CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

b. (TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis) - aanvullend archeologisch onderzoek AR771

Raad 25 juni 2026, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het TAM-omgevingsplan ‘Bedrijventerreinen Sluis’28.500 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARTEFACT! RAPPORT 771

Eede De Vlaschaard Gemeente Sluis Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) en Inventariserend Veldonderzoek door middel van Boringen (karterende fase)

D.G. Winterswijk J.E.M. Wattenberghe

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

Colofon Titel

Eede De Vlaschaard. Gemeente Sluis. Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) en Inventariserend Veldonderzoek door middel van Boringen (karterende fase).

Auteur(s)

D.G. Winterswijk en J.E.M. Wattenberghe

Artefact rapport

771

Status rapport

Definitief

Datum

12 juni 2023

Projectcode

2023ART16

Projectleider veldwerk

E. Coppens (Senior KNA Archeoloog)

Projectmedewerker(s) veldwerk

E. Coppens (Senior KNA Archeoloog), J. Wattenberghe (Senior KNA Prospector), J.Kiburg (KNA Archeoloog MA), K. Tejero (Junior Archeoloog) en D.G. Winterswijk (Junior Archeoloog)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

J.E.M. Wattenberghe

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2023 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren in dit rapport zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld. Voorliggend rapport werd beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.

2

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens .......................................................................................................................................... 6

1

Inleiding ......................................................................................................................................... 8 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 8 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen.............................................................................................9 1.3 Opzet en processtappen ............................................................................................................................ 12

2

Archeologische verwachting........................................................................................................... 13 2.1 Inleiding .................................................................................................................................................... 13 2.2 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 13

3

Onderzoeksmethodiek .................................................................................................................. 15 3.1 Proefsleuvenonderzoek ............................................................................................................................. 13 3.2 Booronderzoek .......................................................................................................................................... 13

4

Bodem en stratigrafie .................................................................................................................... 20

5

Sporen ......................................................................................................................................... 23

6

Vondsten ...................................................................................................................................... 30

7

Karterende boringen...................................................................................................................... 32

8

Conclusie en advies ........................................................................................................................ 34 8.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 34 8.2 Advies ....................................................................................................................................................... 41

Lijst met figuren ....................................................................................................................................................... 42 Bronnen..................................................................................................................................................................... 43

Bijlage 1

AMZ‐cyclus

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen

Bijlage 3

Tijdstabel

Bijlage 4

Vlaktekeningen

Bijlage 5

Profielen

Bijlage 6

Coupes

Bijlage 7

Veldgegevens

Bijlage 8

Determinatielijsten vondstmateriaal

Bijlage 9

Boorstaten

3

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

Samenvatting De opdrachtgever heeft het voornemen om het bestaande bedrijventerrein De Vlaschaard uit te breiden. De uitbreiding zal worden gerealiseerd op een agrarisch terrein ten noorden hiervan. Het plangebied omvat twee percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Aardenbuirg, Sectie G, Perceel 427 en 375 (ged.) en beslaat een oppervlakte van circa 59.718 vierkante meter. Elk van de percelen valt onder een ander bestemmingsplan. Perceel 427 hoort bij het vigerende bestemmingsplan Buitengebied (2011) waar mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen planologisch worden beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Voor het perceel 375 geldt een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 in het Parapluplan Archeologie Sluis (2019). Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 250 of 500 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.

Omdat met de nieuwe ontwikkelingsplannen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden, is in het kader van een bestemmingsplanwijziging eerst een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd, waarin een gespecificeerde archeologische verwachting is opgenomen. Uit het vooronderzoek is gebleken dat er een middelhoge verwachting geldt voor het vinden van archeologische resten uit het Finaal‐Paleolithicum, een lage verwachting voor het Mesolithicum en de Nieuwe Tijd en een hoge verwachting wordt aangenomen voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen in de top van het dekzand, net onder de bouwvoor. Deze worden echter door de toekomstige bouwplannen bedreigd. De bevoegde overheid heeft daarom besloten dat nader onderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (protocol 4003 IVO‐P, karterende en waarderende fase) en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (protocol 4003 IVO‐O, karterende fase) noodzakelijk was. Het doel van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) was het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting waarbij werd nagegaan of in het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.

Het doel van de karterende fase is het terrein systematisch onderzoeken op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen, en daarmee het vaststellen van de aan‐ of afwezigheid van archeologische vindplaatsen en indien aanwezig de globale begrenzing daarvan. Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet (eventueel, indien noodzakelijk) worden verdicht om de datering, aard, omvang, diepteligging, gaafheid en conservering (mogelijk te relateren aan grondwaterpeil), locatie, uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren), en mogelijke verstoringen van de archeologische waarden vast te stellen. Het proefsleuvenonderzoek heeft de vooropgestelde verwachting niet geheel kunnen bevestigen. De sporen bestaan uit greppels, kuilen, paalsporen en een dijklichaam die direct onder de bouwvoor zichtbaar waren (vanaf 0,58 meter +NAP in het westelijk deel van het plangebied en vanaf 0,86 meter +NAP in het oosten). De enorme hoeveelheid aan greppels dat is aangetroffen vormt een groot afwateringssysteem tussen de Praatvlietsche watergang en de rivier de Eede. Deze dateren hoofdzakelijk uit de Nieuwe Tijd, na het ontstaan van de Praatpolder in 1650. Een enkele greppel kan wellicht nog worden teruggevoerd tot het middeleeuwse landgebruik van het terrein. Door het gebrek aan vondstmateriaal uit de kuilen, kunnen ook deze sporen moeilijk gedateerd worden.

Ze kennen een grote spreiding binnen het plangebied en hebben geen onderlinge verbinding met elkaar. In de directe nabijheid zijn geen andere aanwijzingen gevonden voor bewoningssporen, aldus handelt het om losse kuilen. De paalkuilen kwamen steeds in kleine clusters in de proefsleuven voor. Daar ze gesitueerd lagen langs de greppels kunnen de sporen als nieuwe tijdse perceelsindeling worden geïnterpreteerd. Door de dijk is een doorsnede gemaakt en gedocumenteerd in een lengteprofiel. De top van deze structuur is in het verleden al eens geslecht en genivelleerd over het omringende land. Nochtans konden verschillende fasen worden

4

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

onderscheiden: de kern van de dijk en vijf fasen van dijkverzwaring met daartussen overstromings‐ of verspoelingslagen die de dijk deels hebben weten aan te tasten. Aan de hand van cartografische en literaire bronnen zijn al deze fasen binnen 40 jaar na zijn ontstaan in het midden van de 17e eeuw opgeworpen. De fundering van de kern van de dijk werd gevormd door een oude A‐horizont. Dit bodemvormende pakket is in de directe nabijheid ontgraven en gebruikt als materiaal voor het ophogen en later ook verzwaren van de dijk, waardoor latere fasen direct op het dekzand zijn gelegen. Vervolgens is ook een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (protocol 4003 IVO‐O, karterende fase) uitgevoerd. Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (karterende fase) is eveneens het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting. Daarbij wordt het hiervoor geselecteerde terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. In totaal zijn 24 boringen gezet met een edelmanboor met een diameter van 15 cm. Er werd geboord tot beneden de aanwezig paleosol. Daar waar deze werd aangetroffen is samen met 10 cm dekzand de laag bemonsterd. Uit de zeefresiduen zijn echter geen indicatoren tevoorschijn gekomen die konden wijzen op de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats.

