Bijlage 1 - Stationsweg-De Tuinen Toelichting
Tekst van het document
Conclusie Gelet op voorgaande mag worden geconcludeerd dat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet door geluidhinder wordt belemmerd.
4.6
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; ook bekend als het Activiteitenbesluit). De volgende normen worden onderscheiden: Plaatsgebonden risico (PR): Dit betreft afstandseisen, die moeten worden gezien als grenswaarde (harde norm) waarvan niet kan worden afgeweken. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid rondom een risicovolle activiteit. Dit betreft geen harde norm, maar een oriëntatie waarde. Daarvoor bestaat een verantwoordingsplicht. Toetsing In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld.
Hierin is informatie opgenomen die met risico te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om na te gaan of er voor het planvoornemen ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende figuur toont het kaartfragment hiervan.
24
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
Figuur 4.1 Risicobronnen in de nabijheid van het plangebied (bron: FUMO)
De FUMO heeft voor de twee delen waaruit het plangebied bestaat, de Stationsweg en De Tuinen, een onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. De rapportages van de onderzoeken zijn als Bijlage 9 (Stationsweg) en Bijlage 10 (De Tuinen) bij deze toelichting gevoegd. Uit bovenstaande afbeelding kan worden opgemaakt dat in de nabijheid van het plangebied de volgende risicobronnen aanwezig zijn: ten oosten van de planlocatie ligt de N31, onderdeel van basisnet weg, aan de westzijde van de planlocatie liggen, met zwarte stippellijnen weergegeven, hogedruk aardgastransportleidingen van Gasunie, de paarse cirkel betreft het invloedsgebied van het bedrijf Renewi, aan de Lier 2 te Drachten. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de buisleidingen en de N31. Daarom is voor de beoordeling van de ontwikkeling uitsluitend het invloedsgebied van Renewi relevant. Het plan ligt dus binnen het invloedsgebied van het bedrijf Renewi vallend onder het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (BRZO).
Figuur 4.2 Invloedsgebied van Renewi (paarse contour) ten opzichte van het plangebied (rood gearceerd is het deel De Tuinen) (bron: FUMO)
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
25
Stationsw eg - de Tuinen
Op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) dient het groepsrisico verantwoord te worden. Het plangebied valt geheel binnen het invloedsgebied van Renewi. De ruimtelijke ontwikkeling is met Safeti-NL doorgerekend en levert geen wijziging van het groepsrisico op ten opzichte van de huidige situatie. Voor de ruimtelijke ontwikkeling is, ten behoeve van de berekening, rekening gehouden met een toename van 41 personen, uitgaande van 2,4 personen per woning voor De Tuinen, en een toename van 20 personen, uitgaande van 2,5 personen per woning voor de Stationsweg. Voor beide delen van het plangebied geldt dat de populatie ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling geen rekenkundige toename oplevert. De afstand tussen risicobron en het plangebied is daarvoor te groot en bedraagt circa 2,5 km. Daarnaast is de toename van grootte van de populatie ten opzichte van de totale binnen het invloedsgebied aanwezige populatie te verwaarlozen. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. De hoogte van het GR binnen het invloedsgebied bedraagt minder dan 0,1 % van de oriëntatiewaarde. Er zijn geen redenen aanwezig om maatregelen te treffen die leiden tot een lager groepsrisico. Aan de bron zijn veiligheidsmaatregelen getroffen die in de omgevingsvergunning van de inrichtingen zijn vastgelegd. Tevens beschikt Renewi over een veiligheidsbeheersysteem.
De hoogte en de verandering van het groepsrisico vormt geen belemmering om het plan vast te kunnen stellen. De FUMO heeft geadviseerd om op grond van artikel 13, derde lid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de brandweer advies te vragen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Op 24 februari 2022 heeft Brandweer Fryslân advies uitgebracht over de aspecten bestrijding en beperking van rampen, bereikbaarheid en zelfredzaamheid van personen. Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied: geen knel-/aandachtspunt met betrekking tot de opkomsttijd; geen knel-/ aandachtspunt met betrekking tot de zelfredzaamheid; geen knel-/aandachtspunt met betrekking tot de opkomsttijd. De berekende opkomsttijd voor het eerst aankomende blusvoertuig in het plangebied ligt nabij de 11 minuten en voldoet daarmee aan de geldende norm van 12 minuten; geen knel-/ aandachtspunt met betrekking tot het bluswater en bluswatervoorziening; een knelpunt/aandachtspunt met betrekking tot de bereikbaarheid. De doodlopende weg voldoet niet aan de vereisten.
