C Eindverslag Rijk-Regiopakket DEF
Tekst van het document
Eindverslag Adviesgroep Rijk-Regiopakket Sluis Terneuzen 17 december 2025
Voorwoord Voor u ligt het eindrapport van de Adviesgroep Rijk-Regiopakket Sluis Terneuzen. De afgelopen maanden spraken wij, een diverse groep inwoners, ondernemers, raadsleden, dorpsraadleden namens de omliggende dorpen Biervliet, Hoek en Hoofdplaat en vertegenwoordigers van maatschappelijk organisaties, over de voorwaarden voor de mogelijke komst van grote energieprojecten naar onze regio. Een diversiteit aan leeftijden, achtergronden en woonplaatsen zorgde voor open gesprekken waarin persoonlijke ervaringen, zorgen en overtuigingen werden gedeeld. Veel deelnemers begonnen het traject met duidelijke verwachtingen: dat de verschillen in standpunten groot zouden zijn, of dat bepaalde discussies scherp zouden worden. In de praktijk bleek juist de bereidheid om naar elkaar te luisteren groot. Mensen die dicht bij een mogelijke locatie wonen en mensen die er verder vanaf staan, luisterden naar elkaar. Die open houding leverde waardevolle nieuwe inzichten op. Tegelijkertijd werd in de gesprekken voelbaar hoe ongelijk de gevolgen van de energieprojecten kunnen uitpakken. Voor sommigen gaat het over een abstract toekomstbeeld, voor anderen over hun huis, hun bedrijf en hun dagelijks leven. Als Adviesgroep hebben we ook ervaren hoe complex en onzeker dit traject nog is. Veel informatie die nodig is om goede afwegingen te maken, ontbreekt.
Er is nog geen definitieve bouwer, verschillende ontwerpvarianten zijn mogelijk en visualisaties die de impact concreet maken, zijn nog niet beschikbaar. Daardoor bespraken we vaak situaties die we ons nauwelijks kunnen voorstellen. De tijd voor dit traject, vijf bijeenkomsten, was bovendien beperkt in verhouding tot de omvang van de opgave. Daarom moeten wij opnieuw bijeenkomen zodra de locatie, bouwer en inpassingsplan met voorgestelde aangepaste infrastructuur bekend zijn. We kunnen dan de voorwaarden aanscherpen op basis van veel meer informatie. In onze gesprekken hebben we steeds geprobeerd het algemeen belang te verbinden met de belangen van de mensen die het meest worden geraakt. De komst van kerncentrales raakt de hele regio, maar de zwaarste lasten liggen bij bewoners en ondernemers in de directe omgeving. Hun positie vereist oprechte betrokkenheid van bestuurders en uitvoerders: aanwezig zijn, luisteren, meedenken en ruimhartig handelen. Dat geldt ook voor schade en overlast tijdens de bouw, waar snelle en eerlijke afhandeling vanzelfsprekend moet zijn. Daarnaast merkten we dat veel voorwaarden die wij belangrijk vinden, raken aan wettelijke taken van de overheid. Toch hebben we ervoor gekozen deze expliciet te benoemen. Om te benadrukken dat deze zaken voor ons heel belangrijk zijn en niet mogen wegvallen in de omvang van dit proces.
Het Rijk-Regiopakket moet een versterking zijn van wat wettelijk al verplicht is, een plus. We spraken ook over de financiële middelen die het Rijk beschikbaar stelt als compensatie. Die middelen zijn nodig om de negatieve gevolgen te verzachten en om investeringen mogelijk te maken die de leefbaarheid en toekomst van Zeeuws-Vlaanderen versterken. Maar de energieprojecten mogen niet worden gepresenteerd als dé oplossing voor bredere regionale vraagstukken. We vinden wel dat investeringen vooral moeten landen in de regio waar de gevolgen het grootst zijn: 80% in Zeeuws-Vlaanderen en het directe grensgebied, 20% in de rest van Zeeland. Ook vraagt een deel van de maatregelen om voorfinanciering, omdat zij al vóór de bouw moeten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld voor groene buffers, zorg, onderwijs en leefbaarheid. Uitwerking van deze investeringen moet gebeuren met kennis en kunde van en uit de streek, dus geen adviesbureaus uit de verre Randstad, maar door lokale, kundige mensen hierbij te betrekken met respect voor lokale geschiedenis en cultuur. De gesprekken maakten duidelijk hoe belangrijk lokale kennis is. Mensen hier zijn diep verbonden met hun grond, hun geschiedenis, hun tradities. Dit is geen industrieel gebied, maar een landbouwgebied, met een eigen dynamiek en gevoeligheden. Bestuurders in Den Haag moeten zich dat bewust zijn.
Vertrouwen is kwetsbaar, zoals eerdere ervaringen – bijvoorbeeld met de marinierskazerne – hebben laten zien. Daarom vragen wij om oprechte betrokkenheid: wees aanwezig, luister, kijk rond, en verdiep u in wat er speelt.
Dit rapport is geen eindpunt, maar een vertrekpunt. De voorwaarden die wij formuleren, moeten ook worden overgedragen aan de bouwers en dienen als basis voor een zorgvuldig, rechtvaardig en toekomstgericht proces. Dat proces vraagt om openheid en betrokkenheid van het Rijk en de uitvoerende partijen, waarbij bewoners, ondernemers, lokale overheden en andere direct betrokkenen tijdig, helder en volledig worden geïnformeerd en meegenomen in de verdere uitwerking van het inpassingsplan. Alleen zo kunnen besluiten tot stand komen die recht doen aan de mensen, de regio en de generaties die na ons komen.
Adviesgroep Rijk-Regiopakket Sluis-Terneuzen
Inhoud
Hoofdstuk 1 Aanleiding Het Rijk onderzoekt op dit moment welke locatie het meest geschikt is voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales. Terneuzen is een van de plaatsen die daarbij nadrukkelijk wordt overwogen. Daarnaast wil het Rijk Zeeuws-Vlaanderen aansluiten op het 380 kV-hoogspanningsnet via een nieuwe verbinding en een nieuw hoogspanningsstation. Ook hiervoor geldt Terneuzen als mogelijke vestigingsplaats. Daarnaast onderzoekt het Rijk een mogelijke locatie voor aanlanding van wind op zee. Hoewel de beoogde locaties binnen de gemeentegrenzen van Terneuzen liggen, grenzen ze direct aan of lopen kabels en leidingen door de gemeente Sluis. Om die reden trekken de gemeenten Terneuzen en Sluis samen op. Rijk-Regiopakket De realisatie van kerncentrales en een 380 kV-hoogspanningsstation heeft grote gevolgen voor Terneuzen en de omliggende gebieden. Om deze impact te beperken en tegelijkertijd kansen voor de regio te benutten, maken het Rijk en de regio afspraken in een Rijk-Regiopakket. Terneuzen en Sluis werken gezamenlijk aan hun bijdrage aan het Zeeuwse pakket, waarvoor ook de Provincie Zeeland en de gemeenten Borsele en Vlissingen input leveren. In het voorjaar van 2026, ruim voordat de definitieve locatiekeuzen worden gemaakt, wordt het voorwaardenpakket van Terneuzen en Sluis aan de minister aangeboden.
Adviesgroep Rijk-Regiopakket Om te kunnen meedenken over de regionale gevolgen van de komst van de kerncentrales en het hoogspanningsstation hebben de gemeenten Terneuzen en Sluis, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen, een Adviesgroep samengesteld. Deze groep bestaat uit 26 inwoners en daarnaast vertegenwoordigers van ondernemers, gemeenteraden, dorpsraden en diverse belangenorganisaties (op gebied van zorg, onderwijs en natuur) uit beide gemeenten. Hun gezamenlijke opdracht is om voorwaarden te formuleren die nodig zijn om de kwaliteit van leven, wonen en werken in de regio te behouden én te versterken wanneer de energieprojecten worden gerealiseerd. Deze voorwaarden leveren input voor het Rijk-Regiopakket. De Adviesgroep Rijk-Regiopakket kwam in de tweede helft van 2025 vijf keer bij elkaar.
