c Bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN DAMSTRAAT 16 SCHOONDIJKE Toelichting
Titel: Gemeente: Status: IMRO: Project: Datum: Opgesteld door: Bronvermelding afbeeldingen:
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke Sluis concept NL.IMRO.1714.bpdamstraat16-ON01 20-280 19 februari 2021 Van Kerkhoff Maatwerk in RO Provincie Zeeland (figuur 1 en 7) PDOK, (figuur 2) Ruimtelijkeplannen.nl (figuur 3) Google streetview (figuur 4) Ventu.nl (figuur 5) Gemeente Sluis (figuur 6) Risicokaart.nl (figuur 8)
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 2
INHOUDSOPGAVE H1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerende planologische situatie 1.4 Opbouw
5 5 5 5 6
H2. Planbeschrijving
7
H3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
9 9 9 10
H4. Toetsing 4.1 Archeologie 4.2 Cultuurhistorie 4.3 Bodem 4.4 Water 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Milieuzonering 4.8 Verkeerslawaai 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Externe veiligheid 4.11 M.e.r.-plicht
11 11 12 13 14 15 15 15 16 16 17 17
H5. Juridische vormgeving 5.1 Plansystematiek 5.2 Gehanteerde bestemmingen
18 18 19
H6. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
20 20 20 21
Bijlage:
Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Watertoetstabel.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 3
SLUIS
Figuur 1. Ligging plangebied
Figuur 2. Plangebied
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 4
H1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Damstraat 16 te Schoondijke is een bedrijfswoning met bijbehorende bedrijfsbebouwing aanwezig. In het verleden was er een transportbedrijf gevestigd. De activiteiten van het transportbedrijf zijn reeds geruime tijd beëindigd en de loodsen zijn inmiddels vernieuwd en in gebruik als kleinere (opslag) units. Daarbij is in 2016 een planologische procedure doorlopen om 12 garageboxen te realiseren op het terrein aan de achterzijde. De bedrijfswoning is nog steeds in gebruik als woning, maar staat niet meer ten dienste van de aanwezige bedrijvigheid. Vanwege het gewijzigde gebruik wordt beoogd met het voorliggende bestemmingsplan de percelen behorende bij het adres Damstraat 16 te Schoondijke van een passende bestemming te voorzien.
1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Schoondijke in de gemeente Sluis. Het plangebied betreft het perceel op de hoek van de Damstraat en de Tragel. De Damstraat is gelegen in het verlengde van de Dorpsstraat en deze straten vormen samen de hoofdas van het dorp. Vrijwel aan iedere zijde wordt het plangebied omringd door woonbebouwing. Kadastraal is het plangebied opgedeeld in drie percelen (Oostburg sectie ES nummers 921, 1396 en 1397). Twee kleinere percelen aan de Damstraat met een totale oppervlakte van 618 m² zijn in eigendom van de huidige bewoners van de bedrijfswoning. Een groter perceel met een totale oppervlakte van 1.370 m² is in eigendom van een vereniging van eigenaren van bedrijfsunits en is ontsloten via de weg Tragel. De grenzen van het bestemmingsplangebied worden gevormd door de bedrijfsbestemming in het vigerende bestemmingsplan. Figuur 1 en 2 tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied.
1.3 Vigerende planologische situatie Op het plangebied zijn meerdere bestemmingsplannen van toepassing. Zo gelden er op deze planlocatie de volgende bestemmingsplannen: - Kleine Kernen Sluis, vastgesteld d.d. 27 juni 2013; - Herziening Kleine Kernen Sluis, vastgesteld d.d. 27 oktober 2016; - Parapluplan Archeologie, vastgesteld d.d. 29 januari 2019; De Parapluherziening parkeren gemeente Sluis is nog in de fase ontwerp, d.d. 11-09-2020. Op 27 september 2016 is voor het achterste gedeelte van het perceel een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de realisatie van 12 garageboxen. Het plangebied kent de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘specifieke vorm van bedrijf – transportbedrijf’. Daarnaast is er een wijzigingsbevoegdheid op het plangebied van toepassing. De wijzigingsbevoegdheid, genaamd ‘Wro-zone - wijzigingsgebied 9’ maakt het mogelijk om de bestemming ‘Bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ of ‘Wonen en ‘Verkeer’. De verbeelding is opgenomen in figuur 3. Vanuit het Parapluplan Archeologie geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze dubbelbestemming wordt in dit bestemmingsplan overgenomen. Zie verder paragraaf 4.1.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 5
Figuur 3. Vigerend bestemmingsplan
1.4 Opbouw De toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het plan toegelicht. Vervolgens wordt het plan in hoofdstuk 3 getoetst aan het beleid en in hoofdstuk 4 aan alle aspecten van ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 5 wordt de wijze waarop het plan juridisch wordt verankerd, weergegeven met een beschrijving van verbeelding en regels. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aangetoond.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 6
H2. Planbeschrijving Het perceel aan de Damstraat 16 is voorheen in gebruik geweest bij een transportbedrijf. De loodsen werden gebruikt voor de opslag van hooi en stro. Aan de zijde van de Tragel was een tankplaats voor de vrachtwagens die volledig is gesaneerd. Het transportbedrijf is jaren geleden opgeheven en de bedrijfsloodsen zijn inmiddels gerenoveerd en als bedrijfsverzamelgebouw in gebruik genomen. Ook zijn er na de in 2016 doorlopen planologische procedure 12 garageboxen gerealiseerd op de achterzijde van het perceel. De units in het bedrijfsverzamelgebouw en de garageboxen worden ontsloten via de Tragel. De aanduiding ‘transportbedrijf’ is niet meer van toepassing en kan ook planologisch worden opgeheven. In het plangebied staat een bedrijfswoning (gebouwd in 1957) met de voorgevel aan de Damstraat. Naast de woning ligt een bij de woning behorende garage. De woning en de garage staan in dezelfde voorgevellijn als de woningen in het vervolg van de Damstraat. De voorheen bij het transportbedrijf behorende bedrijfswoning met garage is niet meer verbonden met de aanwezige bedrijfsfuncties op het perceel. Vanwege het ontbreken van de verbondenheid met de bedrijvigheid en de ligging in de woonkern wordt deze woning in dit bestemmingsplan als particuliere woning bestemd.
Kortom, met het voorliggende bestemmingsplan wordt de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik op het perceel gelegen op de hoek van de Damstraat en de Tragel van een passende bestemming voorzien. In figuur 4 en 5 zijn twee foto’s weergegeven van de bestaande situatie. Foto 4 geeft de situatie weer aan de Damstraat. Deze bebouwing betreft de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende garage. Foto 5 betreft een aanzicht vanaf de Tragel op de gerenoveerde bedrijfsloodsen en de nieuw gebouwde garageboxen op de achterzijde van het perceel.
