Bijlage 1 - Bestemmingsplan Oudega - Waterfront Toelichting met wijzigingen
Tekst van het document
28
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
archeologievriendelijk te bouwen. Een archeologievriendelijk bouwplan houdt rekening met het aanwezige bodemarchief zodat de archeologische vindplaats niet verstoord wordt en behouden kan blijven. Voor voorliggend bouwplan is de insteek om archeologisch vriendelijk te bouwen door gebruik te maken van de bestaande aanwezige fundering. Nader onderzoek is dan niet nodig. De archeoloog wordt hierbij betrokken.
Figuur 10. plangebied archeologisch v ooronderzoek.
Voor de rest van het plangebied (oranje) geldt het advies karterend onderzoek 3 (middeleeuwen). In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Mochten er, als gevolg van het karterend archeologisch onderzoek, een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats, en de strategie van onderzoek dient te worden bepaald door het desbetreffende onderzoeksbureau. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'.
De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het plangebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan.
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
29
Oudega - Waterfront
Figuur 11. Fragment Famke periode IJzertijd - Middeleeuwen
Voor het plangebied is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Bijlage 8). Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: Van een intact veenniveau is geen sprake in het gehele plangebied. Het grootste deel van het veenpakket is tijdens de veenontginningen afgegraven en het restant van het veen dat meestal werd achtergelaten zal zijn opgenomen in de bouwvoor om die aan te rijken met humus. Er zijn geen aanwijzingen voor resten uit de middeleeuwen (veenterpjes e.d.) of nieuwe tijd aangetroffen in het plangebied. Voor het grootste deel van het plangebied geldt dat het terrein is geëgaliseerd, terwijl het dekzand uit een A-C profiel bestaat waarin - vaak als gevolg van te natte omstandigheden - geen bodemvorming heeft plaatsgevonden. In het (noord)westelijke deel van het plangebied liggen beeksedimenten op een restant van het oorspronkelijke dekzandprofiel. De top van het dekzand is hier waarschijnlijk weggespoeld. Het grootste deel van het gebied was te nat voor landbouwnederzettingen. Bij gebrek aan verhogingen in het gebied worden ook geen resten van jagers-verzamelaars verwacht in dit deel van het plangebied. In het oostelijke deel heeft wel bodemvorming (podzolvorming) plaatsgevonden in het dekzand en bevindt zich een verhoging in het landschap.
Dit waren bij uitstek aantrekkelijke vestigingslocaties. Uit de grotendeels intacte podzolbodem die hier is aangetroffen, blijkt dat het sporenniveau en een deel van het vondstenniveau nog intact aanwezig is. In dit deel van het plangebied kunnen daarom goeddeels intacte archeologische resten uit de steentijd voorkomen. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in een deel (1,38 ha; rood gekleurd op onderstaand figuur) van het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen hier zodanig aan te passen dat
30
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
verstoring wordt voorkomen. Indien planinpassing niet mogelijk is, wordt geadviseerd in deze zone archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend booronderzoek.
Figuur 12. Resultaten booronderzoek (bron: Bijlage 8)
Archeologisch vervolgonderzoek Het archeologisch vervolgonderzoek is uitgevoerd (Bijlage 9). Het onderzoek beperkte zich tot de delen van het plangebied waar in het vooronderzoek (Akkerman, 2020) podzolbodems zijn waargenomen; het onderzoeksgebied. Hierbinnen is veelal sprake van een (deels) intacte podzolbodem, maar aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ontbreken. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
31
Oudega - Waterfront
4.1.2
Cultuurhistorie
Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgelegd dat gemeenten in een ruimtelijk plan moeten aangeven op welke wijze het plan rekening houdt met cultuurhistorische elementen en structuren. Informatie over cultuurhistorische waarden is beschikbaar middels de Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2 (CHK2) van Provinsje Fryslân. Wat betreft cultuurhistorie blijkt uit deze kaart dat er in het plangebied twee karakteristieke bouwwerken (geen woningen) aanwezig zijn. Het betreft hier de voormalige zuivelfabriek en een transformator gebouw. Deze karakteristieke bouwwerken zijn op onderstaande kaart met gele blokjes weergegeven. De voormalige zuivelfabriek zal ten behoeve van de planontwikkeling worden gesloopt. Daarnaast liggen er in het plangebied drie 'Oude paden Nieuwe wegen' aangeduid met de twee rode en 1 blauwe lijn. Er treden geen wijzigingen op met betrekking tot het transformatorhuisje en de aanwezige wegen. Een regeling ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden wordt daarom niet nodig geacht.
Figuur 13. Fragment Cultuurhistorische Kaart Fry slân 2
4.2
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan dient op grond van de bepalingen in de Wet natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Uitgebreide natuurtoets Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook
32
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen is een uitgebreide natuurtoets (Bijlage 6) uitgevoerd. Uit deze uitgebreide natuurtoets blijken de volgende conclusies en consequenties.
