c regiopark Oostburg - versie 220225.pdf
Tekst van het document
4.4 Water Waterbeleid Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Het landelijk waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan. Dit plan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon zoet water en diverse vormen van gebruik van water. Het Waterschap Scheldestromen (WS) is de waterbeheerder voor het plangebied. Ten aanzien van (her)ontwikkelingen voert WS het beleid 'waterneutraal bouwen'. Elke ontwikkeling dient in, of in de directe nabijheid van de ontwikkelingslocatie voldoende waterbergingscapaciteit te realiseren. Hierbij moet er voldoende bergingscapaciteit zijn om een situatie met een herhalingstijd van 100 jaar te kunnen verwerken. Als uitgangspunt wordt hierbij een 10 dagen durende bui met een totale neerslag van 147 mm gehanteerd. Bij een afvoer naar het regionale watersysteem volgens de afvoernorm van het waterschap maximaal 10 mm/24 uur dient er een bergingscapaciteit van 75 mm op het afvoerend oppervlak te worden gerealiseerd. Het watervlak zelf telt hierbij ook mee als afvoerend oppervlak. Ten aanzien van de waterkwaliteit is het beleid van het waterschap er op gericht om schoon water zoveel mogelijk in het gebied te houden en niet via de riolering naar een afvalwaterzuivering af te voeren.
De beslisboom voor afkoppelen geeft aan hoe met het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering moet worden omgegaan. Hierbij dient eerst afgewogen te worden of het regenwater hergebruikt kan worden, zo niet dan dient infiltratie overwogen te worden. Water in het plangebied De bodem van het plangebied kan grotendeels gekarakteriseerd worden als ‘licht schor’. In de waterkansenkaart (figuur 16) wordt het plangebied grotendeels beschouwd als (matig) geschikt voor uitbreiding met beperkte infiltratiemogelijkheden. De hoofdwatergang is in het verleden omgelegd. De hoofdwatergang blijft in zijn huidige vorm gehandhaafd. Uitgangspunt voor de plansituatie is dat het hemelwater van verhard oppervlak vertraagd wordt afgevoerd, al dan niet door infiltratie via en in de bodem. Het verhard oppervlak verandert evenwel niet direct door het onderhavig plan. Het plangebied had en houdt bestemmingen die tot enige mate van verharding kunnen leiden. Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 27
geschikt minder geschikt
minst geschikt
Figuur 16. Waterkansenkaart (Provincie Zeeland, 2019)
Extra verharding is te verwachten door de bouw van een woning, de verblijfsrecreatie-eenheden en van de groepsaccommodaties. De bebouwing wordt gerealiseerd met duurzame materialen. Rondom deze bebouwing wordt zoveel mogelijk gewerkt met een waterdoorlatende verharding, zodat het water op de daken direct afgekoppeld kan worden en via de waterdoorlatende verharding kan infiltreren. Er is vooralsnog geen noodzaak om extra water in het gebied aan te leggen. Conclusie Aan het waterschap is wateradvies gevraagd, een verplicht onderdeel van de procedure. In bijlage 4 is de watertoetstabel ingevuld.
4.5 Verkeer Beleid In de wegencategorisering is de N253 een gebiedsontsluitingsweg en de Nieuwstraat tot aan de ingang van het Regiopark een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. De bebouwde kom begint bij de woning die ten noorden van de ingang van het Regiopark ligt. Verkeer van en naar het plangebied De afwikkeling van autoverkeer van en naar het plangebied vindt geheel plaats via de Nieuwstraat en de N253, wegen die daarvoor geschikt zijn. Ook touringcarbussen en campers gebruiken deze aanrijdroute. Door bewegwijzering worden motorvoertuigen vanaf de zijde van Schoondijke dan ook via de rondweg rond Oostburg (N253) geleid en niet door de kern van Oostburg heen. Voor fietsers is de bereikbaarheid gegarandeerd door middel van een vrijliggend fietspad langs de Nieuwstraat (tweerichtingen) aan de zijde van het Regiopark. Gelet op het karakter van het beoogde groeimodel, waarin het park in samenwerking met anderen flexibel meebeweegt op de snelle veranderingen die in de maatschappij in het algemeen en in de belevingseconomie in het bijzonder plaatsvinden, is het lastig een voorspelling te doen voor het aantal verkeersbewegingen van en naar het park. Deze inschatting is wel nodig om toetsen te kunnen uitvoeren op het gebied van geluid of stikstof. Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 28
Er is een poging gedaan om een totaal aantal bezoekers in te schatten. Daarbij is onderscheid gemaakt naar het gebruik van de verblijfsaccommodaties en groepskamperen, het gebruik in de horeca of op het veld en het gebruik als gevolg van activiteiten. De volgende aannames zijn daartoe gedaan: • In de 20 verblijfsrecreatie-eenheden logeren gemiddeld 2 à 3 personen per eenheid en bedraagt de bezettingsgraad per dag gemiddeld 40%, uiteenlopend van 25% in de winter tot 75% in de zomermaanden; • In de 3 groepsaccommodaties logeren gemiddeld 12 personen per accommodatie en bedraagt de bezettingsgraad per dag gemiddeld 25%, uiteenlopend van 10% in de winter tot 35% in de zomermaanden; • Er wordt uitgegaan van 7 camperplaatsen, waar per camper gemiddeld 2 personen overnachten en de bezettingsgraad van de camperplaatsen gemiddeld 40% bedraagt. • Voor het groepskamperen zijn in de maanden van maart tot en met november 1 tot 4 groepen van 150 personen per maand aanwezig. • In de horeca vieren jaarlijks 41 groepen van gemiddeld 200 personen een gezellig samenzijn. • Gedurende het hele jaar vinden er exposities plaats, waar gemiddeld 300 mensen per maand op afkomen. • Er vinden gedurende het gehele jaar beurzen, markten en congressen plaats, uiteenlopend van 100 tot 2.000 bezoekers.
• Er vinden vooral in de zomermaanden enkele festivals en voorstellingen plaats, waarbij in de zomermaanden 10.000 bezoekers per maand worden verwacht. Een doorrekening van deze aannames leidt tot 78.550 bezoekers per jaar, waarbij ruim 55.000 bezoekers gekoppeld zijn aan activiteiten (laatste drie bullits), circa 8.000 aan horeca en circa 15.000 aan verblijf (eerste vier bullits). De doorrekening is opgenomen in bijlage 5. Rekening houdend met gemiddeld 2 inzittenden per auto en met gemiddeld 2 ritten per bezoeker (aankomst en vertrek), betekent dat ook het aantal motorvoertuigbewegingen per jaar van en naar het plangebied ingeschat kan worden op 78.550. Daarbij is dan geen rekening gehouden met bezoekers die met andere vervoermiddelen komen (fiets, touringcar). Dit aantal lichte motorvoertuigen is meegenomen in berekeningen op het gebied van geluid en stikstof. Voor de bevoorrading van de horeca en de op- en afbouw van evenementen worden ook bewegingen met zwaardere voertuigen voorzien. Aangenomen wordt dat het gaat om enerzijds 2 bewegingen met een middelzwaar voertuig per dag voor de horeca en verblijfsrecreatie. Anderzijds om 10 bewegingen met een zwaar voertuig en 20 bewegingen met een middelzwaar voertuig per grotere activiteit (beurs, festival, voorstelling, expositie). Daarbij wordt aangenomen dat per jaar gemiddeld 20 grotere activiteiten plaatsvinden.
