b. Ruimtelijke Onderbouwing
Tekst van het document
•
Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat).
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Toets In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven die geurhinder kunnen veroorzaken. Er is dan ook geen sprake van eventuele geuroverlast. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geur’ geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
04.6
Trillingen
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet
De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid van artikel 5.79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. Echter zal met het oog op een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit,
29
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
bepalend zijn voor de functie van een locatie.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling moet bij de verlening van een BOPA bekeken worden of aanvullende eisen noodzakelijk zijn, door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: •
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);
•
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
•
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Toets Met dit project wordt een appartementencomplex met 13 levensloopbestendige appartementen en een commerciële ruimte op de begane grond gerealiseerd. Dit betreft een trillinggevoelige functie. In de omgeving van het projectgebied zijn geen functies (bijvoorbeeld een spoorlijn) aanwezig die trillinghinder kunnen veroorzaken. Ook worden er met voorliggend project geen functies mogelijk gemaakt waarbij activiteiten plaatsvinden die trillinghinder kunnen veroorzaken. Conclusie Het aspect trillingen vormt hierom geen belemmering voor de uitvoering van dit project.
04.7
Luchtkwaliteit
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om
aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
30
•
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
•
woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
•
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Toets Het voorliggende project maakt een nieuw appartementengebouw met 13 appartementen en op de begane grond commerciële ruimtes mogelijk. Gelet op de aard en omvang van het project en de bovengenoemde voorbeelden die zijn aan te merken als projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zoals 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, kan gesteld worden dat het hier gaat om een project die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Luchtkwaliteit’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van het beoogde project.
04.8
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid
als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
•
31
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
•
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
•
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen
van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
32
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: •
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
•
Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
•
Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
•
Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Toets Aan de hand van de ‘Risicokaart Nederland’ is een inventarisatie verricht van de mogelijk aanwezige risicobronnen rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Figuur 4.3 toont
FIGUUR 4.3: UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde risicobronnen op een ruime afstand van circa 500 m en 825 m van het projectgebied liggen. Het gaat hier om een sportcomplex (500 m afstand), waar verder geen risicocontouren voor zijn opgenomen. Op een afstand van ca 825 m ten noorden van het
33
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
een uitsnede van de ‘Risicokaart Nederland’ met het projectgebied in het zwart omcirkeld.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
projectgebied ligt een buisleiding van Gasuni. Deze buisleiding is voor onderhavig initiatief verder niet van belang, aangezien de projectlocatie buiten de risicocontouren van deze buisleiding ligt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Omgevingsveiligheid’ geen belemmeringen veroorzaakt.
04.9
Natuurwaarden
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: •
de leefgebieden van vogels;
•
de natuurlijke habitats of habitats van soorten;
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste
34
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI).
Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: •
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
•
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
•
Andere soorten (artikel 11.54 Bal).
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht
dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Toets natuurwaarden
35
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
In het kader van de beoogde herontwikkeling is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zoals opgenomen in bijlage 4. Uit de quickscan natuurwaarden zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.
Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie NDFF en soortenindicator BeSi).
In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in juli 2025 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten.
Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 9 juli 2025, is binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.
Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De winkel- en bovenwoningen zijn hermetisch gesloten voor fauna.
De afstanden tot de ecologische verbindingszones en percelen van het NNZ zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied geen negatieve invloed zullen hebben op de beschermde natuurgebieden.
Door de sloop van de bebouwing en de hierop volgende nieuwbouw van appartementen op het perceel, wordt het karakter van het gebied nauwelijks beïnvloed. Er verdwijnen echter geen verblijfs- of broedmogelijkheden, gezien de resultaten van het veldonderzoek.
Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt
De zorgmaatregelen bestaan in elk geval uit de volgende aspecten: 1.
Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: a.
36
Voer eventuele snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit.
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
vermeden dat de dieren hiervan te veel hinder zullen ondervinden.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
b.
Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.
c.
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.
d.
Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dienen de aanbevelingen in deze rapportage in acht te worden genomen.
2.
Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: a.
Indien verstoring plaatsvindt, dient een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten.
b.
Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst.
c.
Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken en groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
3.
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. a.
Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen.
4.
Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet
Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.
Stikstofdepositie
37
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
wordt overtreden.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een nieuw appartementengebouw met 13 appartementen en op de begane grond commerciële ruimtes. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: •
Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig.
•
Voor het bouwen is een bouwmelding nodig.
•
Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt.
•
Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: o
de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl)
o
de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling).
In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. In het kader van dit project is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen (zie bijlage 4).
