Bijlage 3 Plan-projectMER Oudega
Tekst van het document
PLAN- EN PROJECTMER HET MEER Oudega aan het water 22 maart 2023
1/142
DATUM KENMERK
22 maart 2023 20211649.01_MERv0.1
PROJECT PROJECTLEIDER
ir. T.B.J. Bremer
OPDRACHTGEVER Gemeente Smallingerland PROJECTNUMMER 20211649.001 AUTEUR STATUS
2/142
H.M. Smit Definitief
0. SAMENVATTING 0.1
Doel van het project en het MER
De gemeente Smallingerland en de provincie Fryslân willen Smallingerland weer dichter bij de Friese Meren brengen. Gemeente en provincie hebben daarom in 2012 samen voor de omgeving van Oudega een gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’ geschreven. De gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’ is opgesteld als onderdeel van de gebiedsaanpak Oostelijke Poort Friese Meren (OPFM). Het doel van deze gebiedsaanpak is om economische groei en leefbaarheid te stimuleren en land- en waterrecreatie met elkaar te verbinden. De ontwikkeling 'Oudega aan het water' bestaat uit twee projecten: ● Het masterplan ‘Waterfront Oudega’ voorziet in ontwikkelingen rond de haven direct ten zuiden van het dorp waar het water bij de haven wordt vergroot, met daaraan gekoppeld recreatie en woningen. ● De ‘Nije Aldegeaster Sânning’, Een groot gebied iets verder naar het zuiden, op afstand van het dorp, dat omgevormd wordt naar een groot water met recreatieve en natuurlijke waarden. Hiervoor wordt nu een ruimtelijke procedure voorbereid. Een voorontwerp van het bestemmingsplan is in 2021 gepubliceerd met de naam Oudega - het meer.
Figuur 0-1 Scope gebiedsvisie (bron: Gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’)
Procedure Het graven van een meer betreft de activiteit ontgronden op basis van categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Omdat het meer groter wordt dan 25 hectare is er sprake van een directe m.e.r.-plicht. Aangezien het bestemmingsplan het kader vormt voor het later te nemen besluit tot het verlenen van een ontgrondingsvergunning, is sprake van een plicht tot het opstellen van een planMER. Het voorliggend MER is een integraal gecombineerd plan- en project-MER, dat zowel bruikbaar is in de bestemmingsplanprocedure als bij de aanvraag voor de ontgrondingsvergunning.
3/142
0.2
Planvoornemen
Dit voorliggend document heeft betrekking op het project voor de realisatie van Oudega - het meer. Omdat inmiddels de naam van het meer bekend is, zal het ontwerp bestemmingsplan bij publicatie ‘Oudega - de Nije Aldegeaster Sânning’ worden genoemd. In onderstaande figuur is het ontwerp van het plangebied weergegeven.
Figuur 0-2 Plangebied Meer bij Oudega (bron: ontwerp Meer bij Oudega (juni 2021))
Het totale plangebied bedraagt 55 hectare waarbinnen 43,5 hectare water en 11,5 hectare land wordt gerealiseerd. Het meer krijgt een zandbodem op een diepte van -2,52 m NAP met aan de randen ondiepere zones. Het landdeel bestaat uit de realisatie van nieuwe keringen, brede natuuroevers en de eilanden. Ook worden recreatieve voorzieningen zoals aanlegplekken voor boten en kano’s, een kleine parkeerplaats en een hondenstrandje aangebracht. De Nije Aldegeaster Sânning zal aansluiten op de Wide Mûntsegroppe en het Alddjip.
4/142
Gebruik Het doel van het planvoornemen is om economische groei en leefbaarheid te stimuleren en land- en waterrecreatie met elkaar te verbinden. Dat betekent dat recreanten gebruik kunnen maken van de recreatieve voorzieningen in het plangebied. Het gaat dan met name over wandel- en vaarrecreatie. Het wandel- fietspad dat wordt aangelegd van Oudega naar het zuidelijke punt van het plangebied, is bedoeld voor het in stand houden van de huidige wandel-fietsroute in het gebied. Verder wordt voorzien in maximaal 25 aanlegplekken waar passanten voor een kort tijdsbestek (maximaal drie nachten) kunnen aanmeren. Ook worden er kano en roeisteigers gerealiseerd. Nabij het te realiseren gemaal wordt voorzien in een trailerhelling met bijbehorende parkeervoorziening (maximaal 20 plaatsen). Incidenteel gebruik Het plan biedt geen kader voor grootschalige evenementen, maar mogelijkheden voor bijvoorbeeld zeilwedstrijden (zoals die in de omgeving toch al worden gehouden, bijvoorbeeld het jaarlijkse platbodemevenement) passen uitstekend binnen het doel van het plan. Dergelijke activiteiten maken deel uit van de in de bestemming genoemde functie 'watersport'. Concreet bestaat een dergelijk evenement uit twee dagen per jaar waar circa 40 kleine zeilboten elkaar in de haven van Oudega treffen. Gemaal Binnen het bestemmingsplangebied wordt ook een nieuw gemaal mogelijk gemaakt.
Het gemaal is aan de westzijde van het plangebied ter plaatse van De Geasten voorzien. Het gemaal bemaalt een gebied van circa 100 hectare ten noordwesten van het plangebied. In de huidige situatie wordt dit gebied bemaalt door het gemaal de Oosterzanding ten oosten van het gebied. Door de realisatie van het meer kan geen goede verbinding meer met dit gemaal gemaakt worden waardoor gekozen is een nieuw gemaal te plaatsen. In het bemalingsgebied van het nieuwe gemaal is ook sprake van de wijziging van de streefpeilen door het ophogen van gronden en het realiseren van een robuust watersysteem.
Figuur 0-3 Bemalingsgebied nieuw gemaal
5/142
Natuur Het planvoornemen maakt het mogelijk om ter plaatse van agrarische percelen een meer te realiseren. De grondruil met betreffende agrariërs heeft al plaatsgevonden. Dit meer wordt voor een klein deel gerealiseerd op grond die de status NNN-natuur kent, namelijk ter plaatse van de oude kering rondom het gebied. Het totaal te compenseren oppervlak bedraagt in totaal 8.896 m2. Met het planvoornemen wordt voor deze compensatie voorzien in een plasdraszone ten westen van het gebied met een oppervlakte van 18.440m2. Dit gebied wordt ook als natuur bestemd en krijgt de status NNN-natuur. Met de keuze van de locatie voor compensatie is rekening gehouden met de afstand tot de dichtstbijzijnde boer in functie. Tabel 0-1 Mogelijkheden voor compensatie NNN-gebied (zie Figuur 0-4)
Compensatie NNN
Oppervlakte*
Afstand tot dichtstbijzijnde erfgrens van een boer in functie
Natuureiland (eiland no. 2)
9.780 m2
248 m
Natuurlijk deel eiland no. 3
2
193 m
2
700 m
Plasdraszone (westzijde van het meer)
Figuur 0-4 Compensatie NNN-gebied
6/142
5.995 m
18.440 m
0.3
Aanlegfase planvoornemen
Met het planvoornemen wordt een aantal ruimtelijke ingrepen mogelijk gemaakt. Zoals in het planvoornemen al is beschreven, wordt een meer gegraven, een nieuwe kering en gemaal gerealiseerd en worden eilanden en aanlegplaatsen aangelegd. In Figuur 0-5 is het technisch ontwerp weergegeven.
Figuur 0-5 Technisch ontwerp
7/142
Aanleg meer Het meer wordt in zijn geheel ontgraven tot een diepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2.52 m t.o.v. NAP). Vrijkomende grond, veen en zand worden deels binnen het plangebied hergebruikt en deels afgevoerd. De bodem onder het te graven meer bestaat deels uit zand en deels uit veen, zie Figuur 0-6 (grotere weergave is opgenomen in bijlage 4).
