CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan 'Drachten – Scholenlocatie Noorderhogeweg'

Ronde Tafel 5 april 2022, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Drachten - Scholenlocatie Noorderhogeweg' – S(B)O15.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogeweg

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Juridisch planologisch kader 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 6

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1 Planbeschrijving 2.2 Ruimtelijke inpassing

7 7 7

Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

10 10 12 14

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Erfgoed 4.2 Ecologie 4.3 Geluidhinder 4.4 Bodemkwaliteit 4.5 Externe veiligheid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Waterparagraaf 4.8 Bedrijven- en milieuzonering 4.9 Verkeerseffecten 4.10 M.e.r.-verantwoording

16 16 18 20 22 24 27 28 31 32 33

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Toelichting op het juridische systeem 5.2 Regels

37 37 37

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

39 39 39

2

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Toelichting

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

3

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan maakt het scholencluster Speciaal (Basis)onderwijs (S(B)O) met een therapiebad en drie gymzalen mogelijk die zal worden gerealiseerd op de 'leisurelocatie' in de wijk Vrijburgh in Drachten. Het betreft hier de clustering van vijf (basis)scholen voor speciaal onderwijs. Voor het te realiseren S(B)O is een lokatiestudie uitgevoerd waarbij deze locatie als meest geschikt naar voren kwam. De ontwikkeling van het S(B)O is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw juridisch kader noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. Tot slot is gebleken dat een deel van de weg Nytap tot op heden nog niet in een bestemmingsplan is bestemd. Deze omissie wordt in dit bestemmingsplan hersteld.

1.2

Plangebied

De beoogde locatie voor het S(B)O cluster ligt ten noordwesten van het ontwikkelingsgebied Vrijburgh. Het gebied Vrijburgh maakt deel uit van een coulisselandschap met van oorsprong agrarisch gebruikte graslanden. Karakteristiek is de boomsingelstructuur met daarlangs greppels of sloten. Het gebied is onderdeel van een veel groter, vergelijkbaar, landschap de Noardlike Fryske Wâlden. De strook voor de ontwikkeling van het scholencluster ligt tussenc het buitengebied en Vrijburgh in en grenst aan de Noorderhogeweg. Aan de noordoostzijde van de locatie bevindt zich de N31 (wegverbinding Leeuwarden – Drachten – Emmen) met de bijbehorende geluidswal. Aan de oostzijde wordt de locatie door een groene parkstrook (in ontwikkeling) gescheiden van de woonwijk Vrijburgh. Aan de zuidzijde van de locatie ligt een van de ontsluitingswegen van Drachten Nijtap. Ten noorden van de locatie ligt een bestaande carpoolplek die nog moet worden uitgebreid. Ernaast verreist het kunstwerk van David Jablonowski. De ligging en begrenzing van het plangebied blijken uit de verbeelding van dit bestemmingsplan en globaal uit onderstaand figuur 1.

4

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Figuur 1. Globaal plangebied (bron: Google Maps)

1.3

Juridisch planologisch kader

Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Noorderhogeweg Drachten" dat door de gemeenteraad van Smallingerland op 5 juli 2011 is vastgesteld. De locatie heeft in dit bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch - Cultuurgrond” met een gebiedsaanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied 1'. Voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 1' kunnen burgemeester en wethouders het huidige bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' wordt gewijzigd in de bestemmingen 'Bedrijventerrein - 3', 'Groen' en 'Verkeer Verblijf' voor het gebruik van de gronden ten behoeve van: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

bedrijfsactiviteiten, die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2; volumineuze detailhandel; levensbeschouwelijke voorzieningen; leisure-activiteiten; een congrescentrum; een hotel; een horecabedrijf categorie 2; een verkooppunt van motorbrandstoffen, exclusief LPG, detailhandel in bijbehorende accessoires en benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen, een autowasinrichting.

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

5

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Het realiseren van het S(B)O past niet binnen de huidige bestemming en ook niet binnen de criteria van de wijzigingsbevoegdheid.

Figuur 2. Fragment v erbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

1.4

Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 nader op het plan ingegaan. Relevant overheidsbeleid is daaropvolgend in hoofdstuk 3 uiteengezet. Een omschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de planologische en milieukundige randvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 betreft de toelichting op de juridische vormgeving van het bestemmingsplan en de hiervoor te volgen procedure. Als laatste is in hoofdstuk 6 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet. Bij dit bestemmingsplan zijn verder enkele bijlagen opgenomen waarnaar in deze toelichting wordt verwezen.

6

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Planbeschrijving

In de gewenste ontwikkeling wordt het S(B)O ontwikkeld voor 716 leerlingen en 180 personeelsleden die tegelijkertijd aanwezig zijn. Het S(B)O en het therapiebad zal een maximale hoogte van 8 meter krijgen. De drie gymzalen krijgen een maximale hoogte van 6 meter. De footprint van de gebouwen betreft een totaal oppervlak op de begane grond (BG) van afgerond 6.500 m2. Bij de situering van het gebouw op de kavel zal rekening gehouden worden met de aanwezige woningen en de beperkingen die voortvloeien uit de beoordeling van de omgevingsaspecten (zie Hoofdstuk 4). Voor de verkeersveiligheid en de doorstroming van verkeer is er voor gekozen om de aansluiting op de rotonde te behouden in twee-richtingen waarbij het verkeer via deze rotonde het terrein kan op- en afrijden. Daarnaast wordt een extra aantakking op de Nijtap gerealiseerd voor uitgaand verkeer. De in het gebied aanwezige boomsingels worden versterkt. Het parkeren wordt zo groen mogelijk ingepast.