Op jaarbasis gaat het dan om 1.120 (2*360+20*20) bewegingen met een middelzwaar voertuig en 200 bewegingen met een zwaar voertuig. Dit aantal is meegenomen in berekeningen op het gebied van geluid en stikstof. De etmaalintensiteit op de N253 ter hoogte van de aansluiting ten zuiden van Oostburg ligt volgens de verkeersstromenkaart van de provincie Zeeland op circa 5.600 motorvoertuigen per werkdag. Het gemiddelde in juli en augustus ligt hoger. Een voorzichtige doorrekening leert dat er per jaar circa 2 miljoen auto’s rijden. Bezoekers van het plangebied zorgen dan voor minder dan 4% toename. De wegen zijn daarvoor geschikt. Ter vergelijking: de Euregiotuinen zijn in 2003 aangelegd met de aanname dat er 100.000 bezoekers per jaar zouden zijn. Conclusie Verkeer is op voorhand afdoende georganiseerd en vormt geen belemmering voor de planvorming.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 29
4.6 Parkeren Beleid Voor parkeren is het ‘beleid parkeernormen’ en de ‘parapluherziening parkeren gemeente Sluis’ vastgesteld. Daarin zijn voor allerhande functies parkeernormen opgenomen, waaraan de gemeente Sluis toetst. Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Beschikbaar aantal parkeerplaatsen Er is een vlak voor parkeren bij de toegang aangewezen, waarop een parkeerveld van 7.500 m² mogelijk is (bijlage 1, kaart 3). Rekening houdend met een gemiddelde omvang per parkeerplaats van 25 m² bedraagt het aantal beschikbare (vaste) parkeerplaatsen 300. Binnen het plangebied is nog extra ruimte voor parkeren aan de rechterzijde van de ingang (bijlage 1, kaart 3, onderbroken arcering). Dit gebied heeft een omvang van circa 3.000 m2. In dit gebied bedraagt het aantal beschikbare parkeerplaatsen 120. Het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen in het plangebied is daarmee 420.
Benodigd aantal parkeerplaatsen/parkeerbalans De volgende functies kunnen benoemd worden, waaraan een parkeernorm – op basis van het beleid parkeernormen van de gemeente Sluis - gekoppeld kan worden: Functie Recreatie-eenheden, 20 stuks, 80 slaapplaatsen Groepsverblijven, 3 stuks, max 600 m², 28 slaapplaatsen Groepskamperen, 50 plaatsen Camperplaatsen, 7 plaatsen Horeca, 1.200 m² bvo 1 Indoorspeelvoorziening, 2.000 m² bvo Broedplaats, 300 m² bvo Bouwmogelijkheid onbenoemd, 1.300 m² bvo 2 Park
Typering Vakantiewoning Vakantiewoning
Norm 1 pp per 4 slaapplaatsen 1 pp per 4 slaapplaatsen
Kampeerterrein Cafetaria Indoorspeeltuin, groot Kantoor zonder baliefunctie Plantentuin
1,2 pp per standplaats 7 per 100 m2 bvo 6,1 pp per 100 m² bvo 2,55 per 100 m² bvo 13,5 pp per tuin
Het Regiopark Oostburg betreft een ontwikkeling van verschillende activiteiten binnen een park door één exploitant. In het parkeernormenbeleid van de gemeente Sluis is echter geen norm opgenomen voor een ‘park met recreatiemogelijkheden’, zoals die er wel in zijn geheel is voor een kinderboerderij of een golfbaan. In de normen van deze laatste twee is bijvoorbeeld horeca verdisconteerd. De in de uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren’ (CROW, december 2018)’ opgenomen functie ‘attractie- en pretpark’ is niet opgenomen in het beleid parkeernormen. Daarom zijn in onderstaande tabel alle verschillende activiteiten ‘los van elkaar’ benoemd en is hiervan voor iedere activiteit apart de parkeerbehoefte uitgerekend.
1
Geen relevant parkeerkencijfer in het buitengebied, nomaliter behoort de horeca in het buitengebied namelijk bij een ander concept, zoals een hotel of een camping of een sportaccommodatie. Voor kernen is het parkeerkencijfer 15 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo voor een restaurant en 7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo voor een café/bar/cafetaria. Omdat de beoogde horeca het best aansluit bij café/bar/cafetaria (bezoek aan park in combinatie met bezoek aan café/bar/cafetaria) wordt deze parkeernorm aangehouden. 2 Onbenoemde bouwmogelijkheden worden niet voorzien van een parkeernorm, deze onbenoemde bouwmogelijkheden kunnen ingevolge de regels van het bestemmingsplan enkel benut worden voor (dagrecreatieve) voorzieningen die ondergeschikt zijn aan het totale plan (biijvoorbeeld opslag, centrale voorzieningen voor dienstverlening beheer en onderhoud). De maximale oppervlakte voor horeca is afgebakend. Deze voorzieningen vergen geen extra parkeerbehoefte Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 30
Typering Horeca Recreatie-eenheid Groepsverblijf Groepskamperen Indoorspeeltuin Broedplaats Park TOTAAL
Norm 7 per 100 m2 bvo 1 pp per 4 slaapplaatsen 1 pp per 4 slaapplaatsen 1,2 pp per standplaats 6,1 pp per 100 m² bvo 2,55 per 100 m² bvo 13,5 pp per tuin
Eenheden
12 20 7 50 20 3 1
# parkeerplaatsen
84 20 7 60 122 7,65 13,5 314,15
Door de combinatie van de verschillende activiteiten zullen gasten gebruik maken van verschillende voorzieningen. Zo is de combinatie van een bezoek aan het park en de horeca gelegenheid voor de hand liggend. Maar evenzo ligt het voor de hand dat bezoekers aan de indoorspeeltuin ook een wandeling in het park maken. En tot slot zullen de verblijfsgasten ongetwijfeld gebruik maken van de voorzieningen zoals die er zijn (bezoek aan het park, horeca, indoor speeltuin). Verondersteld kan worden dat de bezoekers aan het park dit combineren met een bezoek aan horeca of indoorspeeltuin. Verblijfsgasten zullen ongetwijfeld het park gaan verkennen. In verband met het te verwachten dubbelgebruik van parkeerplaatsen ronden we de parkeervraag voorzichtigheidshalve – alleen naar beneden af van 314,15 naar 300 parkeerplaatsen. Het beschikbare aantal parkeerplaatsen is 420, waarvan 300 op permanent ingerichte parkeerterreinen. De parkeerbalans is daarmee sluitend. Volledigheidshalve wordt aangegeven dat de parkeervraag bij een maximale bezetting van genoemde activiteiten 300 parkeerplaatsen bedraagt. Deze maximale bezetting zal lang niet altijd gehaald worden (winterperiode etc.). Bij kleinschalige evenementen zal gelet op de aard, schaal en locatie sprake zijn van dubbelgebruik met de horeca. Voor kleinschalige evenementen zijn 120 parkeerplaatsen extra beschikbaar.
