d. notitie met beantwoording vragen
Tekst van het document
Beantwoording vragen – gesteld door indieners zienswijze 6, 8, 20, 22 en 27 ontwerpbestemmingsplan ‘Regiopark Oostburg’
Ter inzage vanaf 28 april 2022 tot en met 8 juni 2022.
Gemeente Sluis September 2023
Definitief
1
1 Aanleiding Bij zienswijzen 6, 8, 20, 22 en 27 zijn vragen gesteld. Deze vragen worden in dit document beantwoord. 2 Samenvatting vragen en beantwoording vragen zienswijze 6 6.1 Waarom staat U achter een plan dat het woongenot van zoveel mensen aantast? Het Regiopark voorziet in een nieuwe invulling van het plangebied. Het plangebied is al jaren ontoegankelijk en het gebouw, door vernielingen, in vervallen staat. Bij veel inwoners van de gemeente bestaat de wens om het plangebied te kunnen bezoeken, dit project maakt dit mogelijk. Belangrijk uitgangspunt bij deze ontwikkeling is dat het unieke karakter van de locatie intact blijft. Tevens kan door realisatie van het project het bestaande hoofdgebouw gerenoveerd worden. Als toeristische regio is er behoefte aan elkweervoorzieningen, die gerealiseerd worden in de vorm van horeca en overdekte speelvoorzieningen. Uiteraard ook ten dienste aan de inwoners van de gemeente. Wij zien de ontwikkeling als toegevoegde waarde voor onze regio De brochure "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009) geeft voor kampeerterreinen en vakantiecentra, e.d. (SBI-code 2008: 552, 553) een richtafstand van 50 meter ten opzichte van woningen, vanwege het milieuaspect geluid. Voor de milieuaspecten geur en gevaar gelden richtafstanden van 30 meter. De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk.
Deze afstanden kunnen met 1 stap worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dus 30 meter vanwege het aspect geluid en 10 meter vanwege het aspect geur en gevaar. Gelet op de ligging van het Regiopark in de nabijheid van woningen, een bedrijventerrein, detailhandelsbedrijf en buitengebied kan dit gebied aangemerkt worden als gemengd gebied. Gelet hierop is een zonering rondom de bestaande woningen toegepast van 30 meter waarin geen bouwwerken en/of verblijfsrecreatieve functies worden toegestaan. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG(Vereniging Nederlandse Gemeenten)) hanteert twee typen lijsten, namelijk een functiemengingslijst en een bedrijvenlijst voor bedrijventerreinen Op beide lijsten valt horeca onder 'Logies-, maaltijden- en drankenverstrekking'. Op de functiemengingslijst valt horeca in de categorieën A en B. Deze functies zijn in het algemeen direct naast gevoelige functies, zoals wonen, mogelijk. Volgens de bedrijvenlijst voor bedrijventerreinen valt horeca in de categorieën 1 t/m 3.1. De hoogste categorie (3.1) is voor de horeca binnen het plangebied niet van toepassing. Voor functies met milieucategorie 2 geldt binnen gemengde gebieden een afstand tot gevoelige functies zoals woningen van 10 meter. Het maatgevende aspect hierbij is geluid (op basis waarvan deze afstand is bepaald).
De afstand van de meest nabij gelegen woning tot het bouwvlak binnen het plangebied (waarbinnen horeca is toegestaan) is 70 meter, de afstand van het bouwvlak van de meest nabijgelegen woning tot het bouwvlak binnen het plangebied (waarbinnen horeca is toegestaan) is 26 meter. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat, na realisatie van het plan. 6.2 Waarom houdt U wel rekening met de wensen van een ondernemer voor wie dit project louter een verdienmodel is en niet met de waarde van een normale leefsituatie van een grote groep burgers waar U een zorgplicht voor heeft? Bij een bestemmingsplanprocedure worden alle belangen zorgvuldig afgewogen. Dit hebben we ook in het kader van deze procedure gedaan. 2
6.3 Waarom investeert U als gemeente niet in een fraai stuk natuur waar zowel de bewoners van Oostburg gebruik van kunnen maken als toeristen die niet alleen voor de kust komen maar ook voor ons fraaie achterland. Deze toeristen worden nu verdreven. In 2017 heeft de gemeente Sluis een prijsvraag uitgeschreven waarbij belangstellenden uitgenodigd werden een bod te doen op de gronden van het plangebied met daarbij een plan voor de ontwikkeling van deze gronden. Eénieder heeft via deze prijsvraag de kans gehad om een ontwikkelingsplan in te dienen. Uit de inzenders is dit plan gekozen. Er wordt ingezet op het behouden van de al aanwezige natuur en groenvoorzieningen op het terrein maar er wordt ook ruimte gecreëerd voor verschillende (nieuwe) activiteiten. 6.4 Waarom verstoort u een prettige woonomgeving van ruim 130 bewoners met een plan dat door de ondernemer trendvolgend wordt genoemd en nauwelijks concreet is wat betreft de invulling van alles wat in het conceptbestemmingsplan staat. Plannetje ‘gebakken lucht’, maar wel met grote risico’s en niet in te schatten gevolgen. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt het plan toegelicht. In de regels en verbeelding van het bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksregels vastgelegd. Hiermee zijn de mogelijkheden voor het plangebied duidelijk vastgelegd (rechtszekerheid voor initiatiefnemer en omwonenden).
Binnen die mogelijkheden kan sprake zijn van organische ontwikkeling, niet alle (bouw)mogelijkheden en activiteiten moeten bijvoorbeeld direct ingevuld worden. 3 Samenvatting vragen en beantwoording vragen zienswijze 8 8.1 Hoe gaat de gemeente Sluis ons beschermen tegen overlast en verkeersonveiligheid. Voor de voorgestelde verkeersmaatregelen wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van de notitie zienswijzen. 8.2 Hoe wordt onze woonomgeving geborgd tegen herhaaldelijk geluidsoverlast? Voor het aspect geluid wordt verwezen naar onze overwegingen in hoofdstuk 9 van de notitie zienswijzen. 8.3 Hoe gaat de gemeente Sluis om met het te verwachten zwerfvuil? Het opruimen en afvoeren van zwerfvuil en ander vuilnis op het terrein van Regiopark zal – zoals gebruikelijk - worden gerealiseerd en uitgevoerd door de eigenaren of uitbaters van het terrein. Als er sprake is van zwerfvuil buiten het terrein ten gevolge van bezoekers van het Regiopark worden er maatregelen getroffen en afspraken gemaakt tussen onze gemeente en eigenaren of uitbaters van het terrein om de omgeving schoon te houden. De APV (Algemene Plaatselijke Verordening) biedt hier mede een handvat voor. Dit is overigens voor iedere (bedrijfs) locatie binnen onze gemeente van toepassing.
8.4 Hoe wordt de veiligheid in ons woongebied gewaarborgd als grote groepen zich op het terrein verzamelen met risico op conflicten? Landelijk zijn hier genoeg voorbeeldsituaties van. Het vermijden van conflicten op het terrein is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de eigenaren of uitbaters van het terrein. Als situaties uit de hand lopen in of buiten het terrein kan handhavend optreden volgen door toezichthouders van de gemeente Sluis en/of politie. De APV (Algemene Plaatselijke Verordening) biedt hier mede een handvat voor. Dit is overigens voor iedere (bedrijfs) locatie binnen onze gemeente van toepassing.