Maximum aantal bouwlagen Voor basisonderwijsvoorzieningen bestaat sowieso een voorkeur voor gebruik van de begane grond boven het gebruik van verdiepingen. In het algemeen worden de kleuters en lagere groepen gehuisvest op de begane grond. Bij speciaal onderwijs is de voorkeur voor de begane grond nog veel meer uitgesproken. Voor de leerlingen is een overzichtelijke omgeving belangrijk. Tevens is een deel van de leerlingen lichamelijk beperkt en aangewezen op een lift als onderwijs wordt gegeven op verdiepingen. Aan het begin en eind van de dag wordt een groot aantal leerlingen afgezet en opgehaald. Dit gebeurt hoofdzakelijk met busjes voor leerlingen die naar verschillende klassen en verschillende scholen moeten. Een deel van de leerlingen moet daarbij begeleid worden. Liftgebruik moet sowieso onder begeleiding plaatsvinden. Bij een gebouw in twee lagen is dat logistiek nog redelijk te organiseren. Experts binnen het speciaal onderwijs zijn het erover eens dat in een gebouw met meer dan twee bouwlagen geen werkbare onderwijsomgeving kan worden geboden.

Terreininrichting Wat betreft de terreininrichting wordt van de volgende oppervlaktes uitgegaan: Minimaal 2.250 m2 pleinruimte (dit is het wettelijke minimum), de gewenste omvang is 3.500 m2; Minimaal 10.000 m2 parkeren; Minimaal 10% compensatie van het te verharden oppervlakte realiseren als waterberging. Dit is 6.500 m2 footprint + 2.250 tot 3.500 m2 plein + 10.000 m2 parkeren = 18.750 tot 19.500 = 1.875 m2 tot 1.950 m2 waterberging.

2.2

Ruimtelijke inpassing

2.2

Ruimtelijke inpassing

De aansluiting op de omgeving De samenvoeging van speciaal basisonderwijs op een gezamenlijke locatie en de hierbij behorende doelgroepen vereist extra aandacht voor de inpassing. Tegelijkertijd is het verstandig de locatie niet te isoleren en bij de uitwerking te onderzoeken welke vervlechtingsmogelijkheden met de omgeving tot stand kunnen worden gebracht. Daarnaast is het landschap sterk leidend; het landschappelijke patroon van de elzensingels met de opstrekkende verkaveling dient behouden te blijven en versterkt te worden. Het beschikbare perceel voor bebouwing en logistiek bestaat uit 2 slagen; d.w.z. twee langgerekte evenwijdig gelegen percelen die gescheiden en geflankeerd zijn door (elzen)singels. De slag direct aan de Noorderhogeweg gelegen is door de hoogste geluidsbelasting het meest geschikt voor de logistiek op het terrein en voor eventuele niet geluidsgevoelige functies. De tweede slag is het meest geschikt

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

7

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

voor onderwijsruimten die wel geluidsgevoelig zijn, alsmede voor bij de functie behorende buitenruimten. Tussen de tweede slag en de woonwijk Vrijburgh ligt een slag die in de loop van de tijd een groene openbare functie krijgt. Medegebruik door het scholencluster ligt voor de hand. Denk hierbij aan recreatief bewegen, natuureducatie en ontspanning.

Ruimtelijke en functionele opbouw Het in te passen programma is zo omvangrijk dat, voor wat betreft het onderwijsgedeelte, in elk geval uit wordt gegaan van twee bouwlagen. Dat betekent in de praktijk dus een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Daarbinnen past ook de hoogte van de sportaccommodatie. De overwegende richting van de bebouwing volgt de landschappelijke verkavelingsstructuur die het behoud en de versterking van de singelstructuur garandeert. Er wordt daarom een bouwvlak bepaalt met ruime afstand tot de singels. In de ordening binnen het bouwvlak wordt de sportaccommodatie zo noordelijk mogelijk voorgesteld enerzijds om medegebruik van de (nog uit breiden) carpoolstrook te stimuleren; anderzijds om de bij deze functie behorende veelal gesloten gevelvlakken te positioneren bij de geluidswal van de N31. Overigens wordt voor dit gebouw(deel) wel openheid en expressie op de begane grond gevraagd.

Logistiek De definitieve positie van het bouwvlak moet op de ontsluitingsstructuur worden afgestemd. Deze ontsluitingsstructuur is zodanig bepalend voor het goed functioneren van het gehele cluster dat gestreefd moet worden naar een geïntegreerde ontwikkeling. Deze opzet wordt voorgestaan vanwege de specifieke logistieke omstandigheden. Met name de vele taxibusjes en de gecomprimeerde aan- en afrijmomenten vergen een royale ontsluitingsstructuur. Het bestemmingsvlak is zo ruim mogelijk opgenomen. Hierbinnen is dan niet alleen het bouwen mogelijk maar ook alle faciliteiten ten behoeve van het cluster ( speelpleinen, groengebieden, etc.). Bij de uitwerking van het logistiek model wordt rekening gehouden met een taxizone nabij de gebouwdelen en een parkeerzone. Bij de uitwerking zal nadrukkelijk stil moeten worden gestaan bij de inrichting van deze ruimte. Verder zal er ruimte zijn voor de taxibusjes die een langere tijd moeten wachten (in verband met rolstoelgebruikers etc.). Voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) wordt nog extra aandacht gevraagd voor de eigen verbindingen met de omgeving en aansluitende infrastructuur. Zo wordt een aansluiting voorgesteld op Nijtap (fietspad en bushalte) en wordt in de toekomst gezocht naar recreatief en wellicht ook educatief medegebruik van de groene parkzone.

Voor de terreinontsluiting is er voor gekozen om de aansluiting op de rotonde te behouden in twee-richtingen waarbij het verkeer via deze rotonde het terrein kan op- en afrijden. Daarnaast wordt een extra aantakking op de Nijtap gerealiseerd voor uitgaand verkeer.