Figuur 0-6 Lengteprofiel huidige situatie (van links naar rechts is zuid naar noord): grijs: leem, geel: zand, oranje: veen
In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt middels graafmachines in een afgesloten bouwkuip 150.000 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 210.000 m3 zand ontgraven. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 125.100 m3 zand vervoerd naar een locatie binnen het projectgebied en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 84.900 m3 zand, wordt afgevoerd naar een nader te bepalen locatie buiten het plangebied. Het doel hierbij is dat ook het veen nuttig wordt toegepast bijvoorbeeld als champignonmest of compost. Alle af te voeren materialen worden via een in te richten overslaglocatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. Hiervoor zijn circa 2 schepen per dag nodig. Aanleg kering Aan de westzijde van het toekomstige meer is een nieuwe regionale waterkering nodig (zwarte lijn in Figuur 0-5) om de achterliggende polder te beschermen tegen de hoge waterstanden van de boezem. Het zuidelijke deel van deze kering tot aan De Geasten is inmiddels door het Wetterskip gerealiseerd. Het deel ten noorden van De Geasten wordt in het werk uitgevoerd. Aanleg wandel-fietsroutes en parkeervoorzieningen Ter plaatse van de nieuwe kering binnen het plangebied wordt eveneens een wandel-fietsroute aangelegd (roze lijn in Figuur 0-5).
Dit wandel en fietspad is ter compensatie van de huidige wandel en fietsverbinding die vervalt door het graven van het meer. Dit wandel-fietspad wordt uitgevoerd in een halfverharding (granulaat). De parkeerplaats aan het einde van De Geasten wordt eveneens voorzien van een halfverharding (grasstenen). Aanleg eilanden en aanlegplaatsen In het ontwerp voor het meer zijn diverse eilanden en aanlegplaatsen opgenomen (groene lijn in Figuur 0-5). Met deze eilanden wordt deels een recreatieve doelstelling gediend, maar ze worden ook deels ingericht met natuurwaarden. De recreatieve eilanden worden opgebouwd door aan de lijzijde ligplaatsen te maken met een damwand. Het eiland zelf wordt opgebouwd met zand, of deels zand vermengd met veen, uit het gebied. Aan de windzijde komt waar nodig stortsteen om de oever vast te houden; aan die kant ontstaat een zone waar een natuurlijke begroeiing zoals riet zich mag ontwikkelen.
8/142
0.4
Alternatieven
Een vast onderdeel van m.e.r. -studies is het alternatievenonderzoek: in hoeverre zijn er naast of binnen het planvoornemen reële alternatieven of varianten mogelijke met andere milieueffecten? Er zijn geen alternatieven voor de gebruiksfase onderzocht. Een locatie ten westen of ten oosten van het huidig plangebied is niet wenselijk/mogelijk, aangezien het meer dan niet aansluit bij het Alddjip en het dorp Oudega. Een andere oppervlakte van het meer is ook geen realistisch alternatief: bij een kleiner meer is het niet meer mogelijk een officiële zeilwedstrijd te kunnen houden, wat wel een van de wensen/doelstellingen is. Een groter meer past niet vanwege de beschikbare gronden. In het MER is onderzocht wat een duurzame en technisch haalbare manier is om het meer te realiseren. Het uitgangspunt hierbij is dat de aanlegfase circa twee jaar zal duren. Onderstaande alternatieven hebben een andere werkwijze in de aanlegfase tot gevolg, dit heeft invloed op CO2-emissie, stikstofemissies, bodem en waterkwaliteit. Daarom worden deze situaties als alternatieven beschreven en niet als varianten. Dit is een kleine wijziging ten opzichte van de in de NRD voorgestelde aanpak, maar leidt inhoudelijk niet tot een andere onderzoeksopgave of vergelijkingsmogelijkheden.
Alternatief afvoer zandwinput Met dit alternatief wordt het veen uit het plangebied gebruikt om een zandwinput ten oosten van het plangebied te verondiepen. Het meer wordt in den natte in zijn geheel ontgraven tot een diepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2,52 m NAP). De teelaarde en zand worden mechanisch ontgraven, het overige vrijkomende materiaal bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 84.900 m3 zand, wordt afgevoerd. Het veen wordt hydraulisch naar een zandwinlocatie in Drachten vervoert. Met het verpompen van veen is circa 80% water nodig uit het plangebied. De teelaarde en het zand wordt via een in te richten overslag locatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. Hiervoor zijn circa twee schepen per week nodig. Alternatief veenbodem In het middendeel van het meer kan in plaats van het afgraven van veen, zoals in het planvoornemen is beschreven, ook worden gekozen om met een cutterzuiger het zand onder het veen weg te halen, zodat een meer met een gedeeltelijke veenbodem ontstaat. De voordelen hiervan zijn dat er geen veen wordt afgevoerd en dat door het onder water zetten van veen de CO2-emissie gering zal zijn. Met betrekking tot de afvoer van het zand wordt in eerste instantie uitgegaan van het wegzuigen van zand onder het veenpakket. Op deze manier kan het veen onder water worden gebracht en functioneren als waterbodem.
De overige werkzaamheden zijn vergelijkbaar met het planvoornemen. Alternatief afzanden veenbodem Naar aanleiding van de marktconsultatie en de eerste onderzoeksresultaten, wordt inmiddels verwacht dat een veenbodem in het meer mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de waterkwaliteit en bevaarbaarheid (zie bijlage 6). Er is daarom in dit alternatief ook een variant onderzocht waarin de optie ‘afzanden met 50 cm zand’ is opgenomen. Het afzanden houdt in dat het zand onder het veen wordt verwijderd en gedeeltelijk op het veen weer terug wordt geplaatst, nadat het veen onder water is gezet. Het meer wordt in den natte in ontgraven tot een uiteindelijk waterdiepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2,52 m NAP). Deze diepte wordt deels gerealiseerd door middel van het mechanisch ontgraven van de teelaarde en het zand, maar vooral door de zandlaag van 2,5 m (-2,52 m NAP tot -5,02 m NAP) die zich onder de veenlaag bevindt hydraulisch onder het veen weg te zuigen. Dit is 0,5 m dieper dan bij het Alternatief veenbodem. Hierdoor zakt het veen tot de gewenste diepte van -3,02 m NAP (veen blijft onder water). Vervolgens wordt de veenlaag afgezand met 0,5 m zand, waardoor er een bodemhoogte van -2,52 m NAP wordt gerealiseerd.
9/142
0.5
Effecten van het voornemen
In dit MER is uitgebreid onderzocht wat de potentiële effecten zijn van het realiseren van de gebruiksfase en de aanleg van het nieuwe meer de Nije Aldegeaster Sânning nabij Oudega. In de voorbereiding is goed nagedacht over de mogelijke effecten van de grondwaterstand en hoe dit een koppelkans kan zijn met andere ontwikkelingen aangrenzend aan het plangebied. Dit heeft ertoe geleid dat de gebruiksfase van planvoornemen geen belangrijke negatieve milieueffecten veroorzaakt. Om CO2-emissies vanuit het veen te voorkomen is bekeken of een andere waterbodem of een andere afvoerwijze/aanlegwijze voordeel biedt. Uit de beoordeling van effecten blijkt dat de voorgenomen aanleg, waarbij door afgraven en afvoer van veen een meer met zandbodem wordt gerealiseerd, per saldo tot de minste (negatieve) milieueffecten leidt. De vergelijking van de beoordeling van de milieueffecten van deze alternatieven zijn opgenomen in de volgende tabel. In de teksten na de tabel wordt de beoordeling per thema kort toegelicht. Tabel 0-2 Samenvattende beoordeling
Thema
Beoordelingscriteria/ beschrijving effecten
Natuur
Effect op beschermde gebieden (verstoring etc.)
0/+
0
0
0
0
Effect op beschermde gebieden (vermesting etc.)
0/+
0/+
-
-
-
Effect op beschermde soorten
0/+
-/0
-/0
-/0
-/0
Landschap
Effect op landschappelijke waarden
0
0
0
0
0
Cultuurhistorie
Effect op cultuurhistorische waarden Effect op archeologische waarden Effect op bodemopbouw en geohydrologisch
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
-/0
-/0
-
Effect op bodemkwaliteit
0
0/+
0/+
0/+
0/+
Effect op grondwaterkwaliteit Effecten op waterkwantiteit
0 +
0 +
0 +
0 +
0 +
Effecten op waterkwaliteit
+
0
-
-
-/0
Effecten op waterveiligheid Klimaat
0 +
0 n.v.t.
0 n.v.t.
n.v.t.
-/0 n.v.t.
