b. (TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis) - aanvullend archeologisch onderzoek AR771
Tekst van het document
In de literatuur is één tijdsperiode aan te wijzen die verantwoordelijk zou kunnen zijn geweest voor de vele verzwaringen die de dijk heeft moeten ondergaan. In het jaar 1672 volgde een inundatie van de Praatpolder. Deze werd 15 jaar later, in 1687,pas weer herdijkt. Op kaarten uit diezelfde periode kan worden opgemerkt dat een zijtak van een geul die vanuit Sluis het land is binnengedrongen, zich een weg tot binnen de Praatpolder heeft weten te banen (figuur
6 Kaart van de hydrografie van de polder “Bewester Eede” ten noorden van de Sint‐Pietersdijk en tussen deze dijk en het 27 Gentse kanaal de Lieve, opgemaakt door A. Blankamer in 1758 naar een kopie uit 1653 (cartesius.be code: 514_0549_000_01533_000_0_0001). 7 Kaart van de omgeving van Sluis, Aardenburg en Middelburg, opgemaakt door Fillieul uit 1682 (cartesius.be code: 514_0549_000_01345_000_0_0001).
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
15). 8 Deze kreek is op kaarten net na de inpoldering niet weergegeven (figuur 14). Het is nochtans geen brede waterloop, echter heeft het toch vele jaren geduurd, wellicht ook wegens het gebrek aan financiële middelen, eer deze volledig kon worden afgedamd. Hoe exact het verloop van de kreek op de kaarten is afgebeeld, kan niet worden achterhaald. Wel verklaart dit waarom slechts op enkele locaties (werkput 93 en in het zuiden nabij de dijk) het Laagpakket van Walcheren (spoor 5), spoellagen (spoor 996) en de overstromingslagen aanwezig zijn (spoor 122001 vulling 5, 8 en 12). Schijnbaar is niet het volledige perceel destijds in die mate aangetast geweest door het water dat het zijn sporen heeft nagelaten. In die 15 jaar is de kreek meerdere keren buiten zijn oevers getreden en heeft daarbij het verspoelde dekzand tegen de dijk afgezet.9 Het is vele malen nodig geweest de dijk tegen dit water te beschermen in de vorm van het telkens opnieuw verzwaren van het geheel. Eén van de afgezette overstromingslagen kan wellicht in verbinding worden gebracht met een stormvloed uit 1682 die zware gevolgen heeft gehad voor heel de provincie Zeeland.10 De 6 fasen van de dijk zijn allemaal opgeworpen binnen 40 jaar na zijn ontstaan. Dit verklaart ook waarom het materiaal uit de vullingen allemaal uit dezelfde tijdsperiode stammen.
Cartografische en literaire bronnen geven tenslotte geen enkele aanleiding dat het plangebied na 1687 nogmaals is overstroomd.
Figuur 15 Uitsnede van de kaart van de omgeving van Sluis, Aardenburg en Middelburg. Vervaardigd door Fillieul in 1682. De Dopersdijk wordt aangeduid met de zwarte pijl. Bron: cartesius.be.
8 Kaart van de omgeving van Sluis, Aardenburg en Middelburg, opgemaakt door Fillieul uit 1682 (cartesius.be code: 28 514_0549_000_01345_000_0_0001); Kaart van de Sint‐Pietersdijk en de polders rond Aardenburg, Sluis en Middelburg uit 1681 (cartesius.be code: 514_0549_000_01346_000_0_0001). Deze zijtak van de geul is tevens al aanwezig op een kaart uit 1650, die de situatie van de Praatpolder net voor de inpoldering weergeeft: Kaart van de schorren gelegen tussen Westkapelle, Damme, Watervliet, IJzendijke (cartesius.be code: 513_0521_000_00029_000_0_0001). 9 Al eerder in dit hoofdstuk is aangehaald dat de verspoelde lagen mogelijk ook het gevolg kunnen zijn geweest van hevige regenval. Een combinatie van beiden is natuurlijk ook mogelijk. Kortom: wateroverlast, in welke vorm dan ook, heeft voor het verzwakken van de dijkstructuur gezorgd. 10 Kuipers 2004, 33‐34.
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
In hoofdstuk 4 is de A‐horizont spoor 7, die in twee profielen is herkend, reeds aangehaald. Hier moet in verband met de dijk nog eens dieper op worden ingegaan. Als in detail naar de dijkdoorsnede wordt gekeken in profiel 12201 (bijlage 5) dan valt op dat een groot deel van de structuur direct op het dekzand is gelegen. Dit zou betekenen dat voor het opwerpen van de dijk en de inpoldering het terrein een woestenij was geweest waar het zand direct aan het oppervlak lag zonder enige bodemvorming. Indicaties dat deze er wel degelijk is geweest, zijn de restanten van spoor 7 die zijn aangetroffen tussen het dekzand (spoor 1) en de dijk (spoor 122001). Opvallend is dat de A‐horizont onder de eerste fase van de dijk in profiel 12201 aan de noordzijde lijkt te zijn afgegraven. Ook zijn in de top van dit spoor heel vaag nog spadesteken te zien. Voor het opwerpen van de dijk heeft men waarschijnlijk de A‐horizont, die in de directe nabijheid was gelegen, grotendeels afgegraven en gebruikt als ophoogpakketten. Dat spoor 7 in de rest van het plangebied eveneens niet is aangetroffen, is ook niet heel verwonderlijk. Het perceel is eeuwenlang in gebruik geweest als akkerland waarbij de grond vele malen is omgeploegd. Buiten de dijk is de oude A‐horizont na dit langdurige proces volledig opgenomen in de huidige bouwvoor.
Als eveneens naar de greppel wordt gekeken ten noorden van de dijk (spoor 122000) die vanuit de Biesput afwaterde in de rivier de Eede, dan kan ook hier nog een restant van spoor 7 worden herkend. In tegenstelling tot de A‐horizont direct onder fase 1 van de dijk, lijkt deze niet te zijn aangetast door menselijke hand. De vloeiende overgang van de laag in de greppel neemt eerder natuurlijke vormen aan. Dit kan niet zijn ontstaan indien de greppel tegelijkertijd met de dijk is uitgegraven. De afwezigheid van een scherpe insteek tussen spoor 7 en 122000, waarbij de A‐horizont langzaamaan is afgezakt in de greppel, lijkt een aanwijzing te kunnen zijn van de hogere ouderdom van de greppel. Daar het materiaal in datering niet afwijkt van wat in de vullingen van de dijk is aangetroffen (vondst 84, 85 en 96), kan de exacte periode van de aanleg van het spoor moeilijk worden achterhaald. Mogelijk dateert deze van voor de inpoldering in 1650 of gaat wellicht wel terug tot het middeleeuwse landgebruik van de gronden.
Recente verstoringen Recente verstoringen (spoor 999) zijn met name aangetroffen in de vorm van drainagesleuven, maar ook recent verstoorde kuilen. Daar waar dieper geploegd werd of landbouwvoertuigen door hun gewicht en de drassigheid van het gebied in de bodem zijn weggezakt, waren in het vlak nog sporen van de bouwvoor aanwezig en hebben spoornummer 997 gekregen.
29
ARTEFACT RAPPORT 771
6
EEDE DE VLASCHAARD
Vondsten
Tijdens het onderzoek zijn in totaal 205 vondsten verzameld, verdeeld over 112 vondstnummers. Aan de monsters die zijn genomen tijdens het karterend booronderzoek, zijn 20 vondstnummers uitgedeeld. In onderstaande tabel is hiervan een overzicht gegeven. De vondsten zullen vervolgens per materiaalcategorie worden besproken, met uitzondering van de monsters die in hoofdstuk 7 aan bod zullen komen. VONDSTEN Aantal vondstnummers
132 (vondstenlijst in bijlage 7, determinatielijst in bijlage 8)
Aardewerk
103 stuks – 1.086 gram
Bouwkeramiek
41 stuks – 3.720 gram
Natuursteen
19 stuks – 1.750 gram
Dierlijk botmateriaal
13 stuks – 167 gram
Metaal
8 stuks – 699 gram
Hout
1 stuk – 670 gram
Monsters
20 stuks
Alle vondsten zijn gedetermineerd door F.G.R. D’hondt (Senior KNA Archeoloog). Een nadere analyse van het materiaal werd niet zinvol geacht, daar dit geen extra informatie zal bieden wat betreft de interpretatie en plaatsing van de sporen. De determinatie is in tabelvorm opgenomen in bijlage 8.