Brandweer Fryslân adviseert om: de doodlopend weg te laten voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in het advies van Brandweer Fryslân (specfiek voor De Tuinen); te borgen dat alle wooneenheden bereikbaar zijn tot een maximale afstand van 40 meter vanaf de weg ten behoeve van de slangdekking; het voorontwerpbestemmingsplan ter advisering aan Brandweer Fryslân voor te leggen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen beperking oplevert voor de ontwikkeling van het plan. Conclusie Gelet op voorgaande mag worden geconcludeerd dat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet door toegenomen risico's op het gebied van externe veiligheid wordt belemmerd.
26
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
4.7
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt in 2021 overeen met 1.739 auto's dan wel 157 vrachtwagens per weekdagetmaal (Grenswaarden per 06-04-2021). PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. Toetsing Het toevoegen van woningbouw leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied.
Voorgaande vrijstellingsregeling voor woningbouw is evenwel van toepassing op het planvoornemen van dit bestemmingsplan omdat bij recht ten hoogste 25 woningen kunnen worden gerealiseerd. Voorts is door de FUMO eveneens de luchtkwaliteit onderzocht van het totale verkeer op de rondom liggende en voor de invulling van het plangebied met woningbouw relevante wegen. De rapportages van deze onderzoeken naar luchtkwaliteit zijn als Bijlage 11 (Stationsweg) en Bijlage 12 (De Tuinen) bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. In beide onderzoeken is geconcludeerd dat het planvoornemen niet tot een dusdanig aantal verkeersbewegingen leidt dat de luchtkwaliteit in het geding zou zijn. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Bovendien blijkt ook op basis van Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN-kaarten) dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijdig van geldende grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Aan de regels met betrekking tot de Wet milieubeheer kan bij uitvoering van het planvoornemen worden voldaan. De Wet luchtkwaliteit staat uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Conclusie Het planvoornemen van dit bestemmingsplan dient te worden beschouwd als een nibm-plan en wordt, blijkt ook uit luchtkwaliteitsonderzoeken van de FUMO, niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.
4.8
Bodemkwaliteit
Wet- en regelgeving In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico’s voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet het bestemmen van gronden met een
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
27
Stationsw eg - de Tuinen
bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel worden voorkomen.
Onderzoek Vanwege het planvoornemen van dit bestemmingsplan is door Enviso een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage hiervan is als Bijlage 13 opgenomen. Doel van het onderzoek is geweest om de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen om op basis daarvan te kunnen bepalen of de gronden voldoende geschikt zijn voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling aan zowel de Stationsweg en de Tuinen. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt het grootste deel van de onderzoekslocatie als ‘onverdacht’ beschouwd. De locatie van de (voormalige) HBO-tank, de brandplek en de slootdemping kunnen als ‘verdacht’ worden beschouwd. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat ter plaatse van de locatie aan De Tuinen geen tot slechts marginaal verhoogde gehalten aan onderzochte parameters zijn vastgesteld. Ter plaatse van de locatie aan de Stationsweg zijn zowel in de boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten aangetroffen. Ter plaatse van de verdachte locaties (HBO-tank en slootdemping) zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat ter plaatse van de locatie aan De Tuinen alleen wat licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen.