Bij een gemiddelde van 2,3 personen per auto zijn er dan (2,3 x 120) 276 extra bezoekers mogelijk. Dit is uitgezonderd bezoekers die te voet of met de fiets komen. Afhankelijk van de aard van het evenement komen bezoekers geconcentreerd (bijvoorbeeld bij een concert of circusvoorstelling) of gespreid (bijvoorbeeld bij een markt of een expositie). Bezoekers die gespreid komen vragen minder parkeerplaatsen dan bij geconcentreerd bezoek. Worst case is er sprake van geconcentreerd bezoek. In de prognose van de bezoekersaantallen (bijlage 5) is ook beoordeeld hoeveel bezoekers gelijktijdig aanwezig kunnen zijn. In geval van een voorstelling is er geen sprake van campers en groepskamperen en nauwelijks of geen ruimte voor reguliere bezoekers van horeca en park. Dit laatste kan ook nog gestuurd worden door de exploitant. Uit de beoordeling blijkt dat er gelijktijdig in reguliere situaties of bij kleinere evenementen niet meer dan 1.000 bezoekers gelijktijdig in het park zijn. Als deze bezoekers allemaal met de auto komen dat zijn hiervoor 435 parkeerplaatsen (1.000/2,3) nodig. Deze maximale bezetting zal enkel in de zomermaanden gehaald worden. In deze periode zullen relatief veel bezoekers het Regiopark per fiets bezoeken.
Ook op basis hiervan kan verondersteld worden dat met het maximaal aantal beschikbare parkeerplaatsen (420) in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein voorzien wordt. Piekmomenten In het bovenstaande is geen rekening gehouden met de piekmomenten die middelgrote evenementen met zich mee kunnen brengen. Het kenmerk van dit type terrein is dat er sprake is van piekmomenten. Omdat het terrein in beheer van één partij is, zijn piekmomenten planbaar en op voorhand goed te organiseren. Deze piekmomenten zullen zich met name voordoen tijdens
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 31
evenementen. Tijdens middelgrote evenementen kan geen groepskamperen plaatsvinden, omdat hiervoor de fysieke ruimte op het terrein ontbreekt. De parkeerbehoefte van een middelgroot evenement laat zich moeilijk op voorhand inschatten, maar verondersteld kan worden dat de parkeermogelijkheden op eigen terrein hiervoor ontoereikend zijn. Als dit het geval is, kan (maximaal 5 keer per jaar) uitgeweken worden naar tijdelijke parkeergelegenheid op akkerland zoals bijvoorbeeld bij verschillende dorpsfeesten tijdens de zomermaanden in onze gemeente. Deze tijdelijke parkeergelegenheid wordt in die situaties geregeld op basis van de evenementenvergunning. Dit is in het kader van het bestemmingsplan niet mogelijk. Om de voorziening van voldoende parkeergelegenheid tijdens middelgrote evenement te borgen in het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze luidt als volgt: “Bij vergunningplichtige evenementen moet voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid. Parkeren buiten het eigen terrein ten behoeve van een vergunningplichtig evenement is uitsluitend toegestaan, onder de voorwaarde dat: 1.
Er een mobiliteitsplan voor het evenement, opgesteld door een deskundige op het gebied van parkeren, bij de aanvraag voor de evenementenvergunning is ingediend, waarin voorzien wordt in voldoende parkeervoorzieningen op een aanvaardbare loopafstand dan wel in voldoende parkeervoorzieningen op aangewezen terreinen in combinatie met vervoer van en naar het evenement. 2. Tijdens het evenement voldoende parkeervoorzieningen op een aanvaardbare loopafstand dan wel voldoende parkeervoorzieningen op aangewezen terreinen in combinatie met vervoer van en naar het evenement, beschikbaar zijn.” Hiermee is de voorwaardelijke verplichting in lijn met de vastgestelde parapluherziening parkeren. Conclusie Parkeren is op voorhand afdoende georganiseerd en vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.7 Natuur: gebiedsbescherming Wettelijk kader en beleid De Wet natuurbescherming ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. In het provinciaal beleid zijn verder gebieden aangewezen die behoren tot het Natuurnetwerk, een netwerk dat ervoor moet zorgen dat natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbonden zijn, waardoor een groot aantal soorten en ecosystemen kunnen voortbestaan. Gebiedsbescherming rondom het plangebied Het NatuurNetwerk in de omgeving bestaat uit het Natura 2000 gebied Groote Gat op circa 100 meter aan de oostzijde en de zone van de Sophiapolder, De Plate en Linie-West op circa een kilometer afstand aan de zuidzijde (figuur 18). Op een afstand van een kilometer of meer kan er geen sprake zijn van negatieve effecten als gevolg van de voorliggende planvorming. Het Groote Gat is op 30 december 2010 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied.
Het Groote Gat is een voormalige kreek, die verbonden is geweest met het Zwin, met omliggende vochtige en Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 32
zoute graslanden, rietkragen en struweel. De kortste afstand tussen het plangebied en het Groote Gat bedraagt circa 95 meter.
Figuur 18. Ligging ten opzichte van NatuurNetwerk (Provincie Zeeland, 2020)
Instandhoudingsdoelen hebben betrekking op de volgende natuurlijke habitattypen en soorten: • H1330 Atlantische Schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae); • H6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones 3. • H1614 Kruipend moerasscherm (Apium repens). De effectenindicator geeft aan dat de soorten en habitattypen gevoelig zijn voor oppervlakteverlies, verontreiniging en verstoring door mechanische effecten (betreding, luchtwervelingen, golfslag). Er is geen sprake van gevoeligheid voor verstoring door geluid, licht of trilling of door optische verstoring. Van oppervlakteverlies, verontreiniging en verstoring door mechanische effecten is geen sprake omdat het initiatief geen directe inbreuk doet op het Natura-2000 gebied. Betreding direct vanuit het Regiopark is niet mogelijk. Daarenboven is in de hoek het dichtste bij het Natura 2000-gebied geen mogelijkheid voor verblijfsrecreatie of intensieve dagrecreatie, zodat per saldo de planologische mogelijkheid daar min of meer gelijk blijft als in de huidige situatie. Andere Natura 2000-gebieden in de omgeving zoals Westerschelde &Saeftinghe en Zwin- en Kievittepolder liggen op meer dan 8 kilometer afstand. Alleen externe werking door stikstofdepositie (door de lucht) zou aan de orde kunnen zijn.
