CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Eindnotitie Robuuste omgevingsdiensten

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Herijkte missie en visie Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO)13.944 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Pijler 1 Robuuste omgevingsdiensten 1 juni 2023 Eindnotitie

Voorwoord Voor elk van de 4 deelonderwerpen binnen pijler 1 is een werkgroep opgericht. Deze notitie betreft deelonderwerp A en is opgesteld door de werkgroep Robuuste omgevingsdiensten, bestaande uit deelnemers vanuit gemeenten, provincies, omgevingsdiensten, ODNL, VNG, IPO en het ministerie van I&W. Robuuste omgevingsdiensten zijn cruciaal voor de bescherming van de burgers en hun leefomgeving en het voorkomen van milieuschade. Vanuit die opgave heeft de werkgroep in een intensief proces met een inhoudelijke benadering, criteria en kritische prestatieindicatoren opgesteld voor robuustheid. Voor het bepalen en bereiken van robuustheid dienen deze in samenhang te worden toegepast. De werkgroep vertrouwt er op dat dit door de verantwoordelijke partijen in het VTH-stelsel wordt opgepakt. Met het opleveren van deze notitie beschouwt haar opdracht als afgerond.

1

Inhoudsopgave Samenvatting ............................................................................................................................................... 3 1 Inleiding..................................................................................................................................................... 7 2 Werkwijze ............................................................................................................................................... 10 Specificatie robuustheid......................................................................................................................... 11 Uitgangspunten ...................................................................................................................................... 12 3 Definitie robuustheid aan de hand van criteria..................................................................................... 15 Essentiële kritische prestatie-indicatoren voor robuustheid ................................................................. 15 Normering .............................................................................................................................................. 16 4 Landschap van omgevingsdiensten........................................................................................................

21 Indeling huidige omgevingsdiensten...................................................................................................... 21 Beschrijving nieuwe landschap omgevingsdiensten .............................................................................. 23 5 Vervolg .................................................................................................................................................... 25 Samenhang met overige deelprojecten pijler 1 ..................................................................................... 25 Toetsing voldoen aan de criteria ............................................................................................................ 25 Verankering minimumeisen ................................................................................................................... 25 Consequenties niet voldoen aan minimum eisen .................................................................................. 26 Financiële consequenties ....................................................................................................................... 28 Aanbevelingen ........................................................................................................................................

28 Bijlage 1 Uitgangspuntennotitie Denkrichting Ondergrens ....................................................................... 29 Bijlage 2 Visie en ambitie programma IBT VTH .......................................................................................... 33 Bijlage 3 Kritische prestatie-indicatoren voor robuuste omgevingsdienst ................................................ 34 Bijlage 4 Minimaal adequaat niveau .......................................................................................................... 36 Bijlage 5 VTH-kwaliteitscriteria .................................................................................................................. 38 Bijlage 6 Toetsingskader ............................................................................................................................. 40

2

Samenvatting De adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (verder commissie Van Aartsen) constateert dat momenteel sprake is van vermijdbare milieuschade doordat het VTHstelsel niet overal afdoende functioneert. Een van de oorzaken is dat niet alle omgevingsdiensten robuust genoeg zijn en daarmee ook niet kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen. De commissie Van Aartsen stelt “dat het stelsel – nog steeds – gekenmerkt wordt door fragmentatie en vrijblijvendheid. Het belangrijkste gevolg hiervan is dat omgevingsdiensten hun rol niet kunnen invullen zoals de bedoeling is. Het stelsel schiet volgens de commissie onder meer te kort, omdat de omgevingsdiensten onvoldoende robuust zijn om vanuit professionele distantie hun rol te kunnen spelen.” Een robuuste organisatie is een organisatie die wendbaar en daadkrachtig kan blijven in tijden van verandering en die onafhankelijk van externe omstandigheden of factoren naar behoren kan blijven functioneren. Dit is in de uitgangspuntennotitie Denkrichting ondergrens1 vertaald naar de omgevingsdiensten en daarin is aangegeven dat dit betekent dat de diensten in staat moeten zijn: 1. de opgedragen taken op een dusdanige manier uit te voeren dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving, bijdragen aan het voorkomen van (vermijdbare) milieuschade en bijdragen aan het aanpakken van de (milieu)problemen; 2.

hun rol te (kunnen) pakken in de grote transitieopgaven waar Nederland voor staat. Gelet op deze opgaven is door de werkgroep het begrip robuustheid nader gespecificeerd. Daartoe zijn vier verschillende perspectieven maatschappij, innovatie, organisatie en middelen onderscheiden en van elk daarvan is besproken welke criteria daarop van toepassing zijn. Om robuust te zijn moet een omgevingsdienst aan de volgende criteria voldoen: effectiviteit, ontwikkelvermogen, wendbaarheid en efficiency. Vervolgens is aan de hand van de vastgestelde documenten bepaald welke uitgangspunten/randvoorwaarden er voor deze opdracht gelden. Op basis daarvan is voor het meetbaar en specifiek maken van de criteria, een vertaling gemaakt in een set van 6 kritische prestatie-indicatoren (kpi’s). Uitgangspunt daarbij was de inhoudelijke benadering en geen structuuraanpak door direct te kiezen voor een geografische benadering. Na vaststelling van de kpi’s in het bestuurlijk overleg van 21 maart jl., zijn deze vervolgens genormeerd op basis van de opdracht aan de werkgroep om voldoende scherpte in de normering van de 6 kpi’s aan te brengen, om ze onderscheidend te laten zijn ten opzichte van de huidige situatie. Resultaat is een beschrijving van het nieuwe “landschap” van de omgevingsdiensten. Kpi’s voor robuustheid 1.

De omvang van het regionaal werkprogramma (VTH-uren) (inclusief ketentoezicht) gecombineerd met percentage medewerkers in eigen dienst. Deze omvang (basis- en milieugerelateerde plustaken) is minimaal € 15 miljoen (incl. overhead) (prijspeil 2021) en 80% van de medewerkers in het primaire proces in dienst van de organisatie. 2. De dienst voldoet aan geldende kwaliteitscriteria VTH voor zowel de basistaken als de plustaken. 3. De dienst heeft voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie blijkend uit aanwezigheid van een (meerjarige) innovatieagenda en vrij besteedbaar budget voor innovatie. 1

Door het bestuurlijk overleg IBP VTH op 24 november 2022 vastgesteld.

3

4.

5.

6.

De dienst kan risico’s en veranderingen in de omvang van het overgedragen takenpakket opvangen door het aanhouden van buffers (weerstandsvermogen). Dit blijkt uit afdoende algemene reserve voor geïdentificeerde risico’s en onverwachte operationele tegenvallers en expliciete afspraken over uitname. De dienst kan relatie leggen tussen werk, mensen en geld. Er wordt informatiegestuurd gewerkt. Dat komt tot uitdrukking in percentage van de uitvoeringsformatie VTH voor businessintelligence en opleidingsbudget van 3% van de loonsom. De dienst past bij de identiteit van het werkgebied en er is sprake van samenhang (coherentie) in het takenpakket en logica in het geografisch werkgebied. De maatschappelijke opgave staat centraal.

De werkgroep heeft op basis van de beschikbare gegevens uit 2021 vastgesteld welke omgevingsdiensten voldoende omzet en voldoende mensen in eigen dienst hebben om robuust te kunnen zijn (kpi 1). Het gaat om de omgevingsdiensten: Groningen Drenthe FUMO West Holland Regio Arnhem NHN Rivierenland ZO Brabant Midden Holland ZHZ Haaglanden Brabant Noord Nijmegen MWB NZKG DCMR De feitelijke toetsing dient plaats te vinden aan de hand van de geïndexeerde cijfers van 2023. Omdat voor het voldoen aan de minimale norm uitsluitend de basis- en milieugerelateerde plustaken meetellen, dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt met de nietmilieugerelateerde plustaken. Voor kpi 2, 3 en 5 zal op basis van het tweejaarlijks onderzoek (medio 2023), maar ook uit de uitvraag van werkgroep financiën blijken of, en zo ja welke omgevingsdiensten niet voldoen aan de kwaliteitscriteria VTH, welke beschikken over een innovatieagenda en een vrij besteedbaar innovatiebudget en een budget van 3% voor business intelligence en kennisontwikkeling. Kwetsbaar voor veranderingen in het werkpakket (kpi 4), is een aantal omgevingsdiensten met in verhouding veel plustaken (waarvan mogelijk ook niet-milieugerelateerd of geen opgave) of waar signalen zijn dat gemeenten die taken (mogelijk) willen terughalen of dat al in gang hebben gezet.