Beschermde soorten Op basis van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is een voldoende beeld van beschermde soorten dieren en planten ontstaan. Voor het gebouw op de locatie It Miensker treden negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen op; hiervoor zijn al mitigerende maatregelen uitgewerkt in een activiteitenplan en is ontheffing Wnb aangevraagd en verleend. Negatieve effecten op foerageergebied en potentiële vliegroutes kunnen worden uitgesloten door voorwaarden ten aanzien van vleermuisvriendelijke verlichting op te nemen in het bestemmingsplan. Dit is van belang voor die locaties waar nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien: de haven en het recreatiegebied direct ten zuiden hiervan, alsmede de straat Op 'e Wâl en de randen van de haven die de locatie It Miensker kunnen verbinden met en deze lijnvormige structuren.
Negatieve effecten ten aanzien van andere diergroepen en planten kunnen worden uitgesloten.
Indien het plan wijzigt waarbij sloop of verbouwing van gebouwen (anders dan de voormalige zuivelfabriek It Miensker en de voormalige kunstmestloods) toch onderdeel worden van het plan, zal nader onderzoek naar aan- of afwezigheid van mogelijke nest- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen en vleermuizen noodzakelijk zijn om te bepalen of negatieve effecten optreden en een ontheffing Wnb noodzakelijk is.
Daarnaast moeten het broedseizoen van vogels en de zorgplicht van de Wnb voor zoogdieren en amfibieën die vallen onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân in acht worden genomen bij de aanlegwerkzaamheden.
Beschermde gebieden Wnb beschermde gebieden Op basis van de stikstofberekening kan worden bepaald of een vergunning van de Wnb nodig is voor de uitvoering van het plan (zie onderstaand). Als gevolg van het plan is sprake van een zeer geringe toename van water- en landrecreatie in de Alde Feanen, maar zal dit niet leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied, behalve mogelijk op zwarte stern indien extra verstoring van de kolonie naast de vaarroute van de Nije Mûntsegroppe (buiten het plangebied) optreedt. Dit effect zal nader getoetst moeten worden als het plan voor deze locatie meer is uitgewerkt.
Ten aanzien van andere aspecten is voldoende beeld ontstaan van effecten op Wnb beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) en treden geen significant negatieve effecten op.
Beschermde gebieden in het kader van provinciaal ruimtelijk beleid Er is voldoende beeld ontstaan van effecten op in het kader van provinciaal ruimtelijk beleid beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân.
Advies voor versterking van natuurwaarden Tijdens het opstellen van dit rapport komen twee aandachtspunten voor natuurwaarden naar voren:
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
33
Oudega - Waterfront
1. Vliegroutes en foerageergebieden voor vleermuizen beschermen en verbeteren De zorg voor vliegroutes en foerageergebieden voor vleermuizen is belangrijk en kansrijk, in verband met verblijfplaatsen in en nabij het noordelijk deel van het plangebied (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis) en het vóórkomen van meer- en watervleermuis in de omgeving. Het is wenselijk om regels op te nemen in het bestemmingsplan om verstoring van foerageergebied en potentiële vliegroutes van vleermuizen door verlichting te voorkomen. Daarnaast kunnen foerageergebied en vliegroutes ook actief verbeterd worden door los van het bestemmingsplan de verlichting en de beplanting vleermuisvriendelijker te maken. Dit is zinvol en kansrijk voor de genoemde potentiële vliegroutes (haven en Alddjip, en de wegen met laanbomen (Gealânswei aan westrand en de Eastersânning aan de oostrand)). Vleermuisvriendelijker inrichting is mogelijk door bijvoorbeeld de verlichting te beperken, de uitstraling naar de omgeving te voorkomen met aangepaste armaturen en/of toepassing van amberkleurige alsmede de aanplant van laanbomen. 2. Ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers Wat verder ten zuiden van het dorp Oudega zijn veel oevers met hogere natuurwaarde, maar binnen het plangebied zijn de meeste oevers beschoeid, hebben steile kanten en zijn veel minder begroeid. Dit is begrijpelijk gezien de havenfunctie.
Maar nu er nieuw water wordt aangelegd voor extensieve recreatie, zijn er ook kansen om delen hiervan in te richten met natuurvriendelijke oevers. Hiervan kunnen algemene soorten zoals rietzanger en fuut profiteren, maar mogelijk ook voor deze omgeving typerende soorten zoals otter en waterspitsmuis. Er zijn kansen om de natuur naar Oudega toe te halen in combinatie met recreatie. 3. Aanvulling met kleine natuurelementen Waardevolle kleine natuurelementen in het nieuwe recreatieterrein ten zuiden van de haven zijn bijvoorbeeld takkenrillen, houtstapels voor kleine marters, nestkasten voor torenvalk, een zandhoop of bijenhotel voor wilde bijen.
Stikstof Een AERIUS- berekening moet uitwijzen of er negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Op 3 november 2020 is de berekening stikstofdepositie voor onderhavig project uitgevoerd (Bijlage 10). Het plan leidt in de aanleg- en gebruiksfase niet tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn beschermd. Voor dit onderdeel van het project is dan ook geen vergunning van de Wnb nodig. Het aspect stikstof staat uitvoering van het project niet in de weg.
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Voordat een houtopstand die onder de Wnb valt, geveld kan worden, geldt er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Het planvoornemen ziet niet op de eventuele kap van een houtopstand groter dan 10 are of bestaat uit een bomenrij van minimaal 21 bomen. Gelet hierop is er geen sprake van een meld- en herplantingsplicht. Op het momet dat uit de nadere planuitwerking blijkt dat de kap groter is dan de gestelde eisen zal voldaan worden aan de meld- en herplantingsplicht.