Groen Ondanks het relatief omvangrijke programma en verhardingsoppervlak wordt nadrukkelijk meegegeven de verdere invulling maximaal te vergroenen. Verder kan dit door in te zetten op dubbel ruimtegebruik van de verharding en daarmee ruimten van meer groen te voorzien. Door in te zetten op een maximale groene invulling kan een prettig microklimaat worden gecreëerd. Met name het oppervlak van parkeren en verkeer is een uitdaging om alternatieven te vinden voor de verharde ruimte.

8

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Figuur 3. Impressie (landschappelijke) inpassing v anuit het zuidwesten gezien

Figuur 4. Impressie (landschappelijke) inpassing v anuit het noorden gezien

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

9

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3

Beleidskaders

Beleidskaders

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt.

De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst. De beoogde ontwikkeling heeft geen raakvlakken met het beleid zoals benoemd in de NOVI.

10

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid zoals dat in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vastgelegd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het projectgebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Voor Smallingerland hebben deze regels geen gevolgen. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Het betreft een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder). De 'laddertoets' moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling moet dan worden aangetoond. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, looptijd bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Voor uitwerkings- en wijzigingsplannen kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering van deze behoefte wordt doorgeschoven naar de toelichting behorende bij het uitwerkings- of wijzigingsplan. Als stedelijke ontwikkeling wordt bedoeld: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor een minimale omvang vastgelegd van wat een stedelijke ontwikkeling is.

Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor overige stedelijke functies wordt gesteld dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt. Voor het planvoornemen moet uitgegaan worden van een footprint van ongeveer 6.500 m² en kwalificeert zich daarmee als stedelijke ontwikkeling en is dus ladderplichtig. Het samenvoegen van de huidige vestigingen heeft tot doel het bijzonder (basis)onderwijs voor Smallingerland in de komende jaren op peil te houden en te verbeteren. Aan de wens tot samenvoeging van de vestigingen op één locatie liggen verschillende onderwijskundige, ruimtelijke en financiële argumenten ten grondslag. De scholen die onderdeel zijn van dit plan zijn momenteel ook al elders in Drachten gevestigd. Echter zijn de gebouwen zeer gedateerd en afgeschreven. Vanuit de verschillende schoolbesturen was er behoefte aan vernieuwing. De schoolbesturen hebben daarom de koppen bij elkaar gestoken om samen te kijken naar een mogelijkheid voor het clusteren van de verschillende scholen op één locatie.

Op deze manier kunnen zij gezamenlijk gebruik maken van de benodigde faciliteiten en ook het kenniscentrum kan op deze manier gedeeld worden. De gymzalen zijn met namelijk bedoeld voor het gebruik van de scholen. Echter zullen de gymzaken dan 's avonds en in het weekend niet gebruikt worden. Daarom wordt sportverenigingen en eventuele andere partijen de mogelijkheden geboden om de gymzalen te gebruiken. Door de clustering van vijf scholen komen er vijf locaties vrij die voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. Deze locaties worden meegenomen in de ontwikkelstrategie voor het versnellen van woningbouw. Uit het uitgevoerde locatieonderzoek scholencomplex Cluster Speciaal (Basis) Onderwijs dat ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van de gemeenteraad blijkt dat de locatiekeuze, de footprint en het behorende buitenterrein is afgestemd op het aantal leerlingen. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat met het plan zal worden voorzien in een actuele behoefte. Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van het S(B)O mogelijk gemaakt. De voorgenomen locatie ligt in het landelijk gebied, in aansluiting op het bestaand stedelijk gebied. Niet alleen de gebieden die op de kaart behorende bij de provinciale verordening zijn aangeduid, is bestaand stedelijk gebied, maar ook

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

11

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

gebieden van bestemmingsplannen die voorzien in uitbreiding van stedelijk gebied met nieuwe stedelijke functies zijn onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om tot een 'leisure'-ontwikkeling te kunnen komen (vandaar ook de naamgeving van de locatie als leisurestrooklocatie). De locatie ligt voorts nabij de hoofdinfrastructuur, aansluitend op een beoogd groengebied ten dienste van de woonwijk, en vormt de entree van Drachten. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het plangebied feitelijk is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Om te komen tot een geschikte locatie is in een interactief proces met belanghebbenden en een locatiestudie uitgevoerd. In eerste instantie is een quickscan uitgevoerd waarbij de locatie Vrijburgh als meest geschikt naar voren kwam. Omdat deze locatie ter discussie werd gesteld is een stap terug gezet en zijn de twee beste locaties (de projectlocatie en Vrijburghlocatie) als volwaardige alternatieven tegen elkaar afgewogen. Tevens is het gehele onderzoek naar alle overwogen locaties verscherpt. De uitgevoerde quickscan is nagelopen op volledigheid en er is onderzocht of de overige locaties op goede gronden zijn afgevallen. Het advies van bewoners en omwonenden is hierbij meegenomen.

Het doel van dit onderzoek is het vinden van een goede plek voor cluster S(B)O op basis van zorgvuldig onderzoek. Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvraag zijn de volgende stappen gezet. Er heeft een check op het programma (aantal leerlingen, verkeer, parkeren, water, groen, footprint, bouwhoogte) plaatsgevonden. De locaties zijn beoordeeld op harde (primaire) en zachte (secundaire) criteria. Harde, primaire criteria zijn allesbepalend voor het welslagen van de locatie. De zachte, secundaire criteria zijn dat niet of in mindere mate. Van de acht locaties zijn er drie afgevallen omdat zij, gezien het programma, te klein waren. Er zijn vijf locaties nader beoordeeld en er zijn scores toegekend aan de hand van de gestelde criteria. Om tot een totaalbeeld te komen zijn alle scores voor respectievelijk de harde en de zachte criteria opgeteld. Uit het onderzoek komen de volgende conclusies: Bij zowel de projectlocatie als de Vrijburghlocatie is de afwikkeling van het verkeer een punt. Bij de projectlocatie is meer ruimte om tot aanvaardbare afwikkeling van het verkeer te kunnen komen. Daarnaast is bij de Vrijburghlocatie, door toevoeging van een veel verkeeraantrekkende functie, kans op versterking van het bestaande probleem van sluipverkeer in de aangrenzende wijk.

