CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Reactienota Veenweideprogramma-lr

Het Debat 12 oktober 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203053.267 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Veenweideprogramma 2021-2030

Reactienota Maart 2021

1

Inhoud

Inleiding

Inleiding

3

Proces tot nu toe Structuur reactienota Omgang met de zienswijzen Veel voorkomende reacties Verdere proces

3 3 3 3 4

Proces

Proces tot nu toe

Programmalijn 1: Waterbeheer en klimaat­ adaptatie

40

5

Peilverhoging algemeen, alle veengronden Peilverhoging gebieden Peilverhoging kosten Kaartbeelden Peilverhoging specifiek Waterkwaliteit

40 44 49 51 52 56

Aanleiding en context

8

Programmalijn 2: It Nije Buorkjen

58

Algemeen Bodemdaling door gaswinning ca. CO2 emissie Grondwater/ kwel

8 10 10 11

Haalbaarheid nieuwe verdienmodellen Kansen nieuwe verdienmodellen Waarde van de grond Bodem en grondgebruik

58 61 64 64

Op 4 november hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân en het Dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân het ontwerp-veenweideprogramma 2021-2030 vastgesteld en vrijgegeven voor inspraak. Gedurende de periode 5 november 2020 t/m 15 januari 2021 heeft het programma ter inzage gelegen en is eenieder de gelegenheid geboden een zienswijze in te dienen. Tijdens de inspraakperiode zijn drie webinars gehouden om eenieder te informeren over het programma. Voor zover het kon zijn er fysieke bijeenkomsten geweest met betrokkenen uit de kansrijke gebieden. Waar dit niet kon is dit digitaal gebeurd.

Visie en ambitie

12

Ambitieniveau Integraliteit Disbalans Overig

12 15 17 19

Programmalijn 3: Leefomgeving, natuur en biodiversiteit

66

20

66 68 79 79 79

Structuur reactienota

Doelen

Natuur Fundering Recreatie Wonen Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Algemeen CO2 reductie

20 21

Programmalijn 4: Integrale gebiedsaanpak

80

Strategie en Aanpak

23

Algemeen/ systematiek Specifieke gebieden

80 81

Algemeen Fasering, stap voor stap Aanpak via deelgebieden Hogere grondwaterstanden, bodemmaatregelen

23 23 25 26

Programmalijn 5: Onderzoek en monitoring

86

Programmaorganisatie

88

Instrumenten

31

Kosten en financiering

89

31 33

Overig

91

Schaduwwerking, onzekerheden, waarborgen/ rechtsbescherming Flankerend beleid/ afwaarderen Flankerend beleid/ Uitgangspunten voor nadeelcompensatie Flankerend beleid/ herverkaveling Overig

35 38 39

We hebben de reactienota, na deze inleiding, gestructureerd naar de hoofdstukken van het programma zelf (veenweidefryslan.frl). De meeste zienswijzen behandelen verschillende onderwerpen en hebben betrekking op meerdere onderdelen van het ontwerpprogramma. We hebben de verschillende onderdelen van elke zienswijze ‘toegekend’ aan het hoofdstuk uit het programma waar ze betrekking op hebben. Dat betekent dat de (nummers van de) meeste insprekers op meerdere plaatsen in deze reactie­nota terugkomen. Per hoofdstuk hebben we een verdere onder­verdeling gemaakt naar thema’s waar de reacties betrekking op hebben.

Omgang met de zienswijzen Er zijn 243 zienswijzen ingediend. In deze inspraak­ reactienota zijn deze zienswijzen zo goed mogelijk samen­ gevat en voorzien van een reactie. Daarbij is getracht dit zo zorgvuldig mogelijk te doen en zo goed mogelijk recht te doen aan de strekking van de zienswijzen. De zienswijzen zijn geanonimiseerd opgenomen. De nummers bij de ziens­wijzen verwijzen naar de insprekers waarvan deze afkomstig zijn. Waar de zienswijze geleid heeft tot aanpassing van het veenweideprogramma 2021-2030 is dit in de reactie aangegeven. In veel zienswijzen zijn reacties gegeven met dezelfde strekking. In de reactienota zijn deze zoveel mogelijk samengevoegd. Ook zijn zienswijzen samen­gevat om tot de kern van de zienswijze en tot een lees­bare reactienota te komen.

Veel voorkomende reacties Veel zienswijzen zijn afkomstig van agrariërs (overwegend melkveehouders). Daarnaast hebben veel zienswijzen (mede) betrekking op zorgen over de funderingen

2

van woningen. Een derde blok aan zienswijzen, veelal afkomstig van natuurorganisaties, heeft als strekking dat het programma niet ambitieus of integraal genoeg is, niet snel genoeg gaat en onvoldoende duidelijk maakt hoe de gestelde doelen gehaald gaan worden. De voornaamste zorg bij de reagerende agrariërs betreft de nadelige gevolgen van het programma voor de financiële gezondheid en perspectieven van hun bedrijf. Men vreest met name door de peilverhoging voor beperkingen in de bedrijfs­voering en daarmee grote financiële schade of zelfs de nood­zaak het bedrijf te beëindigen. Ook wordt erop gewezen dat het programma in dat opzicht al voor inwerking­treding nadelige gevolgen heeft, door de zogenoemde ‘planologische schaduwwerking’: de onzekerheden die het creëert voor de waarde van het bedrijf in de toekomst leidt tot waardedaling van grond en gebouwen en heeft gevolgen voor de financierbaarheid van het bedrijf, bijvoorbeeld bij overname. Ook wordt er in dit verband op gewezen dat het Klimaatakkoord stelt dat maatregelen moeten worden afgestemd op het perspectief voor boeren en bestaande verdienmodellen pas overboord kunnen als er alternatieven beschikbaar zijn; men ziet op dit moment nog geen reële alternatieve verdienmodellen (eerst zien, dan geloven).

Ten slotte wordt er vanwege de grote financiële gevolgen twijfel geuit over of er voldoende compensatie zal worden geboden; men vindt dat er eerst voldoende dekking van middelen moet zijn voordat van ingrepen/ maatregelen sprake kan zijn. Ook wordt door veel insprekers vanuit de landbouw gesteld dat er nog veel onzekerheid is over de werkzaamheid van maatregelen. Daarnaast zou onderzoek hebben aangetoond dat de voorgestelde maatregelen, en dan met name de peilverhoging tot 40 cm onder het maaiveld, niet zullen helpen om de gestelde doelen voor CO2-reductie en beperking van bodemdaling te behalen. Ten slotte stellen veel boeren dat maatregelen voor veengronden met een dik kleidek, moerige gronden en de dunne veengronden nauwelijks tot minder CO2-uitstoot en bodemdaling leiden. Deze gronden zouden daarom geen onderdeel moeten uitmaken van het programma. In afwachting van een landelijk vastgestelde monitorings- en berekenings­ systematiek voor het bepalen van de CO2 uitstoot en van een landelijk vastgestelde verdeling van de CO2 reductie opgaven, is een besluit over CO2 reductie voor deze bodem­ typen uitgesteld tot het eerste ijkmoment van 2022. Op deze punten wordt in de reactienota uitgebreid in­ gegaan.

In algemene zin valt er het volgende over te zeggen: we nemen de financiële zorgen van boeren als gevolg van dit programma absoluut serieus en houden daar in het programma ook rekening mee. Een van de doelen in het veenweideprogramma is dat er een duurzaam toekomst­perspectief voor de landbouw moet zijn.

3

Daarbij is het uitgangspunt ‘geen geld, geen Zwitsers’ belangrijk. Dat houdt in dat zo lang er geen middelen zijn om de maat­regelen te kunnen doorvoeren in een specifiek gebied (inclusief compensatie van de landbouw), er geen ingrijpende maatregelen worden doorgevoerd in dat gebied. Ook zetten we vol in op het gezamenlijk met partijen in de landbouwketen ontwikkelen van andere verdienmodellen. Het programma heeft verder veel aandacht voor flankerend beleid om boeren te ondersteunen in de aanpassingen. De belang­rijkste onderdelen van flankerend beleid zijn ‘grond als instrument’ en ‘afwaarderen/ herwaarderen’. Als het niet lukt om tot minnelijke overeenstemming over passende compensatie te komen, kan als vangnet een beroep worden gedaan op de formele nadeelcompensatieregelingen. In 2022 en 2026 (het eerste en tweede ijkmoment) kijken we hoe deze inzet voor boeren (naast veel andere zaken) loopt en waar bijstelling van het programma nodig is. Een aantal zienswijzen richten zich op het belang van een gezonde bodem en op bodemmaatregelen waar­mee veen­ oxidatie kan worden beperkt. In het ontwerp-veenweide­ programma was hierin voorzien onder programma­­lijn It Nije Buorkjen bij het thema bodem en grond­­gebruik. Omdat we het belang van duurzaam bodem­beheer en de mogelijkheden die dit biedt onderkennen, hebben we van dit thema een aparte programmalijn gemaakt.