3
8.5 Het ontwerp bestemmingsplan stelt dat drugs- en alcohol gerelateerde overlast hier niet aan de orde zal zijn. Dit is een aanname. De doelgroep is niet Oostburg en regio dus moet er uitgegaan worden van landelijke gegevens die beschikbaar gesteld worden door Trimbosinstituut en het Landelijke Klachtenmelding m.b.t. festivals en evenementen. In eerste instantie zijn de eigenaren en/of uitbaters van het terrein (en de horecagelegenheid) aan zet bij vermoeden van drugsgebruik en/of overmatig drankgebruik. In opleidingen voor horeca uitbaters wordt hier ook aandacht gegeven. Als situaties uit de hand lopen in of buiten het terrein kan handhavend optreden volgen door toezichthouders van de gemeente Sluis en/of politie. De APV (Algemene Plaatselijke Verordening) biedt hier mede een handvat voor. Dit is overigens voor iedere (bedrijfs) locatie binnen onze gemeente van toepassing. 8.6 Welke maatregelen kan de gemeente Sluis ontwikkelen om de hier woonachtige burgers te beschermen tegen constante stress, slaapstoornissen door nachtelijk lawaai en overlast waardoor gezondheidsklachten kunnen ontstaan. Ons woongebied betreft ruim 130 bewoners die bijna allen gevorderd in leeftijd zijn. Op basis van de uitgevoerde toetsen kan geconstateerd worden dat er na planvorming sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Op basis daarvan mag verwacht worden dat de genoemde problemen zich niet zullen voordoen. 8.7 Hoe gaat de gemeente Sluis om met een woongebied waar huizen niet meer aantrekkelijk zijn op de huizenmarkt. Er is geen reden om te veronderstellen dat de huizen in de omgeving van het plangebied niet meer aantrekkelijk zijn op de huizenmarkt. In de afgelopen periode zijn er woningen te koop aangeboden en ook daadwerkelijk verkocht. 8.8 Wij willen uitleg over de motivatie van de gemeente Sluis om dit plan te steunen. Dit plan is ten voordele van 1 ondernemer en benadeelt ruim 130 burgers. Het Regiopark voorziet in een nieuwe invulling van het plangebied. Het plangebied is al jaren ontoegankelijk en het gebouw, door vernielingen, in vervallen staat. Bij veel inwoners van de gemeente bestaat de wens om het plangebied te kunnen bezoeken, dit project maakt dit mogelijk. Belangrijk uitgangspunt bij deze ontwikkeling is dat het unieke karakter van de locatie intact blijft. Tevens kan door realisatie van het project het bestaande hoofdgebouw gerenoveerd worden. Als toeristische regio is er behoefte aan elkweervoorzieningen, die gerealiseerd worden in de vorm van horeca en overdekte speelvoorzieningen. Uiteraard ook ten dienste aan de inwoners van de gemeente. Wij zien de ontwikkeling als toegevoegde waarde voor onze regio.
Bij een bestemmingsplanprocedure worden alle belangen zorgvuldig afgewogen. Dit hebben we ook in het kader van deze procedure gedaan. 8.9 Wij willen uitleg over de ondersteuning van een plan dat voornamelijk bestaat uit aannames. De concrete invulling ontbreekt grotendeels, bijvoorbeeld 58 voorstellingen met maximaal 500 bezoekers geeft geen duidelijkheid over de invulling van deze voorstellingen. Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen we naar hoofdstuk 4 van de notitie zienswijzen. Deze paragraaf bevat een voorstel om de regels met betrekking tot evenementen concreter te maken. Daarbij wordt ook inzicht gegeven in soort evenementen. Voor de volledigheid wordt wel opgemerkt dat het voor het bestemmingsplan te ver voert om een exacte programmering op te nemen. 4
4 Samenvatting vragen en beantwoording vragen zienswijze 20 20.1 Op welk moment, met welke procedure, door welke commissie, en met welke toepassing van welke criteria is het initiatief van Van Damme Recreatie aangemerkt als voorkeursinitiatief? In 2017 heeft de gemeente Sluis een prijsvraag uitgeschreven waarbij belangstellenden uitgenodigd werden een bod te doen op de gronden van het plangebied met daarbij een plan voor de ontwikkeling van deze gronden. Eénieder heeft via deze prijsvraag de kans gehad om een ontwikkelingsplan in te dienen. Deze prijsvraag is in het nieuws gebracht en gepubliceerd. Er is een termijn van 3 maanden open gesteld zodat iedereen voldoende mogelijkheid had om te reageren. Naar aanleiding van de prijsvraag zijn er 9 plannen zijn ingediend. Deze plannen zijn zeer divers qua functie en ook qua biedingen. Na indiening van alle plannen zijn deze voorgelegd aan college en gemeenteraad. Uiteindelijk is daarbij, op basis van de in de publicatie gestelde criteria, het besluit genomen om voor het huidige plan te kiezen. Dit vormde de basis om deze plannen te communiceren. De indieners van de overige plannen hebben deze vertrouwelijk ingediend en verwachten ook dat de overheid er als zodanig mee omgaat.
De overige plannen worden daarom door ons niet gecommuniceerd gelet op de vertrouwelijkheid en het feit dat ze niet worden gerealiseerd op de locatie Euregiotuinen. Het geeft de initiatiefnemers de ruimte om er op een andere wijze/ locatie invulling aan te geven. 20.2 Op welke manier en hoe is er in de visie van de gemeente sprake geweest van een transparant proces in de keuze voor het initiatief van Van Damme Recreatie? Voor de beantwoording van deze vraag kan verwezen worden naar de beantwoording van de eerste vraag van zienswijze 20 (20.1). 20.3 Waarom is er door uw college geen invulling gegeven aan het gemeentelijk beleid tot bevordering van burgerparticipatie, zoals onder meer vastgelegd in het visiedocument ‘Krachtig Verbonden 2021 – 2025’? Na afronding van het traject van de prijsvraag (zoals uitgelegd bij vraag 20.1 is een voorontwerpbestemmingsplan tot stand gekomen. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 28 januari 2021 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn werd iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een inspraakreactie in te dienen. Inspraak is een vorm van burgerparticipatie, die bij dit project is toegepast op basis van de door de raad vastgestelde inspraakverordening (in werking getreden op 22 augustus 2008) en waaraan conform de huidige wetgeving uitwerking aan is gegeven.
Daarnaast is er nog tweemaal een open dag georganiseerd waar ruimte was om de plannen te bespreken met zowel de gemeente als initiatiefnemers. Zoals in het visiedocument ‘Krachtig Verbonden 2021- 2025’ is aangegeven wordt burgerparticipatie wettelijk verplicht bij de invoering van de Omgevingswet. Hoe deze verplichting in de toekomst onder de Omgevingswet tot uitvoering zal worden gebracht is in deze procedure echter niet relevant, aangezien wij ons moeten baseren op de huidige geldende weten regelgeving. 20.4 Kan uw college uitleggen waarom er niet duidelijk gemaakt is op welke wijze en in welke mate rekening is gehouden met alle af te wegen belangen, waaronder de belangen van omwonenden en overige inwoners die gevolgen kunnen ondervinden van de uitvoering van het initiatief? Bij een bestemmingsplanprocedure worden alle belangen zorgvuldig afgewogen. Dit hebben we ook in het kader van deze procedure gedaan.
5
20.5 Wij willen openbaarheid over het tot stand komen van de keuze voor de initiatiefnemer ten einde te kunnen beoordelen, of de gemeente conform de in de wet vastgelegde criteria heeft gehandeld; is uw college bereid om ons verzoek te honoreren? Zo nee, waarom niet? Zoals onder vraag 20.1 uiteengezet hebben de indieners van de overige plannen deze vertrouwelijk ingediend en verwachten ook dat de overheid er als zodanig mee omgaat. De overige plannen worden daarom door ons niet gecommuniceerd gelet op de vertrouwelijkheid en het feit dat ze niet worden gerealiseerd op de locatie Euregiotuinen. Het geeft de initiatiefnemers de ruimte om er op een andere wijze/ locatie invulling aan te geven. Het is ons bekend dat een aantal partijen de plannen wel openbaar heeft gemaakt, maar de overige partijen hebben dat niet gedaan. Dit vormt de belangrijkste reden om de afweging van ingediende plannen niet openbaar te maken. 20.6 Handelt het college of heeft het college van de gemeente Sluis gehandeld in strijd met de criteria die de Hoge Raad heeft aangelegd in het Didam-arrest en dat daar mee het ontwerpbestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid en ook daarom niet in stand kan blijven? Voor de beantwoording van deze vraag kan verwezen worden naar hoofdstuk 13 van de notitie zienswijzen.
