CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Oudega - Nije Aldegeaster Sânning Toelichting

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan en Milieueffectrapport (MER) Oudega – Nije Aldegeaster Sânning16.469 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

31

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

de zuidrand is een brede met riet begroeid oeverzone aanwezig, waarbij het riet uitgroeit over de kade en de sloot aan de noordzijde daarvan. De oeverzone ligt binnen het plangebied, het water zelf niet. In het noorden van het plangebied staat een karakteristiek bouwwerk. De oorspronkelijke functie van het gebouw was een gemaal, bouwjaar 1935.

Effecten Het landschap verandert van een agrarisch gebied met bomenrijen tot een open binnenmeer. De realisatie van het meer past echter binnen het laagveenlandschap met open water. Voor de middeleeuwen werd het landschap ook gekenmerkt door een groot binnenmeer. Er wordt aangesloten op het water van de Nije Mûntsegroppe en de Smeliester Sân. In die zin wordt met de realisatie van het binnenmeer aangesloten bij de landschapskenmerken van het gebied. Er zijn geen landschappelijk waardevolle en beschermde elementen in het gebied die worden aangetast door de realisatie van het binnenmeer. Ook is het gebied niet van aardkundige waarde. De plannen in het project 'Oudega aan het water' hebben geen effect op de cultuurhistorische waarden in het gebied. Het karakteristieke oude gemaal wordt met de plannen niet geraakt. Daarnaast liggen er in het plangebied geen rijk- of gemeentelijke monumenten waarop er een effect optreedt. Ook andere cultuurhistorische waarden zijn niet aanwezig. Er worden daardoor geen nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema landschap en cultuurhistorie.

Conclusie Erfgoed vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient op grond van de bepalingen in de Wet natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Huidige situatie Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd gebied vanuit de Wet Natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Alde Feanen en ligt op circa 0,7 km ten westen van het plangebied. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ligt agrarisch gebied. De gronden zijn verder in gebruik als agrarisch grasland. Langs de westrand, ten noorden van de weg De Geasten, was tot voor kort een baggerdepot aanwezig. Dit gebied is heringericht voor agrarisch gebruik, waarbij grond wordt vergraven en watergangen opnieuw aangelegd. Enige bebouwing binnen het plangebied zijn een paardenschuurtje in het zuidelijke deel en een klein sluisgebouwtje van enkele m2 oppervlak in het noordelijke deel.

Effecten Voor aanleg van het nieuwe meer wordt de vegetatie over een groot deel van het plangebied verwijderd en grond afgegraven. Ook de kades en oeverbegroeiing aan de westzijde van het Alddjip en aan de noordzijde en de Nije Mûntsegroppe zullen voor een groot deel worden verwijderd en afgegraven. Ook de houtige begroeiing en het paardenschuurtje worden verwijderd, en mogelijk ook het sluitgebouwtje. Rond het meer wordt een moeras- of grasachtige begroeiing ontwikkeld of in stand gehouden. Tevens is het plan langs de westzijde van het toekomstige meer een fietspad aan te leggen. BügelHajema Adviseurs heeft een uitgebreide natuurtoets uitgevoerd (bijlage 7). Hierin is onderzocht of de beoogde ontwikkeling effecten heeft of de beschermde soorten en gebieden in en rondom het plangebied. De belangrijkste uitkomsten van het onderzoek zijn hierna weergegeven.

32

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Beschermde soorten Ten gevolge van het plan treden geen negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen of nestplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten op. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten zij niet te verwachten. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen treden niet op, op voorwaarde dat geen verlichting wordt aangebracht langs de wateren tenzij gebruik wordt gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting. Deze voorwaarde is in de regels geborgd. De oevers van de Nije Mûntsegroppe, het Alddjip en de bredere watergang bij De Geasten zijn geschikt als foerageergebied voor otter en worden ook als zodanig gebruikt. Het plan voorziet in nieuwe oevers met moeraszones langs de randen van het te ontwikkelen meer, die geschikt zijn als leefgebied voor otter. Onder de voorwaarde dat de lengte aan toegankelijke oevers (lage oevers met moeraszones of plaatselijk basaltblokken minstens even groot blijft als in de huidige situatie kunnen negatieve effecten voor otter worden uitgesloten. Met het planvoornemen wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde daardoor in de regels is bepaald dat oevers niet hoger mogen worden dan de huidige maaiveldhoogte en dat als oeverbescherming uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van natuursteen of niet-gemetselde steen.