Aardewerk Het aardewerk vormt de helft van alle vondsten die zijn verzameld. Het is met name aangetroffen in de bouwvoor (spoor 2), in de vele greppels, uit de verschillende fasen van de dijk en een enkele scherf is gevonden in een kuil. In de onderstaande tabel staan de verschillende materiaaltypes samengevat: Materiaaltype
Aantal
Artefacttypes
Duits Steengoed
11 stuks
o.a. kannen en borden
Faience
1 stuk
Bord
Grijsbakkend Aardewerk
27 stuks
o.a. grapes en kannen
Roodbakkend Aardewerk
69 stuks
o.a. kommen, potten, pannen, teilen, borden en grapes
Industrieel Rood Aardewerk
1 stuk
Indet.
Industrieel Wit Aardewerk
10 stuks
o.a. vaas, schoteltje, wastafel (?)
Witbakkend Aardewerk
1 stuk
Indet.
De datering van de scherven loopt uiteen van de Late Middeleeuwen tot in de Recente Tijd, maar het merendeel valt in de periode Late Middeleeuwen – Vroege Nieuwe Tijd. De fragmenten die uit de Late Nieuwe Tijd en de Recente Tijd stammen, zoals het industrieel aardewerk, zijn uitsluitend gevonden in de bouwvoor en greppels (spoor 21001, 28000, 29000, 88000 en 89000). Dit kan een indicatie zijn dat zeker deze vijf greppels nog tot in de vorige eeuw open lagen eer ze werden gedempt. Over het algemeen gaat het om zeer kleine en verweerde fragmenten. Het perceel is waarschijnlijk al sinds de Middeleeuwen in gebruik als landbouwgrond. De fragmentatiegraad duidt er op dat het hier gaat om
30
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
bemestingsmateriaal. Middeleeuws materiaal heeft zich op een gegeven moment vermengd met scherven uit latere periodes. Door het continue gebruik van het terrein als akkerland, heeft dit de hoge fragmentatiegraad en verwering van het aardewerk in de hand geholpen.
Bouwkeramiek Een zelfde beeld, zoals beschreven bij het aardewerk, komt terug bij het bouwkeramiek. Deze materiaalcategorie bestaat hoofdzakelijk uit baksteen(brokken), delen van plavuizen, daktegels en ‐pannen. Ook deze vondsten dateren met name in de periode Late‐Middeleeuwen tot in de Vroege of zelfs Midden Nieuwe Tijd. Vermeldenswaardig is een fragment van de basis van een middeleeuwse nokbekroning uit vondsnummer 41. Dit artefacttype wordt slechts zelden aangetroffen in Zeeland en wordt normalerwijze ook niet geassocieerd met landbouwproductie. Het is daarentegen niet ondenkbaar dat het op akkerland in Eede terecht is gekomen, aangezien Aardenburg zich op redelijk korte afstand van het plangebied bevindt en in de Doperspolder eveneens bewoning aanwezig was.
Natuursteen De in totaal 19 verzamelde stukken natuursteen, bestaan voornamelijk uit fragmenten van vuursteen. Daarnaast is een fragment graniet, (kalk‐)zandsteen en leisteen aangetroffen. De brokjes vuursteen zijn voorzien van windlak en hier en daar ook witte patina. Er zijn geen indicaties waargenomen die duiden op antropogene bewerking van de stukken. Hetzelfde geldt voor het overige natuursteen, waarop geen bewerkingssporen konden worden vastgesteld.
Dierlijk bot De categorie van het dierlijk bot is sterk ondervertegenwoordigd. De drie vondsten die zijn gedaan komen uit twee greppels (spoor 11000 en 18000). Uit vondst 14 stammen 7 fragmenten van de slaapbeenderen van een rund. Vondst 15 bevat een lendenwervel van een veulen en de overige 5 stuks bot uit vondst 13 konden niet nader gedetermineerd worden dan dat ze deel hebben uitgemaakt van een middelgroot zoogdier, weliswaar wel van 1 individu.
Metaal Alle graafwerkzaamheden zijn begeleid met een metaaldetector. Naast de vele scherven van granaten en andere onderdelen van oorlogswapens die door het OCE‐bedrijf zijn opgespoord, is vrij weinig metaal aangetroffen. Het gaat om in totaal 8 objecten. Deze omvatten twee fragmenten van een geleideband, twee musketkogels, een ijzerslak, een deel van een metalen kom (?) en twee stukken die mogelijk onderdeel kunnen zijn geweest van meubelstukken. De vondsten komen vrijwel bijna uitsluitend uit de bouwvoor (spoor 2) op vondst 42 na dat uit de greppel spoor 49000 is verzameld. De datering van de objecten lijkt niet heel oud te zijn.
Hout Aan de rand van de greppel ten noorden van de dijk (spoor 122000) zijn delen van eenzelfde houten paal verzameld. Dit heeft deel uitgemaakt van de beschoeiing van de greppel uit de Nieuwe Tijd.
31
ARTEFACT RAPPORT 771
7
EEDE DE VLASCHAARD
Karterende boringen
Tijdens het Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen 11 werd in boring 35 in een vegetatiehorizont binnen het Laagpakket van Wierden (op een diepte van 0,95 m ‐mv/ 0,17 m ‐NAP) een fragment vuursteen aangetroffen. Het betreft een zeer klein fragment bruin vuursteen, met vermoedelijk putcorrosie en windlak. Vuursteen komt niet van nature voor in dit gebied, maar herkenbare antropogene bewerkingssporen zijn niet waargenomen. Gezien de geringe afmeting valt echter niet uit te sluiten dat het fragment (over enige, wellicht korte afstand) met de wind is meegevoerd.
Figuur 16 Overzicht karterende boringen. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023.
Algemeen gesteld bestaat de bodemopbouw binnen het plangebied aan de basis uit matig fijn, zwak tot uiterst siltig, soms humeus en kalkrijk zand. De kleur is meestal donkergrijs, soms bruinig, en vaak is het zand gevlekt en/of gelaagd. De bovenzijde komt voor vanaf 1,55 m ‐mv/ 0,52 m ‐NAP en 2,30 m ‐mv/ 1,16 m ‐NAP. Deze fluviatiele afzettingen zijn lithostratigrafisch aan te duiden als de Formatie van Koewacht en zijn het resultaat van verwilderde rivierstromen. Deze worden afgedekt door eolisch afgezet dekzand behorende tot het Laagpakket van Wierden. Deze zeer fijne kalkloze afzettingen bevatten rond circa 1 m‐mv dikwijls enkele dunne of soms wat dikkere leemlagen. Binnen deze schone moederbodem werden op verschillende dieptes één of meerdere meer bruine of bruingrijze laagjes vastgesteld die als oude vegetatiehorizonten of paleosols werden omschreven en dus opnieuw afgedekt zijn door opwaaiend
11 van den Berg en Wattenberghe, 2022.