CO2
0/+
0
-/0
-/0
-
Circulair Effect op bereikbaarheid
+ 0
+ 0
-/0 0
+ 0
+ 0
Effect op verkeersveiligheid
0
0
0
0
0
Effect op nautische veiligheid
0
-/0
0
-/0
-/0
Effect op bestaande woning
0
0
-/0
-/0
-/0
Archeologie Bodem
Grondwater Water
Duurzaamheid
Verkeer
Geluid
10/142
Planvoorne- Planvoornemen (gemen (aanbruik) leg)
Alt. Afvoer veen zandwinput
Alt. Veenbo- Alt. Afzanden dem veenbodem
Luchtkwaliteit
Hinder op bestaande gevoelige woningen
0
-/0
-/0
-/0
-/0
Externe veiligheid
Effecten op PR en GR
0
0
0
0
0
Gezondheid
Saldo bescherming en bevordering
0/+
0
0
0
0
0.5.1 Natuur In het MER zijn de effecten op Natura 2000-gebieden, op het Natuurnetwerk Nederland op beschermde soorten onderzocht. De gebruiksfase is voor alle alternatieven gelijk. De verschillen tussen de aanlegfase worden veroorzaakt door de effecten van de inzet van machines en schepen. N2000 Doordat de geplande ontwikkeling buiten het Natura 2000-gebied plaatsvindt, heeft deze geen invloed op de factoren oppervlakteverlies, versnippering, verstoring of mechanische effecten. Het plangebied ligt in een ander peilvak dan het Natura 2000-gebied en ligt op 0,7 km afstand. Uit het hydrologisch onderzoek (bijlage 9) blijkt dat juist een positief effect te verwachten is, doordat een lichte vernatting zal optreden op de percelen grenzend aan de Alde Feanen. In de huidige situatie vindt bemesting plaats op de agrarische percelen. Dat houdt in dat ten aanzien van stikstof in de huidige situatie, depositie plaatsvindt op vijf Natura 2000 gebieden. Door deze percelen om te vormen naar een meer, zal deze depositie opgeheven worden. In de onderstaande tabel is de grootste bijdrage weergegeven voor zowel de referentiesituatie als het planvoornemen en de alternatieve wijzen van uitvoering. Per gebied
Referentiesituatie Grootste bijdrage
Gebruiksfase Planvoornemen Alternatief planvoornemen (aanleg) Afvoer zandGrootste bijGrootste bijwinput drage drage Grootste bijdrage
Alternatief Veenbodem Grootste bijdrage
Alternatief Afzanden Grootste bijdrage
Alde Feanen (13)
1,17
0,05
0,56
1,75
1,27
3,30
Wijnjeterper Schar (16)
0,07
-
0,02
0,06
0,05
0,12
Van Oordt’s Mersken (15)
0,07
-
0,03
0,09
0,07
0,17
Bakkeveense Duinen (17)
0,04
-
0,01
0,04
0,03
0,08
Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27)
0,02
-
0,01
0,02
0,01
0,04
Hieruit blijkt dat met de gebruiksfase en de aanleg van het planvoornemen een afname is te zien van de bijdrage van het plangebied op de stikstofdepositie op vijf natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Alle alternatieven leiden per saldo tot een bijdrage van stikstofdepositie op de Alde Feanen, waarbij het Alternatief Afzanden de grootste bijdrage tot gevolg heeft. Ook op andere Natura 2000-gebieden worden per saldo bijdragen berekend, behalve bij het Alternatief Veenbodem. Bij alle alternatieven wordt een cutterzuiger ingezet om de zandlaag te verwijde-
11/142
ren. Uit de berekeningen blijkt dat deze machines een hogere emissie hebben dan graafmachines. Bij het alternatief afzanden is zelfs een dubbele bijdrage berekend. Dit wordt verklaard doordat de cutterzuiger twee keer ingezet moet worden. De eerste keer om het zand onder het veen weg te halen en de tweede keer om circa 0,50 m zand op het veen te plaatsen. NNN Met het planvoornemen verdwijnt de huidige kering die de aanduiding NNN-natuur heeft met een totale oppervlakte 8.896 m2. Dat maakt dat er een compensatieverplichting ontstaat. Deze compensatie wordt ingevuld door de te realiseren plasdraszone in het westen van het plangebied aan te wijzen als NNN-natuur en als zodanig te bestemmen. De nieuw te realiseren plasdraszone aan de zuidwestkant van het gebied bedraagt 18.440 m2 en omvat daarmee in ieder geval ruim het te compenseren oppervlak. Door het inrichten van deze plasdraszone wordt dan ook voldaan aan de compensatieverplichting. Daarnaast wordt door de inrichting van deze zone een meer gevarieerd habitat gerecreëerd dan de huidige waarden ter plaatse van de kering. Het binnen het plangebied gelegen NNN-beheergebied, dat pas het laatste jaar als zodanig ook wordt beheerd, verdwijnt met de realisatie van het meer. Uit onderzoek blijkt dat dit gebied wordt gebruikt door de Grutto en de kieviet maar kent geen formele status als weidevogelgebied.
Om deze soorten tegemoet te komen worden de gronden direct grenzend aan het plangebied, ten zuiden van De Geasten, optimaal ingericht als fûgeltsjelân. Soorten Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats van ‘beschermde’ soorten. De otter en verschillende soorten vleermuizen maken wel gebruik van het gebied maar hebben geen vaste verblijfplaats. Door de aanleg van plasdraszones langs de zuidwestelijke oever en de eilanden, ontstaat een groter areaal van geschikt habitat voor de otter. Ook het foerageergebied voor onder andere de meervleermuis wordt door deze oevers uitgebreid. Dat maakt dat het planvoornemen een licht positief effect heeft op de aanwezige beschermde soorten en bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Alde Feanen. Ten aanzien van de werkzaamheden treedt verstoring en vernietiging van habitat op. Echter hebben de voorkomende beschermde soorten voldoende uitwijkingsmogelijkheden en worden daarom niet in hun voortbestaan bedreigd. Om mogelijke effecten op de vliegroutes van vleermuizen te voorkomen worden de werkzaamheden langs de waterlijn in de dag periode uitgevoerd. Voor alle overige soorten moet worden gewerkt volgens de zorgplicht Wnb. Ten opzichte van de referentiesituatie zal er tijdelijk een licht negatief effect optreden.
0.5.2 Landschap, archeologie en cultuurhistorie Uit de beoordeling van de effecten blijkt dat voor landschappelijke kwaliteit een tijdelijk effect ontstaat tijdens de realisatie van het meer, door de aanwezigheid van machines. Met de gebruiksfase zal het open karakter van het gebied behouden blijven. Voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn geen nadelige effecten in de gebruiksfase van het planvoornemen te verwachten. De alternatieven ten aanzien van de uitvoer leiden eveneens niet tot andere effecten. 0.5.3 Bodem Voor bodem- en grondwaterkwaliteit wordt in alle alternatieven geen verschil met de aanlegfase van planvoornemen verwacht, aangezien de kleine spot met verontreinigde grond separaat wordt ontgraven en afgevoerd. Door het verwijderen van de verontreinigde stoffen treedt voor alle varianten een licht positief effect op. De hydrologische effecten die met het graven van een meer optreden zijn inmiddels al gemitigeerd door: het ophogen van gronden, het aanpassen van de waterhuishouding en streefpeilen, en het inrichten van de laaggelegen agrarische percelen voor weidevogels. De wijze van uitvoering maakt daarin geen verschil. Een onderscheidend effect met de wijze van uitvoering is dat het wegzuigen van zand niet overal duurzaam en of technisch kan worden toegepast.
Plaatselijk is een afgraving met graafmachines nodig omdat de zandlaag te compact is en de licht grindhoudende leemlaag technisch niet met een cutterzuiger uitgevoerd kan worden.
12/142
0.5.4 Water De gebruiksfase van het planvoornemen heeft een positief effect op de waterkwantiteit en -kwaliteit doordat een groot oppervlak aan de boezem wordt toegevoegd. Voor waterkwantiteit geldt dit positieve effect voor alle alternatieven, overal wordt namelijk hetzelfde oppervlak gecreëerd voor de boezem. Voor waterkwaliteit is alleen het planvoornemen positief beoordeeld, omdat het meer een zandbodem krijgt, waardoor negatieve effecten op de waterkwaliteit niet optreden of kunnen worden bijgestuurd met een onderhoud- en beheermethode die gebruikelijk is voor het bestaande boezemsysteem. Met het alternatief afzanden krijgt het meer ook een zandbodem maar omdat op basis van onderzoek nog niet duidelijk is dat het zand daadwerkelijk op het veen blijft liggen, is dit alternatief beoordeeld met licht negatief. Voor de aanlegfase van het planvoornemen worden alleen tijdelijke effecten verwacht op de waterkwaliteit door tijdelijke vertroebelingen. Met het in gebruik nemen van het meer wordt verwacht dat deze tijdelijke effecten zichzelf herstellen. Voor de overige alternatieven lijkt op basis van beschikbare onderzoeken nog wel een aantal risico’s te ontstaan in de gebruiksfase zoals het opwervelen van het veen. Als deze risico’s daadwerkelijk ontstaan dan treedt er onherstelbare schade op aan de waterkwaliteit ter plaatse en wellicht ook in het boezemsysteem.