Kortom zijn er twee vindplaatsen tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen: een dijklichaam en een afwateringssysteem uit de Nieuwe Tijd. In overeenstemming met de KNA 4.1 (bijlage IV Waarderen van vindplaatsen) zijn deze niet behoudenswaardig bevonden en is de potentiële archeologische waarde van het plangebied voldoende in kaart gebracht. Er wordt geadviseerd het volledige plangebied vrij te geven en de voorgenomen werkzaamheden te vergunnen zonder verdere voorwaarden met betrekking tot archeologie. Bij een volgende herziening van het bestemmingsplan kan de dubbelbestemming Waarde Archeologie worden verwijderd.

5

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

Administratieve Gegevens Projectnaam

Eede De Vlaschaard

Onderzoeksvorm

Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) en Inventariserend Veldonderzoek door middel van Boringen (karterende fase)

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Sluis

Plaats

Eede

Adres / Locatie

De Vlaschaard

Hoekpunten coördinaten RD plangebied

NW 18.645 / 364.558 NO 18.909 / 364.672 ZW 18.756 / 364.380 ZO 18.997 / 364.474

Hoekpunten coördinaten RD onderzoeksgebied

NW 18.645 / 364.558 NO 18.909 / 364.672 ZW 18.756 / 364.380 ZO 18.997 / 364.474

Centrum coördinaat RD

18.826 / 364.522

Kaartblad

66H

Kadastraal perceel

Gemeente Aardenburg, Sectie G, Perceel 427 en Perceel 375 (gedeeltelijk)

Oppervlakte plangebied

59.718 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied

59.718 m2

Vigerende bestemmingsplan

Buitengebied (2011), enkelbestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden (1) en dubbelbestemming Waarde Archeologie‐1 (250 m2; 0,40 m ‐mv). Sluis Parapluplan Archeologie (2019), enkelbestemming Groen en dubbelbestemming Waarde Archeologie‐2 (500 m2; 0,40 m ‐mv).

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

5276651100

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen

OPDRACHTGEVER Naam

Gemeente Sluis

Contactpersoon

Dhr. S. van Craenenbroeck

Adres

Postbus 27, 4500 AA Oostburg

Telefoon

06 53596954

Email

SvanCraenenbroeck@gemeentesluis.nl

6

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Sluis

Contactpersoon

Mevr. Sandra H.M. Salomé‐Boonman MBA

Afdelingshoofd Beleid en Beheer Adres

Postbus 27, 4500 AA Oostburg

Telefoon

0117 457000

Email

ssalome@gemeentesluis.nl

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Contactpersoon

Mevr. Drs. M. (Marion) Burger Beleidsmedewerker archeologie & cultuurhistorie gemeente Sluis Erfgoed Advies Burger

Adres

Oude nieuwlandseweg 12, 4306 NN Nieuwerkerk

Telefoon

06‐40985677

Email

marionburger@erfgoed‐advies.com

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0118 670618

Email

depot@erfgoedzeeland.nl jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E‐depot

EDNA (E‐Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact‐info.nl

Certificaat

ARC‐010/2 – BRL4000 SIKB protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Begin/einddatum veldwerk

23/01/2023 – 16/02/2023

Projectnummer Artefact

2023ART16

Archis onderzoeksmelding

5326311100

Nieuwe vindplaats(en)

INFR.DIJ (Dijk, Nieuwe Tijd) INFR.PER (Afwateringskanaal/inundatiekanaal/greppel/sloot, Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd) 7

ARTEFACT RAPPORT 771

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

EEDE DE VLASCHAARD

Artefact heeft in januari en februari 2023 een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) en Inventariserend Veldonderzoek door middel van Boringen (karterende fase) uitgevoerd in Eede, een dorp in Zeeuws‐Vlaanderen, dicht gelegen bij de Belgische grens (figuur 1). De Gemeente Sluis heeft het voornemen om het bestaande bedrijventerrein De Vlaschaard uit te breiden. De uitbreiding zal worden gerealiseerd op een agrarisch perceel ten noorden hiervan, wat het plangebied vormt voor het voorliggende onderzoek (figuur 2). Het plangebied omvat twee percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Aardenburg, Sectie G, Perceel 427 en 375 (ged.) en beslaat een oppervlakte van circa 59.718 vierkante meter.

Figuur 1 Ligging plangebied op de Topografische Kaart, schaal 1:50.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023.

Voor perceelnummer 427 heeft het plangebied in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied (2011) een enkelbestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden 1. Binnen het bestemmingsplan worden mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Een strook in uiterste zuidoosten van het plangebied valt binnen perceel 375 waarvoor in het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerrein Sluis (2016) een enkelbestemming Groen geldt. In eerste instantie is hierin een

8

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 vastgesteld. Dit is in Sluis Parapluplan Archeologie (2019) echter gewijzigd naar een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. In het kader van een bestemmingsplanwijziging werd eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureau‐ en booronderzoek.1 Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft de bevoegde overheid besloten dat het uitvoeren van Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) binnen het plangebied noodzakelijk was, aangezien de dieptevrijstellingsgrenzen zullen worden overschreden. Voor de zones waar paleosols in het dekzand zijn aangetroffen tijdens het booronderzoek en waarop vindplaatsen uit het Laat‐Paleolithicum kunnen worden verwacht, diende tevens een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Boringen (karterende fase)plaats te vinden.

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart, schaal 1:5.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023.

1 Van den Berg en Wattenberghe 2022.

9

ARTEFACT RAPPORT 771

1.2

EEDE DE VLASCHAARD

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds‐ of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐ proefsleuvenonderzoek (IVO‐P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen.  De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.

Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek.  Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.  Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit (behoudenswaardigheid) van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (protocol 4003 IVO‐P, karterende en waarderende fase) en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (protocol 4003 IVO‐O, karterende fase).

Hiertoe werd een Programma van Eisen (verder PvE) opgesteld waarin de eisen aan dit onderzoek werden vastgelegd.2 De, in het PVE gestelde, onderzoeksvragen betroffen: Proefsleuvenonderzoek: 1.

Zijn binnen het plangebied archeologische sporen aanwezig? Zo ja, bespreek de horizontale c.q. verticale spreiding van de aanwezige archeologische sporen. Zo nee, kan dit worden verklaard?

2.

Wat is de aard van de aangetroffen sporen en structuren? Bespreek de datering, fasering en uiterlijke kenmerken van de aangetroffen structuren. Illustreer de onderscheiden structuren. Indien vindplaatsen uit meerdere duidelijk te onderscheiden archeologische tijdvakken aanwezig zijn, worden deze apart besproken en geïllustreerd.

2 Delporte 2023.

10

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

3.

Strek(t)(ken) de vindplaats(en) zich uit over het gehele plangebied of kunnen deze begrensd worden?

4.

Bespreek de gaafheid van de onderscheiden vindplaats(en) en de conserveringstoestand van metaal, organisch en ecologisch materiaal; de laatsten conform de conserveringsklassen in de vigerende KNA c.q. de in de beroepsgroep gehanteerde methoden.

5.