32
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
dekzand. De top van deze moederbodem werd gekenmerkt door een AC‐profiel. Onder de bouwvoor werden geen resten van bodemvorming waargenomen. Rondom boring 35 werden 24 karterende boringen gezet (figuur 16) tot onder de vermoedde paleosol (verwacht rond 0,90 m ‐mv) tot minimaal 1,20 en maximaal 1,60 m ‐mv. Daarbij werd een grotendeels gelijkaardige bodemopbouw vastgesteld als tijdens het verkennend booronderzoek. Onderin werd in boring 14 sterk siltig zand met enkel siltlagen waargenomen, afgedekt door een laagje donkerbruin veen op 1,45 m ‐mv (0,69 m ‐NAP). Deze werden als fluviatiele afzettingen van de Formatie van Koewacht geïnterpreteerd. Deze ging geleidelijk aan over in een afdekkende laag dekzand met lichtgrijsbruine kleur waarin sporen van hout voorkwamen. Het blauwgrijze afdekkende zand bevatte dikke leemlagen tot 0,75 m ‐mv (0,01 m +NAP) en werd afgedekt door licht geelgrijs zeer fijn dekzand met een spoor van roestvlekken. De bovenzijde bestond uit een 40 cm dikke ploegvoor. Dit profiel was exemplarisch voor alle boringen, zij het dat de fluviatiele afzettingen verder alleen in boring 19 en 23 werd waargenomen en dieper. In de meeste boringen werden wel hoger in het profiel (soms vage) mogelijke vegetatiehorizonten vastgesteld die werden bemonsterd (zie onderstaande tabel voor de top van de horizont).
Verder ontbreekt de lemige blauwgrijze tussenlaag in sommige boringen. De bouwvoor is verder in sommige boringen sterk kleiig, in een enkel geval is de kleiige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren wat dikker geweest en rest daar onder de bouwvoor nog enkele centimeter van, vooral in opgevulde greppels. In enkele boringen (22, 23 en 24) werden immers direct onder de bouwvoor opgevulde greppels (of andere verstoringen) waargenomen. Enkel in boring 11, 15, 20 en 22 werd op respectievelijk 1,20 m ‐mv (0,37 m ‐NAP), 1,00 m ‐mv (0,32 m ‐NAP), 1,20 m ‐ mv (0,39 m ‐NAP) en 0,90 m ‐mv (0,18 m ‐NAP) een zwak tot matig humeuze en (donker)bruine vegetatielaag onderscheiden die als begraven A‐horizont werd gedefinieerd. In aangrenzende boringen 16 en 17 is deze wat minder duidelijk ontwikkeld op respectievelijk 0,90 m ‐mv (0,20 m ‐NAP) en 0,95 m ‐mv (0,22 m ‐NAP). In de overige boringen bleek deze niet aanwezig of amper ontwikkeld als licht bruingrijze lagen met wat houtresten. In de onderstaande tabel is de top van de paleosol, dan wel bemonsterde laag, opgenomen. Boring
Diepte
Boring
Diepte
1
1,20 m ‐mv (0,08 m ‐NAP)
13
1,20 m ‐mv (0,42 m ‐NAP)
2
1,20 m ‐mv (0,13 m ‐NAP)
14
0,90 m ‐mv (0,14 m ‐NAP)
3
1,20 m ‐mv (0,16 m ‐NAP)
15
1,00 m ‐mv (0,32 m ‐NAP)
4
1,30 m ‐mv (0,29 m ‐NAP)
16
0,90 m ‐mv (0,20 m ‐NAP)
7
1,15 m ‐mv (0,16 m ‐NAP)
17
0,95 m ‐mv (0,22 m ‐NAP)
8
1,15 m ‐mv (0,15 m ‐NAP)
18
1,10 m ‐mv (0,40 m ‐NAP)
9
1,20 m ‐mv (0,20 m ‐NAP)
19
0,85 m ‐mv (0,14 m ‐NAP)
11
1,20 m ‐mv (0,37 m ‐NAP)
20
1,20 m ‐mv (0,39 m ‐NAP)
12
0,95 m ‐mv (0,20 m ‐NAP)
22
0,90 m ‐mv (0,18 m ‐NAP)
Met uitzondering van de monsters uit boring 19 en 22 werd overal (meer of minder) grind en plantenresten aangetroffen. Dat grind is meestal niet groter dan 1 tot 2mm. Enkel in boringen 3 en 11 werden enkele grotere fragmenten (4 mm) aangetroffen en bij uitzondering werd een fragmentje schelp waargenomen. In geen van de zeefresiduen werd (bewerkt) vuursteen, noch andersoortig materiaal aangetroffen dat een antropogene herkomst of invloed laat vermoeden. De herkomst van het grind en de schelpen kan worden verklaard door het onderliggende fluviatiele landschap van de Formatie van Koewacht waarin dergelijk materiaal kan worden verwacht. Dat betekent dat materiaal dat hoger, of aan het oppervlak is gelegen, kan verwaaien. Omdat er geen enkele aanwijzing is waargenomen voor de mogelijke aanwezigheid van vindplaatsen is in overleg met de bevoegde overheid en conform PvE besloten om de aanvullende 78 karterende boringen niet uit te voeren. 33
ARTEFACT RAPPORT 771
8
Conclusie en advies
8.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
EEDE DE VLASCHAARD
In de conclusie worden de uitkomsten van de voorgaande hoofdstukken beschreven en wordt antwoord gegeven op de vraagstelling uit PvE. Proefsleuvenonderzoek: 1. Zijn binnen het plangebied archeologische sporen aanwezig? Zo ja, bespreek de horizontale c.q. verticale spreiding van de aanwezige archeologische sporen. Zo nee, kan dit worden verklaard? In het merendeel van alle proefsleuven waren archeologische sporen aanwezig. Daar de sporen verspreid over het gehele plangebied voorkwamen, is daarom ook geen duidelijke sporenconcentratie aan te wijzen. De bodemopbouw bestaat over het algemeen uit een bouwvoor (spoor 2) op een oudere bouwvoor (spoor 4) op het natuurlijke dekzand (spoor 1). De sporen zijn direct onder een 30 tot 50 cm dikke bouwvoor (spoor 2 en 4) in de top van het dekzand aanwezig (vanaf 0,58 meter +NAP in het westelijk deel van het plangebied en vanaf 0,86 meter +NAP in het oosten). 2. Wat is de aard van de aangetroffen sporen en structuren? Bespreek de datering, fasering en uiterlijke kenmerken van de aangetroffen structuren. Illustreer de onderscheiden structuren. Indien vindplaatsen uit meerdere duidelijk te onderscheiden archeologische tijdvakken aanwezig zijn, worden deze apart besproken en geïllustreerd. De sporen kunnen worden onderverdeeld in vier grote categorieën. De eerste wordt gevormd door de greppels die in grote getale zijn aangetroffen.
Deze in eerste instantie chaotische aanwezigheid van verschillende watergangen, blijken na bestudering een zeer georganiseerde structuur te bezitten. Het plangebied ligt bij het ontstaan van de Praatpolder in 1650 tussen twee waterlopen in: in het westen de Praatvlietsche watergang en in het oosten de rivier de Eede. Tussen beiden verliepen in zuidwest‐noordoostelijke richting brede greppels waarop haaks smallere greppels met een noordwest‐zuidoost oriëntatie op afwaterden. Deze stammen vermoedelijk bijna allemaal uit de Nieuwe Tijd, na het herinrichten van de polder zelf. De grote hoeveelheid aan greppels toont aan hoe drassig het gebied moet zijn geweest. Het wordt dan ook niet voor niets op een kaart uit 1650, die de situatie van het terrein net voor de inpoldering weergeeft, als ‘meers’ aangeduid. Meersen zijn vrij natte gronden. Dit zou mede veroorzaakt kunnen zijn geweest door de militaire inundaties die hebben plaatsgevonden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Spoor 99000 is de enige die lichtelijk afwijkt van de oriëntatie van dit gehele afwateringssysteem en zou daarom mogelijk ouder kunnen zijn. Daar materiaal hieruit ontbreekt, kan zijn ontstaan in tijd niet precies worden afgebakend. Een ander spoor die terug kan gaan op een oudere fase in het landgebruik van dit terrein, is de greppel gelegen voor de dijk (spoor 122000).