Figuur 4. Foto bestaande situatie Damstraat
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 7
Figuur 5. Foto bestaande situatie Tragel
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 8
H3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR bij de provincie en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. Ingezet wordt onder meer op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. Het kabinet benoemt ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Het plangebied maakt zelf geen deel uit van een gebied dat direct is aangewezen als nationaal ruimtelijk belang. Het rijksbeleid heeft geen directe werking op dit bestemmingsplan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening staat een aantal regels met betrekking tot de inhoud van ruimtelijke plannen.
Een van de relevante regels daarbij is de zogeheten ladder voor duurzame verstedelijking. Deze ladder wordt ook door de provincie Zeeland gehanteerd. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op maximaal vier opeenvolgende rechtsvragen in. De eerste vraag is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een bedrijf en/of een woning is een stedelijke functie, waarop de ladder in beginsel van toepassing is. Er is echter geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien: a. er geen nieuw ruimtebeslag plaatsvindt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan en/of; b. er een wijziging van de gebruiksfunctie plaatsvindt die geen wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. De beoogde ontwikkeling ziet enkel op een functiewijziging, er worden geen bouwmogelijkheden aan het plan toegevoegd. Daarbij is de functiewijziging zodanig klein van aard, er worden geen nieuwe woningen toegevoegd aan de woningvoorraad en de milieuhindercategorie van de bedrijfsbestemming wordt verlaagd door het verwijderen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – transportbedrijf’, dat gesteld kan worden dat deze geen wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsplan Zeeland 2018 Het Omgevingsplan Zeeland 2018, vastgesteld op 21 september 2018, bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Het plan is integraal, maar ook compact. Het is voor het overgrote deel geen nieuw beleid, maar elementen uit de Kustvisie, Natuurvisie, energietransitie en klimaatadaptatie zijn toegevoegd. Vier grote strategische opgaven staan centraal, te weten Duurzame en concurrerende economie, Klimaatbestendige en neutrale samenleving, Waardevolle leefomgeving en Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 9
Zeeland heeft veel kwaliteit te bieden op het gebied van wonen en werken en scoort landelijk gezien positief qua leefomgeving. Wel zijn er lokaal aanzienlijke verschillen. De provinciale ambitie is om Zeeland nog gezonder te maken. Een gezond gebied heeft een goede milieukwaliteit (geluid, lucht, veiligheid) en is aantrekkelijk om in te wonen, te ontspannen en te bewegen. Voor een goed woonen werkklimaat zijn veel verschillende factoren van belang. Het gaat om de woningen en bedrijfspanden zelf, de directe omgeving en de toegang tot hoofdwegen en voorzieningen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de lokale woonomgeving. De ontwikkeling aan de Damstraat 16 te Schoondijke zorgt voor een verbetering van dit woon- en werkklimaat. De functie transportbedrijf (milieuhindercategorie 3.1) is niet passend binnen de bebouwde kom. Door het afschalen van de milieuzonering ontstaat er een beter woonklimaat voor de omringende woningen. Tegelijkertijd wordt door het behoud van de bedrijfsbestemming met een lage milieuhindercategorie blijvend voorzien in een lokale bedrijfsmatige behoefte. Omgevingsverordening Zeeland In de Provinciale Omgevingsverordening 2018 is het provinciale beleid vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen.
Belangrijk onderscheid is er gemaakt tussen het bestaand stedelijk gebied en het landelijk gebied. Het plangebied is conform het provinciaal beleid gelegen in het bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied hebben gemeenten grote vrijheid van handelen. Er zijn ten aanzien van de onderhavige ontwikkeling geen regels vanuit de Omgevingsverordening van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief past in het provinciaal beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid Krachtig verbonden 2021 De gemeente Sluis heeft op 17 december 2015 de visie “Krachtig verbonden, Visiedocument 20162020”, vastgesteld. Het visiedocument onderscheidt zes thema’s waarbij per thema de beleidskoers van de gemeente wordt uitgestippeld. De onderscheiden thema’s betreffen: Wonen, Voorzieningen, Recreatie en toerisme, Landbouw en landschap, Verkeer en vervoer, Ondersteuning en begeleiding. Voor onderhavige ontwikkeling zijn alleen de thema’s Wonen en Voorzieningen mogelijkerwijs relevant. Vanuit het thema Voorzieningen is een van de beleidspunten het stimuleren van het omzetten van (leegstaande) solitaire bedrijfsgebouwen in de kernen naar kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen of garages. Daarbij zet de gemeente onder het thema Wonen in op het aantrekkelijker maken van de woon- en leefomgeving, waarbij herontwikkeling van ruimtelijke knelpunten voorop staat. Hierbij ligt de focus op inbreiding. Beide beleidsdoelstellingen komen samen in de voorliggende ontwikkeling aan de Damstraat 16 te Schoondijke. Zo wordt enerzijds door het verwijderen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf’ en het (her)gebruik van de bedrijfsgebouwen als kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen of garages rechtstreeks invulling gegeven aan de gemeentelijke doelstelling zoals genoemd onder Voorzieningen.
Anderzijds wordt op deze wijze de mogelijkheid tot een onwenselijke bedrijfsfunctie uit de woonkern verwijderd waardoor er een aantrekkelijker woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. Het omvormen van een bedrijfswoning naar particuliere woning in de dorpskern sluit hier goed bij aan. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief past in het gemeentelijk beleid.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 10
H4. Toetsing 4.1 Archeologie Beleid Op grond van de Erfgoedwet mag de gemeente haar eigen beleidsinhoudelijke en financiële afwegingen maken. Voorwaarde is dat het selectie- en vrijstellingsbeleid archeologisch-inhoudelijk is onderbouwd en bestuurlijk is vastgesteld. Daarenboven dient op grond van Bro art. 3.1.6 sub 2a de toelichting (van het bestemmingsplan) ‘’een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” te bevatten. De gemeenteraad van Sluis heeft in 2017 de eerste herziening van de Beleidsnota Archeologie vastgesteld met daarin een archeologische beleidskaart (figuur 6). Deze is vertaald in het Parapluplan Archeologie, dat op 29 januari 2019 is vastgesteld.
Figuur 6. Uitsnede archeologische beleidskaart (2017)
De archeologische waarde van het plangebied Op de archeologische beleidskaart is vrijwel de gehele kern Schoondijke gecategoriseerd met een hoge archeologische verwachting. De maximale vrijstelling in diepte bedraagt ter plaatse van het plangebied 40 centimeter onder maaiveld en de maximale vrijstelling in oppervlakte 500 m². Deze maatvoering is ook vastgelegd in de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 in het Parapluplan Archeologie. De dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 wordt in het onderhavige bestemmingsplan overgenomen. De beoogde ontwikkeling ziet enkel op het wijzigen van de bestemming en niet op het uitvoeren van grond- en of bouwwerkzaamheden. De gronden zullen dan ook niet worden geroerd door de voorliggende bestemmingsplanwijziging. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 11
Conclusie De dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 die op het plangebied rust, wordt in dit bestemmingsplan overgenomen. Een archeologisch onderzoek is in het onderhavige geval niet noodzakelijk.
