CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raad 19 december 2024, gemeente Sluis24.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

c.

Indien van het perceel gebruik wordt gemaakt door drie of meer personen € 356,45

2.

Het aantal personen dat gebruik maakt van een perceel wordt bepaald naar de situatie op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht.

Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de

2.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor

3.

4.

belastingplicht.

zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.

Artikel 8 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in

twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden

2.

later.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde

aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden

afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven,

met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen 3.

telkens een maand later.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9 Kwijtschelding Er wordt geen kwijtschelding verleend van afvalstoffenheffing voor een perceel als bedoeld in artikel 4, onderdeel d.

Artikel 10 Overgangsrecht De ‘Verordening afvalstoffenheffing 2024’ vastgesteld op 14 december 2023 wordt ingetrokken met

ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 11 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025

Artikel 12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening afvalstoffenheffing 2025’. Sluis, 19 december 2024

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

Verordening forensenbelasting 2025

De raad van de gemeente Sluis gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op artikel 223 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 10 december 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van een forensenbelasting 2025 (Verordening forensenbelasting 2025)

Artikel 1 Definitie Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.

Artikel 2 1.

2.

Belastbaar feit en belastingplicht

Onder de naam ‘forensenbelasting’ wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 3 Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap

bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.

2.

De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.

3.

Ingeval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting

4.

De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de

5.

berekend naar de waarde.

artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.

Het tarief van de belasting bedraagt 5 promille van de heffingsmaatstaf dan wel de waarde, met een minimum van € 500,00 en een maximum van € 5.000,00.

Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 6A Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in

twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden

2.

later.

In afwijking van het eerst lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde

aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden

afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven,

met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen 3.

telkens een maand later.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9 Overgangsrecht De ‘Verordening forensenbelasting 2024’ vastgesteld bij raadsbesluit van 14 december 2023 wordt

ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 10 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening forensenbelasting 2025’. Sluis, 19 december 2024

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

Verordening hondenbelasting 2025 De raad van de gemeente Sluis

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op artikel 226 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 10 december 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van de hondenbelasting 2025 (Verordening hondenbelasting 2025)

Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam ‘hondenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het houden van een hond binnen de gemeente.

Artikel 2 Belastingplicht 1. 2. 3.

Belastingplichtig is de houder van een hond.

Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.

Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.

Artikel 3 Vrijstellingen 1.

In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd

of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld

2.

overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. De belasting wordt niet geheven voor honden: a.

die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind

b.

die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een

c.

persoon worden gehouden;

gehandicapt persoon worden gehouden; die verblijven in een hondenasiel;

d.

die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als

e.

die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden;

f.

bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren; die in dienst zijn bij de politie.

Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.

Artikel 5 Belastingtarief 1.

2.

De belasting bedraagt per belastingjaar: a.

b.

voor een eerste hond € 69,30

voor iedere volgende hond € 128,60

In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in een kennel, per belastingjaar, per kennel € 247,55

Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kennel verstaan een inrichting als bedoeld in

artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van 3.

honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen.

Het tweede lid blijft buiten toepassing indien belastingplichtige schriftelijk verzoekt de verschuldigde

belasting vast te stellen naar het werkelijke aantal honden indien blijkt dat dit bedrag lager is dan het op voet van het tweede lid bepaalde bedrag.

Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de

2.

Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van

belastingplicht.

het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting voor het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde

belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het 3.

aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht

respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 9 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in

twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden

2.

later.

In afwijking van het eerst lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde

aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden

afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven,

met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen 3.

telkens een maand later.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van de hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 11 Overgangsrecht De ‘Verordening hondenbelasting 2024’ vastgesteld op 14 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening hondenbelasting 2025’. Sluis, 19 december 2024

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

Verordening lijkbezorgingsrechten 2025

De raad van de gemeente Sluis gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 10 december 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten 2025 (Verordening lijkbezorgingsrechten 2025)

Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a.

begraafplaats: de gemeentelijke begraafplaatsen gelegen in de kernen Aardenburg, Breskens,

b.

graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

Cadzand, Groede, Hoofdplaat, Nieuwvliet, Oostburg, Retranchement, Schoondijke, Sluis, IJzendijke, Waterlandkerkje en Zuidzande; en de begraafplaats in Sint Anna ter Muiden; -

het doen begraven en begraven houden van lijken;

het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; het doen verstrooien van as;

c. kindergraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: - het doen begraven en begraven houden van overleden kinderen beneden het twaalfde levensjaar; - het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen van overleden kinderen beneden het twaalfde levensjaar;

e. urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is

verleend tot:

- het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; - het doen verstrooien van as; f. urn: een voorwerp ter berging van een of meerdere asbussen; g. algemene urnenruimte: een ruimte (horizontaal of verticaal) bij de gemeente in beheer waarin

gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

h. keldergraf: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; i. asbus: een bus ter berging van as van een overledene; j. verstrooiingsplaats: een plaats waarop as van een overledene kan worden verstrooid; k. grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf, urnengraf, particuliere gedenkplaats of algemene verstrooiingsplaats.

l. Herdenkingsplaatje: gegraveerd messing plaatje wat geplaatst wordt op een herdenkingszuil na het ruimen van een graf en/of verstrooiing van as op de begraafplaats

Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats.

Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening

2.

Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid

behorende tarieventabel.

als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 5 Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld van de rechten De rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 8 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990, moeten de rechten worden betaald

2.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

binnen 30 dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.

Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de lijkbezorgingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Overgangsrecht De ‘Verordening lijkbezorgingsrechten 2024’, vastgesteld op 14 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 11 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening lijkbezorgingsrechten 2025’. Sluis, 19 december 2024

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

Bijlage 1. Tarieventabel behorende bij de ‘Verordening lijkbezorgingsrechten 2025 Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten

2025

1.1

Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een graf wordt geheven:

1.1.1

voor een periode van 10 jaar voor een graf

€

1.031,50

1.1.2

voor een periode van 20 jaar voor een graf

€

2.063,15

1.1.3

voor een periode van 30 jaar voor een graf

€

3.094,65

1.1.4

voor een periode van 30 jaar voor een kindergraf

€

2.063,15

1.2.1

Voor het verlengen van het uitsluitend recht als bedoeld in 1.1 met 5 jaar

€

515,80

1.2.2

Voor het verlengen van het uitsluitend recht als bedoeld in 1.1 met 10 jaar

€

1.031,50

wordt geheven

wordt geheven

1.2.3

Bij voldoening van de heffing als bedoeld onder 1.2.1 en 1.2.2 per jaar is een jaarlijkse opslag van 15% van het factuurbedrag verschuldigd voor administratiekosten.

1.3

Voor het verlenen van het gebruiksrecht op een algemene urnennis wordt

1.3.1

Voor een periode van 10 jaar voor een algemene urnennis

€

458,15

1.3.2

Voor een periode van 20 jaar voor een algemene urnennis

€

916,35

1.3.3

Voor een periode van 30 jaar voor een algemene urnennis

€

1.374,50

1.4.1

Voor het verlengen van het gebruiksrecht als bedoeld in 1.3 met 5 jaar

€

229,05

1.4.2

Voor het verlengen van het gebruiksrecht als bedoeld in 1.3 met 10 jaar

€

458,15

1.4.3

Voor het verlengen van het gebruiksrecht van een bestaand algemeen graf

€

515,80

€

1.031,50

geheven:

wordt geheven

wordt geheven

met 5 jaar wordt geheven

(Bij verlenging wordt het grafrecht omgezet in een uitsluitend recht voor een graf) 1.4.4

Voor het verlengen van het gebruiksrecht van een bestaand algemeen graf met 10 jaar wordt geheven

(Bij verlenging wordt het grafrecht omgezet in een uitsluitend recht voor een graf) 1.4.5

Bij voldoening van de heffing als bedoeld onder 1.4.1, 1.4.2 , 1.4.3 en 1.4.4 per jaar is een jaarlijkse opslag van 15% van het factuurbedrag verschuldigd voor administratiekosten.

Hoofdstuk 2 Begraven 2.1

Voor het begraven van een lijk van een persoon van 12 jaar of ouder wordt

€

2.516,80

2.2

Voor het begraven van een lijk van een kind beneden 3 jaar wordt geheven.

