CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Reactienota Veenweideprogramma-lr

Het Debat 12 oktober 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203053.267 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

KERN ZIENSWIJZE

Het Friese veenweidegebied moet in groter perspectief bekeken worden. Van Dokkum tot in de Weerribben. Als door een steeds verdere ontwatering deze druk wegvalt is verzilting (kleibouwstreek) en verdroging (zandgronden) ons lot. Dure middelen moeten dan het tij keren. Daarom is samenwerking in het gehele noorden van belang. Het Rijk en Europees subsidiegeld is bij een brede lobby eerder toegankelijk.

KERN ZIENSWIJZE

De insprekers willen er alles aan doen om het veen te behouden en toekomstperspectief voor de landbouw te genereren. Zij zien kansen om ook in de natuurgebieden CO2 vast te houden en bij te dragen aan de provinciale doelstelling.

KERN ZIENSWIJZE

De veenweidengemeenten denken dat een gezamenlijk programma en een gezamenlijke organisatie kunnen bijdragen aan de slagkracht en een minder versnipperde werk­wijze in de veenweidegebieden. Gemeentelijke doel­stellingen op het gebied van landbouw, natuur, bio­diversiteit, landschap, energietransitie, recreatie en toerisme, CO2- en stikstofreductie en bodemdaling kunnen hier­door integraal onderdeel worden van de ontwikkeling van het veenweidegebied. Onze regio kan hierdoor een sterkere positie innemen om aanspraak te maken op middelen vanuit het Rijk, Europese Fondsen en mogelijke andere partners. REACTIE

We ondersteunen deze integrale benadering, opzet en organisatie voor het veenweidegebied, ook voor het aanspraak maken op (inter)nationale middelen. We beschouwen deze zienswijze van de veenweidegemeenten als een ondersteuning voor het gezamenlijke programma. Onze reacties in dit onderdeel integraliteit sluiten hierop aan.

Inspreker vraagt zich af of Fryslân het veenweide­ programma op eigen kracht kan volbrengen? Het integrale gebieds­proces Koningsdiep in Opsterland vormt een waarschuwing. Dit project beslaat met 500 ha. slechts een half procent (!) van de oppervlakte van het veenweide­ gebied, maar is - met doorlopende proceskosten - na zo’n twintig jaar nog lang niet voltooid. Inspreker pleit voor openheid en eerlijkheid van alle betrokken organisaties om zonder wettelijk vastgelegde taakstellingen en gegarandeerde financiële middelen, het gigantische veenweide­project effectief, efficiënt en in het vereiste tempo tot een goed einde te brengen.

INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

Belangen van andere partijen dan de landbouw zijn nauwelijks en te weinig uitgewerkt in het ontwerp. Inspreker meent dat de belangenafweging en betrokken­ heid in het ontwerp vooral op agrariërs en mogelijk recreatie­ondernemers ligt, en niet evenredig is verdeeld over uiteen­lopende stakeholders met verschillende belangen en noden. REACTIE

REACTIE

We zijn ons bewust van de grote, integrale opgave voor het Friese veenweidegebied en beseffen ons dat dit een langdurige inzet vraagt. De samenwerkende partijen binnen dit veenweideprogramma zijn er voldoende van overtuigd dat we met deze Friese aanpak daadwerkelijk zullen slagen. Realisatie van het programma vergt echter ook een belangrijke financiële bijdrage van het Rijk. We zullen ook het rijk aanspreken op haar verantwoordelijkheid en het beschikbaar stellen van middelen. Daarnaast zijn we alert op de inzet van Europese middelen en zullen we kansen hiervoor benutten.

In de ambitie, de doelen en de diverse programmalijnen komen naar onze mening ook de andere belangen voldoende aan de orde. De inzet en aanpak zijn daar mede op gericht. Belangrijke onderdelen vragen nog nadere uitwerking en onderzoek. Zo zijn we in afwachting van concrete onderzoeks­resultaten uit het Nationaal Onderzoek bodem­daling broeikas­gassen in Veengebieden (NOBV) en analyses van de feitelijke situatie m.b.t. funderingen. In 2022 wordt op basis daarvan aanvullend beleid geformuleerd om te komen tot een concrete aanpak van de funderings­problematiek. Op korte termijn onderzoeken we wat we kunnen betekenen voor de funderingsschade­ gevallen waar nu een urgent probleem is.

INSPREKERS

WE HEBBEN DE TEKST M.B.T. HET ONDERWERP

8

FUNDERINGEN HIERMEE AANGEVULD.

17

In de gebiedsgerichte uitvoering zien we een belangrijke rol voor lokale gebiedscommissies. De vertegenwoordiging in deze gebieds­commissies moet ‘in balans’ zijn; wij willen deze breed samen­stellen met naast boeren, overheden, natuur­organisaties en ondernemers, ook een nadrukkelijke rol voor inwoners van het gebied. (zie H.5).

ze worden ingezet om de doelen van het programma te realiseren.

gewenst. Bovendien maakt zo’n omslag de weg vrij voor meer duurzame en circulaire vormen van landbouw.

INSPREKERS

In de ambitie, de doelen en de diverse programmalijnen komen naar onze mening ook de andere belangen voldoende aan de orde. De inzet en aanpak zijn daar mede op gericht. Belangrijke onderdelen vragen nog nadere uitwerking en onderzoek. Zo zijn we nog in afwachting van concrete onderzoeksresultaten uit het Nationaal Onderzoek Broeikas­gassen in Veengebieden (NOBV) en analyses van de feitelijke situatie m.b.t. funderingen.

REACTIE

247 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

Het programma is (te) weinig concreet over de immateriële winst. Inspreker is van mening dat er onvoldoende waarborgen en parameters zijn waaraan gerefereerd kan worden bij het implementeren van de plannen

Inspreker is van mening dat er onvoldoende oog is voor onherstelbare effecten op leefbaarheid, kosten, werk­ gelegenheid en het toekomstperspectief voor boeren. Met de neergelegde ambitie voor de lange termijn valt landbouw­kundig gebruik niet te verenigen. Het streven naar de best mogelijke balans zou een betere ambitie zijn en recht doen aan de bestaande gebruikers

INSPREKERS

De doelen in H. 4 zijn naar onze mening voldoende concreet om richting te geven aan het vervolgproces en de voort­gang ervan te monitoren. Wanneer verdere concretisering in dit verband nodig is, zullen we dat bij de verdere invulling van het programma doen; dit kan bij de herijking in 2022 en 2026. De veenweidedoelen en de koppel­kansen met andere doelen, omvatten ook immateriële winst, d.w.z. maatschappelijke baten die niet direct in geld uit te drukken zijn.

Er is volgens ons juist veel aandacht voor deze aspecten, vooral voor de langere termijn. Problemen die zich nu al manifesteren op het gebied van klimaat en bodem­daling zullen alleen maar toenemen. Met de ambitie van dit programma wordt ingezet op een duurzaam toekomst­ perspectief voor het hele veenweidegebied. Zie verder de vorige reacties.

INSPREKERS

10, 15, 114 INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

174

Insprekers geven aan dat de balans tussen boeren, burgers, recreatie en natuur - m.a.w. alle belanghebbenden - zoek is. In het programma missen zij concrete plannen van aanpak om deze balans weer te herstellen. Insprekers geven aan dat naast een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, ook een duurzaam toekomstperspectief voor bewoners moet worden opgenomen.

KERN ZIENSWIJZE

Het verbaast de inspreker dat het grootste deel van de geldmiddelen noodzakelijk is voor de landbouw. Jarenlang heeft de Friese bevolking extra moeten betalen voor het verlagen van de waterstanden ten behoeve van de land­ bouw. Nu de peilen omhoog moeten in het veengebied worden de kosten daarvan opnieuw bij de gemeenschap gelegd. REACTIE

De veenweideopgave beschouwen we als een maat­ schappelijke opgave die vraagt om een transitie van het gebied. In die transitie vragen we van de landbouw om hun bedrijfs­voering aan te passen. We zijn van mening dat we de landbouw moeten ondersteunen om deze transitie te kunnen maken. Zonder deze ondersteuning zal de landbouw uit het gebied verdwijnen. Een vorm van landbouw blijft nodig ook voor het kenmerkende landschap en voor de bio­ diversiteit. We willen naar een landbouw waar in toekomst ook een goed inkomen mee te verdienen is en die aansluit op de omstandigheden en kwaliteiten van het gebied. Dat de meeste middelen naar de landbouw gaan, wil niet zeggen dat de aandacht alleen is gericht op de landbouw. Het gaat met name om het oplossen van problemen van andere belangen. Naast middelen voor de landbouw zijn er ook middelen voor de waterhuishouding geraamd en voor overige maatregelen. De middelen zijn niet strikt gelabeld mits

18

INSPREKERS

157 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker wil graag inzichtelijk hebben welke scenario’s bij de MKBA betrokken zijn, en vraagt om in te zetten op de hoogst haalbare uitkomst van de MKBA en om argumentatie bij besluitvorming die afwijkt van de hoogste haalbare uitkomst van de MKBA.