Negatieve effecten van de otter kunnen daarmee worden uitgesloten. Tijdens het in 2020 uitgevoerde nader onderzoek naar waterspitsmuis en noordse woelmuis zijn geen van beide aangetroffen in potentieel geschikt gebied in het zuidelijk deel van het plangebied. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten op waterspitsmuis en noordse woelmuis worden uitgesloten. Ten aanzien van andere niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zijn eveneens geen negatieve effecten te verwachten. Negatieve effecten ten aanzien van andere diergroepen en planten kunnen eveneens worden uitgesloten. Daarnaast moeten het broedseizoen van vogels en de zorgplicht van de Wnb voor zoogdieren en amfibieën die vallen onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân in acht worden genomen bij de aanlegwerkzaamheden. De inrichtingsplannen zijn inmiddels uitgewerkt met inachtneming van de hiervoor genoemde voorwaarden.

Beschermde gebieden Wnb-beschermde gebieden Als gevolg van het plan is sprake van een zeer geringe toename van water- en landrecreatie in de Alde Feanen, maar zal dit niet leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Extra golfslag of verstoring door receatievaart van twee in de omgeving van het plangebied gelegen zwartesternenkolonies treden niet op vanwege de afstand tot het plangebied, de afstand van de kolonies tot de vaargeul, de afscherming van de broedkolonies met ballenlijnen en de beschutte ligging van de kolonie tussen (schier-)eilanden. Een negatief effect op het instandhoudingsdoel voor deze soort kan daarom worden uitgesloten. Ten aanzien van andere aspecten is voldoende beeld ontstaan van effecten op door de Wnb beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) en treden geen significant negatieve effecten op.

Beschermde gebieden in het kader van provinciaal ruimtelijk beleid In het onderzoek is vastgesteld dat er ten gevolge van het plan negatieve effecten optreden voor NNN-Natuur, voor NNN-Overige natuur en voor NNN–Beheergebied. NNN-Natuur: Op grond van het geldend provinciebeleid moet het verlies aan NNN-Natuur worden gemitigeerd of gecompenseerd. De omvang van de effecten was op het moment dat het onderzoek werd uitgevoerd nog niet helemaal helder, omdat de plannen op dat moment nog onvoldoende waren

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

33

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

uitgewerkt. Doordat het meer wordt gerealiseerd verdwijnt een strook van in totaal 8896 m2 NNN-natuur. Als gevolg van het verdwijnen van dit NNN-gebied langs de Wide Mûntsegroppe en Nije Mûntsegroppe is voor compensatie binnen het plangebied gekozen. Het gebied wordt gecompenseerd ten westen van het meer langs de aan te leggen oever ter plaatse van de bestemming Natuur. De oppervlakte van het compensatiegebied is met 18.255 m2 groter dan de oppervlakte NNN-Natuur die verloren gaat als gevolg van de aanleg van het meer. NNN-Beheergebied: Op grond van het provinciebeleid moet het verlies aan NNN-beheergebied worden afgewogen tegen de nieuwe functie. Een NNN-beheergebied bestaat gewoonlijk niet uit gronden die zijn bestemd als natuur, maar uit agrarische gronden die bemest, gemaaid en begraasd worden. Op dit moment is binnen het plangebied van afgerond 45 ha bestemd als agrarisch gebied en aangewezen als beheergebied. Voor slechts een deel van het beheergebied is ook daadwerkelijk een contract met provincie Fryslân afgesloten geweest tot 2008 om de beheerdoelstelling uit te voeren. Daarna is dit beheercontract beëindigd. De provincie is toen eigenaar van deze gronden geworden, waarna de vorige eigenaar als pachter het gebied heeft gebruikt. De beheermaatregelen zijn toen in het kader van de pacht voortgezet.

