wanneer ieder bedrijf een bepaald geurniveau op de gevel zou mogen produceren, zou dat namelijk leiden tot een gecumuleerd geurniveau dat een stuk hoger is.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 23 van 68
In deze afbeelding is een activiteit te zien op een locatie die zich uitstrekt tot in twee verschillende zones. Op grond van de basisnorm wordt er een contour van 50 meter rondom die locatie getrokken, waarbij op de grens van die contour de maximale waarden 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel of 2 ouE/m3 als 99.9 percentiel van toepassing zijn. Die contour van 50 meter reikt tot in alle twee de zones. Zoals te zien is, veranderen de geurnormen voor zover de contour binnen de zone ‘geur verruimd’ reikt. In de zone ‘geluid verruimd’ wordt de contour groter, omdat binnen die zone de waarden 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel of 2 ouE/m3 als 99.9 percentiel op 100 m vanaf de locatie van de activiteit gelden. 3.2.3. Gebiedstype overschrijdende gevallen Voor gevallen waarin de contour tot op of over de grens van het bedrijventerrein reikt, zijn ook specifieke regels opgenomen. Waar een rustig woongebied of gemengd woongebied aan de grens van het bedrijventerrein is gelegen, is de regel eenvoudig: de contour stopt op de grens van het bedrijventerrein en de maximale geurwaarde geldt dus op de grens van het bedrijventerrein. Als er echter geen woongebied aan de grens van het bedrijventerrein is gelegen, ligt dit anders.
In dat geval geldt namelijk dat er altijd een afstand van 50 meter overblijft waarop de maximale geluidwaarde geldt, ook als die 50 meter de grens van het bedrijventerrein overschrijdt.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 24 van 68
In de bovenstaande afbeelding is te zien hoe dit werkt binnen de zones ‘geur basis’ en ‘geur verruimd’. Zo lang de afstand tussen de locatie van de activiteit en de grens van het bedrijventerrein minder dan 100 m, maar meer dan 50 m is, ligt de grens van de contour op de grens van het bedrijventerrein. Als de afstand tussen de locatie van de activiteit en de grens van het bedrijf echter minder dan 50 m is, dan ligt de grens van de contour op een afstand van 50 m en reikt de contour dus tot buiten de grens van het bedrijventerrein. 3.2.4. Uitwaartse werking De regeling voor milieuzonering heeft niet alleen effect binnen het bedrijventerrein zelf, er is ook een beperkte uitwaartse werking. Deze uitwaartse werking is het gevolg van enerzijds het overschrijden van de grenzen van het bedrijventerrein zoals uitgelegd in paragraaf 3.2.3. en anderzijds het feit dat de geurproductie op het bedrijventerrein zodanig is dat de realisatie van een woongebied direct naast het bedrijventerrein niet wenselijk is. Om deze redenen wordt in de handreiking een attentiegebied gehanteerd dat een strook rondom het bedrijventerrein bestrijkt. De breedte van die zone is afhankelijk van welke zone er op het bedrijventerrein tegen de grens aan ligt.
Als dat de zone ‘geur’ basis is, is de strook 100 m breed en als het de zone ‘geur’ verruimd; is, is de strook 150 m.22 Het hanteren van een attentiegebied is echter niet noodzakelijk. De gemeente kan ervoor kiezen om de basisregels voor geluid en geur hun werk te laten doen, waardoor het toevoegen van geurgevoelige gebouwen op een locatie waar de belasting op de gevel te hoog is, alsnog niet binnenplans wordt toegestaan. 3.2.5. Overgangsrecht Het overgangsrecht voor milieuzonering – geur is hetzelfde als voor milieuzonering – geluid. Zie voor het overgangsrecht paragraaf 2.4.5 van deze notitie.
22 NB op locaties waar een bestaand woongebied grenst aan het bedrijventerrein wordt geen attentiegebied gelegd.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 25 van 68
3.3. Bruidsschat In de bruidsschat zijn bij een aantal activiteiten ook geurregels opgenomen die voorheen werden getoetst door de OBM (omgevingsvergunning beperkte milieutoets). Ons advies is om de regels met betrekking tot geurhinder om te zetten naar het nieuwe deel omgevingsplan. Wel met de kanttekening dat deze activiteiten alleen geregeld moeten worden in de gebiedstypen waar deze activiteit mogelijk zou plaatsvinden. Het voorkomen van geurhinder wordt bij de volgende activiteiten in de bruidsschat geregeld: • slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen (par. 22.317); • verwerken polyesterhars (artikel 22.259. derde lid); • opslag van vaste mest (paragraaf 22.3.23); • bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (paragraaf 22.3.20); • milieubelastende activiteit in de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 Bal, tenzij deze activiteit vergunningplichtig is op grond van het Bal (paragraaf 22.3.16); en • het bereiden van voedingsmiddelen met (groot)keukenapparatuur of bakkerijovens (paragraaf 22.3.15). 3.4. Andere activiteiten De gemeenten is verantwoordelijk dat geur door activiteiten op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Naast de bovengenoemde activiteiten kan het nodig zijn voor de gemeente om ook geurregels voor andere activiteiten te stellen.
Wij adviseren voor nu om een verbod op te nemen voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten waarbij onaanvaardbare geurhinder ontstaat binnen het woongebied. Daarnaast gelden er vanuit de bruidsschat regels voor horeca activiteiten om geur te beperken. Deze regels adviseren wij ook om op te nemen in het nieuwe deel omgevingsplan. Ook door de activiteit ‘wonen’ kan geurbelasting op andere geurgevoelige huizen ontstaan. De gemeente is echter niet verplicht om de geurbelasting veroorzaakt door wonen te regelen op grond van het Bkl.23 De gemeente mag dit echter wel doen, denk daarbij aan het veroorzaken van geuroverlast door het stoken van hout. Om dit te kunnen doen zal in de gemeente eerst beleidskeuzes moeten worden gemaakt. 3.5.