Hoofdstuk 2 Werkwijze Adviesgroep Alle inwoners van de gemeenten Terneuzen en Sluis konden zich aanmelden voor deelname aan de Adviesgroep. De respons was groot: ruim vijfhonderd mensen meldden zich aan. Omdat slechts 26 van de 53 plekken beschikbaar waren voor inwoners, is een gewogen loting uitgevoerd. Daarbij is gekozen voor een evenwichtige verdeling, waarbij de helft van de beschikbare plekken naar inwoners jonger dan dertig jaar ging, een kwart naar inwoners tussen de eenendertig en vijftig jaar en het resterende kwart naar inwoners ouder dan vijftig jaar. Daarnaast is toegezien op een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen en is gezorgd voor een evenwichtige spreiding van woonlocaties binnen vier geografische zones rond Mosselbanken/Paulinapolder (de beoogde locatie), zodat ook de afstand tot de mogelijke projectlocaties is meegenomen. De gemeenteraden en dorpsraden kozen uit hun midden vertegenwoordigers in de Adviesgroep. Belangenorganisaties werden door de gemeenten benaderd om deel te nemen aan de Adviesgroep. In totaal maakten 53 mensen deel uit van de Adviesgroep. Opdracht De opdracht aan de Adviesgroep was als volgt: •
Meedenken over de regionale gevolgen van de mogelijke rijksenergieprojecten in ZeeuwsVlaanderen (nieuwe kerncentrales bij Terneuzen, een 380 kV-hoogspanningsstation en mogelijk een aanlanding van wind op zee).
•
In kaart brengen welke maatregelen en investeringen nodig zijn om de kwaliteit van leven, wonen en werken in de regio te behouden en te versterken, als deze projecten doorgaan.
•
Uitwerken van een gezamenlijk voorwaardenpakket dat na instemming van de gemeenteraden van Terneuzen en Sluis aangeboden wordt aan de minister.
De Adviesgroep neemt geen standpunt in over de wenselijkheid van de kerncentrales, hoogspanningsstation of aanlandingsroute zelf, en laat zich niet uit over alternatieve locaties. Daarover besluit het Rijk; de regio heeft hier formeel geen zeggenschap over. Werkwijze: vijf bijeenkomsten De Adviesgroep kwam in het laatste halfjaar van 2025 vijf keer bijeen. Tijdens de eerste drie bijeenkomsten werkten de leden van de Adviesgroep in groepsverband aan de voorwaarden. Alle input is steeds per thema verzameld op post-its. Alleen tijdens de vierde bijeenkomst brachten de leden individueel verbetervoorstellen in op de voorwaarden die uit de eerste drie bijeenkomsten volgden. In de vijfde bijeenkomst werd door per voorwaarde te stemmen het definitieve voorwaardenpakket vastgesteld. Zie voor een beschrijving van de bijeenkomsten de verantwoording in hoofdstuk 5. Tien thema’s De adviesgroep formuleerde de kansen, bedreigingen en voorwaarden voor de komst van energieprojecten rond negen thema’s. Deze thema’s zijn dezelfde als die van de Borselse voorwaarden. Deze zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Veiligheid en gezondheid Bouwruimte en logistiek Klimaat, energie en duurzaamheid Landschap, natuur en recreatie Communicatie en draagvlak Bouwactiviteiten Eigenaarschap Huisvesting, leefbaarheid, wonen en werkgelegenheid Onderwijs, kennis en economische ontwikkeling
Daarnaast is er een 10e thema: Compensatie en investeringen. In de eerste bijeenkomst van de Adviesgroep is dit kort besproken. In de vierde bijeenkomst presenteerde de projectmanager een voorstel voor Compensatie en investeringen. Dit is met de leden van de Adviesgroep besproken.
Hoofdstuk 3 Onderzoekslocatie: Mosselbanken/Paulinapolder De onderzoekslocatie voor het plaatsen van kerncentrales en het 380kV-hoogspanningsstation in Terneuzen, is het gebied rondom de Mosselbanken/Paulinapolder. Dit gebied ligt ten westen van de kern Terneuzen op het grondgebied van de kern Biervliet. Het is een typisch Zeeuws-Vlaams polderlandschap: weids, open, voornamelijk landbouwgrond met rechte sloten, strakke dijken en rechte wegen. Rond de Paulinapolder, aan de buitenzijde van de Westerscheldedijk, ligt een slikkenen schorrengebied (Natura 2000), dat belangrijk is voor trek- en broedvogels, zoals wulpen, kluten, tureluurs en rotganzen. De Paulinapolder is ongeveer 225 hectare groot, en ligt ten noordoosten van Biervliet. De polder ontstond door indijking in de 19e eeuw. Het gebied bestaat vooral uit akkerbouwgrond en natuur, met enkele boerderijen, een rozenkwekerij en een cluster woningen aan de Paviljoenweg. De Mosselbanken is een polder van 133 hectare ten westen van de Braakmanhaven. Het is de jongste polder van Zeeuws-Vlaanderen. Voorheen was dit een schorrengebied. Vooruitlopend op eventuele uitbreiding van Dow, is Mosselbanken in de jaren 70 van de vorige eeuw ingepolderd. Het gebied is grotendeels bestemd voor industrie. Onder andere Oiltanking Terneuzen en een zonnepark zijn hier gevestigd.
Een aantal kernen in de gemeenten Terneuzen en Sluis zijn onderdeel van of grenzen direct aan de onderzoekslocaties: Biervliet, Hoek en Hoofdplaat. Biervliet is een van de oudste plaatsen van Zeeuws-Vlaanderen. De gunstige ligging aan de Braakman zorgde ervoor dat Biervliet zich in de middeleeuwen kon ontwikkelen tot een bloeiende handelsstad. Het rijke verleden is nog in het dorp terug te vinden. Op 1 januari 2025 woonden in Biervliet 1.594 mensen. Hoek ligt tussen Biervliet en de stad Terneuzen. Het dorp ligt temidden van polders, dijken en agrarisch land, typisch voor Zeeuws-Vlaanderen. Direct aansluitend aan het dorp ligt het chemisch bedrijf Dow, een van de grootste werkgevers in de regio. Ten zuiden van het dorp liggen nog restanten van de versterkingen uit de Tachtigjarige Oorlog, het buurtschap Mauritsfort. Op 1 januari 2025 woonden in Hoek 2.802 mensen. Hoofplaat is een kern in de gemeente Sluis. Het dorp ligt aan de Westerschelde, tussen Breskens en Biervliet en is omgeven door polders en dijken. Het gebied rond de kern is in het verleden verschillende keren overstroomd. Het huidige dorp kreeg vorm na inpolderingen in de 18e eeuw. Op 1 januari 2025 woonden in Hoofdplaat 710 mensen.
[kaart]
Hoofdstuk 4 Fasering van compensatie en investeringen De mogelijke realisatie van twee kerncentrales en een 380 kV-hoogspanningsstation in Terneuzen is een langdurig traject dat zich over meerdere jaren uitstrekt. De effecten van deze energieprojecten verschillen per fase en raken onze regio op uiteenlopende momenten en op verschillende manieren. We onderscheiden vier fasen: de aanloopfase, bouwfase, nazorgfase en exploitatiefase. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe deze fasering is opgebouwd en hoe compensatie en investeringen binnen deze fasen worden ingezet. Daarbij gaat het zowel om het opvangen van negatieve effecten als om het benutten van kansen voor de regio. De fasering maakt inzichtelijk hoe maatregelen in de tijd samenhangen en hoe wordt gewerkt aan een evenwichtige ontwikkeling van Zeeuws-Vlaanderen. De uitgangspunten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de huidige inzichten. Naarmate het Rijk verdere besluiten neemt over de energieprojecten, moet deze uitwerking worden aangescherpt. De Adviesgroep benadrukt dat de omgeving gedurende alle fasen actief moet worden betrokken en dat investeringen aantoonbaar moeten bijdragen aan de leefbaarheid, economische kracht en toekomstbestendigheid van de regio.