Toets stikstofdepositie Met behulp van de vigerende AERIUS Calculator V2024.2.1, is de stikstofdepositie bepaald op de nabijgelegen natuurgebieden, door de realisatie van de 13 appartementen aan het Raadhuisplein 11-12 in Oostburg. De sloop vindt plaats in 2025, de bouw in 2026 en het gebruik vindt plaats vanaf 2027.
Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor de planjaren 2025 t/m 2027. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘natuurwaarden’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
38
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Conclusie
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
04.10 Archeologie en Cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Toets In het kader van het beoogde project is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.
Het westelijke deel van West-Zeeuws-Vlaanderen was oorspronkelijk een dekzandlandschap. Verspreid in het gebied zijn jachtkampjes geweest. Daarom kunnen in de top van het dekzandpakket archeologische waarden
manifesteren als een vondststrooiing van vuursteenartefacten en houtskool. Dit niveau bevindt zich waarschijnlijk op ongeveer 5 m onder het maaiveld.
In de loop van het Holoceen werd het dekzand bedekt door een veenpakket. In het noorden van Oostburg zijn archeologische sporen uit de Romeinse tijd gevonden in de top van het veenpakket. Een archeologische
39
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum aanwezig zijn. Een eventuele archeologische vindplaats zal zich
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
vindplaats zal waarschijnlijk bestaan uit een cluster van sporen en enig vondstmateriaal met voornamelijk aardewerk. Gedurende de Vroege Middeleeuwen werd het veenpakket afgedekt door getijdenafzettingen.
In de 10e eeuw werd op ongeveer 90 m ten noorden van het plangebied een ringwalburcht opgeworpen. Het gebied ten zuiden van de wal werd in de 11e eeuw gebruikt als kerkhof rondom de St. Elisgiuskerk. Daarom kunnen in het plangebied begravingsresten worden verwacht. In de 13e-14e eeuw werd de nederzetting, inmiddels een stad met stadsrechten, in zuidelijke richting uitgebreid. Een deel van het kerkhof, waarschijnlijk ook het plangebied, werd in gebruik genomen als woongrond. Het plangebied is al bebouwd op de oudste stadsplattegrond van Oostbrug uit de 16e eeuw. In de 17e eeuw werden als gevolg van de tachtigjarige oorlog versterkingen rondom Oostburg opgeworpen. De westelijke wal lag net ten westen van het plangebied. De omwalling raakte langzaam in verval aan het einde van de 17e eeuw en in de 18e eeuw. Op de locatie van de wal is later de Nieuwstraat aangelegd. Op al de geraadpleegde historische kaarten is het plangebied als bebouwd afgebeeld.
In 1944 werd door de geallieerden een offensief gepleegd om de strategisch belangrijke plaats Breskens te veroveren. Dit plan is bekend geworden als operatie Switchback. Als onderdeel hiervan werd in oktober 1944 een bombardement op Oostburg uitgevoerd, waarbij veel slachtoffers zijn gevallen en ook veel gebouwen zijn verwoest. Dat was waarschijnlijk ook het geval met het pand in het plangebied. In respectievelijk 1947 en 1949 werden de panden van de Raadhuisplein 11 en 12 gebouwd. Deze panden kregen in de tweede helft van de 20e eeuw een uitbreiding naar het zuidoosten.
Op basis van het bureauonderzoek kunnen archeologische waarden aanwezig zijn in de ondergrond van het plangebied. Omdat met name de archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd ondiep aanwezig kunnen zijn is er kans dat tijdens de sloop van de panden al een archeologische vindplaats verstoord wordt. Daarom is het beter om de panden te slopen tot het maaiveld, de funderingen te laten zitten en vervolgens een inventariserend veldonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) in het plangebied uit te voeren. Het is goed mogelijk dat hierbij archeologische waarden worden aangetroffen en dat het daarom noodzakekijk zal zijn het onderzoek op te schalen tot een archeologische opgraving. Omdat tijdelijk het gebied niet bebouwd is, biedt het ook de mogelijkheid om inzicht te krijgen in de diepe stratigrafie, bijvoorbeeld door het gelijktijdig uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van een booronderzoek (IVO-O). De precieze werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de
Cultuurhistorie Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Het dichtstbijzijnde monumentale pand is het gemeentehuis tegenover het projectgebied. De ontwikkeling van het nieuwe appartementencomplex heeft geen negatieve invloed op de uitstraling en zichtbaarheid van het gemeentehuis. Het nieuwe pand in relatie tot het gemeentehuis is getoetst door de welstandscommissie en positief
40
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
beoordeeld. Overige cultuurhistorische elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Conclusie In het archeologisch onderzoek wordt gesteld dat er mogelijk archeologisch waardevolle resten in het projectgebied aanwezig kunnen zijn. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Sluis) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Eventueel benodigde vervolgstappen worden als voorwaarde in de omgevingsvergunning opgenomen.