Conclusie Er is ontheffing verleend voor vleermuizen en in de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om verstoring van foerageergebied en potentiële vliegroutes van vleermuizen door verlichting te voorkomen. Bij de nadere planuitwerking wordt waar mogelijk rekening gehouden met de adviezen voor
34
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
versterking van de natuurwaarden. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet door ecologie wordt beperkt.
4.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico's gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het Groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.
Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Wet basisnet: Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (met enkele uitzonderingen daargelaten). 4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit): Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB's.
In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Toetsing In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).
Om na te gaan of voor het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart valt af te lezen dat in en in de nabijheid van het plangebied geen risicobronnen, transportroutes of buisleidingen zijn gelegen.
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
35
Oudega - Waterfront
Figuur 14. Fragment risicokaart met plangebied omcirkeld.
Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4
Bodemkwaliteit
In het kader van een ontwikkeling of een herziening van een bestemmingsplan moet onderzocht worden welke gevolgen eventuele bodemverontreinigingen hebben voor de uitvoerbaarheid van het plan. De bodemkwaliteit kan namelijk een beperkende factor zijn voor de beoogde functie of de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming.
Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval.
Op alle genoemde percelen zijn geen eerdere bodemonderzoeksresultaten bekend. Op perceel F 2234 is een gedempte sloot aanwezig. Hier kan sprake zijn van dempingsmateriaal en hieraan gerelateerde verontreinigingen (incl. asbest). Ook kunnen er natuurlijk dammetjes in de percelen zitten met puin/dempingsmateriaal. Dit zijn in principe dan ook asbestverdachte locaties. Voor het bestemmingsplan is nader onderzoek naar deze locaties niet noodzakelijk. Nader onderzoek zal worden uitgevoerd ten tijde van de uitvoering van het planvoornemen.
36
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Op de locatie van de voormalige zuivelfabriek zat een verontreiniging maar deze is gesaneerd en vormt geen belemmering voor de uitvoering van de plannen.
Verder zijn de percelen altijd in gebruik geweest als landbouwgrond en onbebouwd geweest. Dus de algemene kwaliteit (los van eerdere genoemde dammetjes en demping) zal aansluiten bij de bodemkwaliteitskaart en voldoen aan AW2000/Landbouw/natuur.
Conclusie Uit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen beperkingen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.
4.5
Waterparagraaf
In de ruimtelijke ordeningspraktijk is het doorlopen van de wettelijk verplichte 'watertoets' bij de betrokken waterbeheerder (in dit geval Wetterskip Fryslân) van belang. De watertoets wordt gezien als procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen in een vroegtijdig stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water.
Watertoets Over het plan is uitvoerig contact geweest met Wetterskip Fryslân (WF). Per mail is op 23 juni 2020 het wateradvies ontvangen. Onderstaand is het ontvangen wateradvies in zijn geheel weergegeven. Waar nodig wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan of nadere planvorming rekening is gehouden met het wateradvies.
Veilig Bouwen vrij voor de boezem Met de realisatie van het plan wordt veel nieuw boezemwater gerealiseerd. In dit gebied is ook diverse bebouwing gepland. Deze bebouwing ligt 'vrij voor de boezem', dat wil zeggen dat de bebouwing niet door een regionale waterkering wordt beschermd. In de boezem hanteert het Wetterskip een streefpeil van -0,52 m NAP. Onder invloed van weersomstandigheden (neerslag, wind) kan de boezemstand oplopen. Het maatgevende boezempeil is hier +0,13 m NAP. Het Wetterskip adviseert om de bebouwing boven deze maatgevende waterstand te realiseren. Verder is het belangrijk voldoende drooglegging te realiseren in normale omstandigheden (-0,52 m NAP). Bij de nadere planuitwerking en de aan te vragen omgevingsvergunning(en) wordt hier rekening mee gehouden
Regionale waterkering In het gebied ligt een regionale waterkering van Wetterskip Fryslân. Deze beschermt de achterliggende polder tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Onderdeel van het plan is uitbreiding van de boezem en daarmee verplaatsing van de ligging van de regionale waterkering. Hierover is reeds uitgebreid contact met WF en is het voor het wateradvies verder niet relevant.
Voldoende
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
37
Oudega - Waterfront
Aanpassingen watersysteem Door de realisatie van het plan is het nodig enkele kunstwerken van Wetterskip Fryslân te verplaatsen. Het gaat dan om 2 inlaten aan de oostkant van het nieuw te realiseren water. Hierover hebben gemeente en Wetterskip reeds gecommuniceerd. Bij de verdere uitwerking van het plan moet hier rekening mee worden gehouden. De aanpassingen aan het watersysteem moet worden afgestemd met het Wetterskip Fryslân. In de nadere planuitwerking wordt hier rekening mee gehouden en worden de aanpassingen afgestemd met het Wetterskip.
