CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Belastingverordeningen 2026

Het Debat 16 december 2025, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Belastingverordeningen 202631.417 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Artikel 16 Citeerregel Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening watertoeristenbelasting Smallingerland 2026.

Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier,

voorzitter,

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen Smallingerland 2026 De raad van de gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening Smallingerland 2026; besluit vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN PARKEERBELASTINGEN SMALLINGERLAND 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; Motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990, met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; Houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet

1994, was ingeschreven; Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamel-parkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; Centrale computer computer van het bedrijf waarmee de gemeente Smallingerland een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of een ander communicatiemiddel; Gehandicaptenvoertuig: een voertuig als bedoeld in artikel 1, onder r, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Gehandicaptenparkeerkaart: Een parkeerkaart als bedoeld in artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer; Belanghebbendenplaats: Een parkeerplaats die: 1. is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van RVV 1990, of 2. is gelegen binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift "zone", voor zover deze plaats niet is uitgezonderd.

Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat 1. als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2.

als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel 5 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. 3.

Bij voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. 2. De belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon inloggen op de centrale computer. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4. Een naheffingsaanslag moet 30 dagen na dagtekening worden betaald. Artikel 8 Vrijstelling 1. De belasting, als bedoeld in artikel 2 wordt niet geheven van de houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart. 2. De vrijstelling is uitsluitend van toepassing indien de gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in het eerste lid met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk zichtbare en leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst in combinatie met een blauwe parkeerschijf met een maximale parkeerduur van 3 uur of een vergunning voor onbepaalde tijd.

Artikel 9 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Artikel 10 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1. Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig ook een wielklem worden aangebracht. 2. Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast. 3. Indien na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht De "Verordening parkeerbelastingen Smallingerland 2025", laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het artikel 13, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 13 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening parkeerbelastingen Smallingerland 2026.

Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier, voorzitter,

'

Tarieventabel 2026 behorende bij de "Verordening Parkeerbelastingen Smallingerland 2026" Maatstaven en tarieven parkeerbelastingen 1. Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt: a. € 2,10 per uur met een minimum van € 0,10 b. € 8,60 voor een dagkaart (parkeerduur gedurende de gehele dag) voor de parkeerterreinen Markt, Vogelzang, Sander Israëlsplein en Kiryat-Onoplein 2. Het tarief voor een parkeervergunning om te parkeren op een belanghebbendenplaats als bedoeld in artikel 2, onder b, bedraagt: a. voor een 1e vergunning (per adres) b. voor een 2e vergunning (per adres) c. voor een 3e vergunning (per adres)

€ 46,20 € 91,90 € 137,80

3. Het tarief voor een bezoekersvergunning om te parkeren (maximaal 3 uur) op een belanghebbendenplaats als bedoeld in artikel 2, onder b, bedraagt: a. voor 1 bezoekersvergunning (maximaal 1 per adres)

€ 46,20

4. Het tarief voor een parkeervergunning om te parkeren op de in de vergunning aangewezen parkeerapparatuurplaatsen als bedoeld in artikel 2, onder b, bedraagt: a. per dag b. per week c. per kalendermaand d. per kalenderjaar e. voor bewoners van het gebied betaald parkeren (zie bijlage 1 aanwijzingsbesluit voor het aanvragen en verlenen van een parkeervergunning) op één van de parkeerterreinen Markt, Vogelzang, Sander Israëlsplein en Kiryat-Onoplein f. voor houders van een geldige gehandicaptenparkeerkaart die woonachtig zijn in het gebied betaald parkeren (zie bijlage 1 van het bovengenoemde aanwijzingsbesluit) op één van de dichtstbijzijnde betaalde parkeerterrein in de buurt van het woonadres g. voor een hulpverlenersvergunning (huisartsen en verloskundigen) 5. Het tarief voor een ontheffing als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt: a. ontheffing voor parkeren blauwe zone d. ontheffing inrijden centrum (zie legesverordening)

€ 13,10 € 62,30 € 211,50 € 1.995,00

€ 177,40

€ 0,00 € 172,60

€ 46,20 € 37,70

6. De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen , 7. De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem Bedragen