Ter plaatse van de locatie aan de Stationsweg is in eerste instantie een verhoogd gehalte aan zink aangetroffen ten opzichte van de interventiewaarde. Na herbemonstering is gebleken dat zink verhoogd is ten opzichte van de streefwaarde, maar de interventiewaarde wel benaderd. Uit navraag bij de gemeente Smallingerland is gebleken dat (sterk) verhoogde gehalten aan zink vaker voorkomen en er ter plaatse sprake is van door natuurlijke (bodem)processen veroorzaakte verhoogde concentraties, waarbij geen sprake is van een verontreinigingssituatie. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat op de locatie aan De Tuinen geen tot slechts marginaal verhoogde gehalten zijn aangetroffen, ter plaatse van de locatie aan de Stationsweg zijn in zowel de grond als het grondwater alleen licht verhoogde gehalten aan enkele onderzochte parameters aangetroffen. De aangetroffen lichte verontreinigingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
Conclusie Voorliggend bestemmingsplan wordt, gelet op het verrichte verkennend bodemonderzoek, in uitvoerbaarheid niet gehinderd door het aspect bodemkwaliteit.
4.9
Verkeer en parkeren
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381 'Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (2018) van het CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeerkencijfers. Daarnaast heeft de gemeente Smallingerland haar eigen parkeerbeleid 'Nota Parkeernormen Smallingerland - Drachten 2015'. De parkeernormennota van de gemeente gaat uit van het gemiddelde van de minimale en maximale parkeerkencijfers (afgerond naar boven).
28
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
Verkeersafwikkeling De realisatie van de woningen leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking van en naar het plangebied. Op basis van de kengetallen van het CROW gaat het om een maximale verkeersgeneratie van circa (24*5=) 120 verkeersbewegingen per etmaal. Het plangebied grenst direct aan de Stationsweg, een gebiedsontsluitingsweg. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de verkeerstoename door de planontwikkeling, aan te kunnen.
Parkeren In het gemeentelijk parkeerbeleid is een norm van 1,6 pp/woning opgenomen voor sociale huurwoningen in de rest van de bebouwde kom (niet in het centrum of de schil van het centrum). Hiervan is 0,3 pp/woning het benodigde aandeel voor bezoekers. Het college heeft de parkeernormen voor sociale huurwoningen recent (maart 2022) naar beneden bijgesteld, op basis van een onderzoek naar autobezit bij sociale huurwoningen. Voor grondgebonden sociale huurwoningen in Drachten, in de rest van de bebouwde kom geldt een norm van 1,2 pp/woning. Dit is dan ook de norm die voor dit plan wordt aangehouden. Achter de 8 nieuw te bouwen woningen aan de Stationsweg worden 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de norm van (8*1,2=) 9,6 benodigde parkeerplaatsen. Bij de 17 nieuw te bouwen woningen in De Tuinen worden 21 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ook voldaan aan de norm van (17*1,2=) 20,4 benodigde parkeerplaatsen.
Conclusie De thema's verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.10
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.10.1 Inleiding Het voorgenomen woningbouwplan is vanwege zijn omvang aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor is in verband met een zorgvuldig ruimtegebruik een uitgebreide onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) noodzakelijk. De Ladder is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient namelijk een beschrijving/toetsing van de behoefte aan die ontwikkeling te bevatten. In navolgende vindt die toetsing van de behoefte aan de ladder plaats aan het bij recht in dit bestemmingsplan opgenomen maximale aantal van 24 woningen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest actuele beleidsdocumenten, zoals de gemeentelijke en regionale woonvisie, en de daaraan ten grondslag liggende woningbehoefteprognoses.
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
29
Stationsw eg - de Tuinen
4.10.2 Wettelijk kader Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
2.
Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
3.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
4.
Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
5.
Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
4.10.3 Toetsing Ad 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Het bestemmingsplan bevat de mogelijkheid van 25 nieuwe grondgebonden woningen. Gelet op de omvang van het woningbouwplan is sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Ad 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan Drachten de Swetten (vastgesteld in 2010). Voor het plangebied zijn de enkelbestemmingen Detailhandel -2 en Maatschappelijk - 1 van toepassing. De bestemming Verkeer - Verblijf komt ook voor op de ontsluitingsweg in het gebied. Binnen de bestemming Detailhandel - 2 is een bouwvlak opgenomen met een oppervlak waarbinnen bebouwing met een oppervlakte van circa 1.900 m2 is toegestaan. Binnen de bestemming Maatschappelijk - 1 is bebouwing van maximaal circa 2.050 m2 toegestaan. Voor nieuw te bouwen woningen is een maximum oppervlakte per woning van 100 m2 per woning in dit bestemmingsplan opgenomen. Per woning wordt nog een bijgebouw (schuurtje) mogelijk gemaakt van 40 m2 bij een tussenwoning en 75 m2 bij een eindwoning. Van de 25 woningen zijn er 10 eindwoningen. Het bestaande woongebouw blijft staan en heeft een oppervlakte van circa 800 m2.
