Bijlage 1- Motivering Wijzigingsplan Mûntsgroppe 2 en 4 05-10-2025 Rottevalle
Tekst van het document
Kenmerk van het potentiële effect
Plaats van het project Criteria
Toets
De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden), De aard van het effect,
De potentiële negatieve effecten vanwege het plan zijn gezien de kleinschaligheid van het project uitsluitend lokaal van aard. Gezien het buiten Natura 2000-gebied ligt, de aard van de ingreep en omvang van de toekomstige functie, is het bereik van het potentiële effect zeer beperkt te noemen. Gelet op het voorgaande is dit punt niet aan de orde.
Het grensoverschrijdend karakter van het effect,
Gelet op het voorgaande is dit punt niet aan de orde.
De intensiteit en de complexiteit van het effect,
Aangezien het plan beperkt van omvang is en uitsluitend lokaal van aard zal zijn, wordt verwacht dat het plan geen hoge intensiteit heeft en geen complexe effecten met zich meebrengt. Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is naar verwachting geen sprake. Dit is in de voorgaande paragrafen onderbouwd. De waarschijnlijkheid van enige onevenredig negatieve effecten is zeer gering. In de aanlegfase is er sprake van tijdelijke niet-onomkeerbare effecten, maar deze effecten zijn te verwaarlozen. Daarna is er sprake van een permanente situatie van een woonfunctie in de plaats van het oude pand. Dit zal een beperkt potentieel negatief effect op de omgeving hebben. Niet van toepassing.
De waarschijnlijkheid van het effect,
De verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect,
De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten, De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
Gezien de uitermate geringe kans op en de verwaarloosbare omvang van mogelijke effecten, is het buitengewoon onwaarschijnlijk dat verdere maatregelen ter vermindering van deze effecten noodzakelijk zijn. De effecten zelf zijn immers al nagenoeg te verwaarlozen.
Conclusie: Uit bovenstaande project MER-beoordeling blijkt dat er geen maatregelen nodig zijn om de milieueffecten van het project te beperken.
27 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is een voorschrift dat gericht is op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder vereist is. Onderstaand de belangrijkste bepalingen van artikel 5.129g: 1. Toepassingsgebied: • Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van diverse voorzieningen, zoals bedrijventerreinen, zeehaventerreinen, woningbouwlocaties, kantoren, detailhandelsvoorzieningen of andere stedelijke voorzieningen, mits deze ontwikkeling voldoende substantieel is. 2. Overwegingen in het Omgevingsplan: • Bij de voorziening van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het omgevingsplan, dient rekening te worden gehouden met: a). De behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. b). In het geval van een stedelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van bebouwd gebied: de mogelijkheden binnen dat stedelijk gebied of dat stedelijk groen om aan de behoefte te voldoen. 3. Uitsluitingen voor Stedelijk Gebied: • Voor de toepassing van punt 2b, wordt niet beschouwd als stedelijk gebied een ontwikkeling waarvoor: a).
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vereist is op basis van het omgevingsplan. b). Nog geen toepassing is gegeven aan punt 2b. 4. Dienstenwet en Economische Behoefte: • Als het omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst volgens de Dienstenwet, en de beoordeling van de behoefte gerelateerd is aan de economische behoefte, marktvraag of economische gevolgen van de vestiging, is het doel van de beoordeling alleen om vast te stellen of de vestiging in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is nader invulling gegeven over de inhoud en reikwijdte van de ladder duurzame verstedelijking. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld een Ladderplicht vanaf 12 woningen, en de Laddertoets is alleen vereist wanneer de stedelijke ontwikkeling als 'nieuw' wordt beschouwd. Planspecifiek In dit planvoornemen is de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet relevant, gezien het hier om één woning gaat in landelijk gebied. De Raad van State heeft in de uitspraak van 25 maart 2015 (201407135/1/R1) aangegeven dat van een stedelijke ontwikkeling bij woningbouw sprake is vanaf 12 woningen of meer. Daarom vormt de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering voor het beoogde plan.
Duurzaamheid en gezondheid De beoordeling van duurzaamheids- en gezondheidsaspecten is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze gebieden. Het beoordelingskader kan aanzienlijk variëren per gemeente. Het beoordelingskader wordt gevormd door het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’, dit zijn vanuit het Rijk overgedragen regels bij invoering van de Omgevingswet aan gemeenten). Daarnaast kan het gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzaamheid en/of gezondheid zijn opgenomen in het omgevingsplan in de vorm van omgevingswaarden. Het is van belang na te gaan of hieraan toepassing is gegeven. Als dit het geval is, moet het initiatief worden getoetst aan deze omgevingswaarden. Smallingerland streeft naar een 28 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
groene, schone en sociale toekomst, een bebouwde omgeving zo ingericht dat deze bestand is tegen weersextremen en dat de biodiversiteit is hersteld. Wateroverlast, hittestress en droogte moet tot een acceptabel niveau worden beperkt en er moet sprake zijn van een aangenaam leefklimaat voor zowel mensen als dieren. Planspecifiek De landschappelijke kwaliteiten worden verbeterd door het vervangen van oude stal, mestsilo en sleufsilo’s voor een zorgvuldig in de omgeving ingepaste een woning. De vrijkomende materialen bij het verwijderen van de bedrijfsgebouwen zullen zo veel als mogelijk worden hergebruikt, niet opnieuw te gebruiken materialen, zoals de bestaande betonvloeren zullen worden gerecycled. De verkeersbewegingen van zwaar verkeer van en naar het agrarisch bedrijf worden beëindigd, de luchtkwaliteit verbeterd, ook is er veel minder geluidsoverlast. De nieuwe woning zal bijna energie neutraal zijn. Regenwater zal langer worden vastgehouden. Ook zullen er geen uitloogbare materialen worden toegepast. Er worden bomen geplant, bomen werken verkoelend, mensen en dieren kunnen in de schaduw van deze bomen komen. Kortom het plan draagt bij aan de duurzaamheids- en gezondheidsambities van de gemeente Smallingerland.
Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren Onderdeel van de overwegingen bij het evenwichtig toedelen van functies is het aantonen dat de planontwikkeling inpasbaar is vanuit het oogpunt van bereikbaarheid, parkeerbehoefte en verkeersafwikkeling. Hierbij moet worden onderzocht of er een (extra) behoefte aan parkeerplaatsen is voor auto's, fietsen en/of scooters. Het is belangrijk dat er geen onaanvaardbaar effect ontstaat. De omgevingsvisie van de gemeente moet een heldere visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten, en het voorgestelde initiatief moet hieraan worden getoetst. Mocht dit er (nog) niet zijn kan gebruik gemaakt worden van de bekende richtlijnen vanuit het CROW in dit evaluatieproces. Planspecifiek Door het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten is er sprake van een nadrukkelijke afname van de aantallen verkeersbewegingen van en naar de locatie. Met name de verkeersbewegingen van zwaar vrachtwagenverkeer worden beëindigd. Ook de verkeersbewegingen van tractoren van en naar het agrarisch bedrijf komt te vervallen. Op de locatie is er ruim voldoende ruimte beschikbaar voor parkeren.
Flora & Fauna Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 staat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, samen met een goede omgevingskwaliteit, centraal. Dit omvat specifiek aandacht voor natuur (artikel 1.2, lid 2h) en landschappen (artikel 1.2, lid 2g). Artikel 2.31a van de wet schrijft de verplichte instructieregels Rijk natuurgebieden, flora en fauna voor met als doel het behoud of herstel van de staat van instandhouding van diersoorten, plantensoorten, biotopen en habitatten. Dit onder andere om te voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen. In geval van mogelijke verstoring of uitroeiing van beschermde soorten, moet er onderzoek plaatsvinden naar hun aanwezigheid. Als deze soorten aanwezig zijn, moet worden aangetoond op welke manier verstoring wordt voorkomen of gecompenseerd. Daarnaast moeten instandhoudingsdoelstellingen en bescherming van landschappen zoals Natura 2000gebieden, natuurnetwerk Nederland en nationale parken worden nagestreefd. Hierbij horen maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en versterking van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Voor nieuwe initiatieven moet worden aangetoond dat er geen significante negatieve effecten op Natura 200029 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
gebieden ontstaan als gevolg van stikstofemissies en -deposities door het initiatief. De AERIUS Calculator wordt gebruikt als instrument om stikstofberekeningen uit te voeren. Het streefpercentage voor het areaal van voor stikstof gevoelige habitat in Natura 2000-gebieden is in 2025: minstens 40%, in 2030: minstens 50%, en in 2035: minstens 74%. Planspecifiek Om de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan te toetsen, is een ecologische inventarisatie binnen het plangebied uitgevoerd (zie bijlage 1). Samengevat betreffen de bevindingen van de ecologische inventarisatie: - ca. 18 broedparen boerenzwaluwen maken in 2022 gebruik van de ligboxstal. - Er zijn geen verdere aanwijzingen gevonden die duiden op het daadwerkelijke gebruik door strikt beschermde broedvogels van het plangebied buiten de functie foerageergebied om. - Op basis van het veldbezoek kan worden geconcludeerd dat er geen nader onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten nodig is binnen het plangebied. Geschikte standplaatsen ontbreken en er zijn geen (restanten van) beschermde plantensoorten gevonden. - Het ontbreken van specifieke biotopen binnen en aangrenzend aan het plangebied, maakt het voorkomen van specifieke strikt beschermde soorten zoogdieren onwaarschijnlijk. - Het plangebied biedt geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen en voortplantingsplekken voor vleermuizen.
- Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, ondanks dat het locatiebezoek onder geschikte omstandigheden is uitgevoerd om amfibieen waar te nemen. Tijdens het veldbezoek is ook binnen het plangebied, in/rond de aanwezige vijver geen activiteit waargenomen van amfibieën. - Het plangebied is op grote afstand gelegen van het bekende verspreidingsgebied van reptielen. Reptielen zijn daarmee niet te verwachten binnen het plangebied en directe omgeving. - Het plangebied bevat geen geschikte biotopen voor strikt beschermde vlinders om zich voort te planten. - Het plangebied is voor een deel omsloten door watergangen. Hiermee is de kans aanwezig dat er strikt beschermde vissoorten aanwezig zijn. De bekende verspreidingsgegevens maken melding van de zorgplichtige soorten bittervoorn en kleine modderkruiper in de omgeving van het plangebied. Echter, omdat de waterhoudende delen niet worden aangetast in het herinrichtingvoornemen, is nader onderzoek niet nodig. Uit deze inventarisatie blijkt dat er geen noodzaak bestaat voor een aanvullend onderzoek, of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Wel is er ontheffing nodig voor het opzettelijk vernietigen van de broedgelegenheden van de boerenzwaluw. Deze nesten zullen dus moeten worden gecompenseerd alvorens dat de ligboxstal ontmanteld mag worden.
Het gaat hier dan dus om 18 x 5 = 90 kunstnesten die aanwezig (en bereikbaar) moeten zijn alvorens de ligboxstal wordt ontmanteld. Aanbevolen wordt om werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van vogels (15 maart tot 15 juli). Daarnaast geldt de algemene zorgplicht voor de (licht) beschermde soorten. Zie voor de verdere details het ecologische rapport dat is opgenomen als bijlage 1 bij dit wijzigingsplan. Uit de Aeriusberekeningen voor zowel de bouw als exploitatiefase van het initiatief blijkt dat er geen significante toename van de stikstofdepositie wordt veroorzaakt op de omliggende natura 2000 gebieden. De stikstofberekeningen zijn als bijlage 7 toegevoegd. In de plannen is er bewust ruimte voor biodiversiteit gecreëerd op, aan of in het gebouw en de directe omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Er zullen vleermuiskasten en
30 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
nestkasten voor vogels worden opgehangen. Ook bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan zijn de plantkeuzes afgestemd op het verbeteren van de biodiversiteit op de locatie.