181 REACTIE

REACTIE

REACTIE

Omdat de zienswijze geen verdere onderbouwing kent is hier geen verdere reactie op gegeven. We nemen deze zienswijze voor kennisgeving aan.

REACTIE

In H.3 wordt het integraal perspectief geschetst voor het veenweidegebied. In dat perspectief is er een balans tussen belangen van landbouw, natuur, water, wonen, landschap, cultuurhistorie en archeologie. Het duurzame toekomst­ perspectief geldt in onze ogen als een integraal perspectief. Voor landbouw is dit als aparte doelstelling geformuleerd omdat de toekomst van de sector in het gebied erg onder druk komt te staan door de beoogde veranderingen. En in het toekomstperspectief voor het veenweidegebied zien wij ook zeker een plek voor de landbouw.

INSPREKERS

19

REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Inspreker geeft aan dat het Veenweideprogramma sterk gericht is op landbouw, natuur en milieu, maar dat het belang van woningeneigenaren onvoldoende plek heeft in het programma. Het ontbreken van dit belang doet afbreuk aan het vertrouwen in de overheid om problemen op te lossen en zal nog jaren leiden tot fricties en juridische procedures. Inspreker vindt de stelling dat gebouweigenaren primair verantwoordelijk blijven voor funderingsherstel - een zware financiële last voor gebouweigenaren - onjuist, aangezien de problematiek vooral is ontstaan als gevolg van bewust peilbeheer ten faveure van de landbouw. Inspreker pleit er daarom voor om meer compensatie instrumenten voor woningeigenaren op te nemen in het programma.

Met het voorliggende programma zetten we in onze optiek in op het hoogst haalbare. De resultaten van de MKBA hebben ten grondslag gelegen aan dit programma. Voor verdere informatie verwijzen wij u naar de MKBA en de besluitvorming die daarover heeft plaatsgevonden (vergadering Provinciale staten 22-01-2020).

REACTIE

In de ambitie, de doelen en de diverse programmalijnen komen naar onze mening ook de andere belangen voldoende aan de orde. De inzet en aanpak zijn daar mede op gericht. Belangrijke onderdelen vragen nog nadere uitwerking en onderzoek. Zo zijn we nog in afwachting van concrete onderzoeksresultaten uit het Nationaal Onderzoek bodem­ daling in Veengebieden (NOBV) en analyses van de feitelijke situatie m.b.t. funderingen. In 2022 wordt op basis daar­ van aanvullend beleid geformuleerd om te komen tot een concrete aanpak van de funderingsproblematiek. Op korte termijn onderzoeken we wat we kunnen betekenen voor de funderings­schadegevallen waar nu een urgent probleem is. WE HEBBEN DE TEKST M.B.T. HET ONDERWERP FUNDERINGEN HIERMEE AANGEVULD.

Overig INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

162,165, 207

Inspreker is van mening dat de traditionele landbouw­ belangen te zeer een overheersende rol hebben vervuld. Een tandje minder ten faveure van natuur, biodiversiteit, energie­transitie en vooral CO2- en stikstofreductie en het terugdringen van de bodemdaling, lijkt inspreker dringend

Insprekers geven aan het niet eens te zijn met het veenweide­programma, dan wel met aanwijzing van hun percelen.

KERN ZIENSWIJZE

19

Doelen Algemeen

dat we onze gezamenlijke inspanningen met alle partijen langjarig volhouden.

OM HIER OOK IN DE SAMENVATTING RECHT AAN TE DOEN,

INSPREKERS

WORDT DEZE ZINSNEDE DAAR OOK NOG OPGENOMEN.

77, 92, 108, 110, 225, 226, 252, 253, 254

INSPREKERS

182 INSPREKERS KERN ZIENSWIJZE

De keuze voor maatwerk in dit specifieke veengebied mag in de toekomst niet leiden tot afrekening op onhaalbare gemeenschappelijke doelen en/of resultaten. REACTIE

175 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker is heel benieuwd naar de wijze waarop de betrokken overheden het einddoel - geen bodemdaling en geen CO2-uitstoot - denken te bereiken in 2050.

We kiezen voor maatwerk omdat er verschillen in gebieden zijn en omdat we ruimte willen bieden voor gebieds­ specifieke oplossingen. Maatregelen moeten haalbaar, betaal­baar en realiseerbaar zijn. We houden bij het maatwerk hier rekening mee. Op basis van ervaringen en resultaten passen we zo nodig onze beleidsinzet aan.

Dit doen we via een fasegewijze, adaptieve aanpak met monitoring, herijkmomenten (2022, 2026, 2030) en mogelijk­heden voor bijstelling van maatregelen en inzet van middelen.

INSPREKERS

INSPREKERS

175

135

Voor het aankopen voor agrarische gronden ter onder­ steuning van herverkaveling of t.b.v. bedrijfs­verplaatsing kunnen voor de ontwikkelgebieden zogenaamde Aankoop strategie plannen (ASP) worden vastgesteld. Ook voor andere gebieden kunnen ASP’s worden opgesteld.

KERN ZIENSWIJZE

Moerige gronden maken geen deel uit van de klimaat­ opgave van 1Mton CO2 reductie voor de veenweide­ gebieden in het Klimaatakkoord. REACTIE

CO2 reductie

REACTIE INSPREKERS

63, 65, 70, 71, 73, 78, 79, 84, 86, 87, 88, 94, 104, 107, 116, 118, 125,131, 133,134, 141,142, 145, 147, 154,155, 160,161, 167,170,172, 176, 216, 219, 220, 240, 242, 249, 250

Het Klimaatakkoord geeft geen exacte definitie van veen­ gronden/ het veenweidegebied. In het Veenplan 1e fase, dat op 13 juli 2020 aan de Tweede Kamer is aangeboden, is sprake van klassieke veenweidegebieden. Uit de teksten van dit Veenplan 1e fase blijkt dat ook de moerige gronden hieronder vallen. Het laten vervallen van de moerige gronden zou bovendien de opgave voor het overige gebied vergroten. Voor de moerige gronden met een veenlaag bepalen we in 2026 de aanpak;

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker onderschrijft het lange termijndoel (2050) van een blijvend evenwicht waarin veenafbraak, bodemdaling en CO2-uitstoot zijn gestopt. Inspreker vreest dat het bereiken van het einddoel (2050) met deze tussendoelen voor 2030 niet tijdig bereikt zal kunnen worden. Men acht de doelen voor het veengebied voor 2030 m.b.t. CO-uitstoot en bodemdaling onvoldoende ambitieus. Een vermindering van 2 mm/jaar gemiddeld in 2030 helpt onvoldoende richting het einddoel en zal zeker onvoldoende zijn om bijvoorbeeld een bijdrage te leveren aan het voorkomen of verminderen van de aantasting van funderingen. Inspreker adviseert u daarom om het doel voor 2030 veel ambitieuzer te nemen en ook duidelijkheid te geven over noodzakelijke stappen tussen 2030 en 2050. Niet alleen in kansrijke gebieden maar voor het gehele veenweidegebied, ook voor veenweidegebieden met een dun veenpakket met of zonder kleidek.

Inspreker is het niet eens met de plannen van het water­ schap. Dit brengt een te grote financiële last met zich mee.