Peilwijziging Om het plan te kunnen realiseren is een wijziging van het waterpeil nodig. Een aanvraag dient in elk geval de volgende stukken te bevatten:
Tekeningen: Een tekening of kaart met de begrenzing van het gebied waarop de peilwijziging van invloed is. Met daarop de van toepassing zijnde peilvakken met huidige waterpeilen, en de nieuwe waterpeilen; (Detail)tekeningen van alle toe te passen peilregulerende werken met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen. Rapport peilwijziging: Een goede motivatie van de peilwijziging; Een beschrijving van de gevolgen voor het watersysteem (aantal peilvakken, aantal kunstwerken, lengte en stabiliteit waterkering, maaivelddaling, waterkwaliteit, beheerlast, enz.). Wetterskip Fryslân streeft naar zo groot mogelijke aaneengesloten peilgebieden om versnippering te voorkomen en het watersysteem zo robuust mogelijk te houden; Een beschrijving van de hydrologische effecten van de peilwijziging op andere belangen en belanghebbenden (bijv. infrastructuur, bebouwing (bijv. funderingen), landbouw, natuur) en op landschappelijke-, natuur- en cultuurhistorische waarden; Indien sprake is van een peilwijziging in het veenweidegebied, dan dient te worden aangetoond dat de peilwijziging geen negatieve effecten heeft op de maaivelddaling en uitstoot van CO2; Een beschrijving van de te nemen maatregelen om eventuele negatieve effecten van de peilwijziging tegen te gaan.
Daarbij kan het gaan om ingrepen zoals het graven van een extra watergang, maar bijvoorbeeld ook om het plaatsen van een meetnet. De aanvraag voor de wijziging peilbesluit is in voorbereiding en zal worden aangevraagd bij WF. Verwacht wordt dat WF kan instemmen met de peilwijziging gelet op bestuursbesluit WF en doelstelling WF om meer boezem te realiseren.
Compensatie Demping Mogelijk worden als onderdeel van het plan watergangen gedempt. Het dempen van oppervlaktewater moet altijd voor 100% worden gecompenseerd. Voor het dempen van oppervlaktewater is een watervergunning nodig. Het plan voorziet in het dempen van 1.800 m2 aan sloten op polderpeil. Onderstaand wordt nader ingegaan op de totale compensatieopgave. Er is uitvoering contact met WF over het planvoornemen en de benodigde vergunningen.
Toename verhard oppervlak [1]
38
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Wanneer een terrein onverhard is, kan hemelwater infiltreren in de ondergrond. Door verharding van (een deel van) het gebied stroomt het hemelwater versneld af. Hierdoor wordt het oppervlaktewater extra belast. Wetterskip Fryslân heeft een verbod opgenomen in de Keur voor de toename van verhard oppervlak met meer dan 1.500 m² in het buitengebied. Er wordt vrijstelling op dit verbod gegeven wanneer voor een plan een wateradvies is afgegeven en de uitvoering van de compensatie geschiedt conform het wateradvies. In dat geval is voor de realisatie van het verhard oppervlak geen watervergunning nodig.
Het verhard oppervlak neemt door de realisatie van het plan toe. Hoeveel verharding er bij komt is op dit moment nog niet bekend. Om overlast te voorkomen is het nodig dat de initiatiefnemer de toename aan verhard oppervlak compenseert in hetzelfde peilgebied. Wij hanteren hiervoor een compensatienorm van 10% voor dakoppervlakken en terreinverharding. Voor halfverharding hanteren wij een compensatienorm van 7,5%. Voor verharding die vrij voor de boezem wordt gerealiseerd zijn de percentages de helft, dus 5% voor dakoppervlakken en terreinverharding.
Compensatie Graag zien wij in het bestemmingsplan een compensatieberekening. Per peilgebied moet worden aangeven: hoeveel verhard oppervlak er bij komt (opgesplitst in verhard en onverhard); hoeveel oppervlaktewater er wordt gegraven (gemeten op de waterlijn); indien van toepassing: hoeveel oppervlaktewater er wordt gedempt (gemeten op de waterlijn). Het plan levert maximaal een toename van 7.500 m2 verharding en bebouwing op onderverdeeld in dakoppervlakken en terreinverharding (5.000 m2) en halfverharding (2.500 m2).
Dakoppervlakken en terreinverharding: 600 m2 voor nieuwe bebouwing en erfinrichting achter boerderij Fabrykswei 11; 400 m2 verharding door vervallen erf Op 'e Wâl 1; 500 m2 door vervallen groenstroken Op 'e Wâl; 750 m2 voor parkeerplaatsen bij de horeca; 750 m2 voor parkeerplaatsen bij de horeca; 700 m2 erfverharding bij arken; 1.300 m2 voor paden en overig; Halfverharding 2.500 m2 grasbetonstenen voor parkeren langs de weg, verharding van de camperplaatsen en inritten voor de woonarken; De compensatieopgave is als volgt:
Oppervlakte m2 Compensatienorm
Compensatie m2
dakoppervlakken en terreinverharding
5000
10%
500
halfverharding
2500
7,5%
188
dempen sloten
1800
100%
1.800
Totaal
2.488
Figuur 15. Compensatieopgav e
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
39
Oudega - Waterfront
Er is een totale compensatieopgave van 2.488 m2. Er wordt 32.000 m2 boezemwater gegraven in het plan. Per saldo is er daarmee ruime voldoende waterberging opgenomen in het plan. Hierbij geldt wel de kanttekening dat sprake is van compensatie op een hoger waterpeil.
Schoon Afvalwater- en regenwatersysteem Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is het uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In geval van dit bouwplan kan het hemelwater afkomstig van verhard oppervlak, onder bij Waterkwaliteit in het advies genoemde voorwaarden, worden geloosd op het oppervlaktewater.