Er zijn bestuurlijke dilemma’s geïdentificeerd voor de bestuurders van de omgevingsdiensten, gelet op karakteristieken van het werkgebied, cultuurhistorische achtergrond en verschil in maatschappelijke opgaven. 4

Voldoen aan kpi 6 leidt voor de volgende omgevingsdiensten tot onvoldoende congruentie tussen omgevingsdienst en werkgebied, of er is sprake van een samenhangend gebied dat wordt bediend door meer omgevingsdiensten: - Er zijn er in Zuid-Holland 5 omgevingsdiensten die 3 onderscheidende gebieden bedienen (Groene Hart, Botlek en stedelijk-/kustgebied). Midden-Holland heeft een werkgebied dat uiteenvalt in bollen/kuststreek, zakelijke dienstverlening en Groene Hart en dat weinig interne samenhang vertoont. -

In Noord-Holland is de opsplitsing tussen OD IJmond en ODNZKG niet congruent met de opgaven in het gebied: niet logisch dat er gelet op het karakter van het werkgebied er twee omgevingsdiensten zijn in het Noordzeekanaalgebied. Daarnaast bedient OD IJmond twee niet vergelijkbare (en niet aaneengesloten) werkgebieden.

-

Er is geen logica vanuit de gebiedsopgaven voor het bestaan van twee omgevingsdiensten in Utrecht.

-

In de provincie Gelderland zijn er 7 omgevingsdiensten (samenwerkend in Gelders stelsel). In Gelderland is er een gebied met specifieke karakteristieken dat wordt bediend door – nu nog – 3 omgevingsdiensten, namelijk de Veluwe. Verder is op basis van congruentie met de opgave (beide stedelijk gebied en er is een langjarige samenwerking in de (Groene Metropool)regio Arnhem-Nijmegen) de scheiding tussen OD Regio Arnhem en OD Regio Nijmegen niet logisch. De ODA valt niet samen met de Regio Achterhoek en bedient een aantal gemeenten die in andere samenwerkingsconstellaties niet worden gerekend tot de Achterhoek.

-

De verschillen in het werkgebied van Limburg-Zuid zijn groot, met het Heuvelland en Chemelot als uitersten. De schaal van de OD Limburg Zuid is te klein om beide goed te kunnen bedienen.

In de beschrijving van het nieuwe landschap van omgevingsdiensten in combinatie van voldoen aan kpi’s 1 en 6 hoeft er wat de werkgroep betreft niets te veranderen in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Noord-Brabant en mogelijk Zeeland. Voor de toekomstige opgaven ligt samenwerking tussen de 3 noordelijke provincies en de 3 omgevingsdiensten in Noord-Brabant wel voor de hand. Voor Zeeland ligt die samenwerking voor de hand met DCMR of Midden- en West Brabant. Hoewel de provincie Flevoland en Gooi- en Vechtstreek gelijksoortige werkgebieden zijn, lijkt het voor de omgevingsdienst FGV, zelfs met het uitbreiden van (milieugerelateerde) plustaken, niet mogelijk om robuust te zijn. Robuuste omgevingsdiensten zijn cruciaal voor de bescherming van de burgers en hun leefomgeving en het voorkomen van milieuschade. Alle criteria voor robuustheid dienen in samenhang te worden toegepast. Een omgevingsdienst kan dan volledig robuust zijn, of op een of meer onderdelen versterking behoeven. Na de vaststelling of aan de kpi’s wordt voldaan (aan de hand van een toetsingskader), is het aan het regionaal bestuur om te bepalen wat gelet op het voldoen aan de 6 kpi’s nodig is om de omgevingsdienst robuust te laten zijn. Dit dient te worden vastgelegd in een door het bestuur vastgesteld plan van aanpak.

Voor het voldoen aan met name kpi’s 1 en 6 is de keuze om robuustheid te bereiken door: 1. het vergroten van het werkgebied (fusering); 5

2.

3.

het vergroten van het takenpakket middels milieugerelateerde plustaken. Meer taken betekent een grotere dienst in omvang en draagt bij aan een integrale benadering en meer speelruimte. het opplussen van capaciteit voor de basis- en/of milieugerelateerde functies.

Daarbij doet de werkgroep de volgende aanbevelingen. Kies bij optie 1 indien mogelijk voor de congruentie met de provinciegrens vanwege nabijheid en karakter en de regierol van deze bestuurslaag bij de (grootschalige) milieuopgaven. Houdt voor het bereiken van robuustheid niet vast aan de huidige grenzen van de omgevingsdiensten, maar laat de congruentie met het karakter van het werkgebied leidend zijn. Opknippen en weer samenvoegen van (delen van) omgevingsdiensten is nadrukkelijk één van de opties op robuust te worden.

6

1 Inleiding De adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (verder commissie Van Aartsen) constateert dat momenteel sprake is van vermijdbare milieuschade doordat het VTHstelsel niet overal afdoende functioneert. Een van de oorzaken is dat niet alle omgevingsdiensten robuust genoeg zijn en daarmee ook niet kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen. De commissie Van Aartsen stelt “dat het stelsel - nog steeds - gekenmerkt wordt door fragmentatie en vrijblijvendheid. Het belangrijkste gevolg hiervan is dat omgevingsdiensten niet hun rol kunnen invullen zoals de bedoeling is. Het stelsel schiet volgens de commissie onder meer te kort, omdat de omgevingsdiensten onvoldoende robuust zijn om vanuit professionele distantie hun rol te kunnen spelen.” Duidelijk hebben datdat zeze in in staat zijn Duidelijkisisdat datniet nietalle alleomgevingsdiensten omgevingsdiensteneen eenzodanige zodanigekritische kritischemassa massaofofrobuustheid robuustheid hebben staat de in deinregio te vervullen op deop manier waarop die was bij de bij totstandkoming van hetvan stelsel. zijnVTH-opgave de VTH-opgave de regio te vervullen de manier waarop diebedoeld was bedoeld de totstandkoming het Ook is de huidige opzet niet in lijn met de bedoeling van het advies van de commissie-Mans om de stelsel.

Ook is de huidige opzet niet in lijn met de bedoeling van het advies van de commissie-Mans om de milieuwethandhaving te verbeteren. Op basis van de bestaande rapporten en beschikbare informatie is duidelijk dat milieuwethandhaving te verbeteren. basisvan vaninhoudelijke de bestaande rapporten en beschikbare informatie is duidelijk er meer omgevingsdiensten zijn dan opOp basis criteria nodig zou zijn.

dat er meer omgevingsdiensten zijn dan op basis van inhoudelijke criteria nodig zou zijn. (Bron commissie Van Aartsen)

Daarnaast is de milieuproblematiek complexer geworden en zijn er nieuwe opgaven, zoals de zeer zorgwekkende stoffen, de energietransitie, de stikstofproblematiek en de klimaatdoelstellingen. De maatschappij is kritischer geworden en vraagt om een (pro)actieve aanpak van milieuproblemen. Bij gemeenten, provincies en omgevingsdiensten is de bewustwording van hun rol in de aanpak van vermijdbare milieuschade toegenomen.