REACTIE

Het programma geeft duidelijkheid over het lange termijn doel (2050), maar focust daarbinnen vervolgens op een haalbare en realiseerbare aanpak, mede gelet op de beschikbare middelen. De doelen voor 2030 zien we in dit verband als een tussenstap. De adaptieve aanpak met herijkmomenten, biedt voldoende mogelijkheden om de inzet van maatregelen en middelen bij te stellen, op weg naar het einddoel in 2050. In de tussentijd kunnen nog allerlei nieuwe inzichten en technieken tot ontwikkeling komen en aanvullende middelen beschikbaar komen. Zo nodig schakelen we in 2030 bij; we hebben dan immers nog twintig jaar voor de boeg. Van het grootste belang blijft

20

REACTIE

De doelen in het programma zijn niet alleen doelen van het waterschap. Het gaat om maatschappelijke doelen die zijn gebaseerd zijn op landelijk en regionaal beleid. De landbouw wordt gesteund bij de noodzakelijke aan­ passingen. Hiervoor ontwikkelen we flankerend beleid.

INSPREKERS

9

Er is onvoldoende zicht op effectieve maatregelen om CO2 reductie te bereiken, zoals blijkt uit het feit dat diverse onderzoeken nog uitgevoerd moeten worden. Er worden voor de landbouw ingrijpende maatregelen voorgeschreven zonder dat de effecten goed bekend zijn.

REACTIE

De ontwikkeling van nieuwe economische dragers (waar­ voor voldoende ruimte bestaat) is een middel (geen doel op zich) voor duurzaam gebiedsperspectief. In programmalijn 4, Integrale gebiedsaanpak, is aangegeven dat in het streven naar een duurzaam toekomstperspectief voor het veenweidegebied, naast landbouw als economische drager, wordt onderzocht welke andere economische dragers in het gebied versterkt en ontwikkeld kunnen worden. We zien dit als een belangrijk onderdeel van de gebiedsaanpak.

EN ONDERZOEKS­R ESULTATEN M.B.T. CO2 REDUCTIE, BODEMDALING, GRONDWATER­S TROMEN EN GRONDWATER­ BEHEER. DE TEKST HEBBEN WE HIEROP AANGEVULD.

REACTIE

INSPREKERS

Uit onderzoek blijkt dat waterpeil en drooglegging van wezenlijke invloed zijn op het proces van veenafbraak en daarmee op de mate van CO2 uitstoot. We onderkennen echter ook de onzekerheden en de nog ontbrekende kennis hierover. Vandaar dat aanvullend onderzoek/ monitoring wordt gedaan naar de effecten van waterpeilmaatregelen op de CO2-uitstoot. De adapatieve aanpak van het programma is hierop afgestemd: gebiedsgewijs starten in de gebieden met dik veen (> 80 cm), en de aanpak herijken in 2022 en 2026 waarbij ook de vervolgaanpak voor de overige gebieden wordt bepaald.

99

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker zou graag zien dat ruimte voor nieuwe economische dragers een expliciete doelstelling in het Veenweide­programma wordt en dat er gestreefd wordt om op korte termijn een duidelijke uitkoopregeling voor vee­ houders beschikbaar te stellen.

HIERBIJ BETREKKEN WE DE NIEUWSTE INZICHTEN

INSPREKERS

79 KERN ZIENSWIJZE

Klimaatdoelen met computerberekeningen over de rug van boeren er doorheen drukken zonder de consumptie­ maatschappij en welvaart aan te pakken is volgens inspreker schandelijk. REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

De Werkgroep landbouw Sneekermeer west stelt vast dat de gronden in hun gebied afgedekt worden met een dusdanig dikke kleilaag, dat veenoxidatie daaronder nauwelijks plaatsvindt. Het doorvoeren van peilmaatregelen zal hier niet bijdragen aan het doel om CO2 reductie te behalen. REACTIE

In gebieden met een dikker kleidek vindt inderdaad minder veenoxidatie plaats. De focus in het programma ligt daarom ook op de gebieden met een dik veenpakket en met een dik veenpakket met een kleidek dunner dan 40 cm. Naast veenoxidatie kent het programma ook een doelstelling om de watersystemen klimaatbestendig in te richten. Dit geldt ook voor het gebied Sneekermeer west. Vooralsnog zijn de gebieden met een dik kleidek uit de opgave voor CO2 reductie gehaald. Als er in 2022 meer duidelijkheid is over de landelijke verdeling van de opgaven van 1 megaton CO2eq reductie wordt een besluit genomen of de veengronden met een dik kleidek een bijdrage moeten leveren aan de reductieopgave.

Onze aanpak is breed en raakt ook andere sectoren. Zo zal bij het ontwikkelen van verdienmodellen mede naar andere ketenpartners gekeken worden. En naast berekeningen wordt er ook gemeten en zal er meer gemeten gaan worden in het kader van aanvullend onderzoek/ monitoring.

21

INSPREKERS

REACTIE

73, 84, 228

We onderkennen dat we met de huidige inzet de beoogde CO2-reductie in 2030 en daaropvolgend 2050 nog niet halen. Dit heeft te maken met beschikbare middelen, haalbaarheid en aanvullend onderzoek. Daarom hebben we minstens twee herijkmomenten ingebouwd: in 2022 en 2026. Op dat moment bekijken en beoordelen we op basis van de ontwikkelingen, bereikte resultaten, monitoring en inzichten wat aanvullend gedaan moet worden. Deze gefaseerde aanpak, waarbij de doelen voor 2030 en 2050 richtinggevend zijn, brengt naar onze mening evenwicht tussen de landbouwbelangen (incl. benodigd draagvlak bij boeren) en overige belangen in het gebied.

KERN ZIENSWIJZE

Bij compenseren van land met land dat geen peil van -40 cm heeft, moet je verder weg zoeken. De besparing op CO2 met verhoogd peil wordt zo teniet gedaan door meer vervoer. En minder gras en mais moet gecompenseerd worden door krachtvoer dat elders verbouwd wordt. Deze transportbewegingen veroorzaken veel CO2 uitstoot. Door vernatting zal de grasmat vaker gescheurd moeten worden; ook hier komt CO2 uitstoot bij vrij. Het per saldo besparen van CO2 is hiermee niet zeker. Er moet eerst goed onderzoek plaatsvinden naar een efficiënte wijze van reductie van CO2 uitstoot.

INSPREKERS REACTIE

Dit is zeker een punt van aandacht. Compenseren met grond proberen we zoveel mogelijk in de omgeving te doen. Met inzet van kavelruil zetten we ook in op structuurverbetering van de landbouw. Streven daarbij is dat gronden zo dicht mogelijk bij het bedrijf liggen. Ook met inzet van andere instrumenten willen voorkomen dat er meer CO2 wordt geproduceerd dan gereduceerd.

INSPREKERS

174 KERN ZIENSWIJZE

De klimaatdoelstelling dient volgens inspreker verhoogd te worden van 0,4 M ton naar 0,7 Mton CO2-eq reductie in 2030 om aan de klimaatdoelstelling in Europees verband van CO2-eq reductie van 55% te kunnen gaan voldoen.

126 KERN ZIENSWIJZE

Het is niet rechtvaardig dat veengrond de hele CO2 reductie moet ophoesten voor de landbouw; ook andere bodems (klei en zand) stoten CO2 uit. REACTIE

In het landelijke Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over de reductie van broeikasgassen voor verschillende thema’s. Eén van deze thema’s is landbouw en grondgebruik. De reductieopgave binnen landbouw is dus groter dan alleen voor veenweide. Op andere grondsoorten kan ook een bijdrage worden geleverd aan de reductieopgave voor landbouw en grondgebruik, bijvoorbeeld door meer koolstofvastlegging in de bodem.

INSPREKERS REACTIE

Deze doelstelling voor 2030 is afgeleid van de landelijke doelstelling voor CO2-reductie in de veenweidegebieden, als onderdeel van het Klimaatakkoord. We voldoen daarmee aan de Europese doelstelling voor de totale CO2-reductie van alle sectoren/ onderdelen

INSPREKERS

239 KERN ZIENSWIJZE

Met de uitvoering die het Veenweideprogramma voorstelt, is de CO2-doelstelling bij lange na niet haalbaar. De gebiedsgerichte aanpak is te behoudend en de uitvoering gaat veel te traag. Inspreker is bang dat er nu te veel wordt vastgehouden aan de bestaande situatie. De benodigde ingrijpende veranderingen in het gebied en daarbij horende grondige veranderingen in het landbouwsysteem, worden met deze behoudende aanpak niet snel genoeg aangespoord. Belangen van de lokale boerenbedrijven prevaleren boven die van de toekomstige generaties en klimaatslachtoffers in kwetsbare gebieden

22

212,214, 221, 244 KERN ZIENSWIJZE

Er lopen nog diverse onderzoeken naar de werkelijke CO2 uitstoot bij veengrond. Deze zijn nog niet afgerond en geven zoals het nu lijkt ook tegengestelde uitkomsten. Op basis van welke onderzoeken wordt nu beleid gemaakt. Wat zijn de feiten achter deze onderzoeken? Is het reëel om hierop nu al beleid te maken? Hoe kunt u een resultaatsverplichting aangaan van 0,4 Mton CO2 eq. reductie, terwijl u niet weet welke effectieve maatregelen toegepast kunnen worden? Is de CO2 reductiedoelstelling geen risicovolle belofte, is dit wel realiseerbaar?