Luchtkwaliteit Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 staat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, inclusief een goede omgevingskwaliteit, centraal (artikel 1.3, lid a). Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan lucht (artikel 1.2, lid 2f). Artikel 2.15, lid 1a van de Omgevingswet bepaalt dat omgevingswaarden worden vastgesteld voor de kwaliteit van de buitenlucht, inclusief de concentraties van verontreinigende stoffen, ter uitvoering van de richtlijn luchtkwaliteit en de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht. De hoofdlijnen voor regelgeving over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor bescherming van de gezondheid zijn instructieregels vastgelegd in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Deze regels omvatten omgevingswaarden voor stoffen zoals stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde, het project verslechtert per saldo niet de luchtkwaliteit, of het project draagt niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging.
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat aanzienlijke verbeteringen in de luchtkwaliteit heeft bevorderd, komt te vervallen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Beoordeling van de luchtkwaliteit is niet nodig voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging. Volgens artikel 5.53 en 5.54 Bkl draagt een project niet in betekende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 u/m3, oftewel 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1) aantonen dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft, zoals kantoren, woonwijken en gewasteelt (mits binnen de gestelde omvang), of 2) op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3%-grens niet overschrijdt, mogelijk door gebruik van de NIBM-tool of, indien nodig, detailberekeningen. Planspecifiek Nederland heeft de Europese richtlijn met betrekking tot luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Omgevingswet. De bouw van de ‘compensatiewoning’ leidt tot 7,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor ruimtelijke plannen en verkeersplannen met een dergelijk beperkte verkeerstoename heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de NIBM-tool ontwikkeld.
Daarmee kan op eenvoudige wijze berekend worden of een plan Niet In Betekenende Mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Er is sprake van NIBM als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Uit afbeelding 10 blijkt dat de bijdrage van onderhavig plan op de luchtkwaliteit NIBM is. Nader onderzoek naar de jaargemiddelde concentraties van PM10 en NO2 is niet nodig.
31 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Afbeelding 10 NIBM toets (bron: infomil.nl) Binnen het ‘Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit’ worden PM2,5-metingen uitgevoerd. Dit leidt tot ‘grootschalige concentratiekaarten’ waarin de huidige en toekomstige achtergrondconcentraties voor PM2,5 zijn opgenomen. Uit deze kaarten blijkt dat binnen Nederland geen overschrijdingen van de jaargemiddelde concentratie van PM2,5 bekend zijn. Aangenomen wordt dat wanneer voldaan wordt aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, dit ook geldt voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5.
Geluid Veel aspecten van onze fysieke leefomgeving zijn gerelateerd aan geluid, ofwel doordat ze geluid produceren, of doordat ze eraan worden blootgesteld. De regels met betrekking tot geluid hebben betrekking op het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en ook op het beschermen van geluidsgevoelige gebouwen en andere locaties. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’) zijn vanuit het Rijk, bij invoering van de Omgevingswet, regels overgedragen aan gemeenten aangaande geluidsnormen. Deze regels zijn bedoeld voor het vaststellen en beoordelen van geluid afkomstig van een toegestane activiteit. In paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan is opgenomen wat de toegestane geluidsnormen zijn op geluidgevoelige objecten en ook verschillende toegestane afwijkende situaties. Volgens artikel 5.55 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn er twee relevante situaties met betrekking tot geluid. Situatie A betreft een project dat gerelateerd is aan een activiteit die geluid veroorzaakt. Situatie B betreft een project dat gerelateerd is aan een geluidsgevoelig gebouw.
Dit omvat onder meer gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en appartementen; gebouwen met een onderwijsfunctie, zoals scholen en universiteiten; gebouwen voor kinderopvang met slaapgelegenheid, zoals kinderdagverblijven en internaten; en gebouwen voor gezondheidszorg met slaapgelegenheid, zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen (art 3.21 Bkl). De hoeveelheid geluid van een gemeentelijke weg wordt onder andere bepaald door de verkeersintensiteit van de weg. Deze wordt meestal bepaald via een verkeersmodel. Voor een evenwichtige toedeling van functies, zullen ook de toekomstige ontwikkelingen meegenomen moeten worden in dit verkeersmodel. Relevant is artikel 5.78 lid c: ligt de woning binnen: - 100 meter van een weg met toegestane snelheid van ten hoogste 30 km/uur? - 200 meter van een weg met een toegestane snelheid van meer dan 30 km/uur? Dan moet er beoordeeld worden of aan de voorkeurswaarde wordt voldaan als er meer dan 1.000 mvt/etmaal als jaargemiddelde over de betreffende wegen rijden.
32 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Volgens Artikel 22.63 uit de bruidsschat omgevingsplan zijn de volgende grenswaarden van belang voor de geluidproductie van (milieubelastende) activiteiten uit de omgeving: Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1. Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
07.00 – 19.00 uur 50 dB(A)
19.00 23.00 uur 45 dB(A)
23.00 07.00 uur 40 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
Planspecifiek
Afbeelding 11 Overzicht van de wegen nabij de locatie (PDOK, 2025)
Er zijn geen verkeersintensiteit-metingen beschikbaar van de Mûntsgroppe of de Fintsjes. Wel is duidelijk dat er op deze wegen minder dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal plaats vinden. Binnen een afstand van 200 meter ten opzichte van de nieuw te bouwen woning, en ook de woonboerderij liggen geen wegen met een verkeersintensiteit die groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Ook in de toekomst wordt niet verwacht dat deze verkeersintensiteit zal toenemen boven de 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gelet op de ligging van de nieuw te bouwen woning en de voormalige bedrijfswoning ten opzichte van de omliggende wegen en de huidige en de te verwachten verkeersintensiteit kan gesteld worden dat aan de voorkeurswaarde wordt voldaan.