De totale maximale bebouwing die door dit plan mogelijk wordt gemaakt is: (25*100) + (10*75) + (15*40) + 800 = 4.650 m2. Hiermee neemt de toegestane bebouwing toe ten opzichte van wat op grond van het geldende bestemmingsplan is. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ad 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
30
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor wonen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. Gelet op het feit dat het hier gaat om een relatief klein woningbouwproject én omdat er sociale huurwoningen worden mogelijk gemaakt, is het de verwachting dat hier met name inwoners uit de eigen gemeente zullen gaan wonen. Dit sluit ook aan bij de verhuisdynamiek in de gemeente die de Omgevingsgerichte Woonvisie 2020-2025 beschrijft. Hierin is opgenomen dat de gemeente een sterke interne verhuisdynamiek kent, waarbij circa 62% van alle personen die in Smallingerland een woning betrekken al in de gemeente woonachtig waren.
Ad 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kortgezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende 10 jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Naast kwantitatieve aspecten kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Daarbij kan vooral worden gedacht aan specifieke woontypen, wooncategorieën en woonmilieus. De woningbouwruimte voor Smallingerland is vastgesteld op 1.251 woningen voor de periode 2016 t/m 2025. In de periode 2016 t/m 2019 zijn er in totaal 430 woningen netto toegevoegd. De resterende reguliere woningbouwopgave tot 2026 komt daarmee uit op 820 woningen. Aan de Woonvisie is een woningbouwprogramma toegevoegd. In dit woningbouwprogramma is voor het plangebied Stationsweg 8 woningen opgenomen. Locatie De Tuinen is niet opgenomen. Wel is er ruimte voor incidentele woningen in Drachten, van 12 woningen per jaar.
Hieruit wordt geconcludeerd dat er kwantitatief gezien behoefte is aan de woningen waar dit plan in voorziet. Ook kwalitatief gezien, voorziet dit plan in een behoefte. In de Woonvisie is beschreven dat de wachttijd voor een sociale huurwoning oploopt. Vooral de wachttijden voor grondgebonden woningen in het betaalbare segment (doelgroep: kleine huishoudens) en appartementen zonder lift in het goedkope segment (voornamelijk jongeren) stijgen. Daar tegenover staat dat wachttijden voor appartementen met lift of grondgebonden nultredenwoningen (beide woningtypes voor vooral de doelgroep senioren) en woningen in het duurdere huursegment relatief kort zijn. Dit leidt tot een ontwikkelingsrichting voor het woningtype 'grondgebonden' in de huurklasse goedkoop/betaalbaar van beperkte groei. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 25 grondgebonden woningen voor kleine huishoudens. De woningen beschikken over 2 slaapkamers en een badkamer op de bovenverdieping. Naar verwachting sluit dit goed aan bij de vraag die er is op dit moment.
Ad 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: "het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur". Het plangebied ligt middenin het stedelijk gebied van Drachten. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied.
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
31
Stationsw eg - de Tuinen
4.10.4 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het woningbouwplan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied.
4.11
Overig
4.11.1 M.e.r.-verantwoording Op grond van het Besluit milieueffectrapportage is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig voor activiteiten die genoemd worden in het Besluit milieueffectrapportage (kolom 1 van de D-lijst), maar onder de daar genoemde drempelwaarden liggen. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat omschreven in het Besluit onder D 11.2. De voorgenomen ontwikkeling blijft weliswaar ruim onder de aangegeven drempelwaarden (100 ha, 2.000 woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2), maar op grond van de nieuwe wetgeving is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dat kader is een vormvrije m.e.r.-beoordeling gemaakt, waarin in principe voor alle milieuaspecten moet worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen. In het navolgende is de vormvrije m.e.r.-beoordeling behandeld. Het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Dit is de richtlijn die ziet op projecten (kolom 4). De wijzigingsrichtlijn is voor het overgrote deel geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gewijzigde Besluit m.e.r.