Werden resten van een dijklichaam (Dopersdijk) aangetroffen? Zo ja: a. Bespreek en illustreer de opbouw, afmetingen, materiaalgebruik van de (verschillende) dijk(fasen) en eventuele (dijk)sloten. Dateer de dijkaanleg. b. Hoe werd de dijk gefundeerd? Bespreek en illustreer de constructie‐ en funderingswijze. Werd hiervoor (rijs)hout gebruikt? Hoe werd dit rijshout vastgezet? Werden kleikisten, balkenconstructies, afzinkstukken, o.i.d. gebruikt? En zo ja, hoe werden deze opgebouwd? c. Werden andere structuren in of onder de dijk aangetroffen? Bespreek en illustreer de aard, functie, datering en relatie tot de dijk. d. Bespreek de aangetroffen (dijk)structuren in relatie tot de geologische context. e. Bespreek de herkomst van het voor de dijk gebruikte bouwmateriaal (hout, steen, etc.). f. Hoe moet met het dijklichaam worden omgegaan bij toekomstig onderzoek in de omgeving van het plangebied?

Booronderzoek: 6.

Werden tijdens het booronderzoek paleosols aangetroffen en onderzocht? Zo ja, in welke delen van het plangebied en op welke diepte(n).

7.

Werden binnen het plangebied in en op deze paleosols vondsten aangetroffen? Zo ja, welk type van vondsten betreft het?

8.

Uit welke periode dateren de aangetroffen paleosols, zijn er m.a.w. dateerbare vondsten aangetroffen?

Algemeen: 9.

Zijn binnen het plangebied behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig? Bespreek de waardering (conform KNA‐bijlage IV Waarderen van vindplaatsen) per onderscheiden vindplaats. Geef tevens aan hoeverre deze in de groter onderzoekskaders van de NOaA, POAZ en/of GOAS.

10. Koppel de onderzoeksresultaten terug naar het vooronderzoek en het opgestelde archeologische verwachtingsmodel. Koppel de vondsten en sporen indien mogelijk tevens in een ruimere context en relatie tot de resultaten van eerder uitgevoerd onderzoek in de omgeving 11. Wat is het selectieadvies? Worden de aanwezige archeologische resten bedreigd door de voorgenomen inrichting? Wordt vervolgonderzoek of andere maatregelen (fysiek behoud) binnen het plangebied noodzakelijk geacht? 12. Heeft dit gevolgen voor de dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan? Zo ja, leg uit en doe een voorstel.

11

ARTEFACT RAPPORT 771

1.3

EEDE DE VLASCHAARD

Opzet en processtappen

De volgende hoofdstukken omvat de resultaten van het archeologisch onderzoek. Het inventariserend veldonderzoek bestaat uit 4 deelprocessen: 1.

Het voorbereiden van het veldwerk De voorbereiding van het veldwerk omvat alle werkzaamheden die nodig zijn om het veldwerk te kunnen uitvoeren, kort gesteld een praktische vertaling van het PvE resulterend in een PvA: Coppens, E., 19‐01‐2023. Plan van Aanpak: Eede De Vlaschaard. Gemeente Sluis. Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven.

2.

Het uitvoeren van het veldwerk Het veldwerk werd uitgevoerd tussen 23 januari en 16 februari 2023.

3.

Uitwerken en rapportage Op basis van het PvE worden de resultaten van het veldwerk geanalyseerd en vastgelegd in een eindrapport. Het voorliggend rapport is het product daarvan.

4.

Deponeren Na afronden van het eindrapport wordt de documentatie overgedragen aan de betreffende depothouder/eigenaar. Product daarvan zijn de overdrachtsverklaringen.

In hoofdstuk 2 worden de resultaten van het vooronderzoek samengevat waarbij aandacht gaat naar een beschrijving van de (verwachte) vindplaats in zijn archeologische en landschappelijke context en/of het archeologische verwachtingsmodel. Hoofdstuk 3 beschrijft de gehanteerde onderzoeksmethoden en technieken. Een beschrijving van de bodem en/of archeologische stratigrafie is opgenomen in hoofdstuk 4 (conform de eisen in Opgravingsspecificatie 14). De vondsten en sporen zullen worden besproken in hoofdstuk 5 en 6. Hoofdstuk 7 zal tenslotte volledig gewijd zijn aan het booronderzoek. Deze gegevens worden samengebracht in hoofdstuk 8 waarbij in de conclusie de onderzoeksvragen worden beantwoord, de vindplaatsen worden gewaardeerd en een selectieadvies wordt geponeerd (conform VS05, 06 en 07).

12

ARTEFACT RAPPORT 771

2

Archeologische verwachting

2.1

Inleiding

EEDE DE VLASCHAARD

Voorafgaand aan dit onderzoek is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd:  Van den Berg, M. en Wattenberghe, J.E.M., 2022. Eede De Vlaschaard. Gemeente Sluis. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact! rapport 722, Zaamslag. In het in 2022 uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek is een inventarisatie gemaakt van de verwachte en bekende archeologische waarden binnen het plangebied. Het resultaat van dit onderzoek was een archeologisch verwachtingsmodel dat vervolgens werd getoetst door een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Het archeologische verwachtingsmodel is hieronder overgenomen. Voor een uitgebreide beschrijving en kaartmateriaal wordt verwezen naar bovengenoemd rapport.

2.2

Archeologisch verwachtingsmodel

Tijdens het vooronderzoek is vastgesteld dat het plangebied deel uitmaakt van een grote dekzandvlakte ten zuiden van de dekzandrug waarop Aardenburg is gelegen. In totaal zijn 48 boringen binnen het plangebied gezet tot een maximale diepte van 3,0 meter beneden maaiveld (1,80 meter ‐NAP). Hieruit is gebleken dat de ondergrond bestaat uit fluviatiele afzettingen behorend tot de Formatie van Koewacht met daarboven eolische afzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). De afzettingen van de Formatie van Koewacht bestaan afwisselend uit zand, zandige leemlagen, dunne grindlagen en veenlaagjes. Het zand zelf kan omschreven worden als matig tot zeer fijn, zwak tot uiterst siltig, donkergrijs of bruin van kleur. In enkele gevallen kon het ook humeus zijn. Dit kalkrijke pakket is in de boringen aangetroffen op een diepte tussen 1,55 en 2,30 meter beneden maaiveld (0,52 – 1,16 meter ‐NAP). De afzettingen van deze formatie kunnen worden geïnterpreteerd als verlande rivierafzettingen van de Oude Schelde. De fluviatiele afzettingen worden vervolgens afgedekt door een dik eolisch pakket dat gerekend kan worden tot de Formatie van Boxtel. Dit pakket kan bestaan uit zandige en lemige lagen en wordt ook wel de C‐horizont genoemd, ofwel de schone moederbodem van het Laagpakket van Wierden.

