CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Stationsweg-De Tuinen Toelichting

Ronde Tafel 22 november 2022, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Stationsweg-De Tuinen15.423 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stationsweg - de Tuinen

Stationsw eg - de Tuinen

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Geldend planologisch-juridisch regime 1.3 Leeswijzer

4 4 4 4

Hoofdstuk 2

5

Planbeschrijving

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

9 9 10 12 12

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Ecologie (en stikstof) 4.2 Erfgoed 4.3 Waterparagraaf 4.4 Hinder van bedrijven en voorzieningen 4.5 Geluidhinder 4.6 Externe veiligheid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Bodemkwaliteit 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.11 Overig

16 16 19 20 21 22 24 27 27 28 29 32

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Plansystematiek 5.2 Toelichting op de regels 5.3 Toelichting op de bestemmingen 5.4 Bestemmingsplanprocedure

34 34 34 35 36

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

37 37 37

2

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Toelichting

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

3

Stationsw eg - de Tuinen

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Stationsweg en op de locatie de Tuinen in Drachten zullen sociale huurwoningen door Accolade worden gerealiseerd. Het plan bestaat uit twee delen: Stationsweg en De Tuinen. Het deel Stationsweg bestaat uit twee fasen. Fase 1 is de realisatie van 8 grondgebonden woningen. Fase 2 ziet op het wijzigingen van de huidige situatie op de plek waar nu een tijdelijk appartementengebouw staat. Dit tijdelijk appartementengebouw bestaat uit 24 wooneenheden voor jongeren en statushouders. Voor het tijdelijke appartementengebouw is een omgevingsvergunning afgegeven. De bedoeling is dat dit gebouw uiterlijk in 2036 gesloopt wordt. Op deze plek zullen dan in de tweede fase 13 grondgebonden woningen gerealiseerd. Het deel De Tuinen bestaat uit de realisatie van 17 grondgebonden woningen. Om het voornemen planologisch en juridisch mogelijk te maken, is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Geldend planologisch-juridisch regime

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Drachten De Swetten als vastgesteld op 29 juni 2010. In dit geldende bestemmingsplan is sprake van de bestemmingen 'Detailhandel - 2' en 'Maatschappelijk - 1'.

Figuur 1.1 Kaartfragment bestemmingsplan Drachten De Swetten op ruimtelijkeplannen.nl

1.3

Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 op de planbeschrijving ingegaan. Het relevante beleid van onder ander het Rijk, de Provincie en de gemeente komt in hoofdstuk 3 aan de orde. Een omschrijving van de omgevingsaspecten, uit oogpunt van milieu en planologie gezien, is in het daaropvolgende hoofdstuk 4 opgenomen. In hoofdstuk 5 is de toelichting op de juridische vormgeving van dit bestemmingsplan gegeven en de hiervoor te volgen procedure. Tot slot is in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid uiteengezet. Bij dit bestemmingsplan zijn verder verschillende bijlagen opgenomen.

4

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

Huidige situatie De locatie aan de Stationsweg, waar de 8 grondgebonden woningen zijn gepland (fase 1), is op dit moment een braakliggend perceel (zie onderstaande foto). Achter dit perceel, vanaf de Stationsweg gezien, is een appartementengebouw aanwezig. Dit gebouw is in 2017 gebouwd, voor 24 tijdelijke woonunits voor jongeren en statushouders. Aanleiding voor de bouw van het gebouw was de extra druk op de woningmarkt vanuit verschillende doelgroepen.

Figuur 2.1 Locatie Stationsweg - huidige situatie (bron: VDM Woningen) Het deel De Tuinen, vanaf de Stationsweg gezien gelegen achter het appartementengebouw, is op dit moment een groen ingericht gebied. De heggen en struiken in het zuidelijke gebied zorgen voor een afscheiding naar het bedrijventerrein. Er is geen bebouwing in het gebied. In het verleden heeft hier wel bebouwing gestaan, maar dit is gesloopt.

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

5

Stationsw eg - de Tuinen

Figuur 2.2 Luchtfoto plangebied (bron: GoogleMaps)

Toekomstige situatie In het plangebied zullen sociale huurwoningen worden gerealiseerd. Zoals in de inleiding al is beschreven, bestaat het plan uit twee delen: Stationsweg en De Tuinen. Het deel Stationsweg bestaat uit twee fasen. Fase 1 is de realisatie van 8 grondgebonden woningen. Voor het tijdelijke appartementengebouw is een vergunning verleent. Voor fase 2 is in het bestemmingsplan is een uit te werken woonbestemming opgenomen om in de toekomst 13 grondgebonden woningen te kunnen realiseren. De Tuinen bestaat uit de realisatie van 17 grondgebonden woningen. In beide delen wordt voorzien in parkeergelegenheid (zie paragraaf 4.9 Verkeer en parkeren).

6

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Figuur 2.3 Tekening gebied (bron: VDM Woningen)

Figuur 2.4 3D ontwerp Stationsweg fase 1 (bron: VDM Woningen)

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

7

Stationsw eg - de Tuinen

Figuur 2.5 De Tuinen (bron: HKB Stedenbouwkundigen)

8

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Hoofdstuk 3

Beleidskader

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk, de provincie, regionaal gevoerd beleid op intergemeentelijk niveau en de gemeente. In dit hoofdstuk is het relevante beleidskader gegeven voor de planontwikkeling van de Stationsweg en de Tuinen. Daarbij is voor zover van belang verder ingegaan op wat voor het plangebied aan de orde is.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

"Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig" Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Met betrekking tot het voornemen kan worden geconcludeerd dat geen van de 13 nationale belangen worden geschaad. 3.1.2

Nationale Omgevingsvisie (2020)

"Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving" Vanaf 2022 zal de Omgevingswet in werking treden. Onderdeel daarvan is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) waarvan het definitieve beleidsdocument op 11 september 2020 voor behandeling naar de Tweede Kamer is gestuurd. Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving: 1. 2. 3. 4.

ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; de steden en regio's sterker en leefbaarder maken; het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: 1. slimme combinaties maken waar dat mogelijk is; 2. de kenmerken van het gebied centraal stellen; 3. niet uitstellen of doorschuiven. Vanwege de aanstaande Omgevingswet worden door gemeenten en provincies ook eigen omgevingsvisies opgesteld die meer concreet van toepassing kunnen zijn op voorgenomen plannen.

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

9

Stationsw eg - de Tuinen

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13. Hiermee vraagt het Rijk om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder voor duurzame verstedelijking moet voldoen.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". In de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt wordt een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling gegeven (en voor zover buiten het bestaand stedelijk gebied gesitueerd ook een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien). Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw, planologisch ruimtebeslag. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologisch regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Vanwege voorliggend planvoornemen van dit bestemmingsplan heeft in paragraaf 4.10 Ladder voor duurzame verstedelijking van deze toelichting toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking plaatsgevonden.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Visies

3.2.1.1 Omgevingsvisie Fryslân 2020 "De Romte Diele" De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. In de Omgevingsvisie Fryslân, 'De Romte Diele' geheten, staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een integrale visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. De visie geeft de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. De visie is op 21 oktober 2020 vastgesteld. De provinciale omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het streekplan, milieubeleidsplan, waterhuishoudingsplan en het verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven, te weten: Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; Energietransitie met kracht voortzetten; Fryslân klimaatadaptatief inrichten; Versterken biodiversiteit.

10

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Inzet ten aanzien van onder meer woningbouw is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de verdeling van woningen over hun kernen. In visies/plannen wordt bepaald waar dit gebeurt en in welke kwaliteit. Bij nieuwe inzichten en ontwikkelingen kan van afspraken worden afgeweken wat de nodige flexibiliteit biedt. Er gelden vanuit de provincie verder geen grenzen aan woningbouwprojecten op binnenstedelijke inbreidingslocaties. 3.2.1.2 Grutsk op 'e Romte (2014) Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document ‘Grutsk op ‘e Romte’ als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. ‘Grutsk op ‘e romte’ is als procesvereiste opgenomen in de provinciale ruimtelijk verordening, zodat bij het opstellen van een ruimtelijk plan een analyse dient te worden gemaakt van de aanwezige waarden in het plangebied. Op deze wijze verwacht Provinsje Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen. Het plangebied ligt in het hoofdlandschap Woudontginning met elzensingels.

Het gebied ligt in het het verstedelijkte gebied van de kern Drachten. Kenmerkend in het gebied is de Stationsweg, die in 'Grutsk op 'e Romte' is aangeduid als lineaire bebouwingsstructuur. Het planvoornemen heeft geen effect op de landschappelijke en cultuurhistorische structuren omdat het aansluit bij de bestaande structuren. 3.2.2

Verordeningen

3.2.2.1 Verordening Romte Fryslân 2014 (geactualiseerd 2018) Op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze wijzigingsverordening is een hernieuwde vaststelling van de verordening uit 2014. In de verordening zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan, maar ook daarna opgestelde structuurvisies) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het landelijk gebied. Wat betreft het bestaand stedelijk gebied geeft de provincie veel vrijheid aan gemeenten. Dit betekent dat er in principe nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk zijn in bestaand stedelijk gebied. In de verordening is bepaald dat een woningbouwproject van meer dan 11 woningen binnen bestaand stedelijk gebied in overeenstemming moet zijn met een door de provincie goedgekeurd gemeentelijk woonplan. Hieraan wordt met dit plan voldaan (zie paragraaf 3.3.1 en 3.4.2).

3.2.2.2 Omgevingsverordening Fryslân (ontwerp) In de aanstaande Omgevingsverordening Fryslân staan de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving geformuleerd. De nieuwe verordening komt voort uit het ingezette beleid in de provinciale omgevingsvisie en vormt de voortzetting van de meeste regels uit diverse provinciale verordeningen met een ruimtelijke werking. Zo vervangt de omgevingsverordening de Wegen- en Vaarwegenverordening, Milieuverordening, Verordening Wet Natuurbescherming, Waterverordening en de huidige Verordening Romte. Op sommige punten hebben de aanstaande Omgevingswet en Omgevingsvisie tot aanpassingen geleid in de verordenend door de provincie voor te schrijven regels. Daarbij kan worden gedacht aan het herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. Het ontwerp van de Omgevingsverordening Fryslân is op 16 februari 2021 door Gedeputeerde Staten vastgesteld en heeft inmiddels ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Als resultaat hiervan vinden zo nodig nog aanpassingen op onderdelen plaats. De verwachting is dat de

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

11

Stationsw eg - de Tuinen

omgevingsverordening in het tweede kwartaal van 2022 door Provinciale Staten van Fryslân wordt vastgesteld. De Friese gemeenten op hun beurt verwerken de uiteindeljk regels van de provinciale omgevingsverordening in de eigen omgevingsplannen.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale afspraken Woonregio Zuidoost-Friesland (2019)