4.2 Cultuurhistorie Beleid Vanaf 1 januari 2012 dient cultuurhistorie meegewogen te worden tijdens nieuwe ontwikkelingen. Belangrijke doelen waren en zijn het stimuleren en ondersteunen van gebiedsgericht werken, het belang van cultuurhistorie laten meewegen in de ruimtelijke ordening, het formuleren van een visie op erfgoed en het verminderen van de administratieve lastendruk. In 2016 zijn bestaande wetten en regelingen gebundeld in de Erfgoedwet. Daarin staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en te behouden. De bescherming is gestoeld op drie pijlers: • Pijler 1: Cultuurhistorische belangen meewegen in ruimtelijke ordening. Hierbij vindt een verschuiving plaats van objectgerichte bescherming naar een gebiedsgerichte aanpak. De omgeving van het monument gaat een belangrijker rol spelen. • Pijler 2: Krachtiger en eenvoudiger regelgeving. Minder, kortere en eenvoudiger procedures, afstand tussen expert en leek kleiner, meer vrijheid en keuzemogelijkheden voor monumenteneigenaren. • Pijler 3: Bevorderen van herbestemmingen. Het toekennen van een andere bestemming kan bijdragen aan het behoud van historische gebouwen en terreinen.
Figuur 7. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (Provincie Zeeland, 2021)
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 12
In 2013 heeft de gemeente Sluis de Erfgoedvisie vastgesteld. De betekenis van het cultuurhistorisch erfgoed voor de gemeente Sluis is samen te vatten in de volgende statements: 1. Mensen hechten veel waarde aan het behoud van cultuurhistorisch erfgoed. 2. De aanwezigheid van cultuurhistorisch erfgoed draagt in positieve zin bij aan de vestigingsfactor. 3. Cultuurhistorisch erfgoed is van groot belang voor het toerisme en toerisme is de motor van de lokale economie. 4. Monumenten en andere objecten van het cultuurhistorisch erfgoed zijn overblijfselen uit het verleden en tonen iets van de cultuur van vorige generaties. 5. Het bodemarchief vormt voor het grootste deel van ons verleden de enige bron van geschiedschrijving. 6. Historische landschapsstructuren en -elementen zijn de zichtbare overblijfselen van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. De cultuurhistorische waarde van het plangebied Om inzicht te krijgen in de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen een plangebied heeft de provincie de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) opgesteld. Uit de CHS kunnen de volgende cultuurhistorische relevante aanwijzingen worden gehaald (figuur 7): • Het plangebied ligt in de kern van Schoondijke dat is aangemerkt als dijk- en wegdorp.
Het kenmerkende deel van de kern is gearceerd met een groene kleur; • In de kern Schoondijke zijn diverse historisch waardevolle gebouwen aanwezig. Ook de molen ‘Hulsters Molen’ met bijbehorende molenbiotoop is op de provinciale kaart weergegeven. • Het plangebied maakt geen deel uit van een landschappelijk waardevol gebied, ligt niet in de molenbiotoop en is niet aangemerkt als gemeentelijk monument of rijksmonument. Conclusie Omdat het bouwvolume in het plangebied niet verandert, beïnvloedt de bestemmingswijziging de aanwezige waarden in de kern Schoondijke niet. Cultuurhistorie vormt geen belemmering.
4.3 Bodem Beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het gemeentelijk bodemkwaliteitsbeleid volgt de kaderwet Wet bodembescherming en daaruit voortvloeiende regelgeving. Uitgangspunten zijn dat de bodem duurzaam geschikt moet zijn voor de beoogde functie en dat de bodemkwaliteit zeker niet mag verslechteren. Ook verontreinigingen in stabiele eindsituaties worden niet vanzelfsprekend geaccepteerd. Bij functiewijzigingen wordt daarom getoetst of de bodemkwaliteit voldoende is voor de nieuwe functie. De bodemkwaliteit van het plangebied Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Sluis valt het plangebied in de zone “Woonwijk < 1940, hetgeen duidt op een relatief grote kans op verontreiniging. Ter plaatse van het plangebied zijn in 1997 en in 2010 bodemonderzoeken uitgevoerd. Nadat de tank aan de Tragel is gesaneerd en verschroot, heeft er in 2011 een controle vanuit de gemeente Sluis op basis van de Wet Milieubeheer plaatsgevonden en is de locatie schoon verklaard. De bodemonderzoeken zijn opgenomen in bijlage 1.
De bodemonderzoeken zijn gericht op de zone rond de voormalige tankplaats en op de voormalige wasplaats achter het woonperceel, omdat de opslag van hooi en stro in de loodsen niet leidt tot verdachte locaties . Uit de bodemonderzoeken blijkt dat er geen relevante verontreinigingen te zijn die zich onder de bedrijfswoning zouden kunnen verspreiden.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 13
De beoogde wijziging van het bestemmingsplan ziet enkel op een functiewijziging. Enerzijds voor het omzetten van de bedrijfswoning met garage naar een particuliere woning met garage, de gebruiksfunctie verandert niet. Anderzijds wordt het bestaande gebruik van de bedrijfsloodsen en de garageboxen achter op het perceel vastgelegd. De gronden zullen niet worden geroerd. Conclusie Gelet op het feit dat er geen nieuwe gevoelige functies worden mogelijk gemaakt en de gronden niet zullen worden geroerd, in combinatie met de positieve resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek, vormt het aspect bodem geen belemmering.
4.4 Water Waterbeleid Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Het landelijk waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan. Dit plan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon zoet water en diverse vormen van gebruik van water. Het Waterschap Scheldestromen (WS) is de waterbeheerder voor het plangebied. Ten aanzien van (her)ontwikkelingen voert WS het beleid 'waterneutraal bouwen'. Elke ontwikkeling dient in, of in de directe nabijheid van de ontwikkelingslocatie voldoende waterbergingscapaciteit te realiseren. Hierbij moet er voldoende bergingscapaciteit zijn om een situatie met een herhalingstijd van 100 jaar te kunnen verwerken. Als uitgangspunt wordt hierbij een 10 dagen durende bui met een totale neerslag van 147 mm gehanteerd. Bij een afvoer naar het regionale watersysteem volgens de afvoernorm van het waterschap maximaal 10 mm/24 uur dient er een bergingscapaciteit van 75 mm op het afvoerend oppervlak te worden gerealiseerd. Het watervlak zelf telt hierbij ook mee als afvoerend oppervlak. Ten aanzien van de waterkwaliteit is het beleid van het waterschap er op gericht om schoon water zoveel mogelijk in het gebied te houden en niet via de riolering naar een afvalwaterzuivering af te voeren.