Uitgangspunten voor compensatie en investeringen Om de regio tegemoet te komen, stellen we een pakket voor dat bestaat uit twee delen: •
•
Een omgevingsfonds, dat in de aanloopfase is gericht op noodzakelijke en veelal wettelijk verplichte maatregelen, zoals schadeloosstelling, verwerving en ruimtelijke inpassing. Tijdens de bouw-, nazorg- en exploitatiefase richt het omgevingsfonds zich onder andere op lokale versterking, sociale cohesie en het beheer van landschap en natuur. Een Rijksprogramma Zeeuws-Vlaanderen, dat de echte “plus” voor de regio vormt. Dit programma bestaat uit een investeringspakket dat gericht is op het versterken van brede welvaart, wonen en voorzieningen, ecologie, klimaat, mobiliteit, de economische structuur en sociale cohesie.
Beide onderdelen volgen de fasen van de projectontwikkeling. Compensatie kan daarbij niet uitsluitend bestaan uit verplichte maatregelen, het moet verder gaan dan dat. Een aantoonbare en structurele meerwaarde voor de regio is essentieel. Regionale meerwaarde als uitgangspunt De Adviesgroep wil dat niet alleen de lasten van de energieprojecten in Zeeuws-Vlaanderen terechtkomen, maar dat de regio er ook duurzaam beter van wordt en dit in de praktijk zo ervaart. Dit raakt in de eerste plaats het gebied direct rond de toekomstige bouwlocatie. De energieprojecten zijn groot en hebben effecten die verder reiken dan deze directe omgeving. Daarom moeten de projecten ook worden verbonden met het versterken van de brede welvaart en de economische structuur in de hele regio, het verbeteren van de ecologische kwaliteit en het versterken van de agrarische sector en het vestigingsklimaat voor bedrijven in Zeeuws-Vlaanderen. De projecten mogen zich dus niet beperken tot landschappelijke inpassing alleen. Ze moeten ook bijdragen aan de toekomstbestendigheid van het gebied als geheel. Om te borgen dat investeringen daadwerkelijk in de regio terechtkomen, wordt een Omgevingsraad ingesteld. In deze Omgevingsraad zitten in ieder geval de dorpsraden in de directe omgeving en een vertegenwoordiging van inwoners (niet zijnde raads- of dorpsraadleden).
De definitieve samenstelling volgt zodra de beslissing gevallen is dat Mosselbanken/Paulinapolder de locatiekeuze voor de kerncentrales is. Daarnaast stelt de Adviesgroep de volgende verdeelsleutel voor om investeringen in de regio vast te leggen: • •
100% van het omgevingsfonds wordt ingezet in de directe omgeving van de projecten; 80% van het Rijksprogramma Zeeuws-Vlaanderen wordt ingezet in de directe omgeving van de projecten (Zeeuws-Vlaanderen) en 20% in de bredere regio.
Tot slot vraagt de Adviesgroep om korte lijnen met zowel opdrachtgever (NEO.nl) als opdrachtnemer (bouwer). Beide partijen moeten fysiek in de buurt van het project aanwezig zijn. Ook het omgevingsmanagement moet tijdig en goed zijn ingericht.
Gevolgen voor particulieren en bedrijven Veel gevolgen van de energieprojecten raken particulieren en bedrijven direct. Het gaat dan om zaken als grond- en opstalverwerving en het verplaatsen van woningen of bedrijven. De Adviesgroep vraagt daarom om snelle, duidelijke en ruimhartige compensatie. Betrokkenen in de directe omgeving krijgen daarbij prioriteit. Verwerving en verplaatsing moeten plaatsvinden op onteigeningsbasis en niet op basis van taxaties. Zo worden langdurige en belastende procedures voorkomen. Ook betrokkenen net buiten de directe omgeving verdienen aandacht. Wonen of werken in de nabijheid van grootschalige energieprojecten kan zorgen voor onzekerheid en mentale druk. Deze groep moet voldoende ondersteuning krijgen, zowel op mentaal vlak als en op juridisch gebied.
Fasering van compensatie en investeringen
Fase 1 – Aanloopfase: de basis op orde Het doel van deze fase is om de omgeving zo voor te bereiden dat de bouw van de energieprojecten verantwoord kan starten. Daarbij wordt ingezet op minimale overlast en maximale duidelijkheid voor direct betrokkenen. De basis voor deze fase ligt in het Ruimtelijk Masterplan. Dit masterplan vormt het kader voor alle fysieke, sociale en organisatorische randvoorwaarden rond de locatie. De uitvoering van het Ruimtelijk Masterplan en de bijbehorende gebiedsmaatregelen wordt gefinancierd via het omgevingsfonds. In de aanloopfase staat het Ruimtelijk Masterplan centraal. Het plan beschrijft de huidige situatie aan de hand van 0-metingen en geeft een duidelijke visualisatie van de bouwplannen. Ook laat het zien hoe het toekomstige landschap realistisch wordt ingepast. Het gaat daarbij onder meer om de inrichting van het bouwterrein, de benodigde infrastructuur, de tijdelijke en permanente huisvesting van werknemers en de kwaliteit van groen- en blauwe structuren en landbouw. Daarnaast bevat het Ruimtelijk Masterplan afspraken over beheer en monitoring. In een sociaaleconomische paragraaf worden onderwerpen als mobiliteit, zorg, veiligheid en voorzieningen voorafgaand aan de bouw uitgewerkt. Het Ruimtelijk Masterplan komt tot stand in nauwe samenwerking met de omgeving via de Omgevingsraad, in afstemming met Vlaanderen.
Tot deze fase behoren ook alle maatregelen die nodig zijn om schadeloosstelling en leefbaarheid goed te regelen. Het gaat onder meer om landschappelijke inpassing en afscherming van bouwactiviteiten, het borgen van agrarische belangen, veiligheidsmaatregelen en het verbeteren van
de bereikbaarheid over weg, spoor, fiets en water. Ook de voorbereiding van tijdelijke huisvesting, voorzieningen, onderwijs en zorg vindt in deze fase plaats.
Fase 2 – Bouwfase: structurele versterking Het doel van deze fase is om tijdens de bouwperiode te zorgen voor een blijvende en positieve versterking van Zeeuws-Vlaanderen. De regio moet de impact van de bouw kunnen dragen en tegelijkertijd kunnen profiteren van nieuwe kansen. De uitvoering van deze fase loopt via het Rijksprogramma Zeeuws-Vlaanderen. Dit programma stuurt de gebiedsversterkende maatregelen aan en wordt jaarlijks geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. De financiering is geregeld via een meerjarig rijksbudget van minimaal € 100 miljoen per jaar. Dit budget loopt ten minste vijftien jaar of zolang de bouw duurt en wordt volledig geïndexeerd. In de bouwfase wordt voortgebouwd op de basis uit de aanloopfase. Via het Rijksprogramma ZeeuwsVlaanderen worden investeringen gedaan die aansluiten bij bestaande programma’s, zoals Zeeland 2050, het Nationaal Programma Vitale Regio’s en de grensoverschrijdende NOVEX-NSPDwerkagenda. Daarbij wordt gewerkt met een 80/20-verdeling tussen het gebied rond de kerncentrales en de bredere regio. Het doel is om toe te werken naar een duurzame erfenis die meegroeit met de voortgang van de bouw. Tijdens de bouwperiode ligt de focus op het versterken van voorzieningen, leefbaarheid, de regionale economie, bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit.
Aan het einde van de bouwfase wordt gekeken welke tijdelijke voorzieningen blijvende waarde hebben. Voorzieningen die van waarde zijn, worden verduurzaamd of opgenomen in de bestaande structuur. Andere voorzieningen worden verwijderd, zodat het gebied op een zorgvuldige manier kan terugkeren naar zijn oorspronkelijke functie en karakter.