Het klopt dat meerdere zaken nog onzeker zijn. Maar dat gaat meestal over de exacte omvang, niet de richting: het is bijvoorbeeld bekend dat peilverhoging leidt tot minder CO2-uitstoot en tot beperking van bodemdaling en daarmee van schade aan funderingen, alleen is nog niet precies bekend hoeveel. De komende jaren zullen de kennishiaten door landelijk onderzoek en onze eigen Friese experimenten en onderzoek kleiner worden. De kennis die we opdoen betrekken we ook bij de ijkmomenten in 2022 en 2026 en wat niet (voldoende) werkt, veranderen we. Tenslotte is de keuze om het hele veenweidegebied te betrekken in het programma niet alleen gebaseerd op de te verwachten vermindering van CO2-uitstoot en van bodem­daling en schade aan funderingen. De doelen voor het veenweide­gebied richten zich ook op het kunnen opvangen van de klimaat­verandering en een robuuster water­systeem (door bijvoorbeeld waterbuffers). Dat is in het hele veenweide­gebied relevant en nodig. Overigens worden ook landelijk de moerige gronden tot het veenweidegebied gerekend. De inspraakreacties rondom funderingen benadrukken met name twee zaken. Ten eerste dat er in verhouding tot met name de landbouw te weinig aandacht is in het programma voor de funderingsproblematiek.

Ten tweede dat het niet redelijk is dat huiseigenaren zelf (geheel) zouden moeten opdraaien voor de kosten van funderings­ herstel, omdat de bodemdaling mede het gevolg is van eerdere overheidsmaatregelen en –besluiten. Alleen onder­steuning voor het uitvoeren van onderzoek is niet genoeg. In reactie daarop zullen we uitgebreider ingaan

4

op funderingen in het programma. Daarnaast erkennen we het leed en de financiële schade die gepaard gaan met de funderingsproblematiek. Binnen het Veenweideprogramma wordt de komende jaren gesproken over aanvullende maatregelen met betrekking tot de funderingsproblematiek. Daarover vindt dan in 2022 besluitvorming plaats. Op korte termijn onderzoeken we wat we kunnen betekenen voor de funderingsschade­gevallen waar nu een urgent probleem is; de tekst over het onderwerp funderingen is hiermee aangevuld. Wat betreft de insprekers die hun zorgen hebben geuit over het ambitieniveau, tempo en concreetheid van het programma: de ambitie van het programma is te voldoen aan de landelijk overeengekomen normen voor CO2uitstoot in 2030 en 2050, klaar te zijn voor de klimaat­ verandering en de bodemdaling te reduceren. Tempo en concretisering zullen worden aangepast om die doelen te halen. Echter, door de mogelijkheid de komende jaren ervaring op te doen en te leren, willen we nog niet alles vastleggen; ook zijn er zoals gezegd nog kennishiaten waarnaar nog onderzoek gedaan wordt. Juist door in ijk­ momenten bij te kunnen stellen zal per saldo het meeste resultaat behaald kunnen worden. Doelen en richting staan hier­bij voorop.

Het geforceerd en te snel doorvoeren van maatregelen van bovenaf, doet afbreuk aan het draagvlak en aan initiatieven en energie van onderop in de kansrijke gebieden en ontwikkelgebieden (en ook daarbuiten). V.w.b. de integraliteit: de focus in het programma ligt op de vier veenweide­doelen, maar koppelkansen met andere doelen die zich werkende weg voor doen willen we zoveel mogelijk benutten. Hiermee is de integraliteit van onze gezamenlijke inzet geborgd.

Verdere proces De reactienota wordt samen met het aangepaste Veenweide­programma 2021-2030 voorgelegd aan Provinciale staten van de Provinsje Fryslân en het Algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân. De ziens­wijzen worden daarmee betrokken bij de politieke besluit­vorming over en vaststelling van het definitieve veenweide­ programma. Voorafgaand aan de behandeling in de algemene besturen wordt een hoorzitting gehouden (28 april 2021). Bij deze hoorzitting kunnen insprekers hun ziens­wijze nader toelichten. Het proces van inspraak in deze fase kent geen bezwaar en beroepsmogelijkheid. In de uitvoeringsfase, als er juridisch bindende besluiten worden genomen, staat deze mogelijkheid wel open. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een bestemmingswijziging, een inrichtingsplan of een peilbesluit.

Proces INSPREKERS

REACTIE

38, 74, 166

We onderkennen de onzekerheden, maar zijn ons ook bewust van de zekerheden omtrent de effecten van veen­oxidatie. Binnen deze zekerheden gaan we met een adaptieve, stapsgewijze aanpak om met de onzekerheden. Een belangrijk element daarbinnen is de gebiedsaanpak (kansrijke gebieden en ontwikkelgebieden) en van daaruit verder werken op basis van maatwerk en uitrollen van effectieve maatregelen die zich in de praktijk hebben bewezen. Verder hanteren we twee ijkmomenten: in 2022 en in 2026. Dan kijken we waar we staan, wat we nog meer te weten zijn gekomen en hoe we verder gaan. Dit programma is dus de start van een gebiedsproces, met flankerend beleid en waarborgen voor individuele agrariërs.

KERN ZIENSWIJZE

Bij de opstelling van dit ontwerpprogramma is geen enkele boer betrokken. Bij de meeste boeren is geen draagvlak voor het programma. Inspreker verzoekt om in de regio bijeenkomsten te plannen waar provincie en Wetterskip met betrokken boeren/ eigenaren/ burgers in gesprek gaat over dit programma om zo wellicht werkelijk draagvlak te ontwikkelen en tot samenwerking te komen (m.n. ook in deze coronatijd). REACTIE

De landbouwsector is vertegenwoordigd in het Bestjoerlijk Oerlis Feangreide. Deze vertegenwoordiger zit hier namens zeven landbouworganisaties (Agrarische Jongeren Friesland, Federatie Polderbelangen Friesland, Feriening Biologyske Boeren Fryslân, Het Friesch Grondbezit, Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) Noord, de Nederlandse Melkvee­houders Vakbond het Fries Kollektievenberied) Bij de voorbereiding van dit programma is gestart met gesprekken met diverse belangen­groepen en deze zijn in de gelegenheid gesteld input te leveren. De concept teksten zijn diverse malen besproken in het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF) en is naar aanleiding van opmerkingen van de landbouw­ vertegenwoordiging enkele keren aangepast. In de inspraak­­periode zijn er drie webinars gehouden om het programma toe te lichten. Ook zijn in deze periode gesprekken geweest met vertegenwoordigers uit de kans­ rijke gebieden, waarbij vooral veel boeren aanwezig waren. De afgelopen jaren zijn diverse proeven en pilots gestart en uitgevoerd, bijvoorbeeld proeven met onderwaterdrainage, met maisteelt zonder kerende grondbewerking en op het gebied van bodemvruchtbaarheid. Ook zijn er processen gestart in enkele kansrijke gebieden waar boeren nauw bij betrokken zijn. Ervaringen uit deze pilots, proeven en processen hebben we benut bij het opstellen van dit programma.

INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183, 221 KERN ZIENSWIJZE

De gemeenten vinden het belangrijk dat er gewerkt blijft worden aan breed draagvlak. Als gemeenten pleiten we voor een zorgvuldige belangenafweging en betrokkenheid van alle stakeholders. Dat betekent dat niet alleen de landbouw-, natuur- en milieuorganisaties aan tafel moeten zitten, maar dat er ook actief afstemming moet worden gezocht met woningeigenaren en recreatieondernemers. REACTIE

Wij onderschrijven het belang van breed draagvlak. Samen en van onderop staat in de integrale gebiedsaanpak centraal, met de belanghebbenden en betrokkenen wordt gezocht naar oplossingen. In H.5 is aangegeven dat daarvoor een belangrijke rol is weggelegd voor gebieds­­ commissies met een brede samenstelling. Naast boeren, overheden, natuurorganisaties en ondernemers, is er ook nadrukkelijk een gelijkwaardige rol voor de ‘gewone’ inwoners van het gebied. Om de belangen van woning­­ eigenaren een stem te geven wordt bovendien een ‘Funderings­tafel’ opgezet. DIT IS IN HET PROGRAMMA TOEGEVOEGD AAN H.7.

INSPREKERS

29, 30, 32, 34, 37, 39, 40, 42, 45, 48, 49, 52, 53, 58, 60, 62, 63, 65, 70, 73, 84, 86, 87, 88, 94, 104,107, 111,116,118, 125,131, 133,134, 141, 142, 145, 147, 154,155, 156,160, 161, 167, 170, 172,176, 190, 191, 192,197, 213, 216, 219, 220, 230, 233, 234, 235, 241, 249, 250 KERN ZIENSWIJZE

Verzoek om het veenweideprogramma niet vast te stellen; de effectiviteit van het beoogde beleid, de continuïteit van de boerenbedrijven, het welslagen van de ingezette maatregelen en voldoende ondersteuning van boeren bij de verandering, is omgeven met grote onzekerheden.

INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

De agrarische sector is zich bewust van de aard en omvang van de veenweideproblematiek en dicht zichzelf ook een prominente rol toe in het kader van het beperken van bodem­daling en de uitstoot van CO2. Daarom acteert de sector sinds 2016 intensief op dit dossier. Onder andere door deel te nemen in het programmateam en het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF). De proactieve houding

5

van de sector komt ook naar voren in een eigen landbouw­ aanpak ‘Mei beide fuotten op ‘e feangrûn, de boer mei oan ’t stjoer foar de útfiering fan feangreide.’ Deze heeft ze in 2018 uitgebracht, in navolging van het initiatiefvoorstel van Provinciale Staten en het Panorama van Places of Hope. Hiermee is vanuit de agrarische sector een realistische en haalbare handreiking gedaan hoe je met primaire ondernemers kunt werken aan doelen waar men het over eens is. Dat dit een goed plan was werd bevestigd door de Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse (MKBA) die in 2019 werd uitgevoerd, waaruit bleek dat dit landbouwplan één van de twee best renderende plannen voor de Fryske Mienskip zou zijn. REACTIE

Zoals ook uit het ontwerpprogramma blijkt is de agrarische sector een belangrijke partner in de veenweideaanpak. We herkennen en erkennen het belang van de agrarische sector en zijn blij met hun actieve inbreng. De door de sector aangedragen eigen aanpak kent veel elementen die in het veenweideprogramma zijn opgenomen. Zo bevat het programma ook elementen uit het genoemde landbouw­ plan, zoals de gebiedsaanpak, het uitrollen van succesvolle maatregelen die zich in de praktijk hebben bewezen, ruimte voor maatwerk, flankerend/ ondersteunend beleid voor agrariërs, een adaptieve aanpak zodat van nieuwe inzichten en ervaringen gebruik kan worden gemaakt.

betrokken partijen te vergroten. De processen in Aldeboarn de Deelen en in de andere kansrijke gebieden kunnen hier als voorbeeld voor dienen. We begrijpen dat er soms strijdigheid is tussen de verschillende belangen. In de gebiedsprocessen zetten we in op het overbruggen van deze strijdigheden.

REACTIE

INSPREKERS

We hebben begrip voor de gevoelens die er in dit gebied heersen. Door omstandigheden buiten ons om is het bijvoorbeeld niet gelukt om in dit gebied een start te maken met het project Boeren meten water. Dit is ook aan het gebied teruggekoppeld. De komende tijd willen we samen met het gebied verder verkennen welke activiteiten we de komende jaren in dit gebied kunnen opstarten.

245, 248 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vindt het een gemis dat een dergelijk groot en ingrijpend plan er door wordt gedrukt zonder fysieke bijeenkomsten. Het zou beter zijn meer tijd te nemen.

INSPREKERS

REACTIE

186

Wij betreuren dit ook, het was ook de bedoeling fysieke bijeenkomsten te houden tot de coronamaatregelen roet in het eten gooiden. Gelukkig hebben we met diverse vertegenwoordigers uit de kansrijke gebieden nog fysieke bijeenkomsten kunnen houden en hebben we met de Webinars een groot bereik gehad. We beseffen dat dit anders is dan fysieke bijeenkomsten.

INSPREKERS KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt zich af of er bij de besluitvorming van dit veenweideprogramma sprake is van behoorlijk bestuur. Een overheid moet bij maatregelen die dusdanig ingrijpend zijn als in dit programma haar keuzes zorgvuldig onderbouwen en de aanpalende belangen goed wegen. Op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht moet de overheid de nodige kennis vergaderen omtrent relevante feiten en af te wegen belangen. Volgens inspreker is dit hier niet het geval; de aanvankelijke argumenten (bodemdaling;CO2 emissie­reductie en zoetwateropvang) zijn niet als valide beoordeeld. In plaats daarvan is verzilting als argument opgevoerd, waarbij slechts afgegaan wordt op een studie: de Strategische Grondwaterstudie Fryslân. Dit is des temeer een argument om gronden met een dik kleidek en moerige grond uit dit programma weg te laten.

186 KERN ZIENSWIJZE

Voor het gebied Grouster Leechlan geldt dat de boeren weer het vertrouwen krijgen dat hun aanpak er toe doet. De top-down benadering van het voorliggende ontwerp heeft de aanpak en het gebiedsproces weer stil gelegd. Er is weinig vertrouwen en veel gelatenheid. REACTIE

We hebben begrip voor de gevoelens die er in het gebied leven. Het resultaat van het werk dat het gebied afgelopen jaren heeft gedaan willen we graag benutten als vertrekpunt voor het vervolg.

INSPREKERS REACTIE INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker stelt vast dat zijn achterban en onder hen, al die betrokken boeren, als gevolg van de begin 2020 gekozen top-down aanpak, niet mee aan de basis kon staan van dit programma ‘Foarút mei de Fryske Feangreiden’. Al schrijvend werken aan draagvlak was daardoor niet mogelijk. Dit terwijl in de visie van inspreker draagvlak de sleutel is voor het succes van dit programma. Dit programma is in feite niet meer dan een houtkoolschets op hoofd­lijnen. Er moet nog heel veel worden uitgewerkt. Hoe denkt u het draagvlak bij boeren, burgers en natuur­ organisaties te gaan vergroten? REACTIE

Aan het programma is inderdaad niet meegeschreven door de landbouwpartijen. Wel is er door verschillende partijen input geleverd. Vanaf begin 2020 zijn er diverse gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de land­ bouw en andere betrokken partijen, klankbordgroepen, etc. Het concept programma is daarnaast meerdere keren besproken in het Bestjoerlik Oerlis Feangreide. Naar aanleiding van die overleggen zijn er diverse aanpassingen in het ontwerpprogramma doorgevoerd. Wij zijn blij met de betrokkenheid van boeren bij de verschillende processen en pilots die er lopen. Door samen aan de slag te gaan en te ontdekken waar mogelijkheden en onmogelijkheden liggen, hopen we draagvlak en vertrouwen bij alle

6

Met het veenweideprogramma worden nog geen besluiten genomen die directe rechtsgevolgen hebben voor belanghebbenden. Wij beamen dat er nog veel kennisvragen zijn en dat hier nog nadere onderbouwing voor nodig is (zie programmalijn 5, onderzoek en monitoring). Dat neemt niet weg dat het belangrijk is dat er doelen worden gesteld en er richting wordt gegeven. Dat mag van de overheid worden verwacht. Samen met betrokkenen willen we vervolgens invulling geven aan die richting. Het voorliggende programma laat nog voldoende ruimte om hier samen invulling aan te geven. Hierbij is een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw een belangrijk doel. Omdat er nog meer kennis en inzicht nodig zijn, richten we ons eerst op de veengebieden met een dik veenpakket (dikker dan 80 cm). Voor de gronden met een kleidek dikker dan 40 cm de dunne veengronden en de moerige gronden willen we in 2026 een besluit nemen over de maatregelen die in deze gebieden effectief zijn.