De projectlocatie scoort per saldo beter dan de Vrijburghlocatie; Het locatieonderzoek is nagelopen; onze bevindingen zijn dat er terechte conclusies zijn getrokken, onderzochte en toegevoegde locaties zijn terecht afgevallen en scoren niet beter dan de projectlocatie. Het locatieonderzoek is als Bijlage 1 bijgevoegd. Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan voldoet aan de gestelde criteria.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Fryslân

Op 21 oktober 2020 is de omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. In wat voor Fryslân wilt u in 2025-2030 wonen, werken, recreëren, kortom: leven? Deze vraag staat centraal bij het maken van de nieuwe Omgevingsvisie van de provincie Fryslân. In het plan komt al het provinciale beleid voor de fysieke leefruimte te staan. Het gaat om de hoofdlijnen voor de ruimtelijke inrichting van Fryslân, de provinciale waterhuishouding, infrastructuur, natuur, landschap en milieu. Om de ambities waar te kunnen maken moet de basis op orde zijn waarbij het gaat om de bestaande kwaliteiten te behouden en te versterken. Voor deze ambities zijn vier grote opgaven uitgewerkt waarbij opgave 1 'Leefbaar, vitaal en bereikbaar' van toepassing is op het planvoornemen. Een vitale en veerkrachtige fysieke leefomgeving bestaat onder andere uit diverse onderdelen waaronder vitale en leefbare dorpen met florerende bedrijvigheid, levensvatbare clusters van voorzieningen waaronder zorg, onderwijs en detailhandel.

12

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Het doel van basis op orde is een vitaal en samenhangend netwerk van steden en dorpen met een variatie aan woningen, bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen, werkgelegenheid en voorzieningen. Het vormt een fundament voor brede welvaart in Fryslân, nu en op lange termijn. Fryslân kent een samenhangend netwerk van steden, grote en kleinere dorpen. Deze steden en dorpen vullen elkaar aan op het gebied van wonen, werken en voorzieningen, ieder vanuit de eigen kwaliteiten. Inzet is onderdelen van dit netwerk nog sterker met elkaar te verbinden tot een compleet palet aan woon-, en werkmilieus en voorzieningen. Dit netwerk vormt onder andere de basis voor bereikbare voorzieningen, zowel dagelijks als niet-dagelijks, waaronder goed en bereikbaar onderwijs in alle geledingen. De omgevingsvisie staat de realisatie van het S(B)O niet in de weg. 3.2.2

Verordening Romte

De verordening is opgesteld om de provinciale ruimtelijke belangen te waarborgen. Daarnaast wordt inzicht gegeven in de wijze waarop deze belangen doorwerken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Deze regels moeten in gemeentelijke plannen worden doorvertaald. In de verordening is beschreven dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de 'Rijksladder' van toepassing is om zorgvuldig ruimtegebruik te borgen. Op de ladder voor duurzame verstedelijking is reeds ingegaan in paragraaf 3.1.3. Voor dit plan zijn de volgende bepalingen uit de verordening relevant:

Bundeling In de Verordening Romte Fryslân wordt uitgegaan van bundeling van stedelijke functies. Om te voorkomen dat in het landelijk gebied verdere verstedelijking plaatsvindt, worden stedelijke functies geconcentreerd in het bestaand stedelijk gebied (artikel 1.1.1. lid 1). De voorkeur gaat uit naar herstructurering, transformatie of intensivering voordat gekeken wordt naar uitbreidingen buiten het bestaand stedelijk gebied (artikel 1.1.1 lid 2). Uit de kaart 'Begrenzing bestaand bebouwd gebied' blijkt dat het plangebied niet gelegen in 'bestaand bebouwd gebied'. Uit het planvoornemen blijkt dat het plangebied ten noordwesten van het ontwikkelingsgebied Vrijburgh is gelegen. De strook voor de ontwikkeling van het scholencluster ligt tussen het buitengebied en Vrijburgh in en grenst aan de Noorderhogeweg. Ten zuiden ligt een woonwijk met een bedrijvenstrook aan de Noorderhoogeweg. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een nog niet volledig uitgegeven bedrijventerreinen. De locatie is daarmee gelegen direct grenzend aan de bestaande kern en onderdeel uit maakt van een beoogd bebouwingscluster. Stedenbouwkundig is er sprake van een geheel. Een deel van het plangebied is weliswaar buiten het bestaand bebouwd gebied gelegen maar is in het huidige bestemmingsplan wel aangeduid als ontwikkelgebied.

Uit paragraaf 1.3 blijkt namelijk dat de locatie gewijzigd kan worden in de bestemmingen 'Bedrijventerrein - 3', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijf' voor het gebruik van de gronden ten behoeve van: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

bedrijfsactiviteiten, die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2; volumineuze detailhandel; levensbeschouwelijke voorzieningen; leisure-activiteiten; een congrescentrum; een hotel; een horecabedrijf categorie 2; een verkooppunt van motorbrandstoffen, exclusief LPG, detailhandel in bijbehorende accessoires en benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen, een autowasinrichting.

Het planvoornemen voldoet aan artikel 1.1.1. lid 2 van de verordening.

Ruimtelijke kwaliteit Artikel 2 van de verordening bevat regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Hierin is opgenomen dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen moet

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

13

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

worden, waarin voor zover nodig wordt aangegeven op welke wijze: het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen; het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is verwoord in paragraaf 2.2.