De beslisboom voor afkoppelen geeft aan hoe met het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering moet worden omgegaan. Hierbij dient eerst afgewogen te worden of het regenwater hergebruikt kan worden, zo niet dan dient infiltratie overwogen te worden. Water in het plangebied Er is geen open water in het plangebied. Het plangebied is en blijft vrijwel volledig verhard. De bebouwing verandert qua volume niet. Extra waterberging is niet aan de orde. Riolering In de huidige situatie wordt hemelwater en vuilwater van de bebouwing afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Er is geen sprake van wijzigingen op dit gebied. Conclusie In bijlage 2 is de watertoetstabel ingevuld. Aan het waterschap is wateradvies gevraagd, een verplicht onderdeel van de procedure.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 14
4.5 Ecologie Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten noorden van het plangebied is de Westerschelde & Saeftinghe op circa 4,5 km afstand, ten zuiden van het plangebied is op gelijke afstand het natuurgebied Groote Gat (Oostburg) gelegen. Er is enkel sprake van een functiewijziging naar een lichtere bedrijfscategorisering. Door de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt het feitelijk gebruik niet veranderd. Gezien de grote afstand van de natuurgebieden tot het plangebied en de zeer beperkte impact van de ontwikkeling in bestaand bebouwd gebied kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen directe invloed heeft op de genoemde natuurgebieden. Ook externe werking door stikstofdepositie (door de lucht) is niet aan de orde, omdat er geen sprake is van een bouwplan (geen realisatiewerkzaamheden) en er geen sprake is van extra autoverkeersbewegingen (de woon- en bedrijfsfunctie blijven gehandhaafd). Er is derhalve geen sprake van enig significant negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
NatuurNetwerk Zeeland De dichtstbijzijnde delen van het NatuurNetwerk Zeeland zijn de aan de noordzijde van het plangebied gelegen binnendijk (op circa 40 m afstand langs de Magdalenaweg) en de Molenkreek ten westen (op circa 200 meter afstand) van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de afwegingszone natuurgebieden zoals aangegeven in de Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018. Gezien de beperkte aard van de wijziging in bestaand bebouwd gebied zal de ontwikkeling geen significante effecten hebben op de nabijgelegen natuurgebieden. Flora en fauna Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats. Flora en fauna blijft daardoor ongemoeid. Conclusie Het plan heeft geen significant nadelig effect op Natura 2000 gebieden of het Natuur Netwerk Zeeland. Een onderzoek naar flora en fauna is niet noodzakelijk. Ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.6 Verkeer en parkeren Het autoverkeer van en naar het plangebied verandert als gevolg van de functiewijzigingen niet. Daarbij wordt er op dit moment reeds voldoende voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein. Parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie Verkeer en parkeren is op voorhand afdoende georganiseerd en vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.7 Milieuzonering Door afstand te houden tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen kan de milieuhinder ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Milieuzonering wordt veelal afgewogen met behulp van de uitgave Bedrijven en milieuzonering. Aan elke bedrijfsactiviteit is een minimaal aan te houden afstand gekoppeld.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 15
Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt voor het hele perceel een milieucategorie 1 en 2 (grootste afstand 30 m). De uitzondering hierop is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf transportbedrijf’. Dit type bedrijf kent een milieucategorie 3.1 (grootste afstand 50 m). Op grond van dit bestemmingsplan wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf’ verwijderd waardoor er een lagere milieucategorie (milieucategorie 1 en 2) kan worden gehanteerd. Daarbij wordt de bedrijfsbestemming aan de oostzijde van het perceel (gelegen aan de Damstraat) gewijzigd in de woonbestemming. Het hele perceel kan hierdoor milieukundig lager worden ingeschaald. Gelet op de ligging van het perceel tussen overwegend woonbebouwing betekent dit een verbeterde situatie. Het wijzigen van een bedrijfswoning in een particuliere woning levert voor de in de omgeving aanwezige bedrijvigheid geen gewijzigde situatie op. Ten eerste ligt er reeds woonbebouwing dichterbij de in de omgeving aanwezige bedrijvigheid, ten tweede betreft een bedrijfswoning voor bedrijvigheid van derden reeds een gevoelige bestemming. Tot slot vormt de wijziging van bedrijfswoning naar particuliere woning ook geen belemmering voor de bestaande achterliggende bedrijfsbebouwing, het plangebied wordt immers reeds begrensd door de woonbestemming.
Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.8 Verkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Ter plaatse is geen sprake van industrie- dan wel spoorweglawaai. Echter, het plangebied wordt wel omringd door verschillende wegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidgevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn zowel 50 als 30 km/uur-wegen gelegen. In het kader van een functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk. Er is sprake van een bestaande woning en reeds bestaande geluidsgevoelige functie. Er wordt geen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing geprojecteerd en er vinden geen bouwactiviteiten/veranderingen aan de woning plaats.
Conclusie Aangezien met onderhavig bestemmingsplan geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk wordt gemaakt, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet vereist. Kortom, het aspect geluid vormt voor wat betreft wegverkeerslawaai geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling
4.9 Luchtkwaliteit Elke ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in de Wet luchtkwaliteit zijn opgenomen. Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 16
worden gemaakt dat de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³). De functiewijziging op de onderhavige locatie is een dermate kleine ingreep dat zeker is dat de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid in artikel 1 omschreven als "de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof betrokken is". Voor transport is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang, samen met het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Hierin is het basisnet van hoofd(vaar/spoor) wegen vastgelegd waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing op onder andere aardgastransportleidingen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen gelden bovenstaande kaders om veiligheidsafstanden tussen risicobronnen en personen of (beperkt) kwetsbare objecten te bepalen en daarmee het veiligheidsrisico zo laag mogelijk te houden. De te hanteren afstanden worden gebaseerd op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die zich continu onbeschermd op een zekere afstand van de risicovolle activiteit bevindt, komt te overlijden als gevolg van die activiteit.
De wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 10-6. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar dat een groep mensen van een zekere omvang (10, 100 of 1.000 mensen) binnen het invloedsgebied tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hiermee is het een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in het geval dat er zich een ramp voordoet. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (gelijktijdig) overlijden. Ten aanzien van het groepsrisico bestaat er voor gemeenten een verantwoordingsplicht . Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1. (Bedrijfs)woningen vallen daaronder. Het aantal woningen blijft gelijk. De situatie verandert derhalve niet in termen van externe veiligheid. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.11 M.e.r.-plicht Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Sinds 7 juli 2017 zijn gemeenten verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan. Mede op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk kan geconcludeerd worden dat er geen passende beoordeling en geen MER behoeft te worden opgesteld. Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 17
H5. Juridische vormgeving 5.1 Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormen het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar zijn. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. In het Bro is verankerd dat een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP 2012. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de analoge verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge verbeelding bestaat uit 1 kaartblad en renvooi op een schaal van 1:1.000.
Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: - In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. - In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven. - Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkingsregel of wijzigingsbevoegdheden. - Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); - afwijken van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels; - afwijken van de gebruiksregels; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - wijzigingsbevoegdheden. Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming.
Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 18
5.2 Gehanteerde bestemmingen Inleidende regels (hoofdstuk 1) Hoofdstuk 1 bestaat uit begripsbepalingen en de wijze van meten. Voor de begripsbepalingen is waar mogelijk gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP2012. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Hoofdbestemmingen (hoofdstuk 2) In het plangebied zijn twee hoofdbestemmingen van toepassing, te weten Bedrijf en Wonen. De bestemmingen zijn gebaseerd op in de gemeente Sluis gangbare bestemmingen. De bestemming Bedrijf ziet op de bedrijfsloodsen en de garages en de bestemming Wonen is van toepassing op de voormalige bedrijfswoning met de bijbehorende bouwwerken. Dubbelbestemmingen (hoofdstuk 2) In het gehele plangebied is op grond van het archeologiebeleid de dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie 2’ waarin de bescherming van archeologische waarden wordt verzekerd, opgenomen. Algemene regels (hoofdstuk 3) In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen. Artikel 6 bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld in geval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Deze bepaling is conform artikel 3.2.4 van het Bro in het bestemmingsplan opgenomen. De artikelen 7 tot en met 10 bieden duidelijkheid over de bestaande maten en het gebruik, alsmede de ruimte voor afwijking en wijziging. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 4) In dit hoofdstuk is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het bestemmingsplan geregeld. In lid 1 van artikel 11 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Lid 3 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, in geval van onbillijkheid, het overgangsrecht buiten toepassing te laten. Artikel 12 geeft ten slotte aan dat dit bestemmingsplan kan worden aangehaald als ‘Damstraat 16 Schoondijke’.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 19
H6. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro. Een exploitatieplan is niet nodig.
6.2 Handhaving Handhaving van regelgeving vraagt om actuele regels. Regels die zijn gebaseerd op gedateerde inzichten, hebben hun geloofwaardigheid verloren en kunnen in redelijkheid ook niet meer afgedwongen worden. Door verouderde regels neemt de kans op misbruik daarvan ook toe. De regels van het bestemmingsplan leggen een ruimtelijk relevante norm vast, met in bepaalde gevallen een daaraan gekoppelde bevoegdheid tot afwijken, die het bestuur de mogelijkheid geeft in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt ook de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van de individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang. Afwijkingsbevoegdheden zijn echter gelimiteerd. Daar waar geen afwijkingen meer mogelijk zijn begint de handhaving. Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is de laatste jaren in een steeds verder toenemende belangstelling komen te staan van bestuurlijk Nederland. Door het plaatsvinden van enkele ingrijpende incidenten is de handhaving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels. Ook in de jurisprudentie is een verandering tot stand gekomen. De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt zelfs in beginsel een plicht tot handhaving aan.
Daarnaast krijgt de rechtszekerheid van bestemmingsplannen bij de rechterlijke toetsing een steeds belangrijkere rol. Voor een aanvaardbaar handhavingsbeleid wordt in de eerste plaats gestreefd naar een voldoende draagvlak voor het bestemmingplan en de daarin opgenomen regels. Een bestemmingsplan met weinig draagvlak houdt immers het risico in dat het slecht wordt nageleefd en is dan weinig zinvol. In verband hiermee is het bestemmingsplan zodanig opgezet dat het voor zoveel mogelijk betrokkenen een duidelijke, toegankelijke en op de hedendaagse behoeften en eisen afgestemde bestemmingsregeling bevat. Verder wordt informatie verstrekt omtrent de inhoud van het bestemmingsplan. Hiermee wordt onder andere beoogd het begrip bij de burger te vergroten. Het geven van voorlichting vormt daarmee ook een belangrijke schakel in de handhavingsactiviteiten. Van gemeentewege worden hiertoe de nodige activiteiten ondernomen, waaronder een informatieavond en een inspraakbijeenkomst. Daarnaast worden de regels in de praktijk toegepast en gehandhaafd. Ten aanzien van overtredingen zal een actief handhavingsbeleid worden gevoerd. Getracht wordt de controlewerkzaamheden ten aanzien van geconstateerde overtredingen op een intensieve manier uit te voeren. Handhavingsactiviteiten worden zoveel mogelijk onderling afgestemd.
Controle in het kader van het bestemmingsplan wordt gekoppeld aan controle in het kader van milieuwetgeving en omgekeerd. Dit is van belang om de benodigde inzet van extra middelen zo beperkt mogelijk te houden, maar ook om tot een samenhangend handhavingsbeleid te komen.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 20
Tegen activiteiten, die in strijd zijn met het bestemmingsplan zal het gemeentebestuur, administratiefrechtelijk optreden, op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wanneer eenmaal sancties moeten worden getroffen, zal dit op consistente wijze, maar met oog voor de juridische spelregels, worden gedaan. Indien de activiteiten niet kunnen worden gelegaliseerd, zullen de instrumenten van aanschrijving, stillegging bouw, bestuursdwang en dwangsom worden toegepast. De uitvoering van de strafrechtelijke vervolging ligt in handen van het Openbaar Ministerie. De uitvoering en voortgang van de handhaving wordt jaarlijks vastgelegd in een verslag, dat bestuurlijk wordt vastgesteld.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het concept ontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg toegezonden aan de provincie en het waterschap. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter visie gelegd.