04.11 Mobiliteit en parkeren Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt moet getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid omtrent mobiliteit en parkeren is opgenomen in de ‘beleidsregel parkeren kern Oostburg’. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstig parkeren’ (uitgave 744).
Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten •
Stedelijkheidsgraad: ‘weinig stedelijk (500-1000 adressen per km²)’ en ‘centrum’.
Er wordt van de volgende categorieën en kengetallen uitgegaan om de verkeersgeneratie vanwege de beoogde ontwikkeling te bepalen: Huidige situatie Soort
CROW-categorie
woning/functie
Appartement huur
Huur,
duur
appartement,
Aantal
CROW-
Verkeersgeneratie
woningen/oppervlakte
kencijfer
bvo
(maximaal)
1
5,9
5,9
1
7,6
7,6
m² Appartement koop
Koop,
duur
appartement, >100 m² bvo
41
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
vrije sector, >100
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
Commerciële
Commerciële
ruimte
dienstverlening
513,6
12,9
Totaal
66,3
79,8
In de huidige situatie bedraagt de verkeersgeneratie afgerond 78 verkeersbewegingen per etmaal.
Toekomstige situatie Soort
CROW-categorie
woning/functie
Aantal woningen
CROW-
/oppervlakte bvo
kencijfer
Verkeersgeneratie
(maximaal) Appartement
Koop, appartement,
goedkoop
<75 m² bvo
Appartement
Koop, appartement,
goedkoop
75-100 m² bvo
Appartement duur
Koop, appartement,
5
5,6
28,0
7
6,2
43,4
1
7,6
7,6
152
12,9
19,6
>100 m² bvo Commerciële
Commerciële
ruimte
dienstverlening
Totaal
98,6
Zoals in bovenstaande tabel is af te lezen bedraagt de totale verkeersgeneratie die veroorzaakt wordt door het appartementencomplex en de commerciële ruimtes afgerond 99 verkeersbewegingen per etmaal.
Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie met 21 verkeersbewegingen per etmaal toe (berekening: 99-78). Gesteld kan worden dat deze minimale toename afgewikkeld kan worden door middel van de huidige wegenstructuur.
Om de parkeerbehoefte te bepalen voor het beoogde project is een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7).
Rekening houdend met de te realiseren ontwikkeling ontstaat er een nieuwe extra vraag op de parkeerdruk. Om te bepalen hoeveel hiervan aangelegd dient te worden bij de realisatie van de nieuwe ontwikkeling en
42
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Parkeren
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
hoeveel beroep er gedaan kan worden op de openbare ruimte, is het belangrijk om te weten hoeveel restcapaciteit er aanwezig is. Deze restcapaciteit wordt berekend door de parkeerdruk te nemen en de bovengrens te bepalen voordat de bezetting zorgt dat de grenswaarde van 85% parkeerdruk overstijgt. Het verschil tussen de bezetting en deze grenswaarde is de restcapaciteit. Deze capaciteit kan benut/onttrokken worden zonder dat het te druk wordt binnen dit gebied.
Huidige situatie Voor de huidige situatie is de parkeervraag berekend op basis van de parkeerkencijfers en aanwezigheidspercentages uit de beleidsregel parkeren kern Oostburg (2017). Hierbij is rekening gehouden met de maximale loopafstand van 100 meter voor bewoners.
Toekomstige situatie Voor de toekomstige situatie is ook de parkeervraag berekend op basis van de parkeerkencijfers en aanwezigheidspercentages uit de beleidsregel parkeren kern Oostburg (2017). Hierbij is rekening gehouden
43
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
met de maximale loopafstand van 100 meter voor bewoners.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
Verschil in parkeervraag tussen de huidige en toekomstige situatie Zoals in de parkeernota van de beleidsregel parkeren staat, kan de oude parkeervraag van de huidige functie in mindering gebracht worden op de nieuwe parkeervraag. De toe- of afname in parkeerbehoefte in de toekomstige situatie wordt berekend door het verschil in totale parkeervraag o.b.v. de aanwezigheidspercentages per meetmoment. Bij de te realiseren ontwikkeling van in totaal 13 appartementen en de commerciële ruimte wordt voorzien in 5 carports op eigen terrein. Het aantal af te wentelen plaatsen per meetmoment kan op basis van deze gegevens berekend worden voor
44
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
het gebied tot 100 meter loopafstand (voor bewoners) en voor het volledige gebied.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
In navolgende tabellen wordt de restcapaciteit weergegeven per meetmoment op basis van de parkeervraag
Wat direct opvalt, is dat er op alle meetmomenten restcapaciteit aanwezig is. In het gebied tot 100 meter afstand is er tenminste een restcapaciteit van 5 parkeerplaatsen tijdens de werkdagavond. In het volledige gebied is de restcapaciteit tijdens alle meetmomenten boven de 60 parkeerplaatsen. 45
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
per meetmoment.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de verkeersgeneratie die veroorzaakt wordt door de ontwikkeling afgewikkeld kan worden met de bestaande infrastructuur. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat er in de omgeving van het projectgebied voldoende restcapaciteit is om de parkeervraag op te vangen. Het aspect ‘Mobiliteit en parkeren’ vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project.