Ten aanzien van waterveiligheid zoals overstromingsrisico’s, worden geen negatieve effecten verwacht. 0.5.5 Duurzaamheid Ten aanzien van klimaat ontstaat met het planvoornemen een positief effect op een klimaatbestendig en robuust watersysteem. Omdat dit effecten zijn op de lange termijn is geen beoordeling toegekend aan de verschillende aanlegfasen. Door het wegnemen van de veenlaag in het gebied wordt voorkomen dat binnen het plangebied CO2 emissie plaatsvindt door veenoxidatie. De wijze van uitvoering heeft wel effect op de totale CO2 emissie. Met de aanleg van het planvoornemen staat de emissie van machines gelijk met de emissie uit het veen, die wordt weggenomen. De emissies van de alternatieven zijn door de inzet van extra materieel hoger dan de referentiesituatie. Het alternatief afzanden is door dubbele werkzaamheden dusdanig hoog dat deze negatief scoort. Het alternatief zandwinput scoort op circulariteit als enige licht negatief omdat het veen hier wordt gezien als afval. De overige alternatieven en het planvoornemen kunnen naar verwachting volledig circulair uitgevoerd worden en krijgt daardoor een positieve score. 0.5.6 Verkeer Het planvoornemen en de alternatieven leiden niet tot nadelige effecten op de aspecten bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
Omdat ten aanzien van de al drukke vaarweg kan een toename van vrachtschepen effecten hebben op de nautische veiligheid. Bij de aanlegfase van het planvoornemen, alternatief veenbodem en afzanden veenbodem ontstaan een toename van twee schepen per dag. Bij het alternatief afvoer zandwinput zijn veel minder schepen nodig en scoort daarom iets beter. 0.5.7 Overige milieuaspecten Geluid Ten aanzien van het planvoornemen en de aanlegfase worden geen effecten verwacht ten opzichte van de referentiesituatie. Voor de alternatieven is wel een licht negatief effect te verwachten omdat met alle alternatieven meer machines worden ingezet, zowel graafmachines en een zuig- pompinstallatie. Luchtkwaliteit Voor stofhinder worden geen effecten verwacht voor alle wijzen van uitvoer omdat het gebied relatief nat is. Indien in erg droge periode gestart wordt met het vergraven van de bouwvoor zijn maatregelen nodig, zoals het nat houden van deze gronden om stof hinder te voorkomen. Ten aanzien van luchtkwaliteit worden met het planvoornemen geen effecten verwacht omdat gemotoriseerd (vaar)verkeer nauwelijks toeneemt. Nadelige effecten op de luchtkwaliteit bij de aanlegfase van het planvoornemen kan ook worden uitgesloten omdat de achtergrondwaarden in het plangebied zeer goed zijn en de toename van emissies niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden.
Ten aanzien van de alternatieven wordt door de inzet van extra machines een hogere emissie verwacht. De beoordeling is dan ook gerelateerd aan de beoordeling van stikstof maar weegt minder zwaar omdat de achtergrondwaarde goed tot zeer goed is.
13/142
Externe veiligheid Er worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Wel kunnen er door de planontwikkeling meer personen aanwezig zijn binnen het invloedsgebied van de nabijgelegen gasleiding. De personendichtheid is echter zo gering, dat dit geen significante invloed heeft op het groepsrisico. Gezondheid Als het meer eenmaal is aangelegd, is er sprake van een per saldo positief effect op gezondheid van de gebruikers van het gebied en de bewoners van Oudega, omdat er een nieuw, kwalitatief hoogwaardig recreatie gebied is aangelegd dat uitnodigt tot bewegen, wandelen, fietsen, verblijven en ontmoeten. De leefomgevingskwaliteit in het gebied is hoog.
0.6
Conclusie en maatregelen
Planvoornemen Uit dit MER blijkt dat het planvoornemen en de aanlegfase van het planvoornemen uitvoerbaar is en in positieve zin een bijdrage levert aan het ontwikkelen van natuurwaarden, vermindering van CO2 emissie door veen, het verminderen van stikstofemissie door opheffen agrarische activiteiten en de realisatie van een robuust klimaatbestendig watersysteem. Wanneer het planvoornemen is gerealiseerd, draagt het gebied ook bij aan de gezondheid en zet aan tot bewegen en ontmoeten. Aanlegfase planvoornemen. Het planvoornemen gaat uit van het vergraven van het meer, waarbij de vrijkomende grond en veen worden afgevoerd voor nuttige toepassing. Ook hiervan zijn de potentiële effecten bepaald, beoordeeld en samengevat in Tabel 0-2. Voor de aspecten stikstofdepositie en bodemkwaliteit geeft de voorgenomen aanlegfase van het planvoornemen een licht positief effect. Er ontstaat op beschermde soorten wel een tijdelijk licht negatief effect door mogelijke verstoring. Door de toename van vrachtvaarbewegingen voor de afvoer van grond en veen is eveneens een licht negatief effect te zien op de nautische veiligheid. Deze effecten zijn met maatregelen te voorkomen of te mitigeren, zodat onomkeerbare schade of hinder is uitgesloten. Voor de overige aspecten worden geen negatieve effecten verwacht in de aanlegfase van het planvoornemen.
Mitigerende maatregelen De volgende mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk: 1. Vleermuis: In de gebruiksfase zijn geen negatieve effecten te verwachten mits geen verlichting in het gebied wordt aangelegd of uitsluitend zeer lokaal en in de vorm van vleermuisvriendelijke verlichting. 2. Ten behoeve van de aanlegfase is het noodzakelijk om de werkzaamheden bij daglicht uit te voeren om verstoring van vleermuizen door licht (en tevens geluid en trillingen) te voorkomen. 3. Daarnaast moeten het broedseizoen van vogels en de zorgplicht van de Wnb bij de aanleg in acht worden genomen. 4. Werkzaamheden spreiden over meer dan twee jaar indien de bijdrage van stikstofemissies groter is dan de referentiesituatie (geldt alleen voor de alternatieven). 5. Een meer met een zandbodem, of nader onderzoek voor het alternatief Afzanden om de te verwachte effecten uit te sluiten. Aanbevelingen 1. Plasdraszones met maximale waterdiepte van 90 centimeter, met een zandbodem zodat waterplanten zich goed kunnen ontwikkelen en schuilmogelijkheden biedt voor jonge vis. 2. Boomopslag zoveel mogelijk voorkomen op het natuureiland om zo predatie te voorkomen. 3. Rietplaggen uit braakliggend terrein benutten om een rietvegetatie op gang te krijgen. Ditzelfde geldt voor krabbenscheer. 4.
Geadviseerd wordt (deels) een waterdiepte van 3 meter te realiseren waarbij wordt voorkomen dat het meer dichtgroeit met ondergedoken waterplanten. Dit zou ook met een beheermaatregel zoals maaien kunnen worden opgelost, wanner er sprake is van overmatige plantengroei.
14/142
5. 6.
Tijdens de aanlegfase wordt aanbevolen om te voorzien in informatie voorziening naar omgeving en bewegwijzering voor werkverkeer zo ook voor de recreatievaart. Indien in erg droge periode gestart wordt met het vergraven van de bouwvoor zijn maatregelen zoals het nat houden van deze gronden noodzakelijk om stof hinder te voorkomen.