De natuurlijke afkalving van de oudere A‐horizont spoor 7 in de greppel zelf, duidt erop dat deze niet tijdens het opwerpen van de dijk is aangelegd. Alle greppels zijn in de loop der tijd langzaam dichtgeslibd en/of gedempt. Enkele van deze sporen hebben langer opengelegen dan anderen. Op een enkeling na, waaruit recent materiaal naar boven is gekomen (spoor 28000, 29000, 49000, 88000, 89000 en 92000), kan hierin moeilijk een fasering, aan de hand van cartografische bronnen en vondsten, worden aangebracht. Een tweede categorie vormen de losse kuilen. Ook deze komen verspreid voor binnen het plangebied zonder verder enige aanwijzing van bewoningssporen in de nabijheid. Materiaal uit deze sporen ontbreekt bijna vrijwel volledig. Slechts in spoor 16000 en 111000 zijn enkele baksteenfragmenten en aardewerkscherven gevonden die een brede datering aanhouden van de Late Middeleeuwen tot in de Midden Nieuwe Tijd. Ten opzichte van de greppels, vormen ook de paalkuilen slechts een kleine categorie in het geheel van sporen. Ze waren rond tot ovaal of vierkant tot rechthoekig van vorm en reikten niet dieper dan circa 30 centimeter. Er werd niets van materiaal in deze sporen aangetroffen, maar aangezien ze zijn opgevuld met grond dat sterk overeenkomt met
34
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
dat van de bouwvoor (spoor 2) lijkt een datering in de Late Nieuwe Tijd en Recente Tijd voor de hand te liggen. Daar ze langs de greppels zijn geplaatst zijn ze als nieuwe tijdse/recente perceelsindeling te interpreteren. Tenslotte kan als laatste categorie de dijk worden genoemd. Ondanks dat een deel van de dijk is geslecht, was nog een lichte verhoging in het landschap aan de zuidoostzijde van het plangebied waarneembaar waar deze structuur vele eeuwen voordien is aangelegd. Er is door middel van een lengteprofiel een dijkdoorsnede gedocumenteerd. Er konden in totaal 6 fasen worden onderscheiden, met de mogelijkheid nog een 7e fase hieraan toe te kennen als naar profiel 13501 wordt gekeken. Dit is de Dopersdijk, de zuidelijke grens van de Praatpolder waarin het plangebied is gelegen. Deze is ontstaan in het jaar 1650 als herwinning van de gronden na inundaties uit de Tachtigjarige Oorlog. Voor een nadere beschrijving van de dijk wordt verwezen naar vraag 5. Samengevat kan worden gesteld dat de sporen bijna uitsluitend dateren uit de Nieuwe Tijd en voor een deel nog gebruikt kunnen zijn tot in de vorige eeuw. Mogelijk kunnen twee greppels teruggevoerd worden naar de middeleeuwse landinrichting van het terrein, maar daar geen kaarten uit dit tijd beschikbaar zijn, zal dit in voorliggend onderzoek niet beantwoord kunnen worden. 3.
Strek(t)(ken) de vindplaats(en) zich uit over het gehele plangebied of kunnen deze begrensd worden?
Binnen het plangebied kunnen twee vindplaatsen worden onderscheiden: een dijk (INFR.DIJ) en een groot afwateringssysteem (INFR.PER) uit de Nieuwe Tijd. De vele greppels strekten zich uit over het gehele plangebied. De dijk beperkt zich daarentegen enkel tot de uiterst zuidoostelijke strook van het perceel, maar daar de doorsnede ervan niet in zijn volledigheid kon worden gedocumenteerd, zet deze zich nog buiten het perceel voort. De top van de dijk is aangetroffen op 1,96 meter +NAP (0,30 meter ‐mv), direct onder de bouwvoor (spoor 2). De greppels bevinden zich in de top van het dekzand. Dit is in het westelijk deel van het plangebied vanaf 0,58 meter +NAP en in het oosten vanaf 0,86 meter +NAP (de dikte van de bouwvoor varieert tussen de 0,30 en 0,50 meter). De zuidwest‐noordoost verlopende greppels waterden af op de Praatvlietsche watergang en de vroegere rivier de Eede. Daar het westelijk deel van het plangebied de Praatvlietsche watergang loopt, kunnen de greppels aan deze zijde worden begrensd. Ook voor diegenen die in het zuiden tegen de dijk aanliepen kan de vindplaats worden afgebakend. De greppels ten noorden en oosten lopen echter verder door buiten het plangebied. Hetzelfde geldt voor de Dopersdijk. De noordelijke begrenzing is door middel van de dijkdoorsnede afgebakend, maar het geheel loopt in het oosten, westen en zuiden nog verder. 4.
Bespreek de gaafheid van de onderscheiden vindplaats(en) en de conserveringstoestand van metaal, organisch en ecologisch materiaal; de laatsten conform de conserveringsklassen in de vigerende KNA c.q. de in beroepsgroep gehanteerde methoden. Lokaal is door diepploegen en vanwege de drassigheid van het gebied, waardoor de banden van de landbouwvoertuigen tot diep in de grond konden wegzakken, de bouwvoor tot in de top van het dekzand gedrukt. Dit heeft echter geen grote impact gehad voor de leesbaarheid van het vlak of voor het herkennen van de sporen. Doorheen het plangebied zijn daarnaast met name verstoringen in de vorm van drainagesleuven aangetroffen die in de reeds gedempte greppels waren aangelegd. De omvang van deze sporen bleek eveneens vrij beperkt te zijn. De dijk is in het verleden al deels geslecht, wat inhoudt dat de aangetroffen top in de profielen niet intact was. Hoe groot deze ingreep is geweest, is niet bekend. Nochtans heeft de dijkdoorsnede veel informatie opgeleverd wat betreft de fundering en fasering van de structuur (zie vraag 5). De conserveringsgraad van de anorganische objecten is matig tot goed te noemen. Een groot deel van het materiaal is verzameld uit de bouwvoor. Door het eeuwenlange gebruik van het terrein als akkerland, is de fragmentatiegraad van de vondsten hoog en zijn ze sterk verweerd.
Het is daarom beter gesteld met vondstmateriaal dat op dieper niveau is gevonden.
35
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
Het metaal is, afhankelijk van het type metaal, eveneens matig tot goed bewaard gebleven. Nu dient wel opgemerkt te worden dat deze materiaalcategorie bijna uitsluitend is aangetroffen in de bouwvoor (spoor 2). Over de conserveringstoestand van het organisch en macrobotanisch materiaal kunnen geen uitspraken worden gedaan, want er zijn geen monsters genomen die dit hebben kunnen toetsen. 5.
Werden resten van een dijklichaam (Dopersdijk) aangetroffen? Zo ja: a. Bespreek en illustreer de opbouw, afmetingen, materiaalgebruik van de (verschillende dijk(fasen) en eventuele (dijk)sloten. Dateer de dijkaanleg.
In profiel 12201 is een dijkdoorsnede gedocumenteerd. Echter loopt deze structuur buiten de grenzen van het plangebied nog verder door. Een volledige doorsnede was daarom niet mogelijk. Daarnaast is bekend dat de dijk in het verleden al deels is geslecht. De top is dan ook niet meer intact. Nochtans is veel informatie uit de doorsnede en enkele andere profielkolommen verkregen wat betreft de fasering en fundering van de dijk. In totaal zijn 6 fasen onderscheiden (zie bijlage 5). De kern van de dijk vormt de eerste fase. Vervolgens is dijk verhoogd met verschillende ophogingspakketten (fase 2). Een laag met verspoeld dekzand ligt ten dele tegen deze beiden fasen aan. Dit kan het gevolg zijn geweest van een overstroming, maar een andere mogelijke optie is het afkalven van de dijk door zware wateroverlast in de vorm van regen. Dit heeft ervoor gezorgd dat men vervolgens in twee fasen (fase 3 en 4) de dijk heeft verzwaard. Een deel van dit werk werd wederom teniet gedaan door een tweede overstromings‐ en/of verspoelingsfase, die de sloot voor de dijk volledig afdekte. Uiteindelijk volgde de laatste twee verzwaringen van de dijk bovenop de laatst verspoelde laag. In meerdere profielen ligt de dijk direct op de ongeroerde natuurlijke zandafzettingen (spoor 1).