Hierin kunnen ook humeuze vegetatielagen voorkomen die zijn gevormd in interstadialen ten tijde van de laatste ijstijd en die in koudere perioden vervolgens weer zijn overstoven. Deze afgedekte lagen, die een dikte kunnen hebben van enkele decimeters, zijn begraven A‐ horizonten. De top van het dekzand is door landbouwactiviteiten doorploegd en vormt daarmee een 30 tot 45 centimeter dikke bouwvoor, ook wel een Ap‐horizont genoemd. De bovenkant van de C‐horizont bevindt zich op een diepte tussen 0,43 en 0,86 meter +NAP. In de boringen 3, 30, 35 en 37 is tussen de bouwvoor en de C‐horizont een 5 tot 10 centimeter dik restant van een oude akkerlaag aangetroffen op een diepte tussen 0,30 en 0,35 meter beneden maaiveld (0,48 – 0,91 meter +NAP). Op basis van aardewerk uit de onderzijde van deze laag, kon deze worden gedateerd in de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Kort samengevat bestaat de ondergrond binnen het plangebied uit een AC‐profiel. In twee boringen zijn twee kleine fragmenten vuursteen waargenomen. In boring 35 kwam deze uit een vegetatiehorizont van het Laagpakket van Wierden op een diepte van 0,95 meter ‐mv (0,17 meter ‐NAP). In boring 23 is het fragment aangetroffen bovenin de gebioturbeerde C‐horizont op een diepte van 0,45 meter ‐mv (0,75 meter +NAP).

Mogelijk is, vanwege de geringe afmetingen, dat deze met de wind zijn meegevoerd, aangezien putcorrosie en windlak op het vuursteen kon worden herkend.

13

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

In de boringen 41 t/m 48, 21 en 34 zijn direct onder bouwvoor sporen aangeboord die vermoedelijk konden worden geïnterpreteerd als sloten of greppels. In de vulling van deze sporen zijn baksteen, puin‐ en houtskoolspikkels vastgesteld. Deze hadden een diepte tussen 0,80 en 1,25 meter ‐mv (0,61 m +NAP – 0,53 m ‐NAP). Twee andere sporen werden, tevens direct onder de bouwvoor, beschreven in de boringen 6 en 9, maar de aard daarvan kon tijdens het onderzoek niet worden achterhaald. Mogelijk handelt het om een gedempte sloot, maar bomkraters kunnen ook niet worden uitgesloten. Aan de hand van het bureau‐ en booronderzoek is een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen opgesteld:  Archeologische resten uit het Laat‐Paleolithicum kunnen voorkomen op het niveau van de Formatie van Koewacht. Hiervoor is een onbekende verwachting aangehouden, mede vanwege het feit dat over dit landschap en het gebruik ervan nog maar weinig bekend is.  Voor het Finaal‐Paleolithicum op het niveau van het Laagpakket van Wierden is daarentegen een middelhoge verwachting geuit, aangezien mogelijke paleosols zijn aangetroffen op een diepte vanaf 0,90 meter ‐mv (0,28 meter +NAP) en er een schilfer vuursteen uit een van de boringen is verzameld.  Voor vindplaatsen uit het Mesolithicum in de intacte top van het Laagpakket van Wierden geldt een lage verwachting.

Deze top is namelijk volledig opgenomen in de bouwvoor, zodat ondiepte sporen en in situ aanwezige vondststrooiingen niet langer meer aanwezig zullen zijn.  Dieper ingegraven sporen kunnen worden verwacht voor de periode Neolithicum tot en met de Middeleeuwen, eveneens in de top van het eolische dekzandpakket. Ondanks dat er tijdens het booronderzoek geen aanwijzingen voor vindplaatsen zijn gevonden, is een hoge verwachting voor deze tijdsspanne aangekaart.  Kaartmateriaal heeft aangetoond dat in de Nieuwe Tijd het plangebied uitsluitend is gebruikt als landbouwgrond. Mogelijk dateren wel enkele sloten en/of greppels uit deze periode, maar ze zijn niet direct als vindplaats te duiden. Om deze redenen geldt voor de Nieuwe Tijd een lage verwachting.

14

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

3

Onderzoeksmethodiek

3.1

Proefsleuvenonderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO‐P) van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 3 De eisen aan het onderzoek staan beschreven in een Programma van Eisen dat werd beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid: Delporte, F.M.J., 2023. Programma van Eisen Eede De Vlaschaard. Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven en boringen (protocol 4003): karterende en waarderende fase. Artefact! PvE 144, Zaamslag. ONDERZOEK: proefsleuven en vlakken Aantal proefsleuven

123

Oppervlak werkputten

Circa 5.560 m²

Aantal vlakken

2

Diepte werkput vlak 1

0,20 – 0,80 m +NAP

Diepte werkput vlak 2

0,10 – 0,17 m +NAP

Het veldwerk werd uitgevoerd door E. Coppens (Senior KNA Archeoloog), J. Kiburg (KNA Archeoloog MA), K. Tejero (Archeoloog) en D. Winterswijk (Archeoloog). Het volledige perceel is gebruikt als landbouwgrond, waar recentelijk nog maïs op heeft gestaan. Ondanks dat deze reeds zijn geoogst, stonden de onderste delen van de stengels nog wel overeind. In de meest zuidoostelijk gelegen strook, wat deel uitmaakt van perceel 375, zijn hoge bomen en struikgewas aanwezig . In dit deel zijn dan ook geen proefsleuven gepland. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 59.718 m2. In totaal waren 136 proefsleuven gepland van 4 bij 10 meter, met uitzondering van een haakse sleuf (nr. 122) met een lengte van 30 meter (figuur 3). Conform de richtlijnen van de Provincie Zeeland voor archeologisch vooronderzoek dient een dekkingsgraad bij een proefsleuvenonderzoek tussen de 5 en 10% te worden aangehouden. De te onderzoeken oppervlakte bedraagt in dit geval 5.480 m2, een dekkingsgraad van 9%. De resterende 1% van 517 m2 werd gereserveerd om, indien noodzakelijk, de sleuven uit te kunnen breiden. Van de 136 sleuven zijn er uiteindelijk 123 aangelegd. In de noordwestelijk hoek van het plangebied kon de geplande proefsleuf (put 7) om technische redenen niet worden uitgegraven. De grond was er zodanig nat dat de kraan erin dreigde weg te zakken.

De putten 106, 107, 115‐119 en 128‐132 in het zuidwesten van het plangebied lagen binnen een zone die verdacht was op asbest. Er zijn daadwerkelijk asbestconcentraties in het veld aangetroffen, waardoor onderzoek in dit gebied pas had kunnen plaatsvinden na saneringswerkzaamheden. Echter, aangezien er in de overige sleuven geen behoudenwaardige vindplaatsen zijn waargenomen, is in overleg met de bevoegde overheid besloten dat het niet noodzakelijk was dit deel van het plangebied nog te onderzoeken. Kortom zijn er om deze redenen in totaal 123 proefsleuven aangelegd met een oppervlakte van 5.560 m2 (figuur 4 en bijlage 4). Uitbreiding van de putten heeft plaatsgevonden bij 21, 39, 56, 74, 80, 94 en 105. Dit om de omvang van enkele sporen te kunnen bepalen of om te achterhalen of bepaalde sporen deel uitmaakten van een groter geheel. De haaks geplande sleuf 122 diende om de sloot/greppel te kunnen couperen die was aangeboord in het vooronderzoek en om een doorsnede te verkrijgen van de Dopersdijk. De put is nochtans 4 meter richting het zuidoosten verlegd, zodat een zo volledig mogelijke dijkdoorsnede kon worden gedocumenteerd in een lengteprofiel. Na het afronden van het veldwerk zijn de proefsleuven met behulp van de kraan gedicht en aangereden. Er is laags‐ en vlaksgewijs gegraven met een graafmachine met gladde bak.