Fase 3 – Nazorgfase: duurzame borging Het doel van deze fase is om te voorkomen dat de regio na afronding van de bouw in een neerwaartse spiraal terechtkomt. Tegelijkertijd is deze fase bedoeld om de positieve ontwikkelingen uit de bouwperiode vast te houden en verder te versterken. De borging vindt plaats door het Rijksprogramma Zeeuws-Vlaanderen nog minimaal tien jaar voort te zetten. In deze periode ligt de nadruk op onderhoud, doorontwikkeling en het evalueren van de resultaten die tijdens de bouwfase zijn bereikt. De financiering loopt via het Rijksprogramma ZeeuwsVlaanderen, waarmee de regio ook in de nazorgfase wordt ondersteund. Na afronding van de bouw verschuift de aandacht naar duurzame borging. Projecten en voorzieningen die in de bouwfase zijn opgezet, worden voortgezet en waar nodig verder ontwikkeld. Daarnaast werkt de regio aan het behoud van de landschappelijke inrichting, de voorzieningenstructuur en de versterking van de lokale economie en leefbaarheid. Ook langjarige beheer- en ontwikkelopgaven krijgen in deze fase een vaste plaats. De nazorgfase zorgt zo voor stabiliteit en helpt om de effecten van de bouw zorgvuldig af te ronden en de regio op de lange termijn economisch en sociaal te versterken. .
Fase 4 – Exploitatiefase: maatschappelijk verantwoord ondernemen Het doel van deze fase is om te zorgen voor een stabiele en langdurige relatie tussen de exploitant van de kerncentrales en de regio. In deze fase wordt maatschappelijk verantwoord ondernemen structureel verankerd. De borging vindt plaats via een nog nader te bepalen constructie. Dit heeft tot doel om de beschikbare middelen gericht in te zetten voor het structureel versterken van de regio, op basis van de hieronder genoemde initiatieven. De financiering verloopt via een omgevingsfonds dat door de exploitant wordt ingericht en gedurende de hele exploitatiefase actief blijft. Het fonds bestaat uit een startkapitaal van € 10 miljoen en een jaarlijkse, geïndexeerde bijdrage van € 1,5 miljoen.
Tijdens de exploitatiefase blijft het omgevingsfonds een belangrijke motor voor regionale versterking. Het fonds ondersteunt initiatieven op het gebied van sociale cohesie, leefbaarheid, voorzieningen en natuur- en landschapsbeheer. Ook andere maatschappelijke doelen die bijdragen aan een goede relatie tussen de kerncentrales en de omgeving kunnen worden ondersteund. Daarmee vormt het fonds een aanvulling op de maatregelen uit de nazorgfase, zodat Zeeuws-Vlaanderen blijvend profiteert van de energieprojecten en de maatschappelijke betrokkenheid van de exploitant. De fasering in dit hoofdstuk laat zien hoe compensatie, investeringen en schadeloosstelling in de tijd worden ingezet en hoe zij samen bijdragen aan een zorgvuldige ontwikkeling van de regio. Deze indeling vormt het kader waarbinnen maatregelen en investeringen worden uitgevoerd. In het volgende hoofdstuk worden de voorwaarden uitgewerkt die de Adviesgroep noodzakelijk acht bij de mogelijke realisatie van de energieprojecten. Deze voorwaarden geven per thema aan welke afspraken en maatregelen nodig zijn om de kwaliteit van wonen, werken en leven in ZeeuwsVlaanderen te behouden en te versterken. Samen met de beschreven fasering vormen zij de basis voor de inbreng van de regio in het Rijk-Regiopakket. In bijlage 1 is een verdeling van de voorwaarden over de verschillende fasen opgenomen.
Hoofdstuk 5 De voorwaarden De Adviesgroep heeft de kansen en risico’s van de eventuele komst van de rijksenergieprojecten besproken. Dit deden zij voor de eerdergenoemde negen thema’s. Vervolgens zijn per thema voorwaarden opgesteld. Thema 1: Veiligheid en gezondheid Welke kansen zien we op het gebied van veiligheid en gezondheid? Door de komst van grote energieprojecten ontstaan kansen om de veiligheid en gezondheid in Zeeuws-Vlaanderen te versterken. De investeringen geven ruimte om de zorg, hulpdiensten en veiligheidsstructuren uit te breiden. Ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en noodhulpdiensten spelen zo in op een groeiend aantal inwoners en werknemers. Ook de inwoners profiteren daarvan, omdat de dienstverlening op peil blijft. Samenwerking binnen de provincie en over de grens is van belang voor een volledig pakket aan zorgverlening en veiligheidsdiensten. Technologische innovatie draagt hieraan bij: sensoren en meetpunten volgen continu luchtkwaliteit, geluid en straling. Zo ontstaat meer inzicht en worden problemen sneller aangepakt. Welke bedreigingen zien we op het gebied van veiligheid en gezondheid? Tegelijkertijd zijn er duidelijke bedreigingen. De bouw en de komst van nieuwe inwoners zetten de zorg onder druk en leiden tot langere wachttijden. Tijdens de bouwfase zorgen geluid, licht, stof, verkeer en nachtwerk voor overlast en gezondheidsklachten.
Zonder goede voorbereiding ontstaan extra veiligheidsrisico’s, bijvoorbeeld door gebrekkige noodplannen of beperkte bereikbaarheid bij calamiteiten. Ook de sociale samenhang komt onder druk te staan wanneer tijdelijke werknemers lastig integreren. Daarnaast versterken de nabijheid van industrieën en de vrees voor incidenten het gevoel van onveiligheid. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom nadrukkelijk inzetten op het versterken van de basis van zorg, veiligheid en leefomgeving. Zodat Zeeuws-Vlaanderen ook in de toekomst een gezonde en veilige regio blijft om te wonen, werken en leven. Het doel is om inwoners zekerheid te bieden: dat zorg bereikbaar blijft, dat hulpdiensten goed voorbereid zijn op noodsituaties en dat de leefomgeving beschermd is tegen schade en overlast. Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 1.1 De grensoverstijgende zorg- en hulpdiensten in Zeeuws-Vlaanderen moeten direct na bekendmaking van de locatiekeuze structureel worden uitgebreid, zodat zij voorbereid zijn op bevolkingsgroei, extra druk tijdens de bouw en mogelijke calamiteiten. Dit geldt voor eerstelijnszorg (huisarts, tandarts, fysiotherapeut, psycholoog en ambulance) en tweedelijnszorg (ziekenhuizen).
1.2 Op of nabij de bouwlocatie moet gedurende de bouwfase adequate EHBO- en spoedzorg aanwezig zijn, zodat snel kan worden ingegrepen bij incidenten. Voor reguliere zorg blijven medewerkers gebruikmaken van bestaande voorzieningen, die hiervoor voldoende opgeschaald moeten zijn. 1.3 De bestaande veiligheidsstructuur (VRZ en politie) moet worden versterkt en robuuster worden ingericht. Gemeenten, veiligheidsregio’s en Vlaamse partners maken gezamenlijke noodplannen, inclusief afspraken over bereikbaarheid, evacuatie en grensoverstijgende samenwerking. Ook omwonenden moeten worden betrokken bij het opstellen van deze calamiteitenplannen. 1.4 Vanaf de start van de bouw moeten doorlopend voldoende toezichthouders en handhavers aanwezig zijn, afgestemd op de toestroom van medewerkers en de risico’s. Zij bewaken de naleving van regels door medewerkers, bevorderen veiligheid, hanteren een zerotolerancebeleid ten aanzien van alcohol en drugs en grijpen actief in bij overtredingen. 1.5 Voorafgaand aan de bouw moet in een straal van 10 km rond de beoogde bouwlocatie een nulmeting worden uitgevoerd op economische effecten, milieueffecten, brede welvaart en van mentale
en fysieke gezondheid. Deze metingen vormen de basis voor monitoring en eventuele extra compensatie. 1.6 Gemeenten, werkgevers, welzijnsorganisaties en huisvesters van medewerkers moeten duurzaam samenwerken aan goede opvang, begeleiding, integratie en welzijn van nieuwe medewerkers met aandacht voor leefbaarheid en veiligheid in de dorpen en steden. 1.7 Er moet voortdurende aandacht zijn voor mentale en sociale ondersteuning van inwoners en medewerkers, waarbij voorzieningen voor welzijn, begeleiding en leefkwaliteit zó moeten worden ingericht, dat zij daadwerkelijk een bijdrage kunnen leveren aan deze ondersteuning.