Dit is een vrij merkwaardig fenomeen, aangezien enige bodemvorming wel verwacht mag worden bovenop het Laagpakket van Wierden. De kans is namelijk vrij groot dat het gebied in de Middeleeuwen ook al in gebruik is geweest als landbouwgrond. In twee profielen (12201 en 13501) zijn echter resten van de A‐horizont (spoor 7) waargenomen. Het deel dat onder de eerste dijkfase is gelegen lijkt aan de noordzijde te zijn afgegraven. Het is zeer goed mogelijk dat voor het opwerpen van de dijk de grond in de directe omgeving is gebruikt. Daarbij is de oude A‐horizont grotendeels afgegraven. In het overige deel van het plangebied is dit spoor volledig opgenomen in de huidige bouwvoor. Voor de dijk is een greppel gelegen (spoor 122000) waar haaks enkele smallere greppels op uitkomen en die tegen de dijk aanlopen, zoals ook is te zien op kaarten uit de tweede helft van de 17e eeuw. Deze dijksloot stond in verbinding met de westelijk gelegen Biesput en liep vervolgens langs de dijk en waterde af in de Eede. Mogelijk dateert spoor 122000 nog voor de aanleg van de dijk. Het restant van spoor 7 dat bij de greppel is gevonden lijkt op natuurlijke wijze te zijn verspoeld. De Dopersdijk is opgeworpen met het ontstaan van de Doperspolder en de Praatpolder in het midden van de 17e eeuw. De vijf daaropvolgende verzwaringen kunnen eveneens nog in de 17e eeuw worden geplaatst.
In de literatuur is slechts één tijdsperiode aan te wijzen die verantwoordelijk zou kunnen zijn geweest voor de vele verzwaringen die de dijk heeft moeten ondergaan. In 1672 inundeerde de Praatpolder en deze werd pas 15 jaar later opnieuw herbedijkt. Water werd in een smalle kreek het gebied binnen gevoerd. De spoellagen die zijn gevonden op de dijk kunnen meerdere malen door het buiten de oever getreden water zijn veroorzaakt, wellicht ook in combinatie met hevige regenval. Dit zou betekenen dat in 40 jaar tijd de dijk haar volledige vorm heeft gekregen. b. Hoe werd de dijk gefundeerd? Bespreek en illustreer de constructie‐ en funderingswijze. Werd hiervoor (rijs)hout gebruikt? Hoe werd dit rijshout vastgezet? Werden kleikisten, balkenconstructies, afzinkstukken, o.i.d. gebruikt? En zo ja, hoe werden deze opgebouwd? De dijk is niet gefundeerd met behulp van houten of stenen constructies. Het ligt direct op het dekzand, met hier en daar restanten van een oude A‐horizont. Voor het opwerpen van de dijk is de destijds aanwezige oude A‐horizont gebruikt in de directe nabijheid, waardoor latere verzwaringen op de natuurlijke afzettingen kwamen te liggen (zie ook vraag 5a).
36
ARTEFACT RAPPORT 771
c.
EEDE DE VLASCHAARD
Werden andere structuren in of onder de dijk aangetroffen? Bespreek en illustreer de aard, functie, datering en relatie tot de dijk.
Onder de dijk zijn enkele greppels aangetroffen. Deze zijn echter in de loop der tijd op natuurlijke wijze dichtgeslibd en na de laatste overstromingsfase volledig afgedekt. Hiervan is vervolgens gebruik gemaakt om latere dijkverzwaringen op te funderen. De kern van de dijk, de allereerste fase, rust aldus niet op oudere sporen. d. Bespreek de aangetroffen (dijk)structuren in relatie tot de geologische context. Zoals reeds bij vraag 5a besproken, ligt het merendeel van de dijk direct op het natuurlijke zand van het Laagpakket van Wierden. De A‐horizont (spoor 7) vormde origineel de basis voor de kern van de dijk. In de directe nabijheid werd de rest van deze laag afgegraven en gebruikt als ophoogpakketten voor de dijk. In de overige delen van het plangebied is de A‐horizont in de loop der eeuwen volledig opgenomen in de huidige bouwvoor. e. Bespreek de herkomst van het voor de dijk gebruikte bouwmateriaal (hout, steen, etc.). De grond die is gebruikt voor het ophogen en verzwaren van de dijk komt uit de directe omgeving. Rondom de kern van de dijk is de A‐horizont afgegraven dat vervolgens op de dijk werd geworpen (zie vraag 5a en 5d). Er zijn geen indicaties aangetroffen dat ander materiaal, zoals hout en steen, voor de aanleg van de dijk zijn gebruikt. f.
Hoe moet met het dijklichaam worden omgegaan bij toekomstig onderzoek in de omgeving van het plangebied?
Er kunnen meerdere argumenten worden aangegeven, waarom de dijk, archeologisch gezien, niet behoudenswaardig is: ‐ De dijk is niet meer intact. De top is in het verleden geslecht. Buiten het plangebied is een deel van de structuur volledig vergraven, bijvoorbeeld ten behoeve van het bedrijventerrein dat ten oosten en zuiden van het terrein is ingericht. ‐
Ondanks het feit dat geen volledige dijkdoorsnede kon worden gemaakt, daar een deel zich buiten het plangebied bevindt, is alle informatie verkregen die nodig was om een goed inzicht in de opbouw en fundering van de dijk te krijgen.
‐
Het is geen landschapsbepalend monument. De dijk is slechts nog als kleine verhoging in het zuiden van het perceel visueel waar te nemen.
‐
Daar de dijk ten dele is geslecht, heeft deze ook geen functioneel doel mee, in de zin van dat het het gebied tegen overstromingen kan beschermen.
Booronderzoek: 6. Werden tijdens het booronderzoek paleosols aangetroffen en onderzocht? Zo ja, in welke delen van het plangebied en op welke diepte(n). Algemeen gesteld bestaat de bodemopbouw binnen het plangebied aan de basis uit matig fijn, zwak tot uiterst siltig, soms humeus en kalkrijk zand. De kleur is meestal donkergrijs, soms bruinig, en vaak is het zand gevlekt en/of gelaagd. De bovenzijde komt voor vanaf 1,55 m ‐mv/ 0,52 m ‐NAP en 2,30 m ‐mv/ 1,16 m ‐NAP. Deze fluviatiele afzettingen zijn lithostratigrafisch aan te duiden als de Formatie van Koewacht en zijn het resultaat van verwilderde rivierstromen. Deze worden afgedekt door eolisch afgezet dekzand behorende tot het Laagpakket van Wierden. Deze zeer fijne kalkloze afzettingen bevatten rond circa 1 m‐mv dikwijls enkele dunne of soms wat dikkere leemlagen. Binnen deze schone moederbodem werden op verschillende dieptes één of meerdere meer bruine of bruingrijze laagjes vastgesteld die als oude vegetatiehorizonten of paleosols werden omschreven en dus opnieuw afgedekt zijn door opwaaiend
37
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
dekzand. De top van deze moederbodem werd gekenmerkt door een AC‐profiel. Onder de bouwvoor werden geen resten van bodemvorming waargenomen. Rondom boring 35 uit het vooronderzoek werden 24 karterende boringen gezet tot onder de vermoedde paleosol (verwacht rond 0,90 m ‐mv) tot minimaal 1,20 en maximaal 1,60 m ‐mv. In een viertal boringen werd tussen 0,18 m ‐ NAP en 0,39 m ‐NAP een zwak tot matig humeuze en (donker)bruine vegetatielaag onderscheiden die als begraven horizont werd gedefinieerd. In twee aangrenzende boringen is deze wat minder duidelijk ontwikkeld rond 0,20 m ‐NAP In de overige boringen bleek deze niet aanwezig of amper ontwikkeld als licht bruingrijze lagen met wat houtresten 7. Werden binnen het plangebied in en op deze paleosols vondsten aangetroffen? Zo ja, welk type van vondsten betreft het? Met uitzondering van de monsters uit boring 19 en 22 werd overal (meer of minder) grind, plantenresten en bij uitzondering een fragmentje schelp aangetroffen. In geen van de zeefresiduen werd (bewerkt) vuursteen, noch andersoortig materiaal aangetroffen dat een antropogene herkomst of invloed laat vermoeden. De herkomst van het grind en de schelpen kan worden verklaard door het onderliggende fluviatiele landschap van de Formatie van Koewacht waarin dergelijk materiaal kan worden verwacht 8.