Keuzes
23 Artikel 5.90, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 26 van 68
Keuzes Ons voorstel is om: 1. Een bebouwingscontour geur aan te wijzen. a. Is aangewezen in H4 van de regels in RxBase. 2. Een keuze te maken over het al dan niet hanteren van een zone ‘geur verruimd’ a. In Drachtstercompagnie is geen sprake van een bedrijventerrein, geur voor milieuzonering is daarom in de regels in RxBase niet verder uitgewerkt. 3. Voor activiteiten waarvoor geen specifieke waarden en afstanden gelden op grond van het Bkl: te bepalen hoe de aanvaardbaarheid van de geurhinder het beste kan worden gewaarborgd in de regels. a. door middel van een verbod op activiteiten met aanzienlijke geurhinder kan in Drachtstercompagnie worden gewaarborgd dat er geen bedrijven zullen komen die te veel geur uitstoten. 4. Voor activiteiten waarvoor het Bkl specifieke waarden en afstanden bevat: uit te gaan van de standaardafstanden en -waarden, met een mogelijkheid tot afwijken tot de grenswaarde onder voorwaarden. a. In Drachtstercompagnie komen geen activiteiten voor waar de genoemde afstanden en waarden voor gehanteerd moeten worden. 5. De geurverordening in het omgevingsplan op te nemen. 6. Wil de gemeente een concentratiegebied (artikel 5.108 Bkl) vastleggen? 7. De regels met betrekking tot geur (als benoemd in par. 3.1 en 3.3) gedeeltelijk om te zetten naar het nieuwe deel omgevingsplan, als de activiteiten plaatsvinden in het gebied waarvoor de regels worden omgezet; 8.
De ruimte- voor ruimtewoning alleen te regelen als deze voorkomen in de gemeente.
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 27 van 68
4. Omgevingsveiligheid Op grond van artikel 2.28, aanhef en onder b, van de Omgevingswet moet de veiligheid gewaarborgd worden door het stellen van regels over omgevingsplannen en projectbesluiten. Art. 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een uitwerking van de primaire verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders voor het waarborgen van de veiligheid. Deze instructieregel verplicht de gemeenteraad om bij het vaststellen van een omgevingsplan het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee te nemen in de belangenafweging. Voor externe veiligheid zijn deze regels opgenomen in par. 5.1.2 van het Bkl. Deze instructieregels hebben tot doel de kans te beperken dat mensen die in de omgeving van een activiteit met gevaarlijke stoffen verblijven door een ongeval met die stoffen overlijden, of overlijden door een ongeval met een windturbine (externe veiligheid). In het omgevingsplan moet worden voldaan aan de randvoorwaarden voor externe veiligheid die het Rijk stelt voor het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Een van de eigenschappen van externe veiligheidsrisico’s is dat de hoogte van het risico in belangrijke mate wordt bepaald door afstand.
Ruimtelijke maatregelen (het aanhouden van voldoende afstand tot een activiteit met externe veiligheidsrisico’s) zijn een belangrijk middel om een aanvaardbaar risiconiveau te bereiken en in stand te houden. Naast ruimtelijke maatregelen kunnen in het gebied tussen de risicobron en de (bebouwde) omgeving ook maatregelen getroffen worden ter bescherming van gebouwen of locaties. Het gaat dan om maatregelen die de effecten van een incident op de omgeving beperken. Ook maatregelen die ervoor zorgen dat mensen goed kunnen schuilen of vluchten kunnen daaraan bijdragen. De grootte van de afstanden en het type maatregelen zijn onder meer afhankelijk van de aard van de risico’s die de activiteit meebrengt.
De instructieregels van paragraaf 5.1.2 van het Bkl gaan in hoofdzaak over de volgende onderwerpen: • reikwijdtebepalingen: de aanwijzing van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties en de aanwijzing van activiteiten met externe veiligheidsrisico’s; • grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico, ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden, inclusief voorwaarden waaronder van de grenswaarde afgeweken kan worden; • nieuwe wijze van omgaan met het groepsrisico: zogeheten aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s; • risicogebieden externe veiligheid: gebieden met een aparte status vanwege verhoogde externe veiligheidsrisico’s; en • afzonderlijke regels voor vuurwerk en civiele en militaire explosieaandachtsgebieden, gebaseerd op de maximale effecten van een explosie. 4.1. Algemene regels Rijk Algemene regels van het Rijk op het gebied van externe veiligheid zijn te vinden in: 4.1.1. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
www.flolegal.nl
Memo milieu gebiedsgericht • 28 van 68
Voor burgers en bedrijven, Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan of in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden (zie bijlage VII, onder A, bij het Bkl). Het gaat hier bijvoorbeeld om aan welke normen en technische eisen installaties voor gevaarlijke stoffen moeten voldoen. 4.1.2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Voor overheden. Regels over externe veiligheid, in het bijzonder afstandsnormen, voor specifieke milieubelastende activiteiten, staan in bijlage VII bij het Bkl. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten (bijlage VII, onder B tot en met D). Voor de activiteiten in bijlage VII, onder E moet de afstand voor het plaatsgebonden risico worden berekend. Het gaat hier steeds om vergunningplichtige activiteiten. Par. 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels voor gemeenten om de veiligheid te waarborgen in het omgevingsplan. Daarnaast staan er in het Bkl de beoordelingsregels voor externe veiligheid voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Nieuw: art. 5.3 van het Bkl onderscheidt naast beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties ook 'zeer kwetsbare gebouwen'.