In het PvE is voorzien in de aanleg van één archeologisch vlak in de top van de natuurlijke afzettingen. Tijdens het onderzoek zijn er geen tussenliggende archeologische niveaus aangetroffen die gedocumenteerd dienden te worden. Er is slechts een tweede vlak in werkput

3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

15

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

64 aangelegd om een duidelijker beeld te kunnen verkrijgen van de onderlinge verhoudingen tussen sporen die in het eerste vlak waren aangetroffen. Ter plaatse van de Dopersdijk is in het PvE voorzien voor de aanleg van drie vlakken: één ter hoogte van de kruin of wat rest van het dijklichaam, één ter hoogte van de zool van de dijk en één tot circa 0,5 meter onder de zool van de dijk of eventueel daaronder gelegen funderingsconstructies. Dit onderscheid was bij het uitgraven van de put niet te maken. Er is daarom slechts één vlak aangelegd onder de zool van de dijk, in de natuurlijke afzettingen. De vlakken zijn handmatig bijgeschaafd en volledig gedocumenteerd conform KNA 4.1 Protocol 4003. Dit wil zeggen dat het vlak is getekend en gefotografeerd. Het vlak in de haakse sleuf 122 is slechts daar gefotografeerd waar sporen aanwezig waren in het vlak. Zowel van het vlak als het maaiveld zijn hoogtematen genomen. De metaaldetector is bij de aanleg van het vlak, het afwerken van profielen en het couperen van sporen gehanteerd. De graafwerkzaamheden zijn begeleid door medewerkers van het bedrijf dat de OCE‐begeleiding uitvoert. Bij het aanleggen van de proefsleuven zijn eerst de ondiepe punten benaderd die bij een eerdere oppervlaktedetectie werden vastgelegd. De dieper gelegen objecten zouden na het afronden van het archeologisch onderzoek worden bekeken.

Daar de grond op enkele delen van het perceel redelijk drassig was, kon het rijden van de kraan over het terrein voor een verplaatsing van de te benaderen punten zorgen in de bovenste 45 centimeter. Om te voorkomen dat opnieuw een inspectie uitgevoerd diende te worden, zijn deze punten als eerst benaderd eer het archeologisch onderzoek verder werd voortgezet.

Figuur 3 Ligging van de geplande proefsleuven en boringen op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023.

16

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

SPOREN Aantal sporen

177 (Sporen‐ en vullingenlijst opgenomen in bijlage 7)

Vlak ‐ spoortekening

Nabewerking in ArcGIS, alle vlaktekeningen opgenomen in bijlage 4

Foto

Foto’s raadpleegbaar in het (digitaal) depot. Fotolijst opgenomen in bijlage 7. Digitaal (RTK‐GNSS): vlakhoogten op regelmatige afstanden

Plaats‐ en hoogtebepaling

Aan alle in het profiel en vlak aanwezige (ophoog)lagen is een spoornummer uitgedeeld. De natuurlijke afzettingen hebben een laag nummer gekregen, te beginnen vanaf 1. Deze zijn in alle werkputten gebruikt, indien ze met elkaar konden worden gelinkt. De antropogene sporen zijn daarentegen zoveel mogelijk genummerd per put, te beginnen vanaf een duizendnummer. Met uitzondering van de spoornummers die zijn uitgedeeld aan de dijk. Deze werden ook in andere sleuven gebruikt om het geheel meer overzichtelijk te houden. Aan de recente en natuurlijke sporen die zijn ontstaan door bioturbatie, planten of boomval, werd naar beneden genummerd vanaf 999.

Figuur 4 Ligging van de uiteindelijk aangelegde proefsleuven en uitgevoerde boringen. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2023

17

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

PROFIELEN Aantal profielopnames

119 (locatie zie bijlage 5)

Profieltekening

Gedigitaliseerd (zie bijlage 5)

Foto

Enkele profielfoto’s zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en 5, overige foto’s raadpleegbaar in het (digitaal) depot. Fotolijst opgenomen in bijlage 7. Profiellijn en/of meetpennen digitaal ingemeten (RTK‐GNSS)

Plaats‐ en hoogtebepaling

Omdat er geen (complex gestratificeerde) vindplaats is aangetroffen zijn geen volledige lengteprofielen gedocumenteerd. Conform PvE kon worden volstaan met kolomopnames. Enkel in put 122 is vanwege de doorsnede van de dijk wel een volledig lengteprofiel getekend. De profielen zijn met een honderdnummer geregistreerd naar putnummer. De profielbeschrijvingen zijn uitgevoerd door een Senior KNA‐archeoloog. De inzet van een fysisch geograaf of bodemkundige bleek niet noodzakelijk. Coupes Aantal coupes

25

Coupetekening

Gedigitaliseerd (zie bijlage 6)

Foto

Enkele coupefoto’s zijn opgenomen in hoofdstuk 5, overige foto’s raadpleegbaar in het (digitaal) depot. Fotolijst opgenomen in bijlage 7. Coupelijn en/of meetpennen digitaal ingemeten (RTK‐GNSS)

Plaats‐ en hoogtebepaling

De kleine sporen zijn met de hand gecoupeerd. Bij grotere sporen is de graafmachine ingezet die laagsgewijs naar beneden heeft verdiept. Er is getracht zo veel mogelijk sporen tegen de profielwand aan te couperen, zodat deze bij de profielkolommen konden worden betrokken. Er zijn met name geïsoleerde sporen aangetroffen. Daar het een grote hoeveelheid afwateringsgreppels betrof uit de Nieuwe Tijd, is in overleg met de bevoegde overheid toestemming gekregen niet alle grpeppels te moeten couperen. Bij een clustering van recente palen is tevens slechts van een selectie een doorsnede gemaakt en gedocumenteerd. DOCUMENTATIE Vlak ‐ spoortekeningen

Digitaal (RTK‐GNSS)

Profiel ‐ coupetekeningen

Analoog (A3, Decal PS 097 tekenpolyester)

Veldgegevens

Digitaal op IPad (numbers toepassing GRAAF)

Dag/weekrapporten

Digitaal op IPad (numbers toepassing EPISTEL)

Gebruikte codelijsten ‐ standaard

ABR2.0 en (afgeleide van) ASB

Plaats‐ en hoogtebepaling

RTK‐GNSS: GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2cm

De documentatie van de onderzoeksresultaten is grotendeels digitaal uitgevoerd. Tijdens de uitwerking is de ruwe (meet)data nader bewerkt en/of gedigitaliseerd. De in het veld genomen beslissingen ten aanzien van de onderzoeksstrategie, de waarnemingen in het veld, voorlopige interpretaties, bijzonderheden, etc. zijn bijgehouden in een dagrapport.

3.2

Booronderzoek

In een deel van het plangebied is naast het proefsleuvenonderzoek ook een karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek is nagegaan of op de eerder vastgestelde paleosol behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Het booronderzoek is getrapt opgezet. In de eerste fase zijn 24 boringen gezet in een grid van 10 bij 10 meter rondom boring 35 uit het vooronderzoek (figuur 4), waaruit een fragmentje vuursteen is verzameld. 18

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

Er is geboord met een edelmanboor met een diameter van 15 cm tot beneden de aanwezige paleosol. In de praktijk bedroeg de boordiepte 1,20 tot 1,60 meter ‐mv. Daar waar de paleosol aangetroffen, is deze bemonsterd (20 monsters in totaal, zie monsterlijst in bijlage 8). Boring 5 is gestaakt (te veel klei, niet haalbaar met een edelmanboor 15). In boringen 6, 10, 21 en 24 is geen paleosol waargenomen en dus ook niet bemonsterd. De monsters zijn vervolgens nat gezeefd over een zeef met maaswijdte van 1 mm, gedroogd en gesplitst. Dit heeft echter geen aanwijzingen geleverd voor de aanwezigheid van vindplaatsen, waardoor de tweede fase van het booronderzoek, conform PvE, achterwege kon blijven. Tijdens deze tweede fase zouden rondom boringen 24, 36, 37 en 38 uit het vooronderzoek nog 78 boringen in eenzelfde grid worden gezet (figuur 3).