INSPREKERS

186

46, 128, 188, 214, 215, 243 KERN ZIENSWIJZE

Het is ontzettend lastig voor de individuele boeren in te schatten hoe de situatie er op hun bedrijf eruit zal zien als het veenweideprogramma werkelijkheid wordt. Dit komt mede door hoogteverschillen binnen kavels/percelen. Hoe groot worden de peilvakken? En op welk punt wordt gemeten? En hoe wordt dit gerealiseerd? Er heerst grote onzekerheid in dit ontwerp waardoor gericht bezwaar maken onmogelijk is. REACTIE

We beseffen dat dit programma de nodige onzekerheden met zich meebrengt. Onzekerheden die voor een deel horen bij ondernemerschap maar die ook belemmerend kunnen werken. We realiseren ons dat het programma niet alle onzekerheden oplost, maar we willen ons samen met de landbouwsector inzetten voor een goed toekomstperspectief. In de gebiedsprocessen worden de plannen concreter uitgewerkt. Dan worden de consequenties voor elk bedrijf ook duidelijker. Dan is ook gericht bezwaar en beroep mogelijk.

KERN ZIENSWIJZE

De boeren in de Brekkenpolder zijn teleurgesteld in provincie en waterschap. Vaak werden afspraken niet nagekomen of kregen boeren gevoel dat het er niet toe deed wat ze samen wilden bereiken.

7

Aanleiding en context Algemeen

INSPREKERS

REACTIE

INSPREKERS

4, 91

Wij onderkennen het economisch belang en de rol van de landbouw voor de leefbaarheid van het platteland. Niet voor niets is een van de doelen: ‘een duurzaam toekomst­ perspectief voor de landbouw’. Voor de Friese landbouw werken we daarom aan een Landbouwagenda met als ambitie om van een viersterrenlandbouw een vijfsterren­ landbouw te maken, waarbij de vijfde ster een groene, circulaire ster is. In de startnotitie voor deze Landbouw­ agenda wordt uitgebreid ingegaan op de betekenis van de landbouw voor de provincie Fryslân en op de uitdagingen voor de landbouw.

247

INSPREKERS

4, 91

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Bodememissie komt ook buiten het veenweidegebied voor. Beter zou een beleid voor heel Fryslân zijn.

Fryslân breed niets doen heeft veel voordelen: • Het land zakt vanzelf tot 40 cm boven grondwater; de grondgebruiker kan zo lang mogelijk profiteren van de grotere drooglegging (wel 50 jaar volgens projectleider Th. Osinga); • Geen onrust en spanningen, geen schuld voor veranderingen; • De nadelen van verzakkingen zullen wel meevallen; de praktijk is vindingrijk; • Grote kostenbesparingen (alleen al ambtelijk en bestuurlijk); • Met de vrijkomende gelden kan de funderings­ problematiek worden aangepakt; • De landbouwproductie van een van de meest stabiele economische sectoren blijft maximaal bestaan; • Omschakelen op alternatieve verdienmodellen kan vervallen. De ruilverkaveling De Alde Jokse heeft hier 30 jaar geleden grote verbeteringen gebracht; deze worden teniet gedaan. De maatregelen vertragen hooguit het zakken. Het veen wordt hier goed afgeschermd door de kleilaag.

REACTIE

We onderkennen dat ook buiten het veenweidegebied bodememissie voorkomt, maar dit is per oppervlakteeenheid beperkter dan in veengebied.

Uit de MKBA blijkt duidelijk dat de nadelen van het huidige tempo van veenoxidatie en bodemdaling de voordelen van de grotere drooglegging overvleugelen. Deels is dit in directe kosten uit te drukken, deels gaat het om maat­ schappelijke kosten met een veel groter bereik en op langere termijn. Het scenario van niets doen, d.w.z. de huidige autonome ontwikkeling doorzetten, is in ieder geval qua kosten-baten verhouding het minst gunstig t.o.v. de scenario’s waarin veenoxidatie en bodemdaling worden vertraagd. We verwijzen hiervoor naar de MKBA in de bijlage; op basis van nader onderzoek/ monitoring naar de mate van bodemdaling en CO-reductie en de herijking in 2022 en 2026, houden we de vinger aan de pols en kunnen we onze inzet en maatregelen adaptief aanpassen. We onderkennen dat de ruilverkaveling De Alde Jokse van 30 jaar geleden voor het agrarisch gebruik voordelen heeft gebracht. Deze voordelen worden ook niet teniet gedaan. Wel geven nieuwe ontwikkelingen en inzichten aanleiding om op een andere koers in te gaan zetten. We kunnen niet altijd op dezelfde voet doorgaan. Soms zijn aanpassingen in beleid en maatregelen nodig. Maar dat doen we zorgvuldig en in samenspraak met de streek en betrokkenen. Zodat we over 30 jaar op déze koerswijziging kunnen wijzen.

8

REACTIE

Bodemdaling versterkt de verdroging van de hoger liggende natuurgebieden. Dit heeft negatieve invloed op de bio­diversiteit.

INSPREKERS

4, 150

INSPREKERS

INSPREKERS

204, 212, 244

4, 26, 27, 28, 46, 120, 130, 128, 215

KERN ZIENSWIJZE

Laat het zo, het is allemaal onnodige energie en kosten; Fryslân heeft altijd mooi landschap gehad. Toename van recreatie en toerisme is niet nodig; er is nog altijd veel honger in de wereld. De totale CO2 emissie is volledig afhankelijk van de totale hoeveelheid veen. Of dat nu in 100 jaar gebeurt of in 120 jaar, het is beide keren gelijk. Er zitten methodische fouten in de MKBA: wat na 100 jaar gebeurt wordt weggelaten. De winst in de MKBA komt door de termijn van 100 jaar en is maar denkbeeldig.

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker herkent de cijfers van bodemdaling van 1-2 cm per jaar niet.

Insprekers zijn van mening dat als er een paragraaf wordt opgenomen over relevant (inter)nationaal beleid, ook de discussie die over dit beleid speelt, gemeld moet worden. Dit om te voorkomen dat er een soort tunnelvisie ontstaat, waar het gehele programma aan ‘opgehangen’ wordt en zich bij de uitvoering vervolgens blind op staart. Tijdens de duur van het programma dient het relevante (inter)nationale beleid in z’n grotere context bijgehouden en zo nodig aangepast te worden.

REACTIE

We weten dat de bodemdaling varieert. Dit hangt onder andere af van bodemtype. Uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde bodemdaling in de veengebieden in de orde van grootte van 1 cm per jaar ligt. Ook hier wordt nog nader onderzoek naar gedaan.

REACTIE REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

Er wordt geïmpliceerd dat biodiversiteit afneemt door bodem­daling. Bij weten van de inspreker is deze correlatie nooit gelegd.

Zie reactie hierboven. De MKBA laat zien dat er een substantieel verschil in effecten is tussen het huidige tempo van veenoxidatie en bodemdaling volgen, of dit proces vertragen. Dit verschil in effecten doet zich ook al voor binnen een lange periode van 100 jaar.

INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

De discussie rond veenweide wordt eendimensionaal gevoerd. Er wordt onvoldoende gekeken naar de economische effecten en de leefbaarheid van het platte­ land. Zonder boeren geen uniek veenweide­polderlandschap en geen weidevogels (die foerageren op agrarische grond). Deze maatschappelijke waardering zien wij niet terug in uw programma. De landbouw is de drager van een duurzame veenweide met ruimte voor de natuur. Wij vragen uw visie op en waardering van het strategisch belang van de agrarische sector en de toekomst van deze sector. Wij roepen u en de politiek op om juist te bouwen aan een, ook voor de toekomst, sterke duurzame en innovatieve agrarische sector met een vitaal platteland!

REACTIE INSPREKERS

218 KERN ZIENSWIJZE

Insprekers maken zich zorgen om de waterhuishouding in het veenweidegebied rondom Grou. Het steeds maar dieper ontwateren van veengrond wordt steeds duidelijker zichtbaar. Dit gebeurt door verdroging (natuur) en altijd maar afmalen (menselijk handelen). Zelfs in extreme droge perioden slaan de gemalen geregeld aan. Hierdoor oxideert en klinkt het veen steeds meer in en stijgt de CO2 uitstoot. Volgens deskundigen is het vijf voor twaalf om het veenpakket te redden.