20.7 Kan het college verklaren waarom de plannen voor het Euregiopark sterk afwijken van de in de prijsvraag genoemde voorwaarden? Het bestemmingsplan zoals nu voorligt wijkt niet af van het ingediende en gehonoreerde plan ten tijde van de prijsvraag. Het plan voldoet aan alle onderdelen aan de voorwaarden die vooraf aan de prijsvraag gesteld zijn. De gestelde voorwaarden zijn als volgt: • De locatie Euregiotuinen bestaat uit verschillende percelen (T1000, T1489, T1001 en T1412). Het initiatief moet gericht zijn op volledige overname van al deze percelen (geen verhuur, geen opsplitsing van percelen en geen overname van slechts één of enkele percelen). Enige uitzondering hierop kan gevormd worden door een splitsing van T1412 (perceel grenzend aan Oostburg). • Woningbouwontwikkeling wordt niet toegestaan op deze locatie (maximaal 1 woning) • Verblijfsrecreatie als hoofdfunctie is niet mogelijk. Verblijfsrecreatie kan echter kleinschalig, onderscheidend en als nevenactiviteit behorend bij een andere hoofdactiviteit worden overwogen. • Het initiatief moet zichzelf financieel kunnen bedruipen. Er zal een marktconforme prijs gehanteerd worden en er zal van gemeentewege geen bijdrage verleend worden aan de exploitatie van het initiatief. • Bedrijfsmatige activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein worden niet toegestaan.
• Naburig perceel T1003 (een groenstrook) is eigendom van het Waterschap. Het is aan de initiatiefnemer om over gebruik of overname van deze strook afspraken te maken met het Waterschap. Deze strook vormt vanzelfsprekend geen onderdeel van de onderhandelingen tussen gemeente en initiatiefnemer. En als volgt kan gemotiveerd worden dat hieraan voldaan wordt: • Het plan gaat uit van het gehele plangebied. • Het plan gaat uit van de realisatie van maximaal 1 woning. • In hoofdstuk 5 van de notitie zienswijzen is gemotiveerd dat de te realiseren verblijfsrecreatie ondergeschikt van aard is. 6
• • •
De gemeente verstrekt geen bijdrage aan de exploitatie van het initiatief. Het plan gaat niet uit van bedrijfsmatige activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein. Het perceel T1003 is, vooralsnog, eigendom van het Waterschap.
20.8 Ten aanzien van groepskamperen vraagt u; Groepskamperen is elders niet gewenst omdat andere recreanten dit als belastend ervaren. Is dit in een woonomgeving niet aan de orde? Het combineren van verschillende soorten recreanten (o.a. groepskamperen en reguliere verblijfgasten) is op reguliere verblijfsrecreatieterreinen niet gewenst vanwege de verschillende wensen, verwachtingen en waarden die de verschillende recreanten hebben of hopen te ervaren. Daarom wordt groepskamperen als belastend ervaren voor andere recreanten en exploitanten van reguliere verblijfsrecreatieterreinen. De bedoelde belasting bestaat dus niet uit te verwachten overlast. Welke maatstaven worden gehanteerd – voor de definitie van groep – wie stelt deze op en wie beoordeelt of de groepen toelaatbaar zijn en met welke criteria? In de begripsbepalingen van het bestemmingsplan (artikel 1.39) is groepskamperen als volgt gedefinieerd: het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen voor groepen, uitgaande van een vereniging of daarmee te vergelijken organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve, sportieve of wetenschappelijke aard. Het is aan de eigenaar/ uitbater van het terrein om te handelen conform o.a. de regels van het bestemmingsplan. Wie draagt de verantwoording bij dit groepskamperen? De eigenaar/ uitbater van het terrein.
Visiedocument Krachtig Verbonden formuleert: ‘Er wordt geen nieuwe verblijfsrecreatie toegestaan’. Handelt de gemeente Sluis dan niet in tegen de zelf geformuleerde afspraken, want Regiopark zet in (blz. 29) op 15.000 verblijfsrecreanten? Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van de notitie zienswijzen. 20.9 Gelet op het beleidsuitgangspunt dat er geen nieuwe verblijfsrecreatie wordt toegestaan is het toevoegen van de onderhavige verblijfsrecreatie op deze locatie volledig in strijd met het beleid van de gemeente Sluis en daarmee tevens in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het rechtszekerheidsbeginsel) en daarnaast het ontwerpbestemmingsplan volledig in strijd is met deze punten. Kunt u daarvoor een verklaring geven? In hoofdstuk 5 van de notitie zienswijzen is gemotiveerd dat er geen sprake is van nieuwvestiging van verblijfsrecreatie. 20.10 Wij zijn van mening dat het college met betrekking tot de schade aan Natura 2000 gebied het Groote Gat en natuurgebied Sophiapolder (Ecologische Hoofd Structuur) de plannen moet heroverwegen. In 2022 wordt met toenemende mate zichtbaar wat de gevolgen van de klimaatverandering zijn. Vind u niet dat wij, maar ook overheidsinstanties hier meer en meer rekening moeten gaan houden i.p.v. de ogen sluiten en weer een onzinnig en verouderd plan (2017) te realiseren?
7
In het bestemmingsplan is met stikstofberekeningen, natuur- en geluidonderzoeken aangetoond dat er als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling geen negatieve gevolgen te verwachten zijn voor genoemde natuurgebieden. 20.11 Kunt u geen goede uitleg geven waarom dit plan, gelet op de Ladder voor duurzame verstedelijking, toch uitgevoerd zou moeten kunnen worden volgens het college? Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hoofdstuk 11 van de notitie zienswijzen. 20.12 Wij vragen het college hoe zij de kwaliteiten willen beschermen van het Natura 2000 gebied en zoals beschreven in het Omgevingsplan en van het Natuurnetwerk Zeeland en de Natura 2000 gebieden die samen de gebieden vormen van groen topkwaliteit. Het ontwerpbestemmingsplan met nieuwe (verblijfs)recreatieve ontwikkelingen zal daar een enorme impact op hebben. In het bestemmingsplan is met stikstofberekeningen, natuur- en geluidonderzoeken aangetoond dat er als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling geen negatieve gevolgen te verwachten zijn voor genoemde natuurgebieden.
20.13 Is het college met ons van mening dat er hier echter feitelijk geen sprake is van stedelijk gebied (momenteel valt de locatie in het bestemmingsplan buitengebied) en daarnaast er geen sprake is van een aandachtsgebied en dat planning van verblijfsrecreatie op deze locatie ook hierom in strijd is met het provinciaal beleid? Zo, nee waarom niet? U verwijst hierbij specifiek naar pagina 35 van het Omgevingsplan Zeeland. In de omgevingsverordening van de provincie Zeeland (2018) is stedelijk gebied gedefinieerd. Uit deze definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Voor het bepalen van de grens van het bestaand stedelijk gebied moet worden gelet op de feitelijke situatie, de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Gekozen is voor een verbale aanduiding van het bestaand stedelijk gebied en geen op de kaart aangegeven begrenzing. Daarmee wordt ruimte geboden aan lokaal maatwerk en wordt voorkomen dat de provinciale verbeelding slechts een momentopname laat zien die geen recht doet aan wijzigingen die voortdurend optreden in de begrenzing van bestaand stedelijk gebied. In het licht van het Omgevingsplan Zeeland 2018 moet het initiatief aangemerkt worden als kleinere dagrecreatieve voorziening.