Uit welke periode dateren de aangetroffen paleosols, zijn er m.a.w. dateerbare vondsten aangetroffen?
Deze vraag is zonder natuurwetenschappelijke dateringsmethoden niet te beantwoorden. Er werden immers geen antropogene vondsten aangetroffen die toelaten deze lagen te dateren. Algemeen: 9. Zijn binnen het plangebied behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig? Bespreek de waardering (conform KNA‐bijlage IV Waarderen van vindplaatsen) per onderscheiden vindplaats. Geef tevens aan hoeverre deze in de groter onderzoekskaders van de NOaA, POAZ en/of GOAS passen. Het waarderen van een vindplaats in overeenstemming met de KNA 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen, houdt in dat de kwaliteit van het bodemarchief wordt bepaald. Het vaststellen van de kwaliteit geschiedt op basis van belevingsaspecten, fysieke kwaliteit en inhoudelijke waarde waarbij aan elke waarde punten (1 t/m 3) worden toegekend. De volgende stappen worden daarbij doorlopen: 1.
Bij de waardering op basis van beleving wordt eerst nagegaan of een vindplaats vanwege zijn schoonheid of herinneringswaarde behoudenswaardig geacht wordt.
2.
Vervolgens wordt de fysieke waarde van een vindplaats getoetst op basis van ‘gaafheid’ en ‘conservering’. Wanneer de fysieke kwaliteit vijf of meer punten scoort wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt.
3.
Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Hierbij wordt de vindplaats gewaardeerd op wetenschappelijk belang aan de hand van zeldzaamheid, informatiewaarde en context‐ of ensemblewaarde. Zo kunnen vindplaatsen die middelmatig tot laag scoren op fysieke kwaliteit toch behoudenswaardig zijn op basis van hun grote inhoudelijke belang, wanneer zij zeven punten of meer scoren. Bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering wordt vervolgens nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zo ja, dan kan een voorstel worden gedaan om de vindplaats (of een steekproef) als behoudenswaardig aan te merken.
38
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
Vindplaats 1 – Dijk waarden
criteria
score hoog
beleving fysieke kwaliteit inhoudelijke kwaliteit
midden
schoonheid
n.v.t. of behoudenswaardig
herinneringswaarde
n.v.t. of behoudenswaardig
gaafheid
2
conservering
2
zeldzaamheid
laag
1
informatiewaarde
2
ensemblewaarde
2
representativiteit
nee
Een waardering op basis van belevingsaspecten karakteriseert de vindplaats niet als behoudenswaardig. De dijk kan weliswaar als lichte verhoging in het landschap en op de AHN worden waargenomen, maar het verschil is niet significant genoeg om het als een landschapsmonument duidelijk te kunnen herkennen. Er kunnen dan ook geen punten worden behaald op het gebied van ‘schoonheid’. Tevens bestaat er ook geen directe relatie met een historische gebeurtenis die relevant kan zijn voor het criterium ‘herinneringswaarde’. De dijk staat in verband met het herwinnen van het gebied na de militaire inundaties uit de Tachtigjarige Oorlog. Dit proces kon zeker meerdere jaren in beslag hebben genomen en het herwinnen van grond op water is een fenomeen dat niet als zeldzaam geacht wordt in Zeeland. Een waardering op basis van fysieke criteria scoort 4 punten. De gaafheid van de vindplaats wordt als middelmatig beschouwd. De top van de dijk is niet meer intact. Deze is geslecht en genivelleerd over de rest van het perceel. Nochtans is iets meer dan een meter van de dijk nog bewaard gebleven, waarin geen verstoringen konden worden vastgesteld. De conservering wordt eveneens middelmatig geacht. De anorganische vondsten zijn over het algemeen goed bewaard gebleven. Over het ecologische en macrobotanische materiaal kan geen uitspraak over worden gedaan.
Het was niet noodzakelijk monsters hiervoor te nemen en er is om die reden dan ook geen waardering op uitgevoerd. Over het algemeen blijkt dat zandgronden geen geschikte bewaringscondities bevatten voor pollen‐ en macrobotanisch onderzoek. Een waardering op basis van inhoudelijke criteria scoort 5 punten. Laag is de zeldzaamheid van de vindplaats. In de gehele provincie Zeeland vorm(d)en dijken een belangrijk onderdeel van de infrastructuur. Daarnaast zijn er vandaag de dag nog velen bewaard gebleven die nog volledig intact zijn en sterk mee bepalen aan de visuele landschappelijke kenmerken van Zeeland. De informatiewaarde wordt daarentegen hoger geschat. De kruin van de dijk is weliswaar niet langer meer intact en de dijk kon niet volledig worden gedocumenteerd, de doorsnede heeft alsnog veel informatie opgebracht wat betreft de fasering en fundering van de structuur. De ensemblewaarde scoort net als de informatiewaarde een 2. Iedere dijk is anders opgebouwd en ondanks het feit dat de Dopersdijk deels is geslecht, kan de informatie gewonnen uit de doorsnede wel als toegevoegde waarde worden beschouwd voor het dijkenonderzoek binnen Zeeland. Wanneer de inhoudelijke kwaliteit van een vindplaats laag is, dient ook de representativiteit te worden getoetst. Zoals reeds eerder aangehaald, is vanwege de geslechte kruin van de dijk de vindplaats niet representatief te noemen.
Historische dijken zijn in grote getale nog intact aanwezig en visueel beter zichtbaar in het Zeeuwse landschap. Een waardering conform de criteria uit specificatie VS06 van de KNA 4.1 laat toe dit complex op basis van beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit als niet behoudenswaardig te beschouwen.
39
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
In de onderzoekskaders van de NOaA (NOaA 2.0 vraag 34, 46 en 86) en POAZ wordt veel aandacht besteed aan het thema dijken. Ze vormen immers de ruggengraat van Zeeland. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is aan de hand van de restanten van de dijk die nog aanwezig zijn informatie verkregen over de datering, fasering en fundering van de dijk. Vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, zal op dit vlak geen extra kenniswinst kunnen opleveren. Vindplaats 2 – Greppels waarden
criteria
score hoog
beleving fysieke kwaliteit inhoudelijke kwaliteit
midden
schoonheid
n.v.t. of behoudenswaardig
herinneringswaarde
n.v.t. of behoudenswaardig
gaafheid
2
conservering
2
laag
zeldzaamheid
1
informatiewaarde
1
ensemblewaarde
1
representativiteit
nee
Een waardering op basis van belevingsaspecten karakteriseert de vindplaats niet als behoudenswaardig. Er is geen sprake van zichtbare landschapselementen die enige punten zou kunnen behalen op het gebied van ‘schoonheid’. Tevens is er geen directe relatie aan te wijzen met een historische gebeurtenis die relevant kan zijn voor het criterium ‘herinneringswaarde’. Een waardering op basis van fysieke criteria scoort 4 punten. De gaafheid van de vindplaats is als middelmatig gewaardeerd. De top van de greppels is mogelijk verstoord door het eeuwenlange ploegen van het terrein en is daarmee opgenomen in de bouwvoor. De conserveringstoestand is eveneens middelmatig. Er zijn maar weinig vondsten in de greppels aangetroffen. De anorganische objecten zijn over het algemeen goed bewaard gebleven, zij het dat de fragmentatiegraad redelijk hoog ligt. Net zoals bij de vorige vindplaats, was het niet noodzakelijk monsters te nemen ten behoeve van pollen‐ en macrobotanisch onderzoek. Er kunnen om die reden dan ook geen uitspraken worden gedaan over de conservering van het ecologisch materiaal. Zandgronden bezitten in het algemeen wel minder goede bewaringscondities voor pollen en macrobotanie. Een waardering op basis van inhoudelijke criteria scoort slechts 3 punten.