€

1.035,05

2.3

Voor het begraven van een lijk van een kind beneden 12 jaar wordt

€

1.731,15

geheven. Dit is inclusief € 325 ruimingskosten

Dit is inclusief € 81,25 ruimingskosten

geheven. Dit is inclusief € 162,50 ruimingskosten

2.4

Voor het begraven buiten de gewone uren wordt het recht, bedoeld in 2.1,

2.4.1

op maandag tot en met zaterdag met een bedrag van

€

401,35

2.4.2

op zon- en feestdagen met een bedrag van

€

473,05

2.5

Onder gewone uren wordt verstaan:

2.2 en 2.3 verhoogd:

op werkdagen van maandag tot en met vrijdag: de uren van 9.00 uur tot 16.00 uur, afgezien van de uren die vallen onder 2.4.2 2.6

De in 2.4 bedoelde verhoging wordt niet toegepast indien op last van het openbaar gezag buiten de gewone uren wordt begraven.

Hoofdstuk 3 Bijzetten van asbussen en urnen 3.1

Voor het bijzetten van een asbus of een urn wordt geheven:

3.1.1

in een algemene urnennis, voor de bijzetting van de 1e urn of asbus. Dit is

€

1.000,65

3.1.2

in een algemene urnennis, voor de bijzetting van de 2e urn of asbus. Dit is

€

857,35

3.1.3

in een (urnen)graf. Dit is inclusief € 325 ruimingskosten

€

1.000,65

3.2

Voor het bijzetten buiten de gewone uren wordt het recht, bedoeld in 3.1

3.2.1

op maandag tot en met zaterdag met een bedrag van

€

200,65

3.2.2

op zon- en feestdagen met een bedrag van

€

236,55

3.3

Onder gewone uren wordt verstaan:

€

303,25

inclusief € 325 ruimingskosten

inclusief € 195 ruimingskosten

verhoogd met:

op werkdagen van maandag tot en met vrijdag: de uren van 9.00 uur tot 16.00 uur, afgezien van de uren die vallen onder 2.4.2 Hoofdstuk 4 Grafbedekking en onderhoud 4.1

Voor het afgeven van een vergunning ter zake van het plaatsen of vernieuwen van de voorwerpen, bedoeld in artikel 22 van de

Beheerverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Sluis 2021, wordt geheven: 4.1.1

voor de aanleg van een particuliere grafkelder

4.1.2

voor het plaatsen van een gedenkteken

€

303,25

€

75,80

Hoofdstuk 5 Inschrijven en overboeken van graven en urnennissen 5.1

Voor het inschrijven en overboeken van graven en urnennissen in een daartoe bestemd register wordt geheven

Hoofdstuk 6 Opgraven, ruimen, verstrooien 6.1

Voor het opgraven en overbrengen van een lijk wordt geheven

€

609,25

6.2

Voor het opgraven en weer begraven in een ander graf wordt geheven

€

1.110,95

6.3

Voor het opgraven of verwijderen van een asbus wordt geheven:

6.3.1

Uit een graf

€

179,20

6.3.2

Uit een algemene urnennis

€

179,20

6.3.3

Bij het weer terugplaatsen van de asbus wordt geheven

€

250,90

6.4

Voor het verstrooien van as wordt per asbus geheven:

6.4.1

Op een verstrooiingsplaats

€

250,90

6.4.2

Op een graf

€

250,90

6.5

Voor het plaatsen van een herdenkingsplaatje op een gedenkzuil op de

€

71,60

begraafplaats

Behorende bij raadsbesluit van 19 december 2024

De griffier van de gemeente Sluis, Mr. P.T.G. Claeijs

Verordening marktgelden 2025 De raad van de gemeente Sluis

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 10 december 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2025 (Verordening marktgelden 2025)

Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: 1.

dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

3.

seizoen: de maanden juni tot en met augustus;

2. 4.

kwartaal: een kalenderkwartaal;

standplaats: vaste standplaats, dagplaats en standwerkerplaats.

Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden onder de naam marktgelden rechten geheven voor het gebruik of genot van voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond tot standplaats op de weekmarkten gedurende de daarvoor aangewezen dagen en de daarmee verband houdende diensten.

Artikel 3 Belastingplicht Het recht wordt geheven van degene die het in artikel 2 omschreven gebruik of genot heeft.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.

Het recht wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening

2.

Voor de berekening van het recht wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid

behorende tarieventabel.

als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 5 Heffingstijdvak Voor zover in de bij deze verordening behorende tarieventabel tarieven zijn opgenomen die per kwartaal worden geheven, is het heffingstijdvak gelijk aan het kwartaal. Voor zover in de bij deze verordening

behorende tarieventabel tarieven zijn opgenomen die per seizoen worden geheven, is het heffingstijdvak gelijk aan het seizoen.

Artikel 6 Wijze van heffing Het recht wordt geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt

begrepen een nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 7 Ontheffing Indien het heffingstijdvak gelijk is aan het kalenderkwartaal en de belastingplicht eindigt in de loop van het heffingstijdvak blijvend door bijzondere omstandigheden, bestaat aanspraak op ontheffing voor een evenredig gedeelte van het tarief per kwartaal.

Artikel 8 Termijnen van betaling 1.

Het recht, als bedoeld in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel, moet

2.

Het recht, als bedoeld in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel, moet

3.

worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.

worden betaald op het moment van de uitreiking van de in artikel 6 bedoelde kennisgeving.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de in deze verordening genoemde rechten wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Overgangsrecht De ‘Verordening marktgelden 2024’, vastgesteld op 14 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 11 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 12 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als de ‘Verordening marktgelden 2025’. Sluis, 19 december 2024

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

TARIEVENTABEL, behorende bij de Verordening marktgelden 2025

Hoofdstuk 1 tarieven dagplaatsen en standwerkerplaatsen als

bedoeld in artikel 1, onderdelen g en i van de Marktverordening gemeente Sluis 1.

Voor het hebben van een standplaats op de wekelijkse markt, welke gehouden

1.1

in Oostburg op woensdag van 08.00 tot 16.00 uur:

2025

wordt :

€

8,85

€

11,35

€

3,40

€

3,85

€

5,20

per 10 m2 in beslag genomen grond per marktdag 1.2

gedurende de maanden juni tot en met augustus te Cadzand-bad op maandag van 09.00 uur tot 19.00 uur:

per 10 m2 in beslag genomen grond per marktdag 1.3

in Aardenburg op dinsdag van 08.00 tot 12.00 uur in Breskens op donderdag van: - 08.00 tot 16.00 uur in de periode van 15 maart tot 15 september; - 08.00 tot 13.30 uur in de periode van 15 september tot 15 maart per 10 m2 in beslag genomen grond per marktdag

1.4

in IJzendijke op zaterdag van 08.00 uur tot 12.00 uur: per 10 m2 in beslag genomen grond per marktdag

1.5

in Sluis op vrijdag van 08.00 tot 16.00 uur: per 10 m2 in beslag genomen grond per marktdag

Hoofdstuk 2 tarieven vaste standplaatsen als bedoeld in artikel 1, onderdeel f van de Marktverordening gemeente Sluis 2.

Voor het hebben van een vaste standplaats op de wekelijkse markt, welke

2.1

in Aardenburg op dinsdag van 08.00 tot 12.00 uur:

2025

gehouden wordt :

€

2,05

€

3,15

per m2 in beslag genomen grond per kwartaal 2.2

In Sluis op vrijdag van 08.00 tot 16.00 uur: per m2 in beslag genomen grond per kwartaal

2.3

in Oostburg op woensdag van 08.00 tot 16.00 uur:

€

4,75

€

7,60

€

2,05

€

2,45

per m2 in beslag genomen grond per kwartaal 2.4

gedurende de maanden juni tot en met augustus te Cadzand-bad op maandag van 09.00 uur tot 19.00 uur:

per m2 in beslag genomen grond per seizoen 2.5

in Breskens op donderdag van: - 08.00 tot 16.00 uur in de periode van 15 maart tot 15 september; - 08.00 tot 13.30 uur in de periode van 15 september tot 15 maart per m2 in beslag genomen grond per kwartaal

2.6

in IJzendijke op zaterdag van 8.00 uur tot 12.00 uur: per m2 in beslag genomen grond per kwartaal

Behorende bij raadsbesluit van 19 december 2024

De griffier van de gemeente Sluis mr. P.T.G. Claeijs

Verordening onroerendezaakbelastingen 2025 De raad van de gemeente Sluis

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 10 december 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025 (Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025)

Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.