In het programma is een korte schets gegeven van het voor dit programma relevante beleid. Het voert te ver om alle verschillende opvattingen die er over dit beleid leven, uitgebreid in het programma uit te diepen. We volgen de discussie en houden ontwikkelingen in de gaten. We onderkennen dat methaan en lachgas ook meespelen. Daarom is het peilbeleid niet gericht op sterke vernatting van percelen of het onder water zetten van percelen, en houden we in het kader van het peilbeheer dit nauwlettend in de gaten.

INSPREKERS

52 REACTIE

We begrijpen de zorgen en voelen de urgentie voor dit gebied. Zo zijn er meer gebieden in het veenweidegebied waar de gevolgen van veenoxidatie en bodemdaling merk­baar worden. Vandaar dat we met dit programma een brede, integrale aanpak willen invullen, te beginnen in de gebieden waar de problemen c.q. kansen het grootst zijn. Dat gemalen ook in droge perioden af en toe aan slaan is niet te voorkomen. Gemalen staan vaak op lage plek van een bemalingsgebied en daar is meestal wel sprake van kwel. Ook is er vaak sprake van een overschot aan inlaat­ water dat er via het gemaal uit een polder wordt gepompt.

KERN ZIENSWIJZE

Verzakkingen van woningen wordt als argument gebruikt om peilen te verhogen terwijl dit altijd is opgevangen met hoogwaterpeilen rondom woningen. REACTIE

Uit ervaring en onderzoek blijkt dat hoogwatersloten rondom woningen niet meer overal toereikend zijn om funderingen voldoende nat te houden. Bij doorgaande bodemdaling neemt dit probleem alleen maar toe.

9

Bodemdaling door gaswinning ca. INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

Insprekers verzoeken op te nemen dat de provincie, gemeenten en het Wetterskip de Minister negatief over gaswinning (al dan niet in combinatie met aardwarmte­ winning) zullen adviseren bij lopende en nieuwe verginnings- en ontheffingsaanvragen.

substantiële bodem­daling door delfstoffenwinning samen­ valt met maaiveld­daling als gevolg van veenoxidatie, kan dat aanleiding zijn om een gebiedsproject te starten. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat verleent vergunningen voor gaswinning. Insprekers kunnen hun bezwaren tegen gaswinplannen kenbaar maken bij dit ministerie tijdens de daarvoor geldende procedures. Het ministerie organiseert voor ieder winningsplan een voorlichtings­bijeenkomst in de regio.

De advisering over concrete winningen stemmen de Friese overheden (provincie, Wetterskip en betreffende gemeenten) onderling af. Wanneer negatieve effecten en risico’s voor de omgeving worden verwacht, adviseren de provincie, Wetterskip en de gemeente over een winnings­ aanvraag veelal al negatief aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat; dit geldt in ieder geval voor nieuwe winningen. Deze advisering valt verder buiten het Veenweide­programma.

INSPREKERS

182, 41, 190 KERN ZIENSWIJZE

Evenals de veenweideproblematiek leidt gaswinning tot bodemdaling. Gaswinning in veenweidegebied is derhalve ongewenst. Insprekers menen dat het van belang is dat ‘gaswinning’ als onderdeel aan het ontwerp wordt toegevoegd en dat er expliciet in het programma wordt vermeld dat gaswinning onder het veenweidegebied wordt tegengegaan door zowel de provincie als gemeenten. Niet alleen door de inrichting van nieuwe gaswinningslocaties tegen te gaan, maar ook door sidetracks vanuit andere locaties niet toe te staan en door gaswinning als ‘neven­ vangst’ bij de inrichting van aardwarmtewinning niet toe te staan. Insprekers missen de gasboorplannen en de beoogde locatie(s), die bijdragen aan CO2-uitstoot en bodemdaling in de provincie. Dat moet bij de berekeningen, inschattingen en overzichten opgenomen. REACTIE

Het Veenweidenprogramma richt zich uitsluitend op de maaivelddaling veroorzaakt door veenoxidatie. Er is sprake van bodemdaling als gevolg van delfstoffenwinning (gas en zout). Bij advisering over concrete winningen vindt afstemming plaatst tussen de Friese overheden (provincie, Wetterskip en gemeenten). Bij een te verwachten substantiële bodemdaling of een toename van bodem­ daling, wordt in ieder geval een negatief advies uitgebracht. Als de gaswinning toch doorgaat en deze gevolgen heeft voor de waterhuishouding in een gebied, wordt een gebieds­plan opgesteld en uitgevoerd om de negatieve effecten op o.a. de waterhuishouding op te vangen, zoals voor het bodemdalings­gebied Harlingen-Franekeradeel en in de omgeving van Anjum. Wanneer in een gebied

10

REACTIE

In algemene termen is de Brede Grondwaterstudie van provincie Fryslân, Vitens en Wetterskip Fryslân (uit 2019) als bouwsteen gehanteerd bij het opstellen van het Veenweideprogramma 2021-2030. Uit die studie blijkt dat er sprake is van een “kweldruk” onder de veengebieden van het Lage Midden, en dat die kweldruk zich juist in de diepe veenpolders in de sloten manifesteert. De in februari 2021 gepresenteerde “Review brede grondwaterstudie Fryslân”, uitgevoerd door Deltares in opdracht van LTO, doet geen uitspraken over deze kwel, maar gaat uitsluitend nader in op de modellering van de wisselwerking tussen de ontwatering van de veengebieden en de verzilting vanuit het noorden/ noordwesten.

INSPREKERS

52 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS REACTIE

REACTIE

Naast CO2 zijn er inderdaad andere broeikasgassen. Maar qua omvang en aandeel in broeikasgassen - en daarmee impact op klimaatverandering -, is CO2 wel bepalend.

229

Het verhaal met CO2 gaat niet op. 95% van de CO2 zit in de oceanen, daar zit de grootste uitstoot. Veenweide in Fryslân is maar een klein gebied. En met hoger waterpeil komt meer methaan vrij dit zorgt voor hogere uitstoot.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vindt het onbegrijpelijk dat er zoutwinning bij Harlingen wordt toegestaan en vervolgens de bodemdaling in het veengebied ‘de schuld’ krijgt van de verzilting. REACTIE

Ook zoutwinning in Harlingen draagt bij aan verzilting. In het gebiedsproces Harlingen-Franeker worden daarom maatregelen genomen om deze negatieve effecten te compenseren. Bodemdaling in het veengebied versterkt het land­inwaarts ‘intrekken’ van het diepere zoute grondwater. Op langere termijn zal dit een groter risico op verzilting betekenen, o.a. van drinkwaterwinningen. Overigens zal de zout­winning bij Harlingen stoppen.

REACTIE

Het klopt dat er veen CO2 is vastgelegd in oceanen en ook in permafrost in de ijzige gebieden rond de noord- en zuidpool. Dat is mede een van de argumenten om te voor­ komen dat de aarde veel meer opwarmt. Door opwarming van de aarde komt er versneld CO2 vrij uit oceanen en de perma­frost. Het proces van opwarming wordt hierdoor nog een keer extra versneld. Daarom zijn er ook mondiale afspraken gemaakt in het klimaatakkoord van Parijs om de opwarming van het klimaat te beperken.

INSPREKERS

52

CO2 emissie INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

Door veenoxidatie ontstaat een vruchtbare laag die de oxidatie beperkt of het zelfs stopt. Dus dan stopt ook de bodemdaling zoals bijvoorbeeld bij een klei dek.

229 REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Het grootste deel van de CO2 is afkomstig van de aarde zelf; vulkaanuitbarstingen, afsterven van hout, bosbranden, etc. Gaan we met een hoger waterpeil de aarde redden? REACTIE

Naast natuurlijke processen zorgt de menselijke activiteit voor een dusdanige extra CO2 uitstoot, dat het klimaat sneller verandert. In het Klimaatakkoord van Parijs zijn wereld­wijd afspraken gemaakt om deze uitstoot te verminderen. In het landelijke Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt hoeveel elke sector moet bijdragen aan deze vermindering.