De gemeente heeft de gronden sinds 2019/2020 in beheer zonder beheercontract maar met uitgesteld maaibeheer. Het nieuwe meer wordt bestemd voor onder andere water, waterrecreatie en natuur. Het is in dit geval niet zo dat een NNN-beheergebied wordt bebouwd of verhard, waarna er geen natuurwaarden overblijven en worden beschermd. De oppervlakte van de NNN en de samenhang worden niet aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt wel bestaande agrarische natuur vervangen door waternatuur. Door de omvorming zullen de bestaande natuurtypen met soorten van agrarische graslanden dan ook verdwijnen, maar worden vervangen door ontwikkeling van waternatuur met onder andere water- en rietvogels, vissen en andere waterdieren. Ook zal daarbij de bemesting van de gronden worden gestopt, wat positief is voor de natuur rond het gebied. Dit betekent dat de kwaliteit van de NNN niet verloren gaat en mogelijk zelfs verbetert. Het gaat hierbij dus puur om een omvorming van bestaande agrarische natuur naar waternatuur, wat kan worden gezien als compensatie van het verlies van het NNN-beheergebied. Daarmee is de omvorming van het NNN-gebied afgewogen en beoordeeld en is geconcludeerd dat dit door de compensatie niet leidt tot aantasting van de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de NNN.

Er zou zelfs een groter gebied kunnen worden aangewezen als NNN (in dit geval als NNN-water) dan in de huidige situatie het geval is, omdat het te realiseren meer groter is dan het huidige beheergebied.

Stikstof Voor dit bestemmingsplan zijn de effecten van stikstofdepositie beoordeeld als enig extern negatief effect op Natura 2000-gebied ten opzichte van de huidige feitelijke en planologisch legale situatie (referentiesituatie). De aanleg van het meer, bestaande uit het afgraven en afvoeren van grond en de aanleg van een gemaal en het fietspad, en het gebruik van het meer door pleziervaart hebben ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van de stikstofdepositie hoger dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar op de stikstofgevoelige habitattype/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW. Hiermee zijn significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie is daarmee geen belemmering voor de planvorming. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de stikstofdepositie in de referentiesituatie fors hoger ligt dan in de aanlegfase en nog meer in de gebruiksfase. Dat betekent dat er sprake is van een afname van de stikstofdepositie, met name op de langere termijn. Er is een zodanige marge dat een verdubbeling van de invoer in de bepalende aanlegfase nog steeds niet tot een toename van stikstofdepositie leidt. Er is voor dit project daarom geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig.

In het kader van de planvorming is vanuit het oogpunt van stikstofdepositie niet noodzakelijk om een passende beoordeling euit te voeren. De aeriusberekening met bijlagen is als bijlage 8 bijgevoegd. Ten aanzien van andere aspecten is voldoende beeld ontstaan van effecten op Wnb beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) en treden geen significant negatieve effecten op.

34

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Conclusie Het aspect ecologie staat uitvoering van de plannen niet in de weg. Van belang is dat tijdens de aanleg van het project buiten het broedseizoen plaatsvindt, dan wel dat al aan het project wordt gewerkt terwijl het broedseizoen nog moet beginnen. Bovendien wordt tijdens de avond- en nachtperiode bij voorkeur niet aan de aanleg van het project wordt gewerkt.

4.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); het gebruik van luchthavens. Het externeveiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico's gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het Groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externeveiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Wet basisnet: Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (met enkele uitzonderingen daargelaten). 4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit): Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Toetsing Om na te gaan of voor het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd.

Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

35

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Figuur 18. Fragment risicokaart met plangebied omcirkeld.

Het plangebied ligt niet in het invloedgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen over het spoor, het water of van een Bevi-inrichtingen (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Er zijn dan ook geen effecten op externe veiligheid. Wel ligt er ten westen van het plangebied een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen (gas) onder hoge druk worden getransporteerd. Deze buisleiding (inclusief belemmeringenstrook) ligt echter buiten het bestemmingsplangebied. In het bestemmingsplan behoeft deze buisleiding geen verdere aandacht. Tijdens de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de buisleiding en de daarbij behorende belemmeringenstrook.

Figuur 19. Ligging gasleiding met belemmeringenstrook.