04.12 Water Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Algemeen Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Toets Middels het invullen en toesturen van het ‘aanmeldformulier watertoets’ is Waterschap Scheidestromen op de hoogte gebracht van de beoogde herontwikkeling. Waterschap Scheidestromen heeft aangegeven akkoord te zijn met de beoogde herontwikkeling voor wat betreft het aspect ‘Water’.
Binnen het projectgebied zijn geen watergangen of (beschermingszones van) waterkeringen aanwezig waar rekening mee gehouden moet worden.
In de huidige situatie bestaat het projectgebied volledig uit verhard oppervlak. Ook in de toekomstige situatie zal het projectgebied volledig verhard zijn. De oppervlakte aan verharding neemt daarmee niet toe.
Er worden voor het appartementencomplex geen materialen gebruikt die het grondwater kunnen vervuilen.
Voor wat betreft de riolering worden de appartementen en commerciële ruimtes aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Er worden met de ontwikkeling verder geen relevante waterschapsbelangen geraakt.
46
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Watercompensatie is niet noodzakelijk.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Water’ geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde project.
04.13 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •
Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
•
Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Toets Met dit project wordt de bestaande bebouwing ter plaatse van het Raadhuisplein 11-12 te Oostburg gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuw appartementencomplex met 13 appartementen en een commerciële ruimte gerealiseerd. Dit betreft een passende functie in het centrumgebied van Oostburg. De nieuwe appartementen zullen een bijdrage leveren aan het woongenot van de nieuwe bewoners. Daarnaast is door middel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Gezondheid’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de
47
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
ontwikkeling van het nieuw appartementencomplex.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
05 UITVOERBAARHEID
05.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd. Vooroverleg Provincie Zeeland Met het project worden geen belangen van de provincie Zeeland geraakt. Echter kan in het kader van het vooroverleg het project voorgelegd worden aan de provincie Zeeland. De provincie Zeeland heeft subsidie verleend voor de herontwikkeling van Raadhuisplein 12.
Waterschap Scheldestromen Gelet op de aard en omvang van het project worden er geen waterschapsbelangen geraakt. In het kader van het vooroverleg is het project middels het ‘aanmeldformulier watertoets’ aan Waterschap Scheldestromen voorgelegd. Waterschap Scheidestromen heeft aangegeven akkoord te zijn met de beoogde herontwikkeling voor wat betreft het aspect ‘Water’. Participatie Voor de beoogde herontwikkeling aan het Raadhuisplen 11-12 in Oostburg heeft participatie plaatsgevonden. Op 15 augustus 2025 zijn er bezoeken gebracht aan de omliggende locaties van de projectlocatie. Hierbij is het nieuwbouwplan toegelicht. Het participatieverslag wordt als separate bijlage toegevoegd.
Beslistermijn De beslistermijn voor aanvraag omgevingsvergunning is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal verlengen met maximaal 6 weken (artikel 16.64 lid 1 en 2 van de Omgevingswet, en 4:14 Algemene wet bestuursrecht).
De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.
48
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Bezwaar
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
05.2
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Uit artikel 13.11 Ow volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst afgesloten.
Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: •
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
•
die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.
49
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Middels een anterieure overeenkomst nadeelcompensatie zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG
06 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
06.1
Belangenafweging en conclusie
Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl.
Uit hoofdstuk 3 blijkt dat het project geen belemmering vormt voor het beleidskader van het rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 4 is getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling er nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is
50
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Ad Fontem ruimtelijk advies
074 255 7020
Stationsstraat 37
info@ad-fontem.nl
51 7622 LW Borne
www.ad-fontem.nl
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RAADHUISPLEIN 11-12 OOSTBURG