Werken Drachten moet worden gezien als een stedelijk centrum. Volgens de verordening Romte is een voorziening een private of publieke functie die voorziet in een maatschappelijke behoefte - niet zijnde bedrijf, winkel, horeca of kantoor - zoals een school, zorginstelling, theater, bibliotheek, stadion, sport(veld)complex, ziekenhuis, instelling van openbaar bestuur. In de artikelen 4.2.1 t/m 4.2.3 van de verordening Romte staan de vestigingsvoorwaarden voor onder andere voorzieningen per type kern. Deze voorwaarden zijn zowel van toepassing op het bestaand stedelijk gebied van een kern als op een uitbreidingslocatie bij een kern. Voor een stedelijk centrum zijn er geen vestigingsvoorwaarden opgenomen. Het S(B)O betreft een voorziening met een regionaal verzorgingsgebied en past daarmee binnen de criteria die de verordening stelt.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie gemeente Smallingerland

De gemeenteraad heeft in 2013 de Structuurvisie gemeente Smallingerland opgesteld als ruimtelijke vertaling van de Integrale Visie Smallingerland. Deze visie geeft een verkenning van de ontwikkeling van de gemeente Smallingerland voor een langere periode. In de structuurvisie is het volgende opgenomen met betrekking tot onderwijs: Drachten als onderwijscentrum is van evident belang. Kwalitatief vanwege enkele specifieke opleidingen (zoals Politieacademie, vooropleiding conservatorium, opleiding media, foto, film en journalistiek) of geavanceerd onderwijs (tweetalig voortgezet onderwijs). Onderwijsvoorzieningen als onder meer het ROC (met een kleine vierduizend leerlingen), worden dan ook ruimtelijk maximaal gefaciliteerd. Drachten zal zich moeten blijven ontwikkelen als onderwijscentrum voor een grote regio. Ruimtelijk zal hierop ingespeeld moeten worden. In de nu overzienbare toekomst zullen er op termijn wellicht minder leerlingen zijn, maar hun leerbehoefte zal toenemen. Concepten als 'levenlang leren' worden steeds meer in de praktijk gebracht. En naast een breed scala aan regulier onderwijs is er ook veel ruimte voor speciaal onderwijs Het realiseren van een scholencluster voor Speciaal (Basis)onderwijs past binnen de pijlers van de structuurvisie.

14

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

3.3.2

Welstands- en reclamenota 2018 gemeente Smallingerland

Het welstandsbeleid van Smallingerland is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Smallingerland. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Smallingerland. Door het opstellen van welstandsbeleid wil de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht inrichten. In de huidige opzet valt het plangebied binnen de gebiedsgerichte criteria in het gebied 'G1 buitengebied besloten (coulisselandschap). De geldende gebiedsgerichte criteria G1 worden gehandhaafd. De singels worden tenslotte gehandhaafd. Hierop worden van toepassing verklaard de objectgerichte criteria 08 voor bijzondere solitaire gebouwen. Deze criteria worden gebruikt voor bijzondere solitaire gebouwen waarbij de functie en bijzonderheid maakt dat ze zelden passen binnen de gebiedsgerichte criteria.

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

15

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Erfgoed

De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan vanwege de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient vanwege voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.1.1

Archeologie

Wat betreft mogelijke archeologische waarden geldt op grond van de provinciale archeologische advieskaart (FAMKE) voor de onderzoeksperiode steentijd-bronstijd dat archeologisch onderzoek alleen bij grote ingrepen noodzakelijk is. Bij zeer omvangrijke ingrepen (van meer dan 2,5 ha) dient ook archeologie betrokken te worden. Dit duidt op een zeer lage archeologische verwachtingswaarde. Wat betreft de periode ijzertijd-middeleeuwen geldt het advies voor het verrichten van karterend onderzoek 3. Dit houdt in dat bij ruimtelijke ingrepen waarbij gronden worden geroerd onderzoek dient plaats te vinden wanneer een oppervlakte van 5.000 m2 wordt overschreden. Gelet op het programma met een footprint van 6.500 m2 is archeologisch onderzoek vereist. Op de locatie zijn geen archeologische monumenten bekend.

Figuur 5. Uitsnede FAMKE steentijd - bronstijd (bron: prov incie Fry slân)

16

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Figuur 6. Uitsnede FAMKE ijzertijd - middeleeuwen (bron: prov incie Fry slân)

Onderzoek In september 2020 heeft RAAP een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. In het plangebied kunnen sporen aanwezig zijn van middeleeuwse veenontginningen met/of (ingegraven) sporen van bewoning of activiteit in de top van het dekzand. Ook resten uit de prehistorie kunnen aanwezig zijn. Eerder uitgevoerd booronderzoek toonde echter aan dat er (ontginnings)activiteiten hebben plaatsgevonden waarbij het veen en in ieder geval een deel van de podzolbodem in het dekzand is afgegraven of vergraven. Tijdens het veldwerk is gebleken dat een groot deel van de bodem in het plangebied inderdaad is verstoord door graafwerkzaamheden in het verleden. Veen is niet meer aanwezig, onder de bouwvoor volgt direct het dekzand. De hogere delen van het dekzand zijn na of tijdens de veenontginning afgevlakt, waarbij de top van het dekzand met podzolbodem is vergraven. De top van het dekzand is echter nog intact aanwezig in het zuidwestelijk deel van het plangebied (E-horizont). Op plekken waar de E-horizont niet meer aanwezig is (BC-horizont en C-horizont), is de kans op vondsten en sporen kleiner maar is er nog wel een kans op het aantreffen van diepe sporen.