Omgevingsdiensten zijn onvoldoende robuust om vanuit professionele distantie hun rol te kunnen spelen, door een combinatie van: • een te kleine schaal van een aantal diensten, • negatieve effecten van outputfinanciering op handhaving en kennisontwikkeling en deskundigheidsbevordering, • te grote diversiteit in het takenpakket waardoor een regionale handhavingsstrategie niet van de grond komt, • informatie-uitwisseling en kennisontwikkeling zijn onder de maat voor het opbouwen van deskundigheid en voldoende specialisatie. Laat staan dat deze zijn toegesneden op de toekomstige vraagstukken waar bevoegd gezag en omgevingsdiensten mee te maken krijgen. (Bron commissie Van Aartsen)

Het doel van IBP VTH is het versterken van het vth-stelsel door o.a. de effectiviteit en slagvaardigheid van de omgevingsdiensten te versterken (uitgewerkt in 6 pijlers), zodat zij in staat zijn op een professionele manier hun taken uit te voeren (zie bijlage 2 voor visie en ambitie). Daarmee wordt bijgedragen aan een schoner, veiliger en gezondere leefomgeving en wordt milieuschade voorkomen in plaats van achteraf te moeten herstellen. Pijler 1 draagt daaraan bij door het formuleren van criteria van de ondergrens waar een omgevingsdienst aan moet voldoen wil deze voldoende robuust kunnen zijn door de juiste omvang, kwaliteitscriteria, een adequate financiering en advisering door omgevingsdiensten op milieunormen. Deze notitie beperkt zich tot de criteria voor de robuustheid.

7

Samenvattend zijn er 3 vastgestelde documenten die belangrijk zijn voor de uitwerking van de criteria voor robuustheid: het programmaplan (o.a. uitwerking aanbevelingen van commissie Van Aartsen), het pijlerplan en de uitgangspuntennotitie Denkrichting ondergrens2. Deze laatste is opgenomen in bijlage 1. Een van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen heeft betrekking op het vaststellen van een ondergrens voor de omvang van een omgevingsdienst. Deze aanbeveling is als volgt geformuleerd.

Een ‘kritische massa’ is vereist voor omgevingsdiensten: een zodanige omvang dat de organisatie in voldoende mate beschikt over de gespecialiseerde technische en juridische kennis die een effectieve en rechtmatige toepassing en handhaving van het omgevingsrecht mogelijk maakt en de omgevingsdienst in staat stelt sparringpartner te zijn voor complexe vraagstukken en advisering over de toepassing van de omgevingswet. Er zijn nu omgevingsdiensten die alleen kunnen functioneren doordat een andere omgevingsdienst basistaken voor hen uitvoert of die hun schaal vooral te danken hebben aan plustaken. Dat vindt de commissie ongewenst. De basis moet zijn dat elke omgevingsdienst het basistakenpakket nu en in de toekomst zelf kan uitvoeren en alleen in uitzonderlijke gevallen kennis van elders haalt. Bovendien moet de omgevingsdienst voldoende robuust zijn om gebiedsgericht specialistische kennis te kunnen opbouwen. De commissie adviseert daarom een ondergrens vast te stellen voor de omvang van een omgevingsdienst (kwalitatieve en kwantitatieve capaciteit) op basis van het aantal inrichtingen met milieubelastende activiteiten (per categorie).

In het programmaplan IBP Versterking VTH-stelsel is deze aanbeveling verwerkt in de volgende uitgangspunten: • Formuleren landelijke uniforme criteria voor effectieve en efficiënte omgevingsdiensten die voldoende massa hebben om hun huidige én toekomstige taken uit te voeren. Meegenomen worden de verplichte taken en de zogenaamde plustaken (aanbeveling 1 van commissie Van Aartsen). Op basis van deze criteria wordt bepaald wat de ondergrens voor de omvang van een omgevingsdienst is. Daaruit volgt of aangesloten wordt bij de systematiek van de veiligheidsregio’s (van 29 naar 23 omgevingsdiensten) of dat een andere vorm van fusering meer voor de hand ligt. • Vaststellen van landelijke uniforme minimum kwaliteitscriteria voor de kritische massa van omgevingsdiensten. Op 17 januari jl. heeft de stuurgroep ingestemd met het projectplan van pijler 1. In het pijlerplan is het volgende opgenomen: De commissie Van Aartsen heeft naar drie aspecten gekeken die bijdragen aan robuuste omgevingsdiensten, namelijk de ondergrens van omgevingsdiensten (aanbeveling 1), de kwaliteit van de uitvoering verbeteren en afstemmen op de aard van de inrichtingen (aanbeveling 2) en de wijze van financiering van de omgevingsdiensten (algemene norm voor de bekostiging van de omgevingsdiensten, aanbeveling 5).

Deze ingrediënten zijn de basis, maar op dit moment is er geen eenduidig en gedefinieerd beeld van wat een robuuste, effectieve en slagvaardige omgevingsdienst is. Van belang is daarom om te komen tot een gezamenlijke en gedragen probleemdefinitie met betrekking tot de ondergrens van omgevingsdiensten en definitie van wat een effectieve en slagvaardige omgevingsdienst is. 2

Door het bestuurlijk overleg IBP VTH op 24 november 2022 vastgesteld.

8

Er is gekozen om in pijler 1 vier deelonderwerpen uit te werken: A. Ondergrens omgevingsdiensten: landelijke uniforme criteria voor de omvang B. Kwaliteitscriteria: opstellen landelijke uniforme minimum kwaliteitscriteria voor kritische massa met mogelijkheid regionale verfijning C. Normfinanciering: opstellen normfinanciering voor omgevingsdiensten D. Uitvoeringstoets: Advisering omgevingsdiensten op omgevingsplannen Op 22 september jl. heeft de stuurgroep aangegeven notities van het kernteam van pijler 1 te willen ontvangen, met de denkrichtingen voor de ondergrens en normfinanciering van omgevingsdiensten. De notities dienen als richtinggevende documenten voor de leden van de stuurgroep voor o.a. het besluitvormingstraject naar het bestuurlijk overleg, waar de plannen van het IBP VTH zijn voorgelegd. De notities maken inzichtelijk wat de kaders zijn en welke ruimte er is voor de werkgroepen om inkleuring te geven aan beide deelprojecten. Daarnaast wordt hierin het bestuurlijke traject en het tijdspad voor besluitvorming omschreven.

9

2 Werkwijze Voor elk deelonderwerp is een werkgroep in het leven geroepen. Deze notitie betreft deelonderwerp A en is opgesteld door de werkgroep Robuuste omgevingsdiensten, bestaande uit deelnemers vanuit gemeenten, provincies, omgevingsdiensten, ODNL, VNG, IPO en het ministerie van I&W (verder werkgroep). Er is door het bestuurlijk overleg naar aanleiding van de door het kernteam opgestelde notitie besloten dat het begrip robuustheid wordt gehanteerd om de ondergrens en de kwaliteitscriteria voor de kritische massa op te baseren, omdat dit een positief begrip is. Een robuuste organisatie is een organisatie die wendbaar en daadkrachtig kan blijven in tijden van verandering en die onafhankelijk van externe omstandigheden of factoren naar behoren kan blijven functioneren. Dit is in de nota vertaald naar de omgevingsdiensten en dat betekent dat de diensten in staat moeten zijn: 1. de opgedragen/overeengekomen taken op een dusdanige manier uit te voeren dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving, bijdragen aan het voorkomen van (vermijdbare) milieuschade en bijdragen aan het aanpakken van de (milieu)problemen; 2. hun rol te (kunnen) pakken in de grote transitieopgaven waar Nederland voor staat. Het belang van robuuste en goed functionerende omgevingsdiensten is recent weer geïllustreerd door een onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV).