Op regionaal niveau zijn afspraken ten aanzien van woningbouw vastgelegd door gemeenten in de regio en de provincie. De gemeenten Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland en Weststellingwerf vormen samen de regio Zuidoost. De provinciale prognose is een belangrijk vertrekpunt in de woningbouwafspraken in de regio Zuidoost-Friesland en de provincie Friesland. Op basis van de provinciale prognose (2016) en de geactualiseerde woningbouwafspraken (2019) is de woningbouwruimte voor Smallingerland vastgesteld op 1.251 woningen voor de periode 2016 t/m 2025, met een aandeel van 40% binnenstedelijk en 60% buitenstedelijk. In de periode 2016 t/m 2019 zijn er in totaal 430 woningen netto toegevoegd. De resterende reguliere woningbouwopgave tot 2026 komt daarmee uit op 820 woningen. Met de provincie is afgesproken om maximaal 250 woningen over te programmeren voor het binnenstedelijk gebied, ten einde uitval of vertraging van binnenstedelijke projecten op te vangen. Dit biedt de mogelijkheid om planologisch 1.070 woningen te plannen. De gemeente Smallingerland heeft in het kader van de woningbouwprogrammering in het najaar van 2020 een nieuwe gemeentelijke woonvisie vastgesteld, waarop in paragraaf 3.4.2 nader is ingegaan.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Smallingerland

Op 1 maart 2022 heeft de gemeenteraad van Smallingerland de Omgevingsvisie Smallingerland 2040 vastgesteld. De gemeente brengt in deze omgevingsvisie focus op de toekomst van Smallingerland aan. De visie bevat het integrale beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving. Het geeft richting aan de manier waarop de gemeente in samenspraak met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties de leefomgeving wil beheren, inrichten en ontwikkelen, waarbij de ontstaansgeschiedenis niet uit het oog wordt verloren. De visie geeft inzicht in de opgaven die er voor de toekomst liggen, op het gebied van leefbaarheid, economie en cultuur. De doelen voor 2040 zijn samen te vatten in vier begrippen, te weten: gezond, veilig, aantrekkelijk en economisch vitaal. De opgaven zijn concreet geformuleerd als het versterken van: 1. 2. 3. 4.

Drachten als regionaal verzorgingsgebied; Drachten als stad voor innovatieve maakindustrie; Levendige en aantrekkelijke dorpen en wijken; Buitengebied met kwaliteit.

Leidende principes in de realisatie van deze opgaven om de doelen te bereiken zijn duurzaam, inclusief en identiteit. Deze leidende principes worden door de gemeente toegepast op de eigen plannen maar ook van private partijen die worden ontwikkeld en betekent dat wordt vastgehouden aan het karakter van het gebied en dat er versterkt en vernieuwd wordt passend bij Smallingerland. Het planvoornemen sluit aan bij de derde opgave zoals hierboven beschreven: 'levendige en aantrekkelijke dorpen en wijken'. Eén van de strategiën die hierbij hoort is 'woningen voor iedereen'. De gemeente geeft in de Omgevingsvisie aan dat zij er samen met haar partners voor wil zorgen dat er ruimte worden gegeven voor nieuwbouw van woningen en verandering van functies naar wonen, en dat er veel verschillende woningen worden gebouwd, ook voor kwetsbare doelgroepen of mensen die minder te besteden hebben. De gemeente kijkt met name naar plekken voor nieuwe owningen in het bestaand

12

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

stedelijk gebied. Het planvoornemen sluit hier bij aan, door te voorzien in de bouw van sociale huurwoningen in het stedelijk gebied. 3.4.2

Woonvisie Smallingerland 2020-2025

De gemeente Smallingerland wil de volgende generaties prettig laten wonen, leven, werken en recreëren. De afgelopen jaren is de woningmarkt sterk veranderd. Duurzaamheid en omgevingsgericht werken zijn steeds belangrijker. Op 6 oktober 2020 heeft de gemeente Smallingerland in dat kader haar nieuwe omgevingsgerichte woonvisie met woningbouwprogramma vastgesteld. Met de woonvisie wordt inzicht en overzicht gegeven met betrekking tot de precieze ontwikkelingen om in een veranderende omgeving richting te geven aan de woningmarktontwikkelingen in de gemeente Smallingerland. Het woonbeleid van de gemeente is er voor iedereen en zet in op versnelling, specifieke doelgroepen en bovenal een sterke kwaliteit van de leefomgeving. Dit doet de gemeente door gericht aan het werk te gaan met vijf concrete ambities: 1. 2. 3. 4. 5.

Aantrekkelijke en gevarieerde nieuwbouw; Ruimte voor 1.000 woningen erbij in vijf jaar; Duurzame woningvoorraad. Op weg naar energieneutraal; Wijs met grijs; ruimte voor initiatieven gericht op senioren & woningaanpassing; 'Mienskipssin' en vitale dorpen en wijken; Sociaal wonen; betere beschikbaarheid van woningen voor kwetsbare doelgroepen.

Met betrekking tot het planvoornemen van dit bestemmingsplan is vooral de eerstgenoemde ambitie relevant om 1.000 woningen er in vijf jaar tijd bij te bouwen. Deze ambitie is als volgt omschreven. "Smallingerland heeft een centrale ligging in Noord-Nederland en de gemeente heeft de ambitie om een uitvalsbasis te zijn voor mensen die werken in het noorden. Dit zijn mensen die actief zijn op de noordelijke arbeidsmarkt, een hogere woon-werkafstand accepteren en op zoek zijn naar een geschikte woning in het hart van het Noorden. De gemeente wil de woningvoorraad voortvarend uitbreiden, rekening houdend met de toekomstige vraag en woonwensen. Drachten vervult een regionale functie met een aantrekkelijk centrum voor bewoners en bezoekers. Het aantal huishoudens neemt de aankomende jaren toe. Vooral de groep seniorenhuishoudens zal in omvang toenemen. Behalve senioren gaat het om mensen in andere levensfasen die vaker en langer alleen wonen dan voorheen. De gemeente gaat de komende jaren extra woningen realiseren die nodig zijn voor het toenemende aantal kleine huishoudens. Deze extra woningen worden deels in het centrum gerealiseerd. Een goed functionerend centrum voor Drachten vraagt om minder winkelmeters en biedt ruimte voor herontwikkeling en transformatie. Daarmee kan tegemoet gekomen worden aan de wens van bewoners om in het centrum te wonen.