Dit klopt niet helemaal. Zolang zuurstof in de bodem kan treden is er sprake van veneoxidatie. Wel kan door het toevoegen van organische stof of ook kleideeltjes dit proces worden beperkt. In de programmalijn Bodem en grond­ gebruik is aandacht voor bodemmaatregelen die veen­ oxidatie kunnen beperken.

Grondwater/ kwel INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

166 KERN ZIENSWIJZE

CO2 is wel een broeikasgas, maar niet de ‘major trigger’ voor klimaatverandering; wetenschappelijke publicaties tonen dat aan.

Zowel de gemeente Opsterland als de provincie Friesland hebben tegenover de Rechtbank Noord Nederland en de Raad van State gesteld, dat er geen sprake is van kwel in het gebied. Het ontwerp is hiermee niet consistent. In veen­polders is waterretentie nodig als tegendruk voor kwel, voor piek­berging of voor wateraanvoer, zo wordt gesteld. De tegen­druk voor kwel is dus niet nodig en geen argument of ‘kans’ voor een ander gebruik van het gebied.

11

Visie en ambitie Ambitieniveau INSPREKERS

4, 63, 65, 70, 71, 73, 75, 76, 78, 79, 80, 87, 88, 90, 94,104, 107, 246 KERN ZIENSWIJZE

Het Veenweideprogramma 2021-2030 is een middel dat erger is dan de kwaal. Aanpassing van de drooglegging tot 40 cm helpt niet bij het beperken van veenafbraak en bodememissie, het helpt nauwelijks bij het beperken of oplossen van schade aan gebouwen en infra­structuur, en het vormt een grote bedreiging voor de bestaans­ mogelijkheden in de landbouw en houdt daarmee het risico in op sociaaleconomische problemen. Voor het verhelpen van de huidige schade zijn minstens evenveel investeringen nodig als voor de inrichting van het veenweide­gebied. REACTIE

Uit onderzoek blijkt dat waterpeil en drooglegging van wezenlijke invloed zijn op het proces van veenafbraak en daarmee op de effecten van veenafbraak. Veel hierover is al bekend. Maar we onderkennen ook de onzekerheden en de nog ontbrekende kennis hierover. Vandaar dat aanvullend onderzoek/ monitoring wordt gedaan naar de effecten van waterpeilmaatregelen op de mate van bodemdaling en CO2-uitstoot. De adapatieve aanpak van het programma is hierop afgestemd: gebiedsgewijs starten in de gebieden met dik veen (> 80 cm), en de aanpak herijken in 2022 en 2026 waarbij ook de vervolgaanpak voor de overige gebieden wordt bepaald.

INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

Met het ontwerp-veenweideprogramma voor de komende tien jaar leggen provincie, de veenweidegemeenten en het waterschap de lat onnodig hoog. Fryslân gaat maar liefst 40% van die landelijke opgave invullen, maar krijgt slechts 22% van het geld uit de landelijke pot terwijl er een groot gapend gat zit in de dekking van de begroting van €550 miljoen. Hiermee bent u dief van uw eigen portemonnee en impliciet van alle Friezen! Wij vragen u de afspraken met LNV te herzien, te kiezen voor een inspanningsverplichting in plaats van een resultaatverplichting en balans aan te brengen tussen de beschikbare middelen en het na te streven aandeel in de landelijke opgave. REACTIE

Het programma gaat niet uit van een resultaatsverplichting maar van een inspanningsverplichting. We verwijzen hierbij naar hoofdstuk 4 over de doelen (blz. 16). Hier staat het volgende aangegeven: ”Onze ambitie willen we

12

verwezenlijken door in de periode 2021 – 2030 voor het veenweidegebied een aantal doelen te realiseren. We gaan ons met de andere partijen in het gebied inspannen om de doelen te bereiken. We monitoren regelmatig de resultaten hiervan en sturen zo nodig onze inspanningen bij om de doelen te realiseren”. Daarnaast hanteren we het principe “geen geld, geen Zwitsers”. De inspanningen worden dus voor een groot deel bepaald door de middelen die o.a. door het Rijk beschikbaar worden gesteld.

INSPREKERS

8

REACTIE

Het programma start in de kansrijke gebieden en de ontwikkelgebieden. Daar zijn en gaan we concreet met partijen in het gebied aan de slag. In 2022 resp. 2026 volgt een herijking van het programma. Dan wordt op basis van de resultaten uit onderzoeken en ervaringen uit experimenten en proefprojecten bekeken of de aanpak in deze gebieden uitgerold kan worden. Het programma maakt zo’n uitrol dus mogelijk en biedt hiervoor het kader. Het is nu nog echter te vroeg voor een brede uitrol over het gehele veenweidegebied. Er zijn nog onzekerheden over effectiviteit van maatregelen, en aanvullende of nieuwe verdienmodellen voor landbouw moeten nog vorm krijgen.

Friese ‘stakeholders’. De Friese veenweiden leggen geen koolstof meer vast, maar stoten jaarlijks1.8 Mton CO2 uit als gevolg van veenoxidatie. Daarmee gepaard gaan bodemdaling, het verslechteren van de waterkwaliteit en een achteruitgang van de biodiversiteit. Net zoals wij geschokt zijn door de gigantische ontbossing van de regen­wouden en vinden dat deze onmiddellijk een halt moet worden toegeroepen, zouden we ons ook veel grotere zorgen moeten maken over wat er in onze eigen “achter­tuin” plaatsvindt. De schade is zo groot dat er per direct moet worden gestopt met de ontwatering van onze veen­weide. Ook de klimaatcrisis waarin we zitten maakt duidelijk dat voortgaan op het pad van ontwatering onverantwoord is.

KERN ZIENSWIJZE

Het ambitieniveau is veel te laag. Het programma geeft volgens insprekers niet duidelijk aan op welke wijze de voorgestelde 400.000 ton CO2-reductie in 2030 wordt gehaald; dit is onderdeel van de landelijke doelstelling van 1 Mton. Insprekers vrezen dat, wanneer Fryslân niet aangeeft op welke wijze ze dit doel concreet gaat realiseren en hoe dit gemonitord wordt, de regio door het Rijk wordt overgenomen. Precies datgene waar het Planbureau voor de Leefomgeving nu al voor pleit. Insprekers vragen om expliciet op te nemen hoe dit doel wordt gerealiseerd en dragen daar graag concrete suggesties voor aan.

REACTIE INSPREKERS

174 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker verwacht dat in het Veenweideprogramma een grotere ambitie wordt opgenomen met duidelijke en afrekenbare resultaten. Een natuurinclusieve landbouw, beperking van de klimaatverandering tot 1,5 C en internationale verdragen, horen een vanzelfsprekend onderdeel van dit programma uit te maken.

Het Veenweideprogramma geeft invulling aan de landelijke afspraken die zijn gemaakt in het kader van het Klimaatakkoord en sluit aan op het nationale veenplan dat vorig jaar aan de Tweede kamer is aangeboden. We zijn ons bewust van de gevolgen van de veenoxidatie, dit is ook beschreven in H 2.1. van het ontwerpprogramma. Met de voorgestelde aanpak beogen we recht te doen aan de diverse belangen die er spelen.

INSPREKERS REACTIE

REACTIE

De in het programma opgenomen reductie van 0,4 Mton CO2 equivalenten p/j is de ambitie voor 2030; het is een inspanningsverplichting en dus geen resultaats­verplichting. In het programma is uitgewerkt dat we langs de lijn van gebieds­gerichte aanpak aan de slag gaan; vooraleerst in de zgn. dikke veengebieden, per 2026 wellicht ook daarbuiten. In afwachting van resultaten uit o.a. het NOBV (Nationaal Onderzoek Broeikasgassen veenweiden), de pilots en experimenten in het Friese veenweidegebied berekenen we, op basis van de nu concrete maatregelen, een reductie van 0,25 Mton. In 2026 maken we de balans op en besluiten we welke maatregelen we gaan inzetten in de overige veeng­ ebieden om de ambitie van 0,4 Mton CO2 equivalenten p/j in 2030 te kunnen realiseren. Concrete suggesties voor het realiseren van CO2 reductie zijn van harte welkom.