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het gehele plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Geadviseerd wordt om in het plangebied geen ingrepen te doen die dieper reiken dan 0,3 m –mv en dit middels een dubbelbestemming in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen. Voor een aantal van de geplande ingrepen zal dit niet mogelijk zijn. Voor ingrepen die dieper reiken dan 0,3 m –mv wordt een advies uitgebracht op basis van twee verschillende zones. Voor de zone waar de top van het dekzand nog intact is (E-horizont) wordt vervolgonderzoek in de vorm van megaboringen geadviseerd, voor de zone waar alleen nog sprake is van een intact sporenniveau (BC- en C-horizont) wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd.

Conclusie Door middel van het opnemen van een dubbelbestemming is geborgd dat aanvullend onderzoek moet worden uitgevoerd voor de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend.

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

17

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

4.1.2

Cultuurhistorie

Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgelegd dat gemeenten in een ruimtelijk plan moeten aangeven op welke wijze het plan rekening houdt met cultuurhistorische elementen en structuren. Informatie over cultuurhistorische waarden is beschikbaar middels de Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2 (CHK2) van Provinsje Fryslân. Het lijnelement dat door de Leisurestrooklocatie loopt betreft een voetpad richting Rottevalle die langs de huidige singelstructuur in het landschap was opgenomen (gebaseerd op informatie van het project Oude paden en Nieuwe Wegen). Van dit pad lijkt weinig tot niets meer te zijn overgebleven. Bij behoud van de singels, ontstaat ter plaatse de kans om dit pad in oude luister te herstellen. De locatie is hiervoor groot genoeg. Wat betreft cultuurhistorie blijkt uit deze kaart dat er voor het overige geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een regeling ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden wordt daarom niet nodig geacht.

Figuur 7. Uitsnede CHK2 (bron: prov incie Fry slân)

4.2

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Ecologische quickscan Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen is in eerste instantie een ecologische quickscan (Bijlage 3) uitgevoerd. Bij dit onderzoek is een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

18

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Als dit niet mogelijke is moet voor de aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd worden. Jaarrond beschermde boomnesten: Nader onderzoek. Waterspitsmuis: Nader onderzoek. Vleermuizen: Er moet een functionaliteitsbeoordeling foerageergebied plaatsvinden. Grote modderkruiper: Werkzaamheden of andere invloeden (toekomstige afvoer woningbouw, waterhuishouding, veranderd peilbeheer bv.) aan de sloten binnen de plangebieden voorkomen. Is dit niet mogelijk dan moet er nader onderzoek plaatsvinden. Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht. Boomholtecheck Tijdens de eerste stap binnen het nader onderzoeksproces zijn enkele boomholten en boomnesten aangetroffen in het oostelijke gedeelte van het plangebied. De boomholten zijn ongeschikt gevonden als verblijfplaatsen voor vleermuizen, maar de aangetroffen boomnesten zijn, evenals het nest dat tijdens de quickscan in het westelijke gedeelte is aangetroffen, geschikt voor roofvogels. Negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. In het geval van jaarrond beschermde nesten van roofvogels kunnen negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden niet op voorhand worden uitgesloten.

Voor de voortgang van het project betekent dit, dat er vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) de volgende vervolgstappen nodig zijn; Nader onderzoek drie aangetroffen boomnesten (één west, twee oost). Nader onderzoek waterspitsmuis. Nader onderzoek grote modderkruiper. Functionaliteitsbeoordeling foerageergebied vleermuizen. De bomencheck is als Bijlage 4 bijgevoegd.

Nader onderzoek tweede fase Op basis van de resultaten van de uitgevoerde Quickscan en de boomholtecheck is nader onderzoek uitgevoerd naar jaarrond beschermde nesten, waterspitsmuis, vleermuizenen de grote modderkruiper. Het nader onderzoek is als Bijlage 5 bijgevoegd. Uit het nader onderzoek blijkt: Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van roofvogels en/of uilen aangetroffen binnen het plangebied; Binnen het plangebied zijn geen waterspitsmuizen aangetroffen. Voor de overige aangetroffen muizensoorten geldt de zorgplicht; Binnen het plangebied is geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetroffen; Er is geen genetisch materiaal van grote modderkruipers aangetroffen binnen het plangebied. Om de werkzaamheden binnen de kaders van Wet natuurbescherming uit te voeren moeten werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli) plaatsvinden en moet rekening gehouden worden met de zorgplicht.

Stikstof Aan de hand van een AERIUS-berekening van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt, is nagegaan of er negatieve effecten in het kader van de Wnb-beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan is bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Op 6 december 2021 is de berekening van de stikstofdepositie voor onderhavig project uitgevoerd. De berekening met AERIUS (zie ook Bijlage 6) genereert een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

19

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Conclusie Er is geen sprake van beperkingen als gevolg van beschermde natuurwaarden. Voorliggend bestemmingsplan is in dat geval voor wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.

4.3

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai in nieuwe situaties te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of rondom een geluidgezoneerd industrieterrein nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. De locatie ligt binnen de wettelijke geluidszones van de Rijksweg N31 (100 km weg), de Noorderhogeweg (80 km weg) en de weg Nijtap (60 en 50 km weg). Gelet op rijsnelheden en de ligging van deze wegen in buitenstedelijk en stedelijk gebied, is hiervoor een van rechtswege geldende geluidszone van respectievelijk 400, 250 en 200 meter van toepassing. Voor het bestemmingsplan is inzicht nodig of de situatie kan voldoen aan de voorwaarden van de Wet geluidhinder voor wat betreft wegverkeerslawaai. Op 13 december 2021 heeft de FUMO (Bijlage 7) een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

De reden van dit onderzoek is om vast te stellen of ter hoogte van het voorgestelde plan – en met name ter hoogte van het schoolgebouw - ten aanzien van de zoneplichtige wegen, de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh) worden overschreden en, indien dat het geval is, welke mogelijkheden de gemeente heeft om het plan te kunnen realiseren. Hoewel 30 km wegen in het kader van de Wgh geen wettelijke zone hebben, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening, deze (parkeer)weg wel opgenomen in voorliggend akoestisch onderzoek. In het onderzoek is de te verwachten geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer berekend en zijn deze resultaten getoetst aan de Wgh en het Bouwbesluit. Onderstaand worden de conclusies en het advies uit het onderzoek weergegeven.

