Bijlage 1 Bestemmingsplan Drachten Wetterwille
Tekst van het document
Afbeelding 2.14. Holten in bomen.
Afbeelding 2.15. Watergang ten noordwesten van plangebied.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 8 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Afbeelding 2.16. Nest van mogelijk zwarte kraai.
Afbeelding 2.17. Watergang ten noordoosten van plangebied.
Afbeelding 2.18. Haag ten oosten van plangebied.
2.2
Ingreep De opdrachtgever is voornemens om op het bestaande terrein een woonwijk te realiseren. De huidige gebouwen in het plangebied worden gesloopt, verder is de exacte nieuwe situatie en de planning niet bekend. In deze QuickScan wordt daarom ook uitgegaan van het verwijderen van bomen en bosschages en het dempen of uitbreiden van watergangen.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 9 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Resultaten veldbezoek en bureaustudie Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep. Onderstaand wordt gebruik gemaakt van de term “verstoringszone”. Deze term heeft betrekking tot de invloedsfeer welke is bepaald op de verwachte maximale verstoring die de onderhavige werkzaamheden mogelijk hebben op aanwezige natuurwaarden. Hierbij is rekening gehouden met tussenliggende elementen, visuele verstoring, verstoring door geluid, en verstoring door trillingen. De verstoringszone is per mogelijk aanwezige soort met expert judgement bepaald aan de hand van deze verstorende effecten en omgevingselementen, alsmede de gevoeligheid van de betreffende soort op basis van ecologie.
3.1
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 tot en met 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Uit een conceptversie omgevingsverordening van 2021 blijkt dat in ca. 2022 in de provincie Fryslân mogelijk een nieuwe lijst met jaarrond beschermde nesten in werking treedt, deze is echter nog niet definitief gemaakt en daarom nog niet geldig. Ook is het mogelijk dat deze lijst nog wijzigt of aan bepaalde voorwaarden verbonden is. Vogels die vallen in categorie 1 tot en met 4 zijn in concept aangevuld met de volgende soorten: aalscholver, blauwe reiger, bosuil, draaihals, dwergstern, grote stern, grote zilverreiger, huiszwaluw, ijsvogel, lepelaar, noordse stern, purperreiger, raaf, ringmus, stormmeeuw, torenvalk, zeearend, zwarte specht, zwarte stern en zwartkopmeeuw. De concept soorten worden meegenomen in de QuickScan omdat de bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsvinden in 2023. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is.
Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaarwegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’. Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Uit een conceptversie omgevingsverordening van 2021 blijkt dat in ca. 2022 in de provincie Fryslân mogelijk een nieuwe lijst met jaarrond beschermde nesten in werking treedt, deze is echter nog niet definitief gemaakt en daarom nog niet geldig. Ook is het mogelijk dat deze lijst nog wijzigt of aan bepaalde voorwaarden verbonden is.
Vogels die vallen in categorie 5 zijn in concept aangevuld met de volgende soorten: bergeend, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, eider, gekraagde roodstaart, glanskop, grote mantelmeeuw, grutto, kleine bonte specht, kleine mantelmeeuw, kokmeeuw, kraanvogel, middelste bonte specht, oeverzwaluw, paapje, ruigpootuil, scholekster, spreeuw, strandplevier, visdief en zilvermeeuw. De concept soorten worden meegenomen in de QuickScan omdat de bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsvinden in 2023.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 10 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Jaarrond beschermd (categorie 1 tot en met 4) Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in en binnen de verstoringszone van het plangebied. De bomen binnen de verstoringszone van de werkzaamheden zijn gecontroleerd op boomnesten. Er is in een boom in de ruigte in het westen van het plangebied, een nest van mogelijk zwarte kraai aangetroffen (zie categorie 5). Op basis van beschutting rondom het nest en de structuur van het nest wordt gebruik door sperwer uitgesloten. Ook wordt op basis van structuur gebruik door ransuil uitgesloten. In het verstoringsgebied, ten noordoosten van het plangebied, is in een boom nog een nest van mogelijk zwarte kraai waargenomen. Ook hier wordt op basis van beschutting gebruik door sperwer uitgesloten. Echter wordt op basis van structuur van het nest gebruik door ransuil niet uitgesloten.