Daarnaast wordt hiermee de doorstroming gestimuleerd." Het planvoornemen sluit aan bij deze ambitie doordat het voorziet in de bouw van sociale huurwoningen dichtbij het centrum van Drachten. 3.4.3

Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (2013)

Het verkeer- en vervoerbeleid van de gemeente is vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) van 2013. Doel van dit beleid is om: de leefbaarheid en leefkwaliteit te vergroten en de menselijke maat terug te brengen in het verkeer; de objectieve en subjectieve verkeersveiligheid te verbeteren; een optimale bereikbaarheid te creëren en te garanderen voor zowel locaties als weggebruikers; zorg te dragen voor een herkenbare inrichting van de verkeersstructuur, waardoor weggebruikers hun weg kunnen vinden en weten welk (verkeers)gedrag van hun verwacht wordt. Voor het bereiken van deze doelstellingen worden de principes van Shared Space en Duurzaam Veilig gecombineerd toegepast: Shared Space waar kan, Duurzaam Veilig waar moet. De onderstaande principes worden, indien van toepassing, voor het onderhavige plan gehanteerd.

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

13

Stationsw eg - de Tuinen

Wegenstructuur Er wordt onderscheid gemaakt naar wegen die primair een verkeersfunctie hebben en wegen waar verblijven centraal staat. Op wegen uit deze laatste categorie is vaak ook sprake van meerdere functies, zoals spelen, groen, ontsluiten, wonen of werken. Afhankelijk van de mate van de verkeersfunctie zijn de wegen ingedeeld als stroomweg (pure verkeersfunctie), gebiedsontsluitingsweg (op wegvakken verkeersfunctie, op kruispunten uitwissel-/verblijfsfunctie) of erftoegangsweg (pure verblijfsfunctie). In verblijfsgebieden (erftoegangswegen) wordt gewerkt volgens het Shared Space-principe, waarbij de inrichting bepaald wordt door het gehele perspectief van functies, omgeving en landschap. Bij gebiedsontsluitingswegen moeten de kansen voor Shared Space benut worden. De kruispunten, waar juist de uitwisseling van verkeer en functies plaatsvindt, vormen hierbij primair de potentieel kansrijke locaties. Bij stroomwegen worden de inrichtingsprincipes van Duurzaam Veilig gevolgd.

Langzaam verkeer Ten aanzien van fietsvoorzieningen is op gebiedsontsluitingswegen uitgangspunt dat het fietsverkeer wordt gescheiden van het gemotoriseerde verkeer door middel van vrij liggende paden of parallelle routes. Op erftoe-gangswegen geeft de gemeente de voorkeur aan een inrichting die past binnen het concept van Shared Space. Dit betekent dat fietsverkeer en gemotoriseerd verkeer gezamenlijk de ruimte delen. Mits hiervoor goede argumenten zijn, kan van dit principe worden afgeweken. Voor voetgangers geldt dat er voldoende ruimte voor hen moet zijn en dat deze ruimte ook goed toegankelijk is voor lichamelijk en visueel gehandicapten.

Parkeren In bestaande gebieden geldt dat de gemeente terughoudend is met het opofferen van (openbare) groenvoorzieningen ten behoeve van extra parkeerplaatsen. Bij nieuwbouwplannen of nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met voldoende parkeerruimte voor zowel de auto als de fiets. Hierbij dient het parkeren primair op eigen terrein opgelost te worden. Het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt bepaald door de gemeentelijke parkeernormennota (zie paragraaf 3.4.4) .

Openbaar vervoer Het openbaar vervoer levert een belangrijke bijdrage de bereikbaarheid en ontsluiting van Smallingerland. Om goed openbaar vervoer te waarborgen worden busroutes ‘busvriendelijk’ ingericht en dienen haltes/overstappunten te voldoen aan eisen met betrekking tot opstel- en wachtruimte, stallingvoorzieningen en fiets- en looproutes. 3.4.4

Parkeernormennota Smallingerland (2015)

De gemeente Smallingerland heeft op 17 februari 2015 de "Parkeernormennota 2015" vastgesteld. Hierin heeft de gemeente ervoor gekozen om de CROW-normen te volgen door deze door te vertalen in het gemeentelijk parkeerbeleid, als vastgesteld in de parkeernormennota. In de nota is een parkeerregeling opgenomen waarin is geregeld hoeveel en waar parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. De nota gaat uit van het gemiddelde tussen het minimum en maximum kencijfer zoals opgenomen in de publicatie van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). In maart 2022 heeft het college van Burgemeester en Wethouders ingestemd met lagere parkeernormen voor sociale huurwoningen. Op basis hiervan kan gewerkt worden met 1,2 parkeerplaats per sociale huurwoning. In paragraaf 4.9 Verkeer en parkeren is het parkeren in het plangebied nader toegelicht.