Op 29 mei 2019 heeft de hoogste bestuursrechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) beslist dat de Programmatische Aanpak Stikstof niet ten grondslag mag worden gelegd aan de toestemmingverlening voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 33
plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt de verplichting voor de gemeenteraad om te beoordelen of als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen relevante stikstofdeposities kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. In dit geval komt extra stikstofuitstoot voort uit de toename van verkeersbewegingen. Op grond van het bestemmingsplan vinden niet direct bouwwerkzaamheden plaats die tot een specifiek te bepalen stikstofuitstoot tijdens de realisatiefase leiden. De te realiseren groepsaccommodaties en verblijfsaccommodaties worden gasloos gerealiseerd, zodat er vanuit ruimteverwarming geen sprake is van extra stikstofuitstoot. Het aantal bewegingen is in paragraaf 4.5 per jaar geraamd op 78.550 lichte motorvoertuigen, 1.120 middelzware motorvoertuigen en 200 zware motorvoertuigen. Er is dan ook een Aeriusberekening gemaakt (bijlage 6) uitgaande van deze aantallen tussen het plangebied en de locatie waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Dit is in dit geval de rotonde op de provinciale weg N253. Conclusie Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van enig significant negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.
Er hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Verder krijgt het deel van het plangebied dat binnen de 100 meter zone rond het Natura 2000-gebied Groote Gat ligt, planologisch geen extra mogelijkheden. Tenslotte liggen overige delen van het Natuur Netwerk op een kilometer afstand of meer, zodat daarop geen effecten te verwachten zijn.
4.8 Natuur: soortenbescherming Wettelijk kader en beleid De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. alle van nature in Nederland in het wild levende vogels worden beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn; 2. soorten beschermd volgens de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Tot deze streng beschermde soorten behoren onder meer alle vleermuissoorten, boomkikker, heikikker, poelkikker, rugstreeppad, kamsalamander, gladde slang, drijvende waterweegbree, bever, noordse woelmuis, pimpernelblauwtje, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en de platte schijfkoren. 3. ‘andere soorten’: soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Voor alle beschermde diersoorten geldt dat het verboden is ze te doden of te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor de eerste twee categorieën geldt bovendien dat het verboden is eieren te rapen of opzettelijk te vernielen en de dieren opzettelijk te verstoren. Voor de beschermde plantensoorten geldt dat het verboden is ze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Soorten in het plangebied In het najaar van 2018 en het voorjaar van 2019 is een natuuronderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in bijlage 7. Het natuuronderzoek is gericht op grondgebonden zoogdieren, kleine marterachtigen, vleermuizen, amfibieën, broedvogels en planten. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen. In het gebied zijn ook ongewervelden waargenomen, waaronder de Sint Jansvlinder. Er zijn echter geen ongewervelden die strikt beschermd zijn op grond van de Wet Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 34
natuurbescherming. Daarenboven blijft in het Regiopark ruimte voor bloemrijke weiden en ruigten, zodat de habitat van vlinders en andere ongewervelden niet wezenlijk wordt aangetast. Ongewervelden zijn nauwelijks gevoelig voor verstoring door menselijk geluid. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen sprake is van een significante invloed op ongewervelden. Het natuuronderzoek bevestigt verder de ecologische potenties zoals opgenomen in figuur 7. Grondgebonden zoogdieren en kleiner marterachtigen blijken slechts beperkt voor te komen. De voorgestelde zonering zoals opgenomen in figuur 8 blijkt geen negatief effect op de vastgestelde aanwezige soorten te hebben. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied veel gebruikt wordt als foerageergebied door vleermuizen, waarbij de laanbeplantingen een belangrijke rol spelen. De laanbeplanting van populieren langs de Nieuwstraat staat buiten het plangebied en blijft gehandhaafd. Er zijn geen broedplaatsen aangetroffen, wel een dagverblijf van enkele gewone dwergvleermuizen in het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw blijft evenwel bestaan, zodat er enkel bij verbouwingen rekening moet worden gehouden met deze soort.
Met een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat voorafgaand aan verbouwingen in het bestaande hoofdgebouw, onderzocht moet worden op welke wijze voorkomen wordt dat eventueel aangetroffen vleermuizen verstoord worden danwel dat er geen voortplantings- of rustplaatsen van beschermde diersoorten beschadigd worden. Voor de functie als foerageergebied is het van belang dat de bomen zo veel mogelijk behouden blijven, hetgeen ook de insteek is. Omdat ook de ruige dwergvleermuis en de watervleermuis het gebied gebruiken om te foerageren, is vleermuisvriendelijke verlichting voor deze lichtgevoelige soorten, relevant. Beschermde amfibieën zijn aangetroffen in de aangelegde vijver binnen het bomenkader, die evenwel als gevolg van de steile oevers niet ideaal is. Met een uitloopplank kan de situatie in de aangelegde vijver verbeteren. Het verdient de voorkeur in het plangebied één of twee poelen te realiseren die kunnen dienen als voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Er zijn diverse broedvogels vastgesteld. Broedende vogels mogen niet verstoord worden. Het verdient dan ook aanbeveling het terrein voor grote groepen, de camperplaatsen en het parkeerterrein en de zone voor intensieve recreatie binnen het kader van de dubbele bomenrij gedurende de gehele broedperiode intensief te gebruiken.
Als gevolg daarvan zullen broedvogels gaan broeden op terreinen met meer dekking, waardoor er geen kans op verstoring is. In het plangebied broedt een Ransuil, waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is. Deze broedlocatie in het bosje ten noorden van de volkstuinen wordt in het bestemmingsplan ontzien door de functieaanduiding groen op het bosje te plaatsen. Conclusie Er zijn enkele beschermde soorten in het plangebied vastgesteld waarop met de beoogde zonering geen negatief effect op zal treden. De broedplaats van de Ransuil wordt beschermd met een functieaanduiding. Voor bouwactiviteiten in het hoofdgebouw is een voorwaardelijke verplichting van kracht om effecten op met name vleermuizen te voorkomen.
