Beheerplan Nieuwe Marke Peinder Mieden sept 2013
Tekst van het document
Beheerplan Nieuwe Marke Peinder Mieden
In opdracht van en samenwerking met InnovatieNetwerk en Gemeente Smallingerland September 2013
1
Inhoudsopgave
1
2
3
Inleiding ...................................................................................................................... 4 1.1
Doel beheerplan .................................................................................................... 4
1.2
Beschrijving plangebied en huidig beheer .............................................................. 5
1.3
Ruimtelijk ontwerp............................................................................................... 11
Beheervisie................................................................................................................. 17 2.1
Doelen en ambitie beheer .................................................................................... 17
2.2
Randvoorwaarden vanuit beleid ........................................................................... 17
2.3
Beheertypen......................................................................................................... 19
2.3.1
Inrichtingsbeheer .......................................................................................... 19
2.3.2
Regulier beheer: dagelijks beheer ................................................................. 21
2.3.3
Regulier beheer: cyclisch beheer ................................................................... 22
Beheerschets per functionele eenheid......................................................................... 23 3.1
3.1.1
Grazige weilanden ........................................................................................ 25
3.1.2
Singels .......................................................................................................... 25
3.2
Waterbeheer ........................................................................................................ 25
3.2.1
Natuurwateren .............................................................................................. 25
3.2.2
Sloten met beheer ......................................................................................... 26
3.2.3
Centrale sloot ............................................................................................... 26
3.3
4
Natuur en landschap ............................................................................................ 25
Recreatie ............................................................................................................. 26
3.3.1
Paden en wegen ............................................................................................ 26
3.3.2
Parkeerplaats(en) .......................................................................................... 26
Uitwerking beheer per object ..................................................................................... 27 4.1
Grazige weilanden ............................................................................................... 27
4.2
Singelbeheer ........................................................................................................ 27
4.3
Natuurwateren ..................................................................................................... 28
4.4
Sloten met beheer ................................................................................................ 29
4.5
Centrale sloot ...................................................................................................... 29
4.6
Paden en wegen ................................................................................................... 29
4.7
Parkeerplaatsen ................................................................................................... 30
2
5
Monitoring ................................................................................................................. 31 5.1
5.1.1
Verplichte monitoringselementen.................................................................. 31
5.1.2
Toezicht en controle ..................................................................................... 31
5.1.3
Optionele monitoring .................................................................................... 32
5.2 6
Methode: monitoringplan ..................................................................................... 31
Planning .............................................................................................................. 32
Organisatie, verantwoordelijkheden, financiering en kwaliteitsborging ....................... 34 6.1
Organisatie en verantwoordelijkheden ................................................................. 34
6.2
Financiering ......................................................................................................... 37
6.3
Kwaliteitsborging ................................................................................................. 37
3
1 1.1
Inleiding Doel beheerplan
Het doel van de Nieuwe Marke Peinder Mieden (voorheen Nieuwe Marke Opeinde) is een samenhangend landschap te realiseren met een rijke natuur, dat vrij toegankelijk is en waarin het karakteristieke landschapsbeeld behouden blijft. Landschappelijk passende
woningbouw financiert dit. Zie de ontwerpschets in figuur 1.
Het beheer dat hierbij hoort, zal zoveel mogelijk gebaseerd zijn op natuurlijke processen. Hierdoor ontstaat robuuste natuur die vanwege die robuustheid goed samengaat met volledige toegankelijkheid, rijk is aan soorten en betaalbaar is.
Dit resulteert in een eindbeeld met bloemrijke graslanden, open water, moeras en riet tussen de singels en de karakteristieke verkaveling.
Dit beeld komt tot stand via inrichting en beheer. Inrichting heeft betrekking op
grondverzet, aanleg van wegen en paden, watergangen, bruggetjes, rasters etc. Na de
inrichting gaat de natuur zich instellen op de nieuwe situatie. Om de vegetatieontwikkeling
na de inrichting te begeleiden en binnen de grenzen te houden van wat gezien het eindbeeld wenselijk is, is beheer nodig.
Omdat het gaat om een vrij abrupte overgang (veranderd waterpeil, wegvallen agrarisch
gebruik) is eerst een aantal jaren overgangsbeheer nodig. Deze eerste periode vereist extra beheersinspanning en er kan sprake zijn van onverwachte ontwikkelingen waar een
oplossing voor gevonden moet worden. Zo kan het gebeuren dat delen van het gebied
verruigen omdat er nog grote hoeveelheden voedingsstoffen in de bodem aanwezig zijn. Dit overgangsbeheer is dus niet gericht op het handhaven van een gewenste situatie (zoals bij
het beheer van een weg) maar op het bereiken van een gewenste situatie. Het is derhalve onderdeel van de inrichting van het gebied en wordt daarom ook wel inrichtingsbeheer genoemd. Het kan gezien worden als de tegenhanger van het bouwrijp maken van de
woonkavels: in enkele jaren tijd wordt een vertrekpunt gecreëerd waarop de natuur verder kan bouwen.
Aansluitend op de periode van inrichtingsbeheer begint het reguliere beheer. De verwachting is dat de fase van inrichtingsbeheer 5 jaar in beslag neemt, waarbij de intensiteit van de
ingrepen langzaam zal afnemen. Daarna volgt regulier beheer, dat in principe tot in lengte van dagen gecontinueerd zal worden.
Voorliggend concept beheerplan biedt de kaders en richtlijnen voor zowel het
inrichtingsbeheer als het reguliere beheer. Het is een handreiking voor de beheerders van de Nieuwe Marke: in de eerste jaren is dat de gemeente, daarna gevolgd door de nieuwe bewoners van het gebied. NB: Het ruimtelijk ontwerp en het inrichtingsplan zijn nog niet definitief; verscheidene
elementen vragen nog om detailuitwerking. Voorliggend beheerplan is gebaseerd op de huidige stand van zaken.
4
Figuur 1: ligging en ontwerp Nieuwe Marke Peinder Mieden (Stroming, februari 2013)
1.2
Beschrijving plangebied en huidig beheer
Het plangebied van de Nieuwe Marke ligt tussen Opeinde en Drachten in de provincie
Fryslân, zie figuur 1. Het meest noordelijke deel ervan behoort tot het nationaal landschap Noardlike Fryske Wâlden, zie de gekleurde delen in figuur 2.
In het noorden grenst het plangebied aan het dorp Opeinde; direct ten zuiden ervan ligt
Drachten met haar industrieterrein De Haven. Het plangebied wordt in het zuiden begrensd
door de Burmaniasloot (voormalig riviertje de Dragt), in het noorden door de openbare weg
(Kletten/Hegewei) en ten westen door de bebouwde kom van Opeinde en de Opeindervaart. De oppervlakte van de Nieuwe Marke exclusief reeds bebouwde kavels in en aan de rand van het gebied bedraagt 94,3 hectare.1 In het noordwesten liggen vijf particuliere woningen met
tuinen en huiskavels. Deze percelen blijven buiten de Nieuwe Marke en vallen niet onder het beheer zoals in dit beheerplan beschreven. Ook het beheer van de nieuw te ontwikkelen privé kavels valt buiten het bestek van dit beheerplan: het is aan de bewoners om deze
kavels in te richten. Als een bewoner daarvoor kiest, kunnen uiteraard wel (delen van) de
1 Stand van zaken juni 2013; deze waarden worden aangepast als er wijzigingen optreden.
5
privé kavels qua beheer worden aangesloten op het natuurgebied. Het gehele gekleurde gebied uit figuur 1 betreft het beheergebied, met uitzondering van de twee wateren die er langs lopen, de Opeindervaart en de Bumaniasloot. De vijf bestaande huiskavels vallen eveneens buiten het beheerplan (zijn dan ook niet gekleurd).
Figuur 2: ligging nationaal landschap Noardlike Fryske Wâlden binnen het plangebied
Het landschap bestaat uit langgerekte graslandpercelen omzoomd door singels, in een kleinschalig patroon dat karakteristiek is voor dit deel van de provincie.