14

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

3.4.5

Gemeentelijk Waterplan Smallingerland 2017-2020

Iedere vier jaar wordt het waterbeleid in de gemeente Smallingerland geactualiseerd. Dit gebeurt in samenwerking tussen de gemeente Smallingerland en Wetterskip Fryslân en wordt vastgelegd in het Gemeentelijk Waterplan. Het waterplan is in 2016 en 2017 opgesteld en in de winterperiode 2016-2017 bestuurlijk vastgesteld door de besturen van de gemeente en het waterschap. De doelstellingen van het waterplan zijn: het vastleggen van een nieuwe watervisie en daarbij behorende streefbeelden en doelstellingen; het vastleggen van nieuwe projecten en de daarvoor benodigde middelen om deze doelstellingen te bereiken; zorgdragen dat de benodigde middelen worden afgewogen van het Beleidsplan 2018 - 2021. 3.4.6

Welstand- en reclamenota 2018

De gemeente Smallingerland beschikt over de Welstand- en reclamenota 2018. In deze nota zijn voor verschillende typen gebied criteria vastgesteld omtrent plaatsen, hoofdvorm, aanzichten, opmaak en diversen. Het welstandsbeleid van Smallingerland is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Smallingerland. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Het doel van het welstandstoezicht is om in alle openheid een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Smallingerland. Door het opstellen van welstandsbeleid wil de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht inrichten. De woningen aan de Stationsweg moeten voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in de Welstandsnota Smallingerland. Voor de woningen op de locatie De Tuinen zijn nieuwe welstandseisen opgesteld welke door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. Deze nieuwe welstandseisen zijn op een aantal punten aangepast ten opzichte van de Welstandsnota Smallingerland. In Bijlage 1 zijn de nieuwe welstandseisen voor De Tuinen opgenomen.

Deze welstandseisen worden apart van het bestemmingsplan vastgesteld.

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

15

Stationsw eg - de Tuinen

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat voor het planvoornemen. In de volgende paragrafen zijn de relevante milieukundige en planologische randvoorwaarden beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het plangebied.

4.1

Ecologie (en stikstof)

Wet- en regelgeving In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming, soortenbescherming en beschermde houtopstanden, zoals vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Omgevingsverordening.

Onderzoek Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is door Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten op eventuele beschermde waarden in het plangebied en in de omgeving daarvan. Er zijn twee onderzoeken uitgevoerd, één voor de Stationsweg en één voor De Tuinen. Daarnaast is voor het plan als geheel een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Hieronder volgt de verslaglegging van de uitkomsten en conclusies van de uitgevoerde onderzoeken.

Ecologische beoordeling Stationsweg De rapportage van de ecologische beoordeling voor de Stationsweg is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 25 augustus 2021 bezocht door een ecoloog. Hieronder volgen kort de conclusies.

Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatstgenoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen aanwezig. In de opgaande begroeiing aan de rand van en rondom het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen, zoals de merel en winterkoning. Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren is de beste optie. Een alternatief is om werkzaamheden voor aanvang van het broedseizoen te beginnen, zodat broedpogingen in het werkgebied achterwege blijven door de verstoring tijdens de werkzaamheden. Er dient tevens te worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden in het broedseizoen alsnog broedgevallen ontstaan die kunnen worden aangetast.

Dit is mogelijk door geen geschikte plaatsen voor nesten te laten ontstaan, door bijvoorbeeld bouwmateriaal goed af te dekken. In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen aanwezig.

16

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Wel is het mogelijk dat deze in de directe omgeving aanwezig zijn. Ook is het mogelijk dat het plangebied deel uitmaakt van foerageergebieden van vleermuizen. Er is in de omgeving echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Daarom kan geconcludeerd worden dat de functionaliteit van eventueel in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen niet wordt aangetast. Ten aanzien van eventueel in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen en vliegroutes is het wel van belang om bij de aanlegwerkzaamheden lichtuitstraling richting de omgeving zo veel mogelijk te voorkomen. Het plangebied en de directe omgeving daarvan vormt mogelijk ook onderdeel van het leefgebied van enkele algemeen voorkomende soorten zoogdieren zoals de steenmarter en muizensoorten. Voor deze soorten geldt dat Provinciale Staten van Fryslân een vrijstelling heeft verleend voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 Wnb bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Wel is voor deze soorten de Zorgplicht van toepassing. Bij uitvoering van de plannen dienen zoogdiersoorten de gelegenheid te krijgen om zich te verplaatsen naar onverstoord leefgebied. Overige beschermde soorten ondervinden geen negatieve effecten door uitvoering van de plannen.

Gebiedsbescherming Op circa 6,8 km ligt het Natura 2000-gebied de Wijnjeterper Schar, op 7,5 km het Natura 2000-gebied Van Oordt's Mersken en op 7,8 km het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Het plangebied is gescheiden van de Natura 2000-gebieden door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Een eventuele toename van stikstofdepositie ten gevolge van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase is op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt niet voor eventuele toename in de gebruiksfase, omdat dit plan kan leiden tot meer verkeersbewegingen. Daarom moet een Aerius-berekening uitgevoerd worden om te bepalen of het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

Ecologische beoordeling De Tuinen De rapportage van de ecologische beoordeling voor De Tuinen is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 10 januari 2022 bezocht door een ecoloog. Hieronder volgen kort de conclusies.

Soortenbescherming De beoogde werkzaamheden veroorzaken een conflict met de Wnb wanneer broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Bij werkzaamheden moet volgens de Wet natuurbescherming rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is dat verstoord kan worden. Verstoring van nesten is niet toegestaan. Ten aanzien van broedende vogels zijn er verschillende mogelijkheden om conflicten met de Wet natuurbescherming te voorkomen. Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren is de meest zekere optie. Een alternatief is om werkzaamheden voor aanvang van het broedseizoen te beginnen, zodat broedpogingen in het werkgebied achterwege blijven door de verstoring tijdens de werkzaamheden. Er dient tevens te worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden in het broedseizoen alsnog broedgevallen ontstaan die kunnen worden aangetast. Dit is mogelijk door geen geschikte plaatsen voor nesten te laten ontstaan, door bijvoorbeeld bouwmateriaal goed af te dekken en kap- en snoeiafval tijdig te verwijderen. Mochten er toch vogels tot broeden komen en door de werkzaamheden worden verstoord, dan ontstaat er een conflict met de Wet natuurbescherming en moeten de verstorende werkzaamheden gestaakt worden tot na de broedperiode van de betreffende soort(en).