4.9 Milieuzonering Beleid Op grond van de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” editie 2009, kan de richtafstand van het Regiopark tot woningen worden bepaald. Dit is een hulpmiddel in de ruimtelijke ordening om te bepalen wanneer bedrijfsmatige activiteiten en woningen elkaar beïnvloeden. Binnen de richtafstand Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 35
is nader onderzoek nodig naar de daadwerkelijke milieubelasting. De richtafstand wordt bepaald door vier soorten emissies: stof, geur, geluid en gevaar. Stof, geur en gevaar spelen geen rol van betekenis bij de ontwikkeling van het Regiopark. De enige bepalende factor is geluid. De invloed van beoogde activiteiten in het plangebied Om op grond van de programmaonderdelen zoals gedefinieerd in paragraaf 2.5 te beoordelen in hoeverre er consequenties zijn voor de omliggende woningen en voor het Natura 2000-gebied Groote Gat, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De titel is wat misleidend, omdat het in dit geval niet gaat om industrie. In termen van de Wet milieubeheer gaat het echter wel om één inrichting en zijn de regels uit de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’ van toepassing. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 8. In het onderzoek is enerzijds bepaald in hoeverre de reguliere activiteiten (ofwel de representatieve bedrijfssituatie) leiden tot geluidbelasting van de omliggende woningen en Natura 2000-gebieden. Uit de berekeningen blijkt dat met een etmaalwaarde van 44 dB(A) op de aangrenzende woningen wordt voldaan aan de richtwaarden voor een rustige woonwijk (45 dB(A)). Met een etmaalwaarde van 28 dB(A) wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde voor een stiltegebied (40 dB(A)).
Voor de incidentele bedrijfssituaties en de vergunningplichtige evenementen is beoordeeld in welke mate het mogelijk is versterkte muziek af te spelen, rekening houdend met een aanvaardbaar woonen leefklimaat, zoals bepaald voor de gehele gemeente Sluis. Daarin zijn drie locaties aangewezen waar logischerwijs een podium voor versterkte muziek zou kunnen worden opgesteld. Uitgaande van die locaties is berekend welke bronvermogens dan maximaal gebruikt zouden kunnen worden. In de dagperiode zijn dan bronvermogens tot 119 dB(A) denkbaar in incidentele bedrijfssituaties en tot 127 dB(A) in vergunningplichtige evenementen. De berekende bronvermogens zijn geschikt voor popmuziek en voor klassieke muziek of jazz. Ter indicatie is in figuur 19 weergegeven welke bronvermogens bij welke type muziek van toepassing is en hoe ver het geluid draagt.
Bronvermogen 10 meter 25 meter 50 meter 100 meter 200 meter Dansorkest 110 dB(A) 79 dB(A) 72 dB(A) 65 dB(A) 58 dB(A) 51 dB(A) Poporkest 120 dB(A) 89 dB(A) 82 dB(A) 75 dB(A) 68 dB(A) 61 dB(A) Klein popfestival 130 dB(A) 99 dB(A) 92 dB(A) 85 dB(A) 78 dB(A) 71 dB(A) Groot popfestival 140 dB(A) 109 dB(A) 102 dB(A) 95 dB(A) 88 dB(A) 82 dB(A) Kleine houseparty 135 dB(A) 104 dB(A) 97 dB(A) 90 dB(A) 83 dB(A) 77 dB(A) Grote houseparty 145 dB(A) 114 dB(A) 107 dB(A) 100 dB(A) 93 dB(A) 87 dB(A) Zeer grootschalig popconcert 150 dB(A) 119 dB(A) 112 dB(A) 105 dB(A) 97 dB(A) 91 dB(A) Figuur 19. Overzicht indicatieve praktijkgegevens geluidsniveaus bij evenementen (Gemeente Groningen, 2019)
Uit de berekeningen blijkt dat versterkte muziek op het terrein ten zuidwesten van het hoofdgebouw relatief beperkte invloed heeft op gevoelige functies in de omgeving. Derhalve is in het bestemmingsplan met behulp van een functieaanduiding de zone ten zuidwesten van het hoofdgebouw ‘aangewezen’ als evenemententerrein. Middelgrote (vergunningplichtige) evenementen mogen alleen hier plaatsvinden. In geval van vergunningplichtige evenementen wordt de akoestische situatie vooraf nogmaals doorgerekend op basis van preciezere gegevens. Conclusie Het Regiopark kan beschouwd worden als één inrichting, waarin activiteiten tot en met milieucategorie 2 plaats kunnen vinden. Voor middelgrote evenementen, waarbij versterkte muziek ten gehore gebracht wordt, is een zone ten zuidwesten van het hoofdgebouw aangewezen, teneinde de overlast naar omwonenden op voorhand al zoveel mogelijk te beperken. Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 36
4.10 Verkeerslawaai Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder hebben alle wegen een zone, behalve woonerven en 30 km/uur wegen. Binnen een zone moet voor nieuwe woningen of wegen worden getoetst of de geluidbelasting (Lden) ter plaatse van geluidsgevoelige bestemmingen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor nieuwe woningen binnen de bebouwde kom is een ontheffing van deze grenswaarde mogelijk tot maximaal 63 dB, zolang het binnenniveau (geluidsniveau in de woningen) van 33 dB is gegarandeerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet ook de geluidsbelasting vanwege 30 km/uur wegen worden beoordeeld. In het algemeen wordt hierbij aangesloten bij de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Voor fysieke wijzigingen aan een weg geldt een apart regime. Hierbij is het bijvoorbeeld van belang of er akoestisch gesproken sprake is van een reconstructie van een weg. Dit is het geval als de geluidbelasting ten gevolge van de wijziging toeneemt met 2 dB of meer. Dit is gebaseerd op het feit dat een toename kleiner dan 2 dB niet herkenbaar is voor het menselijk oor. Geluidbelasting in het plangebied Op grond van het bestemmingsplan worden twee geluidgevoelige functies toegevoegd. De geluidbelasting op grond van verkeerslawaai is afkomstig van de Nieuwstraat (deels 80 km/uur en deels 50 km/uur) en de N253 (80 km/uur).
De Dierkensteenweg (30 km/uur) en de Boomkreekweg (60 km/uur) kennen een dermate lage verkeersintensiteit dat die in de totale geluidbelasting in het niet vallen. De geluidbelasting van het verkeer is met behulp van SRM-1 in bijlage 9 berekend. De geluidbelasting wordt bepaald op: 1. de nieuwe woning; De woning staat aan de Nieuwstraat tussen twee bestaande woningen. De nieuwe woning staat op circa 450 meter van N253 en ligt daarmee buiten de geluidzone van deze weg. Er is uitgegaan van een geschatte intensiteit van 1.000 motorvoertuigen per etmaal op de Nieuwstraat. Daaruit blijkt dat een woning met de voorgevel op 16 meter van het midden van de Nieuwstraat voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (Lden, na aftrek 5 dB conform artikel 110g Wgh). De bestaande woningen liggen op 12 respectievelijk 14 meter van het midden van de weg, zodat de nieuw te realiseren woning slechts licht terug ligt ten opzichte van de bestaande woningen en er een woning met een goede achtertuin gerealiseerd kan worden. 2. de nieuwe verblijfsrecreatie-eenheden; Verblijfsrecreatie-eenheden zijn niet geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er wel naar de geluidssituatie gekeken te worden. Verblijfsrecreatie-eenheden zijn toegestaan in de noordwestelijke hoek van het plangebied, het dichtste bij de N253.