Op basis van aanwezig habitat met bijbehorende urbane verstoring, afwezigheid van palen en masten binnen de verstoringszone, afstand tot grote wateren en zoute milieus en de afwezigheid van overige boomnesten binnen het plangebied kunnen nesten van aalscholver, blauwe reiger, boomvalk, bosuil, buizerd, draaihals, dwergstern, grote stern, grote zilverreiger, havik, lepelaar, noordse stern, oehoe, ooievaar, purperreiger, raaf, ringmus, roek, slechtvalk, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte stern, zwarte wouw, zwarte specht en zwartkopmeeuw worden uitgesloten. Ook voor kerkuil en steenuil is geen geschikte broedlocatie vanwege de afwezigheid van holtes en openingen in (en dus toegang tot) de omliggende gebouwen. Voor de grote gele kwikstaart is geschikt broedbiotoop afwezig vanwege de afwezigheid van een stromende beek of rivier. Voor de ijsvogel is geschikt broedbiotoop afwezig omdat hoge, steile oevers aan de watergangen in het plangebied ontbreken. Er zijn geen nesten aangetroffen van de huiszwaluw, waardoor de aanwezigheid van de huiszwaluw binnen het plangebied wordt uitgesloten. In de omgeving van het plangebied kunnen diverse soorten vogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen. De daken van de woningen in omgeving van het plangebied bieden potentieel geschikte nestgelegenheden voor gierzwaluw en huismus.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus en ransuil in het plan- en verstoringsgebied kan niet worden uitgesloten. Consequenties van de ingreep op jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus en ransuil staan beschreven in paragraaf 4.2. Mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Er is in een boom in de ruigte in het westen van het plangebied en in een boom ten noordoosten van het plangebied, een nest van mogelijk zwarte kraai aangetroffen. Ten zuiden van het plangebied is in een houtwal een nest van waarschijnlijk ekster waargenomen. In enkele bomen in de ruigte in het westen van het plangebied zijn holten gemaakt door spechten aangetroffen. Als deze holten groot genoeg zijn kunnen hierin soorten als pimpelmees en koolmees komen te broeden. Echter is geen sprake van een ecologisch zwaarwegende reden voor eerdergenoemde soorten omdat het slechts een enkel nest en enkele nestmogelijkheden betreft en er tevens voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn, waardoor de instandhouding van de soorten niet in gevaar worden gebracht. Daarom worden zwarte kraai, ekster, pimpelmees en koolmees net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Algemene broedvogels Er is in het plan- en verstoringsgebied geschikt habitat aanwezig voor diverse soorten algemene broedvogels.
In de bomen in het plan- en verstoringsgebied kunnen soorten als merel en vink tot broeden komen. In het riet van de watergangen en de vijver kunnen watervogels zoals wilde eend, meerkoet en waterhoen tot broeden komen. De aanwezigheid van algemene broedvogels kan daarom niet worden uitgesloten. Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 11 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
3.2
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven In en binnen de verstoringszone van het plangebied is gezocht naar potentiële verblijfsplaatsen voor vleermuizen.
In de ruigte in het westen van het plangebied zijn mogelijk geschikte holten in bomen aangetroffen welke kunnen dienen als kraam-, zomer- en/of paarverblijf voor boombewonende vleermuissoorten zoals rosse vleermuis of watervleermuis en als paarverblijfplaats voor ruige dwergvleermuis. Daarom kan de aanwezigheid van boombewonende vleermuissoorten in het plangebied niet worden uitgesloten. Het gebouw van de gymzaal bestaat uit een muur van metalen golfplaten zonder spouw en heeft een plat dak, waardoor er in het gebouw geen geschikte verblijflocaties voor vleermuizen aanwezig zijn. Het schoolgebouw bestaat uit houten kozijnen met gaten en spleten waarachter ruimte is welke kan dienen als zomer- of paarverblijfplaats voor ruige dwergvleermuis en/of laatvlieger. Het noordelijke deel van het schoolgebouw bestaat uit bakstenen muren met een spouw, welke te betreden is voor vleermuizen via de open stootvoegen. De spouw kan dienen als kraam-, zomer-, en/of paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger en als paarverblijfplaats voor ruige dwergvleermuis. De aanvliegbaarheid van deze mogelijke verblijfplaatsen is goed. Daarnaast kunnen ook de gebouwen in omgeving van het plangebied dienen als kraam-, zomeren/of paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis of laatvlieger en als paarverblijfplaats voor ruige dwergvleermuis.