€ 121,50

8. De kosten voor de overbrenging en bewaring bedragen: a. voor het overbrengen b. alsmede per gereden kilometer voor het overbrengen c. en voor het bewaren per dag

€ 223,90 € 1,00 € 72,90

€ 82,00

d. indien het overbrengen op werkdagen geschied tussen 18.00 en 8.00 uur wordt het bedrag voor het overbrengen verhoogd met e. geschiedt het overbrengen op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt het bedrag voor het overbrengen verhoogd met f. neemt het overbrengen meer tijd in beslag dan 3/4 uur, dan wordt het bedrag voor het overbrengen bovendien verhoogd per uur met waarbij een gedeelte van een uur voor een vol uur wordt gerekend,

Behoort bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier

€ 121,50 € 223,90 € 81,60

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot het vaststellen van de Parkeerverordening Smallingerland 2026 De raad van de gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025 ; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; besluit vast te stellen de volgende verordening: PARKEERVERORDENING SMALLINGERLAND 2026

Afdeling I DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: a. RVV 1990 b. motorvoertuigen c . parkeren

d. houder

e. parkeerapparatuur f. parkeerapparatuurplaats

: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 1990; : hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; : het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; : degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; : parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; : een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur;

g. belanghebbendenplaats

h. vergunning

i.

: een parkeerplaats die 1. is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 of 2. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; : een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuuren/of belanghebbendenplaatsen; vergunninghouder : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend.

Afdeling II PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN Artikel 2 1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken bij de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid. 2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan. Artikel 3 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 3. Een vergunning kan worden verleend aan: a. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I); b. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of een bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II). 4.

Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoen aan één van de in het derde lid genoemde vereisten. 5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen. 6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

Artikel 4 1. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. 3. Een besluit tot afwijzing van een aanvraag is met redenen omkleed. De aanvrager wordt van deze afwijzing schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 5 1. Een vergunning wordt voor ten hoogste één kalenderjaar verleend. 2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt; b. het gebied waarvoor de vergunning geldt; c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend. Artikel 6 1. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: a. op verzoek van de vergunninghouder; b. wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend: c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; e. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; f.

wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; g. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; h. om redenen van openbaar belang. 2. Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van de vergunning schriftelijk in kennis gesteld.

Afdeling III VERBODSBEPALINGEN Artikel 7 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder vergunning; b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat voertuig afgegeven vergunning; c. in strijd met de aan de vergunning gebonden voorschriften. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel 8 Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. Artikel 9 1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: a. op een parkeerapparatuurplaats; b. op een belanghebbendenplaats; 2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Afdeling IV STRAFBEPALING Artikel 10 Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de eerste categorie. Afdeling V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 11 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast door het college aangewezen personen. Artikel 12 Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Smallingerland 2026. Artikel 13 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 2. Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Parkeerverordening Smallingerland 2025, vastgesteld op 17 december 2024. 3. Vergunningen welke zijn verleend krachtens de Parkeerverordening Smallingerland 2024 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier

voorzitter

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Smallingerland 2026

De raad van de gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RECLAMEBELASTING SMALLINGERLAND 2026 Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. Jaar b. Maand c. onroerende zaak

: : :

d. Eigenaar

:

e. Gebruiker

:

f.

Exploitant

:

g. Tussenpersoon

:

h. openbare aankondiging

:

een kalenderjaar; een kalendermaand; een onroerende zaak als bedoeld onder hoofdstuk III van de "Wet waardering onroerende zaken"; degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht als bedoeld in hoofdstuk IV van de "Wet waardering onroerende zaken" degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt als bedoeld in hoofdstuk IV van de "Wet waardering onroerende zaken"; een natuurlijk- of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het ten behoeve van derden aanbrengen van openbare aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar staande c.q. gestelde onroerende zaken, werken, ruimten en/of terreinen; een natuurlijk- of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het verlenen van bemiddeling bij het tot stand brengen en sluiten van een overeenkomst in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in vaste dienst staat.; alle tot het publiek gerichte mededelingen die erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd.