Het plangebied is een voormalige ontwikkellocatie die gelegen is in het overgangsgebied tussen bestaand stedelijk gebied en agrarisch gebied. Om die reden komen wij evenals de provincie Zeeland tot de conclusie dat het initiatief past binnen de kaders van het provinciale beleid. Voor onze overweging met betrekking tot verblijfsrecreatie verwijzen we naar de beantwoording van vraag 20.9. 20.14 Wij zouden graag de motivatie ontvangen van het college waarom detailhandel op de onderhavige locatie een vereiste is. Gelet op de terughoudendheid van de provincie en de korte afstand tot het winkelgebied in het centrum van Oostburg is detailhandel op deze locatie toch overbodig? U verwijst hierbij specifiek naar pagina 36 van het Omgevingsplan Zeeland. Detailhandel is geen vereiste voor het plan. In de regels van het bestemmingsplan is in artikel 3.1 onder e aangegeven dat detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan. Dat wil dus zeggen dat het bijvoorbeeld mogelijk is om streekproducten, souvenirs of ansichtkaarten te verkopen. Zelfstandige detailhandel is niet toegestaan. Dit is overeenkomstig het provinciale beleid. 8
20.15 Is het college met ondergetekenden van mening dat de aard en schaal van het evenemententerrein niet aansluit op de locatie, dat de druk die een evenemententerrein met verblijfsrecreatie met zich meebrengt een onevenredige zware weerslag heeft op de omliggende natuur en bewoners en er niet aantoonbaar in voldoende mate rekening is gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en aanwezige infrastructuur? En waarom niet? In het bestemmingsplan is met stikstofberekeningen, natuur- en geluidonderzoeken aangetoond dat er als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling geen negatieve gevolgen te verwachten zijn voor genoemde natuurgebieden. De term evenemententerrein doet geen recht aan de werkelijke functie. Het gaat hier om een dagrecreatieve bestemming met de mogelijkheid om onder voorwaarden een beperkt aantal evenementen te organiseren. Volledigheidshalve wordt verwezen naar hoofdstuk 4 en 9 van de notitie zienswijzen. Op basis van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009) kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat na realisatie van het plan.
20.16 Kan het college weerleggen dat horeca en detailhandel in het nabije buitengebied van Oostburg een ongunstig effect heeft op de vitaliteit van de binnenstad van Oostburg en het kernwinkelgebied en dat gelet hierop het onbegrijpelijk is dat horeca en detailhandel zijn opgenomen in de planvorming daar geenszins gemotiveerd is dat deze aan het buitengebied zijn verbonden? Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden om binnen een gedeelte van het plangebied een horecagelegenheid te realiseren, daarnaast is het mogelijk om als ondergeschikte nevenactiviteit detailhandel te realiseren (zie beantwoording vraag 20.14). Deze voorzieningen zijn gericht op de gebruikers en bezoekers van het Regiopark. Gelet hierop en gelet op de gelimiteerde mogelijkheden om horeca en detailhandel te realiseren is er geen sprake van een (ongunstig) effect op Oostburg. Een versterkende werking is eerder te verwachten als bezoekers aan het Regiopark tevens winkelen in Oostburg en inwoners van Oostburg het plangebied kunnen betreden voor een wandeling. Voor de volledigheid wordt toegevoegd dat het plan uitgaat van een herontwikkeling van een leegstaande locatie. 20.17 Is het college het eens met de stelling ‘De gemeente dient de bestaande natuurgebieden te beschermen. Gezien de invloed van geluid en licht op het Natura2000 gebied Het Groote Gat wordt aan deze taak geen behoorlijke invulling gegeven.
Daarnaast is er een beheerplan opgesteld voor het Natura 2000-gebied het Groote Gat. De invloed van het plan in relatie tot het beheerplan is niet meegenomen in de motivatie van het ontwerpbestemmingsplan? Zo nee, waarom niet? Op basis van uitgevoerde toetsen en onderzoeken (natuurwaarden, stikstof, milieu) is aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op bedoelde natuurgebieden. De Rijksoverheid legt vast welke natuurgebieden worden aangewezen als Natura 2000-gebied en welke natuurdoelen hiervoor gelden. Het Groote Gat is één van de natuurgebieden in Zeeland die behoren tot het Natura 2000 netwerk. Per Natura 2000-gebied wordt bepaald welke dier- en plantensoorten behouden moeten blijven of meer ontwikkelingskans moeten krijgen. Hoe en wanneer de natuurdoelen behaald worden wordt vastgelegd in Natura 2000-beheerplannen. Het beheerplan is geen ruimtelijk toetsingskader, om die reden is hieraan niet getoetst in de toelichting op het bestemmingsplan. 9
In hoofdstuk 9 van de notitie zienswijzen wordt nader ingegaan op het aspect geluid in relatie tot natuurgebied het Groote Gat. 20.18 In hoeverre zijn de omgevingskwaliteiten rust, stilte, weidsheid, open horizon (ruimte) en/of duisternis meegewogen bij de keuze van het plan en de beoordeling van de ontwikkeling en waarom is dit niet gemotiveerd? Het plan is, zoals voorgeschreven, getoetst op de inpasbaarheid in de omgeving door middel van o.a onderzoek naar natuurwaarden, geluid en milieu. Maar uitleg over bestemmingsplannen en toetsing aan o.a. milieu aspecten kunt u raadplegen via Uitleg bestemmingsplan - Kenniscentrum InfoMil 20.19 Graag vernemen wij van het college hoe de gemeente kan motiveren dat deze woning noodzakelijk is op deze locatie? In de ontwikkeling Regiopark Oostburg is de bouw van één woning voorzien. In basis wordt daarbij gedacht aan de functie bedrijfswoning. De wens is nadrukkelijk aanwezig om een meer flexibel gebruik van de woning niet bij voorbaat uit te sluiten. Daarom wordt een reguliere woonbestemming toegepast. De beoogde woning is onderdeel van het plan en ruimtelijk inpasbaar op de voorgestelde locatie. De mogelijkheid tot realisatie van maximaal 1 woning is ook als voorwaarde meegegeven in de randvoorwaarden behorende bij de prijsvraag (zie beantwoording vraag 20.7).
20.20 Kan het college toelichten in hoeverre de gemeente Sluis rekening heeft gehouden met een gezonde leefomgeving bij de plankeuze en planvorming? U verwijst hierbij specifiek naar paragraaf 8.7 Gezonde Leefomgeving van het Omgevingsplan Zeeland. Het plan is, zoals voorgeschreven, getoetst op de inpasbaarheid in de omgeving door middel van o.a onderzoek naar natuurwaarden, geluid en milieu. Maar uitleg over bestemmingsplannen en toetsing aan o.a. milieu aspecten kunt u raadplegen via Uitleg bestemmingsplan - Kenniscentrum InfoMil 20.21 Natura 2000-gebieden worden beschermd als Milieubeschermingsgebieden. Voor de milieubeschermingsgebieden gelden richtwaarden en gedragsregels om verstoring van de rust en stilte te voorkomen. Kan het college verklaren waarom een motivering dat hieraan voldaan wordt ontbreekt in het ontwerpbestemmingsplan? Milieubeschermingsgebieden worden beschermd aan de hand van de Wet natuurbescherming. Deze wet garandeert en beschermt de kwalitatieve en kwantitatieve waarde en instandhouding van Natura 2000-gebieden en andere aanwezige natuur. De Natura 2000-gebieden en andere natuur zijn in het provinciaal beleid verder uitgewerkt en nader toegelicht in het ‘Natuurnetwerk Zeeland’ (NNZ).