OVV heeft aan de hand van drie casussen (Tata Steel IJmuiden, Chemours Dordrecht en APN Nijmegen) onderzocht hoe omwonenden beschermd worden tegen nadelige gezondheidseffecten door langdurige en/of veelvuldige blootstelling aan industriële emissies. Daarnaast is onderzocht of in de bescherming verbeteringen mogelijk zijn. OVV stelt dat alleen de bedrijven zelf direct invloed hebben op hun bijdrage aan de blootstelling. Het gegeven dat industrie zich in de nabijheid van dorpen en steden bevindt, brengt een extra verantwoordelijkheid met zich mee voor zowel bedrijven als de overheid. Er ligt potentie om de VTH-uitvoering een belangrijke bijdrage te laten leveren aan de beperking van gezondheidsrisico’s. De omvang en het effect van deze bijdrage is sterk afhankelijk van de inzet aan de voorkant van de andere partners/actoren in het stelsel.

In dat geval zijn omgevingsdiensten in staat om de aanbevelingen van de OVV op te volgen, namelijk optimaal gebruik maken van alle mogelijkheden binnen het huidige instrumentarium om de gezondheid van omwonenden te beschermen tegen schadelijke industriële emissies door: - zicht te hebben op de emissies van bedrijven; - een inschatting van het gezondheidsrisico per stof te kunnen maken waaraan omwonenden worden blootgesteld (in samenwerking met GGD’s en RIVM); - zorg te dragen voor aanscherping van de vergunning zodra de gezondheidsrisico’s voor omwonenden daarom vragen; - zorg te dragen voor tijdige implementatie van best beschikbare technieken (BBT) door de bedrijven; - kennis en ervaring met andere bevoegde bestuursorganen en omgevingsdiensten uit te wisselen (opgave in pijler 4). De werkgroep is gestart met het doornemen van de volgende stukken: • Programmaplan IBP VTH • Pijlerplan 1 Robuuste omgevingsdiensten en normfinanciering • Uitgangspuntennotitie Denkrichting Ondergrens • Omgevingsdiensten in beeld (SPPS/Twijnstra en Gudde) • Rapportage visitatie omgevingsdiensten • Groslijst criteria voor robuustheid 10

In een later stadium zijn daar bij gekomen: • Programmaplan NOVEX • Rapport Industrie en omwonenden (OVV)

Specificatie robuustheid Vervolgens heeft de werkgroep ervoor gekozen om, gelet op opgave waar de omgevingsdiensten voor aan de lat staan, aan het begrip robuustheid een nadere specificatie te geven. Daarbij heeft de werkgroep zich gebaseerd op de vier perspectieven uit de Balance scorecard. Dat zijn maatschappij, innovatie, organisatie en middelen. Voor elk perspectief is een overheersend criterium bepaald. Voor een robuuste omgevingsdienst gelden dan de volgende criteria: • effectiviteit • ontwikkelvermogen • wendbaarheid • efficiency Perspectief

Criterium

Toelichting

Effectiviteit

In welke mate voldoet de OD aan de impliciete en expliciete verwachtingen van haar opdrachtgevers en via hen aan die van burgers en bedrijven? In welke mate beschermt de OD de gezondheid van omwonenden tegen schadelijke industriële emissies? In welke mate bereikt de OD een aantoonbaar maatschappelijk effect en in welke mate wordt daarop concreet gestuurd?

Ontwikkelvermogen

In welke mate is de OD gemotiveerd en in staat om de (toekomstige) gevraagde prestaties te leveren? Is de OD in staat om zich te richten op onderzoek en ontwikkeling?

Wendbaarheid

In welke mate is de OD in staat zich op toekomstige ontwikkelingen in maatschappelijke vraag en verwachtingen te anticiperen dan wel op onverwachte omstandigheden te anticiperen? Is daarvoor de juiste werkcultuur aanwezig?

Efficiency

In welke mate weet de OD haar middelen zo optimaal mogelijk in te zetten om aan de klantverwachtingen (eigenaren en opdrachtgevers) te kunnen voldoen? Achterliggende vraag is of er een voldoende match is tussen de gevraagde prestatie en het benodigde budget.

Maatschappij Burgers, bedrijven, partners, overheden en opdrachtgevers/ eigenaren van Omgevingsdiensten

Innovatie Het tijdig en adequaat ontwikkelen van producten en diensten met het oog op toekomstige opgaven

Organisatie De inrichting en het functioneren van alle werkprocessen

Middelen Geld, capaciteit en materieel

Allereerst is door de werkgroep aan de hand van de vastgestelde documenten bepaald welke uitgangspunten/randvoorwaarden er voor deze opdracht gelden. Op basis daarvan is voor het meetbaar en specifiek maken van de criteria, een vertaling gemaakt in een set van 6 kritische prestatie-indicatoren (kpi’s). Uitgangspunt daarbij was de inhoudelijke benadering en geen structuuraanpak door direct te kiezen voor congruentie met bv. de Veiligheidsregio’s. Van alle criteria is getoetst in welke mate wordt bijgedragen aan de robuustheid.

11

Na vaststelling daarvan in het bestuurlijk overleg van 21 maart jl., zijn deze vervolgens genormeerd op basis van de opdracht aan de werkgroep om voldoende scherpte in de normering van de 6 kpi’s aan te brengen, om ze onderscheidend te laten zijn ten opzichte van de huidige situatie. Resultaat is een beschrijving van het nieuwe landschap van de omgevingsdiensten. Gedurende het werkproces is de samenhang met de overige deelprojecten van pijler 1 (kwaliteitscriteria, adequate financiering en advisering door omgevingsdiensten op milieunormen) bewaakt. Geconstateerd is dat de financiële kpi’s het beste door de werkgroep Financiering kunnen worden uitgewerkt. Ook is geconstateerd dat er factoren zijn die in andere pijlers van het IBP VTH worden uitgewerkt, die medebepalend zijn voor de robuustheid van de diensten, zoals de aanpak van milieucriminaliteit (pijler 2), de verbetering van de informatievoorziening (pijler 3), een werkende kennisinfrastructuur en voldoende gekwalificeerd personeel (pijler 4) en het sluiten van de uitvoerings- en beleidscyclus (pijler 5). Deze link wordt in de kpi’s gemarkeerd (zie bijlage 3).

Uitgangspunten Door de werkgroep is geconstateerd dat deze criteria primair betrekking hebben op de individuele omgevingsdiensten, maar ook van invloed zijn op het stelsel van omgevingsdiensten en de andere partners (bv. OM en ILT) in het stelsel. Om robuust te zijn, zijn omgevingsdiensten afhankelijk van hun omgeving, namelijk hun opdrachtgevers en eigenaren, voor de kwaliteit van de uitvoering, de omvang van het takenpakket en de financiering. In het bestuurlijk overleg is opgemerkt dat een omgevingsdienst alleen maar robuust kan zijn als de opdrachtgever dat ook is. Dat is ook de conclusie van de projectgroep OGON (opdrachtgever-opdrachtnemerschap). Daarbij moet worden gekeken of gelet op de grote transities er meer beleidskracht op het gebied van regulering en vergunningverlening wordt gebundeld bij de omgevingsdiensten of deze bij de gemeenten moet blijven en worden versterkt. Dat gaat ook om de verstrekte middelen. Geadviseerd wordt om ook criteria te formuleren voor robuust opdrachtgeverschap. Hiervoor is een aparte opdracht nodig, maar dit is geen onderdeel van de opdracht van de werkgroep. Alle omgevingsdiensten dienen aan de vastgestelde criteria en bijbehorende kpi’s voor robuustheid te (gaan) voldoen. Niet voldoen heeft consequenties voor de betreffende omgevingsdienst.