De minimale afstand bedraagt 175 meter en de verkeersintensiteit op de N253 is op grond van provinciale gegevens ingeschat op 5.500 motorvoertuigen per etmaal. Hieruit volgt een geluidniveau (zonder aftrek) van 45 dB (Lden). Dit geluidniveau voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Geluidbelasting als gevolg van de ontwikkeling In het bestemmingsplan worden de verkeersstromen in de bestaande situatie vergeleken met de te verwachten extra verkeersstromen als gevolg van de nieuwe mogelijkheden op grond van dit bestemmingsplan. In paragraaf 4.5 is een aanname onderbouwd van de verkeersaantrekking als gevolg van het initiatief. Dit verkeer wordt afgewikkeld over de Nieuwstraat. Aan de Nieuwstraat in de richting van de rotonde staan vier woningen, waarvan de woning op nummer 80 het dichtste bij de Nieuwstraat staat, op circa 9 meter van het midden van de weg. Als gevolg van de ontwikkeling Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 37
neemt de etmaalintensiteit toe van 1.000 naar ruim 1.200 motorvoertuigen per etmaal. In bijlage 9 is met behulp van SRM-1 de geluidbelasting berekend op de gevel van Nieuwstraat 80 in de huidige situatie en in de beoogde situatie. Het verschil bedraagt minder dan 1 dB. Deze wijziging is dermate gering dat er geen sprake is van een formele reconstructie in het kader van de Wet geluidhinder. Conclusie Zo lang de beoogde woning op meer dan 16 meter van het midden van de Nieuwstraat wordt gerealiseerd, wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Er is geen sprake van een onaanvaardbare toename van geluid op de bestaande woningen. Verblijfsrecreatie wordt voorzien op voldoende afstand van de omliggende wegen, zodat er sprake is van een akoestisch goed klimaat. Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering.
4.11 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Elke ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 uit de Wet Milieubeheer) zijn opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof worden beleidsmatig relevant geacht. Eventueel onderzoek beperkt zich dan ook veelal tot deze twee stoffen. Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: • door de vaststelling (van het bestemmingsplan), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³), ofwel dat; • de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het bestemmingsplan), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, ofwel dat; • bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het bestemmingsplan), de luchtkwaliteit in een gebied rondom het plangebied per saldo verbetert, ofwel dat; • er geen grenswaarden worden overschreden. In het Besluit en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen voor NO2 en fijn stof (PM10) als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze jaargemiddeld maximaal 1,2 μg/m3 bedragen. Luchtkwaliteit als gevolg van de ontwikkeling Het aantal verkeersbewegingen per weekdag als gevolg van het plan is zeer wisselend. In de bijlage van het akoestisch onderzoek industrielawaai is worst case uitgegaan van 650 voertuigbewegingen. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2023 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 650 Aandeel vrachtverkeer 1,0% Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in μg/m3 0,42 PM10 in μg/m3 0,10 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 20. Resultaat NIBM-tool (NIBM-tool, versie 06-04-2021)
Gebruik makend van de NIBM-tool (figuur 20) blijkt dat zelfs bij die hoge aantallen het project niet “in betekenende mate” bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen,
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 38
waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Toetsing aan de grenswaarden kan dus achterwege kan blijven. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.12 Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid in artikel 1 omschreven als "de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof betrokken is". Voor transport is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang, samen met het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Hierin is het basisnet van hoofd(vaar/spoor) wegen vastgelegd waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing op onder andere aardgastransportleidingen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen gelden bovenstaande kaders om veiligheidsafstanden tussen risicobronnen en personen of (beperkt) kwetsbare objecten te bepalen en daarmee het veiligheidsrisico zo laag mogelijk te houden. De te hanteren afstanden worden gebaseerd op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die zich continu onbeschermd op een zekere afstand van de risicovolle activiteit bevindt, komt te overlijden als gevolg van die activiteit.
De wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 10-6. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar dat een groep mensen van een zekere omvang (10, 100 of 1.000 mensen) binnen het invloedsgebied tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hiermee is het een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in het geval dat er zich een ramp voordoet. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (gelijktijdig) overlijden. Ten aanzien van het groepsrisico bestaat er voor gemeenten een verantwoordingsplicht . Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1. Het Regiopark Oostburg is op sommige momenten te beschouwen als een kwetsbaar object, aangezien het dan valt onder de omschrijving “kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen”. Veiligheidsrisico’s voor het plangebied Het Regiopark Oostburg wordt beschouwd als een kwetsbaar object. Bij het realiseren hiervan, moet worden beoordeeld of het park binnen een invloedsgebied van een risicobron is gelegen, waardoor mogelijk het (groeps)risico omhoog gaat. Door het toevoegen van extra recreatie-eenheden en bebouwd oppervlak is geen sprake van wijziging of toevoeging van een risicobron.
In de directe omgeving van het Regiopark zijn als risicobron twee agrarische bedrijven en een sporthal op de risicokaart (figuur 21) aangemerkt als inrichtingen die gevaarlijke stoffen opslaan. Het gaat om propaantanks, waarvan het invloedsgebied niet over het plangebied ligt. Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen die een belemmering kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 39
De doorontwikkeling van het Regiopark is vanuit het oogpunt van externe veiligheid inpasbaar. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal de Veiligheidsregio worden betrokken, teneinde vroegtijdig te voorzien in voldoende bluswater, een goede aanrijdroute voor de brandweer en in een calamiteitenontsluiting.
Figuur 21. Uitsnede risicokaart (www.risicokaart.nl)
Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planvorming.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 40
H5. Juridische vormgeving 5.1 Plansystematiek
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormen het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar zijn. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. In het Bro is verankerd dat een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP 2012. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de analoge verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge verbeelding bestaat uit 1 kaartblad en renvooi op een schaal van 1:1.000.
Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: • In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. • In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven. • Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkingsregel of wijzigingsbevoegdheden. • Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • wijzigingsbevoegdheden. Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming.
Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 41
5.2 Gehanteerde bestemmingen
Het plangebied komt overeen met de percelen kadastraal bekend als Oostburg sectie E nummers 1000 (ged.), 1001, 1489, 1722 en 1003 (ged.). Inleidende regels (hoofdstuk 1) Hoofdstuk 1 bestaat uit begripsbepalingen en de wijze van meten. Voor de begripsbepalingen is waar mogelijk gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP2012. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Hoofdbestemmingen (hoofdstuk 2) In het plangebied zijn twee hoofdbestemmingen van toepassing, te weten Recreatie en Wonen. De bestemming Wonen is van toepassing op de ene te realiseren woning en de regels zijn afgeleid van de regels voor Wonen in het vigerende plan, zoals die ook voor de bestaande woningen geldt. In de bestemming Recreatie is een veelheid van functies en activiteiten mogelijk gemaakt. Met de functie-aanduiding ‘groen’ is de zone het dichtst bij de woningen en de zone rond het nest van de Ransuil beschermd, zodat daar geen andere functies dan tuinbezichtiging en groen mogelijk zijn en ook geen bebouwing mogelijk is. Verblijfsrecreatie is met een functieaanduiding uitgesloten in de bufferzone rond de bestaande agrarisch bedrijf.