Aan de hand van het NNZ wordt gesteld dat er minimaal 100 meter gelegen dient te zijn tussen natura 2000-gebieden en ontwikkelingen die van invloed kunnen op de beschermde gebieden. In de provinciale Omgevingsverordening is in artikel 2.27 het volgende opgenomen: “In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor gronden die zijn gelegen binnen 100 meter rond bestaande natuurgebieden, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden en wordt aannemelijk gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt.” Het natuurgebied Groote Gat ligt op 95 meter van de punt van het plangebied. Omdat een strook van ruim 15 meter (zonering) aan de oostrand wordt gevrijwaard van verblijfsrecreatie en dagrecreatie, anders dan de bestaande mogelijkheden, 10
worden er geen nieuwe regels gegeven voor gronden binnen 100 meter rond bestaande natuurgebieden. Dit is verwerkt in de toelichting op het bestemmingsplan. 20.22 Kan het college met reden omkleed uitleggen waarom er bij de plankeuze en planvorming niet aantoonbaar en gemotiveerd is afgewogen dat op de aangewezen locatie, waar momenteel volledige duisternis heerst, dat dat met de ontwikkeling volledig teniet gedaan wordt? Nu er binnen het plangebied altijd lampen branden uit oogpunt van veiligheid kan er niet gesteld worden dat er sprake is van volledige duisternis binnen het plangebied. Op basis van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 zijn er verschillende ‘Duisternisgebieden’ in de provincie Zeeland aangewezen. Dit zijn gebieden waar zichtbaar kunstlicht zoveel mogelijk ontbreekt. Door het aanwijzen van een duisternisgebied en duisternis als kernkwaliteit vast te stellen voor Natura 2000-gebieden of delen van die gebieden, wordt er een fysieke begrenzing aangewezen. Die begrenzing draagt de zorg dat in en in de nabijheid van de aangewezen duisternisgebied geen activiteiten plaatsvinden die de kwaliteit van de heersende duisternis negatief kunnen beïnvloeden. Het natura 2000-gebied ‘Groote Gat’ is niet aangewezen als duisternisgebied. De meest nabij gelegen duisternisgebieden zijn ‘Verdronken Zwarte Polder’ en ‘Zwin en Kievittepolder’.
Beide gebieden zijn op circa 7,6 kilometer van het plangebied gelegen. Overigens is via de regels van het bestemmingsplan wel zorg gedragen voor het voorkomen van ongewenste lichthinder. Er is (straat)verlichting voorgeschreven met een neerwaarts geprojecteerde verlichting. 20.23 Is het college net als wij van mening dat bij de plankeuze en planvorming onvoldoende aandacht is geweest voor de aanwezige en omliggende natuur: want dat blijkt onvoldoende uit het ontwerp en de toelichting daarbij? Graag ontvangen wij een uitgebreidere motivatie van u. Het plan is, zoals voorgeschreven, getoetst op de inpasbaarheid in de omgeving door middel van o.a onderzoek naar natuurwaarden, geluid en milieu. Maar uitleg over bestemmingsplannen en toetsing aan o.a. milieu aspecten kunt u raadplegen via Uitleg bestemmingsplan - Kenniscentrum InfoMil 20.24 Is het college het met ondergetekenden eens dat, gelet op de situatie ter plaatse, de omstandigheden, ligging, aard van de omgeving en het feit dat het gebied gelegen is in het huidige bestemmingsplan buitengebied, men onmogelijk kan uitgaan van het feit dat er sprake is van stedelijk gebied en het tegenovergestelde eerder het geval is? Zie beantwoording vraag 20.13.
20.25 Kan het college duidelijkheid verschaffen waarom er niet wordt gemotiveerd of er sprake is van detailhandel welke functioneel aan het buitengebied verbonden is? U verwijst specifiek naar artikel 2.6 van de provinciale Omgevingsverordening. In de regels van het bestemmingsplan is in artikel 3.1 onder e aangegeven dat detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan. Dat wil dus zeggen dat het bijvoorbeeld mogelijk is om souvenirs of ansichtkaarten te verkopen. Zelfstandige detailhandel is niet toegestaan. Dit is overeenkomstig het provinciale beleid. 20.26 Hoe kan het college de tegenstrijdigheid verklaren tussen het visiedocument ‘Krachtig Verbonden’ waarin nieuwvestiging van verblijfsrecreatie is uitgesloten en dit plan? 11
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van de notitie zienswijzen. 20.27 U stelt dat de beoogde woning in strijd is met de Omgevingsverordening gelet op artikel 2.7 en de in bijlage C genoemde voorwaarden. Indien het college het niet eens is met deze conclusies willen ondergetekenden graag weten waarom niet. Het door u aangehaalde artikel uit de Omgevingsverordening gaat over kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied. Het voorliggend plan gaat niet uit van een kleinschalige woningbouwlocatie. Het plan gaat uit van de realisatie van één (bedrijfs) woning. Om die reden is het genoemde artikel uit de Omgevingsverordening niet van toepassing op dit plan. 20.28 U stelt dat het plan niet voldoet aan artikel 2.11 van de Omgevingsverordening Zeeland (Verblijfsrecreatie buiten de kustzone). U wenst een reactie van het college op bovenstaande vaststelling. Het door u aangehaalde artikel uit de Omgevingsverordening gaat over het toestaan van een nieuw verblijfsrecreatieterrein. Het voorliggend plan gaat niet uit van de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterrein. Om die reden is het genoemde artikel niet van toepassing op dit plan. Voor de volledigheid wordt ook verwezen naar hoofdstuk 5 van de notitie zienswijzen.
20.29 Is het college het eens met ondergetekenden dat het Groote Gat is opgenomen als bestaande natuur en artikel 2.23 (Bestaande natuur) sub 5 van de Omgevingsverordening Zeeland dan ook overwogen dient te worden? U voegt hieraan toe dat dit ontbreekt in de onderbouwing. Het door u aangehaalde artikel uit de Omgevingsverordening gaat over de wijze van bestemmen van bestaande natuurgebieden. Het voorliggend plan is niet gelegen in een bestaand natuurgebied. Om die reden is het genoemde artikel niet van toepassing op dit plan. 20.30 Verkeert het college, net als wij in de overtuiging, dat waar aangaande de onderbouwing wordt gesteld dat voldaan wordt aan de grens van (48dB(A)) geldend ten aanzien van het Groote Gat, deze motivatie onvoldoende is? U bent van mening dat ook artikel 3.25 van de Omgevingsverordening Zeeland overwogen dient te worden. Voor onze overweging op dit punt wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van de notitie zienswijzen.
20.31 Kan het college ontkennen dat er ten onrechte dan ook geen beschrijving is gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden en ook niet aannemelijk worden gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt en dat bij de afwijkingsregeling in artikel 10 van de regels ook geen rekening gehouden is met deze bepaling uit de Omgevingsverordening? Het plan is, zoals voorgeschreven, getoetst op de inpasbaarheid in de omgeving door middel van o.a onderzoek naar natuurwaarden, geluid en milieu. Maar uitleg over bestemmingsplannen en toetsing aan o.a. milieu aspecten kunt u raadplegen via Uitleg bestemmingsplan - Kenniscentrum InfoMil 20.32 Is het college het met ons een dat in het ontwerp bestemmingsplan geen rekening is gehouden met de maximale geluidswaarde voor het Groote Gat? U licht hierbij nog toe dat het Groote Gat op grond van de Omgevingsverordening een milieubeschermingsgebied is waar voor geluid een richtwaarde geldt van maximaal 48 dB(A) en dat in artikel 3.5.5. van het ontwerp bestemmingsplan uitsluitend een regeling is gegeven voor geluidsmeting ter plaatse van de gevels van de woningen. 12
Voor onze overweging op dit punt wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van de notitie zienswijzen. 20.33 Beseft het college niet dat met de huidige planvorming het toekomstperspectief van de bewoners van de omgeving – oudere mensen die graag wonen in een rustige omgeving – volledig wordt verstoord en de indruk wordt gewekt dat de belangen van 1 ondernemer en de economische belangen van de gemeente boven die van de omwonenden worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Het Regiopark voorziet in een nieuwe invulling van het plangebied. Het plangebied is al jaren ontoegankelijk en het gebouw, door vernielingen, in vervallen staat. Bij veel inwoners van de gemeente bestaat de wens om het plangebied te kunnen bezoeken, dit project maakt dit mogelijk. Belangrijk uitgangspunt bij deze ontwikkeling is dat het unieke karakter van de locatie intact blijft. Tevens kan door realisatie van het project het bestaande hoofdgebouw gerenoveerd worden. Als toeristische regio is er behoefte aan elkweervoorzieningen, die gerealiseerd worden in de vorm van horeca en overdekte speelvoorzieningen. Uiteraard ook ten dienste aan de inwoners van de gemeente. Wij zien de ontwikkeling als toegevoegde waarde voor onze regio De brochure "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009) geeft voor kampeerterreinen en vakantiecentra, e.d.