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

36

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

4.4

Bodemkwaliteit

In het kader van een ontwikkeling of een herziening van een bestemmingsplan moet onderzocht worden welke gevolgen eventuele bodemverontreinigingen hebben voor de uitvoerbaarheid van het plan. De bodemkwaliteit kan namelijk een beperkende factor zijn voor de beoogde functie of de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval. Aan de noordzijde van het plangebied (Oudega) ligt een dekzandrug, in het zuiden grenst het gebied aan een oud glaciaal dal (de Ee). Het onderzoeksgebied bestaat uit veenweidegrond.

De bodemopbouw in het projectgebied bestaat uit veen, gevolgd door een zandpakket waarvan de diepte toeneemt in zuidelijke richting. Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V. heeft een onderzoek uitgevoerd naar de dikte van de veenlaag binnen het projectgebied “Oudega aan het water” (bijlage 9). Voor het project is het belangrijk om te weten hoe dik het veendek is dat rust op de onderliggende zandlaag en hoe deze dikte varieert over het gebied. Het doel van dit onderzoek is om een kaart te maken van de bovenkant van de (onder het veen liggende) zandlaag, in meters ten opzichte van NAP. De boringen bevestigen de verwachting dat de dikte van de veenlaag duidelijk toeneemt naar het zuiden. De geleidbaarheid van het veen is niet gelijk over het gebied vanwege variaties in het type veen, het klei-gehalte, de grondwaterverzadiging en de invloed van de grondwaterkwaliteit. Het totale volume aan veen binnen het in beeld gebrachte gebied (oppervlakte 331025m2) is berekend op circa ongeveer 457.500m3 (gemiddelde veendikte: circa 1,4m).

Effecten De aanleg van een meer heeft effect op de bodemopbouw. De bovenlaag van veen zal worden afgegraven waarmee zandgrond aan de oppervlakte komt. Deze zandgrond wordt vervolgens onder water gezet voor de realisatie van het meer. De realisatie van het meer is een forse bodemingreep. In het onderzoek van Wiertsema en Partners is geen bodemverontreiniging geconstateerd. Op basis van de bodemkwaliteitskaart van Friesland (en daarbinnen de ontgravingskaart) voldoet de bodem in het plangebied aan de achtergrondwaarden. Deze zijn vastgesteld op basis van de gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. Het Besluit Bodemkwaliteit stelt hieraan geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. Er worden geen nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema bodem.

Conclusie Uit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen beperkingen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

4.5

Geohydrologie

Huidige situatie Oppervlaktewater

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

37

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Het oppervlaktewatersysteem bestaat uit een boezemstelsel, de Friese Boezem, dat wordt omgeven door een groot aantal poldergebieden. De polders hebben een waterpeil (vaak een zomerpeil en een winterpeil) dat lager is dan het boezempeil. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een vrij afwaterend gebied. De zomerpeilen in de polders variëren in het plangebied van -1,85 m tot -0,65 m NAP. De winterpeilen in de polders variëren in het plangebied van -2 m tot -1 m NAP. Het streefpeil voor de boezemwateren is -0,52 m NAP. Grondwater De ondiepe grondwaterstroming in de deklaag en het eerste watervoerend pakket wordt sterk bepaald door de ontwateringsmiddelen (waterlopen en drainage). Daar waar de deklaag aanwezig is wordt de verticale grondwaterstroming beperkt. Dit betekent dat hier de kwel en wegzijging van/naar het watervoerend pakket een minder grote rol spelen. De (horizontale) grondwaterstroming in het bovenste watervoerend pakket wordt beperkt door de geringe dikte van maximaal enkele meters. In dit systeem is sprake van een groot aantal kleine hydrologische subsystemen, waarbij het neerslagoverschot over relatief korte afstanden afstroomt naar ofwel drainagebuizen ofwel greppels/watergangen. Afhankelijk van het neerslagoverschot c.q. -tekort zal tussen de ontwateringsmiddelen een opbolling of wegzakken van het freatisch vlak optreden.

