CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Toelichting - 20230504 t NL.IMRO.0090.BP2022BGB094-0401

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan naast Fallaetswei 12a, Drachtstercompagnie13.550 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden in Friesland geldt dat er geen sprake mag zijn van ontwikkelingen die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (Verordening Romte Fryslân 2014, artikel 7.1.1, lid 3). Gelet op de afstand tussen de planlocatie, de aard van het initiatief en het Natuurnetwerk Nederland is er op voorhand geen sprake van aantasting en is een toets niet noodzakelijk. Gezien er sprake is van een grote afstand (7,1 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Aangezien er met de beoogde ontwikkeling een gasloze woning wordt gerealiseerd en de bedrijfswoning met de beoogde ontwikkeling komt te vervallen, zal er geen sprake van gasverbruik en zal de verkeersgeneratie niet of nauwelijks toenemen. Een berekening middels de AERIUSCalculator kan derhalve achterwege blijven. Dit wordt ook als zodanig geconcludeerd in de uitgevoerde Quickscan Wet natuurbescherming. Gelet hierop kan gesteld worden dat een AERIUSberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets achterwege kunnen blijven.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soorten- en gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming.

24

Wel dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• •

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

25

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Met behulp van de risicokaart is in beeld gebracht of er risicovolle inrichtingen in de buurt aanwezig zijn of dat er gevaarlijke stoffen in de omgeving worden vervoerd. Bevi-inrichting In de directe omgeving van het plangebied zijn geen gevaarlijke inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen per buisleiding In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Transport gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor In de omgeving van het plangebied is geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

26

Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Archeologie Met behulp van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) is de archeologische verwachting van het plangebied geraadpleegd. Het FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, voor de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van beide kaarten.

Uitsnede Archeologische kaart voor de Ijzertijd-middeleeuwen (links) en steentijd-bronstijd (rechts), plangebied in zwart kader

Voor het plangebied geldt dat er in de periode ‘de IJzertijd-middeleeuwen’ geen onderzoek benodigd is. Voor de periode ‘steentijd-bronstijd’ geldt dat alleen onderzoek nodig is bij grotere ontwikkelingen van meer dan 2,5 hectare. Onderhavig ontwikkeling is slechts kleinschalig van aard. Derhalve is ter plaatse van het plangebied geen archeologisch onderzoek noodzakelijk en worden er geen belemmering verwacht bij het aspect archeologie. Cultuurhistorie In het geldende bestemmingsplan hebben de gronden van het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied'. Deze gronden zijn mede bestemd voor behoud en herstel van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de landschapskaart van de gemeente Smallingerland.

27

Uitsnede Landschapskaart Smallingerland, plangebied in zwart kader

Zoals bovenstaande kaart laat zien is het plangebied gelegen 'wijkenlandschap'. Dit type landschap heeft de volgende kenmerken:

• • • •

in gebied aangegeven als

regelmatig patroon van wijken en sloten, haaks staand op ontginningsassen sterk opstrekkende verkaveling; de aanwezigheid van houtsingels in de oeverlijn van de wijken; verspreid voorkomende bebouwing.

Met de beoogde ontwikkeling wordt één woning gerealiseerd, met één laag en een kap. De kenmerken van het wijkenlandschap worden met de beoogde ontwikkeling niet aangetast, maar versterkt. Aan de westzijde van het plangebied, vanaf de Fallaetswei 12a, wordt de sloot doorgetrokken langs het plangebied. De houtsingels aan de randen van het plangebied blijven behouden. De cultuurhistorie wordt met de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve invloed heeft op archeologische en cultuurhistorische waarden. Het plan is in dit kader uitvoerbaar.

4.9 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

28

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Provinciaal waterbeleid In het waterbeheerprogramma van het 'Wetterskip Fryslân' staat vermeld hoe de provincie vorm wil geven aan het waterbeheer in de periode 2022- 2027. In het Waterbeheerprogramma van Wetterskip Fryslân staat vermeld hoe het waterschap vorm wil geven aan het waterbeheer in de periode 2022 – 2027. Hierin staan doelen die het waterschap in de planperiode wil bereiken. De thema’s waterveiligheid, voldoende water en schoon water vormen de basis voor het waterbeheer in Friesland. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen het beheersgebied van Waterschap Friesland. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Met de beoogde ontwikkeling wordt er één woning bijgebouwd.

Voor de ontwikkeling is de watertoets ingevuld op www.dewatertoets.nl. Op basis hiervan heeft Wetterskip Fryslân een wateradvies uitgebracht. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt de normale procedure. Het wateradvies van Wetterskip Fryslân is als bijlagen bij toelichting, bijlage 4 toegevoegd. Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied onverhard. Met de komst van de woning zal er sprake zijn van een toename in verharding in het plangebied. Voor ontwikkelingen in landelijk gebied geldt dat als er sprake is van verharding van meer dan 1.500 m² er watercompensatie dient plaats te vinden. Met de beoogde ontwikkeling wordt een woning met bijgebouw gerealiseerd. Naar verwachting zal er sprake zijn van een toename in verharding van ca. 500 m². Derhalve is er met de beoogde ontwikkeling geen sprake van een toename in verharding meer dan 1.500 m². De grenswaarde van het waterschap worden daarmee niet overschreden. Het is niet nodig om watercompenserende maatregelen te treffen. Toch wordt met de