De aanwezigheid van boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen in het verstoringsgebied kan niet worden uitgesloten. Consequenties van de ingreep op potentiële vleermuisverblijfplaatsen staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 12 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Vliegroutes In het plan- en verstoringsgebied zijn lijnvormige elementen zoals bomenrijen die mogelijk dienen als vliegrouteondersteuning voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg minstens even geschikte vliegrouteondersteuning aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentiële vliegrouteondersteuning beschouwd. Foerageergebied Door de aanwezigheid van water en bomenrijen is het plan- en verstoringsgebied geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg minstens even geschikt foerageergebied aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd.
3.3
Overige zoogdieren Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied enkele waarnemingen bekend zijn van een beschermde zoogdiersoort. Het gaat hier otter. Naast de bekende beschermde soort kunnen in de omgeving van het plangebied andere nog niet aangetroffen beschermde soorten aanwezig zijn. Echter worden deze op basis van habitat en bekende verspreiding niet verwacht in en binnen de verstoringszone van het plangebied. Otter Otters leven in oeverzones die liggen in gebieden met voldoende dekking en rust (Zoogdiervereniging, z.d.). Op basis van urbane verstoring en onvoldoende dekking in de watergangen wordt aanwezigheid van de otter in het plan- en verstoringsgebied uitgesloten.
3.4
Libellen Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied meerdere waarnemingen bekend zijn van beschermde libellensoorten. Het gaat hier om groene glazenmaker en sierlijke witsnuitlibel. Naast de bekende beschermde soorten kunnen in de omgeving van het plangebied andere nog niet aangetroffen beschermde soorten aanwezig zijn. Echter worden deze op basis van habitat en bekende verspreiding niet verwacht in en binnen de verstoringszone van het plangebied. Groene glazenmaker De groene glazenmaker plant zich voort in sloten, plassen en petgaten met een dichte mat krabbenscheerplanten. De imago’s houden zich op in de buurt van de voortplantingswateren (Vlinderstichting, z.d.). In de watergangen rondom het plangebied is aanwezigheid van krabbenscheer niet bekend waardoor de aanwezigheid van groene glazenmaker in het plan- en verstoringsgebied kan worden uitgesloten. Sierlijke witsnuitlibel De sierlijke witsnuitlibel plant zich voort in beschutte oevers van meren, veenplassen, vijvers en dode rivierarmen met een rijke onderwatervegetatie. De imago’s houden zich op in de buurt van de voortplantingswateren (Vlinderstichting, z.d.). Op basis van aanwezig habitat wordt de aanwezigheid van sierlijke witsnuitlibel in het plan- en verstoringsgebied uitgesloten.
3.5
Overige fauna Overige beschermde diersoorten zoals dagvlinders, reptielen, kreeftachtigen, vissen en weekdieren zijn niet bekend in de omgeving van het plangebied en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 13 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
3.6
Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid-Limburg. Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied meerdere waarnemingen bekend zijn van beschermde vaatplanten. Het gaat hier om groot spiegelklokje en stijve wolfsmelk. Naast de bekende beschermde soorten kunnen in de omgeving van het plangebied andere nog niet aangetroffen beschermde soorten aanwezig zijn. Echter worden deze op basis van habitat en bekende verspreiding niet verwacht in het plan- en verstoringsgebied. Groot spiegelklokje Het groot spiegelklokje groeit op open, zonnige, vochtige, stikstofarme, matig voedselrijke bodems (zowel op zand, zavel, leem, lichte klei als löss en mergel). Ze groeit op zandige stroomruggen in rivierdalen, op open plekken van dijken en bermen, in graanakkers, op stoppelvelden en braakliggende terreinen (FLORON verspreidingsatlas, z.d.). De waarneming betreft een ingezaaide bloeiende plant.
Op basis van aanwezig habitat binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van groot spiegelklokje, kan worden uitgesloten dat deze soort aanwezig is binnen het plangebied. Stijve wolfsmelk De stijve wolfsmelk groeit op open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems, vaak op stenige plaatsen (FLORON verspreidingsatlas, z.d.). Er is één waarneming gedaan tijdens een kilometerhoktelling ten noorden van het plangebied. Op basis van aanwezig habitat binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van stijve wolfsmelk, kan worden uitgesloten dat deze soort aanwezig is binnen het plangebied.