is (op één onderdeel na) in werking getreden op 7 juli 2017, maar geldt vanaf 16 mei 2017 voor alle lopende vergunningaanvragen en bestemmingsplannen waarover nog geen besluit is genomen. Eén van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. Indien de gemeente initiatiefnemer is hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen. In dit geval is de gemeente niet de initiatiefnemer. Het planvoornemen kan worden geplaatst in categorie D11.2 betreffende ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Voor het plan is daarom een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De notitie is als Bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. De gemeente neemt hierover separaat een besluit. 4.11.2 Duurzaamheid Vanaf 1 januari 2021 moet alle nieuwbouw voldoen aan de eisen voor BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) waarmee is vastgelegd dat energiebronnen voor gebouwen in bepaalde mate duurzaam moeten zijn. In het nationaal energieakkoord voor duurzame groei is afgesproken dat de energievoorziening in 2050 geheel klimaatneutraal is.
Voor de gebouwde omgeving betekent dat er geen aardgas meer gebruikt mag worden voor het verwarmen van gebouwen: de warmtetransitie (Energierapport van het ministerie van Economische Zaken). Basale keuzes in het licht van het beleid zijn dan ook de volgende: Kies voor aardgasvrij. Een investering in een gasnet heeft een afschrijvingsduur van 60 jaar, daarom is het van belang om nieuwe gebouwen nu al niet meer op het aardgasnet aan te sluiten en dit nadrukkelijk na te streven. Verwacht wordt dat de aansluitplicht voor de netbeheerders komt te vervallen. Kies voor maximale isolatie. Kies voor zongericht verkavelen en dakoppervlakken die geschikt zijn voor zonne-energie. Maak een afweging voor collectieve duurzame warmtevoorzieningen of individuele (Warmte Koude Opslagsystemen, zonnecollectoren en dergelijke).
32
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
De woningen in dit plan worden aardgasvrij uitgevoerd.
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
33
Stationsw eg - de Tuinen
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Plansystematiek
Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.
SVBP2012 De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.
Analoog vs. digitaal bestemmingsplan De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.
5.2
Toelichting op de regels
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 - Inleidende regels In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming. Bouwregels De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden.
34
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten. Afwijken van de bouwregels Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming. Specifieke gebruiksregels Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend. Afwijken van de gebruik sregels Burgemeester en wethouders kunnen in een aantal concrete situaties bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan. Wijzigingsbevoegdheiden Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan op een aantal onderdelen onder bepaalde randvoorwaarden te wijzigen
Hoofdstuk 3 - Algemene regels In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen waaronder Burgemeester en wethouders op een aantal onderdelen onder bepaalde randvoorwaarden het plan kan wijzigen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot bouwen uitgwerkt.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.
5.3
Toelichting op de bestemmingen
Wonen - 3 De woningen in het plangebied zijn geregeld in de woonbestemming. Op basis van de ruimtelijke verschijningsvorm van de woning, namelijk in rijen is de woonbestemming "Wonen - 3". In de regels zijn de minimale en maximale dakhellingen en goot- en bouwhoogten aangegeven waaraan de woningen moeten voldoen. Naast bepalingen ten aanzien van de hoofdbebouwing, zijn in de regels maatvoeringen opgenomen waaraan erfbebouwing op de woonpercelen (aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) moeten voldoen. Binnen deze bestemming zijn daarnaast ook wegen, straten en paden toegestaan, evenals parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
35
Stationsw eg - de Tuinen
Wonen - Uit te werken Het bouwen van bouwwerken is uitsluitend toegestaan als er een uitgewerkt bouwplan ligt bij Burgemeester en Wethouders. In de bestemming zijn uitwerkingsregels opgesteld waaraan het plan moet voldoen.