Het aantreffen van greppels is geen zeldzaam fenomeen binnen de archeologie van Zeeland, met name die in de Nieuwe Tijd gedateerd kunnen worden. De informatiewaarde en ensemblewaarde scoren eveneens laag. Door de grote omvang van het onderzoek is het gehele systeem van afwatering en organisatie van het landgebruik dat aan het licht is gekomen zeer interessant. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen smalle greppels die afwateren op bredere greppels en die vervolgens het water weer afvoerden richting de Praatvlietsche Watergang en de rivier de Eede. De grote hoeveelheid aan greppels toont ook aan dat het een redelijk drassig gebied moet zijn gebied. Aldus is de datering, de inrichting van het landschap en het systeem van afwateren met behulp van dit onderzoek bekend voor het plangebied. Vervolgonderzoek gaat op deze punten geen meerwaarde kunnen leveren aan de informatie die we al bezitten. Daarnaast is het merendeel van de greppels al gecoupeerd en gedocumenteerd. Wanneer de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats laag is, moet ook de representativiteit worden getoetst. Het geheel aan landschapsinrichtingssporen van vindplaats 2 zijn niet representatief te noemen. Historische infrastructuren zoals oude kavelpatronen en ontwateringssloten zijn in buitengebieden en polders soms nog bovengronds fysiek beter bewaard gebleven.
40
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
10. Koppel de onderzoeksresultaten terug naar het vooronderzoek en het opgestelde archeologische verwachtingsmodel. Koppel de vondsten en sporen indien mogelijk tevens in een ruimere context en relatie tot de resultaten van eerder uitgevoerd onderzoek in de omgeving. De opgestelde verwachting uit het vooronderzoek kon deels worden ingelost bij het proefsleuvenonderzoek. De verwachting voor vindplaatsen uit het Laat‐Paleolithicum blijft ongewijzigd, daar het niveau van de Formatie van Koewacht niet is bereikt. Over de andere perioden kan het volgende worden gezegd: ‐
De middelhoge verwachting voor het Finaal‐Paleolithicum kan worden bijgesteld naar laag. Er zijn geen sporen of vondsten aangetroffen die duiden op een vindplaats uit deze tijd. Het vuursteen dat is gevonden, bleek niet bewerkt te zijn.
‐
Er zijn inderdaad geen archeologische resten uit het Mesolithicum aangetroffen en dus kan de lage verwachting blijvend worden gehanteerd.
‐
Voor de tijdsspanne Neolithicum tot en met de Middeleeuwen gold een hoge verwachting. Het is mogelijk dat een enkele greppel of kuil inderdaad zijn ontstaan kent in de Middeleeuwen, maar dit blijft vooralsnog maar een hypothese. Oudere vondsten en sporen zijn binnen het plangebied niet aangetroffen.
‐
Op wat sloten en greppels na, was er een lage verwachting aangehouden voor de Nieuwe Tijd. Er zijn daadwerkelijk afwateringsgreppels gevonden tijdens het onderzoek, maar in een veel groter aantal dan in de eerste instantie was geanticipeerd. Daarnaast bevond zich een deel van de Dopersdijk uit de 17e eeuw nog binnen de grenzen van het onderzoeksgebied.
In de ruimere omgeving van het plangebied is nog maar weinig gravend onderzoek uitgevoerd. Tijdens booronderzoeken en vondstmeldingen zijn wel resten uit de Prehistorie, Romeinse Tijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd waargenomen. Hierbij dient wel vermeld te worden dat de scherf prehistorisch aardewerk niet meer in situ lag. Romeinse aanwezigheid was te vinden in het castellum van Aardenburg enkele kilometers verderop en de Romeinen zullen in de wijdere omgeving ook hun sporen hebben achtergelaten. Binnen het plangebied zijn echter geen resten aangetroffen uit deze periode. De nadruk ligt met name op nieuwe tijdse sporen die in verbinding staan met het landgebruik. Bewoningssporen aan de andere zijde van de Dopersdijk, waar in 1604 Eede werd gesticht, zijn wel aangetroffen. Dit ontbreekt echter volledig binnen het onderzochte perceel. Niets duidt erop dat het plangebied, zeker in de Nieuwe Tijd, niet anders in gebruik is geweest als agrarisch bouwland. Een zelfde conclusie werd getrokken uit het booronderzoek op het industrieterrein direct ten oosten, waar uiteindelijk geen vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden. 11.
Wat is het selectieadvies? Worden de aanwezige archeologische resten bedreigd door de voorgenomen inrichting? Wordt vervolgonderzoek of andere maatregelen (fysiek behoud) binnen het plangebied noodzakelijk geacht? Voor het (selectie)advies wordt verwezen naar hoofdstuk 8.2. 12. Heeft dit gevolgen voor de dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan? Zo ja, leg uit en doe een voorstel. Binnen het plangebied zijn geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen vastgesteld. Noch is enige aanwijzing gevonden dat in die delen van het plangebied waar geen proefsleuven zijn gegraven deze wel zouden kunnen voorkomen. Er wordt dan ook geadviseerd om in het nieuwe bestemmingsplan de dubbelbestemming waarde archeologie te verwijderen voor het gehele plangebied en de voorgenomen ontwikkeling zonder verdere voorwaarden ten vergunnen.
41
ARTEFACT RAPPORT 771
8.2
EEDE DE VLASCHAARD
Advies
In de bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het onderzoeksgebied duidelijk geïllustreerd. Tijdens het veldonderzoek zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen. In dit deel van het plangebied zijn de archeologische waarden dan ook afdoende getoetst en wordt op basis van de resultaten geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht bij de realisatie van de huidige planvorming. Gelet op het eenduidige advies wordt geen advieskaart opgenomen. Aanvullend dient het volgende dient wel te worden opgemerkt: Het is niet uit te sluiten dat voor die delen waar geen vervolgonderzoek aanbevolen is desondanks toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).
Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf‐ en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
42
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
Lijst met figuren Figuur 1 Ligging plangebied op de Topografische Kaart, schaal 1:50.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023. ...................................................................................................................................................... 8 Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart, schaal 1:5.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023. ......................................................................................................... 9 Figuur 3 Ligging van de geplande proefsleuven en boringen op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI, Community Map Contributors 2023. ..................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 4 Ligging van de uiteindelijk aangelegde proefsleuven en uitgevoerde boringen. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023. ..................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 5 Coupe met aanduiding van de natuurlijke vlek (spoor 48001), een paalkuil (spoor 48002) en het dekzand (spoor 1). ...................................................................................................................................................................
21 Figuur 6 Profiel 12501 met aanduiding van de bouwvoor (spoor 2), de oude bouwvoor (spoor 4), het Laagpakket van Walcheren (spoor 5) en het dekzand (spoor 1). ........................................................................................................... 21 Figuur 7 Profiel 13301 met aanduiding van de bouwvoor (spoor 2), de dijk (spoor 122001) en de BC‐horizont (spoor 6). .................................................................................................................................................................................. 21 Figuur 8 Profiel 401 met aanduiding van de bouwvoor (spoor 2), de greppel (spoor 4000), het dekzand (spoor 1) en het veen (spoor 3). .................................................................................................................................................... 22 Figuur 9 Profiel 601 met aanduiding van de twee greppels (spoor 6000 en 6001), de bouwvoor (spoor 2) en het dekzand (spoor 1). ................................................................................................................................................................... 23 Figuur 10 Coupe spoor 94001 met aanduiding van de greppel (spoor 94001), de bouwvoor (spoor 2) en het dekzand (spoor 1).