Artikel 2 Gebiedsomschrijving Deze verordening is van toepassing op de straten en het gebied binnen het centrumgebied van Drachten zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Het betreft de volgende straten: Museumplein Zuiderbuurt Noorderbuurt Moleneind NZ Moleneind ZZ Noordkade Zuidkade Pier Panderstraat JG van Blomstraat Oude Nering Markt Oudeweg Westerstraat Houtlaan Kleine Beurs Oosterstraat Kerkstraat Raadhuisplein De Marke

1 t/m 3 1 t/m 65 1 t/m 95 2 t/m 34 (doorlopend) 3 t/m 69a (doorlopend) 1 t/m 22a (doorlopend) 1 t/m 18 (doorlopend) 4 4 t/m 22 1 t/m 5 1 t/m 67 19 t/m 25 1 1 t/m 31a 3 t/m 3b 1 t/m 27 3 t/m 9a 1 t/m 91 1 t/m 53

2 t/m 8 2 t/m 82 2 t/m 78b

2 t/m 134 4 t/m 34A 2 t/m 58 2 t/m 26 2 2 t/m 24 2 t/m 16

Artikel 3 Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen het gebied zoals in artikel 2 is aangegeven, een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Artikel 4 Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondiging wordt aangetroffen. 2. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting voor een openbare aankondiging, die met vermelding van de naam van een tussenpersoon is gedaan in verband met de verhuur of de verkoop van roerende en onroerende zaken, geheven van die tussenpersoon. 3. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt reclamebelasting voor een openbare aankondiging die is aangebracht door tussenkomst van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op daartoe beschikbaar gestelde oppervlakken, geheven van die natuurlijk persoon of rechtspersoon. Artikel 5 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2.

Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingtijdvak, bedraagt de belasting zoveel twaalfde gedeelte van het over het tijdvak verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden resteren. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelte van de voor het tijdvak verschuldigde belasting

als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden resteren. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de belastingplichtige binnen het gebied dat aan de reclamebelasting onderhevig is, verhuist en aldaar een andere onroerende zaak in gebruik neemt waarvoor de belastingplicht geldt. Artikel 7 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting voor het hebben van een openbare aankondiging wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak. 2. Het tarief is opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 8 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor: 1. het hebben van openbare aankondigingen, waarvan de aanwezigheid ingevolge wettelijk voorschrift moet worden gedoogd; 2. een openbare aankondiging die uitsluitend dient ten behoeve van de regulering van het verkeer over openbare land- en waterwegen; 3. een openbare aankondiging door publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak; 4. Openbare aankondigingen die door (semi) overheden of cultureel-maatschappelijke instellingen of politieke partijen zijn aangebracht of geplaatst en die betrekking hebben op door hen georganiseerde tijdelijke activiteiten met een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang; 5.

Openbare aankondigingen van religieuze, cultureel- maatschappelijke, ideële of charitatieve aard, aangebracht of geplaatst op onroerende zaken die in gebruik zijn bij de religieuze, cultureel-maatschappelijke, ideële of charitatieve instellingen die de aankondiging doen; 6. Openbare aankondigingen van scholen, verzorgingstehuizen, ziekenhuizen, en daarmee vergelijkbare instellingen; 7. Openbare aankondigingen die zijn aangebracht op bouwterreinen voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; 8. Openbare aankondigingen die zijn aangebracht door een tussenpersoon in verband met de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of de te verhuren zaak. Artikel 9 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2.

In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, mits het totaalbedrag van de aanslag meer bedraagt dan € 100,00. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. Indien de machtiging wordt ingetrokken, de rekening waarvoor de machtiging is afgegeven onvoldoende saldo bevat of als afschrijvingen worden geweigerd of gestorneerd, wordt het restant van de belastingschuld conform de termijnen genoemd onder 1, direct opeisbaar. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Aanmeldingsplicht De belastingplichtige bedoeld in artikel 4 is gehouden, indien hij na het in werking treden van deze verordening belastingplichtig wordt, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet. Artikel 13 Overgangsrecht De "Verordening reclamebelasting Smallingerland 2025", laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het artikel 14, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 14 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Artikel 15 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening reclamebelasting Smallingerland 2026. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier,

voorzitter,

TARIEVENTABEL 2026 behorende bij de “Verordening reclamebelasting Smallingerland 2026”. Maatstaf en tarief reclamebelasting De belasting als bedoeld in artikel 3, bedraagt per onroerende zaak

Behoort bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier van de gemeente Smallingerland.