(SBI-code 2008: 552, 553) een richtafstand van 50 meter ten opzichte van woningen, vanwege het milieuaspect geluid. Voor de milieuaspecten geur en gevaar gelden richtafstanden van 30 meter. De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. Deze afstanden kunnen met 1 stap worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dus 30 meter vanwege het aspect geluid en 10 meter vanwege het aspect geur en gevaar. Gelet op de ligging van het Regiopark in de nabijheid van woningen, een bedrijventerrein, detailhandelsbedrijf en buitengebied kan dit gebied aangemerkt worden als gemengd gebied. Gelet hierop is een zonering rondom de bestaande woningen toegepast van 30 meter waarin geen bouwwerken en/of verblijfsrecreatieve functies worden toegestaan. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG(Vereniging Nederlandse Gemeenten)) hanteert twee typen lijsten, namelijk een functiemengingslijst en een bedrijvenlijst voor bedrijventerreinen Op beide lijsten valt horeca onder 'Logies-, maaltijden- en drankenverstrekking'. Op de functiemengingslijst valt horeca in de categorieën A en B. Deze functies zijn in het algemeen direct naast gevoelige functies, zoals wonen, mogelijk. Volgens de bedrijvenlijst voor bedrijventerreinen valt horeca in de categorieën 1 t/m 3.1.
De hoogste categorie (3.1) is voor de horeca binnen het plangebied niet van toepassing. Voor functies met milieucategorie 2 geldt binnen gemengde gebieden een afstand tot gevoelige functies zoals woningen van 10 meter. Het maatgevende aspect hierbij is geluid (op basis waarvan deze afstand is bepaald). De afstand van de meest nabij gelegen woning tot het bouwvlak binnen het plangebied (waarbinnen horeca is toegestaan) is 70 meter, de afstand van het bouwvlak van de meest nabijgelegen woning tot het bouwvlak binnen het plangebied (waarbinnen horeca is toegestaan) is 26 meter. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat, na realisatie van het plan. 20.34 Vindt het college het net als wij onterecht dat er geen aandacht is besteed aan het feit dat lawaai c.q. geluid door de wind gedragen wordt in de richting van de kern Oostburg, en meer in het bijzonder nog in de richting van gevoelige objecten als school, ziekenhuis, verzorgingstehuizen en appartementencomplex, die gelegen zijn in de richting waarheen het geluid door de wind gedragen zal worden? Zo nee, waarom niet? Voor onze overweging op dit punt wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van de notitie zienswijzen. Met de gestelde voorwaarden is rekening gehouden met geluidgevoelige objecten. 13
20.35 Komt het college net als wij tot de conclusie dat in strijd met de Omgevingsverordening Zeeland geen beschrijving is gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied Groote Gat en ook niet aannemelijk wordt gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt en evenmin aantoonbaar rekening is gehouden met de richtwaarde voor geluid die geldt binnen het milieubeschermingsgebied Groote Gat? Zo nee, waarom niet? Het plan is, zoals voorgeschreven, getoetst op de inpasbaarheid in de omgeving door middel van o.a onderzoek naar natuurwaarden, geluid en milieu. Maar uitleg over bestemmingsplannen en toetsing aan o.a. milieu aspecten kunt u raadplegen via Uitleg bestemmingsplan - Kenniscentrum InfoMil Daarnaast wordt verwezen naar de beantwoording van uw voorgaande vragen in relatie tot natuurgebied Het Groote Gat.
20.36 Kan het college bevestigen dat de gemeente Sluis zich blijkens ‘Krachtig Verbonden’ gecommiteerd heeft om een bijdrage te leveren aan het in stand houden en bevorderen van biodiversiteit; want dat blijkt niet uit het ontwerpbestemmingsplan? Biodiversiteit omvat alle soorten planten, dieren en micro-organismen, maar ook de enorme genetische variatie binnen die soorten en de variatie aan ecosystemen waarvan ze deel uitmaken, van weiland tot wetland, van rivier tot estuarium en van bos tot woonwijk (www.wur.nl). In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn diverse onderzoeken uitgevoerd op het gebied van o.a. natuurwaarden, milieu en geluid. Daar waar nodig zijn de resultaten vertaald in de regels van het bestemmingsplan, gericht op het niet verstoren van voorkomende soorten. 20.37 In de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan staat dat vanuit het Natura 2000 gebied geen verbinding is met de Euregiotuinen (betreding direct vanuit het Regiopark niet mogelijk). Kan het college ontkennen dat dit onjuist is? Natuurgebied Het Groote Gat is opengesteld voor wandelaars. Er staat een vogelobservatiehut aan de zuidzijde van het gebied, met een ingang aan de Nieuwveltweg. Daarnaast is het mogelijk om bij voldoende vorst te schaatsen op het Groote Gat. Dit is ook terug te lezen in het beheersplan. Dat wil dus zeggen dat het natuurgebied toegankelijk is.
Er is een afstand van 95 meter tussen de grens van het natuurgebied en het Regiopark, zodat er geen directe betreding mogelijk is. Daarnaast grenst de hoofdtoegang van het Regiopark niet aan de zijde van natuurgebied het Groote Gat, dat is wat bedoeld is in de toelichting op het bestemmingsplan. 20.38 In de onderbouwing wordt volledig voorbijgegaan aan de invloed van geluid op de in de planlocatie aanwezige flora en fauna; of is het college het daar niet mee eens? Graag uw toelichting. In het uitgevoerde onderzoek naar natuurwaarden is rekening gehouden met de beoogde activiteiten en de mogelijke effecten op aanwezige soorten. Voor de volledigheid wordt verwezen naar onze overwegingen op dit punt in hoofdstuk 6 van de notitie zienswijzen. 20.39 Is het college het eens dat de bodemonderzoeken uit 1998 en 2006 niet meer voldoende actueel zijn en er een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden, temeer er inmiddels op gebied van bodem een hoop ontwikkelingen geweest zijn (bijvoorbeeld de Pfas-problematiek)? Er is geen sprake van een voor bodem essentiële functiewijziging. Reeds uitgevoerde bodemonderzoeken laten geen ernstige verontreinigingen zien. Bodem vorm geen belemmering voor het bestemmingsplan. Dit kan als volgt nader gemotiveerd worden.