3.7
Zorgplicht In de waterlichamen in het plangebied komen diverse vrijgestelde amfibiesoorten voor zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Daarnaast zijn waarschijnlijk algemene vissoorten zoals blankvoorn, baars, karper en snoek aanwezig. Omdat er sloten worden gedempt of uitgebreid worden deze amfibie- en vissoorten behandeld in het kader van de zorgplicht. Consequenties van de ingreep op potentiële aanwezigheid van algemene amfibie- en vissoorten staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 14 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Effecten en gevolgen 4.1
Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. In dit geval wordt een uitzondering gemaakt voor algemene amfibie- en vissensoorten omdat er sloten worden gedempt of uitgebreid. Soortgroep Jaarrond beschermde nesten van vogels
Soort(en) Gierzwaluw, huismus en ransuil
Algemene broedvogels Diverse soorten
Bescherming
Aanwezig
3.1
Potentieel
3.1
Potentieel
Vleermuizen
Boombewonende en gebouwbewonende soorten
3.5
Potentieel
Amfibieën
Bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander
Zorgplicht
Waarschijnlijk
Vissen
Algemene zoetwatersoorten
Zorgplicht
Waarschijnlijk
Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden. 3.1 = Vogelrichtlijn, 3.5 = Habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermd.
4.2
Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Jaarrond beschermde nesten van vogels Onder de daken van de woningen in het verstoringsgebied bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en huismus. Deze soorten zijn dusdanig gewend aan een urbane en humane omgeving dat de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden geen significant effect zullen hebben op het broedsucces. Ook onder de daken van het schoolgebouw ten oosten van het plangebied bevinden zich mogelijk nesten van gierzwaluwen en huismus. Ook in dit gebouw geldt dat de geplande werkzaamheden niet storend zijn voor gierzwaluwen. Echter, verdwijnt een deel van de functionele leefomgeving voor huismus, zoals de haag op de oostelijke grens van het plangebied, welke zorgt voor dekkingsmogelijkheden. Daarnaast is in een boom ten noordoosten van het plangebied een nest van mogelijk ransuil aangetroffen. De geplande werkzaamheden hebben tot gevolg dat deze wordt verstoord. Het verstoren en van jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen van vogels is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.1 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 15 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Algemene broedvogels In het plan- en verstoringsgebied kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden in de buurt van in gebruik zijnde nesten worden uitgevoerd, heeft dit mogelijk een verstorende werking op de broedende vogels. Ook kunnen bestaande nesten vernield worden wanneer bomen en bosschages worden verwijderd in het vogelbroedseizoen. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen In het schoolgebouw en in holten in bomen in het plangebied bevinden zich mogelijk verblijfplaatsen van één of meerdere soorten vleermuizen. De sloop van het schoolgebouw en de kap van bomen met holten hebben tot gevolg dat eventueel aanwezige verblijfplaatsen verdwijnen. Daarnaast bieden ook de gebouwen in het verstoringsgebied geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Wanneer ‘s avonds of ’s nachts wordt gewerkt gedurende de actieve periode voor vleermuizen (circa 15 april tot en met 15 oktober), kan er lichtverstoring door het gebruik van bouwverlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren verminderen van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen.
Het verstoren en verwijderen van verblijfplaatsen van vleermuizen is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.3 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Zorgplicht voor amfibie- en vissoorten In de watergangen worden algemene amfibie- en vissoorten verwacht. Wanneer de watergangen worden gedempt of uitgebreid wordt de leefomgeving van deze soorten aangetast . Om te voorkomen dat de dieren worden gedood tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden is het wenselijk om, ten behoeve van de zorgplicht, de vervolgstappen te nemen die genoemd staan in paragraaf 5.4.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 16 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Soortgroep
Soort(en)
Bescherming
Aanwezig
Vervolgactie
Jaarrond beschermde Huismus en ransuil nesten van vogels
3.1
Potentieel
Mitigatie en nader onderzoek
Algemene broedvogels
Diverse soorten
3.1
Potentieel
Mitigatie
Vleermuizen
Boombewonende en 3.5 gebouwbewonende soorten
Potentieel
Mitigatie en nader onderzoek
Amfibieën
Bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander
Zorgplicht
Waarschijnlijk Mitigatie
Vissen
Algemene zoetwatersoorten Zorgplicht
Waarschijnlijk Mitigatie
Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is. 3.1 = Vogelrichtlijn, 3.5 = Habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermd.