Strategie en Aanpak Algemeen INSPREKERS

175 KERN ZIENSWIJZE

Voor het bereiken van de doelen op korte en lange termijn is het onvermijdelijk dat de transitie van de landbouw in een zeer hoog en versneld tempo wordt doorgezet. Het op korte termijn helder stellen van de doelen voor de verschillende delen van het veenweidegebied door de gezamenlijke overheden, kan daaraan een bijdrage leveren doordat dit aan de landbouw helderheid biedt waar in het veengebied rekening mee moet worden gehouden bij de transitie. Voortdurende onzekerheid over de te verwachten situatie leidt tot grote frustratie van de betrokkenen in de landbouw. Daarbij moet het duidelijk zijn, dat de lange termijndoelen, zoals adaptatie op klimaatverandering en voorkomen van bodemdaling, prevaleren boven de korte termijndoelen van het handhaven van de huidige wijze van het bedrijven van intensieve landbouw.

REACTIE

Zie de vorige reactie. Klimaatbeleid voor de provincie Fryslân wordt in 2021 in samenwerking met de Friese over­ heden en belangenorganisaties met name uitgewerkt in het Omgevingsprogramma klimaatadaptatie als onderdeel van het Regionaal Waterprogramma. .

INSPREKERS

247 KERN ZIENSWIJZE

Er moet een bredere vertegenwoordiging van boeren komen in de pilots. REACTIE

De landbouwsector is goed vertegenwoordigd in diverse pilots, zowel in de onderzoekspilots als in de ontwikkel- en kansrijke gebieden. .

REACTIE

We geven helderheid over de ambitie, de doelen, de aanpak en strategie, en de gebieden waarmee we aan de slag gaan. Binnen de diverse programmalijnen vullen we dit nader in. We onderschrijven de noodzaak van transitie van de landbouw, maar dit kan alleen in samenwerking met de boeren en lukt niet van vandaag op morgen. Het beeld waar we naar toe werken zal de komende jaren steeds concreter worden; een eerste herijking vindt al plaats in 2022 en een tweede in 2026. Zo nodig zijn tussen­ tijdse herijkingen mogelijk. Deze adaptieve werkwijze biedt enerzijds steeds meer zekerheden, en anderzijds flexibiliteit om mee te bewegen met nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Het lange termijn perspectief is leidend; de weg er naar toe ligt niet vast in beton, maar zal wel steeds meer profiel krijgen. Van groot belang is dat de inspanningen van alle partijen langdurig worden volgehouden.

Fasering, stap voor stap INSPREKERS

183, 201 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker pleit voor een snellere aanpak; er moet niet gewacht worden tot na 2026 met de gebieden met dun veen en moerige gronden. Deze gronden stoten ook veel CO2 uit en zouden daarom vanaf het begin moeten worden betrokken bij de maatregelen. Dit is noodzakelijk voor het kunnen halen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en het voorkomen schade aan funderingen en kunstwerken. Daar­bij komt tevens dat de keuze tot het ongecontroleerd laten oxideren van dit veen niet past bij de nationale inspanningen om organisch stofgehalte van bodems juist te vergroten.

INSPREKERS

239 REACTIE

We zien de ambitie om 0,4 Mton CO2 reductie te reduceren niet als een resultaatsverplichting maar als een inspanningsverplichting. Op blz. 16 van het ontwerp programma is hierover het volgende aangegeven: “Onze ambitie willen we verwezenlijken door in de periode 2021 – 2030 voor het veenweidegebied een aantal doelen te realiseren. We gaan ons met de andere partijen in het gebied inspannen om de doelen te bereiken. We monitoren regelmatig de resultaten hiervan en sturen zo nodig onze inspanningen bij om de doelen te realiseren.”

zetten en de uitvoering ervan actief aan te sporen. De tijd van pappen en droog houden is nu echt voorbij.

KERN ZIENSWIJZE

De veenweideproblematiek is complex, maar zowel bestuur als boer, bank, bedrijf en burger hebben een verantwoordelijkheid om het gebied toekomstbestendig te maken. Daarvoor zijn duidelijke richtlijnen nodig, zodat we allen weten waar we aan toe zijn. Aansluiten bij lokale initiatieven is goed, maar niet meer genoeg. In haar rol als regisseur van het Veenweideprogramma, is het nu aan de provincie Fryslân om een overtuigend klimaatbeleid neer te

REACTIE

We zijn ons bewust van de urgentie. Daarom richten we onze inzet allereerst op de gebieden met dik veen (> 80 cm), waar de meeste winst te halen is. Op basis van ervaringen in dit gebied en van aanvullend onderzoek en monitoring, bepalen we in 2026 onze inzet voor de overige gebieden. Wanneer in deze gebieden eerder kansrijke initiatieven van onderop of vanuit andere programma’s komen, gericht op het beperken van de bodemdaling en de CO2 uitstoot, dan zullen wij deze indien mogelijk vanuit dit programma ondersteunen.

23

Onze doelen voor CO2-reductie in 2050 blijven echter overeind. Dit betekent dat we in 2026 e.v. zo nodig met maat­regelen moeten bijschakelen en met betrokkenen de inzet moeten intensiveren. Nieuwe technieken en inzichten kunnen tegen die tijd haalbaar, realiseerbaar en betaalbaar zijn.

INSPREKERS

239

REACTIE

Een snelle, generieke verhoging van alle polderpeilen zal grote consequenties hebben voor de landbouw. Bovendien zal de landbouw onvoldoende tijd hebben om met hun bedrijfsvoering daarop in te spelen. En er zijn onvoldoende middelen beschikbaar om alle boeren met flankerend beleid daarin te ondersteunen. De stapsgewijze aanpak is afgestemd op de beschikbare inzichten. Naar een aantal aspecten doen we nog nader onderzoek. De kosten van deze studies zijn beperkt in verhouding tot de kosten van flankerend beleid voor de landbouw.

beschikbare middelen en draagvlak zullen het te realiseren tempo mede bepalen.

INSPREKERS REACTIE

In het veenweideprogramma hebben we twee ijkomenten ingebouwd (2022 en 2026). Op basis van voortgang, kennis en middelen maken we dan besluiten. De twee ijk­ momenten zijn niet noodzakelijkerwijs de enige. Als er zich belangrijke ontwikkelingen voordoen, of het nu kansen of bedreigingen zijn, zullen we ook op die momenten onze aanpak tegen het licht houden en indien nodig bijstellen.

KERN ZIENSWIJZE

Met de aanpak in de dikke veengebieden aan de hand van gebiedsprojecten wordt een reductie van 0,25 Mton behaald. Daarnaast wordt in het Veenweideprogramma niet nadrukkelijk benoemd met welke maatregelen een vermindering van de overige 0,15 Mton CO2 precies zal worden bereikt. Ook de keuzes voor de gebieden met minder veen worden vooruitgeschoven naar 2026. Dit biedt onvoldoende perspectief op het behalen van de klimaat­ doelstelling. Als nu al duidelijk is dat we de vastgestelde minimale reductie niet gaan halen, waarom moet er dan tot 2026 worden gewacht met keuzes maken? Aanbeveling: Werk aan een langetermijnperspectief door nu al maatregelen te benoemen die nodig zijn voor een verdere reductie van CO2-uitstoot zodat de landelijke klimaat­doelen van 2050 (95% minder CO2-uitstoot) behaald kunnen worden.

INSPREKERS

INSPREKERS

26,27, 28, 120, 130, 4

247

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt zich af of, gezien de onzekerheden die er nog zijn en het feit dat er nog onvoldoende middelen zijn om het volledige programma uit te voeren, de programma­ duur niet teruggebracht moet worden naar 5 jaar in plaats van 10 jaar en in samenhang daarmee ook de omvang van het gebied dat onder de werking van het programma valt. Bij hogere waterstanden ontstaan weer andere problemen, zoals vermindering van draagvermogen van paden en wegen, verzakken van schakelkasten, leidingen en riolen door slappe grond. Dit wordt niet genoemd en er zijn geen oplossingen voor te vinden.