De ambitie in H. 3 is een lange termijn perspectief voor 2050. We vinden dat hieruit veel ambitie spreekt. Dit is vertaald in doelen voor de korte en middellange termijn. Dit zijn tussendoelen, op weg naar de eindambitie voor 2050. Met deze doelen voor het beperken van maaivelddaling, CO2-reductie, landbouw en klimaatadaptatie leveren we een belangrijke en concrete bijdrage aan de beperking van klimaatverandering en voldoen we aan internationale verdragen. Ook de inzet op een duurzame, natuurinclusieve landbouw valt hieronder; dit geldt provincie-breed.

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers vinden dat we de pilotfase zijn ontgroeid en dat we nu de aanpak breed kunnen en moeten uitrollen. Naar hun idee zullen Wetterskip, provincie en gemeenten nu een helder kader moeten bieden en keuzes moeten maken en voldoende ambitie te tonen. Dat is er met het voorliggende plan niet.

KERN ZIENSWIJZE

Het gemak waarmee wordt gesproken over eigendommen van ondernemers stoort. De intentie om van Fryslân een hippe provincie te maken waar natuur, recreatie en woning­ bouw de corebusiness worden, doet afbreuk aan een gezonde melkveehouderij. Er wordt te weinig nagedacht over het belang van voedsel en landbouw. Inspreker wil blijven boeren met droge voeten; koop hen anders maar uit, dan zet men hun kwaliteiten en ondernemerschap elders in Nederland ten uitvoer. Biedt de landbouw zekerheid en perspectief.

INSPREKERS

239 KERN ZIENSWIJZE

8, 174

100

Het ontwerp-Veenweideprogramma gaat volkomen voorbij aan de urgentie van de klimaatcrisis door zijn behoudende aanpak en trage uitvoering. Dit biedt een treurig vooruit­ zicht voor de toekomstige generaties. Provincie Fryslân heeft als regisseur van het Veenweideprogramma de verantwoordelijkheid om nu daadkracht te tonen en een over­tuigend klimaatbeleid op te stellen voor de Friese veenweiden. Aanbeveling: Weeg de belangen van toekomstige generaties even zwaar als de belangen van de huidige

REACTIE

Inherent aan plannen en beleid is dat het gaat over gronden en eigendommen van particulieren. Grond­ eigenaren en grondgebruikers profiteren ook van publieke maatregelen. Zonder infrastructuur en waterbeheer zouden agrarische gronden bijv. niet bereikbaar en bewerkbaar zijn. Het programma benadrukt het belang van de landbouw voor het veenweidegebied en wil een duurzaam toekomst­ perspectief voor de landbouw behouden. Het flankerend beleid voor de landbouw, dat nog nader wordt uitgewerkt, vult dit in en biedt waarborgen voor boeren. Ondernemers kunnen er echter voor kiezen om hun bedrijf te laten uitkopen en elders voort te zetten.

13

INSPREKERS

REACTIE

166

Het programma geeft inderdaad richting in de vorm van een stip op de horizon, waarbij duidelijkheid over de doelen en over een strategie en aanpak in deze fase het meest belangrijk zijn. We beseffen dat de beoogde veranderingen onzekerheid en zorg opleveren. In het programma zijn daar­ voor de nodige waarborgen ingebouwd, zoals het steunen van de landbouw bij de nodige aanpassingen, fasering in de tijd, een adaptieve aanpak met herijking als er nieuwe informatie of inzichten beschikbaar komen.

KERN ZIENSWIJZE

Het programma moet worden ontdaan van de verborgen agenda; er is veel wantrouwen naar de overheid; gras is een belangrijke CO2 binder, per saldo neemt het veenweide­ gebied CO2 op, hier wordt in programma niet over gerept; industrie, energie­bedrijven en verkeer en vervoer zijn de grote veroorzakers van het CO2 probleem; vraag is of we wat kunnen bereiken in veenweidegebied in kader van het landelijk CO2 beleid. De verborgen agenda is dat het in feite een voor­stel is om het ‘cultuurnatuurgebied’ in Fryslan uit te breiden, dit blijkt wel uit de gesuggereerde uitbreiding met 2500 ha in het Natuurnetwerk Nederland en de voorgestelde 1000 ha nieuwe natuur; de wegzijging van het grondwater kent ook andere oorzaken, bijvoorbeeld de wegzijging naar de Noord-oost­polder, hier wordt in het programma niet over gerept. REACTIE

Het klopt dat gras CO2 vastlegt bij het groeien. Toch telt dit niet mee in de CO2 boekhouding omdat de vastgelegde koolstof een korte levensduur kent. Als het gewas wordt geoogst komt de koolstof snel weer vrij. Landbouwgewassen worden geconsumeerd door vee en mensen en die stoten de vastgelegde koolstof weer uit als CO2 en methaan. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld bomen waarin de koolstof voor langere tijd wordt vastgelegd in hout. Het programma richt zich op de uitstoot van CO2 door veenoxidatie. Voor het terugbrengen van de CO2 uitstoot vanuit andere sectoren lopen andere programma’s. Ook voor andere sectoren zijn afspraken gemaakt in het klimaat­akkoord. De gesuggereerde verborgen agenda om via dit programma te komen tot een uitbreiding van ‘cultuur­natuurgebied’ is geen sprake. Er wordt wel melding gemaakt van bestaande afspraken voor inrichting van nog 2500 natuur in het Natuurnetwerk Nederland en uitbreiding van nog eens 1000 ha. Dit zijn echter bestaande afspraken en geen nieuwe doelstellingen.

INSPREKERS

214

14

INSPREKERS

Integraliteit INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183, 218 KERN ZIENSWIJZE

Zet in op een bredere (integrale) gebiedstransitie. Wanneer we de grote opgaven zoals klimaatadaptatie, energie­ transitie en biodiversiteit voor ogen hebben, dan denken insprekers dat er op de lange termijn meer verandering nodig is in het gebied. Onder meer als onderdeel van de transitie naar een meer natuurinclusieve en circulaire landbouw.

REACTIE

De ambitie van het programma richt zich op 2050. Bij het nemen van maatregelen houden we dus rekening met dit lange termijnperspectief. Maar de weg daar naar toe leggen we nog niet volledig vast. We kiezen voor een adaptieve aanpak waarbinnen ruimte is voor aanpassingen op basis van ervaringen, nieuwe inzichten en technieken. Bij de ijkmomenten in 2022 en 2026 beoordelen we of er verdergaande maatregelen nodig zijn.

INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183

201 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker mist de doelen voor de bewoners en huis­ eigenaren, terwijl in andere provinciale documenten geluk op 1 staat, komt deze ambitie niet voor in het Veenweide­ programma. Huiseigenaren hebben / krijgen schade; door dit niet op te nemen in de ambitie zijn de belangen van de bewoners ondergeschikt geraakt.

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

De stip op de horizon die in het programma wordt geschetst geeft de doorkijk naar een gebiedstransitie. Dit programma zien we als een eerste stap in die transitie. Ook andere beleidsvelden vragen om veranderingen in het gebied. In de integrale gebiedsaanpak komen deze opgaven bij elkaar en deze moeten leiden tot een duurzaam toekomstperspectief.

We kunnen niet alleen investeren in “vasthouden van het bestaande”, maar moeten juist ook kijken naar nieuwe functies en nieuwe economische dragers voor het gebied.

REACTIE

De visie schetst een perspectief voor de toekomst waarin sprake is van balans tussen de belangen van landbouw, natuur, water, wonen, landschap, cultuurhistorie en archeologie. Het moet een aantrekkelijk gebied blijven om te wonen, te werken en te verblijven. Daarbij is er zeker aandacht voor de belangen van de bewoners en huis­ eigenaren. Doel is om de negatieve effecten van bodem­ daling te beperken, waaronder schade aan gebouwen, wegen en infrastructuur. Voor een aanvulling op inzet voor funderingen, verwijzen we naar het onderdeel disbalans.

INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183 KERN ZIENSWIJZE

Onze blik moet daarbij niet alleen gericht zijn op 2030, maar zeker ook op langere termijn (2050), waarbij de gevolgen van klimaatverandering sterker zichtbaar worden en we een sterke CO2-reductie als doel hebben. Met een verdere planhorizon voor ogen, zullen daardoor ook andere maatregelen voor de hand liggen, zoals verdergaande vernatting van deelgebieden.