33 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Indirecte hinder Er is geen sprake van indirecte hinder. In het CROW-rapport 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (december 2018) wordt voor een woning binnen het woonmilieu 'landelijk wonen' rekening gehouden met 7,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit geringe aantal heeft een verwaarloosbaar effect op de (bestaande) gevelbelasting van omliggende woningen.
Milieuzonering Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: - de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en - het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten. In de nabijheid van de locatie bevindt zich een veehouderij op de locatie Mùntsgroppe 5. Ander milieubelastende activiteiten bevinden zich op grote afstand. Voor het bepalen van de milieuzone rond een veehouderij zijn aspecten geluid van voertuigen en installaties en geur van dierverblijven van belang. Ook de aspecten fijnstof en ammoniak (vormt secundair fijnstof) hebben daarnaast invloed op de gezondheid van mensen. 4.8.1 Geluid van de naastgelegen veehouderij: Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de locatie met de omliggende gebouwen/activiteiten.
Afbeelding 9 Overzicht rond de locatie. (Omgevingswet.overheid.nl, 2025)
Op Mûntsgroppe nummer 5 is een melkveehouderij gevestigd. Mûntsgroppe nummer 9 heeft een woonfunctie. De maximale geluidproductie van de melkveehouderij op een geluidgevoelig gebouw is
34 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
vastgelegd in de hiervoor benoemde Tabel 22.3.1. De nieuw te bouwen woning en de voormalige bedrijfswoning zijn op grotere afstand van de melkveehouderij gelegen dan de woning op nummer 6. Vastgesteld kan worden dat de geluidproductie door de milieubelastende activiteit van de veehouderij op de nieuwe woning en de voormalige bedrijfswoning de waarden van tabel 22.3.1 niet zullen overschrijden. 4.8.2 Geur Geur kan overlast veroorzaken en de gezondheid negatief beïnvloeden. Daarom zijn er voorschriften opgesteld met betrekking tot de geur die bedrijven en andere activiteiten kunnen produceren. Deze voorschriften kunnen zich richten op afstandsnormen, maar ook op normen met betrekking tot de hoeveelheid geur die zich verspreidt naar geurgevoelige gebouwen, zoals woningen.
In artikel 5.90 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt onderscheid gemaakt tussen twee situaties: A) Een project dat verband houdt met een activiteit die geur veroorzaakt, zoals de volgende activiteiten: In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’) zijn vanuit het Rijk, bij invoering van de Omgevingswet, regels overgedragen aan gemeenten aangaande geluidsnormen met betrekking tot verschillende aspecten van geur, waaronder: • Geur veroorzaakt door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor bereiding in een dierenverblijf (paragraaf 22.3.6.2 tijdelijk omgevingsplan). • Geur veroorzaakt door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 tijdelijk omgevingsplan). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. B) Hier gaat het om een project dat wordt beschouwd als een geurgevoelig gebouw.
Volgens artikel 5.91 lid 1 omvat dit gebouw onder andere een woonfunctie en de bijbehorende nevenfuncties, een onderwijsfunctie en de bijbehorende nevenfuncties, een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en de bijbehorende nevenfuncties, en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevenfuncties. Bij het beoordelen van de geurimpact wordt gekeken naar de afstand tot de gevel, zoals beschreven in artikel 5.94. Volgens Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: van het tijdelijk omgevingsplan bedraagt de afstand vanaf de gevel dierenverblijf tot aan de gevel van het geurgevoelige gebouw buiten de bebouwde kom volgens tabel 22.3.13, 25 m. Planspecifiek De afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde ligboxenstal op de locatie Mûntsgroppe 5 tot de dichtstbijzijnde gevel van woning behorend bij voormalige veehouderij Mûntsgroppe 2 bedraagt circa 32 meter. Daarmee wordt voldaan aan de milieueis van 25 m. overeenkomstig tabel 22.3.13 van het omgevingsplan. De afstand tussen nieuwe woning en eerder bedoelde ligboxenstal bedraagt circa 90 meter. Deze afstand voldoet ruim aan de milieueis van minimaal 50 meter bij een woning buiten de bebouwde kom. Uitgesloten kan worden dat er op de locatie sprake zal zijn van geuroverlast door activiteiten zoals hiervoor genoemd.
Ook wordt de dichtstbijzijnde agrarisch onderneming niet in haar ontwikkeling beperkt door het initiatief omdat er
35 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
op kortere afstand dan 32 meter er zich al een geurgevoelig object bevindt in de vorm van de woning Mûntsgroppe 9. 4.8.3 Fijnstof
Fijnstof wordt getoetst aan de tabel of een veehouderij (N)IBM (Niet In betekenende mate) bijdraagt: Vuistregel voor veehouderijen. De vuistregel gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor fijnstof. Onderstaande tabel geeft aan bij welke afstand vanaf het toetspunt tot de stallen de toename van de uitstoot van fijnstof door uitbreiding of oprichting zeker NIBM is. Daarbij geldt: hoe groter de afstand, hoe groter de kans dat de activiteit NIBM is. Het is dan niet meer nodig om aan de rijksomgevingswaarden voor PM10 te toetsen. Vuistregel voor NIBM-bepaling bij veehouderijen Afstand tot te toetsen plaats, in meters
70
80
90
100
120
140
160
Toename emissie door uitbreiding/oprichting, in kg/jr
324
387
473
581
817
1075
1376
Planspecifiek: De omvang van de veestapel van de veehouderij op de locatie Mûntsgroppe nummer 5 is niet bekend. In onderstaande tabel is een grote melkveehouderij als uitgangspunt genomen. Gelet op de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen van de veehouderij kan worden vastgesteld dat de werkelijke hoeveelheden vee op de locatie Mûntsgroppe 5 kleiner zijn dan wat is aangenomen in onderstaande tabel. Diersoort
Diercategorie
Aantallen
Melkkoeien Vrouwelijk jongvee Totaal
HA 1 HA 2
500 200
Fijnstofemissie (g/dier/jaar), afgerond 148 38
Fijnstof (kg/j)
75 9,5 84,5
Conclusie fijnstof: Fijnstof veroorzaakt door de veehouderij op de locatie Mûntsgroppe 5 vormt geen gevaar voor de gezondheid van de bewoners van de voormalige bedrijfswoning en de nieuw te bouwen woning op de projectlocatie. Conclusie milieuzonering: De milieuzonering, uitgedrukt in de aspecten geluid, geur en fijnstof, vormt geen belemmering voor het initiatief. Ook vormt het initiatief geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de betreffende veehouderij. Er is sprake van een gezond leefklimaat. Er is ook qua milieuzonering sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid betreft het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor windturbines gelden ook regels vanuit het aspect omgevingsveiligheid.