Het gebied kenmerkt zich door de bijzondere hoogteligging. Door het westelijke deel loopt
de 0-meter lijn, de lijn van het zeeniveau. De perceelsgrenzen onder dit niveau bestaan uit slootjes, erboven bestaan deze uit singels. Hierdoor is in het landschap zichtbaar hoe
subtiele hoogteverschillen in het verleden gebruikt werden om eigendommen zo efficiënt mogelijk af te bakenen.
Ook de natuur reageert op het bescheiden reliëf: in de wat lagere delen (tussen 0 en 1 m +NAP) bestaan de singels voornamelijk uit elzen, terwijl op plekken die een meter hoger
liggen ook eiken, berken en verschillende struiksoorten verschijnen. Het zijn slechts enkele voorbeelden van de landschappelijke variatie die hier op minder dan 100 hectare aanwezig is. Niet voor niets is het noordelijke deel van het gebied onderdeel van het Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden.
6
Huidig beheer
Het beheer is tot op heden grotendeels agrarisch. Op een flink deel van de gronden is het oorspronkelijke gebruik als grasland vervangen door de teelt van maïs.
De singels worden beheerd door de eigenaren en de pachters. Dit betreft beperkt beheer, voornamelijk bestaand uit het afzagen van bomen die zich te ver uitbreiden. Een vijftal
singels is in 2010 tot op de grond afgezet, waarna de bomen weer opnieuw zijn uitgelopen. Een deel van de singels is uitgerasterd, maar langs de meeste singels ontbreken rasters, of worden deze niet meer beheerd. Vraatschade door vee komt op beperkte schaal voor. Er is geen aanvullend beheer in het deel van het plangebied dat tot het Nationale Landschap De Noardlike Fryske Wâlden behoort: de titel markeert de kwaliteit van het landschap, maar vereist geen aanvullende activiteiten. Een deel van de singels in de De Noardlike Fryske
Wâlden maakt onderdeel uit van het zogenaamde singel- en houtwallenbeheer, waar een
vergoeding voor wordt gegeven door de overheid. Dat geldt echter niet voor de singels in het plangebied. 0-meting De toestand van de singels in het plangebied is te zien op onderstaande luchtfoto, daterend
van mei 2012.
Figuur 3: luchtfoto plangebied (bron: Bing earth)
7
In 2012 heeft Landschapsbeheer Friesland de kwaliteit van de singels in Smallingerland in kaart gebracht. Binnen de inventarisatiegrenzen valt het plangebied van de Nieuwe Marke Peinder Mieden positief op. Desalniettemin is verbetering mogelijk, zowel van de
onderhoudstoestand als van de kwaliteit van de singels; zie figuur 4. Deze kwaliteitsklasse is voornamelijk gebaseerd op de bedekkingsgraad van het element. Hoe hoger de
bedekkingsgraad, hoe hoger de kwaliteitsklasse. In principe geldt de volgende beoordeling van kwaliteitsklassen:
klasse 1
bedekkingsgraad 90-100%
klasse 3
bedekkingsgraad 50-70%
klasse 2 klasse 0
bedekkingsgraad 70-90%
bedekkingsgraad 0-50%
Op basis van een matige of slechte onderhoudstoestand kan een element ingedeeld worden in een lagere klasse, terwijl die een hoge bedekkingsgraad heeft.
Figuur 4: kwaliteit van de singels (bron: Landschapsbeheer Friesland, 2012)
Doordat de klasse-indeling ook een bedekkingsgraad van 0% omvat, komt het voor dat er
lijnen in de kwaliteitskaart zijn opgenomen waar geen singel staat. In de praktijk bleek dan ook dat er in een deel van de aangegeven singels openingen (‘gaten’) aanwezig zijn,
regelmatig van 10-20 meter, soms aanzienlijk groter. Over het algemeen liggen deze
ontbrekende delen in trajecten die door Landschapsbeheer Friesland zijn aangeduid als ‘slecht’ tot ‘zeer slecht’ van kwaliteit.
8
Om het beeld van de inventarisatie bruikbaar te maken als 0-meting voor dit beheerplan is het noodzakelijk te weten dat er momenteel op die locaties überhaupt géén houtige
gewassen groeien. Zodoende is aan de hand van luchtfoto’s daterend van mei 2012 (zie
figuur 3) en veldbezoek in 2012-2013 de inventarisatie van Landschapsbeheer Friesland ten behoeve van dit beheerplan verfijnd. Zie figuur 5.
Figuur 5: toelichting op de verschillende singeltypen in relatie tot de beheerverantwoordelijkheden, en verschil tussen de inventarisatie van Landschapsbeheer Nederland en aanvullende inventarisatie door Stroming (Alphons van Winden). De rode delen in deze kaart zijn delen die in de landschapsinventarisatie aangegeven zijn als singel, maar op de luchtfoto/ tijdens veldbezoek niet begroeid blijken te zijn met houtige gewassen.
Ten aanzien van het beheer zijn er vervolgens verschillende typen singels:
1. De singels langs de Hegewei/Kletten (in figuur 5 aangegeven in donkergroen).
Dit zijn vooral grotere bomen. Het beheer hiervan valt niet onder verantwoordelijkheid van de Nieuwe Marke Peinder Mieden.
9
2. De singels langs de kavels/tuinen van bewoners die nu al in het gebied wonen (geel
aangegeven in figuur 5). Het beheer hiervan zal in overleg met deze bewoners plaatsvinden. 3. Overige singels binnen de plangrens: het beheer hiervan is de verantwoordelijkheid van
de Nieuwe Marke Peinder Mieden.
De totale lengte van de singels die onder het beheer van dit beheerplan vallen, betreft 16.587 meter. Deze hoeveelheid is als volgt vastgesteld:
Aantal meter
Basis: inventarisatie Landschap Friesland
16.904
Waarvan dubbele singels
2.193
Singels buiten het beheerplan
Singels volgens figuur 5: niet aanwezig (rode delen in figuur 5)
727
Singels langs de Hegewei/Kletten (donkergroen figuur 5)
1.202
Singels grenzend aan privé percelen (geel; nadere afspraken beheer nodig)
1.612
Vallend binnen beheerplan
13.363
Dubbele singels gelden niet als twee keer de lengte; de meters zijn één maal meegeteld.2
Ook hierbij is de inventarisatie van Landschapsbeheer Friesland aangehouden: dubbele singels zijn hierin zowel te vinden aan de twee zijden van een (al dan niet droge) greppel/sloot, als aan beide zijden van een weggetje.
Een klein deel van deze lengte zal verdwijnen door de inrichting, en naar verwachting ook door het veranderde beheer (vernatting):
Singels die (mogelijk) verdwijnen
Aantal meter
Verdwijnen bij inrichting (aanleg dwarssloot; donkerblauw in figuur 5)
142
Mogelijk verdwijnen door beheer (vernatting/aanleg rietmoeras; lichtblauw)
747
Deze meters worden gecompenseerd in de rode delen van figuur 5, de nu ontbrekende delen binnen de bestaande singels. Voor de singels die zeker verdwijnen zal dat voor aanvang van de herinrichting gebeuren; voor de overige singels zal dat gebeuren op het moment dat blijkt dat de singels inderdaad zich niet kan kunnen handhaven in de vernatte
omstandigheden. Wanneer dubbele singels verdwijnen, worden dubbele singels teruggeplaatst.
Ook voor de graslandsituatie zal een 0-meting plaatsvinden die de huidige toestand in kaart brengt (mate van verruiging door opslag van houtige gewassen; zie hoofdstuk 3).
2 Ter illustratie een rekenvoorbeeld: er staat 15 meter singel, waarvan 1 dubbel; in totaal is er dan 16
meter aan struiken aanwezig. Dit is omschreven als “15 meter singel, waarvan 1 meter dubbel”. 10
1.3 Ruimtelijk ontwerp De unieke kwaliteiten en potenties van het huidige landschap vormen het vertrekpunt
voor het ontwerp Nieuwe Marke Peinder Mieden, zie de uitwerking in figuur 1. Uitgangpunt van de Nieuwe Marke is dat 95% van het areaal uit vrij toegankelijke natuur bestaat. Het ruimtelijke ontwerp voor dit deel is wat natuur en landschap betreft gebaseerd op de volgende uitgangspunten: Landschapsbehoud
Behoud van de huidige verkaveling, historische paden en singels. Hieronder valt ook het
opwaarderen van historische paden tot ontsluiting- of wandelroutes; ze blijven onverhard.