REACTIE

In programmalijn 4, Integrale gebiedsaanpak, is aangegeven dat in het streven naar een duurzaam toekomstperspectief voor het veenweidegebied, naast landbouw als economische drager, wordt onderzocht welke andere economische dragers in het gebied versterkt en ontwikkeld kunnen worden. We zien dit als een belangrijk onderdeel van de gebieds­aanpak en zien daarbij ook een belangrijke rol voor de gemeenten. OM HIER OOK IN DE SAMENVATTING RECHT AAN TE DOEN, WORDT DEZE ZINSNEDE DAAR OOK NOG OPGENOMEN.

INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183

INSPREKERS

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

202

De ambitie van het programma richt zich op 2050. Bij het nemen van maatregelen houden we dus rekening met dit lange termijnperspectief. Maar de weg daar naar toe leggen we nog niet volledig vast. We kiezen voor een adaptieve aanpak waarbinnen ruimte is voor aanpassingen op basis van ervaringen, nieuwe inzichten en technieken. Bij de ijkmomenten in 2022 en 2026 beoordelen we of er verdergaande maatregelen nodig zijn.

In het proces van de Regionale Energiestrategie (RES) zijn duurzame energie en energieproductie ook besproken. Uiteraard moeten deze nieuwe energiedragers goed worden ingepast in het landschap. Meer planologische (experimenteer)­ruimte in het provinciaal beleid is dan ook noodzakelijk.

KERN ZIENSWIJZE

Met dit ambitieuze programma lopen provincie en Wetterskip het risico om door maatschappelijke organisaties gedwongen te worden haar doelstellingen te verwezenlijken. Er is nog veel onzeker, met name het financieel plaatje is niet rond.

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Een stip op de horizon (duidelijkheid) is belangrijk. Maar er wordt nu op een groot gebied een visie neergelegd die voor het hele gebied erg nadelig werkt en onzekerheid creëert. Het is onvoldoende duidelijk hoe het plan gaat uitwerken in de praktijk. Het kan niet zo zijn dat het Friese veenweidegebied over de rug van de agrariërs veranderd in een Nationaal Park.

Op landelijk niveau zijn in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt over het verminderen van CO2 uitstoot. Onderdeel van deze afspraken is de opgave voor de veenweide­ gebieden. Wij vinden dat elke sector, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, zijn inspanningen moet leveren. Voor financiering verwachten we van het Rijk een substantiële bijdrage om deze doelen te halen.

INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183 KERN ZIENSWIJZE

Onze blik moet daarbij niet alleen gericht zijn op 2030, maar zeker ook op langere termijn (2050), waarbij de gevolgen van klimaatverandering sterker zichtbaar worden en we een sterke CO2-reductie als doel hebben. Met een verdere planhorizon voor ogen, zullen daardoor ook andere maatregelen voor de hand liggen, zoals verdergaande vernatting van deelgebieden.

REACTIE

We geven in het Veenweideprogramma aan dat binnen de Regionale Energiestrategie onderzocht wordt door provincie, gemeenten en landbouw op welke wijze duurzame energiewinning in het veenweidegebied een nieuwe economische drager kan worden. De provinciale planologische kaders voor duurzame energie zijn voor dit Veenweideprogramma een gegeven.

15

INSPREKERS

REACTIE

INSPREKERS

222

We zijn het eens met de nadruk op integraliteit; in H. 5.2 is aangegeven dat integraliteit als uitgangspunt wordt gehanteerd.

218

KERN ZIENSWIJZE

Het draagvlak binnen Aldeboarn is groot omdat de plannen niet alleen mogelijkheden bieden voor een vitale land­ bouw, maar vooral omdat er sprake is van een integrale gebiedsaanpak (zie pagina 33). Wij missen echter in uw ontwerpprogramma de concrete invulling daarvan, terwijl deze wel degelijk besproken is. De stuurgroep neemt alle belangen in het proces mee, en maakt uitvoering van de plannen mogelijk. Voor Aldeboarn betekent dit een herinrichting die ons gebied vitaal en toekomstbestendig maakt qua watersysteem, landbouw, energievoorziening, natuur en biodiversiteit, leef- en woonomgeving, recreatie en toerisme, landschap en cultuurhistorie. REACTIE

De aanpak in Aldeboarn de Deelen ondersteunen we van harte en is een goed voorbeeld van integrale gebieds­ aanpak. Deze aanpak wordt dan ook voortgezet en zullen we ook faciliteren. De concrete invulling van het proces in Aldeboarn de Deelen hebben we niet in het ontwerp­ programma opgenomen. Deze concrete invulling vindt plaats door het gebied in samenwerking met de diverse betrokken partijen.

INSPREKERS

INSPREKERS

8 KERN ZIENSWIJZE

Het opnemen in de tekst van de wens om integraal te werken en kansen te koppelen is veel te vrijblijvend. Insprekers missen een gedegen analyse vanuit de verschillende invalshoeken, om de beste kansen voor multi­ functionele ingrepen te selecteren. En die gezamenlijke analyse zien we nog niet plaatsvinden: in de praktijk maakt nog steeds iedereen zijn eigen lijstje vanuit zijn eigen opdracht. Sterk verkokerd dus en niet integraal. REACTIE

Integraliteit als uitgangspunt krijgt zijn uitwerking in de integrale gebiedsaanpak. Per gebied vindt een analyse plaats van de maatschappelijke opgaven en van de kansen in knelpunten vanuit het gebied. Op basis hier­ van kan per gebied een integraal toekomstperspectief worden geformuleerd. Dit is maatwerk per gebied. Een gebieds­commissie met een vertegenwoordiging van de verschillende belangen, speelt hier een cruciale rol in en kan belangen aan elkaar verbinden.

175 INSPREKERS

Integraliteit moet niet alleen tot uitdrukking komen op kleine schaal bij de gebiedsprocessen van deelgebieden, maar ook op het niveau van het gehele veenweidegebied. Die integraliteit blijft nu beperkt tot de gebiedsprocessen in de zes ontwikkelgebieden genoemd op pagina 4. Inspreker mist in het ontwerp die integrale visie voor het gehele gebied.

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183

REACTIE

INSPREKERS

124 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vindt dat integraliteit bij de oplossing van de problematiek de kapstok is waaraan het veenweide­ programma moet worden opgehangen.

16

REACTIE

In H. 2.1 hebben we de brede context van het Friese veenweidegebied, gelegen tussen het zand- en kleigebied, geschetst. Het perspectief en de inzet voor het gebied houden daar rekening mee. Zoals hierboven aangeven, onder­kennen we het belang en nut van samenwerking, ook voor lobby richting rijk en Europa. HET BELANG VAN SAMEN­W ERKING IN DIT VERBAND, HEBBEN WE TOEGEVOEGD AAN H. 8 PROGRAMMAORGANISATIE.

REACTIE

Het programma legt inderdaad nu de focus op de gebieden waar het veen dikker is dan 80 cm. In het programma is echter ook aangegeven dat dit niet betekent dat er geen maatregelen worden genomen in gebieden met een dunner veen­pakket. Als daar kansen zijn om bodemdaling te beperken en CO2 uitstoot te reduceren, willen we deze benutten. Ook is aangegeven dat we kansrijke initiatieven van onder­op buiten de genoemde gebiedsprocessen zo­ veel mogelijk willen ondersteunen. In par. 7.3 staat dat oppervlakte­­water­peilen in het NNN (Natuur Netwerk Nederland) zo hoog mogelijk worden om veenoxidatie en maaiveld­­daling hierbinnen te vertragen. Samen met TBO’s willen we verkennen hoe we het veen in deze natuur­ gebieden versneld en extra kunnen vernatten om zo aan­ zienlijk bij te dragen aan vermindering van de CO2-uitstoot. Dit past binnen het initiatief voor de zgn. Urgenda gebieden.

INSPREKERS

124

Disbalans

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

De ambitie in H. 3 is integraal en heeft betrekking op het hele veenweidegebied. Om zo snel mogelijk op basis van beschikbare middelen aan de slag te kunnen gaan, hebben we in H. 4.1 resp. 5 bewust gekozen voor een focus op de dikke veengebieden en in eerste instantie op de ontwikkelen kansrijke gebieden. In H. 5.2 is aangegeven dat integraliteit het uitgangspunt is. Dat geldt niet alleen voor de lopende gebiedsprocessen, maar is bedoeld als aanpak voor het hele gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603842/1