Geadviseerd wordt om het bestuurlijk overleg een einddatum te laten bepalen wanneer men aan de minimale criteria en bijbehorende kpi’s moet voldoen. De werkgroep adviseert deze termijn niet te lang te laten zijn. Voorstel is de eigenaren van omgevingsdiensten binnen een termijn van een half jaar na de besluitvorming over de normering voor robuustheid, kenbaar te maken hoe daaraan gaat worden voldaan. Aan de hand van de vastgestelde documenten is bepaald welke uitgangspunten/randvoorwaarden er voor deze opdracht gelden. Daarbij is gelet op de toekomstbestendigheid en de aanbeveling van de commissie Van Aartsen om het huidige stelsel niet overhoop te gooien. Op basis daarvan zijn de criteria en de kritische prestatieindicatoren opgesteld, die vervolgens zijn genormeerd. In de vastgestelde notitie Denkrichting ondergrens is opgenomen dat er een nadere uitwerking moet komen van het daarin geïntroduceerde evaluatiekader. Vanwege het karakter van de opdracht kiest de werkgroep voor de term toetsingskader om vast te stellen of een omgevingsdienst voldoende robuust is. 12

Daarnaast is verkend hoe de afspraken over het voldoen aan minimumeisen verankerd kunnen worden. De geformuleerde uitgangspunten/randvoorwaarden zijn: 1. Alle gemeenten en provincies nemen deel aan de omgevingsdienst en hebben alle basistaken volledig overgedragen (helaas is recent gebleken dat aan die wettelijke verplichting nog niet is voldaan). Beide zijn een voorwaarde om te kunnen (gaan) voldoen. Aandachtspunt is de governance van de BRZO-bedrijven in relatie tot Wgr. 2. De governance is ingericht, er is sprake van goed opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap (goede relatie en heldere afspraken), onafhankelijkheid en gezag, het accounthouderschap is ingevuld, de directeur heeft een stevige positie en mandaat (goed leiderschap) (uitwerking in pijler 5). Daarbij de opmerking dat een robuuste omgevingsdienst in staat is de opdrachtgever te helpen bij de professionalisering van het opdrachtgeverschap. 3. Voor het bepalen van de robuustheid wordt zowel naar basis- als milieugerelateerde plustaken gekeken. Zoals door SPPS/TG in Omgevingsdiensten in Beeld is opgemerkt kan een omgevingsdienst die uitsluitend is toegerust op de uitvoering van het basistakenpakket, niet automatisch ook een rol spelen in alle maatschappelijke (milieu-) opgaven in de regio.

Op basis van de cijfers uit Omgevingsdienst in beeld heeft de werkgroep bovendien geconcludeerd dat het hebben van plustaken belangrijk is om als omgevingsdienst robuust te zijn. Om deze robuustheid te kunnen garanderen dient er iets afgesproken (bestuurlijk) of geregeld (bij wet- en regelgeving) te worden ten aanzien van deze plustaken. Dit ligt overigens eerder voor de hand voor complexe milieu- gerelateerde plustaken omdat de omgevingsdiensten ooit zijn opgericht om de meer complexe en/of regionale milieuproblematiek aan te pakken. Wanneer sprake is van (bestuurlijke) afspraken of aangepaste wet- en regelgeving dient op het niveau van de gemeenschappelijke regeling een overgangstermijn ten aanzien van de inbreng en uithaal van plustaken te worden vastgelegd. 4. De criteria (ondergrens robuustheid) gelden voor de individuele omgevingsdienst. Dat betekent dat op specifieke kennisgebieden het mogelijk is/blijft om taken door een andere dienst te laten uitvoeren (zoals taken behorende tot BRZO-inrichtingen en IPPC-categorie4-installaties en taken die ondanks congruentie in het werkgebied te weinig voorkomen). 5. De normering houdt rekening met de robuustheid in de toekomst (meerjarig perspectief, waarbij ook onderscheid wordt gemaakt tussen structurele en incidentele middelen). 6.

De werkgroep heeft er voor gekozen zich niet te beperken tot criteria die uitsluitend de bedrijfsvoering betreffen. 7. De werkgroep heeft er voor gekozen om te beschrijven welke stappen in fusie of uitbreiding van taken moeten worden gezet om de robuustheid te kunnen bereiken. De feitelijke implementatie is een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Hiervoor dient wel een einddatum te worden bepaald. 8. Een criterium voor robuustheid en bijbehorende kritische prestatie-indicator is alleen in het toetsingskader opgenomen als het criterium meetbaar is en kan worden getoetst aan een norm, met de bewuste keuze het aantal criteria zo beperkt mogelijk te houden. 9. De robuustheid is niet bedoeld om een keurslijf aan te brengen en te streven naar gelijkende organisaties, maar te zorgen dat de omgevingsdiensten minimaal voldoende gekwalificeerd en geëquipeerd zijn om de taken op het vereiste inhoudelijke niveau uit te kunnen voeren. 10. De werkgroep is zich ervan bewust dat een toetsing van een omgevingsdienst in termen van maatschappelijk effect (outcome) optimaal is. Dat is echter in dit stadium niet 13

haalbaar. Criteria hebben daarom betrekking op de eisen die worden gesteld aan de organisatie. 11. Voor een zuivere beoordeling en weging (ook in het visitatietraject) is het van belang dat omgevingsdiensten te vergelijken zijn. De discussie over appels en peren kan alleen maar worden beslecht als er eenduidige afspraken worden gemaakt over bv. het uurtarief en hoe dat is opgebouwd (aantal directe, indirecte en niet productieve uren; ook van belang als er wordt gekozen om normen op te nemen over overhead). Voor de normering van de omzet (kpi 1) is gewerkt met een aantal indicaties, te weten 1300u/fte productief, 200u/fte indirect- productief en €100.000/fte (exclusief overhead). Voor de overhead wordt geadviseerd de bevindingen van de commissie overhead als uitgangspunt te nemen.

14

3 Definitie robuustheid aan de hand van criteria De vraag wat de ondergrens voor een omgevingsdienst zou moeten zijn is vaker gesteld, maar deze vraag is niet eenvoudig en eenduidig te beantwoorden. SPPS/TG heeft op mede op basis van de verzamelde data van de omgevingsdiensten verschillende analyses gedaan (Omgevingsdiensten in beeld 2021). Bijvoorbeeld op basis van het aantal en de zwaarte van inrichtingen in combinatie met aantallen fte en kengetallen voor inrichtingen. Het valt op dat de spreiding tussen de omgevingsdiensten groot is. Uit de analyse van SPPS/TG blijkt dat er geen simpele formule is om een maat voor de ondergrens van omgevingsdiensten op te stellen. Daar komt bij dat het inrichtingenbestand vaak vervuild blijkt te zijn (dubbele adressen, postbusadressen e.d.) en er gelet op de omgevingswet een overgang gaat plaatsvinden van inrichtingen naar milieubelastende activiteiten. Daarom is de vraag niet zozeer of er een absolute ondergrens in aantallen inrichtingen of fte moet zijn, maar of de omgevingsdiensten voldoende gekwalificeerd zijn om deze taken op het vereiste inhoudelijke niveau uit te kunnen voeren. Robuustheid op basis van inhoudelijke criteria hangt volgens het Kernteam pijler 1 samen met de grootte van het werkgebied en de omvang van het takenpakket.

Essentiële kritische prestatie-indicatoren voor robuustheid De werkgroep heeft alle geïnventariseerde kpi’s (bijlage 3) naast de vastgestelde criteria gelegd en de mate van meetbaarheid beoordeeld. Daarbij is tevens rekening gehouden met de uitgangspunten/randvoorwaarden. Bij de vertaling is bepalend geweest dat het toepassen van de kpi’s moet leiden tot een helder onderscheid gericht op een stevige en duurzame verbetering van de robuustheid, ook in de toekomst. Na deze exercitie zijn de volgende zes kpi’s als essentieel aangemerkt3. 1. De dienst heeft een voldoende omvang van het regionaal werkprogramma (VTH-uren) (inclusief ketentoezicht) gecombineerd met percentage medewerkers in eigen dienst 2. De dienst voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH voor basis- en plustaken 3. De dienst heeft voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie 4. De dienst kan risico’s en veranderingen in de omvang van het overgedragen takenpakket opvangen door het aanhouden van buffers (weerstandsvermogen) 5. De dienst kan relatie leggen tussen werk, mensen en geld. Er wordt informatiegestuurd gewerkt 6. De dienst past bij de identiteit van het werkgebied en er is sprake van samenhang (coherentie) in het takenpakket en logica in het geografisch werkgebied Alle omgevingsdiensten dienen minimaal aan deze essentiële kpi’s te voldoen. Dat is de randvoorwaarde om robuust te kunnen zijn.