Inspreker onderschrijft de fasering en ijkmomenten, maar mist een extra ijkmoment om vast te stellen of aan alle voorwaarden voldaan wordt: de peildatum voor waardetaxatie van het gehele bedrijf, dat wil zeggen gronden en opstallen, moet bekend zijn (die peildatum mag niet later dan 2015 zijn) t.b.v. afwaardering van gronden, consensus over compensatie, peilvakken.

REACTIE

REACTIE

Er is nog geen landelijk vastgestelde monitorings- en berekeningssystematiek voor het bepalen van de reductie van uitstoot van broeikasgassen. De reductie van 0,25 megaton is op grond van de inzichten op dit moment zo goed mogelijk bepaald. We onderkennen dat we met de huidige inzet nog een opgave van 0,15 Mton CO2 reductie p/j hebben. Bij de herijkmomenten in 2022 en 2026 bekijken en beoordelen we op basis van de ontwikkelingen, bereikte resultaten, monitoring en inzichten of en wat aanvullend nog gedaan moet worden. In 2026 zullen we ook de strategie voor de overige gebieden bepalen. Ook bij deze gefaseerde aanpak blijft het langere termijnperspectief voor 2030 en 2050 richtinggevend.

We richten ons in dit programma eerst op de gebieden met een dik veenpakket (> 80 cm) en op de kansrijke gebieden en ontwikkelgebieden, ook gelet op de beschikbare middelen. Ondertussen spannen we ons in om meer middelen, ook Europese, voor het veenweidegebied te krijgen. In 2022 en 2026 vindt een herijking van de aanpak plaats. Dan bepalen we ook de inzet voor de overige gebieden op basis van de opgedane ervaringen en inzichten en de dan beschikbare middelen; we vinden het niet gewenst om deze gebieden nu al uit het programma te halen. De doelen voor 2050 blijven overeind. Het heeft geen zin om maatregelen voor een periode van 5 jaar te nemen. Investeren in het veenweidegebied heeft alleen nut bij een langjarige inzet van middelen en inspanningen. We verwachten geen verminderd draagvermogen en verzakkingen bij een verhoging van het waterpeil. Integen­ deel, dit zal de veenafbraak en daarmee de bodemdaling vertragen.

INSPREKERS

218

REACTIE

Provincie en Wetterskip werken aan een afwaarderings­ systematiek. De landbouwsector is hierbij betrokken. Daarin wordt ook de discussie over de peildatum en compensatie betrokken.

24

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183 KERN ZIENSWIJZE

We zien het voordeel van werken met een fasering en met ijkmomenten. We zien de voordelen van het inbouwen van meerdere ijkmomenten binnen de aanpak 2021-2030. Afstemming, nieuwe inzichten op basis van onderzoek,

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker stelt voor om nu voor alle deelgebieden doelen vast te stellen. Als nu de doelen voor deelgebieden bekend zijn en vastgelegd worden, geeft dat de landbouw een ruimere periode om tot aanpassingen te komen. En aanpassen gedurende een ruimere periode geeft minder schade die tot nadeelcompensatie zou moeten leiden. De doelen per gebied moeten duidelijk zijn (het wat) en de gebieds­processen bepalen de wijze waarop die doelen bereikt zullen worden (het hoe). Nu voor het hele veenweide­gebied per deelgebied duidelijke doelen stellen, voorkomt ook langdurige onzekerheid bij de betrokken partijen. REACTIE

De ambitie voor 2050 vormt het lange termijnperspectief voor het veenweidegebied. Daarbinnen richten we ons in dit programma eerst op de gebieden met een dik veenpakket (> 80 cm) en op de kansrijke gebieden en ontwikkelgebieden, ook gelet op de beschikbare middelen. Ondertussen spannen we ons in om meer middelen, ook Europese, voor het veenweidegebied te krijgen. Daarnaast doen we naar een aantal aspecten nog nader onderzoek. In 2022 en 2026 vindt een herijking van de aanpak plaats. Dan bepalen we ook de inzet voor de overige gebieden op basis van de opgedane ervaringen en inzichten en de dan beschikbare middelen.

INSPREKERS INSPREKERS KERN ZIENSWIJZE

Inspreker ziet graag toegevoegd worden dat ook de ijk­ momenten in een transparant en democratisch proces zullen plaatsvinden en ziet dit graag beschreven worden in deze paragraaf. REACTIE

De ijkmomenten zullen ook in een transparant en democratisch proces verlopen. Als de ijkmomenten leiden tot wijzigingen in de aanpak die gevolgen hebben voor inwoners van het veenweidegebied, wordt net als bij het Veenweideprogramma 2021-2030 de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen. Deze worden dan bij de politieke afwegingen betrokken. IN H.5.2. IS DE TEKST HIERMEE AANGEVULD.

INSPREKERS

175

46, 128, 215

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker wil graag dat de polderpeilen in het veengebied de komende 3 jaar verhoogd worden naar het noodzakelijke niveau, ongeacht de consequentie hiervan, om de verdroging en inklinking te stoppen. Hier spoedig mee beginnen en geen dure en ellenlange studies meer. De middelen voor studies kunnen beter naar de agrariërs in dit gebied.

Aanpak via deelgebieden

8 KERN ZIENSWIJZE

Insprekers kunnen niet achter de keuze in het programma staan voor alleen de aanpak van die gebieden waar het veen dikker is dan 80 cm. Hierdoor vallen gebieden buiten de boot die vanuit natuuroogpunt belangrijk en uniek zijn. Insprekers pleiten vooral voor een aanpak van gebieden aan de randen van de veengebieden waar kansen voor veenbehoud en -ontwikkeling zijn (o.a. door kwel). Kansen om ook CO2 vast te leggen. REACTIE

Het programma legt nu inderdaad de focus op de gebieden waar het veen dikker is dan 80 cm. In het programma is echter ook aangegeven dat dit niet betekent dat er geen maatregelen worden genomen in gebieden met een dunner veenpakket. Als daar kansen zijn om bodemdaling te beperken en CO2 uitstoot te reduceren, willen we deze benutten. Ook is aangegeven dat we kansrijke initiatieven van onderop buiten de genoemde gebiedsprocessen zoveel mogelijk willen ondersteunen.

25

INSPREKERS

239

Deze doelen gelden voor het hele gebied. Het is een lange termijn aanpak die vraagt om een langere tijdshorizon dan 5 jaar.

KERN ZIENSWIJZE

Met de voorgestelde aanpak via gebiedsprojecten in de dikke veengebieden is een reductie van 0,25 Mton CO2 te behalen. Echter, nu staat alleen nog de uitwerking van gebiedsplannen in de ontwikkelgebieden Aldeboarn De Deelen en De Hege Warren op de planning. In de kansrijke gebieden zijn de ontwikkelingen afhankelijk van verdere onderzoeken en beschikbare middelen, en over de overige gebieden van deze categorie wordt al helemaal niets concreets gezegd. Dit is veel te beperkt en gaat niet snel genoeg. Aanbeveling: ga in alle gebieden aan de slag.

REACTIE

De beschikbaarheid van financiële middelen bepaalt voor een belangrijk deel het tempo van uitvoering. We zullen ons maximaal inspannen om middelen te verwerven om ook in andere gebieden spoedig met de uitvoering te kunnen starten. Verder vraagt de aanpak om een vrij ingrijpende verandering, dit kost nu eenmaal tijd.

Hogere grondwaterstanden, bodemmaatregelen INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker ziet in het ontwerp-Veenweideprogramma te weinig wetenschappelijke onderbouwing voor de peil­ maatregelen zodat dergelijke reductiedoelen daadwerkelijk bereikt kunnen worden. Ook met het oog op de negatieve impact van die peilmaatregelen blijft het programma in gebreke in het wetenschappelijk onderbouwen van keuzes. Verzocht wordt geen peilverhoging te ambiëren en vast te leggen, voordat vaststaat dat deze peilverhoging de enig werkende maatregel is. REACTIE

INSPREKERS

2 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker heeft het idee dat het waterschap een drogreden (veenweidevisie) nodig heeft om het project voor een nieuw gemaal in dit gebied (It Joo, de Geeuw, Idsegea) te realiseren. De waterpeilen in de diepst gelegen delen van deze polders zijn al binnen 40 cm beneden maaiveld, het is al een ideale plek voor weidevogels. Teruglopen weidevogelstand komt vooral door predatie en het weer. REACTIE

Vanwege de leeftijd en de staat van deze gemalen is over enkele jaren vervanging nodig. Hierop vooruitlopend heeft het Wetterskip opties verkend om deze gemalen bijvoorbeeld te combineren, zodat in plaats van twee gemalen er slechts een hoeft te worden gebouwd. Het veenweideprogramma is niet de reden om een nieuw gemaal in de gebieden It Joo en De Geeuw te realiseren. Vervanging van de gemalen wordt wel integraal met de veenweideopgave in beschouwing genomen.