Gemengd - 1 In het plan is een klein hoekje opgenomen van het naastgelegen perceel (Stationsweg 201). Dit hoekje heeft in het vigerend bestemmingsplan de bestemming "Detailhandel - 2", terwijl de rest van het perceel de bestemming "Gemengd - 1" heeft. Door voor het hoekje de bestemming "Gemengd - 1" op te nemen, heeft het gehele perceel daarmee dezelfde bestemming. De bestemming komt vrijwel letterlijk overeen met de bestemming "Gemengd - 1" uit het vigerende plan. Alleen de niet-relevante aanduidingen zijn niet opgenomen en er is geen bouwvlak waardoor de bouwregels afwijken.
5.4
Bestemmingsplanprocedure
De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:
Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure Na aankondiging in de Staatscourant en in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.
Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen: tegen gewijzigde vaststelling kan beroep worden ingediend zonder dat een zienswijze is ingediend, als de gewijzigde vaststelling leidt tot een belang van diegene die eerder geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen; als kan worden aangetoond dat er een dringende reden bestond waarom geen zienswijze is ingediend. Deze optie is gebonden aan een strikte uitleg en zal niet snel aan de orde zijn. Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.
36
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het aspect grondexploitatie.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. Een zogenaamd exploitatieplan dient verplicht onderdeel uit te maken van het bestemmingsplan, tenzij de kosten bij de vaststelling van het bestemmingsplan anderszins zijn verzekerd. Dan vervalt deze verplichting. De gemeenteraad moet wel expliciet besluiten dat een exploitatieplan niet wordt vastgesteld, omdat de uitvoerbaarheid anderszins verzekerd is. Financiële haalbaarheid Stationsweg Het plan betreft een particulier initiatief. De gemeente heeft hiermee geen financiële bemoeienis. De kosten voor de uitvoering van het plan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Daarin zijn afspraken gemaakt over de plankosten en mogelijke planschade. Met het sluiten van de anterieure overeenkomst is het kostenverhaal anderszins verzekerd en een exploitatieplan niet nodig. De Tuinen Het plan betreft een gemeentelijk initiatief.
De grond is in eigendom van de gemeente Smallingerland. Na onherroepelijk wording van het bestemmingsplan zal de grond worden verkocht om woningbouw te realiseren. De marktconforme verkoopprijzen en aanvullende bijdragen is de exploitatie van het plan economisch uitvoerbaar. Grondexploitatie Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. Dit bestemmingsplan stelt geen bouwplannen in de zin van het Bro voor. Het is daarom niet verplicht om een grondexploitatieplan vast te stellen. Bovendien is er geen sprake van bovenplanse kosten, bijvoorbeeld voor infrastructuur en dergelijk. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst, waarmee het verhaal van eventuele planschade is gedekt. De gemeenteraad besluit bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen grondexploitatieplan vast te stellen.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Initiatiefnemer Accolade en de gemeente Smallingerland hebben in het kader van het planvoornemen meerdere malen de omwonenden betrokken. De participatie gaven de gemeente en Accolade vorm volgens het principe ophalen van op- en aanmerkingen op de eerste voorstellen. Dit vond plaats op 13 oktober 2021 en 16 februari 2022. Informatie ophalen en verwerken in de plannen Op 13 oktober 2021 hield Accolade voor de Stationsweg een inloopbijeenkomst voor omwonenden en
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
37
Stationsw eg - de Tuinen
haar huurders aan de Stationsweg. Hier informeerde Accolade de omwonenden over de plannen en beantwoordde vragen. Accolade nam waar mogelijk op- en aanmerkingen mee in de planvorming. Het verslag in de vorm van de nieuwsbrief is als Bijlage 15 bij deze toelichting gevoegd. Op 16 februari 2022 hielden de gemeente Smallingerland en Accolade als gemeenschappelijk initiatiefnemers voor de locatie de Tuinen een participatiebijeenkomst voor de omwonenden. Voor deze bijeenkomst werden ook de betrokkenen uitgenodigd die op 13 oktober 2021 al aanwezig waren. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 16 bij deze toelichting gevoegd. Informatie brengen Op maandag 4 april 2022 informeerden de gemeente Smallingerland en Accolade in een bijeenkomst wat met de op- en aanmerkingen van de betrokkenen is gebeurd. Ook informeerden de gemeente en Accolade de omwonenden over de bestemmingsplanprocedure en de procedure hogere grenswaarde geluid. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 17 bij deze toelichting gevoegd. Vooroverleg Dit bestemmingsplan doorloopt de wettelijk vastgelegde procedure. Daarbij heeft vooroverleg (artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening) plaatsgevonden. Er zijn twee vooroverlegreacties binnengekomen, van Brandweer Fryslân en van de provincie Fryslân. Brandweer Fryslân De vooroverlegreactie van Brandweer Fryslân is als Bijlage 18 bij deze toelichting gevoegd.
