CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Bijlagenboek bij Plan-projectMER Oudega Het Meer

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan en Milieueffectrapport (MER) Oudega – Nije Aldegeaster Sânning27.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 4.1. Hoogtekaart en dwarsdoorsnede (lengte 1 km, hoogteverschil variërend van + 0,5 tot -1,5 m NAP) door het gebied van NW naar ZO (gele lijn). De hogere gronden hebben een zandondergrond (2-3 m), de lage gronden een veenpakket van 80-100 cm, dan zand en keileem op 2 m diepte.

Het weidevogelgebied beslaat het oostelijk deel van Polder De Gealannen ten zuiden van de Geasten. Dit gebied is na herinrichting ca. 30 ha groot (gemeten tot grofweg de schuine lijn van hoog – laag, haaks op de gele lijn in fig. 4.1). Het open gebied is relatief klein en het besloten gebied ligt op korte afstand. Naar verwachting zal in dit gebied daarom predatie optreden, zoals dat elders ook langs de randen van het coulisselandschap plaatsvindt. Het gebied is dan ook niet aangewezen als weidevogelkansgebied door de provincie (de Bûtendiken aan de overkant van de Wide Ie zijn dat wel). Het gebied is wel beheersgebied in het kader van de Relatienota, en al lange tijd is het beheer er vrij extensief. Bovenstaande betekent, dat het hier gaat om een relatief klein weidevogelgebied waar, na een goede inrichting en met een toegesneden beheer, verschillende soorten weidevogels kunnen broeden. In absolute aantallen zal het gaan om relatief kleine aantallen, maar de kracht van het gebied schuilt in de potentie voor soortenrijkdom. Dat heeft te maken met het al schrale karakter en de waterhuishoudkundige situatie. Dat laat de huidige soortenrijkdom ook zien; zo broedden er in 2017 naast de bekende weidevogels kievit, grutto, scholekster, tureluur ook kwartel, wulp en gele kwikstaart. Ook voor de zomertaling, slobeend en watersnip is het gebied in potentie zeer geschikt.

Het doel moet hier dan ook niet zijn om hoge aantallen weidevogels na te streven, maar een weidegebied met kruidenrijke en schrale graslanden waar naast een soortenrijke weidevogelbevolking ook veel andere natuurwaarden een plaats krijgen.

14

4.2

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

Opgehoogd perceel

Recentelijk is een van de percelen in de zuidwesthoek van het plangebied opgehoogd met grond uit het voormalige baggerdepot. Dit opgehoogde perceel is aangegeven in figuur 2.1. Het perceel betreft een (voormalige) laagte tussen de hogere zandgronden aan de noordkant en het boezemland plus de boezem aan de zuidkant. De hoogteligging van de locatie – vóór ophoging – ligt ca tussen -1,2 en -0,85. Dit perceel had voorafgaand aan de ophoging ecologische waarden, samenhangend met de ligging in het landschap. Het ligt als het ware aan de voet van de ‘hogere’ zandgronden waardoor hier kwel van grondwater optreedt in de sloten en tot hoog in het bodemprofiel. Uit de inventarisatie in 2017 bleek, dat in deze hoek bijzonder soorten voorkomen als holpijp, klein fonteinkruid en krabbescheer. Het perceel had een schrale, kruidenrijke graslandvegetatie.

Figuur 4.2. Beeld van het perceel na ophoging, voorjaar 2020 (bovenste rij). Links gezien vanuit het zuiden, rechts vanuit het noorden, richting boezemkade. Onder: greppelpatroon vóór ophoging (links) en beeld van met Pitrus en Rietgras overgroeide perceel in maart 2022.

Gezien de bijzondere ligging van dit perceel aan de voet van de gradiënt van hoog naar laag zijn de potenties voor herstel van de ecologische situaties groot. Ontwikkeling naar soortenrijk grasland zal zonder afvoer van de opgebrachte grond naar verwachting niet plaatsvinden maar wel een sterke ontwikkeling van Rietgras en Pitrus (zoals nu al het geval). Daarom bevelen we aan om de aangebrachte grond weer te verwijderen tot net (ca. 10 cm) onder de oorspronkelijke hoogte van ca. 1 m -NAP. Het afgraven dient reliëfvolgend te gebeuren, zodat de oorspronkelijke kleine hoogteverschillen weer terugkeren. Deze kleine hoogteverschillen zijn van belang voor een verscheidenheid in micromilieus en daarmee een verscheidenheid in plantensoorten. Op de hoogtekaart is te zien, dat het profiel iets oploopt richting het zuiden (tot -0,90 m -NAP). Om waterstagnatie na aanleg te voorkomen dient het oorspronkelijke greppelpatroon te worden hersteld (ondiepe greppels!), met afwatering op de sloot aan de voet van de gradiënt (figuur 4.2).

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

15

De kans is vrij groot dat zonder gericht beheer rietgras en pitrus gaan domineren in een situatie als hier, zeker omdat bodem en waterhuishouding zijn gestoord. Om die reden is het aan te bevelen, in overleg met de terreinbeheerder in de Alde Feanen, de herontwikkeling naar schraal grasland, na afvoer van de toplaag, te bevorderen door hooi van nabijgelegen schraallanden uit de Alde Feanen (Bolderen of Ale om ‘e Slachte) hier uit strooien. Dat is een beproefde methode om relatief snel schraalland te herontwikkeling op geplagde gronden. Het terugbrengen van de oude staat van het grasland kan in de zomer gebeuren, wanneer het relatief droog is, om zo aanvullende bodemschade onder natte omstandigheden te voorkomen. De bodem is in het gebied gevoelig voor zware machines, insporing en bodemverdichting moet worden voorkomen. Het uitstrooien van hooi met zaden moet aansluitend plaatsvinden. Monitoring van de resultaten is van belang om na te gaan of aanvullend beheer of maatregelen nodig zijn.

4.3

Inrichting van De Gealannen

Polder de Gealannen bestaat uit extensief gebruikte, vochtige-natte graslanden en passend bij het doel is dat ook een passend landschapsbeeld voor de toekomst (foto’s van de huidige situatie, blz. 12). In die zin zijn er geen grote inrichtingsmaatregelen nodig. Aan de westkant is het zinvol het opgehoogde perceel te herontwikkelen en in te zetten op schraallandbeheer (zie volgende paragraaf), zoveel mogelijk profiterend van de grondwateromstandigheden. Echter, om het gebied aan de oostkant voor weide- en watervogels verder te optimaliseren, achten wij de volgende inrichtingsmaatregelen effectief en zinvol: Openheid van het landschap Voor de openheid van het landschap zijn geen maatregelen nodig. Aan de oostkant is er al een open landschap, en aan de westkant zijn er wilgenstruwelen in het boezemland. Die kunnen blijven bestaan (voor zover nog aanwezig na de kadeversterking), omdat het landschap aan de westkant al een wat meer besloten karakter heeft (overgang naar besloten landschap). Een aandachtspunt is de afwerking van de meeroever die ontstaat aan de westkant van het nieuwe meer. De oever wordt bij voorkeur zodanig ingericht, dat ontwikkeling van opgaande begroeiing wordt beperkt. Vooral bij steenstortafwerking ontstaan op termijn bosschages die alleen handmatig verwijderd kunnen worden.

Het is daarom nuttig om al bij het ontwerp van de kering rekening te houden met het toekomstig beheer. Omdat de oever aan de luwe kant ligt (niet op de overheersende windrichting georiënteerde zijde) is er ruimte voor een ‘zachte’ oever met rietbegroeiing. Waterhuishouding De huidige bemaling van het gebied vindt plaats via gemaal Oosterzanding, aan de Skieppekampen, met een onderleider onder het Alddjip. De sloten in de Gealannen hebben alle een noord-zuid richting, waarbij langs De Geasten de hoofdwatergang loopt. De sloot langs De Geasten kan hoofdwatergang blijven, de afvoer via de onderleider naar de Skieppekampen zal door de aanleg van het nieuwe meer verplaatst worden. Regulier onderhoud bestaat in het weidevogeldeel hier uit het jaarlijks of bij voorkeur tweejaarlijks schonen van de sloten. Qua waterpeilen is het aan te raden om in de winter een hoog peil aan te houden, en vanaf 15 maart een waterpeil waarbij het water tot in de greppels staat. Dit kan door het waterpeil ten zuiden van De Geasten op te zetten. Daarbij moet in de laagste delen (-1,10 tot -1,20 m -NAP; westelijk deel van de Gealannen, opgehoogde perceel en het perceel ten oosten ervan) gestuurd