Het is de ambitie om alle singels qua onderhoud en kwaliteit ‘uit het rood’ te halen: de (zeer) slechte trajecten worden verbeterd. Respect voor reliëf
De vegetatie kan zich ontwikkelen volgens de huidige hoogteverdeling, de onbebouwde
percelen worden niet verlaagd of opgehoogd, wel worden enkele wateren gegraven. Voor een deel van de woonclusters worden wel gronden opgehoogd. Ruimte voor water en waterzuivering
Een natuurlijker waterpeil, zowel qua kwantiteit als kwaliteit.
Kwantiteit: het peilbeheer in het zuiden van het projectgebied wordt aangepast, waarbij een deel van de sloten is afgekoppeld van de boezem. De waterstand komt hier hoger te liggen
dan in de omgeving en kan meer fluctueren. De laagste delen zullen in natte perioden enkele decimeters onder water staan. Door deze buffering in de sloten en op een deel van het land wordt neerslag langer vast gehouden, waardoor de boezem minder wordt belast. Concreet: •
Waterpeil in de sloten in het zuidelijke deel opzetten met 0,5 meter tot 0 m NAP; het zuidwestelijke deel van het gebied vernat.
•
Het waterpeil in dit gedeelte krijgt een natuurlijk verloop en volgt het patroon van neerslag en verdamping, binnen de grenzen van Wetterskip Fryslân.
De redenen om dit te doen, zijn het accentueren van de hoogteverschillen, de natuurlijke
variatie (nat/droog) neemt toe en daardoor de biodiversiteit, de Friese Boezem wordt ontlast (maatschappelijk doel en support Wetterskip) en het biedt de mogelijkheid een deel van de sloten “van de legger te halen” zodat de onderhoudsplicht en daarmee gepaard gaande beheerslasten vervallen.
Waterkwaliteit: verbeteren van de chemische en ecologische waterkwaliteit. Aanleg van enkele poelen (in het noorden van het plangebied) en oevers worden natuurlijk ingericht
(noordoever Burmaniasloot in het zuiden en oever Opeindervaart in het zuidwesten). (In het
noordwesten niet; daar liggen steigers die niet bij het plangebied horen.) Hierdoor ontstaan extra paaimogelijkheden voor vis en broedgelegenheid voor vogels. De poelen staan in
verbinding met het Opeindervaart wat bevorderlijk is voor de waterkwaliteit van de boezem. Behalve de poelen wordt in het noorden ook een historische sloot heringericht. De sloot is
op oude kaarten goed te zien, als de enige schuine lijn in het gebied. Deze sloot krijgt een breedte van insteek van insteek van ca 10 m en heeft ondiep water (ongeveer 1,5 meter
11
waterdiepte) met natuurlijke oevers. Ruimte voor natuurlijke processen…
Via spontane ontwikkeling ontstaat tussen de elzensingels een gevarieerd natuurlandschap. Op de hogere delen komen bloemrijke graslanden, langs het water rietzomen. In de nattere graslanden zullen andere grassen en bloemen voorkomen dan in de hoger gelegen droge
graslanden. In de laagste delen (onder de 0 m NAP) kan het water zolang blijven staan dat zich hier een moerassige zone met riet en moerasplanten ontwikkelt. ... waaronder natuurlijke begrazing
Een kudde wild levende runderen, mogelijk aangevuld met paarden, die het hele jaarrond hier graast, zorgt ervoor dat het gebied open blijft en niet 'verruigt' en 'verbost'. De
dichtheid is laag (1 dier op 2 a 3 hectare) en gebaseerd op de natuurlijke draagkracht van het gebied. Vanwege de hoge voedingstoestand van de agrarisch gebruikte gronden is de
eerste jaren mogelijk een iets hogere dichtheid nodig. De dichtheid van de grazers blijft zo laag dat de houtsingels weinig risico lopen op vraatschade. Mocht lokaal toch vraatschade dreigen dan is een (tijdelijk) raster voldoende om dit op te lossen. Ruimte voor recreatie
Er worden wandelroutes aangelegd en (als de financiën daarvoor beschikbaar komen) een
doorgaand fietspad. Buiten de gebaande paden gaan is toegestaan. Het hart van het gebied is per kano of roeiboot bereikbaar en voor plezierjachten is het via de Drachtstervaart
verbonden met de Wijde Ee, de route naar Oudega en de Alde Feanen. Uiteraard is er ruimte voor hengelsport in de brede sloten, langs de poel en langs de vaart.
De volgende pagina’s geven referentiebeelden van hoe de Nieuw Marke Peinder Mieden eruit zal gaan zien. De vier bladzijden foto’s tonen de verschillende vegetatiestructuren,
respectievelijk de open waterpartijen, vochtige graslanden en riet, de bloemrijke graslanden en de singels (houtwallen). Deze beelden zijn richtinggevend bij de inrichting, maar zeker
ook bij het beheer van het gebied. De monitoring (hoofdstuk 5) maakt gebruik van dergelijke beelden om te bepalen of de doelen gerealiseerd zijn, of dat het beheer aangepast moet worden.
NB: Het ruimtelijk ontwerp en het inrichtingsplan zijn nog niet definitief; verscheidene
elementen vragen nog om detailuitwerking. Voorliggend beheerplan is gebaseerd op de huidige stand van zaken. Hierin zijn dus nog onduidelijkheden, bijvoorbeeld hoeveel parkeerplaatsen er komen en op welke locatie.
12
De foto’s geven een indruk van hoe de waterpartijen uit gaan zien en wat daar te beleven is
13
In de lagere delen zullen vochtige graslanden ontstaan, in de aller natste delen riet
14
Bloemrijke graslanden met hier en daar struweel zullen zich ontwikkelen op de hogere delen
15
De houtsingels in het gebied blijven behouden als belangrijke landschapskarakteristiek
16
2
Beheervisie
2.1 Doelen en ambitie beheer De doelstelling van de Nieuwe Marke Peinder Mieden voor natuur en landschap is een
samenhangend landschap te realiseren (niet versnipperd), vrij toegankelijk, met een rijke natuur (planten en dieren) waarin de singels en de percelering behouden blijven.
Qua beheer is de inzet daarbij met zo min mogelijk ingrepen zo veel mogelijk resultaat te boeken op het vlak van samenhang, toegankelijkheid, beleefbaarheid, biodiversiteit,
natuurlijke processen en betaalbaarheid. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van en ingespeeld op natuurlijke processen want dit levert natuur op die robuust is (belangrijk in verband met openstelling) en duurzaam (ecologisch en economisch). Er zijn vereiste landschapelementen (singels en openheid graslanden), maar geen
ecologische doelen (habitattypen/ doelsoorten) voor het beheer van de Nieuwe Marke
Peinder Mieden. Het projectgebied maakt geen deel uit van een aangewezen natuurgebied. Er is wel de ambitie om de soortenrijkdom en variatie te verhogen. Ambitie: -
-
Ruim 13 km gesloten singel met gevarieerde soortensamenstelling en ondergroei
Open, natuurlijk grasland met kruiden en bloemen, zowel droge als vochtige percelen.
De uitgangssituatie van de vegetatie is soortenarm; het gevoerde beheer zal de variatie
ten goede komen en leiden tot een hogere biodiversiteit. -
Ondiep water met grotendeels natuurvriendelijke oevers, variërend van open tot
-
Ca. 5 ha moeras- en rietland, rijk aan vogels.
verschillende verlandingsstadia met bijbehorende plantensoorten.
In de volgende paragrafen worden de randvoorwaarden beschreven voor het beheer van het natuurlijke deel van de Nieuwe Marke vanuit de beleidskaders, en de verschillende
beheertypen die ingezet worden om de beschreven randvoorwaarden, doelen en ambities te realiseren.
2.2 Randvoorwaarden vanuit beleid Rijk
Het plangebied maakt geen deel uit van de nationale natuurstructuren (Ecologische
Hoofdstructuur en/of Natura2000 gebieden). Zodoende zijn er geen (natuur)vereisten vanuit de nationale overheid.