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt zich af of het niet beter is om de programma­­duur te verkleinen, in plaats van ijkmomenten in te lassen. Daarmee kan het programma de eerste vijf jaar voor een kleiner gebied gelden. REACTIE

Het programma geeft doelen aan voor de langere termijn.

26

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het natter houden van het veen leidt tot vermindering van veen­ oxidatie en daarmee van CO2 uitstoot.en beperken van bodem­daling. Dit wordt door de wetenschap ook bevestigd. Waar nog onzekerheden over zijn is de hoeveelheid CO2 reductie die optreedt bij welke mate van vernatting en onder welke omstandigheden. In het programma is ook duidelijk aangegeven dat hier nog onzekerheden zijn. Via het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veen­weiden wordt uitgebreid onderzoek verricht naar de uitstoot van CO2 en de mate waarin vermindering van uit­stoot kan worden bereikt. Peilverhoging zien we niet als enige maatregel. Er wordt ook onderzoek gedaan naar onderwater-/drukdrainage, bevloeien en bodem­maatregelen.

• het Project Bodem in Balans, waarbij de chemische samenstelling van de bodem in balans wordt gebracht. Dit volgens de Albrecht analyse methode. Dit schept de voorwaarden voor de bodem als spons. (Chemisch) • de groei van vlinderbloemigen en andere kruiden te stimuleren, waardoor minder chemie en kunstmest nodig zijn. Door deze maatregelen kan de bodem beter als een levend organisme functioneren. Het gevolg is een betere capillaire stijging van grondwater en het beter vasthouden van regen­ water, waardoor het veen vochtiger blijft. De maatregelen zijn nodig om tot een renderende natuur­ inclusieve en kringlooplandbouw te komen. Als we de gezonde bodem op nr. 1 zetten en de watermaatregelen ten dienste van bodemgezondheid stellen, dan worden de doelen zoals beperking broeikasgassen, bodemdaling en verdroging eerder gehaald. Enkel sturen op verhoging van het water­peil is een heilloze weg. REACTIE

We onderschrijven het belang van een gezonde bodem. Onder het thema Bodem en grondgebruik is aan­gegeven dat we onderzoek en initiatieven stimuleren gericht op het vastleggen van koolstof in de bodem, het beperken van veenoxidatie, en het verbeteren van de bodem­ vruchtbaarheid en het water vasthoudend vermogen van de bodem. Dit biedt ruimte om met diverse bodemmaatregelen aan de slag te gaan en dat gebeurt ook al. We zijn het met inspreker eens dat er synergie is met andere transities, zoals naar kringlooplandbouw. Bij de webinars over het ontwerp-veenweideprogramma en in diverse overleggen met betrokkenen, is het belang van de bodem diverse keren benadrukt.

Het omkeren van veengronden, grootschalig grondverzet en andere vormen van veenverzet, vinden we echter ongewenst omdat dit afbreuk doet aan het natuurlijke bodem- en watersysteem en het proces van veenafbraak versnelt.

INSPREKERS

31, 186, 200, 251 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker pleit voor meer aandacht voor bodemmaatregelen en een aparte programmalijn Bodem in het programma. Er is nu sprake van onevenwichtigheid. Er is beperkt aandacht voor onder het thema bodem en grondgebruik. Bodemmaatregelen hebben potentie om de veenoxidatie te beperken en kunnen daarmee bijdragen aan de vermindering van CO2 emissie. Er worden expliciet een aantal onderdelen genoemd die in een programmalijn bodem een plek zouden kunnen krijgen. Een aparte programmalijn bodem versterkt de synergie met andere transities (zoals kringlooplandbouw). REACTIE

Binnen het thema Bodem en grondgebruik is aangegeven dat we onderzoek en initiatieven stimuleren gericht op het vastleggen van koolstof in de bodem, het beperken van veenoxidatie, en het verbeteren van de bodem­vruchtbaar­ heid en het watervasthoudend vermogen van de bodem. Dit biedt ruimte om met diverse bodemmaatregelen aan de slag te gaan en dat gebeurt ook al. We zijn het met inspreker eens dat er synergie is met andere transities zoal kringloop­ landbouw. Bij de webinars over het ontwerp-veenweide­ programma en in diverse overleggen met betrokkenen, is het belang van de bodem diverse keren benadrukt.

WIJ ONDERKENNEN HET BELANG VAN EEN GEZONDE EN VRUCHTBARE BODEM. OM DIT BELANG MEER TE

WIJ ONDERKENNEN HET BELANG VAN EEN GEZONDE EN

BENADRUKKEN EN INVULLING TE GEVEN, VOEGEN WE EEN

VRUCHT­B ARE BODEM EN VOEGEN EEN PROGRAMMALIJN

PROGRAMMALIJN BODEM EN GRONDGEBRUIK TOE AAN HET

BODEM EN GROND­G EBRUIK TOE AAN HET PROGRAMMA.

PROGRAMMA.

INSPREKERS

59

INSPREKERS INSPREKERS

59, 182

73, 155, 214, 250 KERN ZIENSWIJZE

In het programma wordt gesproken over een gemiddelde grondwaterstand van 40 cm onder maaiveld. Dit betekent dat er ook percelen zijn waar de grondwaterstand 20 cm of minder onder het maaiveld staan. Grondwaterpeilen van minder dan 40 cm verminderen de CO2 binding doordat het bodem­leven in de grond afneemt. Diergezondheid komt onder druk, leverbot en maagdarmwormen worden opnieuw een probleem. Biodiversiteit neemt af en de methaan uitstoot neemt toe als de grondwaterstand boven de 20 cm onder maaiveld komt. Daarom wil men sturen op een gezonde bodem en deze zowel biologisch, chemisch en fysisch verbeteren door: • in te zetten op Agrarische Groenstations die de organische reststromen uit de regio opwaarderen tot bodem­verbeteraars. Dit bevordert de bodembiologie en humus­opbouw (Biologisch);

KERN ZIENSWIJZE KERN ZIENSWIJZE

Er zijn andere maatregelen voor goede CO2 reductie, zoals klei op veen, veen verzetten, diepploegen, bagger opbrengen, zand opbrengen, minerale laag als ‘deksel’ op het veen (zoals vroeger terpaarde en zand zijn opgebracht). Boeren kunnen dan doorgaan zoals ze altijd al deden en een belangrijke economische pijler in het gebied blijven. REACTIE

Dat klopt. Naast waterpeilen en grondwaterbeheer, zijn in het programma ook maatregelen op het gebied van bodembeheer opgenomen.

Insprekers stellen voor om het Project “Klei in veen” als oplossing te zien. Hierbij ontstaan door toevoegen van klei een stabiele klei-humus complex. (Fysisch) REACTIE

Recentelijk zijn proeven ‘klei in veen’ gestart, met als doel de veenoxidatie (en CO2 uitstoot) te beperken. Door deze verbinding wordt de afbraak van de organische stof afgeremd. De klei in veen methode zou een bijdrage kunnen leveren aan de CO2-doelstelling. In het ontwerpprogramma wordt deze proef genoemd onder het thema Bodem en grond­gebruik.

WE HEBBEN DEZE MAATREGELEN NADER GEACCENTUEERD

DIT THEMA IS NU UITGEWERKT IN EEN APARTE

EN AANGEVULD DOOR HET TOEVOEGEN VAN EEN

PROGRAMMA­­L IJN BODEM EN GRONDGEBRUIK

PROGRAMMALIJN BODEM EN GRONDGEBRUIK.

27

INSPREKERS

INSPREKERS

156

212, 244

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers zien een veel betere oplossing voor deze problematiek dan uw oplossing, namelijk het bodemleven verbeteren, rassenkeuze, (mest)bewerking en klei- of zanddek op het veen toepassen.