14
De aanleiding van het onderzoek uit 2006 was in verband met voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het onderzoek toont enkele lichte (niet mobiele) overschrijdingen aan die geen belemmeringen opleveren voor toekomstige ontwikkelingen en geeft aan dat er geen verdere onderzoeksinspanningen nodig zijn m.b.t. bodem. Na het onderzoek uit 2006 hebben op de locatie geen activiteiten plaatsgevonden die van invloed zouden kunnen zijn op de bodemkwaliteit ter plaatse. In december 2020 is in het kader van de zorgplicht de bodemkwaliteitskaart PFAS van de gemeente Sluis vastgesteld. Deze bodemkwaliteitskaart geeft aan dat de bodem binnen het grondgebied van de Gemeente Sluis voldoet aan de achtergrondwaarden die gesteld zijn in het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Er mag uitgegaan worden van de kwaliteitsklasse die de zonering van deze kaart aangeeft, mits er geen direct aanwijsbare bronnen zijn. Van de locatie zijn geen direct aanwijsbare bronnen. PFAS is dus ook geen belemmering. Gezien het bovenstaande achten wij de bodemkwaliteit m.b.t. de functiewijziging voldoende getoetst en is verder onderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Bij de vergunning verlening voor de bouw van de woning, is wellicht nog wel een bodemonderzoek noodzakelijk.
20.40 In de toelichting van het bestemmingsplan staat enerzijds dat geen extra verhard oppervlak te verwachten is, tevens staat er dat extra verharding te verwachten is door de bouw van een woning, de verblijfsrecreatieeenheden en van de groepsaccommodaties. Moet hier naar de mening van het college geen correctie op aangebracht worden? Zo nee, waarom niet? In bijlage 4 bij de toelichting op het bestemmingsplan is de watertoetstabel opgenomen. Hierin is weergegeven wat de maximale toename van verharding kan zijn en aangetoond dat er meer dan voldoende ruimte is om water te kunnen vasthouden en te bergen. 20.41 Kan het college uitleggen waarom het plan volstrekt onnodig veel te veel ruimte voor bebouwing biedt (ongeveer 7.000 m2) terwijl dit niet noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening? Voorgenomen planontwikkeling is vertaald in een bestemmingsplan. Hierbij is een ruimtelijke afweging gemaakt, ook ten aanzien van het ruimtebeslag van mogelijke bebouwing. Zowel in het kader van de inspraak als naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn aanpassingen op dit punt gedaan. De bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zijn zowel ruimtelijk (gelet op de omvang van het gebied) als beleidsmatig inpasbaar. De bouwmogelijkheden zijn daarenboven stevig beperkt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.
20.42 Kan het college uitleggen waarom de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie-eenheden, in afwijking van artikel 2.3 van de regels, gemeten wordt tussen de bovenzijde van de begane grond vloer en het hoogste punt van het gebouw en naast het feit dat deze wijze van meten afwijkt van de wijze van meten als onder artikel 2.3 deze tevens afwijkt van alle andere bestemmingsplannen in de gemeente Sluis? Deze afwijkingsbevoegdheid is bedoeld voor het realiseren van een verblijfseenheid in de vorm van een boomhut. Dus bedoeld voor het mogelijk maken van een boomhut als recreatieverblijf. 20.43 Is het college net als wij de mening toegedaan dat onnodig veel planologische bouwruimte geboden is voor een sanitair gebouw dat uitsluitend bedoeld is voor 200 groepskampeerders? U licht dat dit gebouw 150 m2 groot mag zijn en tot 8 meter hoog, u stelt dat dit niet noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening. 15
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen wordt voorgesteld om het bestemmingsplan op dit punt aan te passen. Om die reden wordt voor de beantwoording van deze vraag verwezen naar hoofdstuk 5 van de notitie zienswijzen. 20.44 Graag vernemen wij van het college waarom in de gebruiksregels in het ontwerpbestemmingsplan horeca in de categorieën 1a, 1b (muv hotel), 1c, 2a en 2b wordt toegestaan. De toegestane ‘middelzware’ horeca in het buitengebied is niet wenselijk en ook in strijd met het provinciaal beleid. De middelzware horeca is ook niet nodig om de exploitatie van de door de initiatiefnemer beoogde onderneming rendabel te maken. De toegestane horeca-activiteiten uit categorie 1 zijn daartoe ruimschoots voldoende toch? U licht hierbij nog toe dat in het bestemmingsplan staat dat de horeca gelinkt moet zijn aan de diverse functies binnen het gebied. De volledige Staat van Horeca activiteiten waarnaar verwezen wordt ziet er als volgt uit: Categorie 1 ‘lichte horeca’ Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden: 1a. Aan de (detailhandels)functie verwante horeca - automatiek; - broodjeszaak; - koffiebar; - ijssalon; - afhaalrestaurant; - tearoom; - traiteur. 1b. Overige lichte horeca - bistro; - restaurant (zonder bezorg- en/of afhaalservice); - hotel, inclusief appartementen; 1c.
Bedrijven genoemd onder 1a en 1b met een bedrijfsoppervlak van meer dan 250m²; 1d. - Bedrijven met een relatief grote verkeersaantrekkende werking - restaurant met bezorg- en/of afhaalservice (o.a. pizza, chinees, McDrives). Categorie 2 ‘middelzware horeca’ Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden: 2a. Aan de functie dorpshuis verwante horeca - bar; - biljartcentrum; - zalenverhuur. 2b. Overige middelzware horeca - snackbar; - bierhuis; - café; - proeflokaal; - shoarma/grillroom. Categorie 3 ‘zware horeca’ - dancing; - discotheek; - nachtclub; - partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten, muziek-/dansevenementen Omdat het niet de bedoeling is om een hotel (inclusief appartementen), bedrijven met een relatief grote verkeersaantrekkende werking en zware horeca te realiseren zijn de categorieën hotel inclusief 16
appartementen, 1d en categorie 3 uitgesloten. De overige categorieën zijn ruimtelijk inpasbaar binnen het plangebied. Hierbij is ook het invulling geven aan een leegstaande locatie punt van afweging. 20.45 In het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden om tijdens vergunningplichtige evenementen parkeercapaciteit buiten het eigen terrein te gebruiken. U vraagt daarover het volgende. Is het college het eens met het feit dat de belasting van omgeving, milieu en infrastructuur dus telkens afhankelijk zal zijn van de inhoud van het op te stellen mobiliteitsplan en daarmee het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende duidelijkheid schept? Zo nee, waarom niet? De parkeermogelijkheden op eigen terrein kunnen tijdens middelgrote evenementen ontoereikend zijn. Als dit het geval is kan uitgeweken worden naar tijdelijke parkeergelegenheid op akkerland zoals bijvoorbeeld bij verschillende dorpsfeesten tijdens de zomermaanden in onze gemeente. Deze tijdelijke parkeergelegenheid wordt in die situaties geregeld op basis van de evenementenvergunning. Nu we echter de middelgrote evenementen op basis van het bestemmingsplan mogelijk maken moet ook reeds voorzien worden in een parkeerregeling voor deze middelgrote evenementen in het bestemmingsplan.
Omdat tijdelijke parkeergelegenheid afhankelijk van het evenement of seizoen op verschillende plaatsen gerealiseerd kan worden, kan in het bestemmingsplan geen duidelijkheid gegeven worden over de locatie. Om de voorziening van voldoende parkeergelegenheid tijdens middelgrote evenement toch te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Hiermee wordt in ieder geval de zekerheid geboden dat tijdens middelgrote (vergunningplichtige) evenementen in voldoende parkeergelegenheid zal worden voorzien. Als er niet in voldoende parkeergelegenheid voorzien kan worden, kan het evenement geen doorgang vinden. 20.46 In de toelichting bij het ontwerp bestemmingsplan is overwogen dat de komende tijd benut zal worden om de verkeerssituatie in de Nieuwstraat goed in beeld te brengen en te bezien of nadere maatregelen nodig zijn. U vraagt hierover het volgende. Het college zal toch moeten toegeven dat op deze wijze het ontwerpbestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid en om te kunnen beslissen of parkeren buiten het eigen terrein mogelijk en wenselijk is, de verkeerssituatie in de Nieuwstraat en de omliggende infrastructuur reeds in beeld gebracht had moeten zijn? Zo nee, waarom niet? In het ontwerp bestemmingsplan is het aspect parkeren in voldoende mate geborgd.