Alternatieven Naast de voorgenomen uitvoering van het planvoornemen zijn de potentiële effecten van de alternatieve wijze van uitvoering beoordeeld. Hierbij is gekeken naar de afvoer van het veen naar een nabij gelegen zandwinput, het verwijderen van zand onder de veenlaag zodat een meer met veenbodem ontstaat of een variant van deze laatste versie waarbij het zand weer op het veen wordt aangelegd om een zandbodem in het meer te creëren. De verschillen in de beoordeling van de effecten van de verschillende manieren van uitvoering worden veroorzaakt door de effecten van de inzet van machines en schepen. Ten aanzien van het onderdeel stikstofdepositie moet de duur van de aanlegfase worden verlengd om de stikstofemissie per jaar vergunbaar te krijgen. Dit komt per jaar door de hoge emissie van de inzet van een cutterzuiger inclusief graafmachines. Voor het alternatief afzanden kan dit oplopen tot circa zes jaar voordat het effect neutraal wordt. Om deze reden worden deze alternatieven negatief beoordeeld. Op basis van de bodemonderzoeken blijkt dat de inzet van een cutterzuiger technisch een uitdaging is en het traditioneel ontgraven nog steeds gedeeltelijk moet plaatsvinden. Met het alternatief afzanden moet dieper worden gegraven om de benodigde hoeveelheid zand uit het gebied te halen.
Hierbij blijkt dat plaatselijk een deel van de leemlaag ontgraven moet worden om de gewenste diepte te bereiken. Dit is technisch niet uitvoerbaar met een cutterzuiger. Voor de alternatieven afvoer zandwinput en veenbodem worden negatieve effecten verwacht op de waterkwaliteit en waterveiligheid. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan niet geheel worden uitgesloten dat effecten zoals opwervelen van veen en de nalevering van methaan plaats vindt. Indien deze effecten daadwerkelijk optreden, is de kans op een onherstelbaar schade op de waterkwaliteit groot. Eindconclusie Uit het MER blijkt dat er geen negatieve effecten en verschillende positieve effecten zijn te verwachten van een nieuw meer conform het planvoornemen en het gebruik daarvan. Voor de aanleg/ontgronding is onderzocht of er slimme alternatieve manieren zijn om het meer aan te leggen of voor de afvoer van zand en veen. Uit dit MER blijkt dat dit niet het geval is: de voorgenomen wijze van aanleggen is vanuit het oogpunt van de onderzochte omgevingsaspecten de meest gunstige wijze.
15/142
16/142
INHOUD 0.
1.
2.
3.
4.
Samenvatting
3
0.1 0.2 0.3 0.4 0.5
Doel van het project en het MER Planvoornemen Aanlegfase planvoornemen Alternatieven Effecten van het voornemen 0.5.1 Natuur 0.5.2 Landschap, archeologie en cultuurhistorie 0.5.3 Bodem 0.5.4 Water 0.5.5 Duurzaamheid 0.5.6 Verkeer 0.5.7 Overige milieuaspecten
3 4 7 9 10 11 12 12 13 13 13 13
0.6
Conclusie en maatregelen
14
Inleiding
23
1.1 1.2 1.3
23 25 26
Aanleiding M.e.r-plicht en -procedure Inspraak en advies
Beleid en doelstelling
28
2.1
Nationaal en regionaal 2.1.1 NOVI 2.1.2 Veenweideprogramma 2021-2030 2.1.3 Omgevingsvisie Fryslân- De Romte diele 2.1.4 Verordening Romte 2.1.5 Ontgrondingenverordening Friesland 2.1.6 Omgevingsverordening Fryslân 2022
28 28 28 29 30 31 31
2.2
Gemeentelijk beleid 2.2.1 Gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’ 2.2.2 Structuurvisie Smallingerland 2.2.3 Omgevingsvisie Smallingerland 2.2.4 Toeristisch-recreatief ontwikkelplan
33 33 33 34 34
2.3
Beleidsdoelen Nije Aldegeaster Sânning
35
Referentiesituatie
38
3.1 3.2
38 44
Beschrijving huidige situatie plangebied en omgeving Autonome ontwikkelingen
Planvoornemen/ Projectbeschrijving
49
4.1 4.2
49 50
17/142
Historie Afgewogen alternatieven
4.3
5.
6.
7.
8.
Planvoornemen 4.3.1 Gebruik 4.3.2 Waterhuishouding 4.3.3 Natuur 4.3.4 Aanlegfase
51 53 55 57 59
Alternatieven en varianten
64
5.1 5.2 5.3
Algemeen Afgevallen alternatieven Te onderzoeken alternatieven 5.3.1 Alternatief afvoer veen zandwinput 5.3.2 Alternatief veenbodem 5.3.3 Alternatief afzanden veenbodem
64 64 64 64 66 66
5.4
Voorkeursalternatief
67
Onderzoeksopzet
68
6.1 6.2 6.3
68 68 69
Algemeen Plangebied en studiegebied Beoordeling milieuaspecten
Natuur
71
7.1
Toetsingskader 7.1.1 Wet- en regelgeving 7.1.2 Beoordelingskader
71 71 72
7.2
Referentiesituatie 7.2.1 Gebiedsbescherming 7.2.2 Soortenbescherming
73 73 76
7.3
Planvoornemen 7.3.1 Gebiedsbescherming 7.3.2 Soortenbescherming
78 78 81
7.4
Aanlegfase planvoornemen 7.4.1 Gebiedsbescherming 7.4.2 Soortenbescherming
82 82 83
7.5
Alternatieven 7.5.1 Gebiedsbescherming 7.5.2 Soortenbescherming
83 83 84
7.6
Samenvattende effectbeoordeling
84
Landschap, archeologie en cultuurhistorie
86
8.1
Toetsingskader 8.1.1 Wet- en regelgeving/beleid 8.1.2 Onderzoeksmethodiek en beoordelingskader
86 86 86
8.2 8.3
Referentiesituatie Planvoornemen
87 94
18/142
8.4 8.5 8.6
9.
Aanlegfase planvoornemen Alternatieven Samenvattende effectbeoordeling
95 95 95
Bodem
96
9.1
Toetsingskader 9.1.1 Wet- en regelgeving/beleid 9.1.2 Onderzoeksmethodiek en beoordelingskader
96 96 96
9.2 9.3 9.4 9.5 9.6
Referentiesituatie Planvoornemen Aanlegfase planvoornemen Alternatieven Samenvattende effectbeoordeling
97 100 103 103 104
10. Water
105
10.1 Toetsingskader 10.1.1 Wet- en regelgeving/beleid 10.1.2 Onderzoeksmethodiek en beoordelingskader
105 105 105
10.2 10.3 10.4 10.5 10.6
106 109 111 111 113
Referentiesituatie Planvoornemen Aanlegfase planvoornemen Alternatieven Samenvattende effectbeoordeling
11. Duurzaamheid
115
11.1 Toetsingskader 11.1.1 Wet- en regelgeving/beleid 11.1.2 Onderzoeksmethodiek en beoordelingskader
115 115 116
11.2 11.3 11.4 11.5 11.6
116 117 118 118 119
Referentiesituatie Planvoornemen Aanlegfase planvoornemen Alternatieven Samenvattende effectbeoordeling
12. Verkeer
120
12.1 12.2 12.3 12.4 12.5 12.6
120 120 122 123 124 124
Toetsingskaders Referentiesituatie Planvoornemen Aanlegfase planvoornemen Alternatieven Samenvattende effectbeoordeling
13. Overige milieuaspecten 13.1 Geluid 13.1.1
19/142
Toetsingskaders
126 126 126
13.1.2 13.1.3 13.1.4 13.1.5 13.1.6
Referentiesituatie Planvoornemen Aanlegfase Planvoornemen Alternatieven Samenvattende effectbeoordeling
127 127 127 128 128
13.2 Luchtkwaliteit 13.2.1 Toetsingskader 13.2.2 Referentiesituatie 13.2.3 Planvoornemen 13.2.4 Aanlegfase planvoornemen 13.2.5 Alternatieven 13.2.6 Samenvattende effectbeoordeling
128 128 129 131 131 131 132
13.3 Externe veiligheid 13.3.1 Toetsingskader 13.3.2 Referentiesituatie 13.3.3 Planvoornemen 13.3.4 Aanlegfase Planvoornemen 13.3.5 Alternatieven 13.3.6 Samenvattende effectbeoordeling
132 132 133 133 134 134 134
13.4 Gezondheid 13.4.1 Toetsingskader 13.4.2 Referentiesituatie 13.4.3 Planvoornemen 13.4.4 Aanlegfase planvoornemen 13.4.5 Alternatieven 13.4.6 Samenvattende effectbeoordeling
134 134 135 135 135 135 135
14. Conclusie
136
14.1 14.2 14.3 14.4
136 138 138 139
20/142
Conclusie Maatregelen Leemten in kennis Monitoring
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16
21/142
Ontwerp Meer bij Oudega Notitie locatie gemaal Altenburg en Wymenga advies inrichting natuurwaarden Lengteprofiel bodemopbouw Notitie piping Waterkwaliteit in relatie tot waterbodem Stikstofonderzoek Uitgebreide natuurtoets Hydrologisch onderzoek Archeologisch onderzoek Veen en zand kwantiteit Verkennend bodemonderzoek Kwaliteit veenbodem Niet gesprongen explosieven CO2 in relatie tot veenafbraak Samenvatting van uitgangspunten uit marktconsultatie
22/142
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Voortraject Oudega (eigenlijk heel Smallingerland) ontleent haar betekenis vanuit het verleden vooral aan de ligging aan het open en bevaarbare water. In de loop van de tijd zijn Oudega en Drachten steeds verder van het water af komen te liggen en veranderden de waterzijdes in achterkanten. De gemeente Smallingerland en de provincie Fryslân willen Smallingerland weer dichter bij de Friese Meren brengen. Gemeente en provincie hebben daarom in 2012 samen voor de omgeving van Oudega een gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’ geschreven. In deze visie is een inspirerend plan opgenomen dat ertoe moet leiden dat het gebied tussen De Veenhoop en Oudega uitnodigend wordt ingericht voor recreanten met onder andere een aantrekkelijke route naar Oudega vanaf de Nije Mûntsegroppe en de Smalle Ee.