Thema 2 Bouwruimte en logistiek Welke kansen zien we op het gebied van bouwruimte en logistiek? Met de komst van grote energieprojecten krijgt de bereikbaarheid van Zeeuws-Vlaanderen een belangrijke impuls. Nieuwe wegen, spoorverbindingen en snelle buslijnen zijn nodig voor de bouwperiode en verbinden het gebied blijvend met de rest van Nederland en Vlaanderen. En door te investeren in veilige fietsroutes, elektrische vervoermiddelen en transport via water verduurzaamt het verkeer en verbetert de leefbaarheid. Welke bedreigingen zien we op het gebied van bouwruimte en logistiek? Maar er zijn ook risico’s. De grote hoeveelheid vracht- en woon-werkverkeer tijdens de bouw kan leiden tot files, geluidsoverlast en veel hinder voor bewoners. De benodigde ruimte voor onder andere de bouw en nieuwe wegen zorgt er bovendien voor dat landbouwgrond en natuur verloren gaan en de druk op Natura2000 gebieden toeneemt. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom sturen op efficiënt ruimtegebruik en dringt aan op het op orde brengen van de hoofdinfrastructuur. Dat betekent dat bestaande knelpunten moeten worden aangepakt: veilige doorstroming, voldoende capaciteit en goede aansluitingen behoren op niveau te zijn voordat nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. Tegelijkertijd mogen oplossingen niet ten koste gaan van de aantrekkelijkheid van het gebied voor bewoners en toeristen.
Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 2.1 Voorafgaand aan de bouw stellen betrokken overheden (ook Vlaamse), samen met dorpsraden en de veiligheidsregio, als onderdeel van het Ruimtelijk Masterplan, een integraal verkeersplan op. Dit plan regelt veilige en passende routes voor bouwverkeer, woon-werkverkeer en calamiteitenvervoer. Ook het voorkomen van sluipverkeer door dorpskernen en smalle polderwegen en de bescherming van kwetsbare verkeerdeelnemers als fietsers en wandelaars wordt hierin opgenomen. Het plan wordt vastgelegd in formele verkeersbesluiten en blijft ook na de bouwfase bruikbaar. 2.2 Bestaande knelpunten in de infrastructuur in Zeeuws-Vlaanderen (zowel oost-west als noord-zuid) moeten zijn opgelost vóórdat de bouw start, zodat veiligheid en bereikbaarheid van dorpen en steden behouden blijft en doorstroming van verkeer gegarandeerd wordt. 2.3 Medewerkers van de energieprojecten moeten zoveel mogelijk gebruikmaken van P+R-terreinen en collectief vervoer naar hun werklocaties, om verkeersdruk en overlast in de dorpen te beperken. 2.4 De havenfaciliteiten en het spoor in en rond Terneuzen moeten zodanig worden aangepast dat bouwmaterialen en grote componenten en bulkstromen zoveel mogelijk via het water en het spoor kunnen worden aangevoerd.
Alleen wanneer water- en spoorgebonden logistiek technisch of ruimtelijk niet mogelijk is, mag hiervan worden afgeweken, waarbij mogelijk aanvullende verkeersbeperkende maatregelen gelden. 2.5 Als extra havencapaciteit nodig blijkt te zijn, moet deze toekomstbestendig worden aangelegd. 2.6 Nieuwe wegen en voorzieningen die uitsluitend voor de bouw worden aangelegd, moeten na afloop van de bouwfase een passende herbestemming krijgen, te bepalen in overleg met bewoners, of worden verwijderd. 2.7 Het openbaar vervoer moet worden uitgebreid met frequente buslijnen naar de dorpen en een goede spoorverbinding met Vlaanderen en de rest van Zeeland. Voor goederenvervoer moet een aparte, robuuste spoorverbinding worden gegarandeerd. De regio en het Rijk verkennen gezamenlijk welke structurele verbeteringen in het spoor- en oeververbindingennet nodig en haalbaar zijn om zowel personen- als goederenstromen duurzaam en veilig te ontsluiten. 2.8 Er wordt gezorgd voor een robuuste en samenhangende infrastructuur die aansluit op de MiddenZeelandroute en Vlaanderen. Daarnaast wordt ingezet op het versterken en waar nodig uitbreiden van
de westelijke oeververbinding (zoals bijvoorbeeld met een tunnel), zodat er een extra route beschikbaar is, zowel voor dagelijks gebruik als in geval van calamiteiten. 2.9 Bouwverkeer moet zoveel mogelijk gebruikmaken van transport over spoor en water om de druk op het wegennet te beperken. Landbouwgronden, natuurgebieden en recreatieve routes moeten bereikbaar blijven. Daarbij wordt rekening gehouden met de milieubelasting van transport over water en wordt gekozen voor de meest duurzame combinatie van vervoersmiddelen. 2.10 Na voltooiing van de bouw moet de omgeving duurzaam worden hersteld. De bouwlocatie wordt zoveel mogelijk in oorspronkelijke staat teruggebracht of teruggegeven aan natuur, recreatie of andere maatschappelijke functies. Waar herstel van landbouwgrond niet realistisch is, wordt een passend alternatief gezocht.
Thema 3: Klimaat, energie en duurzaamheid Welke kansen zien we op het gebied van klimaat, energie en duurzaamheid? Door de komst van de energieprojecten ontstaan kansen voor de verduurzaming van ZeeuwsVlaanderen. De kerncentrales en bijbehorende energievoorzieningen dragen bij aan betrouwbare en betaalbare energie. Mogelijk kunnen restwarmte en koelwater zo ingezet worden dat ze positief bijdragen aan de omgeving. Door in te zetten op bio-based en circulair bouwen met lokale materialen kan de regio zich profileren als duurzaam en innovatief voorbeeld binnen Nederland en Vlaanderen. Welke bedreigingen zien we op het gebied van klimaat, energie en duurzaamheid? Tegelijkertijd zijn er bedreigingen. De opslag en verwerking van nucleair afval vragen om heldere afspraken en maximale veiligheid. Zonder een doordacht plan ontstaat risico voor zowel milieu als samenleving, zeker bij afvalopslag en ontmanteling. Ook het gebruik van koelwater en bouwmaterialen brengt druk op natuur, bodem en waterkwaliteit met zich mee, waardoor extra aandacht nodig is voor de bescherming van de Westerschelde, landbouw en biodiversiteit. Daarnaast is het essentieel dat energieopbrengsten niet uitsluitend op nationaal niveau worden benut, maar ook merkbare voordelen opleveren voor inwoners en bedrijven in de regio.
Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil dat de regio profiteert van de energieprojecten: een duurzame toekomst waarin klimaatdoelen worden behaald, de leefomgeving wordt beschermd en opbrengsten zichtbaar terugvloeien naar inwoners en bedrijven. Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 3.1 Bij de bouw van de kerncentrales moeten uitsluitend schone en veilige materialen worden gebruikt. 3.2 De bevoegde instanties moeten actief controleren of aan alle milieunormen wordt voldaan en waar nodig bijsturen. Toezicht op de naleving wordt uitgevoerd door een onafhankelijke partij die losstaat van de exploitanten en over voldoende bevoegdheden beschikt. 3.3 Er moeten voor aanvang van de bouw bindende afspraken worden gemaakt over de opslag, het transport, de verwerking van nucleair afval en de toekomstige ontmanteling van de centrales. De benodigde opslagcapaciteit moet volledig geregeld en geborgd zijn voordat de centrales operationeel worden. 3.4 Als onderdeel van het Ruimtelijk Masterplan wordt een integrale strategie ontwikkeld voor het gebruik van koel- en zoetwater, waarbij landbouw, natuur en energieproductie duurzaam in balans blijven.