In de reactie wordt verwezen naar een eerder advies dat de Brandweer voor dit plan heeft afgegeven. Dit advies is als Bijlage 19 bij deze toelichting gevoegd. De Brandweer geeft aan dat de adviespunten grotendeels zijn overgenomen, maar hoe de adviespunten over bereikbaarheid zijn uitgewerkt, ziet de Brandweer niet terug. Het gaat om twee adviespunten. Hieronder zijn deze adviespunten opgenomen en wordt toegelicht hoe hiermee om is gegaan: 1. de Brandweer adviseert om de doodlopende weg te laten voldoen aan alle voorwaarden genoemd onder bereikbaarheid; 2. de Brandweer adviseert om te borgen dat alle wooneenheden bereikbaar zijn tot een maximale afstand van 40 meter vanaf de weg ten behoeve van de slangdekking. 1. De doodlopende weg De Tuinen is 6 meter breed en voldoet daarmee aan de gestelde eisen. Deze weg blijft onveranderd. 2. Aan de maximale afstand van 40 meter vanaf de weg ten behoeve van de slangdekking wordt voldaan, zoals ook te zien is in onderstaande afbeelding.
38
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
Stationsw eg - de Tuinen
Figuur 6.1 Afstand van 40 meter in gebied vanaf omliggende wegen
Provincie Fryslân De vooroverlegreactie van provincie Fryslân is als Bijlage 20 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder zijn deze adviespunten opgenomen en wordt toegelicht hoe hiermee om is gegaan: 1. Soortenbescherming: de provincie adviseert de resultaten van het aanvullend onderzoek naar vleermuizen te verwerken in het ontwerpplan of aan te tonen dat het plan uitvoerbaar is door in te gaan op de verleenbaarheid van een eventueel benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming. 2. Ontgrondingen: de provincie adviseert in de toelichting aan te geven of sprake is van een vrijstelling voor ontgrondingen. Deze vrijstelling geldt, mits niet meer dan 10.000 m3 aan gronden wordt afgevoerd en de diepte van de ontgronding niet meer dan 2 meter bedraagt. 3. Natuurinclusief bouwen: in de Omgevingsvisie van de provincie wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. De provincie wijst op de '40 punten checklist' van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging als inspiratie. 1. Het aanvullend onderzoek is gestart en loopt nog tot najaar 2022. Op voorhand zijn er mitigerende maatregelen genomen door het ophangen van vleermuizenkasten, op basis van inschatting van aanwezig vleermuizen in het plangebied. De verwachting is dat deze mitigerende maatregelen voldoende zijn en dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend kan worden.
Mochten er meer mitigerende maatregelen nodig zijn, dan is er in en in de omgeving van het plangebied voldoende ruimte om deze te nemen. Deze conclusie is opgenomen in paragraaf 4.1. 2. Er wordt niet meer dan 10.000 m3 aan gronden afgevoerd en de diepte van de ontgronding bedraagt niet meer dan 2 meter. Er is daarmee sprake van vrijstelling van de vergunningplicht voor ontgrondingen. 3. De aandachtspunten voor natuurinclusief ontwerpen worden meegenomen in de uitwerking van het plan.
Ontwerp
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301
39
Stationsw eg - de Tuinen
De gemeente Smallingerland legt na het wettelijke vooroverleg het ontwerpbestemmingsplan zes weken er inzage voor zienswijzen (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar te maken (artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening). Eventueel ingekomen zienswijzen worden waar nodig verwerkt in het bestemmingsplan.
Vaststelling Na de zienswijzenperiode besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Uiteindelijk is op het besluit van de raad beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
40
NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301