16

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

worden op een drooglegging van 10-20 cm -mv. Daarbij zal in het oostelijk deel, waar de percelen net wat hoger liggen (-0,80 tot -0,90 m -NAP), een drooglegging van 30-40 cm -NAP aan de orde zijn. Dit is voldoende om in het voorjaar of in de voorzomer ook plaatselijk te beweiden. Bij een dergelijke waterhuishouding, die optimaal is voor een rijk soortenspectrum van weidevogels, is alleen extensief agrarisch beheer mogelijk. Voor de waterhuishouding zoals hierboven aangegeven, is de detailontwatering heel belangrijk. Daarom is als inrichtingsmaatregel nodig om de begreppeling weer op orde te brengen en waar nodig nieuwe kopakkerbuizen aan te brengen. Revitalisering Zetsloot De Zetsloot is de oude watergang die in het verleden de Oudegaaster zanding verbond met de Mûntsjegroppe. In de Gealannen is nog een restant van die oude waterloop aanwezig, maar die is nu geheel verland. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is het aantrekkelijk om de oude waterloop weer uit te graven. Op dit moment is de ecologische kwaliteit van de Zetsloot beperkt. Het bestaat uit ruige en voedselrijke rietvegetatie met een dikke strooisellaag en ondergroei van met name Grote brandnetel en Oeverzegge. Een kanttekening bij vergraven is wel dat daar extra CO2 bij vrijkomt (mineralisatie); alleen al om die reden dient een ingreep bescheiden te zijn.

Een goede mogelijkheid is daarom om op bescheiden schaal de Zetsloot te revitaliseren. Daarbij wordt de rietvegetatie geplagd. De rietplaggen kunnen worden gebruikt voor het natuureiland (zie hoofdstuk 5). Bij de inrichting is een ondiep flauw profiel gewenst aan beide zijden van de Zetsloot, waarbij het midden van de oude Zetsloot permanent ondiep water bevat en de oevers als vochtig schraal hooiland kunnen worden beheerd (mee maaien met de tweede snede). De Zetsloot kan na herinrichting dienst doen als plasdras-oever voor weidevogels in het vroege voorjaar en heeft daarnaast botanische potentie vanwege de vermoedelijk matig schrale ondergrond van veen. Bovendien doet het permanent natte karakter van het midden van de slenk recht aan het historisch gebruik. De aantrekkingskracht op vogels is ook goed te beleven vanaf De Geasten.

4.4

Beheer van De Gealannen

Het doel is ook voor de langere termijn om het extensieve graslandbeheer in het gebied ten zuiden van De Geasten voort te zetten, met in het oostelijk deel het accent op weidevogelbeheer. Extensief hooilandbeheer aan de westkant In het westelijke deel, in het bijzonder de gronden die nu zijn verworven (het gebied ten zuiden van De Geasten tot en met het opgehoogde perceel), kan sprake zijn van schraallandbeheer, waarbij bemesting zeer wordt beperkt en overwegend wordt gehooid na 1 juli. Dit geldt voor het opgehoogde perceel, en het aangrenzende perceel (figuur 4.3). Op het opgehoogde perceel dient het tijdstip en de frequentie van maaien (1 of 2 keer per jaar) wordt afgestemd op de ontwikkeling van de vegetatie. Naar verwachting is in de eerste twee jaar na herinrichting slechts eenmaal per jaar maaien in augustus voldoende. Vervolgens kan het afhankelijk van de ontwikkeling en de voedselrijkdom van de bodem nodig zijn om een aantal jaren tweemaal per jaar te maaien (juni en augustus). Met twee keer per jaar maaien en afvoeren kan verschraald worden en voorkomen worden dat een soort als gestreepte witbol gaat domineren.

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

17

Figuur 4.3. Beeld van het perceel na ophoging, voorjaar 2020. Links gezien vanuit het zuiden, rechts vanuit het noorden, richting boezemkade. Toelichting zie de tekst •

Oranje – schraallandbeheer, geen bemesting, laat maaien, hooguit kortstondig drukbegrazing met schapen

•

Geel – extensief hooilandbeheer, beperkte bemesting, slootranden niet bemesten, jaarlijks nabeweiden mag

•

Groen – weidevogelbeheer, laat maaien, 1-2 percelen voorweiden, rest naweiden, slootranden niet bemesten

•

Blauw – revitalisering Zetsloot: riet afplaggen en taluds schuin afwerken, later mee maaien met tweede snede.

Het schraalland kan eventueel beweid worden maar dan alleen kortstondig per jaar met schapen, liefst in de nazomer wanneer de draagkracht het grootst is. Het beperken van open plekken en Pitrus is mogelijk door kortstondig met een hoge graasdruk rond te weiden. Een hoge graasdruk heeft als voordeel dat er relatief veel gras weg gegeten wordt, terwijl de zode relatief weinig te verduren heeft van vertrapping. Het is dus van belang dat de schapen niet te lang op een perceel blijven lopen (max. twee weken). Weidevogelbeheer graslanden Zoals in de eerste paragraaf betoogd, is het doel hier het behouden en ontwikkelen van een weidegebied met kruidenrijke en voedselarme graslanden, waar naast een soortenrijke weidevogelbevolking ook veel andere natuurwaarden een plaats krijgen. Dat betekent dat er naast het graslandbeheer ook aandacht moet zijn voor het beheer van de sloten, die bijzondere waarden herbergen (van der Heijden 2018). Kort samengevat dient het beheer te bestaan uit extensief graslandbeheer, waarbij sprake is van een matige bemesting, maximaal 50-100 kg N/ha/jaar, en een hooilandbeheer met lokaal na- of voorbeweiding. Bemesting Ten aanzien van bemesting is het aan te bevelen om beperkt te bemesten, om de ontwikkeling van een kruidenrijke vegetatie te bevorderen (Mettrop et al. 2021). Er is een duidelijke voorkeur voor vaste mest van maximaal 5-10 ton per hectare.

Bemesting vindt plaats eens in de twee jaar, aanbrengen in de winter of zomer. Indien geen vaste mest beschikbaar is, is het gebruik van groencompost of Bokashi te prefereren boven het gebruik van drijfmest. De randen van de graslanden mogen niet mee worden bemest, tenminste 5 meter vanaf de slootkant wordt niet bemest (Oosterveld et al. 2009, 2012).

18

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

Begreppeling De graslanden zijn licht begreppeld en de greppelstructuur wordt jaarlijks onderhouden voor de detailontwatering. Als dit niet plaatsvindt, treedt gemakkelijk verzuring op van de bovenste bodemlaag met een afname van de bodemkwaliteit als gevolg. De begreppeling kan eventueel worden gebruikt om in het vroege voorjaar een kleine en tijdelijke plasdras te creëren door een kopakkerbuis dicht te zetten (zie foto).

Verstopte greppel in De Gealannen. Door een kopakkerbuis af te sluiten is met weinig inspanning een kleine en tijdelijke plas-dras te creëren in het vroege voorjaar, 23 februari 2022 (M. Sikkema).

Hooilandbeheer met nabeweiding De graslanden worden twee tot drie keer per jaar gemaaid en gehooid, op zijn vroegst 15 juni. Een klein deel van de percelen kan worden voorbeweid (zie hierna); na beweiding met schapen, jongvee of paarden is een pré, om ook kleinschalig reliëf te bevorderen. Koeienvlaaien en paardenmest zijn weer gunstig voor insecten, en schapen hebben een goede invloed op de grasdichtheid. Het is belangrijk dat er sprake is van variatie in beheer. Aandachtspunt bij het beheer is dat niet met zware machines in het land gereden wordt, omdat hier sprake is van een hoog waterpeil en de draagkracht van de bodem in het gebied gering is. Bodemschade moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Beweiding Beweiding hoort in beperkte mate thuis in weidevogelbeheer. Het creëert vooral voor kuikens van Kievit goede omstandigheden om op te groeien. Voorbeweiding vindt plaats van begin april tot 1 mei, met schapen, paarden of jongvee. In het onderhavige plangebied kunnen ten hoogste 1-2 percelen worden voorbeweid. Voorbeweide percelen fungeren vooral als opgroeigebied voor kuikens later in het seizoen. Nabeweiding met rundvee kan op meerdere percelen plaatsvinden, maar niet ten oosten van de Zetsloot.