Andere functieaanduidingen bepalen de positie van het parkeerterrein waar ook campers mogen staan, een zone waar broedplaatsfuncties zijn toegestaan, een zone voor horeca en een zone voor evenementen. Er is een bouwvlak op de verbeelding weergegeven, waar voor dagrecreatie, dienstverlening, ambachten, horeca en centrale voorzieningen gebouwd mag worden. Dit bouwvlak is gebaseerd op de aanwezigheid van de bestaande bomenrij. Met een bebouwingspercentage zijn de bouwmogelijkheden beperkt. De bebouwing voor de verblijfsrecreatie is aan een maximum aantal en aan een maximaal oppervlak gebonden. In de bouwregels is met een voorwaardelijke verplichting bepaald dat bouwen alleen mogelijk is nadat de gevolgen voor beschermde diersoorten en voor waterhuishouding in beeld zijn gebracht. In de gebruiksregels zijn de regels voor het maximum aantal eenheden voor verblijfsrecreatie, bedrijfsmatige exploitatie en evenementen opgenomen. In de gebruiksregels zijn met een voorwaardelijke verplichting de landschappelijke kwaliteiten beschermd en is bepaald dat bij middelgrote evenementen zo nodig parkeren buiten het plangebied kan worden georganiseerd onder de voorwaarde dat er een mobiliteitsplan voor het evenement aan ten grondslag ligt.
Dubbelbestemmingen (hoofdstuk 2) In het gehele plangebied zijn op grond van het archeologiebeleid verschillende dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie’ waarin de bescherming van archeologische waarden wordt verzekerd, opgenomen. Algemene regels (hoofdstuk 3) In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen. Artikel 7 bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Deze bepaling is conform artikel 3.2.4 van het Bro in het bestemmingsplan opgenomen. De volgende artikelen bieden duidelijkheid over de bestaande maten en het gebruik, alsmede de ruimte voor afwijking en wijziging.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 42
Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 4) In dit hoofdstuk is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het bestemmingsplan geregeld. In lid 1 van artikel 12 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Lid 3 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, in geval van onbillijkheid, het overgangsrecht buiten toepassing te laten. Artikel 13 geeft ten slotte aan dat dit bestemmingsplan kan worden aangehaald als ‘Regiopark Oostburg’.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 43
H6. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid
Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Voor het plangebied, waar meer ruimte en flexibiliteit is ingebracht en waarin de bouw van één woning, 20 recreatie-eenheden en 3 groepsaccommodaties mogelijk wordt, wordt het kostenverhaal vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Derhalve is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. De initiatiefnemer gebruikt eigen middelen om het bouwplan te financieren. In de anterieure overeenkomst is het risico van planschade bij de initiatiefnemer neergelegd. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bestemmingsplan in vooroverleg gezonden naar de provincie Zeeland, het waterschap Scheldestromen en de veiligheidsregio. De opmerkingen van de vooroverlegpartners zijn verwerkt in het voorliggende ontwerpbestemmingsplan. Tevens heeft het voorontwerp-bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegen. Er zijn 26 inspraakreacties ingediend. De inspraakreacties zijn beantwoord; de beantwoording is opgenomen in bijlage 10. De overwegingen en gevolgen uit bijlage 10 zijn verwerkt in voorliggend ontwerpbestemmingsplan.
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 44
BESTEMMINGSPLAN REGIOPARK OOSTBURG Bijlagen bij de toelichting
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 45
Bijlage 1. Zoneringskaarten Van Kerkhoff Maatwerk, februari 2022
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 46
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
1. Begrenzing plangebied
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
2. Bestaande padenstructuur
* Camperplaatsen op vast parkeerterrein toegestaan (maximaal 30 minus aantal recreatiewoningen minus aantal groepsaccommodaties)
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
3. Parkeerterrein (vast-uitbreidbaar)*
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
4. Kavel voor één woning
30 meter afstand tot gevoelige woonbestemming
* Met uitzondering van parkbezoek en parkeren (geen campers) op aangewezen terrein
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
5. Geen bebouwing/activiteiten*
100 meter afstand tot agrarisch bouwvlak
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
6. Geen bebouwing/verblijfsrecreatie
* Bebouwing voor 20 recreatie-eenheden en 3 groepswoningen zijn overal toegestaan met uitzondering van het bepaalde in kaart 3 t/m 6
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
7. Bebouwing toegestaan (15% ofwel 4.500 m²)*
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
8. Horeca toegestaan
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
9. Groepskamperen toegestaan
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
10. Vergunningplichtige evenementen toegestaan
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
11. Broedplaatsactiviteiten toegestaan
ZONERING REGIOPARK OOSTBURG
Overzicht zoneringen
Bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek Nieuwstraat (ongenummerd), Grond-, gewas- en milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen, december 1998
Bestemmingsplan Regiopark Oostburg - Toelichting - 47
•
•
I
0.-1( 4
• •P
GROND-, GEWAS- EN MILIEULABORATORIUM "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54
Projectnummer :2896
In opdracht van:
Dhr. A. de Feijter
Graauw,
11 -12 -98
GROND-, GEWAS- EN MITIEULABORATORFUNI "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54
1. INLEIDING
D
Het Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium 'Zeeuws-Vlaanderen' heeft een bodemonderzoek uitgevoerd. Standaard gegevens met betrekking tot de onderzoekslocatie: Soort bodemonderzoek: verkennend bodemonderzoek volgens NVN 5740 Dhr. A. de Feijter Contactpersoon: Dhr. A. de Feijter Opdrachtgever: Ringdijk Zuid 20 Adres: 4506 HD Cadzand Woonplaats: 0117-391346 elefoon: ax: Datum opstart veldwerk: 18-11-1998 Nieuwstraat (ongenummerd) te Oostburg Locatie gelegen aan: bouwvergunning Reden van het onderzoek is i.v.m.: 8000 m2 Oppervlakte onderzoekslocatie: Oostburg Gemeente: Sectie: 1002 ged. Nummer(s): Eerder bodemonderzoek verricht op de locatie of directe omgeving: nee •
0
p
nee Locatie gelegen in een waterwingebied: Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: - vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid; 0 opstellen van een hypothese; - opstellen van een onderzoeksstrategie; - resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek; - conclusies, aanbevelingen en samenvatting.
n
4,
• GROND-, GEWAS- EN MILIEULABORATORIUM "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54
2. VOORONDERZOEK: HISTORIE EN BODEMGESTELDHEID 2.1 Inleiding Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Daarnaast wordt informatie achterhaald over de bodemgesteldheid en geohydrologische situatie. Op basis van de verkregen informatie wordt een hypothese opgesteld.