Friese veenmosveen gedraagt zich hydrologisch totaal anders dan het rietzeggeveen in het westen van ons land. Naast dat ons veen anders is, hebben we hier voor een relatief grote oppervlakte ook nog te maken met veen met een schalterlaag. Deze laag is nauwelijks doordringbaar voor vocht, waardoor de percelen gemakkelijk verdrogen of waardoor er sprake is van wateroverlast. Het kopiëren van maatregelen uit het westen is hier zeker geen oplossing. Het draagt bovendien niet bij aan de oplossing van de omschreven problematiek. Bovendien is de ontwatering in de Friese situatie jarenlang anders geweest dan in het westen (80-100 cm min maai­ veld t.o.v. 30 – 40 cm min maaiveld). Het effect van het weer nat maken van veen wat reeds lange tijd droog is geweest (zoals in Fryslân), kun je niet vergelijken met het minder droog maken van veen in een zomerperiode (zoals in het westen).

REACTIE

Ook bodemmaatregelen en andere mogelijkheden om de bodem te verbeteren, zien wij als zinvolle maatregelen om toe te passen. In het kader van het programma worden al verschillende acties m.b.t. bodem en grond­gebruik uitgevoerd. WE VOEGEN IN HET PROGRAMMA EEN PROGRAMMALIJN BODEM EN GRONDGEBRUIK TOE, MET DAARIN AANDACHT VOOR BODEMMAATREGELEN.

INSPREKERS

146 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker pleit voor meer aandacht voor bodem en bodem­ processen. Toepassing van chemische stikstof in kunstmest haalt koolstof uit de bodem; onderzoek naar kunstmest gebaseerd op aminozuren verdient aanbeveling. REACTIE

Zie vorige reactie.

INSPREKERS

2 KERN ZIENSWIJZE

Mocht de waterstand omhoog gaan dan krijg je meer ongewenste gewassen, wat weer inhoudt dat je het vaker moet vernieuwen wat weer meer bodemdaling tot gevolg heeft. En je krijgt meer bagger in de sloten waardoor slechtere doorstroming en meer werk van het sloten reinigen. Zie: WUR: Landbouwkundige gevolgen van peilverhoging https://edepot.wur.nl/184113

REACTIE

Het klopt dat er veel verschillen zijn in typen veen en in de doorlatendheid. Kennisontwikkeling zal verder uit moeten wijzen welke maatregelen effectief zijn om de doelstellingen te halen. Dat is ook de reden dat we inzetten op proeven en onderzoek, o.a. samen met het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden. We hebben ook oog voor verschillen in bodemtypen en daarom zetten we in op een gebiedsbenadering. Wat we doen is zeker geen kopie van maatregelen uit het westen. We willen deze eerst in de Friese situatie uitproberen en samen met boeren kijken wat wel en niet werkt en in welke omstandigheden. Dat is ook de reden waarom we de proeven met onderwaterdrainage zijn gestart en niet direct gekozen hebben voor een brede toepassing. Ook het meten aan CO2 uitstoot maakt onderdeel uit van de kennisontwikkeling om inzicht te krijgen in wat wel en wat niet effectief is.

INSPREKERS

186, 196, 212, 244 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

We beseffen dat het grassenbestand wijzigt bij nattere omstandigheden. Om die reden worden proeven met verschillende grasmengsels gedaan die onder nattere omstandig­heden goed kunnen gedijen (Proeftuin de Welle). Bij de gebiedsgerichte uitwerking worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en wordt gekeken welke oplossingen hiervoor geboden kunnen worden.

28

Het beïnvloeden van de grondwaterstand is een enorme opgave. We zullen eerst nog meer maatregelen moeten uitwerken en beproeven. Hoe je een grondwaterstand van 40 cm onder maaiveld effectief wilt bereiken is ons onduidelijk. Er is twijfel bij de effectiviteit van peilverhoging als maatregel voor vermindering van CO2 emissie. Ook is er twijfel aan de representativiteit van de meetlocatie in Fryslân in het landelijk meetprogramma. Uit onderzoek van de Radbouduniversiteit (CO2, N2O en CH4 emissies en bodemdaling in de Friese Veenweiden. Kan onderwaterdrainage veenoxidatie en emissies uit veengebieden duurzaam verlagen?) kan men concluderen dat bij intensieve landbouw (meer dan 10 ton droge stof/

ha) en een bemesting van meer dan 170 kg N/ha -wat in Fryslân zeer algemeen voorkomt- de grondwaterstand weinig invloed heeft op de CO2 uitstoot. REACTIE

Het programma onderkent dat er nog onzekerheden zijn. Er wordt nu met proeven en onderzoek ingezet op verdere kennisontwikkeling. In de pilots willen we proefondervindelijk ontdekken wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Ook de invloed van bodemkundige verschillen wordt hierin betrokken. Het bereiken van een grondwaterstand van 40 cm onder maaiveld vormt geen dogma. In het programma is aangegeven dat we via maatwerk zoveel mogelijk willen proberen te komen tot een grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld in de gebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm. Uit het aangehaalde onderzoek kan ook geconcludeerd worden dat er wel daadwerkelijke CO2 reductie valt te realiseren bij gemiddelde grondwaterstanden hoger dan 40 cm onder maaiveld. Verder onderzoek de komende tijd moet uitwijzen hoeveel reductie gerealiseerd kan worden met een combinatie van maatregelen.

INSPREKERS

212, 244 KERN ZIENSWIJZE

Fryslân heeft veel minder waterbuffer dan West Neder­ land. In perioden met veel neerslag zal dit vaker tot water­overlast leiden. Het is niet duidelijk hoe dit wordt opgevangen. Om te stellen dat er dan maar meer en bredere sloten moeten worden gegraven, is veel te kort door de bocht.

regelen die per gebied kunnen verschillen. Het bereiken van een grondwaterstand van 40 cm onder maaiveld is geen dogma. Het moet gezien worden als een gemiddelde over het jaar. In het programma is aangegeven dat we via maatwerk zoveel mogelijk willen proberen te komen tot een grondwater­stand van 40 cm beneden maaiveld in de gebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en met een veen­pakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm. De komende jaren zetten we vooral in op proeven en pilots om meer zicht te krijgen op effectieve maatregelen.

INSPREKERS

212, 244 KERN ZIENSWIJZE

Heeft u gemeten aan de CO2 uitstoot bij een grondwater­ stand van 40 cm onder het maaiveld? Zo niet, wat doet u vermoeden dat u de reductie dan zal halen? Waarom bent u er van overtuigd dat bij intensief gebruikt grasland een peilmaatregel voldoende reductie oplevert? Onderzoeken wijzen toch anders uit? REACTIE

Er wordt in verschillende onderzoeken - o.a. in kader van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden -, gemeten aan CO2 uitstoot bij hogere grondwater­standen. Of we de reductie zullen halen zal de tijd ons leren. Zoals eerder aangegeven, zetten we de eerste jaren vooral in op kennisontwikkeling. Afhankelijk van de uitkomsten van onderzoeken, proeven en pilots kunnen we de aanpak bijstellen. In 2022 en 2026 zijn hiervoor ijk­ momenten ingebouwd.

INSPREKERS

212, 244 REACTIE

Door klimaatverandering zullen we meer te maken krijgen met drogere zomers en meer perioden met extremere neerslag. Dat is ook de reden dat een klimaatbestendig water­systeem als een van de doelen in het programma is opgenomen. Meer waterberging is daarbij een belangrijke maatregel. In de gebiedsaanpak worden hiervoor, in samen­ hang met aanpassingen in het peilbeheer, samen met betrokkenen oplossingen gezocht.

KERN ZIENSWIJZE

We vinden het bijzonder jammer dat onze inzet van de afgelopen jaren bij u niet tot het inzicht heeft geleid dat het beïnvloeden van de veenoxidatie en de CO2 uitstoot gekoppeld aan hydrologische maatregelen uiterst lastig is. Waarom zien we dat niet terug in het ontwerp-Veenweide­ programma? REACTIE

INSPREKERS

212, 244 KERN ZIENSWIJZE

Hoe gaat u een grondwaterstand van 40 cm onder het maaiveld bereiken in de zomer én in de winter; welke effectieve maatregel gaat u toepassen?