Jacht, schadebestrijding en overwinterende ganzen Op dit moment bevinden zich in het gebied enkele jachthutjes ten behoeve van schadebestrijding van ganzen, onder meer in de oude Zetsloot. Ten behoeve van het weidevogelbeheer zal jacht (schadebestrijding) van predatoren binnen de wettelijke kaders aan de orde zijn, afhankelijk van de predatiedruk die in de komende jaren wordt vastgesteld. De jacht op wildsoorten in het najaar bijt niet per sé met natuurwaarden waarvoor het gebied geschikt wordt gemaakt. Echter, voor schadebestrijding van ganzen is in dit gebied geen noodzaak na herinrichting. Ganzen zijn in weidevogelgebieden goede begrazers, omdat ze kleinschalig mozaïek in grashoogtes aanbrengen.

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

19

Op de kruidenrijke graslanden in De Gealannen is de ganzenbegrazing in de winter lager dan in de intensief benutte graslanden in de omgeving (M. Sikkema), waardoor van schade aan gewasopbrengst in dit gebied niet of nauwelijks sprake is. Winterse begrazing door ganzen is bovendien behulpzaam om het gras kort uit de winter te laten komen. Met de huidige warme winters groeit het gras gedurende winter gestaag door, voor weidevogels is een korte grasmat in het vroege voorjaar wenselijk. Beheer van sloten Door de bijzondere landschappelijke positie van het gebied en de daaruit voortvloeiende goede grondwaterkwaliteit, herbergen de sloten bijzondere natuurwaarden. Dit zijn met name planten zoals klein fonteinkruid, stomp fonteinkruid, waterviolier, blaasjeskruid, krabbescheer en holpijp. Het voorkomen van de zeldzame vissoorten kroeskarper en grote modderkruiper is beperkt tot dergelijke goed ontwikkelde kwelsloten die rijk zijn aan genoemde waterplanten. Ook de waterspitsmuis is kenmerkend voor dergelijke rijke sloten. De oevers zijn plaatselijk fraai ontwikkeld, met soorten als grote boterbloem (zeldzaam, ook in de Gealannen), zwanenbloem en pluimzegge. Grote modderkruiper en kroeskarper zijn niet per sé gebaat bij een goede verbinding met overige wateren. De genoemde soorten komen voor in hetzelfde type systeem, d.w.z.

dat ze zijn aangepast aan de lage zuurstofgehalten die in waterplantenrijke wateren kunnen optreden. Ze kunnen overschakelen op een zuurstofloze stofwisseling met glycogeen wanneer er zuurstofloosheid ontstaat. Door deze eigenschappen zijn kroeskarper en grote modderkruiper in staat zich te handhaven onder omstandigheden die veel andere vissoorten niet overleven (ravon.nl). De soorten komen daardoor juist voor in wateren waarin weinig andere vissoorten voorkomen. Begeleidende soorten zijn met name zeelt en tiendoornige stekelbaars en in mindere mate ook ruisvoorn en snoek. Aantasting van dit systeem door inlaat van gebiedsvreemd water en intrek van soorten als brasem en blankvoorn zijn in dit gebied daarom absoluut niet wenselijk. Tijdens de herinrichting van het watersysteem is het noodzakelijk om hiermee rekening te houden. Vanwege het voorkomen van bijzondere plant- en diersoorten in de sloten en oevers, is een daarop afgestemd beheer van de sloten gewenst. Dit kan worden opgevat als niet te intensief jaarlijks schonen maar extensief schonen, bijv. eens per 3 jaar. Op dit moment is een groot deel van de sloten al enkele jaren niet meer geschoond, waardoor deze grotendeels zijn dichtgegroeid. Idealiter, wordt daarom jaarlijks één derde deel van de sloten geschoond, zodat elke sloot één keer per drie jaar aan de beurt is.

Verder is het wenselijk dat de sloten op diepte gehouden worden, zodat kwelwater toegang krijgt tot de sloot en er ruimte is voor waterplanten en vissen.

20

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

5 Inrichting natuureiland Een van de eilanden die worden aangelegd aan de noordoostzijde van het meer krijgt de functie als natuureiland. In dit hoofdstuk wordt een voorstel voor de inrichting en het het beheer.

5.1

Aanleg van een natuureiland

Huidige plan Aan de noordoostzijde van het nieuw te realiseren Mar fan Aldegea wordt een serie van vier eilanden aangelegd. Deze eilanden krijgen elk een eigen functie en hebben als gezamenlijk doel de bescherming van de achterliggende kade tegen golfafslag. Drie van de eilanden krijgen een recreatieve functie. In de huidige planschets (figuur 2.1) wordt op het meest noordelijke van de vier eilanden de recreatieve functie het meest intensief benut, met onder meer voorzieningen voor kinderen zoals speeltoestellen en dergelijke. De twee meest zuidelijke eilanden krijgen ook een recreatieve functie, maar op een extensiever niveau met vooral aanlegplekken aan de luwe zijde. Het tweede eiland vanaf het noorden is op de plankaart (figuur 2.1) beoogd als natuureiland. Hieronder wordt ingegaan op de wijze waarop dit eiland het meest kan bijdragen aan verhoging van natuurwaarden. Locatie natuureiland Op de huidige plantekening is het tweede eiland voorzien als natuureiland. Het is evenwel te overwegen om het meest zuidelijke eiland in te richten voor natuur. Op die manier kan een recreatieve zonering ontstaan, waarbij het meest noordelijke eiland - dat dicht bij de bedrijvigheid van Aldegea, het nieuwe Fokke Wietske paad en het strandje ligt - het meest intensief wordt gebruikt.

De twee middelste eilanden worden vervolgens minder intensief gebruikt en dat tenslotte het meest zuidelijke eiland voor natuurontwikkeling zo rustig mogelijk blijft. Op die manier wordt voorkomen dat de verschillende functies elkaar in de toekomst bijten.

5.2

Doelen en functie van het natuureiland

Het doel van een natuureiland is om in algemene zin bij te dragen aan het natuurlijke karakter van het nieuwe meer, en ondersteuning te geven aan de natuurwaarden. In dien zin, dient een nieuwe in te richten eiland te passen in de omgeving. De inrichting en vervolgens het beheer bepalen in hoge mate de natuurwaarden op termijn, en de ecologische functies die een eiland kan hebben. Dat heeft vooral te maken met de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een brede oeverzone met riet begroeiingen en het al dan niet optreden van bosopslag in de vorm van wilgenstruweel. Zonder actief beheer is dat laatste overigens niet tegen te gaan. Voor vogels kan een eiland een functie hebben als rust- of broedgebied, vooral omdat het niet bereikbaar is voor grondpredatoren als de vos. Echter, ook andere natuurwaarden kunnen een plaats krijgen, waaronder water- en oeverplanten, insecten zoals dagvlinders en libellen en zoogdieren (bv. Otter). Een belangrijk uitgangspunt is, dat het eiland in de nieuwe Mar fan Aldegea in een boezemmeer ligt, waar de waterkwaliteit over het algemeen voedselrijk is, en er beperkte schommelingen in waterpeil zijn. Dat maakt dat de ontwikkeling van brede rietkragen niet gemakkelijk is. Positief is evenwel dat de afgelopen jaren – met de verbetering van de waterkwaliteit – soorten als mattenbies (zie foto), riet en fonteinkruiden in de Friese boezem weer toenemen.

Dat geldt vooral in ondiepe meren waar niet teveel doorstroming is, en dat is het geval in het nieuwe meer.

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

21

Mattenbies in de Smeliester sân, januari 2022 (A&W).

5.3

Gewenste inrichting en beheer

In deze paragraaf wordt ingegaan op de gewenste inrichting van het natuureiland. Omdat het natuureiland klein van oppervlakte is en het lastig is om intensief beheer te plegen op een eiland, zijn er voor terrestrische natuur beperkte mogelijkheden. Echter, het eiland kan goed worden benut om natuur te stimuleren in het achterliggende water. Het eiland voorziet in luwte en rust. Er wordt daarom ingezet op drie soortgroepen, dit zijn waterplanten, vissen en moerasvogels. Het ontwerp in het kort Door aanleg van een boogvormig of boomerangvormige eiland, wordt het achterliggende water afgeschermd. Als ruimte tussen de beide uiteinden van het eiland en de noordoostoever van het toekomstig meer, kan de breedte van het huidige Alddjip aangehouden worden. Deze tussenruimte wordt met een palenrij ontoegankelijk gemaakt voor boten en kano’s (en: op de andere eilanden juist wel aantrekkelijke plekken om aan te leggen). Met dit ontwerp voorziet het eiland in rust en luwte. Door het achterliggende water te verontdiepen met zand en/of leem dat mogelijk ter plaatse kan worden gewonnen, kan een gunstige uitgangssituatie worden gecreëerd voor ondergedoken waterplanten. Ondergedoken waterplanten zijn zogenaamde ‘biobouwers’, soorten die het milieu om zich heen positief beïnvloeden en daarmee ruimte en mogelijkheden creëren voor allerhande andere soorten.