2.

Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet

b.

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het

in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;

genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

Bij de gebruikersbelasting wordt: a.

gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven

(verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op b.

de gebruiker;

het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de

onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen 3.

op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht

aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Belastingobject 1.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet

2.

Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV

waardering onroerende zaken.

van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.

De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor

2.

Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet

de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.

waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met

overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Vrijstellingen 1.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking

gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.

voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede

begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig

aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

b.

glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen,

c.

onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het

d.

voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het

Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 met uitzondering van de daarop voorkomende e.

gebouwde eigendommen;

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen,

moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd

f. g.

h.

worden;

openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,

instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden

beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

i.

2.

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat

beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de

gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden

Artikel 5 Belastingtarieven 1.

Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor

a.

b.

2.

de gebruikersbelasting 0,1789%

de eigenarenbelasting 1) 2)

voor de onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0803%

voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,2194%

Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag

Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in

twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden

2.

later.

In afwijking van het eerst lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde

aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden

afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven,

met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen 3.

telkens een maand later.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de onroerende zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9 Overgangsrecht De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024’ vastgesteld op 14 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien

verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 10 Inwerkingtreding 1.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.

2.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025’. Sluis, 19 december 2024

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

Verordening op de heffing en de invordering van Leges 2025 De raad van de gemeente Sluis gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en

onderdeel b, van de Gemeentewet, de artikelen 2, tweede lid, en 7 van de Paspoortwet en artikel 13.1a van de Omgevingswet;

gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 10 december 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van leges gemeente Sluis 2025 (Legesverordening 2025)

Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a.

dag: de periode van 00.00 tot 24.00, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt

b.

week: een aaneengesloten periode van zeven dagen;

c.

aangemerkt;

maand: het tijdvak dat loopt van ne dag in een kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende

kalendermaand, met dien verstande dat als de ne dag in een kalendermaand 30 of 31 januari is, de (n1)e dag in de volgende kalendermaand altijd de laatste dag van de maand februari is;

d.

jaar: het tijdvak dat loopt de ne dag in een kalenderjaar tot en met de (n-1)e dag in het volgende

e.

kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december.

kalenderjaar;

Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:

a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit;

b. het verlenen van een dienst op aanvraag; of

c. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document;

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.

Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: a.

b. c.

d.

het in behandeling nemen van een verzoek om een verklaring omtrent inkomen en vermogen;

het in behandeling nemen van een verzoek om een financiële bijdrage;

diensten die ingevolge wettelijk voorschrift zijn vrijgesteld van rechtenheffing of kosteloos moeten worden verleend;

diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 13.6 van de Omgevingswet zijn of worden verhaald.

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven 1.

De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening

2.

Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als

3.

behorende tarieventabel.

een volle eenheid aangemerkt.

Indien op grond van de bij deze verordening behorende tarieventabel een bedrag wordt geheven dat

afhankelijk is van tijdsbesteding per tijdseenheid, wordt door de behandelend ambtenaar voorafgaand

aan het verrichten van de dienst de verwachte tijdsbesteding meegedeeld aan de aanvrager, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om van de dienstverlening af te zien.

Artikel 6 Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, een zegel, een nota of andere

schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6: a.

schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, danwel in geval

c.

langs elektronische weg in het aanvraagproces wordt gedaan onverwijld, dan wel als die

d. 2.

mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

b.

van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving;

mogelijkheid wordt geboden binnen 30 dagen na het indienen van de aanvraag langs elektronische weg;

langs elektronische weg na indiening van de aanvraag wordt gedaan, binnen 30 dagen na dagtekening van kennisgeving.

De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=8e1402f0-84ca-49a9-8d7b-3ca2f5573c08