Uw inzet bij de proeven met onderwaterdrainage heeft ons het inzicht opgeleverd dat onderwaterdrainage niet oplevert wat we hadden gehoopt. We blijven samen met het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veen­ weide het onderzoek naar onderwaterdrainage voort­zetten. We onderzoeken ook andere hydrologische maatregelen gericht op het natter houden van veen. Daar­naast stimuleren we onderzoek en initiatieven gericht op het beperken van veenoxidatie met bodemmaatregelen.

REACTIE

Er is niet één unieke maatregel die we overal kunnen toepassen. We zien de oplossing in een mix van maat­

29

Instrumenten Schaduwwerking, onzekerheden, waarborgen/ rechtsbescherming INSPREKERS

16, 29, 30, 32, 33, 35, 36, 38 40, 42, 43, 45, 46, 47, 49, 51, 53, 58, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 75, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 90, 92, 94, 96, 97, 99,100,104, 107, 108, 109, 112, 113, 115,116,117, 118, 122, 125, 128, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 141, 142, 144, 145, 147, 154, 155, 156, 160, 161,167, 169,170, 171, 172,176, 177, 178, 179,181, 186, 187, 188, 190, 191, 192, 197, 199, 205, 211, 213, 215, 216, 217, 219, 220, 221, 224, 225, 226, 227, 228, 230, 232, 233, 234, 235, 238, 240, 241, 242, 243, 246, 249, 250, 252, 253, 254, 257 KERN ZIENSWIJZE

Het ontwerp-veenweideprogramma leidt tot planologische schaduwwerking en onzekerheden. Dit leidt tot waardedaling van grond en gebouwen en gaat ten koste van de financierbaarheid van het bedrijf bij overname c.q. door vreemd kapitaal, en heeft directe gevolgen voor het inkomen en toekomstperspectief/ opvolging van het bedrijf.

Inspreker onderschrijft maatwerk en pleit voor meer aandacht voor het opknippen van grote peilvakken.

Daarnaast valt te overwegen om in de winterperiode een veen­polder in de winterperiode zo’n hoog waterpeil te geven dat veenrot niet optreedt. Het zou tevens de mogelijk­heid tot enige overloop voor de inmiddels te krappe boezem kunnen betekenen, en is ook goed tegen de muizen.

REACTIE

REACTIE

Het opknippen van grote peilvakken is een van de mogelijke maatregelen die in de uitwerking van gebieden zeker in de gereedschapskist zit. Bij de gebiedsgerichte uitwerking maken we per geval een afweging.

Er is inderdaad een breed scala aan oplossingsrichtingen mogelijk. De oplossing per gebied kan verschillen, waarbij wel een aantal randvoorwaarden gelden. De maatregelen moeten bijvoorbeeld bijdrage aan de doelen van het programma en ook kosteneffectief zijn. Welke oplossingen per gebied gekozen worden is onderdeel van het gebiedsproces.

INSPREKERS

247 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

5 KERN ZIENSWIJZE

Naast inzet van technische maatregelen en instrumenten, is er een keuze tussen een smalle en een brede bandbreedte in waterpeil, of een combinatie van beiden. Een smalle band­breedte vraagt meerdere kleine gemalen, zoals de huidige efficiënte en milieuvriendelijke gemaalpompen. Een ruimere bandbreedte vraagt indeling van grond in weide­ land, hooiland, nieuwe opties (zie proeftuinen), grensland (bufferzone). In de nattere delen, met een zode die minder gewicht kan dragen, is dan aangepaste machinerie nodig, en die is tegenwoordig volop te verkrijgen (google op ‘mowing wetlands’ – ook Nederlandse leveranciers). “Zo nat dat … de boer het gras niet meer kan oogsten” (‘Better Wetter Fase 2’) bestaat dus niet meer.

30

Provincie en waterschap zijn aansprakelijk voor individuele financiële bedrijfsschade die voortvloeit uit deze visie. Ik pleit ervoor om geen gebieden op te nemen in de veenweide visie die toch nog lang niet aan de beurt zijn. Als de stempel op deze gebieden komt, zijn o.a. bedrijven minder waard met alle gevolgen van dien. Dit plan zal een grote belemmering zijn voor mijn bedrijfs­ voering, het zal grote financiële gevolgen hebben voor mijn bedrijf. Zowel direct, als indirect. Continuïteit van de bedrijfsvoering kan zelfs in het geding zijn. REACTIE

We hebben oog voor de discussie over mogelijke schaduw­ werking en beseffen dat dit leidt tot onzeker­heden. Onzekerheden die voor een deel horen bij ondernemer­ schap maar die ook belemmerend kunnen werken, bijvoor­ beeld bij bedrijfsovernames. We realiseren ons dat het programma niet alle onzekerheden oplost, maar we willen ons samen met de landbouwsector inzetten voor een goed toekomst­perspectief. In de dynamische context van aanvullend onderzoek en nieuwe inzichten, veranderende markt­verhoudingen, subsidiemogelijkheden, beleid en regelgeving, kunnen we alle onzekerheden niet oplossen. Dit biedt echter ook kansen, bijv. om in te spelen op nieuwe technieken en methoden die haalbaar, betaalbaar en realiseerbaar blijken te zijn. En op onvermoede mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen. Verdienmodellen en flankerend beleid vormen belangrijke onderdelen van dit veenweideprogramma. De belangrijkste

component van flankerend beleid is het afwaarderen van grond. Hierin zal ook evt. planschade verwerkt gaan worden; wanneer grond daadwerkelijk wordt afgewaardeerd, is dat inclusief planschade. Als het om wat voor reden niet lukt om een onevenredig nadeel te ondervangen, kan als vangnet een beroep worden gedaan op de formele nadeelcompensatieregelingen, zoals planschade bij bestemmingswijzigingen of nadeelcompensatie bij peilbesluiten. Hiervan is op dit moment geen sprake. We onderkennen de gevolgen voor de landbouw. Een van de doelen van het veenweideprogramma is daarom dat gestreefd wordt naar een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw. In de programmalijn ‘It nije buorkjen’ is aangegeven hoe we samen met de landbouwsector oplossingen willen zoeken voor de voorgestelde aan­ passingen. Daarin wordt de verdiencapaciteit van de landbouw als een belangrijk thema uitgewerkt. We stimuleren en ondersteunen de ontwikkeling van nieuwe of aanvullende verdienmodellen voor de landbouw; deze verdien­modellen moeten ook voor de langere termijn houdbaar zijn.

INSPREKERS

147 KERN ZIENSWIJZE

Door de voorgestelde maatregelen wordt bedrijfsovername onmogelijk omdat geldverstrekkers geen geld meer in de bedrijven willen steken. REACTIE

Geldverstrekkers hebben ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de diverse opgaven. We zijn met banken in gesprek op welke wijze zij hieraan bij kunnen dragen, o.a. ook bij de genoemde bedrijfs­overnames.

INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

Insprekers verzoeken in het programma bindende, concrete ijkkaders en rechtsgronden op te nemen op basis waarvan belanghebbenden rechtsbescherming genieten en aanspraak kunnen maken op nakoming van doelen en toezeggingen binnen gestelde termijnen. REACTIE

Het programma geeft een meer algemeen kader en aanpak voor het veenweidegebied en heeft geen juridisch bindende werking voor grondgebruikers. Voor de invulling

31

op perceelsniveau, volgen nog nadere besluiten. Hiervoor gelden afzonderlijke (procedurele) waarborgen en mogelijkheden voor rechtsbescherming.

INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

Insprekers vragen duidelijkheid te scheppen over welke gevolgen de plannen hebben voor hun perceel en het water dat daar overheen geleid, vastgehouden of uitgebreid wordt, voor de voedselrijkdom en de ontwikkelkansen voor de biotoop op hun perceel en de gevolgen van een eventueel veranderde stroomsnelheid in relatie tot verhoogde fosfaatgehalten en andere nutriënten en verontreinigingen.

REACTIE

REACTIE

INSPREKERS

Om de opgaven die ons op klimaatgebied staan te wachten aan te kunnen zullen veranderingen nodig zijn. We onderkennen dat dit gevolgen zal hebben voor de landbouwbedrijven in het gebied. We beseffen dat dit ook gevolgen kan hebben voor bedrijfsopvolging en verkoop van bedrijven. Voor elk bedrijf zullen de consequenties verschillend zijn. We hebben oog voor deze problematiek en zijn met banken in gesprek waarbij we deze problematiek onder de aandacht brengen. We vinden dat de financiers een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben in de opgaven waar de landbouwsector voor staat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603842/1