Figuur 1-1 scope gebiedsvisie (bron: Gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’)
De gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’ is opgesteld als onderdeel van de gebiedsaanpak Oostelijke Poort Friese Meren (OPFM), dat is gericht op het (beter) ontsluiten van de westkant van de gemeente op het Friese Merengebied (de oostelijke poort). De gebiedsaanpak OPFM omvat de ontwikkelingen ‘Oudega aan het water’, ‘Waterfront Drachten’, ‘Vaarweg Drachten’ en ‘Tussendiepen’. Het doel van deze gebiedsaanpak is om economische groei en leefbaarheid te stimuleren en land- en waterrecreatie met elkaar te verbinden. De aanpak is erop gericht om De Friese Wouden en de Friese Meren te verbinden, de watersportstructuur te versterken en de beroeps- en recreatievaart veiliger te maken door scheiding van vaarwegen. De ontwikkeling 'Oudega aan het water' bestaat uit twee projecten: ● Het gebied direct ten zuiden van het dorp, rond de haven, waar het water bij de haven wordt vergroot, met daaraan gekoppeld recreatie en woningen (masterplan Waterfront Oudega). Dit project is inmiddels in uitvoering en omvat mogelijkheden voor horeca, recreatief verblijf en wonen, in samenhang met een vernieuwingsslag van de haven. De vervallen leegstaande bebouwing aan de haven is opgekocht, is of wordt gesloopt en/of door de markt ontwikkeld.
23/142
●
Een groot gebied iets verder naar het zuiden, op afstand van het dorp, dat omgevormd wordt naar een groot water met recreatieve en natuurlijke waarden (Oudega - Nije Aldegeaster Sânning). Hiervoor wordt nu een ruimtelijke procedure voorbereid. Een voorontwerp van het bestemmingsplan is in 2021 gepubliceerd met de naam Oudega - het meer.
Planvoornemen Dit voorliggende document heeft betrekking op het 2e project: de realisatie van Oudega- het meer. Omdat inmiddels de naam van het meer bekend is, zal het ontwerp bestemmingsplan bij publicatie ‘Oudega- de Nije Aldegeaster Sânning’ worden genoemd. In dit MER zal deze naam ook gehanteerd worden. In onderstaande figuur is het plangebied weergegeven. In paragraaf 4.1 is de historie nader beschreven, waarbij ook is onderbouwd hoe tot het huidige planvoornemen is gekomen.
Figuur 1-2 Plangebied Meer bij Oudega (bron: ontwerp Meer bij Oudega (juni 2021))
Het totale plangebied bedraagt 55 hectare waarvan 43,5 hectare water en 11,5 hectare land wordt gerealiseerd. Het landdeel bestaat uit de realisatie van nieuwe keringen, oeverzones en de eilanden. De Nije Aldegeaster Sânning zal aansluiten op de Wide Mûntsegroppe en het Alddjip. In het ontwerp (zie Figuur 4-1 en Figuur 4-8) is het zuidelijk deel van het meer open en ruim zodat er gezeild kan worden. Het noordelijk deel van de Nije Aldegeaster Sânning is meer besloten, daar zijn
24/142
ook de meeste ligplaatsen voorzien. De westzijde is gevarieerd, met de mogelijkheid om aan wal te gaan en het varen te combineren met wandelen of fietsen. Aan deze kant zijn 25 aanlegplekken, brede natuuroevers en in de noordelijke punt een hondenlosloopstrandje geprojecteerd. Langs het zuidelijk deel van de westoever van de Nije Aldegeaster Sânning wordt ook een ‘strúnpaad’ aangelegd. Aan de zuidzijde scheidt een eiland het meer van de doorgaande vaarroute Drachten - Earnewâld. De bodem onder het te graven meer bestaat deels uit zand en deels uit veen. In het noordelijk deel van het meer zal hoofdzakelijk zand worden afgegraven om het meer te maken. In het meest zuidelijk deel, ter plaatse van/nabij de huidige kering, wordt voornamelijk veen afgegraven en in het middendeel deel wordt veen en zand afgegraven zodat er een meer met een zandbodem ontstaat met een diepte van minimaal 2 meter. Het afgegraven veen en zand zal grotendeels worden afgevoerd voor hergebruik. De toplaag en een klein deel van het zand en het veen zullen in het plangebied worden hergebruikt. De doelstellingen voor het meer worden uitgewerkt in paragraaf 2.3, het ontwerp en alle functies in het planvoornemen worden in hoofdstuk 4 beschreven.
Procedures Om het meer mogelijk te maken zijn in ieder geval de volgende procedures nodig: ● een bestemmingsplanwijziging (bevoegd gezag: gemeente Smallingerland); ● een wijziging peilbesluit (bevoegd gezag: Wetterskip Fryslân); ● een watervergunning (bevoegd gezag: Wetterskip Fryslân); ● een ontgrondingsvergunning (bevoegd gezag: provincie Friesland). Het wijzigen van het peilbesluit en de ruilverkaveling met de agrariërs is gedeeltelijk autonoom en gedeeltelijk gekoppeld om een robuust watersysteem te realiseren waarbij de functies rondom het gebied instant gehouden worden. Buiten het plangebied wordt de peilsituatie ook zonder het meer uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met de effecten van het te realiseren meer.
1.2
M.e.r-plicht en -procedure
M.e.r.-plicht Voor de bij dit project voorgenomen activiteiten geldt een verplichting voor het opstellen van een planMER in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Daarnaast geldt een m.e.r.-plicht voor de ontgrondingsactiviteiten: het ontgraven kwalificeert als de winning van oppervlaktedelfstoffen, te weten zand (dat als bouwstof kan worden gebruikt) en veen (dat als grondstof kan dienen bij de productie van potgrond en substraten). Aangezien het te ontgraven oppervlak groter is dan de drempelwaarden van 25 hectare van categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is de ontgronding een m.e.r.-plichtige activiteit. Aangezien het bestemmingsplan het kader vormt voor het later te nemen besluit tot het verlenen van een ontgrondingsvergunning, is sprake van een plicht tot het opstellen van een planMER. Het voorliggend MER is een integraal gecombineerd plan- en project-MER, dat zowel bruikbaar is in de bestemmingsplanprocedure als bij de aanvraag voor de ontgrondingsvergunning. Het peilbesluit heeft betrekking op het verhogen van het peil in en om het plangebied. Het verhogen van het peil is niet m.e.r - beoordelingsplichtig zoals bedoeld in categorie D49.1 en D49.2 van het onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dit gaat over bepaalde bestaande oppervlaktewater.