36 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
De regels met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl behandelen het toestaan van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties, in relatie tot het externe veiligheidsrisico van een activiteit die is toegestaan op een locatie op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het Plaatsgebonden Risico (PR) heeft specifieke grenswaarden en standaardwaarden voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties, zoals beschreven in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. In een Omgevingsplan worden grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties (artikel 5.7 lid 1 en 5.11 Bkl) gegeven. Afhankelijk van de activiteit worden voor het plaatsgebonden risico vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden gehanteerd (bijlage VII Bkl). Daarnaast gelden rond rondom risicovolle activiteiten ‘aandachtsgebieden’. (Artikel 5.12 Bkl).. Deze gebieden geven aan waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden omvatten brand-, explosie- en gifwolkrampen.
De wetgeving stelt vaste afstanden vast voor aandachtsgebieden, afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, of deze afstanden kunnen rekenkundig worden bepaald (bijlage VII Bkl). In deze aandachtsgebieden kan het noodzakelijk blijken om het groepsrisico te berekenen.
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen en opnemen in het omgevingsplan, zoals eisen met betrekking tot vluchtroutes en de toegankelijkheid van het gebied voor hulpdiensten. Deze eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Planspecifiek Vervoer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (spoor)wegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Afbeelding 13 uitsnede risicokaart, de locatie is met rode cirkel aangegeven
37 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Aardgasleidingen Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van aardgastransportleidingen (bron: Risicokaart). De dichtstbijzijnde leiding ligt aan de westzijde van de Mûntsgroppe. De FUMO is gevraagd om een advies externe veiligheid op te stellen ten behoeve van het Voorontwerp wijzigen omgevingsplan Mûntsgroppe 2 en 4 te Rottevalle. Het advies is als bijlage 8 toegevoegd. De FUMO komt tot de volgende eindconclusie: Het plangebied ligt deels binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie. De nieuw te bouwen woning valt volledig binnen het invloedsgebied van deze leiding. Er wordt voldaan aan grenswaarde van 10-6 per jaar. Het groepsrisico neemt door de wijziging niet toe.
Brandweer Fryslân voorziet voor het plangebied een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot externe veiligheid, de opkomsttijd, de bereikbaarheid en het bluswater en adviseert over de onderwerpen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid: - De initiatiefnemers te informeren over de opkomsttijd, zodat de verwachtingen van de brandweer bij een incident realistisch zijn; - Een rijroute via de huidige zandweg te borgen/ geschikt te maken en dat deze onderhouden dient te worden, zodat deze ook geschikt blijft voor een brandweerauto; - Het bluswaterknelpunt met de initiatiefnemers te bespreken en bespreekbaar te maken wat acceptabel is; - Minimaal te investeren in beschikbaar maken van het bluswater uit het openwater aan de westzijde van de nieuwbouwwoning. - Met behulp van het uitvoeren van de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR) en het advies van Brandweer Fryslân, dient het bevoegd gezag zich uit te spreken over de aanvaardbaarheid van het restrisico. In onderstaande afbeelding zijn mogelijke (alternatieve) opstelplaatsen van de brandweerauto aangegeven ten behoeve van de beide woningen, de locaties zijn besproken met het bevoegd gezag. De initiatiefnemers zijn geïnformeerd over de opkomsttijd.
38 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Opstelplaats brandweerauto voor Mûntsgroppe 4
Opstelplaats brandweerauto voor Mûntsgroppe 2
Afbeelding 10 Mogelijke opstelplaatsen brandweerauto
Initiatiefnemers zullen de voorgestelde maatregelen van brandweer Fryslân uitvoeren, voor zover ze binnen hun invloedsfeer liggen. Bestuurlijke afweging: Het is aan het bevoegd gezag om: - de rijroute via de huidige zandweg te borgen/ geschikt te maken voor brandweerauto’s en dat de zandweg te onderhouden. - zich uit te spreken over de aanvaardbaarheid van het restrisico. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid, als de maatregelen van brandweer Fryslân zijn gerealiseerd, geen beperking oplevert voor de ontwikkeling van het plan.
Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’) zijn vanuit het Rijk, bij invoering van de Omgevingswet, regels overgedragen aan gemeenten aangaande Welstandsbeleid. De regels zien toe op (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente reeds een eigen welstandnota of
39 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken. Dan geldt dit tijdelijk deel van het omgevingsplan niet. Planspecifiek een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (Artikel 22.29 lid 1 omgevingswet). Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Smallingerland. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van Smallingerland en het architectonische vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Op grond van de ruimtelijke ontwikkeling van Smallingerland en op basis van veldwaarnemingen is een indeling gemaakt naar ruimtelijk en functioneel samenhangende gebiedsdelen. In Smallingerland zijn 31 typen welstandsgebieden onderscheiden. Voor de locatie zijn de gebiedscriteria G1 Buitengebied gesloten (Coulissenlandschap) van toepassing. De nieuwe woning dient aan de welstandscriteria van dit gebiedstype te voldoen.
Hierdoor zal worden aangesloten bij het bebouwingsbeeld van de directe omgeving. Het ontwerp voor de woning zal worden getoetst aan de betreffende criteria.
Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed is alomtegenwoordig in onze samenleving, zowel in musea, historische stadscentra, en landelijke gebieden, als onder de grond en onder water. Het manifesteert zich ook als immaterieel erfgoed in onze tradities, rituelen en verhalen. Cultureel erfgoed vertelt ons over onze oorsprong, identiteit en ontwikkeling. De overheid speelt een rol in het beschermen van dit erfgoed en zorgt ervoor dat het goed wordt beheerd. Dit gebeurt door bescherming van cultureel erfgoed, maar ook door nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken terwijl het erfgoed wordt gerespecteerd. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen in de erfgoedverordening gemeente Smallingerland 2023 en op de archeologische kaart Famke en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbele functie en en cultuurhistorische Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
40 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Planspecifiek Het plangebied heeft gedeeltelijk de dubbele functie Waarde – Archeologisch/cultuurhistorisch waardevol gebied 1. Deze waarde is afgeleid van de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE), waar het gebied een status “waarderend onderzoek (vuursteen)” en “onderzoek bij grote ingrepen (steentijd)” heeft (Figuur 2). Er is karterend veldonderzoek (20 boringen per hectare) uitgevoerd. Er is aan de hand van de beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie een archeologisch verwachtingsmodel van het gebied opgesteld. Tijdens het veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. Daartoe zijn de opbouw en gaafheid van de bodem bepaald. Het rapport van het onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd.
Afbeelding 15 Boorpuntenkaart (De Streekproef, 2022)
41 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem op zeker de helft van het plangebied dermate diep verstoord is dat hier geen behoudenswaardige archeologische resten meer verwacht hoeven te worden. Langs de noord- en de zuidrand van het plangebied getuigt de aanwezigheid van veen of van moerig zand zonder onderliggende sporen van podzolvorming van omstandigheden die altijd te nat waren voor bewoning. Alleen op het centrale westelijke deel van het plangebied lijken omstandigheden te hebben geheerst die geschikt waren voor bewoning in de steentijd. Ook hier is de bodemopbouw over het algemeen dermate sterk verstoord dat de doorgaans ondiepe grondsporen uit deze periode hier niet meer verwacht hoeven te worden. Ondanks het naboren met een megaboor op de locatie met een nog intacte podzolopbouw zijn hier geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Deze zijn evenmin aangetroffen tijdens de zorgvuldige inspectie van de alle gutskernen. Zelfs houtskooldeeltjes die gewoonlijk in een ruime spreiding rond steentijdvindplaatsen in de top van het dekzand worden aangetroffen, ontbreken volledig. Gezien het bovenstaande adviseert R. Exaltus (senior KNA-archeoloog/-prospector) om de locatie voor wat betreft de archeologie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen.
De bevoegde overheid, de gemeente Smallingerland heeft de concept adviesrapporten laten beoordelen door Monumentenzorg Fryslân. Monumentenzorg Fryslân concludeert dat de Gemeente Smallingerland kan instemmen met het rapport en de locatie vrij kan geven.
Bodem Om de in stand houding van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, samen met een goede omgevingskwaliteit, stelt de overheid regels vast met betrekking tot de kwaliteit van de bodem. Deze regels variëren afhankelijk van het beoogde gebruik van de grond, waarbij strengere of minder strenge eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit. Het is belangrijk dat het gebruik van gronden en gebouwen in overeenstemming is met de kwaliteit van de bodem, om zo mogelijke risico's voor de gezondheid en het milieu te minimaliseren. Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen worden vastgesteld in het definitieve omgevingsplan volgens artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze waarden kunnen verschillen per gebied of per gebruiksfunctie. Als er een overschrijding van een vastgestelde waarde optreedt, zoals bepaald in artikel 5.89i van het Bkl, mag de bouw van een bodemgevoelig gebouw alleen plaatsvinden als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden genomen. Dit is vastgelegd in artikel 5.89k van het Bkl en artikel IIIa, onder 2 van het Aanvullingsbesluit Bodem. Planspecifiek Op de kaarten van het bodemloket (Ministerie van Infrastructuur en Milieu) zijn mogelijke bodemverontreinigingen binnen het plangebied vermeld.
Gelet op de toekomstige woonfunctie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bodemvisie milieu & veiligheid bv heeft op 19-01-2022 en 26-01-2022 een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd op de locatie Mûntsgroppe 2 te Rottevalle. (zie bijlage 2). Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) Ten zuidoosten van de ligboxenstal is een sterke verontreiniging met koper (na uitsplitsing van het mengmonster van de bovengrond) aangetoond. In het betreffende bodemtraject is een zwakke bijmenging met baksteen waargenomen.
42 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Behoudens een lichte verontreiniging aan zink in een mengmonster van de bovengrond zijn in de overige geanalyseerde (meng)monsters, voor de geanalyseerde parameters, geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn voor barium en/of molybdeen licht verhoogde concentraties aangetoond. De licht verhoogde concentraties hebben mogelijke een natuurlijke oorsprong. Verkennend asbestonderzoek (NEN 5707) Op het maaiveld en in de opgegraven grond zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van de ‘druppelzone’ van de werktuigenberging met asbestverdachte dak- en wandbeplating is in het mengmonster van de grond voor asbest een gehalte van 492,26 mg/kg ds. aangetoond. Ter plaatse van de ‘druppelzone’ van een kippenhok met asbestverdachte dakbeplating is in het mengmonster analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van het verkennend bodemonderzoek is door Bodemvisie milieu & veiligheid geadviseerd nader bodemonderzoek en nader asbestonderzoek uit te voeren. Het verkennend asbest- en bodemonderzoek is als bijlage 2 toegevoegd. Nader asbest en bodemonderzoek. Op 23 maart 2022 is een nader asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Mûntsgroppe 2 te Rottevalle (bijlage 3). Het nader onderzoek bodem is uitgevoerd conform de NTA 5755. De reikwijdte van het onderzoek betreft 'Gehele bouwwerk of object'.