Uitbreiding van het rioolstelsel Door de realisatie van het plan wordt het rioolstelsel uitgebreid. Wijzigingen aan het rioolstelsel van het betreffende rioleringsgebied dienen doorgegeven te worden aan Wetterskip Fryslân.
Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat voorkomen wordt dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.
Bij de nadere uitwerking van de plannen zal met de aspecten genoemd onder 'Schoon' rekening worden gehouden.
Vervolg Waterwet Voor alle activiteiten in en nabij het watersysteem, waaronder het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of het aanbrengen van een wijziging in het watersysteem, dient een vergunning aangevraagd te worden of een melding bij Wetterskip Fryslân.
Conclusie De in het wateradvies genoemde adviezen worden waar mogelijk in het bestemmingsplan meegenomen of bij de nadere planuitwerkingen. Nu er sprake is van een positief wateradvies staat het aspect water uitvoering van het bestemminsgplan niet in de weg.
4.6
Geluidhinder
De Wet geluidhinder beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Een uitzondering geldt voor: wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
40
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.
Nagenoeg alle te realiseren geluidsgevoelige functies zijn gelegen in een gebied waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Akoestisch onderzoek is voor deze woningen niet nodig. Gelet op de aanwezige en de te verwachten verkeersintensiteiten in Oudega is het aannemelijk dat kan worden voldaan aan het vereiste van een 'goede ruimtelijke ordening'.
De locatie voor de vijf te realiseren drijvende woningen ligt buiten een 30 km/uur-zone aan een 60 km/uur weg. De Eastersânning is vanuit Oudega een (landbouw)ontsluitingsweg met lage verkeersintensiteiten met name gericht op bestemmingsverkeer. Aan deze weg zijn enkele agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen gesitueerd. Gezien de ligging van de drijvende woningen ten opzichte van de weg en de verkeersintensiteiten op deze weg, is het aannemelijk dat kan worden voldaan aan het vereiste van een 'goede ruimtelijke ordening'. Het op basis van het Bouwbesluit vereiste binnenniveau van 33 dB moet haalbaar worden geacht. Geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het realiseren van de drijvende woningen.
4.7
Bedrijven- en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimale afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde afstanden in de VNG-publicatie zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimale afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
De genoemde maten in de VNG-publicatie zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. In de publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten een rustige woonwijk/buitengebied en gemengd gebied. In een rustige woonwijk dan wel het buitengebied is sprake van functiescheiding. Dit houdt in dat hinderveroorzakende en hindergevoelige functies niet direct naast elkaar voorkomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan echter worden gewerkt met een verkleinde richtafstand waarbij dat wel het geval is.
Het deel van het plan dat is gelegen in het dorp Oudega rondom de haven bestaat hoofdzakelijk uit een mix van functies (wonen, horeca, parkeren, jachthaven, detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke functie) die nu ook al aanwezig zijn in en rondom dit gebied. Het betreffen hier met name functies uit milieucategorie 1 en 2 en een functie uit milieucategorie 3.1 te weten de jachthaven. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van louter woongebied, maar van een gemengd gebied. In
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
41
Oudega - Waterfront
gemengde gebieden worden kleinere milieuafstanden aanvaardbaar geacht dan in een rustige woonwijk met uitsluitend woningen. Wanneer hiermee rekening wordt gehouden, mag de grootste afstand uit de naastgelegen milieucategorie worden gehanteerd. Functies in de milieucategorieen 1 en 2 worden als passend geacht in combinatie met de woonfunctie.
Met het planvoornemen voor de rest van het planvoornemen worden diverse nieuwe functies in het plangebied geïntroduceerd. Het gaat in hoofdzaak om nieuwe recreatiefuncties die niet als hindergevoelig worden aangemerkt. Daarnaast worden vijf drijvende woningen gerealiseerd bedoeld voor permanente bewoning die wel hindergevoelig zijn. Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan is hier rekening mee gehouden. Daarnaast zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen hindergevoelige functies aanwezig die gehinderd worden door de realisatie van het planvoornemen.
Direct buiten het plangebied aan de Gealânswei 2 is een papegaaienboerderij gevestigd. Voor deze papegaaienboerderij is recent een nieuw maatwerkbesluit genomen voor de geluidsruimte. Voor de papagaaienboerderij geldt een milieuafstand zoals opgenomen op onderstaand figuur. Met betrekking tot hindergevoelige objecten gelden de volgende uitgangspunten: a.
Blijf buiten de contour die past bij een "stil dorp", d.w.z. de contour van de 45 dB(A) als etmaalwaarde (buitenste ring). In dat geval is de motivering voor een goed woon- en leefklimaat zonder veel moeite te geven, zolang die woningen dus wel aansluiten bij de dorpsstructuur. b. Indien er dichter bij de papegaaienhouderij hindergevoelige objecten zouden moeten worden gerealiseerd, dan is dat niet per definitie een ongewenst woon- en leefklimaat. De grens is evenwel: absoluut niet dichter bij dan de 50 dB(A) etmaal-waarde contour (tweede cirkel). Bij bouwen tot die 50 dB(A)-contour is er wel een diepere motivering nodig waarom dat toch een goed woon- en leefklimaat is bij een omgeving die (zonder de papagaaien) een stil landelijk gebied zou zijn.