5.1
Jaarrond beschermde nesten van vogels; nader onderzoek Nader onderzoek huismus In het schoolgebouw ten oosten van het plangebied bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde vogelnesten van huismus. Door de geplande werkzaamheden verdwijnt een deel van de functionele leefomgeving voor huismus, zoals de haag op de oostelijke grens van het plangebied, welke zorgt voor dekkingsmogelijkheden in de omgeving van de potentiele nestplaatsen. Het ongeschikt maken van deze potentiële nestplaatsen, door het verwijderen van de functionele leefomgeving is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Daarom moet, voordat de werkzaamheden van start kunnen gaan, eerst nader onderzoek worden uitgevoerd om de aanwezigheid van nestplaatsen te bevestigen dan wel uit te sluiten. Het nader onderzoek naar huismus bestaat uit minstens twee veldbezoeken die overdag worden afgelegd in de periode van 1 april tot 15 mei met een tussenpose van minstens 10 dagen tussen de veldbezoeken. Een bezoek heeft een lengte van een half uur. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat er geen nesten van huismus aanwezig zijn, is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft de jaarrond beschermde nesten van huismus.
Indien er echter nesten van huismus worden aangetroffen, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie. Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve nestgelegenheden in de omgeving.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 17 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Mitigatie of nader onderzoek ransuil Er is een nest van mogelijk ransuil aangetroffen in het verstoringsgebied. Het verwijderen, ontoegankelijk of ongeschikt maken van dit nest is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Omdat het nest buiten het plangebied valt en de boom niet wordt gekapt, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de ransuil te worden uitgevoerd. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen voor het broedseizoen van ransuil zijn maart tot en met juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer, uitzonderingen op deze regel. Wanneer de werkzaamheden starten in het broedseizoen van de ransuil dient vooraf nader onderzoek te worden uitgevoerd om het gebruik van de nestplaats te bevestigen dan wel uit te sluiten. Het gebruik van het nest door ransuil kan worden aangetoond door het uitvoeren van twee tot vier gerichte veldbezoeken. Deze moeten overdag na zonsopkomst plaatsvinden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Een bezoek heeft een lengte van een half uur. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat het nest niet in gebruik is, is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft het jaarrond beschermde nest van ransuil.
Indien er echter gebruik van het nest wordt gemaakt, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie. Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld buiten het vogelbroedseizoen te werken of het aanbieden van alternatieven nestmogelijkheden in omgeving.
5.2
Algemene broedvogels; mitigatie Mitigatie Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Indien de werkzaamheden starten aan het begin van het broedseizoen: Broedgevallen binnen het plan- en verstoringsgebied van de werkzaamheden moeten worden voorkomen. Het ongeschikt maken kan preventief gedaan worden door ruim voor het vogelbroedseizoen het gebied te ontdoen van geschikte nestgelegenheden. Deze preventieve maatregelen mogen echter niet in strijd zijn met andere beschermde natuurwaarden, in dit geval de haag op de oostelijke grens van het plangebied welke onderdeel kan zijn van de functionele leefomgeving van huismus. Dit kan op de volgende manieren: •
•
Door, ruim voor het vogelbroedseizoen, het kappen van bomen en struiken binnen het plangebied is er geen nestgelegenheid meer voor soorten zoals houtduif, merel en vink. Daarbij is het wenselijk om nieuwe nestmogelijkheden te creëren, of nestmogelijkheden elders te verbeteren, door het (terug)plaatsen van inheemse vegetatie. Door, ruim voor het vogelbroedseizoen, het korthouden van de oevervegetatie zoals riet binnen het plangebied is er geen nestgelegenheid meer voor verschillende soorten watervogels zoals wilde eend, meerkoet en waterhoen. Daarbij is het wenselijk om nieuwe nestmogelijkheden te creëren, of nestmogelijkheden elders te verbeteren, door het (terug)plaatsen van inheemse vegetatie.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 18 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen: Het plan- en verstoringsgebied dient eerst door een ter zake kundige ecoloog te worden gecontroleerd op aanwezigheid van broedvogels. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.