Hun aanwezigheid heeft gunstige effecten op zowel waternatuur als vogels die daarop en in leven. Ondergedoken waterplanten bieden schuilmogelijkheden voor jonge vis, zijn gunstig voor de waterkwaliteit, bieden substraat voor watervogels om op te broeden en bieden voedsel voor watervogels. Daarnaast kan een ondiepte met waterplanten gunstig zijn voor bijvoorbeeld waterkevers en larven van libellen. Door de luwtezone door middel van een palenrij af te sluiten, ontstaan er bovendien mogelijkheden voor vogels om er te rusten of te broeden. Het eiland zelf bestaat idealiter uit een lage en natte moerasvegetatie, waarin boomopslag zo zoveel mogelijk wordt voorkomen. Rietplaggen uit de Zetsloot kunnen hier benut worden om een rietvegetatie op gang te krijgen. Aan de buitenzijde van het eiland dient bescherming tegen afslag te worden aangebracht. Dit gebeurt bij voorkeur met een ‘biobased’ materiaal dat na verloop

22

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

van tijd afbreekt, in de tussentijd kan de rietvegetatie zich vestigen die vervolgens met een stevige wortelzone voorziet in bescherming tegen afslag. Op het eiland kunnen riet- en moerasvogels zoals rietzanger, rietgors, kleine karekiet, snor en waterral broeden. Ook kan het dienst doen als rustgebied voor de otter.

Figuur 5.1. Principeschets natuureiland met een hoge wal aan de op de wind geëxponeerde zijde en een flauw aflopend talud aan

de

luwe

zijde.

Stimuleren

van

riet-

en

waterplantenbegroeiingen aan de luwe zijde. Onder een dwarsdoorsnede, met een hoge kant aan de zijde waar de golven komen en de lage zijde aan de luwe kant.

Luwtezone Om vestiging van waterplanten te faciliteren is het van belang dat er voldoende licht op de waterbodem valt. Omdat het water onderdeel is van het Friese boezemsysteem, zijn geen eenvoudige maatregelen mogelijk om het doorzicht te verhogen tot op de bodem. Maar het is wel mogelijk om de waterdiepte te beperken. Op basis van gegevens verzameld op drie meetpunten in de nabijgelegen Alde Feanen in de zomers van 2017-2021, blijkt het doorzicht in het boezemwater in het zomerhalfjaar gemiddeld 53,5 cm te zijn (Altenburg 2020). Dit is een belangrijk gegeven, omdat hiermee de diepte kan worden bepaald waarop de waterbodem in de luwtezone moet worden gerealiseerd. Schep et al. (2015) geven aan dat de ratio doorzicht/diepte groter moet zijn dan 0,6 voor voldoende licht op de waterbodem voor plantengroei. Met een doorzicht van gemiddeld 53,5 cm en een minimale ratio van 0,6 mag de maximale waterdiepte 90 cm bedragen (53,5/0,6 = 89,2). Het is daarom aan te bevelen de luwtezone met schoon zand te verondiepen tot een diepte van maximaal 90 cm onder boezempeil (ca. 142 cm-NAP), en langzaam te laten oplopen richting het eiland. De waterbodem bestaat daarbij bij voorkeur uit relatief schoon zand, liefst zonder baggerlaag (Brongers & Bijkerk 2018).

Tijdens de aanleg van de Mar van Aldegea is het allicht mogelijk om in lagen beneden de 1,5 m onder maaiveld geschikt zand te winnen wat vervolgens kan worden gebruikt om hier een nieuwe waterbodem te creëren (dinoloket.nl). Om de vestiging van waterplanten kansrijker te maken, verdient het de voorkeur dat er na inrichting waterplanten worden geënt. Recent zijn daar in de Alde Feanen goede ervaringen mee opgedaan in het LIFE-project Booming Business. Het enten van waterplanten houdt in dat op een donorlocatie met geschikte soorten, in het najaar een kleine baggerlaag wordt gewonnen. Hierin zitten in het najaar de afgevallen zaden en eventueel ook wortelknolletjes. Gewenste soorten zijn hier: glanzig fonteinkruid, gekroesd fonteinkruid, doorgroeid fonteinkruid, tenger fonteinkruid, drijvend fonteinkruid, gele plomp en witte waterlelie. Dit zijn alle relatief algemeen

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

23

voorkomende soorten die lage eisen stellen aan de waterkwaliteit en zodoende in het Friese boezemwater kunnen groeien. Verder valt te proberen om soorten zoals krabbescheer en stomp en plat fonteinkruid te introduceren, hoewel de slagingskans van die soorten vanwege de boezemwaterkwaliteit kleiner wordt geacht. Ook mattenbies kan worden geënt uit nabijgelegen locaties. Het eiland Het eiland wordt eveneens bij voorkeur gemaakt van zand dat ter plaatse wordt gewonnen. Kansen voor succesvolle ontwikkeling van riet- en moerasvegetaties zijn het grootst op een zandbodem (Brongers & Bijkerk 2018). De hoogteligging van het eiland wordt, incl. dikte van de rietplaggen, gemiddeld ca. 5 cm boven boezempeil (45 cm-NAP), waarbij de zuidwestzijde iets hoger ligt (ca. 25 cm-NAP) en deze met een zeer flauw talud afloopt richting de luwtezone. Zodoende kan een moerasvegetatie ontstaan. Het valt te overwegen om hier materiaal van eutrofe moerassoorten als mattenbies, gele lis, gele waterkers en zwanenbloem langs de binnenrand te introduceren, zodat de kans op vestiging van een soortenrijke vegetatie wordt vergroot (en daarmee de kans op een dominantie van storingssoorten als Pitrus wordt verkleind). Aan de zuidwestzijde van het eiland dient een materiaal toegepast te worden om afslag te voorkomen. Traditioneel wordt hiervoor steenstort toegepast.

Het nadeel van steenstort is echter dat het nagenoeg niet te beheren is, zodat er gemakkelijk boom- en struweelopslag tussen komt. Daarom is een biologisch afbreekbaar materiaal wenselijker. Het gebruik van matten van wilgentenen is af te raden, omdat daarmee het risico bestaat dat de wilgentenen bij contact met water opnieuw beginnen uit te lopen. Als alternatief voor het bovenstaande inrichtingsvoorstel, is het ook mogelijk om het eiland dienst te laten doen als broedeiland voor pionierssoorten als Visdief en Kleine plevier door het aanbrengen van een dikke laag schelpen. Landschapsecologisch past een schelpenbank niet zo goed in deze omgeving. Het Mar fan Aldegea ligt in een venige omgeving (§2.2), veengrond is van nature enigszins zuur. De aanwezigheid van een schelpenbank in een wat zuurder milieu is daarom niet passend. Bovendien vergt een schelpenbank jaarlijks beheer en onderhoud, wat in de praktijk vaak weerbarstig blijkt. Wij adviseren daarom in eerste instantie niet om een schelpenbank aan te leggen op het eiland, tenzij ook voor de langere termijn kan worden geborgd dat het beheer verzekerd is. Een ander aspect is, dat een grote visdiefkolonie ook met zich mee brengt, dat de vogels kunnen ageren tegen voorbij varende recreanten. Eenmaal gekozen voor een visdiefkolonie, kan dit niet zo worden teruggedraaid.