Wat overigens niet betekent dat een robuuste omgevingsdienst automatisch goed functioneert. Met voldoen aan de essentiële criteria zijn wel de randvoorwaarden aanwezig om goed te kunnen functioneren. De werkgroep heeft ervoor gekozen om geen onderscheid te maken in de zwaarte (weging) van de kpi. De robuustheid wordt bepaald door de samenhang van de onderscheidende kpi’s en er is weging over het totaal. Met andere woorden het voldoen aan een groot deel van de essentiële kpi’s maakt niet dat een omgevingsdienst robuust is. De robuustheid van een dienst wordt door meer bepaald dan alleen deze zes kpi’s. De samenhang van alle geïnventariseerde kpi’s en de mate waarin voldaan wordt aan de uitkomsten van de overige werkgroepen in pijler 1 en de overige pijlers van het programma, bepalen de uiteindelijke robuustheid van de dienst. De visitatie heeft hierin een belangrijke rol. 3

Bij het uitwerken is begonnen met de maatschappij omdat deze opgave voorop staat. Omdat de omzet een hard gegeven is, is de nummering van de kpi’s 1 en 6 gewisseld.

15

Normering In onderstaande overzicht zijn de kpi’s genormeerd. Dit betreft de ondergrens die voor robuuste omgevingsdiensten wordt aangehouden. Zoals eerder opgemerkt dient een robuuste omgevingsdienst aan alle 6 kpi’s te voldoen. Perspectief

Criterium

Maatschappij

Effectiviteit

KPI

Normering (ondergrens)

1.

De dienst past bij de identiteit van het werkgebied en er is sprake van samenhang (coherentie) in het takenpakket en logica in het geografisch werkgebied (heeft relatie met omvang van het werkprogramma)

Congruent met het karakter van het werkgebied en de maatschappelijke opgaven.

2.

Geldende kwaliteitscriteria VTH voor basis- en plustaken

Voldoen

Innovatie

Ontwikkelvermogen 3.

Er is voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie (nog nader definiëren, gaat o.a. over r&d)

Aanwezigheid van een (meerjarige) innovatieagenda. Vrij besteedbaar budget voor innovatie (innovatie mag niet ten laste komen van het primaire proces) Percentage van de begroting van het primaire proces (nader uit te werken door werkgroep financiering)

Organisatie

Wendbaarheid

De dienst kan risico’s en veranderingen in de omvang van het overgedragen takenpakket opvangen door het aanhouden van buffers (weerstandsvermogen)

Afdoende algemene reserve voor geïdentificeerde risico’s en onverwachte operationele tegenvallers (nader uit te werken door werkgroep financiën; aandachtpunt is o.a. de verhouding tussen verplichte basistaken en milieugerelateerde plustaken en omvang van de risico’s) Expliciete afspraken over uitname (zoals overgangsperiode voor uitname van taken minimaal 4 jaar, tenzij andere overeengekomen)

Middelen

Efficiency

De dienst kan relatie leggen tussen werk, mensen en geld. Er wordt informatiegestuurd gewerkt.

Percentage van de uitvoeringsformatie VTH voor businessintelligence om informatiegestuurd te kunnen werken (nadere uitwerking door pijlers 3 en 5)

4.

1. 2.

Opleidingsbudget van 3% van de loonsom (ook gelet op verplichte opleidingskarakter van bepaalde functies zoals boa) (nadere uitwerking door werkgroep 4) Omvang regionaal werkprogramma (VTH-uren) (inclusief ketentoezicht) gecombineerd met percentage medewerkers in eigen dienst

De omvang van het regionaal werkprogramma (VTH-uren; basis- en milieugerelateerde plustaken inclusief ketentoezicht) gecombineerd met percentage medewerkers in eigen dienst. Deze omvang is minimaal € 15 miljoen (incl. overhead en prijspeil 2021) en 80% van de medewerkers in het primaire proces is in dienst van de organisatie (niet zijnde inhuur)

16

Hieronder een toelichting op de zes essentiële kpi’s robuuste omgevingsdiensten: 1. De dienst heeft een voldoende omvang van het regionaal werkprogramma (VTH-uren) (inclusief ketentoezicht) gecombineerd met percentage medewerkers in eigen dienst Er is grote samenhang met kpi 6. Gaat om basis- en milieugerelateerde plustaken en heeft alleen betrekking op het primaire proces (inclusief juridische ondersteuning, ketentoezicht, BOA, specialismen crisisbeheersing en piketdienst). Globale capaciteitsverdeling is 20% vv, 60% t&h en 20% specialismen. Voor het vaststellen van de ondergrens is uitgegaan van de minimaal benodigde capaciteit in het primaire proces, verdeeld over de verschillende disciplines (zie bijlage 4 voor nadere onderbouwing). Op basis daarvan is de omzet bepaald. De werkgroep hecht er waarde aan te benadrukken dat sec voldoen aan deze ondergrens niet automatisch betekent dat men robuust is. En robuust zijn betekent niet automatisch dat er sprake is van een goed functionerende organisatie. Ook is groter niet per definitie beter, maar klein is in ieder geval niet robuust. Bij het vergroten van het werkgebied is er extra aandacht nodig voor de bestuurbaarheid en bedienen van de lokale belangen.

Omdat voldoende overhead bijdraagt aan de robuustheid en discussie over de opbouw van de overhead in dit stadium te voorkomen, heeft de werkgroep de ondergrens gesteld op € 15 miljoen inclusief overhead (prijspeil 2021). Met deze beschrijving van medewerkers in eigen dienst komt voldoende tot uitdrukking dat het om één organisatie moet gaan. Netwerkdiensten voldoen daar niet aan. Voor een goede toetsing wordt uitgegaan van de volgende definities: Basistaken: taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) waarvoor het college van B&W en Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn en die bij wet zijn aangewezen om uitgevoerd te worden door een omgevingsdienst. Onder de nu geldende weten regelgeving zijn de basistaken aangewezen in bijlage IV van het Besluit omgevingsrecht. Onder de per 1 januari 2024 van kracht zijnde Omgevingswet zijn de basistaken aangewezen in bijlage VI van het Omgevingsbesluit. Plustaken: VTH-taken en ander taken zoals bijv. adviestaken – niet zijnde basistaken – die door het bevoegd gezag (gemeenten, provincies, maar eventueel ook waterschappen en het Rijk) vrijwillig kunnen worden ondergebracht bij een omgevingsdienst. Het onderbrengen van plustaken is niet bij wet- en regelgeving geregeld. Het onderdeel van de omzet in relatie tot de norm, betreft de milieugerelateerde taken, zoals niet BAL activiteiten, WKB en zwemwater.

Plustaken die niet-milieugerelateerd zijn, zijn gebruiksvergunning en gemeentelijke BRIKStaken4 maken geen onderdeel uit van de € 15 miljoen. Deze taken kunnen wel bij een omgevingsdienst worden belegd.