42
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Figuur 16. Geluidcontour papegaaienboer.
Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan is hiermee rekening gehouden. De vijf te realiseren drijvende woningen worden buiten of deels op de buitenste ring gerealiseerd. Er zijn geen hindergevoelige objecten geprojecteerd binnen deze aan te houden afstand.
Conclusie Gelet op de getroffen regeling in dit bestemmingsplan bestaan er wat betreft bedrijven- en milieuzonering geen belemmeringen ten aanzien van de uitvoerbaarheid.
4.8
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m³ voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m³ voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'Niet In Betekenende Mate' (NIBM) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Dit geldt op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) onder meer voor projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 µg/m³.
PM10 en PM2,5 zijn sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
43
Oudega - Waterfront
wordt overschreden.
In Fryslân zijn de achtergrondconcentraties voor NO2 en PM10 laag. Als aannemelijk is dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde vormen luchtkwaliteitseisen dan ook geen belemmering voor een plan. Hier is voor dit bestemmingsplan van uit gegaan. Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.
4.9
M.e.r.-verantwoording
De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken. Op het planvoornemen is categorie D10 van het Besluit m.e.r. van toepassing. De hiervoor geldende drempelwaarden worden evenwel niet overschreden met de in het plangebied beoogde activiteiten. Voor dit bestemmingsplan is daarom de vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing. Aan de hand hiervan wordt beoordeeld of een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen zal hebben. Door het bevoegd gezag, in deze de gemeente, zal op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling binnen zes weken na indiening worden beslist of een milieueffectrapportage voor een planvoornemen moet worden opgesteld.
Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 11). Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten. Hierop zal door het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Dit besluit wordt te zijner tijd als bijlage bij deze bestemmingsplantoelichting opgenomen.
Conclusie Het project geeft geen aanleiding voor een vervolgonderzoek in het kader van een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling.
44
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische vormgeving
Toelichting op het juridische systeem
In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan hebben gekregen. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast.
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan. Het digitale plan verschaft de burger 'online' informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale plannen zijn per 01-01-2010 verplicht op grond van de Wro. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is de digitale versie bepalend qua vormgeving en inhoud.
5.2
Regels
5.2.1
Algemeen
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: 1. In de Inleidende regels zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. 2. In de Bestemmingsregels zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. In paragraaf 5.2.2 volgt in het kort een nadere toelichting op de bestemmingen. 3. In de Algemene regels staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen voor enige flexibiliteit van het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht, zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. 4. Tenslotte bevat het bestemmingsplan nog Overgangs- en slotregels.
Dit betreft artikelen onder het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en de slotregel. 5.2.2
Gehanteerde bestemmingen
In deze paragraaf is een korte toelichting op de juridische regels behorende bij het plan gegeven. Er is voor een zo eenvoudig mogelijke planologische regeling gekozen die voorziet in een helder stelsel van regels en de nodige flexibiliteit biedt. Aan de hand van de bestemmingsregels kan het planvoornemen worden gerealiseerd. In de toekomst kan de gerealiseerde situatie vervolgens worden gehandhaafd.
Gemengd
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
45
Oudega - Waterfront
De bestemming ‘Gemengd’ heeft betrekking op de bebouwing in het centrum van Oudega, langs de Buorren en de Slotsingel. Hier zijn, naast de woonfunctie, tevens functies als detailhandel, dienstverlening en (lichte) horeca toegestaan. Een dergelijke bestemming vergroot de flexibiliteit van een dorpscentrum, en daarmee de levendigheid.
Groen Het openbare groen, zoals groenstroken en grasveldjes, is bestemd als ‘Groen’. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, anders dan kleinschalige gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen. Binnen de bestemming is ook de functie water opgenomen. Binnen de bestemming ‘Groen’ is een aanduiding “ligplaats” opgenomen. Binnen deze aanduiding zijn vijf permanent bewoonde woonschepen toegestaan;
Horeca-2 De verschillende horecagelegenheden in de plangebieden zijn bestemd als ‘Horeca’. De gemeente hanteert 4 categorieën in het bestemmen van horeca. Categorie 1 betreft met name complementaire bedrijven in centrumgebieden en gericht op het verstrekken van eenvoudige waren overdag (bijvoorbeeld een snackbar, koffiebar of een lunchroom). Categorie 2 heeft vooral een hoge bezoekersfrequentie in de avond (bijvoorbeeld een restaurant of een grand café). Onder categorie 3 vallen uitgaansgelegenheden vooral gericht op (alcoholische) dranken (bijvoorbeeld een discotheek of nachtclub). Categorie 4-bedrijven zijn gericht op het verstrekken van logies (bijvoorbeeld een hotel of bed and breakfast). Het café aan de Op ‘e Wal in Oudega en het restaurant aan de Buorren in Oudega vallen onder categorie 2. Op de bestemming Horeca - 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt de Horeca -2 bestemming te wijzigen naar de bestemming Wonen-1.