.................................................................................................................................................................. 24 Figuur 11 Coupe spoor 111000 met aanduiding van de kuil (spoor 111000), de bouwvoor (spoor 2) en het dekzand (spoor 1). ...................................................................................................................................................................25 Figuur 12 Coupe paalspoor 101000. ......................................................................................................................... 25 Figuur 13 Coupe spoor 122004 met resten van de houten paal. ................................................................................ 25 Figuur 14 Uitsnede van de kaart van de hydrografie van de polder “Bewester Eede”, vervaardigd in 1758 door A. Blankamer naar een kopie uit 1653. De Dopersdijk wordt aangeduid met de zwarte pijl. Bron: cartesius.be. .............. 27 Figuur 15 Uitsnede van de kaart van de omgeving van Sluis, Aardenburg en Middelburg. Vervaardigd door Fillieul in 1782. De Dopersdijk wordt aangeduid met de zwarte pijl. Bron: cartesius.be. ........................................................... 28 Figuur 16 Overzicht karterende boringen. Bron:ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023. .................... 32
43
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
Bronnen Literatuur Delporte, F.M.J., 2023. Programma van Eisen Eede De Vlaschaard (ADB00G427). Gemeente Sluis. Protocol 4003: Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven en boringen: karterende en waarderende fase. Artefact! PvE 144, Zaamslag. Kuipers, J.J.B., 2004. Sluimerend in Slik. Verdronken dorpen en verdwenen land in zuidwest Nederland. Middelburg. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Van den Berg, M. en Wattenberghe, J.E.M., 2022. Eede De Vlaschaard. Gemeente Sluis. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact! rapport 722, Zaamslag.
Websites Bestemmingsplan: geraadpleegd op http://www.ruimtelijkeplannen.nl Maps, plans, sketches and aerial imagery of Belgium: http://www.cartesius.be Zeeuws Archief: https://www.zeeuwsarchief.nl
44
Bijlage 1
AMZ‐cyclus
De KNA processen in relatie tot de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Bron: SIKB, Protocol 4001, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018:p.4
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Afkortingen ‐ mv
beneden maaiveld
KNA
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
n. Chr.
na Christus
NAP
Nieuw Amsterdams Peil
S
spoornummer
V
vondstnummer
v. Chr.
voor Christus
Woordenlijst Antropogeen
door menselijk handelen
ARCHIS
het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Dit bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd
Erosie
verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door wind, ijs en stromend water
Geul
rivier‐ of kreekbedding
Holoceen
geologisch tijdvak, vroeger Alluvium genoemd, binnen het Quartair, van ongeveer 10.000 jaar geleden tot nu, met daarin o.a. het Mesolithicum, Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse Tijd en de historische tijd
In situ
bewaard gebleven op de oorspronkelijke plaats. Dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten
Moernering
veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof
OM‐nummer
het landelijk registratienummer ten behoeve van archeologisch onderzoek, uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem
Sediment
afzetting gevormd door bezinksel of neerslag
Site
een plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden
Vindplaats
een ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt (monument, type monument, aard archeologische waarde, archeologische indicatie)
Vondst
alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties
ARTEFACT RAPPORT 771
Bijlage 3
EEDE DE VLASCHAARD
Tijdstabel
ARTEFACT RAPPORT 771
ARCHEOLOGISCHE PERIODEN ZEELAND (Bron: van Dierendonck 2016) BP = Before Present (14C‐datering ijkmoment 1950) Paleolithicum: tot 8800 v. Chr. Paleolithicum vroeg: tot 300000 BP Paleolithicum midden: 300000 BP‐35000 BP Paleolithicum laat: 35000 BP 8800 v. Chr. Paleolithicum laat A: 35000 BP‐18000 BP Paleolithicum laat B: 18000 BP‐8800 v. Chr. Mesolithicum: 8800‐4900 v. Chr. Mesolithicum vroeg: 8800‐7100 v. Chr. Mesolithicum midden: 7100‐6450 v. Chr. Mesolithicum laat: 6450‐4900 v. Chr. Neolithicum: 5300‐2000 v. Chr. Neolithicum vroeg: 5300‐4200 v. Chr. Neolithicum vroeg A: 5300‐4900 v. Chr. Neolithicum vroeg B: 4900‐4200 v. Chr. Neolithicum midden: 4200‐2850 v. Chr. Neolithicum midden A: 4200‐3400 v. Chr. Neolithicum midden B: 3400‐2850 v. Chr. Neolithicum laat: 2850‐2000 v. Chr. Neolithicum laat A: 2850‐2450 v. Chr. Neolithicum laat B: 2450‐2000 v. Chr. Bronstijd: 2000‐800 v. Chr. Bronstijd vroeg: 2000‐1800 v. Chr. Bronstijd midden: 1800‐1100 v. Chr. Bronstijd midden A: 1800‐1500 v. Chr. Bronstijd midden B: 1500‐1100 v. Chr. Bronstijd laat: 1100‐800 v. Chr. IJzertijd: 800‐20 v. Chr. IJzertijd vroeg: 800‐500 v. Chr. IJzertijd midden: 500‐200 v. Chr. IJzertijd laat: 200‐20 v. Chr. Romeinse tijd: 20 v. Chr.‐450 na Chr. Romeinse tijd vroeg: 20 v. Chr.‐70 na Chr. Romeinse tijd vroeg A: 20 v. Chr.‐25 na Chr. Romeinse tijd vroeg B: 25‐70 na Chr. Romeinse tijd midden: 70‐270 na Chr.
Romeinse tijd midden A: 70‐150 na Chr. Romeinse tijd midden B: 150‐270 na Chr. Romeinse tijd laat: 270‐450 na Chr. Romeinse tijd laat A: 270‐350 na Chr. Romeinse tijd laat B: 350‐450 na Chr. Middeleeuwen: 450‐1500 na Chr. Middeleeuwen vroeg: 450‐1050 na Chr. Middeleeuwen vroeg A: 450‐525 na Chr. Middeleeuwen vroeg B: 525‐725 na Chr. (Merovingische tijd/periode) Middeleeuwen vroeg C: 725‐900 na Chr. (Karolingische tijd/periode) Middeleeuwen vroeg D: 900‐1050 na Chr. (Ottoonse tijd/periode) Middeleeuwen laat: 1050‐1500 na Chr. Middeleeuwen laat A: 1050‐1250 na Chr. Middeleeuwen laat B: 1250‐1500 na Chr. Nieuwe tijd: 1500‐heden Nieuwe tijd A: 1500‐1650 na Chr. Nieuwe tijd B: 1650‐1850 na Chr. Nieuwe tijd C: 1850–heden
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
Bijlage 4
EEDE DE VLASCHAARD
Vlaktekeningen
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
Bijlage 5
EEDE DE VLASCHAARD
Profielen
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
Bijlage 6
EEDE DE VLASCHAARD
Coupes
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
ARTEFACT RAPPORT 771
Bijlage 7
EEDE DE VLASCHAARD
Veldgegevens
ARTEFACT RAPPORT 771
EEDE DE VLASCHAARD
Sporenlijst Spoor 1 2 3 4 5 6
Put 1 1 4 30 93 133
Vlak 1 101 1 3001 1 13301
Spoortype HO‐C Horizont LG‐Bouwvoor GEO‐Veen LG‐Bouwvoor GEO‐Walcheren HO‐BC Horizont
7 996 997 998 999 1000 2000 2001 3000 3001 4000 4001 4002 4003 5000 5001 5002 5003 6000 6001 8000 8001
135 121 12 1 1 1 2 2 3 3 4 4 4 4 5 5 5 5 6 6 8 8
13501 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
HO‐A Horizont NK‐Natuurlijk LK‐Ploegspoor NK‐Natuurlijk ST‐Recente Verstoring GL‐Greppel LG‐Bouwvoor GL‐Greppel GL‐Greppel KL‐Kuil GL‐Greppel ST‐Paal ST‐Paal ST‐Paal NK‐Natuurlijk NK‐Natuurlijk GL‐Greppel NK‐Natuurlijk GL‐Greppel GL‐Greppel GL‐Greppel GL‐Greppel