Een Rijksrandvoorwaarde is vastgelegd in de Boswet: er geldt een herplantplicht als er bij de inrichting bomen verdwijnen en deze zullen we naleven. Herplant zal dan gebeuren in de
andere singels binnen het plangebied, opdat de singelstructuur versterkt wordt. Dit geldt naast de inrichting ook voor het beheer: als er (delen van) singels door het veranderde
beheer (veranderd peilbeheer) verdwijnen, zal compensatie door herplant plaatsvinden. De hiervoor geschikte locaties zijn de roze stukken op de kaart van figuur 5.
17
Provincie
Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap is een randvoorwaarde van de provincie
Fryslân. Hierbij geldt dat moet worden voldaan aan het volgende: “de ontwikkeling past naar aard en schaal en uitstraling in de karakteristiek van het landelijk gebied en er worden in evenredige mate nieuwe kwaliteiten van natuur, water, landschap of recreatieve
mogelijkheden toegevoegd, dan wel anderszins bijgedragen aan de goede ruimtelijke
kwaliteit van het gebied”3. Op de provinciale kaart met landschaptypen is het gebied tussen Drachten en Opeinde bestempeld als Woudontginningslandschap. Voor het Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden in het noorden van het
plangebied gelden aanvullende eisen, zijnde het behoud en de versterking van de volgende kernkwaliteiten. Het grootste deel van het plangebied is geen onderdeel van het Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden, maar heeft wel een deel van de genoemde
landschapskwaliteiten in zich (1 t/m 3), die het beheerplan dan ook zal versterken; deze zijn in de opsomming cursief weergegeven.
1. kleinschalig patroon van lintbebouwing, houtwallen (hege dyken), elzensingels met geleidelijke overgangen naar open enclaves daartussen graslanden (mieden en hooilanden) en plaatselijk esgronden; 2. relatief dicht netwerk aan houtwallen en elzensingels; 3. opstrekkende stroken met gevarieerde lengte-breedte verhoudingen van gemiddeld 4:1 à 5:1 tot (plaatselijk on)regelmatige blokverkaveling; 4. afwisseling van schaal en (beperkt) reliëf;
5. structurerende elementen als beplantingen, aardkundige elementen (pingoruïnes, dobben), lintdorpen, wegen en paden met laanbeplanting;
6. specifieke vormen van esstructuren. Gemeente
De gemeente Smallingerland heeft met betrekking tot natuur en landschap de volgende randvoorwaarden gesteld aan de ontwikkeling van het gebied: ‐ ‐ ‐
Toegankelijkheid voor wandelen, struinen, fietsen en varen
Landschap: behoud van het karakteristieke landschap Water: o o
‐
houdt gebiedseigen water vast
zorg voor een goede waterkwaliteit
Verkeer: o
stel fietsers en voetgangers centraal
o
creëer veilige, aantrekkelijke recreatieroutes
o o
het gebied is niet toegankelijk met de auto
auto’s in en om de woonlocaties zijn zoveel mogelijk onzichtbaar
3 Uit brief dd 7 mei 2012 van GS provincie Fryslân aan College B&W van gemeente Smallingerland
18
Waterschap
De eisen vanuit Wetterskip Fryslân: ‐ ‐
Een goede waterkwaliteit incl. gezond functionerende watersystemen
Goed peilbeheer – een adequate berging en afvoer van water in tijden van hevige neerslag en voldoende aanvoer in tijden van droogte
‐
Streven om zo zorgvuldig en duurzaam mogelijk te werken, door gebiedseigen water zo veel mogelijk vast te houden en waar mogelijk te werken met flexibel peilbeheer.
2.3 Beheertypen Er zijn twee fasen te onderscheiden: inrichtingsbeheer gevolgd door regulier beheer.
Het eerste type beheer wordt ingezet om de inrichting te vervolmaken, het ‘instellen’ van het landschap. Een voorbeeld van dit zogenaamde ‘inrichtingsbeheer’ is het omzetten van
landbouwgrond naar natuurgebied. Bodem die uit landbouwkundig gebruik komt is rijk aan voedingsstoffen en in deze eerste fase zal verschraling toegepast worden om de
uitgangssituatie voor een natuurlijk beheer te creëren. Dit beheer is intensiever dan regulier beheer. In deze eerste periode worden de ingezette methoden nauwgezet gevolgd (zie
monitoring), opdat het beheer bijgesteld kan worden als daar aanleiding toe is. De periode
van inrichtingsbeheer zal naar verwachting 5 jaar duren. Deze eerste 5 jaar zal de gemeente het beheer voor haar rekening nemen.
Het tweede type is het ‘regulier beheer’ dat in principe tot in lengte van dagen
gecontinueerd wordt. De bewoners zijn verantwoordelijk voor het regulier beheer. Hier
vormt procesbeheer de hoofdmoot. Aanvullend onderdeel van het regulier beheer is het
cyclisch beheer. Dit wordt toegepast met grote intervallen, als het reguliere beheer (integrale jaarrond begrazing) toch leidt tot verbossing en/of verruiging.
Er is ook een ‘beheertype 0’, voorafgaand aan de twee beschreven beheertypen. De gemeente is nu reeds bezig om de pachtcontracten aan te passen, opdat er de komende jaren geen verbouw van maïs plaatsvindt op de verpachte akkers. Vanwege de zware
mestgift zijn maïsakkers namelijk een slecht vertrekpunt voor natuurontwikkeling – veel slechter dan grasland.
2.3.1 Inrichtingsbeheer Het inrichtingsbeheer is het natuurbeheer in de eerste 5 jaar waarmee in feite het
landschap wordt 'gemaakt'. In de eerste jaren wordt het vertrekpunt waarop het reguliere
beheer gebaseerd wordt, ingesteld. Dit is een zo natuurlijk mogelijke situatie, passend bij het Friese landschap. Verschraling
Verschraling: om de rijke voormalig agrarische bodem van overtollige nutriënten te ontdoen, zal in de eerste jaren een relatief hoge dichtheid aan dieren ingezet worden. Verarmen kan
ook (aanvullend) gebeuren door (in principe eenmalig) de grazige vegetatie te maaien en af
te voeren in het najaar; dit is afhankelijk van de situatie in het eerste en tweede jaar. Op dat
moment is namelijk een groot deel van de voedingsstoffen in de bovengrondse delen van de plant vastgelegd in plaats van in de wortels (wintersituatie). Dit gras kan vermarkt worden.
19
Peilbeheer
De natuur zal in de beginjaren reageren op het instellen van een nieuw waterpeil in het zuidelijke deel. Wanneer hierdoor sterke verruiging of verbossing optreedt, zal worden
ingegrepen door aanvullend beheer (in principe eenmalig maaien en/of kappen met afvoeren van het maaisel en/of hout).
Beheer van de watergangen en monitoren van de waterkwaliteit: een deel van de
watergangen (ten zuiden van de historische watergang midden in het gebied) kent geen beheer meer; dit deel wordt afgekoppeld en aanwezige greppels en slotjes mogen hier
langzaam dichtgroeien. Dit gaat naar verwachting gepaard met de ontwikkeling van hoge natuurwaarden. De watergangen in het noorden dienen behouden en open te blijven ten
behoeve van een goede afwatering. Dit wordt tevens onderdeel van het reguliere beheer.
Er ontstaat nieuw oppervlaktewater: dit gebeurt door de peilopzet en door te graven. Een historische watergang midden in het gebied wordt open gegraven. Een langgerekte plas
dicht bij Opeinde wordt aangelegd4 en staat in verbinding met het Opeindervaart; ten zuiden
daarvan wordt een poel gegraven. Begrazing
De basis van het zowel het inrichtingsbeheer als het reguliere beheer wordt gevormd door
natuurlijke jaarrondbegrazing met runderen, mogelijk aangevuld met paarden conform het principe van natuurlijke begrazing. Dit betekent dat de dieren het hele jaar in het gebied
leven in een natuurlijk functionerende, sociale kudde. De kudde bestaat uit mannelijke en
vrouwelijke dieren (geslachtsverhouding circa 50/50). Er wordt in beginsel niet bijgevoerd,
er worden aan de vegetatie geen meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen toegevoegd. Er worden geen antibiotica preventief toegediend, er vindt wel veterinair toezicht plaats.