Recreatie-1 en Recreatie-2 De gronden ten zuiden van Oudega hebben deels de bestemming Recreatie-1 en deels Recreatie-2 gekregen. Dagrecreatie-1 is bedoeld voor dagrecreatieve doeleinden, in de vorm van dagrecreatieterreinen en dagrecreatieve voorzieningen en water. Binnen deze bestemming is het mogelijk om het een afwijking een horecavoorziening te realiseren. De gronden binnen de bestemming Recreatie-2 zijn naast dagrecreatieve doeleinden, in de vorm van dagrecreatieterreinen en dagrecreatieve voorzieningen en water ook bedoeld voor verblijfsrecreatieve doeleinden in de vorm van camperplaatsten, trekkershutten, chalets en andere vaste kampeermiddelen. Door middel van functieaanduidingen is aangeduid welke functie waar is toegestaan.
Recreatie-3 De jachthaven aan de zuidzijde van Oudega is bestemd als recreatieterrein. Ook het kantoor van de jachthaven valt onder deze bestemming.
Verkeers - Verblijfsgebied De wegen die vooral een ontsluitende functie en een verblijfsfunctie kennen, zijn bestemd als ‘Verkeer – Verblijfsgebied’.
Water De waterlopen en waterpartijen, met de bijbehorende oevers en kaden zijn geregeld onder de bestemming ‘Water’. Er is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het wijzigen en/of dempen van waterlopen en het vergraven van oevers. Binnen de bestemming ‘Groen’ is een aanduiding “ligplaats” opgenomen. Binnen deze aanduiding zijn drie recreatiearken toegestaan;
46
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Wonen - 1 en Wonen-3 en Wonen- Woonboerderij De aanwezige woningen hebben de woonbestemming gekregen. Op basis van de ruimtelijke verschijningsvorm van de woningen (vrijstaand, twee-onderéén-kap, rijen), is de bestemming gesplitst in twee afzonderlijke woonbestemmingen: ‘Wonen – 1’, en ‘Wonen - 3’. De aanwezige voormalige boerderijen is bestemd als ‘Wonen – Woonboerderij’. Door middel van maatvoeringen op de verbeelding zijn de verschillen in uiterlijke verschijningsvorm van de woningen in de bestemming tot uitdrukking gebracht. Naast regels ten aanzien van hoofdgebouwen, zijn in de planregels maatvoeringen opgenomen waaraan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen moeten voldoen. Wat betreft het werk aan huis zijn de planregels afgestemd op de “Nota Beroep aan huis”, waarin regels ten aanzien van het gebruik en de omvang van deze vorm van bedrijvigheid zijn opgenomen. In ieder geval dient deze te passen binnen de regels ten aanzien van de toegestane erfbebouwing bij een woning. Bij de bestemming 'Wonen-Woonboerderij'is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om op het perceel een tweede woning te realiseren in combinatie met ruimte voor commerciële, maatschappelijke en of horeca functies.
Waarde - Archeologisch/cultuurhistorisch waardevol gebied Het waarde archeologisch/cultuurhistorisch waardevolg gebied van Oudega hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch/cultuurhistorisch waardevol gebied'. Voor bouwwerken en daaraan gerelateerde werkzaamheden (afhankelijk van oppervlakte m² per verwachtingswaarde) dient vooraf een omgevingsvergunning te worden verkregen. Ter bescherming van de archeologische waarden is tevens een omgevingsvergunning vereist voor diverse werkzaamheden op en in de bodem.
5.3
Overige aspecten
Parkeren In artikel 17.2 (gebruik) en artikel 21.1 (bouw) zijn regels opgenomen om bij functiewijzigingen, nieuwbouw of het vergroten van een bouwwerk voldoende parkeergelegenheid te garanderen en te borgen.
Additionele voorzieningen In dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidswerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld.
Handhaving Dit bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor de burger waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde, dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.
5.4
Procedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
47
Oudega - Waterfront
Voorbereidingsfase De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ingekomen reacties worden voor zover noodzakelijk verwerkt in de regels en verbeelding.
Daarnaast kan een voorontwerpplan in de inspraak worden gebracht om belangstellenden de mogelijkheid te bieden om op het plan te reageren. Hiervoor is in geval van voorliggend plan niet gekozen.
Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in de Staatscourant, huis-aan-huis en de website www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.
Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.
Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt: Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Belanghebbenden zijn diegenen die tegen het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend en diegenen die hebben aangetoond in redelijkheid niet in de mogelijkheid zijn geweest om een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen.
Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
48
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De benodigde middelen om het publieke deel van het bestemmingsplan te realiseren staan gereserveerd bij de gemeente en de provincie. Daarnaast is een bijdrage van Wetterskip Fryslan toegezegd. Verkend is voorts in welke mate kostenverhaal wenselijk en haalbaar is op de private eigenaren die een deel van de ontwikkeling realiseren. Deze bijdragen zijn (of eigenlijk worden) vastgelegd in overeenkomsten met de betreffende eigenaren. Daarmee is het kostenverhaal verzekerd. Met deze elementen is het totale plan economisch haalbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan is onderwerp van overleg geweest zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het plan is hierbij voorgelegd aan de officiële overlegpartners met het verzoek om op het planvoornemen te reageren.
Er zijn overlegreacties ingediend door de Provincie Fryslân en Brandweer Fryslân. Naar aanleiding van deze reacties is het bestemmingsplan op meerdere punten aangepast. Hieronder wordt de inhoud van de overlegreacties samengevat en volgt per punt het gemeentelijke commentaar De vooroverlegreacties zijn als Bijlage 12 en Bijlage 13 bijgevoegd.