4

Bouwen, Reclame, Inrit, Kap en Sloop 17

Omzet VTH-taken (inclusief overhead) 20 18 16

miljoen

14 12 10 8 6 4 2 0

Omzet (incusief overhead) Basistaken

Milieugerelateerde plustaken

Overige plustaken (voorbeeld)

Een wijziging is o.a. dat onder de Wabo de provinciale BRIKS-taken zijn aangewezen als basistaak. Onder de Omgevingswet zijn alleen de provinciale bouw- en slooptaken nog onderdeel van het basistakenpakket. Omdat voldoende overhead bijdraagt aan de robuustheid, kan worden overwogen daar een percentage voor te bepalen. Peildatum van de omzet van omgevingsdiensten is 2021 (Omgevingsdiensten in beeld) om conclusies te kunnen trekken over de beschrijving van het landschap. Geadviseerd wordt voor het moment van toetsing uit te gaan van de situatie per 2023, omdat er mogelijk taken zijn bijgekomen of afgegaan. Tevens dient te worden uitgegaan van een geïndexeerde norm van € 15 miljoen (gebaseerd op CPB-cijfers). 2. De dienst voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH Alle taken dienen robuust te worden uitgevoerd. Het gaat om kritieke massa, procescriteria en competenties. Dat de kwaliteitscriteria als essentiële kpi zijn opgenomen kan de vraag oproepen waarom deze specifiek. Het lijkt namelijk dat het bij wet geregeld is dat men aan de kwaliteitscriteria moet voldoen. Echter, de kwaliteitscriteria zijn niet wettelijk geborgd. Wel is bij wet vastgelegd dat provincies en gemeentes bij verordening iets moeten opnemen over de kwaliteit van de uitvoering van de basistaken. Voor de achterblijvende en plustaken geldt de zorgplicht. Daar komt bij dat men gemotiveerd kan afwijken.

Om de kwaliteit van de uitvoering zo uniform mogelijk te regelen hebben het IPO en de VNG gezamenlijk een modelverordening opgesteld. Een groot deel van de bevoegde gezagen heeft deze verordening overgenomen in hun provinciale - of gemeentelijke verordening, een deel niet. De modelverordening is overigens Wabo-breed opgesteld en niet alleen voor de basistaken. Omdat bij het opstellen van de kpi’s de omgevingsdiensten het uitgangspunt zijn, is de kwaliteitsborging gekoppeld aan alle taken (basis- en plustaken) die belegd zijn bij een 18

omgevingsdienst. Vanuit deze invalshoek heeft de werkgroep ervoor gekozen deze kpi op te nemen, waarmee de kwaliteit van de uitvoering optimaal wordt geborgd en alle taken belegd bij een omgevingsdienst op eenzelfde minimaal kwaliteitsniveau worden uitgevoerd. Dit dient verder door de werkgroep Kwaliteitscriteria te worden uitgewerkt. 3. De dienst kan relatie leggen tussen werk, mensen en geld. De informatievoorziening faciliteert zowel het primair proces als de bedrijfsvoering (ICT, data, kennis, middelen). Achtergrond van deze kpi is dat de dienst in staat is zich optimaal te verantwoorden op behaalde milieuresultaten met oog voor (kosten)effectiviteit. De dienst moet zich kunnen ontwikkelen naar een outcome gerichte organisatie omdat die raakt aan de kern van het bestaansrecht van de omgevingsdienst (milieurelevantie). Businessintelligence (voornamelijk mensen) is nodig om informatiegestuurd te kunnen werken. NB dit is geen IV budget. Datakwaliteit e.d. (pijler 3) is hierin een randvoorwaarde. 4. De dienst kan risico’s en veranderingen in de omvang van het overgedragen takenpakket opvangen door het aanhouden van buffers (weerstandsvermogen). Er dient te worden gewerkt met risicoprofielen (advies om te werken met Monte Carlo systematiek).

Naast het financiële aspect dient er ook voldoende capaciteit, kwaliteit en middelen te zijn voor kennisontwikkeling om toekomstige opgaven aan te kunnen. Gaat om combinatie van afspraken over uittreden en geïdentificeerde risico’s en onverwachte operationele tegenvallers. Een robuuste omgevingsdienst hoeft niet voor elke tegenvaller terug naar DB/AB. Er dient een acceptabele bandbreedte te zijn omdat een te grote reserve ook niet wenselijk is. Nadere uitwerking in werkgroep financiering om op basis hiervan te bepalen wat voldoende is. 5. De dienst heeft voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie. Innovatie mag niet ten laste komen van het primaire proces. Op enig moment worden de ontwikkelde innovaties onderdeel van het primair proces. Van belang dat er sprake is van een meerjarige innovatieagenda. Hoewel de aanwezigheid van een agenda voor de individuele dienst geldt, wordt geadviseerd om dat inhoudelijk op bovenregionaal of landelijk niveau op te pakken. Relatie met de opgave van de omgevingswet (zie artikel 1.3). Nog verder nakijken hoe te beschrijven. 6. De dienst past bij de identiteit van het werkgebied en er is sprake van samenhang (coherentie) in het takenpakket en logica in het geografisch werkgebied. De werkgroep realiseert zich dat deze kpi lastig is te normeren. Er is grote samenhang met kpi 1. De maatschappelijke opgave moet centraal staan.

Van belang dat er homogeniteit is in het karakter van het werkgebied vanwege de benodigde kennis. Daarbij is door de werkgroep geconcludeerd dat stedelijk, landelijk en industrieel onvoldoende is voor het onderscheidend karakter. Voor een optimale rol in alle maatschappelijke (milieu-)opgaven, kunnen regionale kenmerken worden aangehouden als (bron Omgevingsdiensten in beeld): • aanwezigheid van chemische clusters • aanwezigheid van mainports, zoals nationale luchthaven (Schiphol) en haven (R’dam) • een grote dichtheid intensieve veehouderij • een matige luchtkwaliteit • een grote ruimtelijke dynamiek • grote natuurgebieden. 19

De werkgroep heeft daarom ook gekeken naar ontwikkelingen zoals het nieuwe nationaal ruimtelijk beleid waar op dit moment aan wordt gewerkt. De uitkomsten van de programma’s NOVEX en Mooi Nederland leiden tot de aangescherpte Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het kabinet verwacht in 2024 de aangescherpte NOVI definitief te kunnen vaststellen. Er zijn zestien NOVEX-gebieden aangewezen waar grote ruimtelijke transities vragen om een apart ontwikkelperspectief. Dit ontwikkelperspectief stellen Rijk en regio samen op. De plannen voor deze zestien gebieden worden opgenomen in het ruimtelijk voorstel dat de provincies na de zomer 2023 opleveren. Voor de NOVEX-gebieden wordt vervolgens een uitvoeringsagenda met regionale investeringsagenda opgesteld.

De gebieden zijn (met tussen haakjes de omgevingsdiensten die daar mee te maken krijgen): Noordzee-kanaalgebied (OD NZKG en OD IJmond), Regio Schiphol (OD NZKG), Metropoolregio Amsterdam (OD NZKG, OD IJmond en OD FGV), Zuidelijke Randstad (Zuid-Hollandse Omgevingsdiensten en DCMR), Rotterdamse Haven (DCMR), Groene Hart (Zuid-Hollandse Omgevingsdiensten en ODRU), Utrecht-Amersfoort (RUD Utrecht), Arnhem/ Nijmegen Foodvalley (OD regio Arnhem, OD regio Nijmegen en OD De Vallei), North Sea Port District (OD Zeeland), Stedelijk Brabant (Brabantse Omgevingsdiensten), De Peel (Omgevingsdiensten Brabant-Noord, Zuidoost Brabant en Limburg Noord), ZuidLimburg (OD Zuid Limburg), Regio Zwolle (OD IJsselland), Groningen (OD Groningen), Groningen-Assen (OD Groningen en OD Drenthe) en Lelylijn (n.n.b.; in ieder geval OFGV).

20

4 Landschap van omgevingsdiensten De voorgestelde normering per kpi heeft gevolgen voor de huidige indeling van werkgebieden voor omgevingsdiensten. Alvorens die brug te slaan wordt een weergave gegeven van de huidige situatie in een kort historisch perspectief.