Voor het nader onderzoek asbest is aangesloten bij de “NEN 5707+C2:2017 ‘Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond”. Nader asbestonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend- en nader asbestonderzoek blijkt, dat ter plaatse van de “druppelzone” van de werktuigenberging met asbesthoudende wand- en dakbeplating een geval van ernstige bodemverontreiniging is aangetoond, waarbij de gewogen asbestconcentratie zich ruimschoots boven de hergebruiksnorm voor asbest (100 mg/kg ds,) bevindt. De gemeten concentratie aan respirabele vezels bevindt zich onder de bepalingsgrens van <2 mg/kg d.s en bevindt zich hiermee onder de risiconorm. De omvang van de asbestverontreiniging is voldoende inzichtelijk gemaakt en vastgesteld op circa 20 m3 (vast profiel, circa 50 m x 2 m x 0,2 m diepte). Nader bodemonderzoek Tijdens het nader bodemonderzoek zijn ten behoeve van de horizontale en verticale afperking van de verontreiniging met koper geen verontreinigingen aangetoond. Enkel tijdens het verkennend bodemonderzoek is in de bovengrond voor koper een sterk verhoogd gehalte gemeten. De verontreiniging met koper bevindt zich in de bovengrond, direct ten zuidoosten van de ligboxenstal. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geraamd op circa 10 m3 (vast profiel, circa 8 m x 2,5 m x 0,5 m diepte).
Hiermee is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (omvang, <25 m3 bodemvolume). Uit de analyseresultaten blijkt, dat de gemeten PFAS gehalten beneden de tijdelijk vastgestelde achtergrondwaarden zijn aangetoond.
43 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Afbeelding 16 locaties te saneren verontreinigingen (Bodemvisie Milieu & Veiligheid bv, 2022)
De algehele conclusie uit het nader onderzoek is: “De omvang van de verontreiniging met asbest en koper is op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten horizontaal en verticaal voldoende inzichtelijk gemaakt. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie wordt aanbevolen de aangetoonde verontreinigingen te laten saneren.” De aangegeven verontreinigingen zullen worden gesaneerd. Het nader asbest en bodemonderzoekrapport is als bijlage 3 toegevoegd. Conclusie Vanuit het aspect asbest en bodem zijn er na het uitvoeren van de sanering* geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. *(Ervan uitgaande dat de saneringsresultaten overeenkomen met de onderzoekverwachtingen en dat het bevoegd gezag instemt met de evaluatie van de sanering.)
Weging van het waterbelang Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt over water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
44 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Een groot aantal van de regels uit de Waterwet zijn overgegaan in de omgevingswet welke op 1 januari 2024 in werking is getreden. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022 – 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022- 2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsverordening: De waterschapsverordening is een algemene verordening van het waterschap waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. De grondslag voor deze waterschapsverordening is artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet waarin staat dat het waterschap verordeningen vaststelt die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die op basis van artikel 1 van de Waterschapswet aan waterschappen worden opgedragen betreffen de zorg voor het watersysteem (inclusief waterkwaliteit) en de zorg voor het zuiveren van afvalwater.
Watertoets Het watertoets-proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.
45 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Planspecifiek De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het WetterskipFryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Op 27-01-2023 is de digitale watertoetsprocedure doorlopen om WetterskipFryslân in te lichten over het voornemen. (zie het watertoetsdocument in de bijlage 5). Deze watertoets is gebaseerd op een eerder plan. Ten opzichte van dit eerder plan wordt het voormalige bijgebouw achter op het erf niet gesloopt. Per saldo blijft een afname van het verharde oppervlak. Uit de watertoets blijkt dat er waterschapsbelangen met dit plan gemoeid zijn en dat de korte procedure van toepassing is. De standaard waterparagraaf van Wetterskip Fryslân is opgenomen in de bijlagen. Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied is geen sprake van waterkeringen waar rekening mee gehouden moet worden gehouden. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Het afvalwater afkomstig van de te realiseren woning wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het hemelwater zal zoveel mogelijk worden geïnfiltreerd op het eigen perceel waarvoor voldoende ruimte aanwezig is.
Water dat evenveel niet gefiltreerd kan worden wordt afgevoerd op de sloten welke rondom het perceel liggen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt in de bouw- en gebruiksfase, waardoor geen sprake is van diffuse verontreinigingen van water en bodem. Waterkwantiteit en watercompensatie Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied af. In de huidige situatie is er ruim 4.400 m2 verharding aanwezig op het perceel. In de toekomstige situatie na het slopen van de ligboxenstal, de mestsilo, de sleufsilo’s en een deel van de verharding blijft er slechts 1.933 m2 aan verhard oppervlak op het terrein. Er zal een woning met overkapping worden toegevoegd met een oppervlak van 159 m2. Verder zal de bestaande bestrating worden aangesloten op de nieuwe woning en schuur. De verharding zal in de toekomstige situatie echter verminderen met ca 2.443 m2 ten opzichte van de huidige situatie. Dit is ook weergeven in het landschappelijk inpassingsplan dat is opgenomen in bijlage 4. Toename van verharding is dus niet aan de orde en compenserende maatregelen zijn daarom niet nodig. Initiatiefnemer wil circa 2 m3 regenwater gaan opslaan voor besproeien van de tuin en het schoonmaken o.a. de ramen van het huis aan de buitenzijde.