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 21
BESTEMMINGSPLAN DAMSTRAAT 16 SCHOONDIJKE Bijlagen bij de toelichting
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 22
Bijlage 1. Bodemonderzoek
Bestemmingsplan Damstraat 16 Schoondijke - Toelichting - 23
GROND., GEWAS- EN MILIEULABORATORIUM "ZEEII'WS - VL^{ANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1
4569 TCGraauw - Telefoon(0114) 6354OO - Fax (0114)6357 j4
:,:
Verke,n nei, *demonde,Eoef Locatie gelegen aan: D:à mstràa1 . { §.ii,tè:,:.S.öh öö,n.d i i.ke
Projectnummer :2317
In opdracht van:
Transportonderneming van der Slikke
Graauw, 16 -9 -97
GROND-, GEWAS- EN MITIEULABORATORIUM "ZEEIJWS - VIAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1
4569 TC Graauw - Telefoon (Oll4) 63 54 OO - Fax (01 14) 63 57 54
INHOUDSOPGAVE pagina: 1. lnleiding 2. Vooronderzoek: historie en bodemgesteldheid 2.1 lnleiding 2.2 Resultaten
5 5 5
3. Hypothese
6 6 6
3.1 lnleiding 3.2 Hypothese 4. Onderzoeksstrategie
4.1 lnleiding 4 .2 O nderzoeksstrateg i e
5, Resultaten
5.1 lnleiding 5.2 Veldonderzoek 5. 3 Laboratori umonderzoek
7 7 7
I I I 13
6. Conclusie en aanbevelingen
15
7. Samenvatting
16
Bijlage I: Monster- en analysevoorschriften Bijlage Il: Situering van de locatie Bijlage I I I : Monsternemingspatroon Bijlage lV: Vragenlijst
17 18 19 20
GROND-, GE\TAS- EN MITIEUIABORATORIUM "ZEEIIW'S - VTAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat I
4569TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 OO - Fax (0114) 63 57 54
1. INLEIDING Het Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium 'Zeeuws-Vlaanderen' heeft een bodemonderzoek uitgevoerd. Standaard gegevens met betrekking tot de onderzoekslocatie: Soort bodemonderzoek: verkennend bodemonderzoek volgens NVN 5740 dhr van der Slikke Contactpersoon: Transportonderneming van der Slikke Opdrachtgever: Damstraat 16 Adres: 4507 BN Schoondijke Woonplaats: - 401474 0117 Telefoon: Fax:
Datum opstart veldwerk: 3-9-'97 Damstraat 16 te Schoondijke Locatie gelegen aan: Reden van het onderzoek is i.v.m.: nulsituatie vastleggen Oppervlakte onderzoekslocatie: 100 m2 Oostburg Gemeente: ES Sectie: 956 ged. Nummer(s): Eerder bodemonderzoek verricht op de locatie of directe omgeving: nee
watenruingebied:
nee Locatie gelegen in een Doel van dit bodemonderzoek is vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van de grond of het grondwater (humaan- en ecotoxicologische effecten), die mogelijk een belemmering vormen voor bovengenoemde activiteiten. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: - vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid; - opstellen van een hypothese; - opstellen van een onderzoeksstrategie; - resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek; - conclusies, aanbevelingen en samenvatting.
4
GROND-, GEWAS- EI{ MILIETIIABORAÏORIUM "ZEEUWS - VIAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat I
4569 TC Graauw - Telefoon (01 14) 63 54 O0 - Fax (0114) 63 57 54
2. VOORONDERZOEK: HISTORIE EN BODEMGESTELDHEID
2.1 lnleiding Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Daarnaast wordt informatie achterhaald over de bodemgesteldheid en geohydrologische situatie. Op basis van de verkregen informatie wordt een hypothese opgesteld.
2.2 Resultaten Uit het historische onderzoek is het volgende naar voren gekomen: Voormalige bestemming: erfverharding Huidige bestemming. afgegraven terrein en dieselpomp, die wordt verplaatst Toelichting onderzoekslocatie in het verleden: geen verdere toelichting
Toekomstige bestemming: wasplaats en dieselpomp ja, met Terrein verhard (gedeeltelijk) : klinkers Milieubedreigende activiteiten rondom locatie aanwezig (of in het verleden aanwezig geweest): ja - Olietanken : ja - Olieopslag: - Bestrijdingsmiddelenopslag: nee ja - Werkplaats: - Andere activiteiten: geen Aanwezigheid waterlopen op locatie: nee Verdachte locatiepunten op de locatie (of die in het verleden aanwezig zijn geweest): - verdachte locatie nr. 1. Iocatie toekomstige wasplaats - verdachte locatie nr.2: locatie huidig afleverpunt dieselpomp
Bodemgesteld heid (oorspron kelijke) bovenlaag : poldervaaggrond (kalkhoudend en ondiep kalkarm) Bodemgesteld heid (oorspronkelijke) onderlaag : Westland Formatie: jongere kleieni zanden (Duinkerke/ Tiel) De situering van de locatie wordt weergegeven in bijlage ll: Situering van de locatie. Voor de vragenlijst wordt verwezen naar bijlage lV.
GROND-, GEWAS- EN MITIEUIABORATORIUM "ZEEI-IWS - YIAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1
4569 TC Graauw
Telefoon (01 14) 63 54 OO
Fax (0114) 63 57 54
3. HYPOTHESE
3.1 Inleiding De aanname omtrent het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op een te onderzoeken locatie en indien aanwezig, de aard van de verontreiniging en de ruimtelijke verdeling ervan over de locatie, wordt de hypothese genoemd. ln de NVN 5740 staan verschillende soorten hypothesen vermeld. De op te stellen hypothese dient het volgende te omvatten' een aanname omtrent de aan- dan wel afwezigheid van bodemverontreiniging. lndien de aanwezigheid van bodemverontreiniging wordt verondersteld geldt: - een aanname omtrent de aard van de verontreiniging; - een aanname omtrent de ruimtelijke verdeling van de verontreiniging over de locatie (homogene dan wel heterogene verdeling en indien het een heterogene verdeling betreft, met bekende dan wel onbekende plaats(en) van voorkomen van de kern(en).
3.2 Resultaten Op basis van het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid van de betreffende locatie luidt de hypothese: verdachte locatie. De in het verleden verrichte activiteiten (handelingen) op de onderzoekslocatie geven naar redelijkheid en billijkheid aan dat mogelijke bodemverontreiniging verwacht mag worden. - verdachte locatie nr. '1: locatie toekomstige wasplaats - verdachte locatie nr.2'. locatie huidig afleverpunt dieselpomp
6
GROND-, GE§I/AS. EI\ MILIEUIABORATORIUM "ZEE(JWS - VIAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat I
4569 TC Graauw - Telefoon (01 14) 63 54 OO - Fax (0114) 63 57 54
4, ONDERZOEKSSTRATEGIE
4.1 Inleiding Uitgaande van de opgestelde hypothese (verwezen wordt naar paragraaf 3.2) wordt een specifieke onderzoeksstrategie opgesteld, waarmee de locatie daarna wordt onderzocht. De aspecten die bij het opstellen van een onderzoeksstrategie Ín beschouwing moeten worden genomen en ten aanzien waarvan keuzes moeten worden gemaakt zijn: - de diepte van de boringen en de te bemonsteren lagen; - het monsternemingspatroon; - de aantallen te nemen grond- en grondwatermonsters; - de aantallen te analyseren monsters en het hanteren van mengmonsters; - te analyseren stoffen. Voor elke op de locatie voorkomende grondsoort dient in een representatief (meng)monster het gehalte aan lutum en organische stof te worden bepaald in verband met het vaststellen van de streef-, tussen- en interventiewaarden. lndien de bodemlaag 0 - 2 m-mv wordt gekenmerkt door een homogeen bodemprofiel, qua bodemkarakteristieken, wordt alleen lutumgehalte en organische stofgehalte bepaald van de bovenlaag (0 - 0,5 m-mv). Wanneer bijvoorbeeld sprake is van een (zwaar) kleiprofiel op een duidelijke afwijkende (zand)ondergrond, worden beide parameters van zowel de boven- als onderlaag bepaald.