19

ARTEFACT RAPPORT 771

4

EEDE DE VLASCHAARD

Bodem en stratigrafie

De algemene bodemopbouw is gedocumenteerd aan de hand van vele profielkolommen. De maaiveldhoogte binnen het plangebied is in het westen, langsheen de Praatvlietsche watergang, 0,80 meter +NAP en vanwaar het richting het oosten kan oplopen tot circa 1,26 meter +NAP. In het uiterste zuidoosten van het onderzoeksterrein, waar op het blote oog nog een lichte verhoging in het landschap waarneembaar is van de deels geslechte Dopersdijk, is een maaiveldhoogte gemeten van zelfs 2,15 meter +NAP. De bodemopbouw is binnen het volledige plangebied over het algemeen vrij gelijkaardig en bestaat uit een doorploegde laag, de huidige bouwvoor, met daaronder het dekzand. In het kort is dit een eenvoudig AC‐ profiel. De 30 tot 50 cm dikke bouwvoor (spoor 2) vormt de A‐Horizont en het moedermateriaal van het dekzand de C‐Horizont (spoor 1). Eerste is een zwak siltig matig humeuze zandlaag die donker bruingrijs van kleur is. Het dekzand bestaat hoofdzakelijk uit een zwak siltig zandpakket, lichtbruin van kleur met bruine vlekken en een spoor van roest. Een enkele keer is een tweede vulling onderscheiden (profiel 7801, bijlage 5) die een eerder matig siltige grijze structuur had en minder roestvlekken bevatte.

Wanneer de profielen in bijlage 5 per raai worden bekeken van west naar oost, valt op dat het dekzand richting het oosten langzaam oploopt, wat tevens correspondeert met de zojuist genoemde maaiveldhoogtes. De top van de C‐Horizont in het westelijk deel van het plangebied ligt rond de 0,58 meter +NAP en kan in het oostelijk deel worden aangetroffen vanaf circa 0,86 meter +NAP. Tussen de bouwvoor en de ongeroerde afzettingen van het Laagpakket van Wierden, kon in het merendeel van het plangebied een laag worden onderscheiden die als spoor 4 is gedocumenteerd (figuur 6). In feite is dit onderdeel van spoor 2. Deze zogenaamde oudere bouwvoor is compacter van aard. In de beschrijving komt deze in grote lijnen overeen met spoor 2: een matig siltig grijze zandlaag met (licht)bruine vlekken en weinig roest. Het onderscheid tussen beiden kon daarom niet altijd worden gemaakt. Onder de dijk, in profiel 12201 en 13501 (bijlage 5), zijn restanten gevonden van een oude bodemvorming die plaats heeft gevonden op het dekzand voor de aanleg van de dijk in de 17 e eeuw (zie hoofdstuk 5). Het is in feite een oude A‐horizont, het oude voor‐17 e eeuwse maaiveldniveau. Spoor 7 bestaat uit donkergrijs zwak siltig zand waarin de processen van bioturbatie nog zichtbaar waren die destijds hebben plaatsgevonden.

In alle overige werkputten kon deze niet worden herkend, omdat het daar volledig is opgenomen in de vele eeuwen beploegde bouwvoor (spoor 2 en 4). De overgang van de A‐ naar de C‐horizont in de vorm van een BC‐horizont (spoor 6) kon worden vastgesteld in profiel 13301 (figuur 7 en bijlage 5) vanaf circa 0,96 meter +NAP. De sterk gebioturbeerde laag is een zwak siltige zandlaag, bruin van kleur met lichtbruine vlekken. In het vlak werden met enige regelmaat in de top van het dekzand witte tot lichtgrijze vlekken waargenomen met vaak een donkere kern (spoor 998, 5000, 5001, 5003, 9000, 11001, 12000, 12001, 13002, 14000‐14009, 16001‐16005, 17004, 24001, 24003, 48001, 94002 en 109000). Het ontstaan van deze sporen is te wijten aan verschillende natuurlijke processen, zoals bioturbatie, boomval en uitspoeling. In enkele gevallen namen deze vrij grote vormen aan, zoals in put 48 (spoor 48001). Een donkerbruin tot zwart binnenste met een witte rand eromheen, deed in de eerste instantie denken aan een mogelijke haardplaats. Tijdens het couperen werd echter geen materiaal aangetroffen dat deze interpretatie kon ondersteunen (figuur 5). De kleurschakeringen waren het gevolg van natuurlijke bodemprocessen, mogelijk handelt het hier om een boomval.

20

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

S 48001

S 48002 S1

Figuur 5 Coupe met aanduiding van de natuurlijke vlek (spoor 48001), een paalkuil (spoor 48002) en het dekzand (spoor 1)

In het bureauonderzoek werden langs de Praatvlietsche watergang afzettingen van het Laagpakket van Walcheren verwacht, maar niet aangetroffen in de boringen. Uit het proefsleuvenonderzoek kwam naar voren dat deze wel degelijk aanwezig zijn binnen het terrein, zei het in zeer beperkte mate (spoor 5, figuur 6). Dit jonge pakket was geconcentreerd in twee zones: in het zuidwesten langs de watergang (werkput 93, vanaf 0,60 meter +NAP) en in de nabijheid van de voormalige Dopersdijk (vanaf 0,84 meter +NAP). Dit heeft te maken met een dijkdoorbraak in de tweede helft van de 17 e eeuw, waarbij een deel van het perceel onder water kwam te staan. In hoofdstuk 5 zal hier dieper op worden ingegaan bij het bespreken van de dijk zelf. Het Laagpakket van Walcheren verschilt in dikte tussen de 6 en 20 centimeter. Het is een donker grijsbruin matig zandig kleipakket met weinig roestvlekken.

S2

S 122001 vl. 4 S2 S 122001 vl. 3 S 122001 vl. 2 S4 S 122001 vl. 1 S5 S6 S1

Figuur 6 Profiel 12501 met aanduiding van de bouwvoor (spoor 2), de oude bouwvoor (spoor 4), het Laagpakket van Walcheren (spoor 5) en het dekzand (spoor 1).

Figuur 7 Profiel 13301 met aanduiding van de bouwvoor (spoor 2), de dijk (spoor 122001) en de BC‐ horizont (spoor 6).

21

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

Tenslotte is een restant veen (spoor 3) aangetroffen in profiel 401 (figuur 8 en bijlage 5). Het bevindt zich onder de gecoupeerde greppel, maar maakt hier geen onderdeel van uit. Na bodemvorming, waarbij het veen tot stand is gekomen, is deze begraven onder een nieuwe laag sedimentatie: een paleosol. Vanwege de geringe diepte van de aan te leggen vlakken en de gecoupeerde sporen, is in de rest van het onderzoeksgebied het veen niet meer bereikt.