Waterbeheer Voor eventuele aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In onderhavig plan is dit niet aan de orde Onderhoud watergangen: Met omliggende landeigenaren zijn er in het verleden afspraken gemaakt over het onderhoud van de omliggende watergangen. De afspraken over de wijze van uitvoering van dit onderhoud kunnen ongewijzigd
46 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
voortgezet worden, onderhavige plannen vormen geen belemmering voor het uitvoeren van het onderhoud aan de watergangen. Conclusie Door het slopen van de bestaande ligboxenstal, de mestsilo, de sleufsilo’s en de verhardingen vermindert het verhard oppervlak op de locatie. Er wordt 1 nieuwe woning gebouwd op de locatie ook wordt er nieuwe (half) verharding aangelegd. Hierdoor neemt het verhard oppervlak weer toe. Per saldo blijft een afname van het verharde oppervlak. Het treffen van compenserende maatregelen is daarom niet nodig. Het aspect water levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
47 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
5 Kostenverhaal Naast het toetsen aan diverse aspecten op het gebied van beleid en milieu, die dienen als toets of een ruimtelijk plan uitvoerbaar is, dient een plan ook te worden getoetst aan de financiële uitvoerbaarheid. De financieel-economische toets ziet erop toe te voorkomen dat belanghebbenden worden geconfronteerd met nadelige ruimtelijke gevolgen van een bouwplan dat niet uitvoerbaar is. Als een ruimtelijke ontwikkeling gevolgen heeft voor derden kan het besluit hierop gezien worden als een schadeveroorzakend besluit en kan een derde beroep doen op een tegemoetkoming in de geleden planschade/nadeelcompensatie. Het gaat hierbij over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Planschade/Nadeelcompensatie en andere kosten die gemoeid zijn met een ontwikkeling worden anterieur of posterieur door het bevoegd gezag afgedekt en verhaald op de initiatiefnemer. Planspecifiek Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid Het initiatief betreft de sloop van landschapsontsierende voormalige bedrijfsbebouwing en het daarvoor in de plaats bouwen van een nieuwe woning. De initiatiefnemer beschikt over voldoende financiële middelen voor de uitvoering van dit plan. Grondexploitatie Doel van de in de Omgevingswet onder afdeling 13.6 opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een nadeelcompensatieovereenkomst vastgelegd. Het innen van door de gemeentelijke gemaakte en te maken kosten gebeurt via de kostenverhaalsbeschikking. (leges). De gemeente en initiatiefnemer zullen een nadeelcompensatieovereenkomst sluiten, waarin afspraken worden gemaakt met betrekking tot eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd.
48 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
6 Participatie en keten Voorbereiding en participatie 6.1.1 Principeverzoek - omgevingstafel De plannen zijn door initiatiefnemers in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de gemeente Smallingerland. Vervolgens zijn er meerdere overleggen geweest met het bevoegd gezag om te komen tot een optimale positionering van de nieuwe gebouwen op de locatie. Ook het landschappelijk inpassingsplan is hierbij betrokken. Initiatiefnemer heeft vervolgens de plannen doorgenomen met de direct omwonenden. 6.1.2 Bestuurlijk overleg In het kader van bestuurlijk vooroverleg is vooroverleg gevoerd met de provincie, de veiligheidsregio en het waterschap. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het ruimtelijk plan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. N.B. het vooroverleg is volgens de omgevingswet niet wettelijk verplicht. In deze paragraaf en in bijlage 9 bij de motivering zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
6.1.3 Participatie In het kader van de voorbereiding op de planvorming zijn de omwonenden en belanghebbenden persoonlijk betrokken en geïnformeerd door initiatiefnemer. Op 7 november 2024 is er op locatie een gezamenlijk overleg geweest met belanghebbenden en vertegenwoordigers van de gemeente Smallingerland. De plannen van initiatiefnemers zijn uiteengezet aan de hand van de situatietekening. Er is op de Mûntsgroppe 2 sprake van een Ruimte voor Ruimte-regeling. De ligboxenstal, de sleufsilo’s en de mestsilo worden gesloopt. Ook wordt een deel van de erfverharding opgeruimd. Er zal een nieuwe woning worden gebouwd en de erven worden opnieuw ingericht. Er worden bomen geplant en de erfscheiding tussenwoonboerderij en woning zal worden voorzien van een haag. Ook komt er een nieuwe uitrit bij t.b.v. de woonboerderij. Wanneer alles naar wens verloopt willen initiatiefnemers in de nieuwe woning gaan wonen, op termijn zal de woonboerderij dan worden verkocht. De betreffende belanghebbenden hebben aangegeven zich zorgen te maken over eventuele beperkingen die het initiatief met zich meebrengt voor hun bedrijf. Ze willen graag de functie plattelandswoning toegekend zien aan de woonboerderij en de nieuwe woning.
Ook merken ze op dat met het vertrek van de veehouder op Mûntsgroppe 2 ze alleen de belangen van veehouders moeten vertegenwoordigen tegen 3 omwonenden zonder agrarische belangen. Binnen de huidige wet- en regelgeving komt de plattelandswoning niet meer voor. Belanghebbenden vragen begrip voor eventuele niet in wet- en regelgeving gevatte overlast. Stofvorming door koeverkeer over de Mûntsgroppe en geluidsproductie door werktuigen wanneer ze door de weersomstandigheden worden gedwongen tot laat in de avond werkzaamheden moeten verrichten. Initiatiefnemers zullen potentiële kopers van het te verkopen perceel informeren over het feit dat ze gaan wonen in landelijk gebied en dat de betreffende belanghebbenden als gevolg van hun bedrijfsvoering op gezette tijden overlast kan veroorzaken, zoals hiervoor geschetst. Dit zullen initiatiefnemers ook in het koopcontract laten vastleggen Belanghebbenden merken op dat ze verwachten dat hun bedrijf moeilijker verkoopbaar is als gevolg van de toename van het aantal omwonenden. Ze maken melding van mogelijke waardevermindering van hun bedrijf.
49 ‘Op ’e wyn fan juster, kinst hjoed net sile’
Initiatiefnemers hebben aangegeven dat hun plannen voldoen aan de randvoorwaarden van de Omgevingswet, de bedrijfsvoering zal niet worden belemmerd door het initiatief. De gemeente heeft de voorgaande plannen op de locatie al eerder getoetst op dit punt, ook toen waren er geen belemmeringen. In bijlage 9 is het verslag van het overleg met de omwonenden en vertegenwoordigers van de gemeente Smallingerland opgenomen. De plannen zijn eveneens besproken en toegelicht bij de bewoners van de Mûntsgroppe nr. 9. Deze bewoners hebben geen opmerkingen op of bezwaren tegen de plannen. Alle direct in de buurt wonende belanghebbenden zijn op de hoogte van de plannen.