5.4

Risico’s en onzekerheden

Bij de inrichting van natuurgebieden spelen altijd onzekerheden en bestaat het risico dat e.e.a. niet uitpakt zoals vooraf verwacht. Bij de inrichting van het natuureiland zoals in dit hoofdstuk beschreven, zijn enkele risico’s vooraf te benoemen. Deze worden hieronder kort besproken. Ontwikkeling fonteinkruidvegetaties Ten aanzien van de luwtezone aan de ‘achterzijde’ van het eiland bestaat het risico dat zich er geen fonteinkruidvegetaties ontwikkelen of dat deze op termijn geen stand houden. Onder invloed van waterkwaliteit en bodemomwoeling door vis (m.n. brasem) kan het ontstaan van fonteinkruidvegetaties beperkt worden. Dit is een risico dat vooraf niet met zekerheid kan worden ingeschat. Om toch een functie voor waterkwaliteit, micro-organismen, macrofauna en vis te vervullen, kan in dat geval worden besloten om overige structuren in het water aan te brengen. Het aanbrengen van dode bomen of takkenbossen vergroot bijvoorbeeld de aquatische

24

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

biodiversiteit (Dorenbosch et al. 2014, Klink 2016). Dood hout biedt bijvoorbeeld groeisubstraat, schuil- en opgroeiplek en voedsel voor allerlei soorten macrofauna en vis. Grauwe ganzen Ten aanzien van rietontwikkeling op het natuureiland, bestaan twee risico’s die elk met grauwe ganzen te maken hebben: 1) kans op zware begrazing door grauwe ganzen en 2) kans op broedende grauwe ganzen. Het eerste risico betekent dat de ontwikkeling van een rietvegetatie mogelijk niet van de grond komt door overbegrazing door grauwe ganzen (en soms ook grote Canadese ganzen). Dit is grotendeels te voorkomen door met name in de eerste jaren rond het eiland een afscherming van netten aan te brengen zodat zwemmende ganzen het eiland niet kunnen betreden. Eventueel in combinatie met kruislings gespannen linten over het eiland heen, hoewel onze inschatting is dat dat laatste hier in eerste instantie niet nodig is. Het tweede risico is dat er grauwe ganzen op het eiland gaan broeden. Zolang dat één of enkele broedparen zijn, zal dat geen problemen opleveren. Echter, wanneer zich een groter aantal broedparen vestigt, is de kans reëel dat boeren in de omgeving zullen klagen over overlast en schade. Ook in dat geval kunnen netten een uitkomst bieden, zodat ganzen geen toegang meer tot het eiland kunnen krijgen.

Het schudden of prikken van eieren is eveneens een veelgebruikte methode om overlast te voorkomen, dit raden wij echter af omdat is aangetoond dat het geen effect heeft op de reproductie en op groei of afname van de lokale populaties (Kleefstra 2020). Indien doet blijken dat de aanwezigheid van (grauwe) ganzen voor te grote problemen zorgt en de genoemde maatregelen niet werken, dan is het eiland alsnog om te vormen naar een schelpenbank.

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

25

6 Aanbevelingen 6.1

Monitoring en periodiek evaluatie

Het verdient de aanbeveling dat de resultaten van het gevoerde beheer in het plangebied worden gemonitord. Dit kan het best worden gedaan door de broedvogels middels de BMP-methode te inventariseren. Idealiter gebeurt dit jaarlijks, maar het is eventueel ook mogelijk om dit eens in de paar jaar te organiseren (minimaal eens in de vier jaar). Daarnaast is het ook mogelijk om een deel van de soorten, bijv. de vier hoofdsoorten, jaarlijks te monitoren en de overige soorten eens in de vier jaar. Misschien kunnen vrijwilligers van de Fûgelwacht Aldegea dit (deels) op zich nemen. Naast de broedvogels in de Gealannen geldt dezelfde opmerking voor de ontwikkeling van het perceel dat weer in oorspronkelijk staat wordt hersteld. Het verdient aanbeveling dat er regelmatig deskundig advies wordt ingewonnen over het te voeren beheer. Mogelijk kunnen medewerkers van It Fryske Gea hier een rol in spelen.

6.2

Overige aanbevelingen

Het verdient de nadrukkelijke aanbeveling dat het beheer structureel en langjarig van aard is. Het is bovendien verstandig om in de fase van herinrichting deskundige begeleiding van een expert in te schakelen. In deze fase komt het aan op het uitwerken van details (m.n. waterhuishouding), daarbij kunnen ogenschijnlijk kleine details voor jaren plezier zorgen of omgekeerd.

26

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

7 Literatuur Altenburg, W. 2020. Ecologische monitoring van het Life-project Booming Business in de Alde Feanen. A&W-rapport 2412.20/MO. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Bötsch Y., Z. Tablado en L. Jenni. (2017) Experimental evidence of human recreational disturbance effects on bird-territory establishment. Proc. R. Soc. B 284: 20170846. BügelHajema, 2020. Uitgebreide natuurtoets Oudega- waterontwikkeling De Gealanden. Projectnummer 232.00.75.01.00. BügelHajema, Assen. Brongers, M. & W. Bijkerk, 2018. Resultaten van vermoerassing. Inventarisatie en analyse vermoeraste gebieden. A&W-rapport 2485 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Dorenbosch, M., J.H. Bergsma & W.M. Liefveld. 2014. Functie van dode bomen voor vis in de Lek. Ecologische monitoring visgemeenschap 2014. Rapportnr. 14-251. Bureau Waardenburg, Culemborg. Garniel, A., Daunicht, W.D., Mierwald, U. en U. Ojowski (2007): Vögel und Verkehrslärm. Quantifizierung und Bewältigung entscheidungserheblicher Auswirkungen von Verkehrslärm auf die Avifauna. Schlussbericht November 2007 / Kurzfassung. – FuEVorhaben 02.237/2003/LR des Bundesministeriums für Verkehr, Bau- und Stadtentwicklung. 273 S. Bonn, Kiel. Heijden, E. van der, 2018. Resultaten aanvullend veldonderzoek in verband met de aanleg van het meer van Oudega. A&W-rapport 2404, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

Klink, A. 2016. KRW-proef bomen in de Nederrijn-Lek en IJssel. Hydrobiologisch Adviesburo Klink rapporten en mededelingen nr. 139. April 2016 (HAK Project 493) Krijgsveld, K.L., S.M.J. van Lieshout, J. van der Winden & S. Dirksen, 2004. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Literatuurstudie naar de reactie van vogels op recreatie. Rapport 03-187. Bureau Waardenburg bv / Vogelbescherming Nederland, Culemborg / Zeist. Krijgsveld, K. L., R.R. Smits, J. van der Winden, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Rapportnummer 08-173, Bureau Waardenburg, Culemborg. Mettrop, I. ,J. Loonstra, E. Wymenga 2021 Ontwikkeling van kruidenrijke graslanden bij hoog grondwater in Friese veenweiden. Een overzicht van beschikbare kennis. A&W-rapport 20326. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Olthuis, J., 2021. Activiteitenplan Oudega in het kader van de Wet natuurbescherming. BF9606WATRP2106221617, RoyalHaskoning, Groningen. Oosterveld, E.B., L.W. Bruinzeel, E. Wymenga. 2014. Ecologie van weidevogels: Kennisbundeling voor bescherming en beheer. A&W-rapport 1831. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Oosterveld, E.B., S. van Lierop & M. Sikkema 2009. Use of unfertilised margins on intensively managed grassland by Black-tailed Godwit Limosa limosa and Redshank Tringa tetanus chicks.

Wader Study Group Bulletin 116: 69-74. Oosterveld, E.B., J. van Belle & Y van der Heide 2012. Effecten van verschillende soorten mest op bodemfauna en weidevogels. Onderzoek Oer de Wjuk 2012. A&W-rapport 1837. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Schep, S., B. van der Wal & T. van der Wijngaart, 2015. Ecologische sleutelfactoren voor het herstel van onderwatervegetatie. STOWA 2015-17. Kleefstra, R. 2020. Grauwe Ganzen in terreinen van It Fryske Gea in 2020. Sovon-rapport 2020/85. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Van der Zande A.N., Berkhuizen J.C., Van Latesteijn H.C., ter Keurs W.J., Poppelaars A.J. 1984 Impact of outdoor recreation on the density of a number of breeding bird species in woods

A&W-rapport 21-389 De Gealannen bij de Mar fan Aldegea

27

adjacent to urban residential areas. Biol. Conserv. 30, 1– 39. (doi:10. 1016/00063207(84)90018-1) Websites https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens https://hisgis.fa.knaw.nl https://www.bodemdata.nl https://www.pdok.nl/viewer https://www.topotijdreis.nl

Adres Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl

www.altwym.nl

Adres Amsterdam Gebouw Matrix II, Science Park 400/K1.08/1.09 1098 XH Amsterdam

Bijlage 4 Lengteprofiel bodemopbouw

Gealânswei 4

De Geasten

Nije Mûntsegroppe 1.00m (NAP) 0.00m

0.00m (NAP)