Hierdoor is in de winter sprake van een aanzienlijke hogere grondwaterstand dan in de zomer. Effecten Voor het project 'Oudega aan het water' is een hydrologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 10). In dit onderzoek is gekeken naar de effecten van het project op het oppervlakte- en grondwater in het plangebied en in de omgeving. Oppervlaktewater In de toekomstige situatie neemt het wateroppervlak flink toe. Er ontstaat meer ruimte voor waterrecreatie. Door de toename van wateroppervlak zijn ook effecten te verwachten op de grondwaterstanden buiten de te ontwikkelen waterstructuur. Verandering van grondwaterstanden kunnen gevolgen hebben voor de landgebruiksfuncties in de omliggende gebieden. Door het realiseren van nieuw oppervlaktewater op boezempeil (hoger peil) neemt de hoeveelheid kwel toe aan de randen van het oppervlaktewater. Ter plaatse van het te realiseren oppervlaktewater neemt de kweldruk af als gevolg van de toename van het peil van het oppervlaktewater. Grondwater Om de te verwachten gevolgen voor de omgeving in beeld te brengen, is een grondwatermodellering uitgevoerd. Hierbij is de huidige grondwatersituatie in beeld gebracht. Vervolgens zijn de twee varianten voor het binnenmeer in het model doorgevoerd, en zijn de toekomstige grondwaterstanden berekend.

In het projectgebied leidt het realiseren van meer oppervlaktewater op boezempeil tot een stijging van de grondwaterstand. De uitstraling van effecten is het grootst in de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) situatie omdat in de zomer, wanneer de GLG optreedt, minder ontwateringsmiddelen in werking zijn. Omdat de grondwaterstanden in de zomer relatief laag zijn, zijn de effecten bij GLG niet nadelig voor de omgeving. In een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) situatie is sprake van relatief hoge grondwaterstanden, waardoor veel ontwateringsmiddelen (waaronder greppels en drains) in werking zijn. De grondwaterstandsverhogingen bij GHG worden beperkt door de toename van afvoer via de aanwezige (actieve) ontwateringsmiddelen. Veranderingen in de grondwaterstand gaan samen met veranderingen in kwel en wegzijging. In de zone waarin veranderingen van de grondwaterstanden zijn waargenomen treden ook verandering in kwel op. In het centrale deel van het projectgebied is een gebied in beeld gekomen met een sterk afwijkende grondwaterkwaliteit. Dit grondwater lijkt op te kwellen in de sloot die door dit gebied snijdt. De oorzaak van deze hoge geleidbaarheid is nog onbekend. Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in het toekomstige meer is het van belang om te weten wat de oorzaak is van de sterk afwijkende grondwaterkwaliteit in het centrale deel van het projectgebied.

Daarom wordt aanbevolen om de grondwaterkwaliteit hier nader te analyseren door vervolgonderzoek en sonderingen.

38

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Het deel dat wordt afgegraven ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of een andere beschermde zone vanuit grondwater. Gevolgen voor landbouw en overige functies Een verandering van de grondwaterstand kan voor agrarische functies leiden tot een verandering van de gewasopbrengst. De percelen rond het plangebied zijn echter voornamelijk in gebruik als grasland voor de veeteelt. Daarbij is een minder intensieve bewerking (en minder draagkracht) nodig dan voor akkerpercelen. In dit geval is sprake van een maximale toename van de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) van circa 20 cm aan de randen van de percelen. De uitstraling van effecten is maximaal 120 m (5 cm verhogingscontour) in de GHG situatie. De verandering van de gewasopbrengst dient te worden onderzocht op perceelsniveau. De ingesloten poldergebieden die in het zuidelijke deel van het plangebied liggen, vormen eilanden waar in de toekomst geen polderpeil meer zal worden gehandhaafd en zich eveneens het hogere boezempeil instelt. In deze gebieden verandert het landgebruik van agrarisch grasland naar recreatief gebruik/natuur. Afname van de draagkracht van de bodem of wateroverlast zijn risico's voor de overige functies bebouwing en infrastructuur. In het gebied zijn verspreid woningen aanwezig.

Ter plaatse van de woningen wordt een stijging van de grondwaterstand (GHG situatie) verwacht variërend tussen 5 en 15 cm. Op basis van de lokale situatie dient nader onderzocht te worden of de verhoging van de grondwaterstand kan leiden tot schade aan infrastructuur en/of bebouwing. Daarnaast dient onderzocht te worden of grondwateroverlast kan ontstaan ter plaatse van de woningen. Het nader geohydrologisch onderzoek wordt uitgevoerd. De uitkomsten zullen na afronding van het onderzoek worden verwerkt in het bestemmingsplan. Conclusie Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat geohydrologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

4.6

Waterparagraaf

In de ruimtelijke ordeningspraktijk is het doorlopen van de wettelijk verplichte 'watertoets' bij de betrokken waterbeheerder (in dit geval Wetterskip Fryslân) van belang. De watertoets wordt gezien als procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen in een vroegtijdig stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water.