Met natuurlijke begrazing is veel ervaring opgedaan: het levert veel ruimtelijke variatie en de kosten zijn beperkt. Jaarrond begrazing door runderen mogelijk aangevuld met paarden heeft een tweeledige beheerfunctie. Begrazing is een belangrijk sleutelproces in
natuurherstel (plantensoorten en vegetatiemozaïeken). Zelfredzame, in familieverband
levende kuddes runderen (en paarden) dragen bij aan de duurzaamheid (minder uitstoot fossiele brandstoffen door machines), maar vooral aan de biodiversiteit.
Dit laatst gebeurt door facilitatie: begrazing schept levensvoorwaarden voor talrijke planten en dieren, van macro- tot microschaal. Begrazing leidt tot ruimtelijke variatie: op de ene
plaats wordt intensief gegraasd (korte vegetatie), op een andere ontstaat een latrine en kan
de vegetatie zich vrij ontwikkelen in verse mest, op een derde ontstaat een ‘stierenkuil’, een plek waar dieren in het zand rollen om zich te ontdoen van ongedierte en zo open zand
creëren. Doordat de dieren het hele jaar door in het gebied zijn, worden ook minder lekkere vegetaties aangepakt: in de winter is er weinig gras en wordt bijvoorbeeld jonge opslag van struiken en bomen ‘geschild’. Deze ruimtelijke variatie vertaalt zich in biodiversiteit: iedere plek heeft zijn eigen vegetatie, vogels, vlinders en andere insecten.
4 Zoals aangegeven moet het inrichtingsplan op onderdelen nog uitgewerkt worden; hoe deze plas
precies vorm krijgt is afhankelijk van het inpassen van de aanwezige steigers en een gasleiding. 20
Daarnaast dragen de kuddes zowel direct (door hun aanwezigheid) als indirect (door de invloed die ze hebben op het landschap) bij aan de beleving van het gebied. De kuddes
dienen geschikt te zijn voor publieke toegankelijkheid. Dit betekent dat het rustige dieren moeten zijn, die gewend zijn aan de aanwezigheid van mensen.
Ten behoeve van het begrazingsbeheer is het zaak een aaneengesloten areaal te creëren; de dieren moeten alle hoeken van het gebied kunnen bereiken opdat er geen onbegraasde delen ontstaan. Als dat nodig is zullen “overstapjes” voor de dieren gemaakt worden
waardoor bestaande sloten (ooit fungerend als veescheiding) geen belemmering meer vormen.
Begrazing kan in principe niet plaatshebben door schapen of geiten, aangezien de ervaring leert dat deze soorten de natuurdoelen niet realiseren. Schapen mijden vochtige terreinen, en zullen zodoende een deel van het gebied niet bezoeken en niet begrazen; dit deel zal
verruigen en aanvullend beheer nodig hebben. Geiten zijn juist zeer onkieskeurig; zij vreten alles. Dit zal ten koste gaan van de singels, die door vraat beschadigd zullen raken.
Tijdens het inrichtingsbeheer zal de dichtheid aan dieren maximaal zijn in relatie tot de draagkracht van het gebied, maar niet zo hoog dat de singels in de winter actief worden
aangevreten. Gebaseerd op ervaring in andere gebieden zal dit betekenen dat er ca. één dier per 2 ha loopt. Deze dichtheid is indicatief, en kan op basis van de vegetatieontwikkeling (te bepalen in maart) aangepast worden en/of naar gelang het verloop van de tijd. De
oorspronkelijke landbouwgrond zal namelijk door het beheer armer aan voedingsstoffen worden, waardoor de ideale begrazingsdichtheid af kan nemen.
2.3.2 Regulier beheer: dagelijks beheer Evenals bij het inrichtingsbeheer wordt de basis van het reguliere beheer gevormd door natuurlijke jaarrondbegrazing. Hierbij is de dichtheid van de dieren afgestemd op de draagkracht van het gebied gedurende een lange periode; er hoeft niet meer extra verschraald te worden, de grazers hoeven alleen regulier onderhoud te plegen.
De oppervlakte van het plangebied beslaat uiteindelijk ca. 94,3 hectare begrazingsgebied.5
Van deze oppervlakte is het grootste deel grasland. Er wordt uitgegaan van zelfredzame, in familieverband levende kuddes runderrassen, mogelijk aangevuld met paarden, in een
dichtheid van circa 1 dier per 2 à 3 hectare begraasbaar terrein. Dit betekent dat de kudde in totaliteit een omvang van ongeveer 31-47 dieren zal krijgen; deze grootte kan aangepast
worden op basis van de ervaringen in de eerste 5 jaar, ten behoeve van het gewenste vegetatiebeeld en de aanwezige flora. Daarvoor is monitoring vereist, gericht op de ecologische en landschappelijke functies. Indien nodig wordt ingegrepen in de
begrazingsdichtheid, of wordt aanvullend cyclisch beheer toegepast (zie §2.3.3).
5 Dit is mede afhankelijk van de verkoop van de woningen; er kan ook al begonnen worden op een
kleiner oppervlak, wanneer nog niet alle gronden zijn verworven/ geruild. 21
Tijdens het reguliere beheer is de beheerder net als bij het inrichtingsbeheer
verantwoordelijk voor de begrenzing van het begrazingsgebied, voor het welzijn en de
gezondheid van de dieren, voor de wettelijke veterinaire en welzijnsprotocollen rond de
levende have, voor het verwijderen van dode dieren uit het terrein en voor het begeleiden en informeren van bezoekers.
2.3.3
Regulier beheer: cyclisch beheer
Wanneer uit het monitoringprogramma blijkt dat het begrazingsbeheer niet leidt tot realisatie van de doelstellingen en dus niet afdoende is, zal aanvullend ingrijpen
plaatshebben. Dit zal gebeuren in de vorm van evaluatie van de gekozen methoden en kan leiden tot andere keuzen (hogere/lagere begrazingsdichtheid). Bij een te snelle of na verloop van tijd te ver doorzettende vegetatiesuccessie zal het principe van cyclisch beheer toegepast worden.
Cyclisch beheer imiteert de verjonging in een natuurlijk functionerend systeem daar waar de
bijbehorende processen niet meer plaats vinden, zoals vaak in Nederland het geval is. Hierbij worden vegetaties grootschalig teruggezet, waarna opnieuw een pioniersituatie ontstaat en
er successie kan optreden. In plaats van zeer regelmatig vegetatie te verwijderen, gebeurt dit met een groter tijdsinterval en áls wordt ingegrepen, gebeurt dat rigoureuzer. Hierdoor
wordt netto hetzelfde resultaat bereikt. Het voordeel is dat de ontwikkelende natuurwaarden minder vaak verstoord worden en de beheerkosten lager zijn (minder vaak terugkeren).
22
3
Beheerschets per functionele eenheid
Verschillende elementen vereisen verschillend beheer. Om dit te expliciteren, is het gebied onderverdeeld in te beheren objecten, ingedeeld naar de functies die ze vervullen. Hierbij is uitgegaan van het huidige inrichtingsplan; de exacte maatregelen zijn nog in voorbereiding en kunnen uiteindelijk afwijken.
Deze onderverdeling beperkt zich tot de beheerbegrenzing aangegeven in hoofdstuk 1; een belangrijke functie, het wonen, valt buiten dit beheerplan. Daarmee vallen ook de
bijbehorende objecten, zoals de woonkavels en de ontsluitingsweg voor de bewoners hierbuiten.