4.2 Onderzoeksstrateg ie De onderzoeksstrategie omvat het aantal te nemen monsters, de plaatsen op de locatie waar deze moeten worden genomen en de stoffen die in deze monsters moeten worden bepaald. Het monsternemingspatroon: Een niet-verdachte locatie of gedeelte dient te worden onderzocht door middel van een systematische monsterneming, waarbij de monsters volgens een gelijkmatig patroon over het terrein worden verdeeld. Bij een verdachte locatie met één of meer verdachte locatiepunten, wordt elk punt afzonderlijk onderzocht (bekeken). Voor een grafische weergave van het monsternemingspatroon wordt verwezen naar bijlage lll.
7
GROND-, GEWAS. EN MITIEUI.ABORATORIUM "ZEEUW'S - VIAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat I
4569 TC Graauw - Telefoon (0114) 63 54 0O - Fax (0114) 63 57 54
Voor de verdachte locatiepunten geldt het volgende m.b.t. het aantal boringen en de diepte: - verdachte locatie nr. 1: locatie toekomstige wasplaats boorpunt: 1 en 3 (0-0,5 m-mv), 2 en 4 (0-2 m-mv) + plaatsing peilbuis - verdachte locatie nr.2: locatie huidig afleverpunt dieselpomp boorpunt: 5 (0 - 2,5 m-mv)
Het onderzoekspakket voor verdachte locatiepunten is afhankelijk van de milieubedreigende stoffen e.d., die worden ingezet (zijn gebruikt). Voor het analysepakket per onderzocht Erond(meng)monster of watermonster wordt verwezen naar tabel 5.3.1. Op basis van het historisch onderzoek en het veldwerk (zintuiglijke waarnemingen e.d.) worden de grond(meng)monsters per verdacht locatiepunt vastgesteld.
GROND-, GEWAS- EN MILTEUIABORATORTUM "ZEEIJW'S - VIAA|{DEREN" b.v. Zandbergsestraat I
4569 TC Graar.rw - Telefoon (Oll4) 63 51t OO - Fax (0114) 63 57 54
5. RESULTATEN
5.1 lnleiding De uitvoering van het onderzoek (monsterneming en analyse) heeft plaatsgevonden aan de hand van NVN-, NEN- en VPR-voorschriften, zie bijlage I: Monster- en analysevoorschriften. Het veldwerk is opgestart op: 3-9-'97. De resultaten van de analyses zijn getoetst aan de streef-,tussen- en interventiewaarden uit de Leidraad Bodembescherming. De streefirvaarde geeft derhalve het uiteindelijke te bereiken kwaliteitsniveau voor de bodem aan. Bij de opstelling van streef,nraarden is gebruik gemaakt van gegevens omtrent aan de bodem te stellen milieuhygiënische randvoonnraarden vanuit verdere beleidsterreinen, zoals drinkwaternormen, oppervlaktewaternormen. De streefwaarde is een referentiewaarde, waarboven wel en waaronder geen sprake is van een aantoonbare verontreiniging. De streefinraarde geeft het niveau aan, waarbij sprake is van duurzame bodemkwaliteit. De tussenwaarde ((interventiewaarde+streefiruaarde)l 2) is die waarde, waarboven in ieder geval en waaronder afhankelijk van bepaalde factoren (bodemtype, analyseresultaat) een nader onderzoek gewenst kan zijn. De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor de mens, plant en dier.
Bij gehaltes boven de interventiewaarde is er sprake van (een geval van) ernstige verontreiniging. De streef-, tussen- en interventiewaarden zijn voor de diverse parameters afhankelijk van het organische stofgehalte en het lutumgehalte. De berekende waarden zijn in de navolgende tabellen opgenomen. Voor grondwater liggen deze waarden vast. Voor extraheerbare organische halogenen (EOX) is zowel voor grond als water geen interventiewaarde. Reden is dat het hanteren van een dergelijke parameter toxicologisch gezien geen waarde heeft (triggerfunctie). Het bepalen van een EOX-gehalte heeft dus geen functie met betrekking tot de beoordeling of er sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Wel kan een EOX-bepaling een zogenaamde triggerfunctie vervullen voor organohalogeen verbindingen. Een EOX-bepaling kan gebruikt worden om een indicatie te krijgen of interventiewaarden van individuele halogeen-verbindingen mogelijk overschreden worden. De somwaa rd e voo r polycycl ische aromatische koolwaterstofíen (PAK's), chloorfenolen en chloorbenzenen in grond (sediment) geldt voor de totale concentratie van de verbindingen uit de betreffende groep, lndien een verontreiniging slechts 1 verbinding uit een groep betreft, geldt de waarde als interventiewaarde voor de betreffende verbinding. Bij twee of meer verbindingen geldt de waarde voor de som van deze verbindingen.
5.2 Veldonderzoek Tijdens de uitvoering van het veldwerk vindt er een visuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar grondsoort en mogelijke (zintuiglijke) verontreinigingen. De boorstaten met de beschrijvingen van de boorprofielen staan vermeld in tabel 5.2.1. De boorprofielen worden normaal weergegeven tot een maximale diepte van 2 m-mv. Bij plaatsing van peilbuizen wordt dieper geboord dan 2 m-mv, maar dit profiel wordt niet weergegeven, tenzij het geen oorspronkelijk bodemprofiel betreft.