De meeste vogelsoorten broeden binnen de periode van half maart tot half juli De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen in het plangebied en worden er ook niet

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

17

Stationsw eg - de Tuinen

verwacht. De beoogde werkzaamheden veroorzaken een conflict met de Wnb wanneer er verblijfplaatsen en/of foerageergebied van vleermuizen verloren gaan. Binnen het plangebied zijn meerdere mogelijkheden voor verblijfplaatsen aanwezig in bomen. Om de mogelijkheden voor vleermuizen in deze holtes te bepalen, en het gebruik van het plangebied als foerageergebied, is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Door uitvoering van de plannen zal geen conflict met de Wet natuurbescherming ontstaan ten aanzien van overige beschermde soorten. Wel dient ten aanzien van zoogdiersoorten de zorgplicht in acht genomen te worden, door de dieren de gelegenheid te geven het plangebied te verlaten.

Gebiedsbescherming De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van Natura 2000-gebieden, behalve mogelijk door een toename in stikstofdepositie in de gebruiksfase. Hiervoor is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Op de uitkomsten hiervan wordt hieronder, onder het kopje 'Stikstofdepositie-onderzoek' ingegaan. De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de wet- en regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland, Ganzenfoerageergebied en Weidevogelkansgebied.

Stikstofdepositie-onderzoek Vanwege het planvoornemen is tevens onderzoek ingesteld naar de stikstofdepositie vanwege het toekomstig gebruik van de woningen (gebruiksfase). Het memo hierover met daarbij de berekeningen, middels de meest recente AERIUS-calculator van 23 februari 2022, met informatie over de invoergegevens is als Bijlage 4 opgenomen. In het model is het verkeer van en naar de gebouwen opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW publicatie 381, december 2018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor sociale huurwoningen (circa 5 ritten per woning). Omdat het ten tijde van het onderzoek niet duidelijk was hoeveel woningen er worden uitgevoerd, is in de berekening uitgegaan van 26 woningen. Voor 26 woningen moet er rekening worden gehouden met 130 ritten per etmaal. Aanvullend hierop is er rekening gehouden met 4 ritten middelzwaar verkeer per etmaal ten behoeve van pakketbezorging. De totale emissie van het plan in de gebruiksfase bedraagt ongeveer 7,3 kg NOx/jr en 0,4 kg NH3/jr. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

Conclusie Gelet op vorenstaande conclusies met betrekking tot de soortenbescherming en gebiedsbescherming, waaronder het berekende effect op beschermde natuurgebieden van 0,00 mol/ha/jaar, mag worden geconcludeerd dat de ecologische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet wordt belemmerd. Enige uitzondering hierop is dat voor vleermuizen aanvullend onderzoek nodig is voor het deel De Tuinen. Het aanvullend onderzoek is gestart en loopt nog tot najaar 2022. Op voorhand zijn er mitigerende maatregelen genomen door het ophangen van vleermuizenkasten, op basis van inschatting van aanwezige vleermuizen in het plangebied. De verwachting is dat deze mitigerende maatregelen voldoende zijn en dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend kan worden. Mochten er meer mitigerende maatregelen nodig zijn, dan is er in en in de omgeving van het plangebied voldoende ruimte om deze te nemen. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.

18

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

4.2

Erfgoed

Wet- en regelgeving De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt.

Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. 4.2.1

Archeologie

Toetsing De FAMKE biedt informatie over in de provincie bekende of te verwachten archeologische waarden. Ten aanzien van archeologie geeft de provinciale archeologische advieskaart voor het plangebied aan dat er een verwachting bestaat voor het aantreffen van resten uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. Volgens de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) van de Provincie Fryslân is voor de periode steentijd-bronstijd alleen onderzoek nodig bij grote ingrepen (>2,5 ha), omdat op basis van eerder onderzoek vermoed wordt dat eventuele aanwezige archeologische resten uit de steentijd al ernstig verstoord zijn. Voor de periode ijzertijd-middeleeuwen is een karterend onderzoek 3 nodig (historisch en karterend onderzoek). De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroegmiddeleeuwse ontginningen.

Onderzoek en conclusie Gelet op vorenbeschreven provinciale advisering is door RAAP archeologisch onderzoek verricht in het plangebied. De rapportage hiervan is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. In het archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat op basis van de resultaten van het booronderzoek de verwachting is dat geen archeologische resten in het plangebied worden bedreigd vanwege het planvoornemen van dit bestemmingsplan. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. 4.2.2

Cultuurhistorie

Toetsing Bestudering van de CHK2 van Provinsje Fryslân leert dat in het plangebied geen bijzonderheden ten aanzien van nog bestaande cultuurhistorische waarden hoeven te worden verwacht.

Conclusie Dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd vanwege de mogelijkheid op het verstoren van onderkende cultuurhistorische of archeologische waarden; de noodzaak van een beschermingsregeling ten behoeve

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

19

Stationsw eg - de Tuinen

van archeologie en cultuurhistorie ontbreekt.

4.3

Waterparagraaf

Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

Waterwet De Waterwet, die per 22 december 2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. De strategische delen uit het Nationaal Waterplan op grond van de Waterwet zijn opgegaan in de Novi (zie paragraaf 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (2020)). Daarnaast geldt het Nationaal Water Programma 2022-2027, waarin de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid zijn opgenomen.