S2

S 4000 vl. 1

S 4000 vl. 3 S 4000 vl. 2 S1

S3

Figuur 8 Profiel 401 met aanduiding de bouwvoor (spoor 2), de greppel (spoor 4000), het dekzand (spoor 1) en het veen (spoor 3).

22

ARTEFACT RAPPORT 771

5

EEDE DE VLASCHAARD

Sporen

Naast de zojuist beschreven natuurlijke lagen, zijn er in totaal 139 spoornummers uitgedeeld aan antropogene sporen. In grote lijnen betreft dit greppels, kuilen, paalsporen, recente verstoringen en een dijklichaam. Hieronder zullen de sporen per type worden besproken.

Greppels Wat met name opviel tijdens het veldwerk, is de grote hoeveelheid greppels die zijn aangetroffen. Aan deze categorie zijn wel liefst 101 spoornummers uitgedeeld en vormen daarmee de overgrote meerderheid van alle waargenomen spoortypes. Ze zijn gevuld met zwak tot matig siltig zand, maar een enkeling heeft daarentegen een meer kleiige structuur (bijv. spoor 35000, 49000, 64000, 80000, 91000, 105001 en 123002).De kleuren variëren van grijs tot bruin met de aanwezigheid van bruine of grijze vlekken. Over het algemeen zijn in een groot deel inclusies van baksteen‐ en houtskoolspikkels gevonden. Aan de hand van de sporenkaart (bijlage 4) kan er een onderverdeling worden gemaakt tussen de brede greppels die in noordoost‐zuidwestelijke richting verlopen (figuur 10) en waarop de smallere greppels afwateren die een noordwest‐ zuidoost oriëntatie hebben (figuur 8 en 9). Een deel van de greppels is gecoupeerd en hebben een diepte uiteenlopend tussen de 0,10 en 1,16 meter. De zojuist gemaakte classificatie tussen smalle en brede greppels gaat hierin niet op. De noordwest‐zuidoost gelegen smallere greppels kunnen een zelfde diepte hebben als de noordoost‐zuidwest gesitueerde brede afwateringsgreppels.

S2

S 6001

S 6000 S1

Figuur 9 Profiel 601 met aanduiding van de twee greppels (spoor 6000 en 6001), de bouwvoor (spoor 2) en het dekzand (spoor 1).

De exacte datering van de individuele greppels kan moeilijk worden achterhaald. Dateerbaar materiaal, in de vorm van aardewerk en bouwkeramiek, dat uit enkele sporen tevoorschijn is gekomen, laten vooral een zwaartepunt zien tussen de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Uit 6 greppels (spoor 28000, 29000, 49000, 88000, 89000 en 92000) is materiaal uit de Late Nieuwe Tijd tot in de Recente Tijd aangetroffen, wat doet vermoeden dat deze in de vorige eeuw gedempt zijn. Hun ontstaan kan echter al enige tijd eerder gezocht worden. Zeer nauwkeurig is de Kadastrale Minuut uit de eerste helft van de 19e eeuw. Desondanks kunnen de weergegeven perceelgrenzen op deze kaart moeilijk één op één geïdentificeerd worden met de in het vlak gedocumenteerde sporen. Dit komt mede door de hoeveelheid greppels die zijn aangetroffen, alsook door de niet geheel juiste projectie van de kaart op de huidige topografische kaarten. Een lichte verschuiving van beide kaarten kan tot gevolg hebben dat de identificatie van de sporen met de afgebeelde perceelsgrenzen iedere keer verandert. De Kadastrale Minuut zou een inzicht kunnen hebben gegeven in 23

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

de perceelsgreppels die ten tijde van de creatie van de kaart nog open lagen. Nu dient echter gezegd te worden dat niet noodzakelijk alle bestaande greppels en sloten op de Kadastrale Minuutplan werden weergegeven. Vergelijking met kaartmateriaal uit de tweede helft van de 17e eeuw leert dat enkele al terug tot deze periode kunnen worden gevoerd, met name de smalle noordwest‐zuidoost georiënteerde afwateringsgreppels (figuur 15). 4 Kortom, een precieze datering of fasering van de greppels is niet te achterhalen en is ook niet het doel van dit rapport. Wel kan worden samengevat dat de gelijkaardige oriëntatie van al deze greppels doet vermoeden dat ze in allen behoren tot dezelfde periode, die in dit geval niet nauwer gezet kan worden dan de Nieuwe Tijd. Sommigen gaan zeker al terug sinds het ontstaan van de polder in de tweede helft van de 17e eeuw, anderen zullen een iets jongere datering hebben. De enige greppel die van dit systeem afwijkt bevindt zich in werkput 99 (spoor 99000). Deze zou wellicht terug kunnen gaan tot het laatmiddeleeuwse landgebruik van het terrein.

S2 vl. 2

S 94001

vl. 1

vl. 4

vl. 1 vl. 3

vl. 4

S1

Figuur 10 Coupe spoor 94001 met aanduiding van de greppel (spoor 94001), de bouwvoor (spoor 2) en het dekzand (spoor 1).

Kuilen In de werkputten werden 17 kuilen vastgesteld (spoor 3001, 13001, 13003, 14005, 16000, 17001‐17003, 21000, 24004, 25003, 25004, 26001, 34001, 39002,111000 (figuur 11) en 121001). Hun vormen varieerden van rond en rechthoekig tot onregelmatig. De kuilen zijn opgevuld met zwak tot sterk siltig zand. Ze zijn (donker) grijs tot bruin van kleur met in sommige sporen de aanwezigheid van roestvlekken, baksteenbrokjes en houtskoolspikkels. De diepte van de sporen loopt, net zoals bij de greppels, sterk uiteen van 8 tot 60 centimeter (zie bijlage 5 en 6). Slechts uit twee kuilen (spoor 16000 en 111000) kwam materiaal tevoorschijn (vondst 16 en 72‐74). Het gaat met name om baksteenfragmenten en aardewerkscherven uit de Late Middeleeuwen tot Midden Nieuwe Tijd. De grote verspreiding van de sporen, het weinige vondstmateriaal dat ze bevatten en de afwezigheid in de directe omgeving van sporen die gelinkt kunnen worden aan een vindplaats, laat toe te constateren dat het om losse kuilsporen gaat.

4 Polderkaart van Hattinga uit 1654 (Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 287) en Kaart van de omgeving van Sluis,

Aardenburg en Middelburg door Fillieul uit 1682 (cartesius.be code: 514_0549_000_01345_000_0_0001).

24

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

S2

S 111000 S1

vl. 3

vl. 1

vl. 2 vl. 3

Figuur 11 Coupe spoor 111000 met aanduiding van de kuil (spoor 111000), de bouwvoor (spoor 2) en het dekzand (spoor 1).

Paalkuilen In totaal werden 18 paalkuilen die rond tot ovaal of vierkant tot rechthoekig van vorm waren (spoor 4001‐4003, 31002‐ 31006, 48002 (figuur 5), 60001‐60005, 87001, 98001,101000 (figuur 12) en 122004 (figuur 13)). Een selectie van de sporen is gecoupeerd en de kuilen bleken niet erg diep te reiken: tussen de 10 en 28 centimeter. Ze waren gevuld met (donker) (bruin)grijs zwak tot matig siltig zand. Er werd niets van materiaal in aangetroffen. Zowel de vorm, de geringe diepte en de vulling van de sporen, die overeenkomt met de bouwvoor spoor 2, laten een datering in de Late Nieuwe Tijd en Recente Tijd toe. De palen waren in rijen langs de greppels geplaatst en zullen aldus te maken hebben met nieuwe tijdse/recente perceelsindeling van het terrein.