De Nieuwe Marke Peinder Mieden kent voor het beheer van de gemeenschappelijke ruimte drie functies. -
-
-
Functie 1: Natuur en landschap
Functie 2: Waterbeheer
Functie 3: Recreatie
De objecten die deze functies realiseren, zijn de volgende: Natuur en landschap
1. Grazige weilanden 2. Singels
Waterbeheer
3. Natuurwateren:
a. sloten zonder beheer
b. langgerekte plas in verbinding met het Opeindervaart c. poel in verbinding met het Opeindervaart
4. Sloten met beheer 5. Centrale sloot
Recreatie
6. Paden en wegen, inclusief bermen
7. Parkeerplaats(en) – locatie(s) nader te bepalen, bijvoorbeeld aan het begin van de wandelroute
Zie voor de ligging van de verschillende objecten figuur 6; de elementen die veelvuldig voorkomen (1, 2, 3a, 6) zijn meermalen maar niet uitputtend op de kaart aangegeven.
In §3.1-3.3 wordt uiteengezet aan welke functionele eisen het beheer moet voldoen per
object om partijen de zekerheid te geven dat de doelstellingen m.b.t. natuur en landschap, waterbeheer en recreatie worden gerealiseerd.
23
Figuur 6: de ligging van de objecten in het plangebied
24
3.1 Natuur en landschap 3.1.1 Grazige weilanden De functie van de grazige weilanden is natuur, met als doel een zo divers mogelijke vegetatie te laten ontstaan (hoge biodiversiteit en landschappelijke variatie) met de
bijbehorende fauna (onder meer een hoge insectenrijkdom). De vereiste voor deze functie is dat de vegetatie zich zo natuurlijk mogelijk kan ontwikkelen, de natuurlijke processen volgend.
De grazige weilanden hebben naast de natuurfunctie ook een
landschappelijke/cultuurhistorische functie. Openheid is hierbij een belangrijk aspect. Hiervoor is het van belang te voorkomen dat het weiland overgaat in ruigte en er veel hoge vegetatie ontstaat (hoger dan ca. 50cm).
3.1.2 Singels Ook de singels hebben als functie natuur. Hier is plaats voor verschillende soorten bomen en struiken en hun ondergroei, en de dieren die hiervan profiteren zoals vogels die foerageren
op bessen en zaden en zoogdieren die hier schuilmogelijkheid vinden. De natuurfunctie van de singels heeft baat bij een natuurlijke ontwikkeling, die leidt tot variatie. De singels hebben net als de grazige weilanden een tweede functie: de
landschappelijke/cultuurhistorische functie. Van oudsher vormden zij samen met de sloten een veekering tussen de afzonderlijke weilanden. Om deze functie te dienen was het zaak dat de singels in goede staat verkeerden en een vol, aaneengesloten geheel vormden. Dit
beeld dient dus behouden te blijven. Ten behoeve van het landschappelijke aspect mag de breedte van de singels niet te veel toenemen.
3.2 Waterbeheer De Opeindervaart en Bumaniasloot vallen buiten dit beheerplan, mogelijk is er wel een
schouw- en/of onderhoudspad nodig binnen het projectgebied opdat het waterschap haar beheer goed uit kan voeren. (PM: Afstemming Wetterskip).
3.2.1 Natuurwateren
Sloten zonder beheer
Door een deel van de sloten af te koppelen van het regionale watersysteem wordt er water vastgehouden in het gebied van de Nieuwe Marke. Deze sloten hebben geen
waterafvoerende functie meer, maar voornamelijk een waterbergende, een waterzuiverende
en een natuurfunctie. Ze hoeven dan ook niet open te blijven door middel van beheer, maar mogen langzaam dichtgroeien en verlanden en hiermee de biodiversiteit van het gebied vergroten.
Ten slotte hebben de sloten een functie in de connectiviteit, of beter gezegd: de sloten
mogen de connectiviteit niet hinderen. Ze dienen passeerbaar te zijn voor de grote grazers, die het gehele gebied moeten kunnen bereiken om hun vegetatiebeheer te kunnen
uitvoeren. Indien sloten onpasseerbaar zijn of worden, dient hier een doorwaadbare plaats gerealiseerd te worden. Zo’n plaats is dan tevens geschikt voor gebruik door wandelaars.
25
Langgerekte plas in verbinding met de Opeindervaart en Poel in verbinding met de Opeindervaart
De langgerekte plas en de poel kennen dynamiek, doordat deze in verbinding met het
Opeindervaart staan. Deze twee wateren hebben voornamelijk een natuurfunctie. Een tweede functie is het bergen en zuiveren van water door de watervegetatie en de vegetatie op de natuurvriendelijke oevers.
3.2.2 Sloten met beheer De sloten ten noorden van de centrale sloot behouden hun waterafvoerende functie: onder natte omstandigheden zorgen ze voor voldoende afwatering naar de centrale sloot en de
Opeindervaart ten behoeve van droge voeten voor de woningen. Deze sloten dienen open gehouden te worden om deze functie te kunnen vervullen. Een tweede functie is de
natuurfunctie: de sloten bieden leefgebied aan aquatische en waterbegeleidende planten en dieren.
3.2.3 Centrale sloot Een bijzondere onder de sloten met peilbeheer is de centrale, nieuw te graven doch
historische sloot. Deze sloot vormt de scheidingsgrens tussen het gebiedsdeel dat vernat wordt, en de delen die het oude waterpeil behouden. Om deze scheidingsfunctie van de gebieden met verschillend peilbeheer te kunnen vervullen, zal de sloot open gehouden
moeten worden door middel van beheer. Naast een waterfunctie heeft de centrale sloot een culturele en landschappelijke functie; deze functies stellen geen aanvullende vereisten aan
het beheer. Ten slotte heeft ook deze sloot natuurvriendelijke oevers en een natuurfunctie: vanuit de te ontwikkelen ecologische waarden wordt zo min mogelijk ingegrepen.
3.3 Recreatie De functie van de recreatieve voorzieningen is het waarborgen van de toegankelijkheid van het gebied voor bezoekers.
3.3.1 Paden en wegen Wegen en paden binnen het gebied van de Nieuwe Marke moeten opengehouden worden. Dit vereist ook beheer van de bermen, opdat de bermvegetatie het pad niet overwoekert.
3.3.2 Parkeerplaats(en) De één of twee parkeerplaatsen waar bezoekers kunnen parkeren dienen open gehouden te worden, zodat ze hun functie als parkeerplaats kunnen blijven vervullen.
26
4
Uitwerking beheer per object
In de volgende paragrafen worden de randvoorwaarden en het bijbehorende per element uitgewerkt.
4.1
Grazige weilanden
De grazige weilanden worden beheerd door middel van jaarrond begrazing door runderen, mogelijk aangevuld met paarden. Het begrazingsbeheer is beschreven in hoofdstuk 2. Het aantal dieren zal verschillend zijn in de fasen van inrichtingsbeheer en regulier beheer en kan op basis van monitoringresultaten bijgesteld worden.
De beheerder is verantwoordelijk voor de begrenzing van het begrazingsgebied; dit betreft het onderhoud aan de afrastering. De beheerder is daarnaast verantwoordelijk voor het welzijn en de gezondheid van de dieren volgens de wettelijke veterinaire- en
welzijnsprotocollen. Dit houdt in dat de dieren geoormerkt moeten zijn, er jaarlijkse controle
van de kuddes op dierziekten moet plaatsvinden en de conditie van de dieren gemonitord
moet worden. Tenslotte vereist de leidraad voor gebieden van relatief bescheiden omvang (spoor B gebieden) dat dode dieren uit het terrein moeten worden verwijderd.
Indien uit de monitoring blijkt dat het begrazingsbeheer de openheid (functie landschap en cultuurhistorie) niet voldoende waarborgt, zal de beheerder cyclisch ingrijpen (zie §2.3.3): in principe eenmalig maaien van de verruigde delen in het najaar. Dit is het meest gunstige
seizoen, aangezien de meeste biomassa zich bovengronds bevindt en er dus gemaaid en afgevoerd kan worden, en het verstoren/schaden van natuurwaarden (bijvoorbeeld broedvogels) laag is.
4.2
Singelbeheer
Ook de singels worden in principe onderhouden door de grote grazers. Zij vreten in de
wintermaanden van de struiken en voorkomen op deze wijze dat de singels te breed worden. In de eerste jaren zal moeten blijken welk effect dit heeft voor de singels. In het geval van onacceptabele schade door vraat of schuren kan een (deel van een) singel tijdelijk
uitgerasterd worden, zodat de vegetatie zich kan herstellen. Dit zal in principe beperkt
blijven tot het inrichtingsbeheer, aangezien de graasdruk in deze eerste periode hoger ligt en de kans op schade aan de singels zodoende ook wat groter is.