De strategie omvat maatregelen zoals het aanleggen van retentiebekkens of infiltratievoorzieningen om droogte te voorkomen, het beschermen van biodiversiteit, het tegengaan van verzilting en het toepassen van landschapsherstel en natuurinclusieve inrichting. Tijdens de bouw en exploitatie worden natuur, bodem- en waterkwaliteit en de leefomgeving zorgvuldig beschermd. Koelwatergebruik, lozingen en verzilting worden tot een minimum beperkt, en vooraf worden grondmonsters afgenomen en stikstof- en waterwaarden vastgesteld. 3.5 De energieprojecten mogen de bestaande netcongestie niet verder vergroten. Vooraf moeten maatregelen worden getroffen om het elektriciteitsnet en de aansluitcapaciteit uit te breiden, zodat de extra belasting kan worden opgevangen.
Thema 4 Landschap, natuur en recreatie Welke kansen zien we op het gebied van landschap, natuur en recreatie? Door de komst van de energieprojecten ontstaan kansen om landschap, natuur en recreatie in Zeeuws-Vlaanderen structureel te versterken. Investeringen maken het mogelijk om groene buffers, landschapsparken en natuurverbindingen aan te leggen. Ook kunnen bestaande natuurgebieden uitgebreid worden en beter met elkaar verbonden. Door te kiezen voor inheemse beplanting en natuurinclusief ontwerp neemt de biodiversiteit toe en blijft de karakteristieke identiteit van het Zeeuwse landschap behouden. Daarnaast ontstaan er nieuwe mogelijkheden voor recreatie, zoals fiets- en wandelroutes, bezoekerscentra en rustplekken, waardoor de regio aantrekkelijker wordt voor bewoners en toeristen. Boeren kunnen een rol spelen in het beheer van natuur en landschap, waardoor landbouw, toerisme en natuurontwikkeling elkaar versterken. Welke bedreigingen zien we op het gebied van landschap, natuur en recreatie? Er zijn ook bedreigingen. De aanleg van kerncentrales en bijbehorende infrastructuur kan leiden tot verlies van natuur en landbouwgrond of versnippering van waardevolle gebieden. Door koelwaterlozingen in de Westerschelde, licht, geluid en verontreiniging ontstaan risico’s voor ecologie en leefomgeving.
De aanwezigheid van koeltorens en industriële installaties tast het open landschap aan en beïnvloedt de beleving van natuur en recreatie. Daarnaast komen recreatiebedrijven en landbouwers onder druk te staan wanneer zij hun activiteiten moeten aanpassen of verplaatsen, met gevolgen voor de leefbaarheid en economie van omliggende dorpen. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom dat de energieprojecten worden gecombineerd met een sterke visie op natuur, landschap en recreatie met als doel evenwicht tussen economische ontwikkeling enerzijds en behoud van het groene, open karakter van Zeeuws-Vlaanderen anderzijds. Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 4.1 Rondom de kerncentrales worden blauw-groene buffers aangelegd, met behoud van de Braakman en het strand Paulinapolder. De aanleg van de buffers start direct na het locatiebesluit. De buffers worden vormgegeven in overleg met inwoners en ondernemers. De buffers moeten de projecten aan het zicht onttrekken, aansluiten bij de dorpsidentiteit, de cultuurhistorie versterken en toegankelijk zijn voor bewoners en toeristen. Onderdeel van de buffers zijn nieuwe recreatieve voorzieningen, zoals fietsverbindingen, wandelpaden en educatieve routes die bijdragen aan de beleving van natuur en geschiedenis.
4.2 De landschappelijke inpassing van de centrales en bijbehorende infrastructuur wordt uitgewerkt in een Ruimtelijk Masterplan, waarin nadrukkelijk ruimte is voor landschappelijke kwaliteit, biodiversiteit en elementen die uitstoot, geluid en lichtoverlast beperken. Waar mogelijk worden kabels en leidingen ondergronds aangelegd. 4.3 Boeren en recreatieondernemers worden actief betrokken bij natuurbeheer-, en compensatie onder begeleiding van natuurorganisaties. Landbouwers kunnen een rol krijgen als beheerder van nieuwe natuur. 4.4 Als onderdeel van een Ruimtelijk Masterplan wordt vooraf een 0-meting uitgevoerd en worden doelen gesteld om biodiversiteit, natuurherstel, compensatienatuur en landschapskwaliteit, inclusief Natura2000-gebieden, te waarborgen met oog voor cultuurhistorie en het groen-blauwe netwerk. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met bewoners en deskundigen. Monitoring van deze doelen en klimaateffecten wordt structureel uitgevoerd, publiek beschikbaar en begrijpelijk. 4.5 Kerncentrales moeten uitgevoerd worden zonder standaard koeltorens. Er moet voorzien worden in een alternatief ecologisch verantwoord koelsysteem.
Thema 5: Communicatie en draagvlak Welke kansen zien we op het gebied van communicatie en draagvlak? De energieprojecten bieden een kans om de communicatie in Zeeuws-Vlaanderen structureel te versterken. Met één centrale informatievoorziening en duidelijke aanspreekpunten ontstaat een transparant en betrouwbaar systeem waarin overheid, inwoners en bedrijven elkaar beter vinden. Door moderne middelen te combineren met persoonlijk contact blijft iedereen tijdig, begrijpelijk en volledig geïnformeerd over voortgang, risico’s en resultaten. Zo ontstaat ruimte om inwoners actief te betrekken. Welke bedreigingen zien we op het gebied van communicatie en draagvlak? Er zijn ook risico’s. Versnipperde of slecht afgestemde informatie leidt snel tot verwarring en wantrouwen. Te technische, te late of alleen digitale communicatie sluit groepen uit. Ook raakt de geloofwaardigheid beschadigd wanneer informatie onvolledig, te laat of te sturend wordt gedeeld. Onduidelijkheid over besluitvorming of inspraakmomenten veroorzaakt bovendien frustratie en ondermijnt het draagvlak. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil dat de communicatie over de energieprojecten transparant, toegankelijk en betrouwbaar is. Het doel is om inwoners goed te informeren, ruimte te geven voor dialoog en het vertrouwen in overheid en uitvoering te versterken.
Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken, stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 5.1 Het Rijk is eindverantwoordelijk voor de inhoud en de regie van de communicatie en berichtgeving naar omliggende gebieden, inclusief Vlaanderen. De communicatie wordt verplicht en structureel ingericht, wat betekent dat er vaste procedures, terugkerende informatiemomenten en een formele plicht tot informatieverstrekking gelden. Informatie is (grensoverschrijdend) toegankelijk en consistent. De uitvoering wordt belegd bij één centraal, fysiek bereikbaar loket dat wordt verzorgd door een externe, onafhankelijke partij. Lokale overheden en partners blijven betrokken en leveren informatie aan volgens vaste afspraken en in afstemming met het loket. 5.2 Communicatie van alle betrokken partijen moet tijdig, transparant, begrijpelijk en inclusief zijn, in eenvoudige taal en meerdere talen indien nodig, met aandacht voor digitale toegankelijkheid. Er worden met de omgeving afspraken gemaakt met wie, waarover en op welke manier wordt gecommuniceerd. Informatie wordt actief en periodiek via meerdere kanalen verspreid, met een actieve rol voor dorpsraden, scholen, verenigingen en buurthuizen. 5.3 De exploitant opent een meldpunt waar klachten van inwoners en bedrijven persoonlijk worden behandeld binnen afgesproken korte termijnen.
Het meldpunt is 24/7 bereikbaar en moet controleerbaar functioneren, waarbij op basis van registraties, rapportages en periodieke audits wordt aangetoond dat de bereikbaarheid, registratie en afhandeling van klachten voldoen aan de gestelde eisen. 5.4 Publieksvoorlichting en educatie moeten een vast onderdeel vormen van de communicatie. Bezoekerscentra, schoolprogramma’s en online hulpmiddelen moeten inzicht geven in de werking van kernenergie, veiligheid en duurzaamheid. Tijdens de bouwfase moeten rondleidingen en informatiemomenten worden georganiseerd om openheid te waarborgen. 5.5 Er komt een publieke openingsceremonie waarbij inwoners, omwonenden en regionale partijen actief betrokken worden, als middel om transparantie en trots te vergroten.