€ 518,00

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de verordening op de heffing en invordering van een recht voor aansluiting op het gemeenteriool Smallingerland 2026

De raad van de gemeente Smallingerland; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op de artikelen 229, lid 1, aanhef en onder a, van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN EEN RECHT VOOR AANSLUITING OP HET GEMEENTERIOOL SMALLINGERLAND 2026

Artikel 1 Aard van de heffing Voor aansluiting van een perceel op het gemeenteriool wordt een recht geheven. Onder aansluiting wordt verstaan: het aanleggen en aansluiten van riolering vanaf het gemeenteriool tot aan de erfscheiding van het perceel. Artikel 2 Belastingplicht Het recht wordt geheven: a indien het perceel op verzoek wordt aangesloten van degene op wiens verzoek het perceel zal worden aangesloten; b indien het perceel ter uitvoering van een door burgemeester en wethouders op grond van de bouwverordening en of de wet Milieubeheer gestelde eis tot aansluiting op het gemeenteriool door de gemeente op kosten van de nalatige wordt aangesloten van degene, die krachtens enig zakelijk recht de beschikking heeft over het perceel. Artikel 3 Belastingtarief a. Woningen: voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen, overeenkomstig artikel 220a lid 2 van de gemeentewet, wordt een tarief geheven welke is vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. b. Niet-woningen: voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, overeenkomstig artikel 220a lid 2 van de gemeentewet, worden de begrote kosten van de individuele aansluiting in rekening gebracht. Artikel 4 Aanslag niet woningen De in artikel 3b genoemde begrote individuele aansluitkosten worden als volgt vastgesteld: 1.

Op verzoek van de in artikel 2 genoemde belastingplichtige verstrekt de gemeente een offerte voor de aansluiting. In de offerte wordt in ieder geval een opsomming van te verrichten werkzaamheden en de aansluitkosten opgenomen. 2. De belastingplichtige deelt de gemeente binnen een week na dagtekening schriftelijk mee indien akkoord wordt gegaan met de offerte rioolaansluitrecht. 3. De gemeente legt, overeenkomstig de offerte, een aanslag eenmalig rioolaansluitrecht op. 4. Verschillen tussen de geoffreerde kosten en de werkelijke kosten zullen niet met de belastingplichtige worden verrekend. Artikel 5 Voor percelen gelegen aan straten waarvan de riolering wordt verbeterd is de helft van het recht bedoeld in artikel 3 verschuldigd indien de aansluiting tijdens de verbeteringswerkzaamheden

plaatsvindt. Artikel 6 Vrijstellingen De rechten worden niet geheven voor percelen: a waarvan de gemeente krachtens recht van bezit of enig ander zakelijk recht de genothebbende is; b welke gelegen zijn aan de van gemeentewege aangelegde nieuwe straten in bestemmingsplannen. Artikel 7 Wijze van heffing Indien het perceel op verzoek wordt aangesloten, geven burgemeester en wethouders aan degene, die de aansluiting heeft verzocht, bericht van het verschuldigde bedrag. Aansluiting van het perceel op het gemeenteriool kan eerst plaatsvinden nadat het verschuldigde recht is voldaan. In het geval dat de aansluiting heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 2, onder b, wordt het recht door middel van een nota geheven en moet het worden voldaan binnen één maand na de dagtekening van de nota. Artikel 8 Overgangsrecht De “Verordening aansluitrecht gemeenteriool Smallingerland 2025”, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het artikel 9 tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 9 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 10 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening aansluitrecht gemeenteriool Smallingerland 2026. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier,

voorzitter,

Tarieventabel 2026 Behorende bij de “Verordening aansluitrecht gemeenteriool Smallingerland 2026”. Maatstaf en tarief aansluitrecht gemeenteriool Het recht als bedoeld in artikel 2 bedraagt

Behorende bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier van de gemeente Smallingerland,

€ 814,00

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Smallingerland 2026

De raad van de gemeente Smallingerland; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025 ; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: B E S L U I T: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RIOOLHEFFING SMALLINGERLAND 2026 Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; - water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven: a.

van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de\ gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig inde basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruiksdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, twee lid, onderdeel b, van de Gemeenteweg bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven,

aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel; 2. Als een perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoelde samenstel. Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. Artikel 6 Belastingtarieven De tarieven van de belasting, als bedoeld in artikel 3, zijn vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 5. Belastingaanslagen van minder dan € 10 worden niet opgelegd. 6.

Voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, mits het totaalbedrag van de aanslag meer bedraagt dan € 100,00. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. Indien de machtiging wordt ingetrokken, de rekening waarvoor de machtiging is afgegeven onvoldoende saldo bevat of als afschrijvingen worden geweigerd of gestorneerd, wordt het restant van de belastingschuld conform de termijnen genoemd onder 1, direct opeisbaar. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Overgangsrecht De “Verordening rioolheffing Smallingerland 2025”, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het artikel 12, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 12 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rioolheffing Smallingerland 2026. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier,

voorzitter,

Tarieventabel 2026 behorende bij de “Verordening rioolheffing Smallingerland 2026”. Maatstaven en tarieven rioolheffing 1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per perceel 2. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt per perceel

Behoort bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier van de gemeente Smallingerland

€ 205,00 € 116,00

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de verordening schutstalgelden Smallingerland 2026 De raad der gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op de artikelen 229, lid 1 aanhef en onder a en b en 229a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN SCHUTSTALGELDEN SMALLINGERLAND 2026 Artikel 1 Aard van de heffing 1 Voor het opbrengen en geleiden van vee uit de weide van een ander dan de eigenaar of houder van dat vee of van de openbare weg naar een door burgemeester en wethouders aangewezen schutstal, onverschillig of deze schutstal wordt bereikt, wordt een recht geheven. 2 Voor het bewaren en voederen van vee, dat naar een schutstal is gebracht, wordt eveneens een recht geheven. Artikel 2 Belastingplicht Belastingplichtig is de eigenaar of houder van het in artikel 1 omschreven vee. Artikel 3 Tarief Het tarief is vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel 4 Wijze van heffing De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende nota waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Burgemeester en wethouders stellen het model van de nota vast.

Artikel 5 Tijdstip van betaling De rechten moeten worden betaald vóórdat het geschutte of in bewaring gestelde vee wordt afgegeven aan de eigenaar of houder. Artikel 6 Overgangsrecht De “Verordening schutstalgelden Smallingerland 2025”, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het artikel 7, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 7 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 8 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening schutstalgelden Smallingerland 2026. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025, griffier,

voorzitter,

Tarieventabel 2026 behorende bij de “Verordening schutstalgelden Smallingerland 2026”. Maatstaven en tarieven schutstalgelden 1. Het in artikel 1, eerste lid, bedoelde recht bedraagt: a. voor een paard of een rund, per stuk b. voor elk ander soort vee, per stuk 2.

Het in artikel, 1 tweede lid bedoelde recht bedraagt per etmaal of een gedeelte daarvan: a. voor een paard of een rund, per stuk b. voor elk ander soort vee, per stuk

Behorende bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier van de gemeente Smallingerland,