Uitrasteren benadeelt de visuele kwaliteit en de biodiversiteit (uitwijk- en schuilmogelijkheid voor onder andere reeën en konijnen), en moet dus indien mogelijk voorkomen worden.
Mocht het toch nodig blijken en mochten alle singels (ruim. 13 km) uitgerasterd moeten worden (worst case scenario), dan zijn aan weerszijden (prikkeldraad)rasters nodig.
27
Indien uit de monitoring blijkt dat het begrazingsbeheer de singels (functie landschap en cultuurhistorie) niet voldoende begrenst, zal de beheerder cyclisch ingrijpen (zie §2.3.3).
Voor de breedte van singels wordt gemiddeld maximaal 10 meter aangehouden. Als (een
deel van) de singel breder wordt dan 15 meter wordt de singel teruggezet naar 8 meter. Er wordt in de singels niet gekapt; in het geval van uitdijen zal de beheerder de bomen afzetten.
Indien delen van singels afsterven, zal herplant met de bijbehorende boomsoort plaatsvinden. Dit betreft meest elzen, eventueel aangevuld met eiken op de hogere delen. Het hier voorgestelde singelbeheer wijkt af van de handleiding Landschapsbeheer Friesland.
Volgens deze richtlijn wordt voor goed elzensingelbeheer de singel ter verjonging eens in de 21 jaar afgezet tot 10-15 cm boven maaiveld. Daarna wordt de singel in het 7e en 14e jaar
gedund.
Deze beheermethode is niet ideaal voor de singels in het plangebied. Het past goed doch uitsluitend bij pure, soortenarme elzensingels. De singels in het gebied zijn over het
algemeen gevarieerder van soortensamenstelling, onder andere met eik. Het voorgestelde
singelbeheer zal de soortenrijkdom doen afnemen, waarmee een (natuur)kwaliteit verloren gaat.
Een uitzondering hierop zijn de 5 singels in het uiterste oosten, in het akkerbouwgebied. Deze echte elzensingels zijn niet zolang geleden nog afgezet. Als de bewoners daarvoor
kiezen, kan hier het singelbeheer uit de handleiding Landschapsbeheer Friesland toegepast worden. Ons voorstel zou echter zijn ook hier een gevarieerdere structuur en hogere
soortensamenstelling na te streven, opdat deze zone beter aansluit bij de rest van het gebied.
4.3 Natuurwateren
Sloten zonder beheer
De sloten die afgekoppeld worden, hebben geen beheer nodig vanuit het waterschap. Ook de natuurfunctie vereist geen beheer. Zodoende gelden voor deze sloten geen verplichtingen.
Het is aan de belanghebbenden om het beheer naar eigen inzicht in te vullen. Bewoners die
aan een slootje wonen, zullen dit mogelijk ieder jaar willen opschonen. Slootjes langs singels en in het natuurgebied worden juist niet “onderhouden” om zo natte omstandigheden en daarmee samenhangende natuurwaarden te creëren.
Indien de sloten dermate dichtgroeien dat zij onpasseerbaar worden voor de grote grazers, kan door eenmalig maaien een doorgang gecreëerd worden opdat de dieren alle hoeken van hun beheergebied kunnen bereiken.
Langgerekte plas in verbinding met de Opeindervaart
Geen beheer nodig vanuit het waterschap. In principe wordt de plas aangelegd met
natuurvriendelijke oevers, met aandacht voor de bestaande steigers die gehandhaafd
moeten blijven. Afhankelijk van de keuzes van de bewoners wordt een deel van de oevers al dan niet beschoeid (ten behoeve van de wens tot varen). Vanuit de te ontwikkelen
28
ecologische waarden wordt hier zo min mogelijk ingegrepen: in principe vindt er geen beheer plaats.
Poel in verbinding met de Opeindervaart
In principe wordt deze plas aangelegd met natuurvriendelijke oevers en is er geen beheer
nodig. Mochten de bewoners besluiten dat hier een recreatieve functie bijkomt, bijvoorbeeld een drijvende steiger, dan is hiervoor aanvullend beheer nodig; de oevers houden in ieder geval grotendeels hun natuurlijke karakter.
4.4
Sloten met beheer
De sloten die een waterafvoerende functie behouden, worden eens in het najaar nagelopen. Op plekken met al te dichte begroeiing (waterplanten) wordt deze verwijderd; het maaisel wordt afgevoerd of op de kant gelegd. De mate waarin is aan de bewoners: idealiter (qua
kosten en natuurwaarden) wordt er niet te veel ingegrepen, maar schade aan woningen en
ander ongemak moet worden voorkomen. Dit is afhankelijk van de bewoners, en de ervaring zal moeten leren welke beheerfrequentie bij hun behoeften past.
4.5 Centrale sloot De bestaande historische sloot bestaat nu uit ondiep water van ca 3 meter breed (van insteek tot insteek); om de scheidingsfunctie van de gebieden met verschillend peilbeheer te kunnen vervullen, zal deze in zekere mate open gehouden moeten worden. Deze sloot wordt in het
plan breder, namelijk 10 meter (van insteek tot insteek).
Eerste besprekingen met Wetterskip Fryslân hebben het volgende opgeleverd. Het
doorstroomprofiel van de schouwsloot wordt eenmaal per jaar in het najaar, voor 1
november gehekkeld: begroeiing weghalen en waterplanten, riet en slijk uit de sloot verwijderen. Baggeren van het doorstroomprofiel vindt eens per 10 tot 15 jaar plaats,
afhankelijk van de mate van aanslibbing. Uit monitoring moet blijken wanneer het nodig is de sloot te baggeren. Het waterschap zal dit ook controleren.
Eerste besprekingen met het Wetterskip hebben het volgende opgeleverd met betrekking tot het beheer6. Het hekkelen van de oevers vindt op een extensieve manier plaats: eens per
twee á drie jaar en wisselend qua waterkant: de ene hekkelronde de ene kant en de volgende
hekkelronde de andere kant. Dit verstoort de oevers slechts deels en komt de natuurwaarden ten goede, doordat dieren kunnen uitwijken en planten zich kunnen handhaven.
4.6 Paden en wegen Het beheer van de paden en wegen wijkt niet af van beheer in vergelijkbare gebieden;
hoogstens is het extensiever dan gebruikelijk. Het struinpad wordt opengehouden door
middel van maaien/ klepelen. In het eerste jaar zal dat een of twee keer moeten gebeuren; na verloop van tijd is één maaironde in de voorzomer (juni) voldoende. Wanneer de
wandelroute intensief belopen wordt, zal de regelmatige betreding mogelijk voldoende zijn en kan een nog lagere beheerfrequentie aangehouden worden.
6 Zie bijlage H van Nadere uitwerking Opeinde, versie 14 januari 2013 (Stroming)
29
De vegetatie in de wegbermen wordt gemaaid wanneer de verkeersveiligheid (vrij zicht) in het geding komt. Dit betekent één tot twee keer per jaar maaien in het groeiseizoen.
De singels langs de wegen, die aan de buitenzijde van de begrazingseenheid liggen, worden niet door de dieren begraasd. Hiervoor is aanvullend beheer nodig in de vorm van jaarlijks snoeien.
4.7 Parkeerplaatsen PM: Dit is afhankelijk van het type parkeerplaats, onder andere het type verharding waar voor gekozen wordt.
30
5
Monitoring
In §1.3 zijn vier pagina’s met referentiebeelden opgenomen hoe de verschillende
vegetatietypen van de Nieuwe Marke Peinder Mieden eruit zullen gaan zien. Hoofdstuk 3
beschrijft de functies die de verschillende onderdelen van het gebied (‘objecten’) moeten vervullen, en hoofdstuk 4 de beheerinspanning die nodig is om deze beelden zo goed mogelijk te benaderen.