Maatregelen met betrekking tot de verkeerssituatie in de Nieuwstraat zijn geen ruimtelijke ingrepen, maar hebben bijvoorbeeld betrekking op de inrichting van de weg. Dit kan niet binnen de kaders van het bestemmingsplan geregeld maken, maar afspraken hierover kunnen wel vastgelegd worden. Vanwege dit laatste willen we op dit punt in ieder geval duidelijkheid ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. 20.47 Kan het college aangeven waarom er in de paragraaf ‘Geluidsbelasting als gevolg van de ontwikkeling’ alleen wordt ingegaan op de ontsluiting richting de rotonde? U geeft aan te verwachten dat ook Dierkensteenweg, Boomkreekweg, Bakkersstraat en route door Oostburg gebruikt zullen worden als ontsluiting bij grote en gelijktijdige verkeersverplaatsingen. De toegang tot het terrein bevindt zich aan de Nieuwstraat. Alle bezoekers die met de auto naar het terrein komen, zullen aan de Nieuwstraat naar de parkeergelegenheid gaan. Bij grote en gelijktijdige verplaatsingen bijvoorbeeld bij evenementen is het gebruikelijk een route aan te geven. Deze route zal lopen via de N253 en de rotonde en niet door Oostburg heen. Mensen uit Oostburg zelf zullen in veel gevallen met de fiets komen. Uiteraard valt niet uit te sluiten dat er ook verkeer gebruik maakt van andere wegen, maar dat is in de bestaande situatie ook het geval en het is zeer ondergeschikt.
In berekeningen wordt dan ook gebruik gemaakt van de voor de hand liggende en aan te bevelen route, 17
tenzij er grote groepen zijn die gebruik kunnen maken van een andere richting. Dit is hier niet het geval aangezien de belangrijkste routes van en naar Oostburg via de N253 leiden. 20.48 Kan het college uitleggen waarom het advies van de VRZ nog steeds niet is gevraagd ondanks de inspraakreacties die zijn ingediend naar aanleiding van het voorontwerp? Verwezen wordt naar hoofdstuk 14 van de notitie zienswijzen. 20.49 Is het college het eens met de conclusie dat ook hiermee het ontwerpbestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid? Het plan is, zoals voorgeschreven, getoetst op de inpasbaarheid in de omgeving door middel van o.a onderzoek naar natuurwaarden, geluid en milieu. Maar uitleg over bestemmingsplannen en toetsing aan o.a. milieu aspecten kunt u raadplegen via Uitleg bestemmingsplan - Kenniscentrum InfoMil 20.50 U verneemt graag van het college een exacte definiëring van vergunningplichtig en kleinschalig evenement omdat de definities in de Nota Evenementenbeleid en het ontwerpbestemmingsplan niet met elkaar overeenstemmen. Kleinschalige evenementen zijn niet vergunningplichting.
Een definitie hiervan is gegeven in artikel 1.48 van de regels van het bestemmingsplan (een evenement dat past binnen de representatieve bedrijfssituatie zoals voorgeschreven volgens het Activiteitenbesluit of binnen de incidentele bedrijfssituaties op grond van artikel 2.21 lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit). Middelgrote evenementen zijn vergunning plichtig. Een definitie hiervan is gegeven in artikel 1.50 van de regels van het bestemmingsplan (een evenement dat niet past binnen de representatieve bedrijfssituatie zoals voorgeschreven volgens het Activiteitenbesluit en niet past binnen de incidentele bedrijfssituaties op grond van artikel 2.21 lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit). In het evenementenbeleid van de gemeente Sluis is geen definitie gegeven van de kleinschalige en middelgrote evenementen, maar een omschrijving van activiteiten. 20.51 Beseft het college net als wij dat het risico levensgroot is dat bezoekers, wanneer zij niet meer op het terrein van de planlocatie kunnen parkeren, zullen gaan parkeren langs de Nieuwstraat en andere omliggende wegen en zicht dan te voet zullen bewegen langs deze druk bereden straat, met alle verkeersonveilige situaties van dien? Met het bestemmingsplan is geborgd dat er in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien op daartoe aangewezen plaatsen. Het parkeren in de berm is hierdoor niet nodig.
Indien bezoekers dit alsnog doen zal hiertegen handhavend opgetreden worden. 20.52 Beseft het college ook, dat indien bezoekers wel gebruik maken van de grotere parkeerterreinen binnen de kern Oostburg, dat overlast gaat veroorzaken langs de routes van en naar het evenemententerrein; of ziet het college dat anders? U vraagt hierbij ook een toelichting. Met het bestemmingsplan is geborgd dat er in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien op daartoe aangewezen plaatsen. Indien parkeren niet op eigen terrein kan plaatsvinden zullen hiertoe locaties aangewezen worden. Dit zijn in ieder geval niet bestaande parkeerterrein in Oostburg omdat deze bedoeld zijn voor bezoekers van de kern Oostburg en mensen die hier werkzaam zijn. 20.53 Kan het college uitleggen waarom alcohol en drugs overal in Nederland gerelateerd zijn aan festivals en hier volgens de stukken niet aan de orde zijn omdat men inzet op gezinnen? Waarom dan groepskamperen? Er wordt gesteld dat de bezoekers merendeels uit andere delen van Nederland 18
afkomstig zijn; dus zogenaamde lage risico’s door regionaal bezoek zijn dan toch nergens op gebaseerd? Met betrekking tot alcohol- en drugsgebruik hebben wij overwogen dat het beeld dat geschetst wordt dat er massaal sprake zal zijn van overmatig gebruik en bijbehorende overlast volgens ons niet realistisch is. Dit gelet op de aard en omvang van de gewenste evenementen en de koppeling aan de voorgenomen doelgroepen (voornamelijk gezinnen). Daarnaast zijn onze ervaringen met evenementen in onze gemeente niet overeenkomstig het geschetste beeld dat dit leidt tot overmatig drugsgebruik en -overlast. 20.54 Wij vinden het onbegrijpelijk dat niet met de definitie van middelgroot evenement uit de Nota Evenementenbeleid aansluiting is gezocht en Regiopark Oostburg op deze wijze dus feitelijk carte blanche krijgt voor het organiseren van evenementen en festiviteiten en alle evenementen die verband houden met de hoofdactiviteit onbeperkt kunnen worden georganiseerd. (Voor incidentele evenementen waarbij meer (geluids)overlast verwacht mag worden, maar die wel verband houden met de hoofdactiviteit, kon in het voorontwerp een ontheffing voor 12 eendaagse evenementen worden verleend. Deze ontheffing is nu zelfs niet meer nodig).
Tot slot mogen nog vijf meerdaagse evenementen worden gehouden die buiten de definities van ‘representatieve bedrijfssituatie’ en ‘incidentele bedrijfssituatie’ vallen. Dat is naar onze mening een ontoelaatbaar ruim kader voor het organiseren en is in strijd met een goede ruimtelijke ordening; kan het college een plausibele verklaring geven voor dit in onze ogen wanbeleid? Graag uw ruime onderbouwing? Omdat het bestemmingsplan op dit punt naar aanleiding van ingediende zienswijzen is aangepast verwijzen wij voor een antwoord op deze vraag naar hoofdstuk 4 (evenementen) en hoofdstuk 9 (geluid) van de notitie zienswijzen. 20.55 Graag verneemt u van het college waarom er ten onrechte in het voorontwerp geen nadere regels zijn gesteld ten aanzien van het aantal evenementen per jaar, het soort evenementen en de maximale bezoekersaantallen? U verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 februari 2012. Omdat het bestemmingsplan op dit punt naar aanleiding van ingediende zienswijzen is aangepast verwijzen wij voor een antwoord op deze vraag naar hoofdstuk 4 (evenementen) van de notitie zienswijzen.