Toetsing Wgh Uit de berekeningsresultaten blijkt dat door het verkeer op de zoneplichtige wegen N31 en de Noorderhogeweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. In het geval van de N31 bedraagt de hoogst berekende waarde 50 dB inclusief aftrek artikel 110g van de Wgh. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt daarmee niet overschreden. Als gevolg van verkeer op de Noorderhogeweg bedraagt de hoogst berekende waarde inclusief de aftrek 56 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt daarmee niet overschreden. De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de zoneplichtige weg Nijtap voldoet op alle begrenzingen van het bouwvlak aan de voorkeursgrenswaarde. Voor deze weg zijn er vanuit de Wgh dan ook geen belemmeringen. De (parkeer)weg met het snelheidsregime van 30 km/uur heeft geen wettelijke geluidszone. Daardoor zijn formeel de grenswaarden uit de Wgh ook niet van toepassing. Als bij de beoordeling aansluiting wordt gezocht bij de grenswaarden uit de Wgh dan blijkt dat de geluidsbelasting van deze weg, ook op alle begrenzingen van het bouwvlak voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Ook voor deze weg zijn er ten aanzien van geluid geen belemmeringen.

Mogelijke maatregelen Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kunnen maatregelen op of aan de weg de geluidbelasting reduceren. In onderhavig geval wordt alleen door verkeer op de N31 en de

20

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Noorderhogeweg de voorkeursgrenswaarde overschreden.

Bronmaatregelen Op de N31 zou een nog stiller type asfalt kunnen worden toegepast. Echter op de N31 ligt al het geluidsreducerend type ZOAB. Een nieuwe investering en de onderhoudskosten van deze bronmaatregel, lijkt, gezien de ontwikkeling van dit schoolcomplex en alleen het gebruik daarvan in de dagperiode, financieel niet doelmatig te zijn. Het verlagen van de maximumsnelheid op de snelweg is niet wenselijk omdat deze weg deel uitmaakt van de landelijke hoofdinfrastructuur. Indien op de Noorderhogeweg tussen de beide rotondes het huidige wegdek zou worden vervangen door het meest stille type wegdek (dunne deklaag type B), zal de geluidbelasting ten hoogste met 3 dB afnemen en kan nog niet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In dat geval zullen er aanvullend nog hogere waarden moeten worden vastgesteld. Het verlagen van de maximumsnelheid op de Noorderhogeweg zal niet wenselijk zijn omdat ook deze weg deel uitmaakt van de belangrijke ontsluitingswegen.

Afscherming Langs de N31 is al een afscherming gerealiseerd (geluidsscherm en -wal). Verdere uitbreiding of verhoging van de bestaande afscherming zal gezien het feit dat de school alleen overdag in gebruik is, niet doelmatig zijn. Met een 5 m hoog en ca 370 m lang scherm langs de Noorderhogeweg, kan op een groot aantal rekenpunten de geluidbelasting tot onder de voorkeursgrenswaarde worden gebracht. In enkele rekenpunten op de noordwest- en zuidwestgevel, nabij de zuidelijk rotonde Nijtap, zal de voorkeursgrenswaarde nog wel worden overschreden en zullen hogere waarden nodig zijn. Ook hier zal een afweging moeten worden gemaakt of het scherm financieel wel doelmatig is. Mogelijk is het uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt ook ongewenst om een dergelijk scherm aan te brengen.

Hogere waarden Om het schoolcomplex te kunnen realiseren moet de gemeente (B&W), indien niet wordt gekozen voor bronmaatregelen of afscherming, conform artikel 83 lid 5 van de Wgh hogere waarden vaststellen. Het betreft de hogere waarden als gevolg van de N31 en de Noorderhogeweg. Bij de te volgen procedure zal de gemeente moeten motiveren en argumenteren waarom een hogere waarde wordt vastgesteld en er niet gekozen wordt om door middel van andere mogelijkheden te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde.

Toetsing Bouwbesluit / Bgh / geluidwerende voorzieningen Conform het Bouwbesluit en het Bgh, dient de geluidswering gebaseerd te worden op de vast te stellen hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Bij de bepaling van de geluidswering, bedraagt de aftrek conform artikel 110g van de Wgh 0 dB. Geadviseerd wordt om de geluidswering af te stemmen op de gecumuleerde Lden-waarden. Met deze benadering kan gemotiveerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het te realiseren schoolgebouw.

Advies Het nemen van een Verkeersbesluit, waarbij een nieuwe bebouwde komgrens met 30 km gebied wordt ingesteld; Om het schoolcomplex te kunnen realiseren moet de gemeente (B&W), indien niet wordt gekozen voor bronmaatregelen of afscherming, conform artikel 83 lid 5 van de Wgh hogere waarden

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

21

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

vaststellen als gevolg van het verkeer op de N31 en de Noorderhogeweg; Van de aanvrager van de omgevingsvergunning een verklaring vragen betreffende de garantie van het te halen binnenniveau als gevolg van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer. Conform het Besluit geluidhinder bedraagt deze eis 28/33 dB. Geadviseerd wordt om de geluidswering af te stemmen op de gecumuleerde Lden-waarden van alle omliggende wegen; Conclusie De gemeente neemt de nodige stappen en daarbij behorende besluiten om, voor de scholenlocatie in gebruik wordt genomen, de bebouwde komgrens te verplaatsen en de weg aan te wijzen als 30 km/u-weg. Daarnaast worden hogere grenswaarden vastgesteld. Het advies met betrekking tot het binnenniveau wordt in het kader van de nadere planuitwerking en de omgevingsvergunning meegenomen. Planologisch levert dit geen problemen op in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op het aspect van geluid uitvoerbaar.