Thema 6: Bouwactiviteiten Welke kansen zien we op het gebied van bouwactiviteiten? Met de komst van de energieprojecten ontstaan kansen om de bouw op een duurzame en zorgvuldige manier te organiseren. Met moderne bouwtechnieken en milieuvriendelijke materialen ontstaat een aanpak die overlast beperkt en bijdraagt aan de verduurzaming van de regio. Elektrisch of op waterstof aangedreven materieel, prefab bouwmethoden en transport over water verminderen geluid, trillingen en uitstoot. Daarnaast biedt de aanleg van nieuwe infrastructuur de mogelijkheid om restwarmte en duurzame energie slim te benutten, wat bijdraagt aan een toekomstbestendig energiesysteem. Welke bedreigingen zien we op het gebied van bouwactiviteiten? Tegelijkertijd zijn er bedreigingen. De bouw kan aanzienlijke hinder veroorzaken door geluid, stof, verkeer en licht, zeker wanneer werkzaamheden dag en nacht doorgaan. Natuur en milieu staan onder druk door stikstofuitstoot, verzilting, koelwatergebruik en verstoring van ecosystemen. Ook de bereikbaarheid en veiligheid nemen af, zeker voor fietsers, schoolroutes en hulpdiensten. Zonder goede afspraken leidt de bouw tot schade aan woningen of waardedaling van vastgoed. Ook kan langdurige bouwactiviteit het toeristische imago van Zeeuws-Vlaanderen aantasten en recreatiebedrijven schaden.
Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom dat de bouwactiviteiten bijdragen aan een veilige, leefbare en duurzame regio. De bouw moet zorgvuldig worden uitgevoerd, met minimale overlast voor inwoners en maximale meerwaarde voor natuur, omgeving en economie. Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 6.1 De bouw van de energieprojecten moet worden uitgevoerd met duurzaam materieel en energiezuinige technieken. Waar mogelijk wordt gewerkt met elektrisch of op waterstof aangedreven machines en met prefabconstructies. Er wordt steeds gezocht naar een balans tussen duurzame bouwmethoden en een praktische en uitvoerbare inzet van materieel. 6.2 De aanbesteding bevat een programma van eisen met duidelijke regels en maatregelen om hinder, vooral ’s nachts en in weekenden, te voorkomen. Tijdens de bouw gelden op de bouwplaats, toegangswegen en directe omgeving strikter dan wettelijk vereiste milieu- en gezondheidsnormen voor luchtkwaliteit, geluid, licht, bodem, trillingen en uitstoot. Deze normen worden continu gemonitord met moderne sensortechniek, afgestemd op de lokale situatie en uitgevoerd door een onafhankelijke partij. Resultaten zijn transparant en digitaal beschikbaar. Bij overschrijding van normen wordt onmiddellijk ingegrepen. 6.3 De veiligheid tijdens de bouw moet volledig zijn gewaarborgd.
Er komen vaste veiligheidszones, bijvoorbeeld no-flyzones, rond de bouwplaats. Toezicht en handhaving krijgen voldoende capaciteit om te controleren en te handhaven, passend bij de risico’s van de bouwactiviteiten en de toename van verkeer.
Thema 7: Eigenaarschap Welke kansen zien we op het gebied van eigenaarschap? De overeenkomst met het Rijk biedt kansen om het eigenaarschap stevig in Nederlandse handen te houden. Door publieke zeggenschap te waarborgen, blijven besluiten gericht op veiligheid, leefbaarheid en toekomstbestendigheid van de regio. Bovendien ontstaat ruimte om de opbrengsten terug te laten vloeien naar Zeeuws-Vlaanderen en te investeren in voorzieningen en duurzaamheid. Welke bedreigingen zien we op het gebied van eigenaarschap? Er zijn ook bedreigingen. Als eigendom of invloed in handen komt van buitenlandse of commerciële partijen, kan publieke, regionale controle verdwijnen. Zonder duidelijke afspraken over zeggenschap, toezicht en winstverdeling bestaat het risico dat de regio weinig profijt heeft van de opbrengsten. Ook kan een gebrek aan deskundigheid of transparantie leiden tot wantrouwen en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en risico’s. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom eigenaarschap, zeggenschap en maatschappelijke winst stevig borgen. Het doel is om als Nederland de regie te houden, de Zeeuwse overheden te laten participeren en zo inwoners invloed te geven en de opbrengsten structureel ten goede te laten komen aan de regio.
Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken, stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 7.1 Het eigendom van de kerncentrales blijft grotendeels in handen van de Nederlandse overheid, met minimaal 51% eigendom en zeggenschap. Verkoop aan buitenlandse investeerders is uitgesloten. Zeeuwse overheden en inwoners participeren in het eigendom zodat de regio mede-eigenaar is. Het eigendomsmodel volgt principes van steward ownership, waarbij het lange termijnbelang en maatschappelijke verantwoordelijkheid centraal staan. De Rijksoverheid behoudt een gouden aandeel om cruciale beslissingen en publieke belangen te waarborgen. Daarnaast is de Rijksoverheid verantwoordelijk voor kosten aan het einde van de levensduur van de kerncentrales, inclusief opruimen herstelkosten. 7.2 Er wordt een Omgevingsraad opgericht waarin inwoners, lokale overheden en deskundigen een formele rol krijgen (advies en/of stemrecht) in strategische besluiten. 7.3 De eigena(a)ren leggen jaarlijks publieke verantwoording af over winstverdeling, risico’s en reserveringen in een openbaar verslag. 7.4 De initiatiefnemer zet, conform het Klimaatakkoord, een participatiemodel op waarin omwonenden (financieel) kunnen deelnemen, bijvoorbeeld via aandelen, certificaten of een coöperatie. Het model bevat duidelijke regels om risico’s te beperken en kleine beleggers te beschermen.
Het bevoegd gezag ziet erop toe dat het model en de afspraken hierover worden vastgelegd en uitgevoerd.
Thema 8 Huisvesting, leefbaarheid, wonen en werkgelegenheid Welke kansen zien we op het gebied van huisvesting, leefbaarheid, wonen en werkgelegenheid? Door de komst van de energieprojecten ontstaan kansen voor de woningmarkt, leefbaarheid en werkgelegenheid in Zeeuws-Vlaanderen. De afspraken en investeringen maken het mogelijk om toekomstgerichte woonconcepten te realiseren, nieuwe banen te creëren en de regio aantrekkelijker te maken om te wonen en te werken. Tijdelijke woningen krijgen na de bouwfase een blijvende functie als starters- of zorgwoningen, waardoor leegstand wordt voorkomen en de woningvoorraad duurzaam groeit. Investeringen in zorg, onderwijs, recreatie en sport versterken de leefomgeving. Ook op het gebied van mobiliteit ontstaan kansen: betere treinverbindingen, elektrische bussen en grensoverstijgend vervoer maken de regio blijvend beter bereikbaar. Welke bedreigingen zien we op het gebied van huisvesting, leefbaarheid, wonen en werkgelegenheid? Er zijn ook bedreigingen. De instroom van tijdelijke werknemers zet de woningmarkt onder druk en kan lokale bewoners en starters verdringen. Te grootschalige nieuwbouw of te weinig aandacht voor het dorps- en landschapskarakter tast de leefbaarheid aan. Zonder goede afstemming raken voorzieningen, wegen en openbaar vervoer overbelast.
Daarnaast ontstaan sociale spanningen wanneer integratie en communicatie onvoldoende zijn geregeld. Ook loopt landbouw, toerisme en natuur risico op schade als ruimtelijke ontwikkelingen niet zorgvuldig worden uitgevoerd. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom dat woningbouw, werkgelegenheid en leefbaarheid in samenhang worden ontwikkeld. Het doel is om inwoners te beschermen tegen verdringing, de kwaliteit van dorpen en landschap te behouden en tegelijk nieuwe kansen voor wonen en werken te benutten. Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken, stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 8.1 Huisvesting moet onderdeel zijn van een Ruimtelijk Masterplan. Er moet heldere regie en een samenhangende visie komen op huisvesting in Zeeuws-Vlaanderen. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen medewerkers die tijdelijk of kortdurend in de regio verblijven en medewerkers die langer blijven. Tijdelijke woonruimte voor medewerkers en permanente woonruimte voor inwoners moet voldoen aan wettelijke eisen en moet zo worden georganiseerd dat verdringing wordt voorkomen en er voldoende betaalbare woonruimte beschikbaar blijft voor lokale bewoners en starters. 8.2 De werkgever ziet erop toe dat medewerkers zich inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) of, indien van toepassing, in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI).