29

beoogde ontwikkeling de sloot gelegen ten noordwesten van het plangebied, achter het perceel Fallaetswei 12a, doorgetrokken. De onderstaande afbeelding toont een weergave van de ligging van deze sloot.

ligging beoogde sloot (aangegeven in het blauw) (bron: gemeente Smallingerland)

Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.10 Verkeer en Parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De verkeersgeneratie van het plangebied is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Het plangebied is gelegen in een 'niet stedelijk' woonmilieu in het 'buitengebied'. Voor de woning is uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Voor een vrijstaande

30

woning geldt een verkeersgeneratie van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling is de verwachting dat Fallaetswei deze toename op kan vangen. Derhalve kan geconcludeerd te worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden ten aanzien van het aspect verkeer.

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. In de Parkeernormennota 2015 van de gemeente Smallingerland (vastgesteld 17 februari 2015) zijn de parkeernormen voor de gemeente Smallingerland vastgelegd. De hoogte van de parkeernormen is bepaald op basis van de parkeercijfers opgesteld door het CROW in de publicatie 'Toekomstbestending Parkeren'.

Bij het berekenen van de parkeernormen wordt uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm. Qua stedelijkheidsgraad wijken de dorpen en het buitengebied sterk af van de kern Drachten. De dorpen en het buitengebied vallen allemaal in de categorie 'niet stedelijk', Drachten valt in de categorie 'Matig stedelijk'. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de westrand van de kern Drachtstercompagnie. Aangezien het plangebied momenteel nog buiten de bebouwde kom is gelegen wordt uitgegaan van het 'buitengebied' als stedelijk zone. Voor de stedelijkheid wordt uitgegaan van het 'buitengebied'. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van één woning. Aangezien het plangebied ruim is opgezet, met een oppervlakte van ca. 1.600 m² en een woning van maximaal 150 m², zal er genoeg ruimte zijn om de parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

31

5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.

In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Regels Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

32

5.2 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemming 'Wonen - 1'. Hierbij worden, zoals verzocht door de gemeente Smallingerland, de regels van het bestemmingsplan 'Kleine kernen oost' overgenomen, aangevuld met een bepaling ten aanzien van het behoud en herstel van cultuurhistorische en landschappelijke waarden (houtsingels). In het plangebied wordt een bouwvlak opgenomen. Bepaald is dat de oppervlakte van een hoofdgebouw maximaal 60% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen en niet groter mag zijn dan 150 m². De diepte van een hoofdgebouw mag maximaal 15 meter zijn. Voor de overige maatvoeringen van de woning wordt aangesloten bij de toegestane hoogten van de woning gelegen ten noorden van het plangebied (Fallaetswei 12a). De beoogde woning krijgt daarmee een maximale goothoogte van 4 meter, een maximum bouwhoogte van 9 meter en een dakhelling tussen de 30 en 60 graden. Bovendien zijn, conform het voorbeeldbestemmingsplan, ook de minimale goot- en bouwhoogten van 0 m opgenomen. Daarnaast is in het voorliggende bestemmingsplan rekening gehouden met het 'Parapluplan Parkeernormen’ en met het ‘Paraplubestemmingsplan Wonen in Smallingerland’.

Als voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat het gebruik van bouwwerken overeenkomstig de bestemming 'Wonen - 1' uitsluitend is toegestaan indien de bestaande tweede bedrijfswoning Fallaetswei 17 binnen 6 maanden na gereedmelden van de nieuwe woning is gesloopt. Hiermee is de sloop van de bedrijfswoning juridisch geborgd. Er is verder geen aanpassing van dat deel van het geldende bestemmingsplan nodig, omdat daarin de regel is opgenomen dat per bouwvlak maximaal 1 bedrijfswoning is toegestaan, dan wel maximaal het bestaande aantal indien dit meer is. Met het onderhavige initiatief wordt een situatie bereikt waarin nog slechts sprake is van 1 bedrijfswoning. Voor het gehele plangebied is de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - laagvliegroute' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding geldt een maximum bouwhoogte van 40 meter. Omdat zo nauwgezet is aangesloten op de planregels van het bestemmingsplan 'Kleine kernen oost', wordt voor een beter begrip van deze planregels terugverwezen naar dit bestemmingsplan.