Ook is geen sprake van D49.3, dit gaat namelijk over een structurele verlaging van het (streefpeil). Daar is voor dit plan geen sprake van. Procedure Een eerste stap in de m.e.r.-procedure is het opstellen van een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD), waarin het doel, de scope en de aanpak voor het MER worden beschreven. De NRD heeft ter inzage gelegen en is voor advies verzonden aan de
25/142
overlegpartners. De binnengekomen reacties zijn beschreven in paragraaf 1.3 en verwerkt in de aanpak van het op te stellen MER. Er is voor gekozen om de NRD niet voor vrijwillig advies aan de Commissie voor de m.e.r.1 voor te leggen, omdat de Commissie al in twee voorgaande procedures een richtlijnenadvies heeft gegeven (zie paragraaf 4.1, waar deze adviezen uitgebreider zijn besproken). Op basis van deze adviezen is een duidelijke lijn af te leiden over de onderwerpen die in een MER voor dit meer (en ontgronding) moet worden onderzocht. Hiermee is reeds rekening gehouden bij de opzet van het MER, zoals beschreven in de NRD. Inmiddels is het voorliggende MER opgesteld. Het doel van het MER is het leveren van voldoende informatie over de te verwachten milieueffecten, mogelijke (mitigerende) maatregelen en reële alternatieven ten behoeve van de besluitvorming over het bestemmingsplan. Het MER wordt gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het MER vormt vervolgens een bijlage bij het vast te stellen bestemmingsplan en de aanvraag voor de ontgrondingenvergunning. Daarnaast zullen andere besluiten genomen worden zoals in het kader van de Waterwet en de Wet natuurbescherming. In de genoemde besluiten wordt gemotiveerd op welke wijze in het besluit/plan is omgegaan met de resultaten en conclusies uit het MER.
Het MER wordt voor toetsing aangeboden aan de Commissie voor de m.e.r. bij de ter inzage-periode van het ontwerpbestemmingsplan, aangezien dit de eerste procedure is waarvoor het MER wordt opgesteld. Eerdere NRD-procedures In 2009 is al een NRD opgesteld ten behoeve van het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan (PIP) en het verlenen van een ontgrondingsvergunning voor de aanleg van een meer van 100 à 150 hectare ten zuiden van Oudega. Aangezien de procedures voor het vaststellen van de PIP en het verlenen van de ontgrondingsvergunning niet zijn doorgezet, is geen MER opgesteld. In 2016 is opnieuw een NRD opgesteld voor twee ontwikkelingen binnen het initiatief Oostelijke Poort Friese Meren, te weten de gebiedsontwikkeling van het Waterfront Drachten en de gebiedsontwikkeling van Oudega aan het water, dat was gericht op het terugbrengen van een nieuw breed waterlichaam ten zuiden van Oudega. Ook in dit geval is geen MER opgesteld omdat de procedures voor het wijzigen van de relevante bestemmingsplannen niet zijn doorgezet. In beide gevallen heeft de Commissie voor de m.e.r. geadviseerd over reikwijdte en detailniveau van het MER, wat in paragraaf 4.1 verder wordt besproken.
1.3
Inspraak en advies
Inspraak bestemmingsplan Het voorontwerp bestemmingsplan ‘Oudega het meer’ heeft van 30 september tot 28 oktober 2021 ter inzage gelegen. Hierop is reactie gekomen van 3 personen/organisaties. Deze inspraak heeft onder andere geleid tot een iets andere aanpak waarbij een gecombineerd plan- en project-MER wordt opgesteld. Inspraak NRD Omdat de NRD is opgesteld naar aanleiding van de inspraakreacties op het voorontwerpbestemmingsplan, heeft deze niet gelijktijdig ter inzage gelegen. Daarom is een aparte stap in de procedure ingevoegd, waarin de NRD is verzonden naar overlegpartners (bestuursorganen) en van 1 juni tot 28 juni 2022 ter inzage heeft gelegen. Gedurende deze termijn kon worden gereageerd, waarvan gebruikgemaakt is door twee insprekers. Er is een reactie ontvangen die met name betrekking heeft op de realisatie van de fietsroute langs de Wolwarren dat buiten het plangebied is gelegen. De realisatie van het fietspad wordt geregeld in een separate procedure. Dit wordt verder beschreven in paragraaf 3.2. Het fietspad binnen het plangebied wordt gerealiseerd ter compensatie van de bestaande 1 Het aanvragen van een richtlijnenadvies van de commissie m.e.r. is niet verplicht maar wel vrijwillig mogelijk, het voorleggen van een planMER te toetsing is wel
verplicht.
26/142
fiets- en wandelverbinding van de Gealânswei richting De Geasten en heeft geen direct verband met de nieuwe fietsroute buiten het plangebied. Als blijkt dat met de separate procedure een verbinding kan worden gemaakt met het fietspad in het plangebied, zou een aansluiting bij de zuidwestelijke hoek van het meer realistisch zijn. De effecten van deze fietsroute buiten het plangebied worden dan ook niet meegenomen in dit MER. De zienswijze heeft niet geleid tot een wezenlijk andere aanpak van het MER. Op 22 november 2022 is de NRD aan de orde geweest in een ronde tafel van de Raad van Smallingerland. Er was één indiener van zienswijzen aanwezig die in deze vergadering twee punten aan de orde stelde: ● Worden er niet te veel recreatieve functies gemaakt langs de zgn. ecologische zone waardoor het risico bestaat dat deze zone zich onvoldoende ontwikkelt. ● Bij een brand van ATF in Drachten zijn veel chemicaliën via de lucht verspreid. Zijn er nog chemische resten aanwezig in het plangebied die de werkzaamheden belemmeren? In hoofdstuk 7 en 9 van dit MER zijn deze aspecten meegenomen.
Advies NRD Overlegpartner LTO heeft een reactie gegeven waarin aandacht wordt gevraagd voor een aantal punten: ● NNN: ‘Daar waar in dit plan de ambitie wordt uitgesproken om nieuwe natuur te ontwikkelen die onderdeel zou moeten uitmaken van de NNN, ontstaat spanning met de provinciale keuzes die op dit vlak zijn gemaakt.’ Reactie: In hoofdstuk 4 is aangegeven hoe het NNN-gebied in het plangebied wordt aangepast en gecompenseerd, in hoofdstuk 6 van dit MER wordt dit vanuit natuurwaarden beoordeeld. Deze opmerking leidt niet tot een andere aanpak. ● Waterhuishouding: Zeker met het oog op de productieomstandigheden op de omliggende agrarische gronden is van belang in kaart te brengen hoe het plan van invloed is op de waterhuishouding binnen deze gronden. Reactie: De mogelijke effecten van het plan op de waterhuishouding in de omgeving worden in hoofdstuk 8 en 9 van dit MER in beeld gebracht. ● Natura 2000: Risico dat Natura 2000-gebied gaat opschuiven, met alle effecten voor de nabijgelegen boerenbedrijven van dien. Er dient volgens de LTO een risicoanalyse in het kader van het MER plaats te vinden. Reactie: Het plan beïnvloedt de grenzen van Natura 2000-gebieden niet, effecten op Natura 2000 worden in hoofdstuk 6 onderzocht en in het plan wordt rekening gehouden met huidige en toekomstige afstanden van agrarische bedrijven tot beschermde natuurgebieden, zie hoofdstuk 4.
Gewijzigde aanpak Bovenstaande inspraak- en adviesreacties hebben niet geleid tot een andere aanpak van het MER, maar wel tot een nadere detaillering van het onderzoek naar natuur(waarden) in Hoofdstuk 7, zowel ten aanzien van de effecten van het fietspad als de afstanden van agrarische bedrijven tot beschermde natuurgebieden. In de NRD is uitgegaan van varianten met betrekking tot de inrichting van de natuurlijke elementen in het meer. Enkele nog te maken keuzes gaan over de uitvoering van eilanden, oevers en mogelijke ondieptes en grindbakken. Bij nadere uitwerking is geconcludeerd dat dit geen volwaardige varianten zijn met andere milieueffecten, maar mogelijke maatregelen om de doelstellingen ten aanzien van biodiversiteit en natuur te bereiken. Dit wordt in Hoofdstuk 7 uitgewerkt; de resultaten worden meegenomen bij het bepalen en detailleren van de voorkeursvariant. Naar aanleiding van de marktconsultatie (bijlage 16) en de eerste onderzoeksresultaten, wordt inmiddels verwacht dat een veenbodem in het meer negatieve gevolgen heeft voor de waterkwaliteit en bevaarbaarheid. Er is daarom ook een alternatief onderzocht waarin de optie ‘afzanden met 50 cm zand’ is opgenomen. Het afzanden houdt in dat het zand onder het veen wordt verwijderd en gedeeltelijk op het veen weer terug wordt geplaatst, nadat het veen onder water is gezet.