Bestaande MV

Legenda

Bovenkant veen

-1.00m -2.00m

Bestaande MV

Bodem toekomstig meer -2,52 NAP

Gealânswei 4

Bovenkant zand vast

-3.00m

Veenlaag Zandlaag silt

Bovenkant siltig zanderig keileem

-4.00m

Zandlaag vast

-5.00m

Keileemlaag

-5.00m

-6.00m Bovenkant zand pleistoceen

-7.00m

Versie

Omschrijving

Getekend door

Datum uitgifte

B

Definitief

J.Boelen

28-06-'22

-8.00m Project

Oudega Aan Het Water

-9.00m -10.00m

De Geasten

-10.00m

Onderdeel

Grondlagen t.h.v. meer Ontwerpfase

-0.521

-0.771

-0.821

-0.838

-0.925

-1.099

-2.133

-0.827

-0.594

-0.926

-1.356

-1.289

-1.263

-1.614

-1.620

-0.989

-0.847

-0.994

-0.919

-0.828

-0.733

-0.633

-0.711

Hoogte

-0.944

-3.506

Definitief ontwerp Schaal

1331.393

1277.215

1226.990

1176.765

1126.448

1076.222

1025.346

975.136

924.464

874.402

823.415

757.929

670.911

612.017

556.410

505.722

455.327

404.757

354.388

304.372

254.001

202.679

151.538

Status

Definitief

Nije Mûntsegroppe 1

101.196

Afstand

50.020

7.0 tekst

0.000

Diverse

Lengteprofiel 1 Tekeningnummer

HOR: 1:2000 VER: 1:100

Situatie Schaal: 1:10.000

OAHW-216

A3

formaat: 297x1260

provinsje f ryslân provincie fryslân

J:\Datakluis PW\Projecten\10 Natuur en gebiedsinrichting\Oudega aan het water\AutoCad\2D Ontwerp\In bewerking\OAHW-216.B.LEN_Grondlagen meer.dwg

Bovenkant zand silt

VN-76132-2 Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema &blad Partners B.V. 1 Feithspark 6, 9356 BZ Tolbert Postbus 27, 9356 ZG Tolbert Tel.: 0594 51 68 64 Fax: 0594 51 64 79 E-mail: info@wiertsema.nl Internet: www.wiertsema.nl

Geotechnisch onderzoek Oudega aan het water-effectenstudie

VN-76132-2 | 25 januari 2021

VN-76132-2 Raadgevend Ingenieursbureau blad 2 Wiertsema & Partners B.V. Feithspark 6, 9356 BZ Tolbert Postbus 27, 9356 ZG Tolbert Tel.: 0594 51 68 64 Fax: 0594 51 64 79 E-mail: info@wiertsema.nl Internet: www.wiertsema.nl

Onderwerp: Projectnummer: Opdrachtgever:

Oudega aan het water-effectenstudie te Oudega VN-76132-2 Provinsje Fryslan Postbus 20120 8900 HM Leeuwarden

Versie

Datum

1

25 januari 2021

Opgesteld door:

Omschrijving wijziging

S. Atanasov

Handtekening:

Documentnummer:

R74741

Status:

definitief R. Reker

Vrijgegeven door:

Blad 2 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

VN-76132-2 blad 3

Inhoudsopgave

blad

1

Inleiding .............................................................................................................. 4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding............................................................................................................................... 4 Doel ......................................................................................................................................... 4 Leeswijzer ............................................................................................................................... 4

2

Uitgevoerde werkzaamheden............................................................................... 4

2.1 2.2

Veldwerkzaamheden .............................................................................................................. 4 Laboratoriumproeven ............................................................................................................ 5

3

Kwaliteitswaarborging ......................................................................................... 5

4

Toelichting veldwerkzaamheden .......................................................................... 6

4.1 4.2 4.3

Handboringen ......................................................................................................................... 6 Peilbuizen................................................................................................................................ 6 Grondbeschrijving NEN-EN-ISO 14688-1............................................................................... 6

5

Toelichting laboratoriumwerkzaamheden ............................................................ 7

5.1 5.2

Identificatie ongeroerd monster 14688; beschrijfkwaliteit B2 ............................................... 7 Korrelverdeling (2 µm- 2 mm) op basis van de droge stof ................................................... 7

Bijlagen:

1 2 3

Blad 3 van 31

Situatietekening inclusief coördinatenlijst (X-Y in RD, Z in N.A.P.) Boorstaten inclusief peilbuizen Laboratoriumproeven

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

VN-76132-2 blad 4

1

Inlei ding

In opdracht van Provinsje Fryslan te Leeuwarden heeft Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V. een geotechnisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de effectenstudie voor het project “Oudega aan het water”. 1. 1

A an l ei d in g

Voordat begonnen kan worden aan de realisatie van het project “Oudega aan het water” zal er een effectenstudie worden uitgevoerd. Voor zo’n effectenstudie moet de huidige situatie goed in beeld worden gebracht. In het projectgebied ontbreken waarnemingsputten met recente meetreeksen aan grondwaterstanden. Daarom is Wiertsema & Partners gevraagd om een initieel meetnet in te richten. 1. 2

Do el

Het doel van dit onderzoek is: Inzicht verkrijgen in de bodemopbouw d.m.v. handboringen; Het verkrijgen van grondmonsters welke in het laboratorium beproefd zijn;  Het bepalen van fysische parameters en of kenmerken van de grondsoorten. Deze vloeien voort uit de uitgevoerde laboratoriumonderzoeken;  Het inrichten van een initieel meetnet om de grondwaterstanden te kunnen registreren.  

1. 3

L eeswi j z er

Na de inleiding in dit eerste hoofdstuk, staat in het tweede hoofdstuk een overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden. Hierna staan in hoofdstuk 3 de kwaliteitswaarborging en mogelijke afwijkingen t.o.v. de geldende normen beschreven. In hoofdstuk 4 wordt per onderdeel een toelichting gegeven op de uitgevoerde werkzaamheden. Tot slot wordt in het laatste hoofdstuk een toelichting gegeven op de laboratoriumproeven. De onderzoeksresultaten zijn opgenomen in de eerder genoemde bijlagen.

2

Uitgevoerde werkzaamheden

In dit hoofdstuk worden de uitgevoerde werkzaamheden benoemd. Een toelichting op de werkzaamheden is gegeven in hoofdstuk 4. 2. 1

Vel d we rkz aam h ed en

De volgende veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd:  6 Handboringen inclusief peilbuizen  12 Peilbuizen  18 Inmetingen

Blad 4 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

VN-76132-2 blad 5

2. 2

L ab o rato ri u m p ro even

Voor dit project zijn de volgende laboratoriumproeven uitgevoerd:  12 maal Identificatie ongeroerd monster 14688; beschrijfkwaliteit B2  13 maal Korrelverdeling (2 µm- 2 mm) op basis van de droge stof

3

Kwaliteitswaarborging

Alle werkzaamheden zijn verricht onder ons kwaliteitssysteem NEN-EN-ISO-9001 en milieumanagementsysteem NEN-EN-ISO-14001. Raadgevend Ingenieurs Wiertsema & Partners B.V. is in het bezit van een VGM-beheersysteem VCA**. Tussen Raadgevend Ingenieurs Wiertsema & Partners B.V. en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en de integriteit zouden kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren.. De boorwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform NEN-EN-ISO 22475-1:2006 (inclusief correctieblad C11:2010). De boringen zijn uitgevoerd door een gecertificeerde boormeester, welke vermeldt staat op de boorstaat. Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V. is gecertificeerd volgens de in de tabel opgenomen procescertificaten. Dit rapport draagt daarom het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborg bodembeheer SIKB’. Het plaatsen van peilbuizen is uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2001. Indien de opdrachtgever een klacht heeft over de uitvoering van de werkzaamheden dient deze zich in eerste instantie te wenden tot Wiertsema & Partners B.V. Zo nodig kan de opdrachtgever zich in tweede instantie wenden tot de certificatie-instelling. In tabel 2 wordt weergegeven conform welke normen de werkzaamheden zijn uitgevoerd. In aanvulling hierop zijn de mogelijke afwijkingen of bijzonderheden beschreven.

Tabel 1, normeringen en mogelijke afwijkingen Werkzaamheden Boren

Norm/ Richtlijn NEN-EN-ISO-22476-1

Afwijkingen bijzonderheden

Inmeten (Coördinaten RD-stelsel) *

X en Y ≤ 0,50 m

Inmetingen (Hoogte in N.A.P.) *

Z- ≤ 0,05 m

Grondidentificatie

NEN-EN-ISO 14688-1

Handboren

BRL SIKB 2000, protocol 2001

Plaatsen peilbuizen

BRL SIKB 2000 protocol 2001

*Alle gegevens van de inmetingen of waterpassingen genoemd in deze rapportage zijn een momentopname en alleen te gebruiken voor dit onderzoek.