33

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente Smallingerland zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. In het kader van de haalbaarheid wordt rekening gehouden met onvoorziene kosten. De plankosten worden ook meegenomen in de anterieure overeenkomst in de vorm van een exploitatiebijdrage. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

34

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.1 Participatie Reeds in de zomer van 2021 heeft initiatiefnemer gesproken met de bewoner van Fallaetswei 12a. In september 2022 is het initiatief opnieuw informeel besproken met de betreffende bewoner van Fallaetswei 12a. Daarbij is gesproken over het doortrekken van de sloot en over het niet bouwen te dicht op de bestaande bomen. Initiatiefnemer zal de bewoner ook bij de verdere uitwerkingen blijven informeren. Daarnaast is een mediation gesprek gevoerd met de bewoners van het buurperceel. PM resultaten mediationgesprek

7.2 Overleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is het plan op 17 oktober 2022 toegestuurd naar de volgende vooroverlegpartners:

• • • •

Brandweer Fryslân. Provincie Fryslân; Tenet; Wetterskip Fryslân;

Tenet en het Waterschap Fryslân hebben aangegeven geen op-/ of aanmerkingen te hebben op de beoogde ontwikkeling. Hieronder zijn de opmerkingen van Brandweer Fryslân en Provincie Fryslân samengevat en waar nodig van een reactie (in cursief) voorzien. 1. Brandweer Fryslân (brief d.d. 20 oktober 2022) Brandweer Fryslân ziet geen noodzaak om bij dit concept-bestemmingsplan opmerkingen te plaatsen, omdat er geen risicovolle activiteiten op het plangebied van invloed zijn.

35

Brandweer Fryslân voorziet geen knelpunten ten aanzien van bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid hiervan. Verder geeft Brandweer Fryslân aan dat de opkomsttijd voor het plangebied circa 15 minuten bedraagt, waarmee de gestelde normtijd van 12 minuten uit het dekkingsplan van Brandweer Fryslân wordt overschreden. De brandweer stelt dat de overschrijding van de opkomsttijd gecommuniceerd moet worden met de initiatiefnemer zodat er een realistische verwachting is van de brandweer tijdens een incident. Reactie: initiatiefnemer wordt op de hoogte gebracht van de overschrijding van de opkomsttijd. Deze vooroverlegreactie geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. 2. Provincie Fryslân (brief d.d. 27 oktober 2022) a. Natuurinclusief bouwen In de Omgevingsvisie ‘De Romte Diele’ wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door in het ontwerp rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Daarbij kan worden gedacht aan gevelstenen met openingen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen. Wellicht is hierbij ook inspiratie op te doen met de “40 punten checklist” van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Verzocht wordt om de mogelijkheden voor natuurinclusief bouwen mee te nemen bij de verdere planvorming.

Reactie: het aspect natuurinclusief bouwen was nog niet meegenomen. De toelichting (paragraaf 3.2.1) is op dit punt aangevuld. Overigens is natuurinclusief bouwen een aspect dat niet in bestemmingsplan geregeld kan worden. Het gaat om uitvoeringszaken, zoals het toepassen van speciale stenen passen met invliegmogelijkheden voor vleermuizen of een tuininrichting die biodiversiteit stimuleert. Daarbij kan de genoemde 40 punten checklist als inspiratiekader dienen; de checklist is om die reden bij de initiatiefnemer kenbaar gemaakt. Voor de ontwikkeling worden vanuit de gemeente geen aanvullende eisen gesteld op dit vlak. b. Laagvliegroute De provincie gaf aan dat in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' regels gelden ten aanzien van een laagvliegroute. Geadviseerd wordt deze regels over te nemen. Reactie: de betreffende laagvlietroute was per abuis niet opgenomen. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast, waarbij op de verbeelding de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - laagvliegroute' wordt toegevoegd. Tevens worden de bijbehorende regels uit het geldende bestemmingsplan overgenomen in dit bestemmingsplan. c. Externe werking Natuurnetwerk Nederland In de toelichting wordt geconcludeerd dat de provincie ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geen toetsingskader heeft voor externe werking.

Opgemerkt wordt dat voor het Natuurnetwerk Nederland wel regels voor externe werking in de Verordening Romte zijn opgenomen (artikel 7.1.1, derde lid). Een toets is hier, gezien de afstand van het plangebied tot het NNN, niet nodig. Wel wordt geadviseerd de toelichting op dit punt aan te passen. Reactie: dat is inderdaad een onjuistheid. De toelichting (paragraaf 4.6) en de bijbehorende Quickscan Wet natuurbescherming (paragraaf 3.2) zijn op dit punt aangepast. d. Ontgronding Een bestaande sloot ten noordwesten van het plangebied wordt doorgetrokken achter het perceel Fallaetswei 12a. Er is sprake van een ontgronding, maar die wordt niet in het plangebied gedaan. In het kader van het voorliggende plan is verdere actie niet nodig. Wel wijst de provincie op de Ontgrondingenverordening Friesland. Die is van toepassing op de beoogde ontgronding. Beoordeeld moet worden of een vergunning voor de ontgronding nodig is. Dit kan worden afgestemd met de Fumo. Reactie: dit heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan. In het vervolgstadium dient dit afgestemd te worden met de FUMO (De Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing).

36

7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Naast Fallaetswei 12a, Drachtstercompagnie' heeft vanaf donderdag 8 december 2022 tot en woensdag 18 januari 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan indienen. Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is weergegeven en van een reactie voorzien in de zienswijzenota die als bijlagen bij toelichting, bijlage 5 is bijgevoegd. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wel is een ambtshalve aanpassing doorgevoerd met betrekking tot een juridische regeling voor het behoud en herstel van houtsingels. PM zienswijzennota

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12971385/1