8.3 Bouwer en overheid dragen samen verantwoordelijkheid voor voldoende tijdelijke huisvesting, bij voorkeur dicht bij de bouwlocatie (campusvorm). Deze huisvesting moet na de bouwfase een passende nieuwe functie krijgen, eerst voor wonen en daarna voor andere maatschappelijke functies. Voor medewerkers die langer blijven, moeten extra woningen worden gebouwd die ook na afronding van de projecten behouden blijven voor inwoners of een nieuwe bestemming krijgen. 8.4 De leefbaarheid en het dorps- en landschapskarakter moeten behouden en versterkt worden. Nieuwe woningen en voorzieningen worden landschapsinclusief ontworpen en houden rekening met recreatie, groen en natuur. Deze uitgangspunten worden opgenomen in het Ruimtelijk Masterplan. 8.5 Goede huisvesting, handhaving en (sport- en culturele) voorzieningen moeten sociale cohesie bevorderen. De huisvester of verhuurder zorgt voor veilige en kwalitatieve huisvesting tegen een juiste en verantwoorde huurprijs, terwijl de huurder zich houdt aan goed huurderschap en zorgvuldig gebruik van de woonruimte. 8.6 Werkgelegenheid moet lokaal worden verankerd door afspraken over de inzet van lokale arbeidskrachten, stageplekken en opleidingen, rekening houdend met de capaciteit van regionale bedrijven zodat kennis en werkgelegenheid in Zeeland behouden blijven.
Opdrachten worden zoveel mogelijk lokaal verstrekt en bedrijven uit de regio krijgen voorrang bij aanbestedingen. Daarbij wordt rekening gehouden met de omvang en capaciteit van regionale bedrijven, zodat zij ook andere
werkzaamheden in de regio kunnen blijven uitvoeren en voldoende beschikbaarheid behouden voor andere projecten en particuliere opdrachtgevers. 8.7 Partners van werknemers moeten snel en zonder belemmeringen kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt, met aandacht voor tijdige erkenning van diploma’s. 8.8 Technisch geschoolde medewerkers moeten worden gestimuleerd om na de bouw in de regio te blijven, zodat zij behouden blijven voor de regionale economie.
Thema 9: Onderwijs, kennis en economische ontwikkeling Welke kansen zien we op het gebied van onderwijs, kennis en economische ontwikkeling? Het Rijk-Regiopakket biedt kansen voor onderwijs, kennisontwikkeling en economische groei in Zeeuws-Vlaanderen. De investeringen vormen een motor voor nieuwe opleidingen, intensievere kennisuitwisseling en nauwere samenwerking tussen bedrijven, scholen en overheden. Door hier tijdig op in te spelen, ontwikkelt de regio zich tot een kenniscentrum voor duurzame energie, techniek en innovatie. Extra investeringen in het onderwijs, van basisschool tot hogeschool, geven jongeren toekomstperspectief dichtbij huis en versterken het vestigingsklimaat voor gezinnen en bedrijven. Welke bedreigingen zien we op het gebied van onderwijs, kennis en economische ontwikkeling? Tegelijkertijd zijn er risico’s. Zonder aanvullende investeringen raken scholen overbelast door de instroom van kinderen van tijdelijke werknemers. Tekorten aan leraren en lokalen verslechteren de kwaliteit van het bestaande onderwijsaanbod. Ook dreigt onevenwichtige ontwikkeling wanneer opleidingen te sterk op één plek worden geconcentreerd, waardoor delen van de regio achterblijven. Als scholing en werk onvoldoende op elkaar aansluiten, dreigt verlies van kennis en talent. Daarnaast zet druk op grondprijzen, huisvesting en voorzieningen de regionale economie onder spanning.
Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil daarom dat onderwijs, kennis en economie in samenhang worden ontwikkeld. Het doel is om jongeren en werknemers in Zeeland te houden, de kwaliteit van het onderwijs te versterken en te zorgen dat kennis en opbrengsten in de regio blijven. Wat zijn daarom onze voorwaarden? Om dit te bereiken, stelt de Adviesgroep de volgende voorwaarden: 9.1 De overheid en projectontwikkelaars moeten vooraf onderzoek doen naar de verwachte instroom en benodigde uitbreiding van scholen en voorzieningen. Er moet structureel worden geïnvesteerd in kinderopvang, onderwijs en kennis, al vóór de start van de bouw. Scholen en kinderopvang hebben extra middelen, personeel en ruimte nodig om de instroom van nieuwe leerlingen op te vangen, terwijl de kwaliteit van het huidige onderwijs behouden blijft. 9.2 Onderwijs moet toegankelijk en inclusief zijn, met ruimte voor internationale elementen die bijdragen aan integratie en kennisuitwisseling. Tweetalig onderwijs kan hierin een rol spelen, mits het leren van de Nederlandse taal en actieve deelname aan de samenleving centraal blijven. Een internationale school moet worden geïntegreerd in het bestaande onderwijsaanbod. Het is belangrijk dat er voldoende aandacht is voor álle leerlingen, ongeacht achtergrond. 9.3 Onderwijs en werkgelegenheid moeten nauw verbonden zijn.
Het aanbod van mbo-, hbo- en woopleidingen (inclusief stages en leerwerktrajecten) in Zeeuws-Vlaanderen moet worden uitgebreid en afgestemd op banen in kernenergie, techniek en veiligheid en sectoren zoals zorg, onderwijs, landbouw, ICT en toerisme. Daarbij hoort de oprichting van een kenniscentrum voor energie, klimaat en duurzaamheid, gekoppeld aan Campus Terneuzen en andere onderwijsinstellingen in de regio. 9.4 Er moet worden geïnvesteerd in een duurzaam netwerk tussen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven, met samenwerking op Nederlands, Vlaams en internationaal niveau zodat de ontwikkelingen ook kansen bieden voor andere sectoren dan kernenergie. 9.5 De exploitant van de kerncentrale moet een erkend leerbedrijf zijn of bereid zijn om zo snel mogelijk de benodigde accreditaties te verkrijgen voor zowel mbo- als hbo/wo-stageplaatsen. 9.6 De huisvesting van leraren, zorgprofessionals en andere essentiële beroepsgroepen moet goed worden geregeld. Voldoende en betaalbare huisvesting is nodig om personeel aan te trekken en te behouden en om de regio aantrekkelijk te houden om te wonen en te werken.
Thema 10 Compensatie en investeringen De mogelijke realisatie van de energieprojecten heeft ingrijpende gevolgen voor Zeeuws-Vlaanderen. Voor inwoners, bedrijven, voorzieningen, landschap, infrastructuur en de regionale economie. De impact doet zich bovendien niet alleen voor tijdens de bouw, maar ook in de jaren daarvoor en daarna. Deze gevolgen zijn in de voorgaande thema’s beschreven. Het is noodzakelijk om vooraf duidelijke afspraken te maken over compensatie, schadeloosstelling en investeringen. Deze afspraken zijn er enerzijds op gericht om de regio als geheel te versterken en achteruitgang te voorkomen. Anderzijds moeten zij ervoor zorgen dat inwoners en bedrijven die schade ondervinden, worden gedupeerd of gedwongen worden om te verhuizen, tijdig en ruimhartig worden gecompenseerd en schadeloosgesteld. De lasten van de energieprojecten mogen niet eenzijdig bij de regio of bij individuele betrokkenen terechtkomen. Er dient een pakket tegenover te staan dat bijdraagt aan stabiliteit en perspectief voor mensen en bedrijven, en tegelijkertijd aan een structurele verbetering van Zeeuws-Vlaanderen als geheel. Wat willen we bereiken? De Adviesgroep wil bereiken dat de gevolgen van de energieprojecten op een eerlijke en evenwichtige manier worden opgevangen en dat de opbrengsten van deze projecten zichtbaar terugvloeien naar de regio.