€ 60,70 € 26,00

€ 26,00 € 13,00

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen Smallingerland 2026

De raad van de gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op het bepaalde in artikel 255 van de Gemeentewet, artikel 26 van de Invorderingswet 1990, de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden; overwegende dat het gewenst is om nadere regels te stellen voor het verlenen van kwijtschelding gemeentelijke belastingen; besluit vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING KWIJTSCHELDING GEMEENTELIJKE BELASTINGEN SMALLINGERLAND 2026 Artikel 1 Te verlenen kwijtschelding Bij de invordering van de volgende gemeentelijke belastingen kan kwijtschelding worden verleend: 1. de afvalstoffenheffing, als bedoeld in Hoofdstuk 1 van de tarieventabel behorende bij de "Verordening afvalstoffenheffing Smallingerland"; 2. de hondenbelasting (alleen voor de eerste hond); 3. de leges geheven voor de nationale identiteitskaart, voor zover de persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt; 4. de rioolheffing geheven van gebruikers van percelen. Artikel 2 Berekeningswijze kosten van bestaan 1. Bij de kwijtschelding wordt in afwijking van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 het percentage voor de berekening van de kosten van bestaan gesteld op 100% . 2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt overeenkomstig artikel 3 van de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden voor de vaststelling van de kosten van bestaan van pensioengerechtigden in plaats van de bijstandsnorm het netto-ouderdomspensioen gehanteerd. Artikel 3 Netto kosten kinderopvang Als uitgaven als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 worden mede in aanmerking genomen de in artikel 28, derde lid, van genoemde regeling bedoelde netto kosten van kinderopvang. Artikel 4 Extra toegestane financiële middelen In afwijking van artikel 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt het totale bedrag aan financiële middelen, bedoeld in dat onderdeel, verhoogd met: a. € 2.000 voor de belastingschuldige en zijn echtgenoot, b. 75% van het bedrag genoemd onder a voor een alleenstaande, en c. 90% van het bedrag genoemd onder a voor een alleenstaande ouder.

Artikel 5 Kwijtschelding aan ondernemers

Met inachtneming van het overigens in dit besluit bepaalde, wordt een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen die geen verband houden met de uitoefening van het bedrijf of beroep, van een natuurlijk persoon die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent, niet in behandeling genomen. Zelfstandig ondernemers komen niet in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen Artikel 6 Overgangsrecht De Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen Smallingerland 2025 , laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 7 genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op kwijtscheldingsverzoeken die voor die datum zijn ingediend. Artikel 7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 8 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen Smallingerland 2026. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025

griffier,

voorzitter,

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen Smallingerland 2026

De raad van de gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDEZAAKBELASTINGEN SMALLINGERLAND 2026 Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder:de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;

b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde, die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c.

onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252) aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en

palen; plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. sportterreinen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bebouwd zijn; 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. l.

Artikel 5 Belastingtarieven 1. 2. 3. 4.

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro’s. Belastingaanslagen van minder dan € 10 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van het bepaalde in het derde lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, mits het totaalbedrag van de aanslag meer bedraagt dan € 100,00. De eerste vervalt dan op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. Indien de machtiging wordt ingetrokken, de rekening waarvoor de machtiging is afgegeven onvoldoende saldo bevat of als afschrijvingen worden geweigerd of gestorneerd, wordt het restant van de belastingschuld conform de termijnen genoemd onder 1, direct opeisbaar. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Overgangsrecht De "Verordening onroerende-zaakbelastingen Smallingerland 2025", laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 9, tweede lid, genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 9 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 10 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen Smallingerland 2026. Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in zijn vergadering van 16 december 2025. griffier,

voorzitter,

Tarieventabel 2026 behorende bij de “Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Smallingerland 2026” Maatstaven en tarieven onroerende-zaakbelasting Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting b. bij de eigenarenbelasting: 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen

0,2720% 0,0971% 0,3312%

Maatstaven en tarieven onroerende-zaakbelasting (bij invoering ondernemersfonds)

Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting b. bij de eigenarenbelasting: 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen Behoort bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier van de gemeente Smallingerland,

0,3095% 0,0971% 0,3687%

Besluit van de raad van de gemeente Smallingerland tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van leges Smallingerland 2026 (Legesverordening Smallingerland 2026) De raad van de gemeente Smallingerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet, de artikelen 2, tweede lid, en 7 van de Paspoortwet en artikel 13.1a van de Omgevingswet; besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van leges Smallingerland 2026 Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: - dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; - week: een aaneengesloten periode van zeven dagen; - maand: het tijdvak dat loopt van ne dag in een kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand, met dien verstande dat als de ne dag in een kalendermaand 30 of 31 januari is, de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand altijd de laatste dag van de maand februari is; - jaar: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot en met de (n-1)e dag in het volgende kalenderjaar; - kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit; b. het verlenen van een dienst op aanvraag; of c. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document; een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan. Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16225574/1