Watertoets Op 31 mei 2021 is de watertoets uitgevoerd. Onderstaand zijn de wateraspecten en aandachtspunten uit het ontvangen wateradvies (zie ook bijlage 11) in zijn geheel weergegeven. Waar nodig wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan of nadere planvorming rekening is gehouden met het wateradvies.

Regionale en lokale kering Het plangebied ligt binnen de zonering van de waterkering. De begrenzing van deze zones kunt u raadplegen op onze website: www.wetterskipfryslan.nl/leggerkaart.

Hoofdwateren Hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Het is niet toegestaan om in de

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

39

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

beschermingszone bebouwingen en dergelijke te realiseren of opgaande beplanting aan te brengen tenzij e.e.a. is geregeld in een Watervergunning. Het plan voorzien in het realiseren van een meer zonder bebouwing in de beschermingszones.

Kaderichtlijn water, KRW Wetterskip Fryslân heeft volgens de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet de plicht om maatregelen te nemen om de ecologische doelen te bereiken die per waterlichaam zijn vastgelegd en ook om deze te beschermen. In paragraaf 2.4 is hier nader op ingegaan.

Vrij voor de boezem Het plangebied ligt vrij voor de boezem. Dit wil zeggen dat het gebied niet is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Wij adviseren u om hiermee rekening te houden bij het bepalen van de aanleghoogte.

Toename verharding Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel.

Figuur 20. Compensatietabel

Toelichting tabel 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater. Het planvoornemen voorziet niet in een toename aan verharding maar het graven van circa 49 ha water.

Demping van oppervlaktewater Voor het dempen van oppervlaktewater is het beleid van Wetterskip Fryslân dat dit voor 100% gecompenseerd moet worden in hetzelfde peilgebied. Voor de demping heeft u een watervergunning nodig. Het planvoornemen voorziet niet in het dempen van oppervlaktewater maar het graven van circa 49 ha water.

Relatie tussen Water en Ruimte Het veiligheidsbeleid van het waterschap en de ruimtelijke ordening ontmoeten elkaar op verschillende momenten. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het bestemmen van reserveringszones achter primaire

40

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

waterkeringen en bij het bestemmen van regionale voormalige zeedijken tot waterkering in de bestemmingsplannen. Als in bestemmingsplannen nieuwbouw plaatsvindt op locaties boven 'maatgevend boezempeil, gemiddelde waterstand tijdens maatgevende omstandigheden' die eenmaal per 100 of 300 jaar kunnen optreden, wordt een toename van de gevolgschade bij een overstroming vanuit de Friese boezem voorkomen. Hier is geen sprake van.

Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Dit onderwerp is niet van toepassing voor onderhavig planvoornemen.

Conclusie Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

4.7

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om geluidhinder vanwege onder meer wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Indien binnen een geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. De voorgenomen ontwikkeling omvat geen realisatie van geluidgevoelige terreinen of objecten of de aanleg van nieuwe wegen. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom niet aan de orde. Hier naast heeft de ontwikkeling geen verkeersaantrekkende werking.

Conclusie De ontwikkeling heeft geen invloed op de geluidbelasting in de omgeving. Het planvoornemen is voor het aspect geluid uitvoerbaar.

4.8

Bedrijven- en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimale afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde afstanden in de VNG-publicatie zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimale afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

41

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten in de VNG-publicatie zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. In de publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten een rustige woonwijk/buitengebied en gemengd gebied. In een rustige woonwijk dan wel het buitengebied is sprake van functiescheiding. Dit houdt in dat hinderveroorzakende en hindergevoelige functies niet direct naast elkaar voorkomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan echter worden gewerkt met een verkleinde richtafstand waarbij dat wel het geval is. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied betreft geen gevoelige functie en tevens geen functie die invloed heeft op gevoelige functies. Het aspect milieuzonering staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.