4.4

Bodemkwaliteit

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit ten minste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.

Figuur 8. Fragment v an bodeminf ormatiekaart

Op de bodeminformatiekaart van Rijkswaterstaat is zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem in Nederland. Dit zogeheten bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die in het verleden zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk

22

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Op de locatie is in het verleden ten behoeve van de woningbouwplannen voor Vrijburgh een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit rapport blijkt dat er op 1 plek verhoogde gehalten zijn aangetroffen. Dit betreft de locatie (gele cirkel) op figuur 11. Uit onderzoek door de gemeente Smallingerland blijkt dat er geen vervolgacties hebben plaatsgevonden omdat deze locatie destijds buiten het bestemmingsplan is gehouden en onzeker was wat de toekomstige functie zou worden. Ter hoogte van deze boring moet een sanering plaatsvinden (bijlage 8).

Figuur 9. Locatie aangetrof f en v erhoogte gehalten.

Er is sprake van een lichte sanering. De te saneren locatie is gelegen op een plek waar, bij een eventuele ontwikkeling, waarschijnlijk parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Gelet op de beperkte omvang, de beperkte kosten van de sanering en het gegeven dat er door rangschikking van functies mogelijk geen sanering plaats hoeft te vinden, is de conclusie dat bodemkwaliteit geen belemmering vormt.

Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

23

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of lpg. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig, zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. De veiligheidsrisico's in het kader van externe veiligheid worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. De normen voor het plaatsgebonden en het groepsrisico hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon, dan wel deel uitmakend van een groep. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als een rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.

Wet- en regelgeving Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving, waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst. Voor het planvoornemen zijn de volgende besluiten relevant: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi en bijbehorende regeling (Revi) zijn de plaatsgebonden risiconormen en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico met betrekking tot risicovolle bedrijven wettelijk vastgelegd. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): In het per 01-04-2015 in werking getreden Bevt met bijbehorend informatiesysteem Basisnet staan de gegevens over het transport van gevaarlijke stoffen over grote vaar-, spoor- en autowegen opgenomen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het Bevb heeft een rechtstreekse werking. Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; beter bekend als het Activiteitenbesluit): Het activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.

Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en het Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag.

Toetsing In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen). Om na te gaan of voor het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. In de nabijheid van het plangebied zijn twee risicobronnen aanwezig namelijk de N31 als zijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen en het bedrijf Renewi als risicovolle inrichting. Op basis hiervan dient het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) gehanteerd te worden. Daarnaast loopt parallel aan het plangebied de N369, waarover ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvind.

24

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

Figuur 10. Fragment risicokaart (bron: risicokaart.nl) met plangebied rood omkaderd

Inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden BRZO-bedrijf Voor de locatie is van belang dat het gebied op ongeveer 2.700 meter van afvalverwerker Renewi ligt. Renewi heeft een invloedsgebied van bijna 2.700 meter. Het invloedsgebied ligt daarmee voor een klein gedeelte over de locatie. Onder de toekomstige Omgevingswet (2022) wordt niet meer gesproken over invloedsgebied maar over Aandachtsgebied en wordt het invloedsgebied afgekapt op 1.500 meter. In dit plan is uitgeggaan van de nu geldende regels. Renewi valt onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO) en daarmee onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In die gevallen is het bevoegd gezag in beginsel verplicht een verantwoording van het groepsrisico (GR) op te stellen. Voor Renewi zijn de risico's berekend en uit die berekening blijkt dat het GR laag is. Hoewel de locatie, ten opzichte van de huidige situatie, een toename van het aantal personen laat zien, zal deze toename niet in het GR tot uitdrukking komen. Dit heeft te maken met de grote afstand van Renewi ten opzichte van de locatie. Het is niet noodzakelijk het GR vanwege de nieuwe ontwikkelingslocatie verder te verantwoorden. Geconcludeerd kan worden dat het GR van het BRZO-bedrijf geen belemmering vormt.

Brandweer Fryslân adviseert om een centraal punt in te richten waar de centrale ventilatie van het gebouw uit kan worden gezet, om te voorkomen dat de toxische wolk het gebouw binnen kan komen.

Transport van gevaarlijke stoffen over wegen Aan de noordzijde van de ontwikkelingslocaties ligt de Rijksweg A31/N31. Aan de westzijde wordt de locatie begrensd door de Noorderhogeweg N369. Over deze weg vindt lokaal transport van gevaarlijke stoffen plaats. In artikel 8 van het Bevt staat dat wanneer een bestemmingsplan binnen een afstand van 200 meter van een transportroute ligt, het GR dient te worden verantwoord. In casu ligt de locatie binnen 200 meter vanaf de A31/N31 en binnen 200 meter van de N369 en zijn deze wegen relevant in verband met transport van gevaarlijke stoffen. In vrijwel alle gevallen wordt het GR bepaald door GF3-stoffen (LPG). Op basis van artikel 8 van het Bevt, heeft de FUMO een groepsrisicoberekening gemaakt voor deze locatie aangezien het plangebied binnen de 200 meter van de weg ligt. Om de risico's inzichtelijk te maken is onderzoek uitgevoerd en is advies gevraagd aan de FUMO (Bijlage 9) en Brandweer Fryslân (Bijlage 10). Samengevat blijkt het volgende. Het plaatsgebonden risico vormt geen knelpunt. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico toeneemt maar dat het GR de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De normen uit de wetgeving die van toepassing zijn vormen geen belemmering voor de nieuwe ontwikkeling. Brandweer Fryslân adviseert in dit kader:

NL.IMRO.0090.BP2020BNO005-0401

25

Drachten - Scholenlocatie Noorderhogew eg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11243353/1