Dit hoofdstuk beschrijft de monitoring, om te volgen of de gestelde doelen inderdaad gehaald worden. Hierbij maken we gebruik van bestaande inventarisaties en
inventarisatiemethoden. Alleen op deze wijze zal het goed aan kunnen sluiten op de wensen van alle partijen. Deze monitoring zal, daar waar het hun bevoegd gezag betreft, samen met
het waterschap, provincie en eventuele andere betrokken (beheer)partijen zoals It Fryske Gea uitgewerkt worden.
5.1 Methode: monitoringplan De onderscheiden beheeronderdelen zullen elk afzonderlijk gemonitord worden om te
evalueren of het gevoerde beheer de doelen realiseert. Hierbij zijn de referentiebeelden leidend.
De eerste 5 jaar is de gemeente verantwoordelijk voor de monitoring. Dit zijn belangrijke jaren, omdat hierin de uitgangssituatie voor de toekomstige ontwikkelingen gelegd wordt. In de jaren erna zijn de bewoners verantwoordelijk voor de monitoring.
Er zijn drie typen monitoringskenmerken voor de onderscheiden objecten: verplichte onderdelen, soms met rapportageplicht; regulier toezicht en controle; en optionele monitoringskenmerken.
5.1.1 Verplichte monitoringselementen Grazige weilanden ‐
Openheid van het weiland/ mate van struiken en bomen (houtige gewassen), weergegeven in de verhouding grazige/verhoute delen in het landschap. De
Singels ‐
acceptabele grens ligt bij 10% houtige gewassen.
Lengte en kwaliteit van de singels/ eventuele schade aan singels; mate van schade
weergegeven in meters (vraat- en schuurschade, mogelijk gecreëerde passages door de singels)
Sloten met beheer ‐
De sloten met beheer die binnen de legger vallen moeten jaarlijks gemonitord worden conform de richtlijnen van Wetterskip Fryslân (PM: Afstemming)
5.1.2 Toezicht en controle Regelmatig toezicht is nodig op: ‐ ‐ ‐
Gezondheid en sociale cohesie van de grazers; functioneert de groep als een kudde
Bereikbaarheid van alle delen van de begrazingseenheid
Intactheid van de hekken aan de buitenzijde van de begrazingseenheid 31
‐
Functionaliteit van de paden, wegen en parkeerplaatsen. Voorgesteld wordt een acceptatiegrens van max. 10 cm hoog gras, bij een loopbreedte van 75 cm.
5.1.3 Optionele monitoring Een deel van de monitoringskenmerken is verplicht (zie §5.1.1), een ander deel is optioneel. Het zou de relatie van de bewoners met de omwonenden met het gebied versterken als er
een locale natuurvereniging, zoals een IVN- of KNNV-afdeling gevonden kan worden die de soorteninventarisatie wil verzorgen. In ieder geval de vegetatie en de vogels vormen
belangrijke indicatoren voor de ontwikkeling, maar wanneer er (aanvullend) een locale groep is die libellen monitort, is dat natuurlijk minstens zo leuk. Amfibieën en vissen zijn goede indicatoren voor de kwaliteit van de wateren.
5.2
Planning
0-meting
Voor aanvang van het inrichtingsbeheer is een 0-meting nodig. Zoals in §1.2 is aangegeven
en beschreven is deze beschikbaar voor de singels (opnamedatum 2012). Deze indicatie van
de onderhoudstoestand en de kwaliteit van de singels is nodig om te kunnen evalueren of de grote grazers (extra) schade berokkenen. Aanvullend is een nulmeting van de graslanden noodzakelijk; dit kan plaatsvinden zodra de agrarische activiteit beëindigd is. Dit om te
bezien hoe het agrarische verleden de ontwikkelingen beïnvloedt en om het beheerplan bij te kunnen stellen als de resultaten van de verschraling en overig beheer achterblijven. Inrichtingsbeheer
Eén jaar na aanvang van het inrichtingsbeheer wordt er opnieuw gemeten. In dat eerste jaar zal er veel veranderen in het gebied, en het is zaak snel in de gaten te hebben of de
ontwikkelingen de juiste kant op bewegen. Op basis van deze tweede meting wordt de vervolgfrequentie besloten. De verwachting is dat de volgende metingen in het begin van jaar 3 en 5 plaats zullen vinden; in geval van twijfel kan gekozen worden voor jaarlijkse monitoring.
Aanvullend op de uitgebreide monitoring zal er een jaarlijkse ‘veldcheck’ plaatshebben. Dit
bestaat uit een veldbezoek van de beheerder en een onafhankelijk externe partij, waarbij op zicht de stand van zaken opgenomen wordt. Hierover wordt kort gerapporteerd aan de beheerder, in deze periode is dat de gemeente. Wat
Wanneer
Parameters
Grazige weilanden
Jaar 0, 1, 3, 5
% Houtige gewassen (max 10%)
Singels
Jaar 0, 1, 3, 5
Lengte en kwaliteit singels (meters/ kwaliteitsklassen)
Sloten met beheer
Jaar 0, 1, 3, 5
(Afstemming waterschap)
Toezicht grazers
Continu
Functioneren kudde(s) en gezondheid van de dieren
Controle hekken/
Jaarlijks
Hekken in tact (100%); P/ wandelpad: grashoogte max.
Soorteninventarisatie
Naar wens
Aantal soorten, zeldzaamheid soorten, abundantie
Veldcheck
Jaarlijks
Algehele stand van zaken
infrastructuur
10 cm, loopbreedte min. 75 cm
Samenvattende tabel: de verantwoordelijkheden worden in hoofdstuk 6 uitgewerkt en in tabelvorm weergegeven.
32
Regulier beheer
Aan het eind van jaar 5 wordt het beheer overgedragen aan de bewoners. Eén jaar na deze overdracht zal wederom gemonitord worden, om te bezien of de wisseling in
beheerverantwoordelijke goed is verlopen en de ingezette ontwikkelingen voortgezet
worden. Hierna zal in principe 5-jaarlijke monitoring afdoende zijn; in geval van twijfel kan op basis van de meting 1 jaar na overdracht, 3 jaar na de overdracht een extra monitoringmoment ingevoegd worden.
Wanneer er wijzigingen in het beheer plaatsvinden, wordt er direct het jaar daarna
gemonitord, zodat het niet 5 jaar duurt voor gemeten kan worden of deze bijstelling de gewenste ontwikkeling geeft.
De monitoring van het reguliere beheer is deels verplicht; het is aan de bewoners te
beslissen of een deel van de voorgestelde monitoringelementen voor hen interessant is. De
singels en de grazige weilanden vereisen verplichte monitoring, inclusief rapportage aan de provincie. Dit monitoringonderdeel moet dan ook gebeuren door een erkende partner, bijvoorbeeld It Fryske Gea.
De jaarlijkse ‘veldcheck’, de schouw, zal ook tijdens het reguliere beheer plaatshebben. Het is een vast moment in het jaar waarop de uitvoerend beheerder, de bewoners (opdrachtgever van het beheer) en de gemeente/provincie en/of It Fryske Gea gezamenlijk stil staan bij de staat van het gebied. Het resultaat van de jaarlijkse schouw wordt kort gerapporteerd aan
het bevoegd gezag, de gemeente.
Aanvullend is het een optie een ‘natuurbalans’ op te stellen en toe te passen op het gebied. Dit kan een interessant communicatiemiddel zijn om mensen op de hoogte te brengen van de ontwikkelingen en op die manier er nauwer bij te betrekken.
Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een aansprekende, nieuwe doelsoort die hoog in het ecosysteem staat: een soort die op dit moment nog niet aanwezig is, maar zich hier wel zal
kunnen vestigen na de herinrichting. Een dergelijke ‘doelsoort’ kan een vlaggenschip worden – alle ingrepen, zowel de inrichtings- als beheermaatregelen kunnen hieraan opgehangen worden. Naast een communicatiemiddel draagt een dergelijke soort ervoor zorg dat de natuurwaarden in bredere zin worden bewaard en versterkt. Indien gewenst, moet de systematiek van een natuurbalans nog verder vorm worden gegeven.
De ontwikkeling van de biodiversiteit an sich, bijvoorbeeld een soortenrijkdomindicator kan
eenzelfde functie vervullen, zij het dat die voor veel mensen wat abstract zal zijn. Wat