Overlegreactie 1 Provincie Fryslân 1. Borging landschappelijke inpassing (cat.2, interpretatie verordening/motivering) In de toelichting op het plan geeft u aan dat de stedenbouwkundige motivering en de landschappelijke inpassing nog nader zullen worden uitgewerkt. Wij gaan er vanuit dat deze in het ontwerp bestemmingsplan zullen worden opgenomen en dat deze juridisch worden geborgd.
Reactie gemeente: In het bestemmingsplan is de landschappelijke inpassing nader uitgewerkt (paragraaf 2.3 en Bijlage 2). Daarnaast is in het plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de algemene gebruiksregels. 2. Archeologie (cat.2, interpretatie verordening/motivering) Ter plaatse van de locatie zuivelfabriek geldt de status 'streven naar behoud'. Met betrekking tot deze locatie wordt aangegeven dat er sprake zal zijn van herbouw op de bestaande fundering en dat daarom geen aanvullend archeologisch onderzoek nodig zou zijn. Echter uitgaande van het huidige plan zijn de ingrepen omvangrijker en komt de locatie van de nieuwbouw volgens ons niet helemaal overeen met de huidige bebouwing. Graag ontvangen wij hierover meer duidelijkheid en is overleg met de provinciaal archeoloog gewenst. Mogelijk is hier toch vervolgonderzoek aan de orde.
Reactie gemeente: Over de gemaakte opmerk ingen heeft overleg plaatsgevonden met het steunpunt Monumentenzorg Fryslân. Zij hebben de verbeelding goed bestudeerd en komen tot de conclusie dat op een deel van de westkant van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch/cultuurhistorisch waardevol gebied' mist. Omdat hier verder geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd, dient de
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
49
Oudega - Waterfront
dubbelbestemming te worden overgenomen. Deze dubbelbestemming is voor het betreffende gebied alsnog opgenomen op de verbeelding. Daarnaast moet de vrijstellingsgrens voor het gebied met de dubbelbestemming worden aangepast naar een oppervlakte van 50 m2 en een diepte van 30 cm. Deze aanpassing is verwerkt in artikel 14.3.1 lid a van de regels. 3. Ontgrondingen (cat.3, overige provinciale belangen) Gelet op de afgraving van 32.000 m2 boezemwater is, zoals u zelf al terecht aangeeft, een ontgrondingenvergunning vereist. Wij wijzen u er op dat deze vergunning nog wel dient te worden aangevraagd.
Reactie gemeente: Uit artik el 2, eerste lid onder f van de Ontgrondingenverordening Friesland blijkt dat een een ontgrondingsvergunning niet vereist is voor ontgrondingen, die noodzakelijk zijn voor de verwerkelijking van een in een niet langer dan 10 jaar geleden onherroepelijk geworden bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming, mits: 1. in de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen) uitdrukkelijk is aangegeven dat de verwerkelijking van het plan een ontgronding inhoudt of insluit; 2. de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld of, wanneer de ontgronding plaatsvindt ten behoeve van de aanleg van een haven 2,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil; 3. bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet; Uit de nadere uitwerking van de plannen blijkt dat er sprake is van een gesloten grondbalans en dat voldaan wordt aan de overige voorwaarden. Een ontgrondingenvergunning is in dit geval dan ook niet vereist. Van de aanvang van ontgrondingsactiviteiten waarvoor geen vergunning ingevolge deze de ontgrondingen verordening is vereist dient veertien dagen tevoren schriftelijk melding te worden gedaan aan gedeputeerde staten. De benodigde melding wordt voorbereid en tijdig ingediend. De tekst in het bestemmingsplan is hierop aangepast. 4.
Houtopstanden (cat.3, overige provinciale belangen) Niet duidelijk is of de houtopstanden aan de oostzijde van de haven worden gekapt. Op de verbeelding is er sprake van een bestemming Groen, maar op de inrichtingsschets is niet duidelijk of bomen blijven staan. Als de kap van de houtopstand groter is dan 10 are of bestaat uit een bomenrij van minimaal 21 bomen buiten de bebouwde kom, dan geldt er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan.
Reactie gemeente: Uit de huidige plannen blijkt dat eventuele kap van de houtopstand niet groter is dan 10 are of bestaat uit een bomenrij van minimaal 21 bomen en is er geen sprake van een meld- en herplantingsplicht. Op het momet dat uit de nadere planuitwerking blijkt dat de kap groter is dan de gestelde eisen zal voldaan worden aan de meld- en herplantingsplicht.
Overlegreactie 2 Brandweer Fryslân Brandweer Fryslân adviseert in overeenstemming met de punten in de overlegreactie om: Brandweer Fryslân te betrekken bij de uitwerking van het plan in het kader van opkomsttijden, bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid;
50
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
Oudega - Waterfront
Brandweer Fryslân ons op de hoogte te houden van de mate waarin ons advies is overgenomen. Reactie gemeente: Brandweer Fryslân wordt betrokken bij de nadere planuitwerking zoals geadviseerd en wordt op de hoogte gehouden van de mate waarin het advies is overgenomen.
Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven.
Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
NL.IMRO.0090.BP2020DPN013-0401
51