Naast de verwachte voordelen voor waterkwaliteit, betekent dit ook dat er minder zand hoeft te worden afgevoerd. Er moet wel dieper worden gegraven dan de voorgestelde 2 meter. De volledige beschrijving van deze alternatieven is opgenomen in paragraaf 5.3.
27/142
Conclusie gewijzigde aanpak Bovenstaande aspecten hebben geleid tot een iets andere aanpak van het MER dan aangegeven in de NRD. De varianten met betrekking tot de inrichting van de natuurlijke elementen in het meer zijn niet verder beschouwd. Voor de aanlegfase is in aanvulling op het alternatief veenbodem een alternatief onderzocht waarin de optie ‘afzanden met 50 cm zand’ is opgenomen.
2. BELEID EN DOELSTELLING 2.1
Nationaal en regionaal
2.1.1 NOVI In de Nationale omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld in september 2020, is op rijksniveau de richting bepaald voor het versterken van de omgevingskwaliteit. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI zijn vier prioriteiten benoemd: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio's. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan ruimte voor klimaatadaptatie. Met het realiseren van het meer ontstaat meer ruimte voor water in de Friese boezem, waardoor klimaateffecten in en om het plangebied worden verminderd. In samenhang met de realisatie van het meer wordt ook ingezet op een duurzaam economisch groeipotentieel van het dorp Oudega en de recreatieve sector in de omgeving, door de ontwikkeling van kleinschalige recreatiemogelijkheden op het gebied van natuurbeleving en watersport. Daarmee draagt het project ook bij aan een sterke en gezonde regio.
Daarnaast draagt de aanleg van het meer bij aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Immers, met de aanleg van het meer worden de natuurwaarden versterkt en wordt een klimaatbuffer gerealiseerd. Hierdoor verbetert de balans tussen het landgebruik en de kwaliteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de vier prioriteiten die zijn genoemd in het NOVI. 2.1.2 Veenweideprogramma 2021-2030 Dit programma is een gezamenlijk product van de provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de veenweidegemeenten. Het is tot stand gekomen in nauwe samenspraak met vertegenwoordigers van landbouw, natuur en recreatie, verenigd in het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF). Daarnaast is gebruikt gemaakt van de kennis van de mensen uit het gebied. Samen met de mienskip wordt voortvarend verder gewerkt aan een vitaal, waardevol en perspectiefvol veenweidegebied. De ambitie voor de lange termijn (2050) is een blijvend evenwicht, waarin veenafbraak, bodemdaling en CO2- uitstoot nagenoeg zijn gestopt. De kwaliteiten van landschap en natuur zijn verbeterd, funderingen worden niet verder aangetast en ook de leefbaarheid en vitaliteit staan op een hoog peil; de landbouw heeft zich aangepast aan de veranderde omstandigheden en recreatie en toerisme hebben zich verder ontwikkeld.
Om tot deze ambities te komen, zijn voor 2030 op de volgende veenweidedoelen vastgesteld: ● De negatieve effecten van bodemdaling zijn verminderd (gemiddeld 0,2 cm minder bodemdaling per jaar; daarnaast beperken en compenseren van negatieve effecten). ● De uitstoot van broeikasgassen is met 0,4 megaton CO2-equivalenten per jaar afgenomen. ● De landbouw heeft een duurzaam toekomstperspectief.
28/142
● Het watersysteem is waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. De maatregelen en acties voor deze veenweidedoelen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan andere doelen, zoals biodiversiteit, duurzame energie, vermindering stikstofdepositie en waterkwaliteit. Op die manier is meerwaarde te bereiken en worden zaken in een gebied in een keer aangepakt. Het meer de Nije Aldegeaster Sânning draagt bij aan de doelen van het veenweideprogramma, door het watersysteem robuust en klimaatbestendig in te richten en daarmee meer ruimte voor de boezem te bieden en door het opzetten van het streefpeil waarmee ook de bodemdaling door veenoxidatie wordt gereduceerd. Met het klimaatscenario in het achterhoofd, worden de te handhaven agrarische gronden buiten het plangebied opgehoogd om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Op deze manier wordt bijgedragen aan een duurzaam toekomstperspectief voor de betreffende agrariërs. De ontgraving ten behoeve van de aanleg van het meer heeft onvermijdelijk gevolgen voor het daar aanwezige veenpakket. In het MER is onderzocht of met een alternatieve wijze van uitvoering kan worden bijgedragen om de uitstoot van broeikasgassen uit het veenpakket zoveel mogelijk te voorkomen. 2.1.3 Omgevingsvisie Fryslân- De Romte diele Op 23 september 2020 is de Omgevingsvisie Fryslân vastgesteld.
In het plan is al het provinciale beleid voor de fysieke leefruimte opgenomen. Het gaat om de hoofdlijnen voor de ruimtelijke inrichting van Fryslân, de provinciale waterhuishouding, infrastructuur, natuur, landschap en milieu. Hierbij wordt gestreefd naar een vitale en veerkrachtige fysieke leefomgeving die onder meer bestaat uit vitale en leefbare dorpen met florerende bedrijvigheid, levensvatbare clusters van voorzieningen waaronder zorg, onderwijs en detailhandel, een gezonde en veilige fysieke leefomgeving die beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden en de gezondheid bevordert en uitstekend toegankelijke en beleefbare cultuur- en natuurerfgoederen, inclusief de honderden kilometers oevers en waterfronten en wervende recreatieve voorzieningen en routenetwerken. Tevens wordt ingezet op een karakteristieke en gezonde fysieke leefomgeving die onder meer bestaat uit een verscheidenheid aan landschappen met haar kenmerkende bebouwing, waarmee mensen zich verbonden voelen en een goede bodem-, water- en luchtkwaliteit (inclusief geur), vruchtbare landbouwgronden, kenmerkende natuurgebieden, en biodiversiteit binnen en buiten deze natuurgebieden. In de omgevingsvisie is het beleid met betrekking tot recreatie versoepeld.
De concentratie en inpassing van recreatie wordt ingevuld via de inhoudelijke principes ‘zuinig en meervoudig ruimtegebruik’, ‘omgevingskwaliteiten als ontwerpbasis’, ‘koppelen en verbinden’. Van belang zijn kwaliteit en inpassing via de Nije Pleats aanpak, een werkwijze waarbij relevante deskundigen, in samenspraak met omwonenden, in een vroeg stadium integraal adviseren over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige inpassing van een ontwikkeling in de omgeving. Hierbij wordt nadruk gelegd op procesvoorwaarden, met als aandachtspunten: (markt)potenties, aansluiten bij bestaande voorzieningen, draagvlak omgeving, versterking cultuur- en natuurerfgoed en leefbaarheid in dorpen en steden. Deze insteek sluit aan bij de behoefte aan revitalisering, modernisering en kwaliteitsverbetering van recreatievoorzieningen met toekomstperspectief. Een aantal daarvan, zoals de onderhavige locatie, ligt buiten de recreatiekernen. Bij ontwikkelingen is flexibiliteit door maatwerk gewenst. Zo moeten per locatie via een Nije Pleats-aanpak vervolgens de ontwikkelmogelijkheden worden bepaald. Deze werkwijze past in een integrale gebiedsgerichte aanpak en binnen de principes ‘omgevingskwaliteiten als ontwerpbasis’, ‘koppelen en verbinden’, ‘ja, mits’ en ‘ruim op inhoud, sturen op proces’. In algemene zin blijft de concentratie van recreatieve voorzieningen wel van belang.
Het planvoornemen is volgens de Nije Pleats-aanpak vormgegeven in samenspraak met gemeente, provincie en het dorp. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: ● De nadruk ligt op recreatieve kwaliteitsverbetering met een verhoogde aandacht voor landschappelijke inpassing en verantwoordelijkheid van sector voor beheer natuur, landschap en erfgoed. ● De herkenbaarheid van landschappelijke kernkwaliteiten is een randvoorwaarde en moet worden gehandhaafd. ● Er moet sprake zijn van een slimme groei van Friese Gastvrijheidseconomie. ● Versterking van cultuurtoerisme; geen massa en piekbezoeken, maar kwaliteit en spreiding in na- en laagseizoen en spreiding over de provincie, met accenten per regio.