5.3
Vleermuizen; mitigatie en nader onderzoek Mitigatie Om effecten van lichtuitstraling op potentiële verblijfplaatsen in de omgeving van het plangebied te voorkomen wordt geadviseerd om eventueel te gebruiken verlichting weg te draaien van de gebouwen in omgeving van het plangebied. Dit is zeker noodzakelijk in de schemer en nacht (van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur na zonopkomst) gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa 15 april tot en met 15 oktober). Dit houdt in dat de verlichting naar beneden gericht dient te zijn op de werkzaamheden zodat er geen licht naar de omgeving kan uitstralen. Bij voorkeur wordt er bij het plaatsen van een licht gekozen voor amberkleurige verlichting. Nader onderzoek Het schoolgebouw en de holten in bomen in het westen van het plangebied dienen mogelijk als kraam-, zomer- of paarverblijfplaats voor vleermuizen. Het verwijderen, ontoegankelijk maken of verstoren van dergelijke verblijfplaatsen is een overtreding van de verbodsartikelen in de Wet natuurbescherming. Er dient doormiddel van nader onderzoek te worden uitgezocht of vleermuizen daadwerkelijk verblijven in het plangebied en hoe ze gebruik maken van het plangebied. Daarop kan beoordeeld worden of de effecten van de geplande werkzaamheden een ontheffing noodzakelijk maken op deze verbodsartikelen.
Het nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paarverblijven van gebouwbewonende vleermuizen bestaat uit vijf veldbezoeken. Drie van deze bezoeken moeten plaatsvinden tussen 15 mei en 15 juli, met tussenposes van minstens 30 dagen tussen de bezoeken. Minstens één van de drie bezoeken moet ’s ochtends voor zonsopkomst worden uitgevoerd, de overige bezoeken worden ’s avonds na zonsondergang uitgevoerd. In het najaar, tussen 15 augustus en 1 oktober, moeten nog twee bezoeken worden uitgevoerd rond middernacht. Tussen deze bezoeken moet minstens 20 dagen zitten. De bezoeken mogen alleen uitgevoerd worden als de weersomstandigheden binnen de grenzen van het vleermuisprotocol vallen. Het nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen bestaat uit vier veldbezoeken. Twee van deze bezoeken moeten plaatsvinden tussen 15 mei en 15 juli, met tussenposes van minstens 30 dagen tussen de bezoeken. Minstens één van de twee bezoeken moet ’s avonds na zonsondergang worden uitgevoerd. In het najaar, tussen 15 augustus en 15 september, moeten nog twee bezoeken worden uitgevoerd rond middernacht. Tussen deze bezoeken moet minstens 20 dagen zitten. De bezoeken mogen alleen uitgevoerd worden als de weersomstandigheden binnen de grenzen van het vleermuisprotocol vallen.
Indien uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat het schoolgebouw en de holten in bomen in het plangebied niet worden gebruikt als verblijfplaats door vleermuizen, dan is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van vleermuisverblijfplaatsen. Indien er echter verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie Friesland. Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 19 van 23
Interra Maatwerk LLP QuickScan Drachten, Wetterwille
5.4
Zorgplicht; mitigatie Mitigatie In de watergangen en vijver binnen het plangebied komen algemene soorten amfibieën en vissen voor. Deze zijn beschermd onder de zorgplicht en mogen niet opzettelijk gedood worden waardoor de volgende mitigerende maatregelen worden aangeraden: • • •
De watergangen en de vijver dienen niet gedempt of uitgebreid te worden bij temperaturen onder het vriespunt. Bij het droogleggen van een deel van een watergang dienen alle amfibieën en vissen een vlucht mogelijkheid richting een ander deel van de watergang te hebben. Bij het droogleggen van een complete waterpartij of watergang dient een erkend ecoloog aanwezig te zijn. Deze biedt ecologische begeleiding. Wanneer het waterpeil laag genoeg is zal de ecoloog de waterpartij afvissen en de gevangen amfibieën en vissen overbrengen naar een geschikte watergang of waterpartij welke onaangetast blijft nabij het plangebied.
Datum: 21 februari 2022 Rapport: R22.016, versie 1.0
blad 20 van 23