Blad 5 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

VN-76132-2 blad 6

4

Toelichti ng vel dwerkz aamheden

4. 1

H an d bo ri n g en

Om een beter inzicht te krijgen in de samenstelling van de bovenste lagen en in de hoogte van de grondwaterspiegel zijn er handboringen uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van een edelmanboor. Tijdens het handboren wordt het opgeboorde materiaal in het veld geïdentificeerd, dit is in een boorprofiel vastgelegd. Ook is de freatische grondwaterstand ingeschat op basis van de vochtigheidsgraad. De GLG en GHG zijn bepaald op basis van roest en reductieverschijnselen. Voor het nemen van de ongeroerde monsters is gebruik gemaakt van een Van der Horst steekapparaat. Met dit apparaat zijn de bussen middels een gewicht in de grond gedreven. Elke bus is voorzien van een etiket met daarop de volgende gegevens; projectnummer, boornummer, monsternummer, datum van uitvoering en initialen van de boormeester. De voor dit project genomen grondmonsters worden twee maanden ná rapportage uit onze opslag verwijderd. Op verzoek kunnen wij deze monsters langer bewaren. De hiermee gemoeid gaande kosten zullen we met u verrekenen. 4. 2

P ei l b u iz en

In iedere boring zijn er 2 peilbuizen in het boorgat geplaatst. Voordat dit is gedaan, is eerst het werkwater in de boorbuis schoon en vrij van bezinksel gemaakt, dit om te voorkomen dat het filter in een later stadium dicht zal slibben. Het filtergedeelte is omstort met filtergrind 0,8-1,25 mm, de overige grondlagen zijn afgedicht met zwelklei. De bovenkant van het filter is afgewerkt middels een puntstuk en draaddop. Ter bescherming van de peilbuizen zijn er straatputten geplaatst. 4.3

G ro n d b esch ri j vi ng N EN - EN -I SO 1 4 6 8 8 - 1

De opgeboorde grond is beschreven conform NEN-EN-ISO 14688-1. De beschrijvingen in dit project zijn uitgevoerd conform beschrijfkwaliteit B2 ‘standaard monsterbeschrijving’, welke bedoeld is voor boringen t.b.v. geotechnisch onderzoek (B2) o.b.v. de kwaliteit klasse grondmonster QM5. Voor meer informatie aangaande deze norm verwijzen wij u naar onze website www.wiertsema.nl.

Blad 6 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

VN-76132-2 blad 7

5

Toelichti ng l aboratori umwerkzaamheden

5. 1

I d en ti fi cati e o n g ero erd m on ster 1 468 8; b esch ri j fkwal i tei t B2

De ongeroerde grondmonsters zijn in het laboratorium visueel geïdentificeerd, beschrijfkwaliteit B2 ‘standaard monsterbeschrijving’, welke bedoeld is voor boringen t.b.v. geotechnisch onderzoek (B2) op basis van de kwaliteit klasse grondmonster QM2. Deze beschrijving is niet gebaseerd op de korrelgrootte verdeling maar op een visuele waarneming. De (grof)korrelige gronden zijn geïdentificeerd op basis van grofheid van de dominante fractie. Voor de fijne gronden zoals klei en silt is de grond beoordeeld op basis van onder andere grondgedrag. 5. 2

Ko rr el ve rd el i n g (2 µ m - 2 mm ) op b asi s van d e d ro g e sto f

Om de fractieverdeling van de korrels van de verschillende grondsoorten te kunnen bepalen, zijn er 2 mogelijkheden voor beproeving. De delen groter dan 63 micron (µm) worden gescheiden door het materiaal op een stapel zeven mechanisch te schudden. De delen kleiner dan 63 micron (µm) worden gescheiden door het verschil in bezinksnelheid van de verschillende fracties. Deze methode berust op de ‘Wet van Stokes’: de bezinksnelheid van vaste deeltjes met een gegeven radius en soortelijk gewicht in een stilstaande vloeistof met een bekende viscositeit bij een beproevingstemperatuur. Een korrelverdelingsdiagram kan worden gepresenteerd ten opzichte van de droge stof (totaal monster) of ten opzichte van het mineraal deel (organische stof is verwijderd). Nadat het monster is gedroogd, wordt een bepaalde hoeveelheid overgebracht in een bekerglas. Daarna wordt aan dit monster een peptisatoroplossing toegevoegd om uitvlokking te voorkomen. Dit mengsel blijft 16 uur in de week staan en vervolgens op een 63 micron zeef met water uitgespoeld (gewassen). Het materiaal, wat op de zeef achterblijft, wordt gedroogd en mechanisch gezeefd op een zevenreeks m.b.v. een schudtafel. Het materiaal, dat na schudden op elke zeef achterblijft, wordt terug gewogen en cumulatief verwerkt in een uitwerkingsprogramma.

Indien de fractie kleiner dan 63 micron ook bepaald dient te worden, wordt gebruik gemaakt van een sedigraaf. Het fijne materiaal wat bij een korrelverdeling nat verloren gaat door uitspoeling wordt opgevangen in een bekerglas en een deel ervan wordt gebruikt voor bepaling van de fracties kleiner dan 63 micron. De sedigraaf maakt gebruik van het sedimentatieprincipe volgens de Wet van Stokes. De korrelgrootteverdeling wordt bepaald door gebruik te maken van röntgenstraling. Door de intensiteit van de doorgelaten röntgenstraling op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen te meten, wordt een beeld verkregen van de korrelgrootteverdeling. De kleinste korreldiameter welke op deze manier kan worden gemeten is 0,1 micrometer.

Blad 7 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Bijlage 1

Blad 8 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Type HB (Handboring 14688)

Uitvoering Uitgevoerd door W&P

Peilbuis (in B)

Uitgevoerd door W&P

Naam HB016 (PB001) HB016PB01 HB016PB02 HB017 (PB002) HB017PB01 HB017PB02 HB018 (PB003) HB018PB01 HB018PB02 HB019 (PB004) HB019PB01 HB019PB02 HB020 (PB005) HB020PB01 HB020PB02 HB021 (PB006) HB021PB01 HB021PB02

situatietekening

Datum:

X

Y

Z

[m]

[m]

[m NAP]

195974.7 195974.7 195974.7 196244.9 196244.9 196244.9 196403.4 196403.4 196403.4 195582.5 195582.5 195582.5 195718.9 195718.9 195718.9 195958.0 195958.0 195958.0

570770.5 570770.5 570770.5 570521.1 570521.1 570521.1 569572.0 569572.0 569572.0 569460.2 569460.2 569460.2 570232.0 570232.0 570232.0 570661.5 570661.5 570661.5

-0.30 -0.38 -0.40 -0.39 -0.51 -0.54 -0.91 -1.03 -1.06 -0.91 -1.03 -1.06 -0.27 -0.35 -0.37 -0.04 -0.19 -0.22

25.01.21 Gew:

Getekend: SATA Gew:

Oudega aan het water-effectenstudie te Oudega

Blad: 1 van 1

Blad 9 van 31

Schaal:

1:5000 Gew:

Formaat:

A2 Gew:

Opdracht: VN-76132-2

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Bijlage 2

Blad 10 van 31

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Veldboorbeschrijving (klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

+0

B

Put

PB01

1

- 2,30 - 2,40

(2,00 - 2,10) ZAND, middelgrof, subhoekig, langwerpig, houtige plantenresten, standaardgrijs, QM5 (2,10 - 2,90) ZAND, siltig, middelgrof, subhoekig, langwerpig, standaardgrijs, QM5

2

- 3,20 - 3,40 - 3,60

(2,90 - 3,10) ZAND, zwak grindig, middelgrof, subhoekig, langwerpig, standaardgrijs, QM5 (3,10 - 3,30) SILT, sterk zandig, standaardgrijs, QM5 (3,30 - 4,00) ZAND, middelgrof, subhoekig, langwerpig, standaardgrijs, QM5

- 4,30

(4,00 - 4,40) SILT, sterk zandig, standaardgrijs, QM5

- 4,70

(4,40 - 5,00) SILT, sterk zandig, standaardgrijs, QM5

-4

-5

PB02

meters t.o.v. N.A.P.