Conclusie Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

4.9

Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m³ voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m³ voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'Niet In Betekenende Mate' (NIBM) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Dit geldt op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) onder meer voor projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 µg/m³. PM10 en PM2,5 zijn sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. De voorgenomen ontwikkeling van het graven van een meer is een handeling of activiteit volgens het NIBM. De maatregelen zorgen voor een tijdelijke verkeersaantrekkende werking door de machines die gebruikt worden bij graven. Deze machines zorgen slechts voor een tijdelijke toename in geluid en uitstoot van stoffen (luchtkwaliteit). Verontreiniging en hinder zal hooguit tijdens de uitvoeringsperiode plaatsvinden.

Binnen de grenzen van de uitvoeringslocaties is geen (particuliere) bewoning/bebouwing. Langs de randen liggen wel eigendomspercelen en woonerven van particuliere eigenaren. Met deze omwonenden, (recreatie-)ondernemers, plaatselijke belangenverenigingen en overige betrokkenen en belangstellenden zal tijdig via openbare informatiebijeenkomst en nieuwsberichten gecommuniceerd worden over de uit te voeren maatregelen en de mogelijk te verwachten tijdelijke overlast. Dit voorafgaand aan de terinzagelegging van de aan te vragen vergunningen en tijdens de uitvoering. Er zullen weinig mensen blootgesteld worden aan hinder. Bij het afgraven van het veen komt CO2 vrij. Door de werkzaamheden zal er hierdoor tijdelijk een hogere luchtverontreiniging ontstaan. Het doel is om deze tijdelijke verhoging in het gebied te compenseren. Dit gebeurt door de afgegraven veengrond af te zetten bij bedrijven in de buurt die veen gebruiken als grondstof (champignonteelt, potgrond etc.). Door deze veengrond lokaal af te zetten, hoeven de betreffende bedrijven de grondstoffen niet te importeren (veelal uit Oost-Europa). De CO2 die vrijkomt bij de afgraving van veen wordt gecompenseerd door de besparing van CO2 uitstoot door vervoer voor import van grond die dan niet nodig is. De ontwikkeling valt daarmee binnen de categorie 'Niet in betekenende Mate' zoals bedoeld in het NIBM.

Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast zijn in Fryslân de achtergrondconcentraties voor NO2 en PM10 laag. Als aannemelijk is dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde vormen luchtkwaliteitseisen dan ook geen belemmering voor een plan. Hier is voor dit bestemmingsplan

42

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

van uit gegaan.

Conclusie Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

4.10

Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Nabij het plangebied loopt een leiding van Vermillion Oil and Gas. In paragraaf 4.3 is hier nader op ingegaan.

Conclusie Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat kabels, leidingen en zoneringen geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

43

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Toelichting op het juridische systeem

In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan hebben gekregen. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan. Het digitale plan verschaft de burger 'online' informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale plannen zijn per 01-01-2010 verplicht op grond van de Wro. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend.

Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is de digitale versie bepalend qua vormgeving en inhoud.

5.2

Regels

5.2.1

Algemeen

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: 1. In de Inleidende regels zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. 2. In de Bestemmingsregels zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. In paragraaf 5.2.2 volgt in het kort een nadere toelichting op de bestemmingen. 3. In de Algemene regels staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen voor enige flexibiliteit van het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht, zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. 4. Tenslotte bevat het bestemmingsplan nog Overgangs- en slotregels.

Dit betreft artikelen onder het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en de slotregel. 5.2.2

Gehanteerde bestemmingen

Natuur Zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven wordt er binnen het plangebied natuur gecompenseerd als gevolg van het verdwijnen van NNN-gebied. De desbetreffende gronden zijn voorzien van de bestemming 'Natuur' en zijn bestemd voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke waarden van de gronden en voor dagrecreatief medegebruik. Er mogen alleen gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en waterkering worden gebouwd. De bevoegdheid is opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van het plan door het bouwen van een uitkijktoren toe te staan.Voor het uitvoeren van bepaald werk en bepaalde werkzaamheden geldt een vergunningplicht.