GROND., GEWAS- EN MILIEULABORATORIUM "ZEEIJWS - VIAANDEREI{" b.v. Zandbergsestraat 1
4569 TCGraauw - Telefoon(0114) 63540O - Fax (Oll4)6357 54
Legenda voor tabel 5.2.1
Grond
GrondsoorUverharding: K = klei, Z=zand,FZ=fijnzand,GZ= grof zand, V = veen, L = loss, OG = opgevoerde grond, G - grind, S = stenen, SI = sintels, SCH = schelpen, KA - koolas, T= tegels, KL = klinkers, P = puin, CM = cementresten, A = asfalt, B = beton
Toevoeging
z= zanderig, v = venig, k = kleiig, I= lossachtig, h = humeus, p = puinachtig, g = grindachtig, s = steentjes aangetrofÍen, og = opgevoerde grondresten, sch = schelpen aangetroffen, ka = koolas, si = sintels aangetroffen, cm = cementresten aangetroffen, vt - grond, die vettig en versmeerd aanvoelt, roest = duidt op aanwezig heid van roestversch ijnselen
K;eur
zw = zwarl, bn = bruin, zwb = zwar{ bruin, gS = grijS, W = Wit, g = geel, wg = wit/ geel, gr = groen, bll = licht blauw, gl = licht geel, bld = donker blauw, rd = bruin/roodachtig, gg = grijsgroen, bnl = licht bruin, dgs = donkergrijs, d§ = donkerbruin
Verontreiniging
O = olie, p = plastic, H = houtresten, B= benzine
10
GROI{D., GEWAS- EN MITIEULABORATORIUM "ZEEUW'S - VIAAI{DEREN" b.v. Zandbergsestraat 1
4569 TCGraauw - Telefoon(0114) 635400 - Fax(0114) 6357 54
Tabel 5.2.1 Boorstaten Boorpunt
BPtl = BPt2=
Diepte (m-mv) Verhard inq/ G rondsoort K 0-0,5
0 - 0,55 0,55 - 1,1 1,1 - 1,6 1,6 -2
z
BPt3=
0-0,5
K
BPt4=
0-0,6
K K K
BptS=
K K K
0,6 - 1,15 1,15 - 1 ,55 1,55 - 2
z
0-0,1
KL
0,1 - 0,2 0,2 - 0,55 0,55 - 1,15 1,15 - 1,45 1,45 - 2,1 2,1 - 2,5
z
Toevoeqinq
Kleur
zw
z
p
z
zwb dgs dgs gs zwb zwb dgs dgs gs gs zwb db
K K K K K
11
roest
bn
z
db dgs
Verontreiniqinq
GROND-, GEWAS- EN MILIEUIABORATORIUM "ZEEfIW'S - VIAAI{DEREN" b.v. Zandbergsestraat I
4569 TC Graauw - Telefoon (01 14) 63 54 OO - Fax (01 14) 63 57 54
Vervolg tabel 5.2.1 Boorstaten Boorpunt
lJteote (m-mv Verhard inq/ G rondsoort
1,2 m-mv
12
[oevoeqinq
Kleur
Verontreiniqinq
GROND-, GEWAS- EN MILIEUIABORATORIUM "ZEEIJWS - VIAANDEREN" b.v. Zandbergsestraat 1
4569 TC Graar.rw - Telefoon (0114) 63 51 OO - Fax (0114) 63 57 54
5.3 Laboratoriumonderzoek
ln het laboratorium zijn de grond- en watermonsters geanalyseerd. - verdachte locatie nr. 1: locatie toekomstige wasplaats grond(meng)monster GM 1: bodemlaag 0 - 0,5 m-mv v.d. bpt 1 tlm 4 grond(meng)monster GM 2. bodemlaag 0,5 - 2 m-mv v.d. bpt 2 en 4 watermonster WM I uit peilbuis P1: boorpunt 2 - verdachte locatie nr.2'. locatie huidig afleverpunt dieselpomp grond(meng)monster GM 3: bodemlaag 0,1 - 0,5 m-mv van boorpunt 5 grond(meng)monster GM 4: bodemlaag 2 - 2,5 m-mv van boorpunt 5
Wanneer een peilfilter, dat in een goed doorlatende grondlaag geplaatst is, direct na plaatsen voldoende wordt doorgepompt tot een constante E.C.-waarde en wordt bemonsterd, dan blijft de kwaliteit van de grondwaterbemonstering vrijwel gelijkwaardig. ln een aantal gevallen ligt het resultaat onder de meetgevoeligheid (detectielimiet) van de gebruikte apparatuur, terwijl de laatstgenoemde zich boven de streeflruaarde bevindt. ln dergelijke gevallen kan dus niet met zekerheid gezegd worden of hier sprake is van een aantoonbare lichte verontreiniging. Dit vormt geen bezwaarlijk probleem, omdat lichte verontreinigingen normaal geen aanleiding geven voor een nader onderzoek. Pas wanneer het criterium (interventiewaarde + streefiruaarde)l 2 wordt overschreden (tussenwaarde), kan dit aanleiding geven voor een vervolgonderzoek. De resultaten van de analyses zijn getoetst aan de streef-, tussen- en interventiewaarden uit de Leidraad Bodembescherming, verwezen wordt naar tabel 5.3.1. Deze waarden zijn reeds gecorrigeerd voor de standaardbodem (10 % org. stof en 25 % lutum). Wanneer het analyseresultaat kleiner of gelijk is aan de streefiruaarde: geen verontreiniging. Analyseresultaat groter dan de streefwaarde en kleiner dan de tussenwaarde: lichte verontreiniging. Resultaat groter dan de tussenwaarde (of gelijk) en kleiner dan de interventiewaarde: matige verontreiniging.
Analyseresultaat groter dan de interventiewaarde (of gelijk): sterke verontreiniging.
13
GROND-, GEWAS- EI{ MITIEUIABORATORIUM "ZEEI-IW'S - VIAAI{DEREN" b.v. Zandbergsestraat I
1í569 TCGraauw
- Telefoon(0114) 6354OO - Fax(0114) 6357 54
Tabel 5.3.1 Analyseresultaten, toetsingswaarden en waardering
Verdacht Iocatiepunt nr. 1
locatie toekomstige wasplaats grond(meng)monster GM 1: bodemlaag 0 - 0,5 m-mv v.d. bpt 1 tlm 4 3-9-'97 2317
Monsteraanduiding: Datum monstername: Projectnummer:
Analyser esultaat (mg/ kg ds) 0/o
84,7 2,3 0/o 13,7 0/o
(NEN- en VPR-normen
arseen (As)
<10
cadmium (Cd) chroom (Cr) koper (Cu) kwik (Hg)
< 0.5
geen verontreiniging geen verontreiniging geen verontreiniging geen verontreiniging geen verontreiniging geen verontreiniging geen verontreiniging geen verontreiniging
Droqe stofoehalte Orq. stofqehalte Lutum
1 oetsingswe rarden
Streef-
Waardering
waarde
(mg/ kg drog ,e stof) TussenInterventiewaarde waarde
Zware metalen
54 12 < 0.2
nild<el§i)
17 36 57
lood (Pb)
zink(Zn) E.O X,
< 0.3
21
31
41
0,5 77 25 0,3 24 66 95
4,4 186
294
4,3 83 239 291
130 8,3 142 412 486
lichte verontreinig ing
1,0
20,5
40,0
lichte verontreiniq inq
12
581
1150
7B
8,3
triggerfunctie
P.A.K.'s naftaleen acenaftyleen acenafteen fluoreen fenantreen antraceen fluoranteen pyreen benzo(a)antraceen chryseen benzo(b)fluoranteen benzo(k)fluoranteen benzo(a)pyreen dibenzo(ah)antraceen benzo(ghi)peryleen indeno( 1 23 cd)pyreen PAK totaal (10 Leidr) PAK totaal (16 EPA)
Minerale olie Benzeen Tolueen Ethylbenzeen Xylenen
0,1
< 0.1 0,3 0,3 1,1
0,4 1,3 1,7 0,8 0,7 0,4 0,2 0,4
< 0.1 0,2 0,2 5,4 8,1
511
Graauw, 16 -9 -97 14a