- 1,55

3

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

(0,00 - 0,30) ZAND, sterk organisch, middelgrof, subhoekig, langwerpig, standaardbruin, antropogeen, QM5 (0,30 - 0,90) ZAND, zwak organisch, middelgrof, subhoekig, langwerpig, niethoutige plantenresten, standaardbruin, antropogeen, QM5 (0,90 - 1,25) VEEN, donkerbruin, amorf, QM5 (1,25 - 2,00) ZAND, middelgrof, subhoekig, langwerpig, standaardgrijs, QM5

- 1,20

-3

Laboratoriumbeschrijving (ongeroerd, klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

B - 0,30 - 0,60

-1

-2

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

1

- 2,30 - 2,46 - 2,67

(2,00 - 2,16) ZAND, fijn (150 tot 200µm), subrond, bol, standaardgrijs, QM2 (2,16 - 2,37) ZAND, fijn (150 tot 200µm), subrond, bol, standaardgrijs, QM2

2

- 3,30 - 3,42 - 3,64

(3,00 - 3,12) ZAND, fijn (150 tot 200µm), subhoekig, langwerpig, standaardgrijs, QM2 (3,12 - 3,34) KLEI, sterk zandig, stevig, standaardgrijs, QM2

3

- 4,70 - 4,85

(4,40 - 4,55) KLEI, sterk zandig, stevig, standaardgrijs, kalkhoudend, QM2

- 5,30

-6

BK PB01 : GWS PB01 d.d. (11-11-2020) : BK PB02 : GWS PB02 d.d. (11-11-2020) : GWS HB016 d.d. (11-11-2020) : G.H.G. HB016 d.d. (11-11-2020) : G.L.G. HB016 d.d. (11-11-2020) :

t.o.v. NAP t.o.v. maaiveld - 0,38 m - 0,08 m niet waargenomen - 0,40 m - 0,10 m niet waargenomen - 1,30 m - 1,00 m - 1,10 m - 0,80 m - 1,30 m - 1,00 m

Geotechnisch onderzoek (Boorbeschrijving conform NEN-EN-ISO-14688)

RD coördinaten

Provinsje Fryslan, Leeuwarden

X = 195974,7

Oudega aan het water-effectenstudie te Oudega

Ec

Y = 570770,5

650 μS/cm

Uitgevoerd: 11-11-2020

780 μS/cm

geen GWS in peilbuis gepeild i.v.m. slechte toestroming

Blad 1 van 1

Blad 11 van 31

Boormeester: JBER Opdrachtnr.: VN-76132-2 HB016 (PB001) Boornr (W&P): HB016

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Veldboorbeschrijving (klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

+0

C

Put

PB01

-3

(0,00 - 0,40) ZAND, sterk organisch, fijn, subhoekig, bol, donkerbruin, antropogeen, QM5

- 0,79 - 0,99

(0,40 - 0,60) ZAND, fijn, subhoekig, bol, weinig ijzersulfide, standaardbruin, antropogeen, QM5 (0,60 - 1,00) ZAND, middelgrof, subhoekig, bol, weinig ijzersulfide, lichtbruin, antropogeen, QM5 (1,00 - 1,15) ZAND, middelgrof, subhoekig, bol, lichtblauw, antropogeen, QM5 (1,15 - 1,50) ZAND, siltig, sterk organisch, fijn, subhoekig, bol, donkerbruin, antropogeen, QM5 (1,50 - 2,40) ZAND, siltig, fijn, subhoekig, bol, lichtbruin, QM5 1

- 2,79 - 2,99 - 3,29

(2,40 - 2,60) ZAND, siltig, fijn, subhoekig, bol, standaardgrijs, QM5 (2,60 - 2,90) KLEI, sterk zandig, standaardgrijs, QM5 (2,90 - 3,50) ZAND, zwak grindig, fijn, subhoekig, bol, standaardgrijs, QM5

2

-4

-5

3

Laboratoriumbeschrijving (ongeroerd, klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

C - 0,39

- 1,39 - 1,54 - 1,89 1

PB02

meters t.o.v. N.A.P.

-1

-2

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

- 3,89

(3,50 - 3,90) KLEI, zwak zandig, met grind, standaardgrijs, QM5

- 4,29

(3,90 - 4,60) KLEI, zwak zandig, met grind, donkergrijs, QM5

- 4,99

(4,60 - 5,00) KLEI, zwak zandig, met grind, standaardgrijs, QM5

2

- 2,39

(2,00 - 2,40) ZAND, fijn (150 tot 200µm), subhoekig, bol, lichtbruin, QM2

- 2,79 - 3,39

(3,00 - 3,40) ZAND, fijn (150 tot 200µm), subrond, bol, standaardgrijs, zwak kalkhoudend, QM2

- 3,79

- 5,39

-6

BK PB01 : GWS PB01 d.d. (16-11-2020) : BK PB02 : GWS PB02 d.d. (16-11-2020) : GWS HB017 d.d. (16-11-2020) : G.H.G. HB017 d.d. (16-11-2020) : G.L.G. HB017 d.d. (16-11-2020) :

t.o.v. NAP t.o.v. maaiveld - 0,51 m - 0,12 m niet waargenomen - 0,54 m - 0,15 m niet waargenomen - 1,09 m - 0,70 m - 0,99 m - 0,60 m - 1,69 m - 1,30 m

Geotechnisch onderzoek (Boorbeschrijving conform NEN-EN-ISO-14688)

RD coördinaten

Provinsje Fryslan, Leeuwarden

X = 196244,9

Oudega aan het water-effectenstudie te Oudega

Ec

Y = 570521,1

650 μS/cm

Uitgevoerd: 16-11-2020

780 μS/cm

geen GWS in peilbuis gepeild i.v.m. slechte toestroming

Blad 1 van 1

Blad 12 van 31

Boormeester: HWAL Opdrachtnr.: VN-76132-2 HB017 (PB002) Boornr (W&P): HB017

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Veldboorbeschrijving (klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

Laboratoriumbeschrijving (ongeroerd, klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

+0 C

Put

(0,00 - 0,20) VEEN, zwak zandig, donkerbruin, antropogeen, QM5 (0,20 - 0,50) VEEN, donkerbruin, QM5 (0,50 - 0,75) ZAND, siltig, sterk organisch, fijn, subhoekig, bol, donkerbruin, QM5 (0,75 - 1,20) ZAND, fijn, subhoekig, bol, standaardbruin, QM5

- 2,11

PB01

-3

1

-4

2

-5

3

PB02

meters t.o.v. N.A.P.

-2

C - 0,91 - 1,11 - 1,41 - 1,66

-1

-6

BK PB01 : GWS PB01 d.d. (16-11-2020) : BK PB02 : GWS PB02 d.d. (16-11-2020) : GWS HB018 d.d. (16-11-2020) : G.H.G. HB018 d.d. (16-11-2020) : G.L.G. HB018 d.d. (16-11-2020) :

(1,20 - 2,00) ZAND, fijn, subhoekig, bol, lichtbruin, QM5

- 2,91 - 3,01

(2,00 - 2,10) ZAND, zwak grindig, fijn, subhoekig, bol, lichtbruin, QM5 (2,10 - 3,00) KLEI, zwak zandig, met grind, standaardgrijs, QM5

- 3,91

(3,00 - 4,00) KLEI, zwak zandig, met grind, standaardgrijs, QM5

- 4,91

(4,00 - 5,00) KLEI, zwak zandig, met grind, standaardgrijs, QM5

1

3

- 2,91

(2,00 - 2,40) ZAND, fijn (150 tot 200µm), subrond, bol, lichtbruin, QM2

- 3,31

- 4,91

(4,00 - 4,33) KLEI, sterk zandig, met grind, slap, standaardgrijs, kalkhoudend, QM2

- 5,24

- 5,91

t.o.v. NAP t.o.v. maaiveld - 1,03 m - 0,12 m niet waargenomen - 1,06 m - 0,15 m niet waargenomen - 1,11 m - 0,20 m - 1,01 m - 0,10 m - 2,11 m - 1,20 m

Geotechnisch onderzoek (Boorbeschrijving conform NEN-EN-ISO-14688)

RD coördinaten

Provinsje Fryslan, Leeuwarden

X = 196403,4

Oudega aan het water-effectenstudie te Oudega

Ec

Y = 569572,0

650 μS/cm

Uitgevoerd: 16-11-2020

770 μS/cm

geen GWS in peilbuis gepeild i.v.m. slechte toestroming

Blad 1 van 1

Blad 13 van 31

Boormeester: HWAL Opdrachtnr.: VN-76132-2 HB018 (PB003) Boornr (W&P): HB018

76132-2 R74741 Geotechnisch onderzoek.pdf

Veldboorbeschrijving (klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

Laboratoriumbeschrijving (ongeroerd, klasse 2) Maatvoering in meters t.o.v. N.A.P.

Maatvoering in meters t.o.v. maaiveld

+0 C

Put

PB01

-2

-3

1

-4

2

-5

3

PB02

meters t.o.v. N.A.P.

-1

-6

BK PB01 : GWS PB01 d.d. (16-11-2020) : BK PB02 : GWS PB02 d.d. (16-11-2020) : GWS HB019 d.d. (16-11-2020) : G.H.G. HB019 d.d. (16-11-2020) : G.L.G. HB019 d.d. (16-11-2020) :

C - 0,91

(0,00 - 0,60) ZAND, zwak organisch, fijn, subhoekig, bol, standaardbruin, antropogeen, QM5

- 1,51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13012823/1