44

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Water Met deze bestemming is de waterstructuur in het plangebied bestemd. Hierdoor worden die waterlopen beschermd. De gronden binnen de bestemming zijn bestemd voor water, oeverstroken en eilanden, met een functie voor de waterhuishouding en waterkering, natuur en landschap en de waterrecreatie. De locaties waar aanlegplaatsen bij recht zijn toegestaan zijn als zodanig aangeduid. De bestaande ligplaatsen hebben ook een aanduiding gekregen. Een gemaal, uitkijkpunt, parkeervoorzieningen en een trailerhelling zijn uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water voorzieningen' toegestaan. Wonen Met deze bestemming is de bestaande woning aan de Gealânswei 4 te Oudega bestemd. Vanwege een kavelruil is door de eigenaar van Gealânswei 4 twee percelen verkregen. Deze percelen grenzen aan het huidige woonperceel en zullen bij het woonperceel worden gevoegd. Deze toe te voegen percelen hadden de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open gebied'. In het kader van de gemaakte afspraken worden de verkregen agrarische gronden bestemd als wonen overeenkomstig het huidige bestemmingsplan buitengebied. Per bestemmingsvlak is niet meer dan 1 woning toegestaan en voor de oppervlakte van de bebouwing wordt geen onderscheid gemaakt in oppervlakten van hoofd- en bijgebouwen. De maximale oppervlakte is 250 m² voor de totale bebouwing.

5.3

Overige aspecten

Parkeren In artikel 6 (gebruik) en artikel 8 (bouw) zijn regels opgenomen om bij functiewijzigingen, nieuwbouw of het vergroten van een bouwwerk voldoende parkeergelegenheid te garanderen en te borgen. Additionele voorzieningen In dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidswerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld. Handhaving Dit bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor de burger waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde, dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.

5.4

Procedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ingekomen reacties worden voor zover noodzakelijk verwerkt in de regels en verbeelding. Daarnaast kan een voorontwerpplan in de inspraak worden gebracht om belangstellenden de mogelijkheid te bieden om op het plan te reageren. Hiervoor is in geval van voorliggend plan niet gekozen. Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in de Staatscourant, huis-aan-huis en de website

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

45

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend. Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt: Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Belanghebbenden zijn diegenen die tegen het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend en diegenen die hebben aangetoond in redelijkheid niet in de mogelijkheid zijn geweest om een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

46

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Gemeente en provincie hebben, met een bijdragen van Wetterskip Fryslan, voldoende middelen gereserveerd om het project uit te kunnen voeren. In dit gebied is geen kostenverhaal aan de orde.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerp bestemmingsplan Oudega – Nije Aldegeaster Sânning heeft vanaf donderdag 30 september 2021 voor een periode van vier weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn de overlegreacties ex artikel 3.1.1. Bro binnengekomen van de provincie Fryslân (zie bijlage 12), Brandweer Fryslân (zie bijlage 13) en Wetterskip Fryslân (zie bijlage 14). Daarnaast zijn er digitaal inspraakreacties binnengekomen. De overleg- en inspraakreacties zijn beantwoord in de nota Resultaten van inspraak en overleg (zie bijlage 15 bij deze toelichting). Ook is er een inloopbijeenkomst georganiseerd op woensdag 13 oktober 2021. De uitkomsten van de inspraak en het overleg hebben een beperkt effect op de inhoud van het plan. voor de inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar de genoemde bijlage. De uitkomsten zijn verwerkt in dit bestemmingsplan. Brandweer Fryslân wijst op de aardgashogedrukleiding in de nabijheid van het plangebied. Hoewel de leiding op voldoende afstand ligt, zou tijdens de werkzaamheden buiten het plangebied activiteiten kunnen zijn in verband met de aanleg van het meer. Het is daarom verstnadig dat de opdrachtgever van de aanleg van het meer de betrokken bedrijven en instanties wijst op de aanwezigheid van de leiding.

6.3

Belangrijkste wijzigingen

In onderstaande tabel zijn de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen van het plan weergegeven ten opzichte van het voorontwerp dat eerder ter inzage heeft gelegen.

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

47

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

48

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

Oudega - Nije Aldegeaster Sânning

Eindnoten

1. Onderzoek Verblijfsrecreatie in Fryslân, Bureau voor Ruimte en Vrije Tijd, april 2013, onderzoek t.b.v. ruimtelijk en toeristisch beleid. Position Paper Friese Gastvrijheidseconomie 2018.

NL.IMRO.0090.BP2021BGB086-0401

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13012820/1