Gemeentelijk Waterplan Smallingerland 2017-2020 De gemeente actualiseert iedere vier jaar in samenwerking met Wetterskip Fryslân het eigen waterbeleid dat wordt vastgelegd in het Gemeentelijk Waterplan. Thans is nog het waterplan voor de periode 2017-2020 van toepassing. Dit waterplan vormt geen verplicht plankader, maar geeft handvatten voor het integraal met water ontwikkelen van plannen en daarmee direct samenhangende zaken, met het oog op bijvoorbeeld ecologie en leefbaarheid. Ook vormt het een kader voor beheer en onderhoud.

Toetsing Digitale watertoets Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient vanwege de wettelijk verplichte watertoets in het kader van de Waterwet aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor wordt het planvoornemen ingediend bij Wetterskip Fryslân. De aanvraag digitale watertoets heeft op 1 maart 2022 plaatsgevonden. Stukken hieromtrent zijn als bij deze toelichting opgenomen in Bijlage 6. De te ontvangen advisering zal bij het vervolg van het planproces van dit bestemmingsplan worden betrokken.

Verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert het Wetterskip de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem;

20

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. In de stedenbouwkundige ontwerp voor invulling van het plangebied met woningbouw is rekening gehouden met compensatieverplichting met oppervlaktewater vanwege de verhardingstoename als gevolg van bebouwing. Voor het deel De Tuinen wordt watercompensatie toegepast in de vorm van wadi's. Het uitgangspunt daarbij is 10% compensatie. Voor het deel Stationsweg is geen watercompensatie nodig, omdat op dit perceel voorheen ook verharding (bebouwing) aanwezig was en dit nog niet langer dan 5 jaar geleden is. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met het Wetterskip.

Vrij voor de boezem Als uitkomst van de watertoets is het advies opgenomen om voldoende hoog te bouwen. Dit heeft ermee te maken dat het plangebied niet door een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Het Wetterskip adviseert de nieuwe bebouwing en infrastructuur voldoende hoog aan te leggen. In de uitvoering van het plan wordt hier rekening mee gehouden.

Conclusie Voorwaarden met betrekking tot relevante waterhuishoudkundige aspecten worden met dit bestemmingsplan in acht genomen. Met het oog daarop wordt er dan ook van uitgegaan dat het planvoornemen van dit bestemmingsplan uitvoerbaar is.

4.4

Hinder van bedrijven en voorzieningen

Normstelling en beleid Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals die uitgangspunt is van de Wro, geldt eveneens de noodzakelijkheid tot een voldoende ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootste afstand is bepalend. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk.

Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, et cetera). Bedrijvigheid in de directe omgeving van woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen daar (milieu)hinder vanwege geluid, geur, stof, gevaar en dergelijke veroorzaken. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen, zo veel mogelijk voorkomen.

Toetsing Met het planvoornemen van dit bestemmingsplan is sprake van het juridisch-planologisch mogelijk maken van woningen. Woonfuncties gelden als hindergevoelig en daarom moet worden bestudeerd of

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

21

Stationsw eg - de Tuinen

sprake is van hinderveroorzakende functies zoals bedrijven en voorzieningen in en nabij het plangebied. Omdat in en rondom het plangebied voornamelijk sprake is van woongebied, wordt voor het plangebied uitgegaan van het omgevingstype 'rustig woongebied'. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal bedrijven aanwezig. Aan de zuidzijde bevinden zich loodsen waar op grond van het geldende bestemmingsplan bedrijven zijn toegestaan van milieucategorie 2. Bij deze milieucategorie hoort een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. De dichtstbij gelegen nieuw te bouwen woning ligt op circa 25 meter van de perceelgrens van de loodsen. Ondanks dat, kan worden gesteld dat in dit geval een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Hierbij nemen we het huidige gebruik van de bedrijfspanden in ogenschouw. De bedrijfsactiviteiten, verkeersbewegingen en het geluid van laden en lossen is zodanig van aard dat er geen reden is te oordelen dat er geen sprake is van een goed woonen leefklimaat. Hierbij is ook de locatie van het terrein met bedrijven meegenomen. De locatie is niet geschikt voor bedrijvigheid met veel verkeersbewegingen met vrachtwagens en er is ook geen verwachting voor een grootschalige publiekstrekker of productiebedrijf.

Wanneer er een nieuw bedrijf zich wil vestigen op deze locatie, die past binnen de op grond van het bestemmingsplan toegelaten bedrijfsactiviteiten, is dit ook in de nieuwe situatie nog steeds mogelijk. Aan de noordwestzijde bevindt zich een locatie van jeugdzorg. Aan de westzijde van de Stationsweg geldt een gemengde bestemming, waar naast wonen ook dienstverlening en kantoren zijn toegestaan, en detailhandel en horeca waar dat specifiek in het bestemmingsplan is aangeduid. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkel woningen aan de Stationsweg. Deze woningen leiden voor het voornemen niet tot een belemmering en/of potentiële milieuhinder. Aan de overzijde van de Stationsweg is een supermarkt gelegen. Voorheen zat hier ook een busremise, maar deze is inmiddels niet meer aanwezig (nog wel als zodanig bestemd). De grond is inmiddels van de supermarkt, dus met de busremise wordt in dit plan geen rekening meer gehouden. Voor de supermarkt geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand tot het plangebied is circa 50 meter, dus aan deze richtafstand wordt voldaan.

Conclusie Voorliggend bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het onderdeel hinder van bedrijven en voorzieningen.

4.5

Geluidhinder

Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. In veel gevallen is deze norm 48 dB. Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. Spoorweglawaai en industrielawaai is op voorhand in het plangebied niet aan de orde. Daarom wordt hierna allen op wegverkeerslawaai ingegaan. In artikel 74 Wgh is aangegeven wanneer een weg zoneplichtig is. Elke weg heeft in principe een zone, behoudens wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg binnen of buiten stedelijk gebied.