Indeling huidige omgevingsdiensten In de oorspronkelijke opzet voor omgevingsdiensten was het voornemen om het werkgebied van een omgevingsdienst te laten samenvallen met het werkgebied van een of meerdere veiligheidsregio’s. De bestaande praktijk kent verschillende varianten van afwijkende situaties, die tijdelijk zijn geformaliseerd op het niveau van de Ministeriële regeling omgevingsrecht. In de Memorie van Toelichting staat het volgende daarover vermeld: ‘Congruentie van schaal en werkgebied komt de afstemming tussen de VTH-taken van de omgevingsdiensten en de taken van de veiligheidsregio ten goede.’ Dit is ook zo verwoord in de Wabo (art. 5.3). In een aantal regio’s is gekozen voor de vorming van meer omgevingsdiensten binnen het werkgebied van één veiligheidsregio. Ten tijde van het maken van deze wetgeving was de politie (gelet op de aanpak van milieucriminaliteit) ook aangesloten conform het werkgebied van een veiligheidsregio. Dat is door de komst van de nationale politie achterhaald. Desondanks heeft de werkgroep dit perspectief beoordeeld voor een herziene regionale indeling. De werkgroep heeft echter geconcludeerd dat de door de Tweede Kamer gewenste congruentie met de veiligheidsregio in niet alle regio’s leidt tot het kunnen voldoen aan de normen voor robuustheid.

Congruentie is daarom uitsluitend een optie voor een omgevingsdienst om robuust te worden als ook aan de andere eisen wordt voldaan. De werkgroep ziet verder geen aanleiding om vast te houden aan de congruentie van de veiligheidsregio’s.

21

1. Omgevingsdienst Groningen 2. Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing 3. RUD Drenthe 4. Omgevingsdienst Noord-Holland Noord 5. Omgevingsdienst IJsselland 6. Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek 7. Omgevingsdienst IJmond 8. Omgevingsdienst Noord-Veluwe 9. Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 10. Omgevingsdienst Twente 11. Omgevingsdienst Veluwe IJssel 12. Omgevingsdienst West-Holland 13. Omgevingsdienst De Vallei 14. RUD Utrecht 15. Omgevingsdienst Regio Utrecht

16. Omgevingsdienst Haaglanden 17. Omgevingsdienst Achterhoek 18. Omgevingsdienst Midden-Holland 19. Omgevingsdienst Regio Arnhem 20. Omgevingsdienst Rivierenland 21. DCMR Milieudienst Rijnmond 22. Omgevingsdienst Regio Nijmegen 23. Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid 24. Omgevingsdienst Brabant Noord 25. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant 26. RUD Zeeland 27. Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 28. RUD Limburg Noord 29. RUD Zuid Limburg 22

Voor VTH van BRZO-bedrijven zijn er zes gespecialiseerde omgevingsdiensten (met tussen haakjes de provincies die zij bedienen: Omgevingsdienst Groningen (Groningen, Drenthe, Fryslân) Omgevingsdienst Regio Nijmegen (Overijssel, Gelderland) Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (Noord-Holland, Flevoland, Utrecht) DCMR Milieudienst Rijnmond (Zuid-Holland en Zeeland) Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (Noord-Brabant) RUD Zuid-Limburg (Limburg)

Beschrijving nieuwe landschap omgevingsdiensten Zoals eerder opgemerkt dient een robuuste omgevingsdienst aan alle 6 kpi’s te voldoen, maar is de combinatie van 1 en 6 onderscheidend voor het landschap van omgevingsdiensten. Om te bepalen of een dienst aan de kpi’s voldoet of kan gaan voldoen, is een nadere analyse per omgevingsdienst noodzakelijk. Echter, op basis van de beschikbare informatie zijn gelet op de gestelde normering wel enkele conclusies te trekken. Zo voldoet bijna de helft van de omgevingsdiensten volgens de inventarisatie uit Omgevingsdiensten in beeld (2021) niet aan de minimale ondergrens voor de uitvoering van de VTH-taken van € 15 miljoen (inclusief overhead), waarbij wordt opgemerkt dat een aantal diensten geen opgave heeft gedaan van de omvang van basis- respectievelijk milieugerelateerde plustaken. Bovendien kunnen in de omzetten ook niet-milieugerelateerde plustaken zitten, waardoor het niet uitgesloten is dat er meer omgevingsdiensten hieraan niet voldoen. De werkgroep heeft op basis van de beschikbare gegevens uit 2021 vastgesteld welke omgevingsdiensten voldoende omzet en voldoende mensen in eigen dienst hebben om robuust te kunnen zijn (kpi 1).

Het gaat om de omgevingsdiensten: Groningen Drenthe FUMO West Holland Regio Arnhem NHN Rivierenland ZO Brabant Midden Holland ZHZ Haaglanden Brabant Noord Nijmegen MWB NZKG DCMR Voor kpi 2, 3 en 5 zal op basis van het tweejaarlijks onderzoek (medio 2023), maar ook uit de uitvraag van werkgroep Financiën blijken of, en zo ja welke omgevingsdiensten niet voldoen aan de kwaliteitscriteria VTH, welke beschikken over een innovatieagenda en een vrij besteedbaar innovatiebudget en een budget van 3% voor business intelligence en kennisontwikkeling.

23

Kwetsbaar voor veranderingen in het werkpakket (kpi 4), is een aantal omgevingsdiensten met in verhouding veel plustaken (waarvan mogelijk ook niet-milieugerelateerd of geen opgave) of waar signalen zijn dat gemeenten die taken (mogelijk) willen terughalen of dat al in gang hebben gezet. Er zijn bestuurlijke dilemma’s geïdentificeerd voor de bestuurders van de omgevingsdiensten, gelet op karakteristieken van het werkgebied, cultuurhistorische achtergrond en verschil in maatschappelijke opgaven. Voldoen aan kpi 6 leidt voor de volgende omgevingsdiensten tot onvoldoende congruentie tussen omgevingsdienst en werkgebied, of er is sprake van een samenhangend gebied dat wordt bediend door meer omgevingsdiensten: - Er zijn er in Zuid-Holland 5 omgevingsdiensten die 3 onderscheidende gebieden bedienen (Groene Hart, Botlek en stedelijk-/kustgebied). Midden-Holland heeft een werkgebied dat uiteenvalt in bollen/kuststreek, zakelijke dienstverlening en Groene Hart en dat weinig interne samenhang vertoont. -

In Noord-Holland is de opsplitsing tussen OD IJmond en ODNZKG niet congruent met de opgaven in het gebied: niet logisch dat er gelet op het karakter van het werkgebied er twee omgevingsdiensten zijn in het Noordzeekanaalgebied. Daarnaast bedient OD IJmond twee niet vergelijkbare (en niet aaneengesloten) werkgebieden.

-

Er is geen logica vanuit de gebiedsopgaven voor het bestaan van twee omgevingsdiensten in Utrecht.

-

In de provincie Gelderland zijn er 7 omgevingsdiensten (samenwerkend in Gelders stelsel). In Gelderland is er een gebied met specifieke karakteristieken dat wordt bediend door – nu nog – 3 omgevingsdiensten, namelijk de Veluwe. Verder is op basis van congruentie met de opgave (beide stedelijk gebied en er is een langjarige samenwerking in de (Groene Metropool)regio Arnhem-Nijmegen) de scheiding tussen OD Regio Arnhem en OD Regio Nijmegen niet logisch. De ODA valt niet samen met de Regio Achterhoek en bedient een aantal gemeenten die in andere samenwerkingsconstellaties niet worden gerekend tot de Achterhoek.

-

De verschillen in het werkgebied van Limburg-Zuid zijn groot, met het Heuvelland en Chemelot als uitersten. De schaal van de OD Limburg Zuid is te klein om beide goed te kunnen bedienen.

In de beschrijving van het nieuwe landschap van omgevingsdiensten in combinatie met voldoen aan kpi’s 1 en 6 hoeft er wat de werkgroep betreft niets te veranderen in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Noord-Brabant en mogelijk Zeeland. Voor de toekomstige opgaven ligt samenwerking tussen de 3 noordelijke provincies en de 3 omgevingsdiensten in Noord-Brabant wel voor de hand. Voor Zeeland ligt die samenwerking voor de hand met DCMR of Midden- en West Brabant. Hoewel de provincie Flevoland en Gooi- en Vechtstreek gelijksoortige werkgebieden zijn, lijkt het voor de omgevingsdienst FGV, zelfs met het uitbreiden van (milieugerelateerde) plustaken, niet mogelijk om robuust te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12999453/1