D
Resultaten 1.;1-/het historische onderzoek is het volgende naar voren gekomen: Voormalige bestemming: agrarisch land agrarisch land ' 1 Huidige bestemming: D Toelichting onderzoekslocatie in het verleden: geen verdere toelichting
Toekomstige bestemming: bebouwing (gebouw technische dienst + hoofdgebouw) nee Terrein verhard (gedeeltelijk): Milieubedreigende activiteiten rondom locatie aanwezig (of in het verleden aanwezig geweest): nee - Olietanken : nee - Olieopslag: nee - Bestrijdingsmiddelenopslag: •nee .Werkplaats: geen Andere activiteiten: Aanwezigheid waterlopen op locatie: nee Verdachte locatiepunten op de locatie (of die in het verleden aanwezig zijn geweest): voor zover bekend zijn er geen verdachte punten aanwezig (geweest).
Bodemgesteldheid (oorspronkelijke) bovenlaag: poldervaaggrond (kalkhoudend en ondiep kalkarm) Deze (schorgrond) wordt gekenmerkt door: de dunne, matig humeuze bovenlaag, de ploegzool met dichte structuur, het vrij ondiep voorkomen van roest en de sponsstructuur tussen 40 en 80 cm. De gelaagde ondergrond bestaat beneden de 80 cm uit grijze zware klei. Bodemgesteldheid (oorspronkelijke) onderlaag: Westland Formatie: jongere kleien/ zanden (Duinkerke/ Tiel) op veen Deze afzettingen (aan zee) lopen in zwaarte uiteen van lichte zavel tot zeer zware klei. De zavel en de lichte klei kunnen kalkrijk zijn, de zeer zware klei is praktisch altijd kalkloos. Deze afzettingen liggen op een laag Hollandveen (organogene afzetting). De situering van de locatie wordt weergegeven in bijlage II: Situering van de locatie. °
GROND-, GEWAS- EN MTTIEULABORATORIUM "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54
3. HYPOTHESE
3.1 Inleiding De aanname omtrent het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op een te onderzoeken locatie en indien aanwezig, de aard van de verontreiniging en de ruimtelijke verdeling ervan over de locatie, wordt de hypothese genoemd. In de NVN 5740 staan verschillende soorten i»pothesen vermeld. De op te stellen hypothese dient het volgende te omvatten: een aanname Uitrent de aan- dan wel afwezigheid van bodemverontreiniging. Indien de aanwezigheid van bodemverontreiniging wordt verondersteld geldt: - een aanname omtrent de aard van de verontreiniging; - een aanname omtrent de ruimtelijke verdeling van de verontreiniging over de locatie (plaatselijke bodembelasting of diffuse bodembelasting: homogene/ heterogene verdeling)
3.2 Resultaten Op basis van het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid van de betreffende locatie luidt de hypothese: niet-verdachte locatie. De in het verleden verrichte activiteiten (handelingen) op de onderzoekslocatie geven naar redelijkheid en billijkheid geen reden dat bodemverontreiniging verondersteld mag worden.
GROND-, GEWAS- EN MMIEULABORATORIUM "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54
4. ONDERZOEKSSTRATEGIE
4.1 Inleiding
Uitgaande van de opgestelde hypothese (verwezen wordt naar paragraaf 3.2) wordt een specifieke onderzoeksstrategie opgesteld, waarmee de locatie daarna wordt onderzocht. De aspecten die bij het opstellen van een onderzoeksstrategie in beschouwing móeten worden genomen en ten aanzien waarvan keuzes moeten worden gemaakt zijn: - de diepte van de boringen en de te bemonsteren lagen; r4et - monsternemingspatroon; aantallen te nemen grond- en grondwatermonsters; - de aantallen te analyseren monsters en het hanteren van mengmonsters; - te analyseren stoffen. Voor elke op de locatie voorkomende grondsoort dient in een representatief (meng)monster het gehalte aan lutum en organische stof te worden bepaald in verband met het vaststellen van de streef-, tussen- en interventiewaarden. Indien de bodemlaag 0 - 2 m-mv wordt gekenmerkt door een homogeen bodemprofiel, qua bodemkarakteristieken, wordt alleen lutumgehalte en organische stofgehalte bepaald van de bovenlaag (0 - 0,5 m-nriv). Wanneer bijvoorbeeld sprake is van een (zwaar) kleiprofiel op een duidelijke afwijkende (zand)ondergrond, worden beide parameters van zowel de boven- als onderlaag bepaald.
4.2 Onderzoeksstrategie
De onderzoeksstrategie omvat het aantal te nemen monsters, de plaatsen op de locatie waar deze moeten worden genomen en de stoffen die in deze monsters moeten worden bepaald. / or de onderzoekslocatie geldt het volgende: De diepte van de boringen en de te bemonsteren lagen: Voor de diepte van de boringen wordt uitgegaan van een bemonstering tot een diepte van 2 m-mv. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (0 - 0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5 - 2 m-nnv), deze laatstgenoemde is verdeeld in 3 trajecten van elk 0,5 m. Het monsternemingspatroon: Een niet-verdachte locatié of gedeelte dient te worden onderzocht door middel van een systematische monsterneming, waarbij de monsters volgens een gelijkmatig patroon over het terrein worden verdeeld. De aantallen te nemen grond- en grondwatermonsters: Het aantal boringen en peilbuizen wordt afgeleid uit de omvang van het onderzoeksterrein. Voor deze locatie geldt het volgende: 19 - aantal boringen tot 0,5 m-mv: - waarvan aantal boringen tot 2 m-mv: 5 - aantal te plaatsen peilbuizen (Px): 2 Voor een grafische weergave van het monsternemingspatroon wordt verwezen naar bijlage III. 7
GROND-, GEWAS- EN MELMULABORATORIUM "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54
al De aantallen te analyseren monsters en het hanteren van mengmonsters: O
19 - aantal te nemen grondmonsters 0 - 0,5 m-mv: 15 - aantal te nemen grondmonsters 0,5 - 2 m-mv: 2 - aantal te plaatsen peilbuizen (watermonsters): aantal te onderzoeken mengmonsters 0 0,5 m-rnv (bovengrond): 2 - aantal te onderzoeken mengmonsters 0,5 - 2 m-mv (ondergrond): 2 2 - aantal te onderzoeken watermonsters (WM x):
Te analyseren stoffen: or het analysepakket van de te onderzoeken monsters wordt verwezen naar tabel 4.2.1.
n
GROND-, GEWAS- EN MIT MULABORATORIUM "ZEEUWS - VLAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1 - 4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 00 - Fax (0114) 63 57 54