Figuur 12 Coupe paalspoor 101000

Figuur 13 Coupe spoor 122004 met resten van de houten paal

Dijk Geheel ten zuiden van het plangebied is in werkput 122 een dijkdoorsnede gemaakt. Daar de grens van het perceel was begroeid met bomen en hoog struikgewas, was het niet mogelijk de dijk in zijn volledigheid te documenteren. Desondanks kon wel de complete fasering in profiel 12201 worden vastgesteld. In totaal zijn 12 vullingen

25

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

onderscheiden die aan de dijk (spoor 122001) konden worden gekoppeld. Hieronder zal kort de fasering en de bijbehorende vullingen worden besproken (zie ook bijlage 5):  Fase 1 vormt de kern van de dijk en is daarmee de oudst vastgestelde fase. Het is opgebouwd uit donker bruingrijs zwak siltig zand (vulling 1).  Fase 2 is bovenop fase 1 opgeworpen en bestaat uit drie vullingen: vulling 2, 3 en 4. Deze konden worden omschreven als een donkergrijs pakket van zwak siltig zand. De vierde vulling is eveneens opgebracht, maar in vergelijking met de beide andere vullingen, leek deze heterogener van aard.  Na de eerste verzwaring van de dijk (fase 2) heeft er een overstroming van een deel van het gebied plaatsgevonden. Deze is herkend als vulling 5, een natuurlijke laag van lichtbruin zwak siltig zand met donker grijsbruine vlekken en spoellaagjes. Mogelijk is echter ook dat hevige regenval een rol heeft gespeeld in het afkalven van delen van de dijk, aangezien het geheel volledig was opgebouwd uit zandige pakketten.  Volgend op de overstroming is de dijk opnieuw verzwaard (fase 3) met een donkergrijs zwak siltig zandpakket met grijs en lichtbruine vlekken (vulling 6).  De versterking van de dijk in fase 3 bleek nochtans niet voldoende te zijn.

Daarboven werd een nieuw pakket opgeworpen (fase 4) van lichtbruin zwak siltig zand met eveneens grijze en bruingrijze vlekken (vulling 7). Dit was in het profiel slechts een dunne laag.  Er vond een tweede overstroming of verspoeling plaats die fase 3 en 4 afdekte, maar ook de greppel die tot dan toe voor de dijk had gelegen (spoor 122000). Vulling 8 is aan dit overstromingspakket toegewezen en bestond uit een bruine zwak siltige zandlaag waarin lichtgrijze spoellaagjes aanwezig waren.  Daarop volgde fase 5, de vierde dijkverzwaring die nodig was het complex en het daarachterliggende gebied te beschermen. Dit pakket (vulling 9) dekte de volledige tweede overstroming en de derde en vierde fase van de dijk af. Het is een donkergrijze zwak siltige ophoging van zand.  De laatste fase van de dijk, en tevens ook de laatste ophoging, is fase 6. Het is eveneens een zwak siltig zandpakket, grijsbruin van kleur (vulling 10).  In profiel 13501 zijn nog twee vullingen aan de dijk toegeschreven, maar die niet direct met de zojuist genoemde vullingen konden worden gelinkt: vulling 11 en 12. Vulling 12 ligt onder het eerste overstromings/verspoelingspakket vulling 5 en is daarmee ook ouder. Ook in deze laag is verspoeld dekzand vastgesteld. Tussen een deel van vulling 5 en 12 is de elfde vulling te plaatsen.

Hierin zijn geen indicatoren van verspoeling waargenomen en de laag lijkt dan ook homogener in structuur te zijn. Het lijkt qua beschrijving en kenmerken sterk overeen te komen met de vullingen die behoren tot de eerste dijkverzwaringsfase (fase 2), daar deze bovenop vulling 12 is gelegen, is deze jonger van datering. Mogelijk kan hier nog een fase worden onderscheiden die tussen fase 2 en de eerste overstroming geplaatst kan worden. Uit verschillende vullingen is vondstmateriaal verzameld, echter vallen die allen in de periode Late Middeleeuwen tot in de Vroege of Midden Nieuwe Tijd (vondst 86, 87,90, 91, 97, 99, 100, 120‐126, 129 en 130). Om de fasering van de dijk daarmee te kunnen koppelen aan exacte jaartallen, is niet mogelijk. Aan de hand van literaire bronnen kan de dijk wel in zijn geheel in een historische context worden geplaatst, die de verschillende faseringen en overstromingen beter kan duiden. Uit de eerste fase van het vooronderzoek 5 is gebleken dat het dorp Eede is ontstaan in 1604, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog. In deze moeilijke periode kwam een groot deel rond Aardenburg onder water te staan door militaire inundaties. Dit had tot gevolg dat verschillende nieuwe kreken ontstonden, zo ook de Praatvlietsche 5 Van den Berg en Wattenberghe 2022, 31‐32.

26

ARTEFACT RAPPORT 771

EEDE DE VLASCHAARD

watergang die ten westen van het plangebied eindigt in een weel, ook wel de Biesput genaamd. De Vrede van Munster in het jaar 1648 markeerde het einde van de oorlog. Kort nadien is men begonnen de ondergelopen gronden terug te herwinnen. Het plangebied maakt deel uit van de polder de Bewester‐Eede‐bezuiden‐St.‐Pietersdijkpolder dat in 1650 tot stand kwam. Door zijn grote omvang is de polder onderverdeeld in kleinere polders, zo ook de Praatpolder waarbinnen het plangebied is gelegen. De Dopersdijk vormde de zuidelijke grens van de Praatpolder. Op een kaart uit 16536, slechts enkele jaren na het ontstaan van de polder, is de Dopersdijk weergeven en ten noorden daarvan, vanuit de Biesput, een greppel die richting het oosten verloopt en afwaterde in de Eede (figuur 14). Deze watergang kan waarschijnlijk gelijk gesteld worden aan spoor 122000 die in profiel 12201 ook voor de eerste twee fasen van de dijk loopt, voordat deze uiteindelijk langzaamaan dichtslibde en door vulling 8 volledig wordt afgedekt en buiten gebruik raakte. Tijdens het veldonderzoek zijn haaks op spoor 122000 meerdere greppels vastgesteld (spoor 135000, 123001, 123002 en in werkputten 134 en 136 spoor 122000, waarbij vulling 1 verschillende keren afbuigt richting de dijk zelf).

Deze landindeling komt goed overeen met een kaart uit 1682 waarop eveneens afwateringskanaaltjes zijn afgebeeld die tegen de dijk aanlopen (figuur 15). 7 Een deel van deze greppels zijn later op natuurlijke of antropogene wijze gedempt en afgedekt door latere overstromingen of dijkverzwaringen.

Figuur 14 Uitsnede van de kaart van de hydrografie van de polder “Bewester Eede”, vervaardigd in 1758 door A. Blankamer naar een kopie uit 1653.De Dopersdijk wordt aangeduid met de zwarte pijl. Bron: cartesius.be.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=cd65fa9f-27ea-43f1-800f-7f08b277bafc