Toetsing

22

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

Stationsw eg - de Tuinen

Omdat dit bestemmingsplan ziet op de nieuwbouw van woningen, die als geluidsgevoelige objecten worden aangemerkt, en in het plangebied diverse geluidzones van omringende wegen van toepassing zijn, is toetsing aan de Wgh nodig. Hiervoor is akoestisch onderzoek door de FUMO verricht. Er zijn twee onderzoeken uitgevoerd, één voor de woningen aan de Stationsweg, waarvan de rapportage als Bijlage 7 bij de toelichting is opgenomen, en één voor de woningen in het deel De Tuinen, waarvan de rapportage als Bijlage 8 bij de toelichting is opgenomen.

Stationsweg Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB op een aantal punten wordt overschreden door het verkeer op de Stationsweg. Het gaat hier om de voorgevels van alle 8 woningen en de zijgevel van de meest noordelijke woning. De hoogste geluidsbelasting is 58 dB. De maximaal vast te stellen hogere waarde van 63 dB (stedelijk gebied) wordt niet overschreden. Het verkeer op de Ringweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde niet. Geadviseerd wordt om bij het wijzigen van het bestemmingsplan hogere waarden vast te stellen, vanwege het wegverkeer op de Stationsweg. Alvorens tot het verlenen van hogere waarden over te kunnen gaan, moet worden onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting te reduceren onvoldoende doeltreffend voor het planvoornemen zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Hiervoor is door de FUMO het volgende aangegeven. Op de Stationsweg bestaat het wegdek uit dicht asfalt beton (DAB) dat vergelijkbaar is met het referentiewegdek uit de rekenmethode en op de kruispunten een klinkerverharding in keperverband.

Het toepassen van het meest geluid reducerend type wegdek (dunne deklaag type B uit de rekenmethode) tussen de minirotonde en het kruispunt met de Trambaan zal een afname van 5 dB realiseren waarmee de hoogst berekende waarde 53 dB zal zijn. Hiermee is de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nog 5 dB. Echter stuit het toepassen van een dunne deklaag op kruisingen met afslaand verkeer op mechanische bezwaren. Uit financieel oogpunt is het aanbrengen van stil asfalt in relatie met het gering aantal woningen niet doelmatig. Het verlagen van de maximumsnelheid naar 30 km/u zal ook een afname van 5 dB realiseren. Omdat wegen met een snelheid van 30 km/u vrij zijn van toetsing aan de Wgh vervalt daarmee het toetsen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en hoeft er geen hogere waarde besluit genomen te worden. Omdat de Stationsweg deel uitmaakt van een hoofdontsluitingsroute zal het verlagen van de maximumsnelheid mogelijk niet wenselijk zijn. Dit is later door de gemeente bevestigd, het verlagen van de maximumsnelheid is voor deze weg niet wenselijk. Het vergroten van de afstand door de woningen verder van de weg te plaatsen geeft een verlaging van de geluidsbelasting. Alleen is het resultaat van een afstandsverdubbeling maar 3 dB lager.

Het plaatsen van de woningen op een grotere afstand is stedenbouwkundig niet gewenst omdat daarmee afgeweken wordt van de bestaande bebouwing in de straat. Het afschermen door middel van een geluidsscherm tussen de weg en de woningen is zowel stedenbouwkundig als verkeerskundig niet wenselijk. Voorgaande motiveert het afgeven van hogere waarden. Daarbij geldt dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van de betrokken initiatiefnemer/aanvrager een verklaring nodig is met betrekking tot de garantie voor het halen van de wettelijk vereiste van een maximale binnenwaarde van 33 dB conform het Bouwbesluit. Daarvoor dient in ieder geval een nader onderzoek te worden ingesteld naar de karakteristieke geluidwering van de te realiseren uitwendige scheidingsconstructie van de woningen waar het afgeven van een hogere waarde voorgenomen is. Er kan overigens ook voor worden gekozen om voor het gehele gebied een gelijke hogere waarde af te geven van maximaal 53 dB. In dat geval moeten alle woningen aan de voorwaarde van nader onderzoek naar de uitwendige scheidingsconstructie voldoen bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.

De Tuinen Uit de berekeningsresultaten blijkt dat vanwege het verkeer op de doorgaande zoneplichtige wegen Stationsweg en Ringweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nergens wordt overschreden. De

NL.IMRO.0090.BP2022SSW013-0301

23

Stationsw eg - de Tuinen

geluidbelasting van de Stationsweg is ten hoogste 40 dB en van de Ringweg 34 dB inclusief 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wgh. Het plan moet ook getoetst worden aan de voorschriften en eisen van het Bouwbesluit. Omdat er geen hogere waarde vastgesteld hoeft te worden geldt voor de karakteristieke geluidwering van de gevel op basis van het Bouwbesluit, formeel alleen de basiseis van 20 dB. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en ter bescherming van de burger tegen geluidsoverlast, adviseren wij de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie minimaal gelijk te stellen aan het verschil tussen de gecumuleerde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie (lees: gevel- en dakvlakken) en de binnengrenswaarde van 33 dB (eis nieuwbouw Bouwbesluit). Met deze benadering kan gemotiveerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen de te realiseren (woon)bestemming. Deze gecumuleerde gevelbelasting exclusief aftrek 110g Wgh, is in dit geval ten hoogste 51 dB. Gelet op die gevelbelasting en rekening houdend met de basiseis van 20 dB, kan een maximaal binnenniveau van 33 dB op voorhand voldoende worden gegarandeerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11996366/1