a. (TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis) - ontwerp TAM OP Bedrijventerreinen Sluis_toelichting
Tekst van het document
Hiertoe moet het bevoegd gezag een analyse uitvoeren door de inhoud van de door de initiatiefnemer verstrekte informatie en de via raadplegingen ontvangen informatie te onderzoeken, alsmede in voorkomend geval door aanvullende zelfstandig verzamelde informatie in overweging te nemen. Zoals aangegeven is een sprake van een project waarvoor een milieueffectbeoordeling dient plaats te vinden. Ten einde te beoordelen of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten, wordt aan de hand van de criteria van bijlage III van de Richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten een m.e.r. beoordeling uitgevoerd.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 28 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
6.1.2. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van een project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang van het project Er is sprake van de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein met ca. 3,8 hectare en ondersteunde infrastructuur (wegen en inritten) van circa 4 hectare. Tevens wordt voorzien in de realisatie van groen en een verbreding van de waterwegen. Gelet op de schaal en omvang van de infrastructuur en de bedrijfsfuncties in de directe omgeving is het project van geringe omvang. b) de cumulatie met andere projecten Het project is solitair gelegen. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten die nog in ontwikkeling zijn. Eventuele cumulatieve effecten hebben betrekking op de verkeersbewegingen / verkeersaantrekkende werking. Het plan voorziet op eigen terrein in parkeren, zodat in zoverre geen rekening behoeft te worden gehouden met cumulatieve milieueffecten vanwege parkeren. Daarnaast heeft het omliggende wegennet voldoende capaciteit. Zoals blijkt uit paragraaf 6.1 wordt rekening gehouden met enige toename van de verkeersbelasting. Eventuele cumulatie op het vlak van verkeer is verdisconteerd in het Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Uit raadpleging van deze online informatie en het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek blijkt niet van een geprognosticeerde (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitseisen ter plaatse. Er blijkt evenmin van een relevante stikstofdepositie op daarvoor gevoelige beschermde natuurgebieden (zie hiervoor paragraaf 5.1.1). c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor het realiseren van de nieuwbouw zullen indirect natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt in de vorm van onder meer bouwmaterialen, water en energie. Gebruik van deze hulpbronnen zal gangbaar zijn voor hedendaagse bouw. Er worden in het kader van dit project geen uitzonderlijke bouwmethoden of materialen toegepast. Waar mogelijk worden gerecyclede materialen en/of recyclebare materialen toegepast. Verder wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van prefab gebouwonderdelen. Dit vermindert de hinder die voor de omgeving zal worden veroorzaakt op de bouwplaats (bouwgeluid e.d.). Dit vermindert verder het ontstaan van bouw- en sloopafval doordat materialen op de bouwplaats op maat dienen te worden gemaakt, met bijbehorende extra aan- en afvoerbewegingen. Tot slot zijn de betrokken elementen als geheel herbruikbaar in geval van een toekomstige sloop van de nieuwbouw. Voor materiaalgebruik en energieprestatie zijn de eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit leidend.
Het plan zal, binnen de randvoorwaarden voor een sluitende planontwikkeling, zo materiaal- en energie-efficiënt mogelijk worden uitgevoerd.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 29 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zal zich na voltooiing beperken tot het gebruik van nutsvoorzieningen in de context van de bedrijvigheid. Er dient in lijn daarmee rekening te worden gehouden met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen voor verwarming, ventilatie, koeling, warm water en het bereiden van maaltijden. Onderhavig project draagt bij aan efficiënt hergebruik van grond. Het project maakt optimaal gebruik van de reeds aanwezige infrastructurele voorzieningen waarop wordt aangesloten. d) de productie van afvalstoffen Er dient rekening te worden gehouden met het ontstaan van bouw- en sloopafval tijdens de bouw. Hierbij moet gedacht worden aan de gangbare restanten van bouwmaterialen. Na realisatie zal rekening moeten worden gehouden met regulier afval afkomstig van de bedrijven. Geconcludeerd kan worden dat er op dit punt geen bijzonderheden te verwachten zijn, zowel qua aard als qua omvang van het te verwachten afval. e) verontreiniging en hinder De locatie kent een agrarisch gebruik. Als gevolg van onderhavig plan dient rekening te worden gehouden met toename van verkeer van en naar de locatie. De toename van verkeer heeft een beperkte invloed op de omliggende (woon)gebieden. Dit komt omdat het gebied direct is aangesloten op de hoofdontsluitingsweg van het gebied. Verder zal er als gevolg van deze ontwikkeling geen sprake zijn van verontreiniging en hinder.
Het bodembelastingsrisico ten aanzien van woongebruik is minimaal. Uit de aard der functie en de ligging wordt er geen verontreiniging van bodem of lucht voorzien noch geurhinder of lichthinder verwacht voor gevoelige bestemmingen in de omgeving. f) risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Met onderhavig plan wordt voorzien in de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein, opdat er nieuwe bedrijven van ten hoogste milieucategorie 3.2 kunnen worden gerealiseerd. Vanuit de aard der functie is dan ook geen sprake van gebruik van risicovolle stoffen of technologieën. Als het gaat om ongevallen zou sprake kunnen zijn van ongevallen in relatie tot verkeer. Dit zijn echter geen risico’s specifiek voor deze locatie maar van toepassing op alle verkeerssituaties. Bij de bouw wordt gekozen voor duurzame her te gebruiken en bij sloop ook relatief eenvoudig weer te scheiden bouwmaterialen. In het kader van de vormgeving van de nieuwbouw zal het voorzorgbeginsel worden gehanteerd met het oog op het voorkomen van zoönose. Van belang is hoe dan ook dat er in de directe nabijheid geen sprake is van veehouderijen of andere functies waar grote concentraties van dieren te verwachten zijn.
Verder zullen waar nodig maatregelen worden genomen om te voorkomen dat vleermuizen zich vestigen in/aan woongebouwen op locaties waarbij sprake zal zijn van een verhoogd contactrisico
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 30 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
tussen mensen met uitwerpselen en/of dode vleermuizen, bijvoorbeeld in relatie tot een terras of balkon. Dit is overeenkomstig de richtlijnen van de WHO. 6.1.3. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bestaande grondgebruik De projectlocatie en de wijde omgeving zijn sinds jaar en dag droog gelegd en in cultuur gebracht. Het bestaande grondgebruik van de projectlocatie zelf betreft gebruik voor agrarische doeleinden. b) de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het betreft in cultuur gebracht terrein. Er bestaan geen concrete plannen om ter plaatse natuurgebied te realiseren. Voor wat betreft het effect op aanwezige natuurgebieden heeft onderzoek plaatsgevonden naar de stikstofdepositie, zie paragraaf 5.1.1. Uit het onderzoek blijkt dat geen drempelwaarden zullen worden overschreden. c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands Er is geen sprake van een wetland in het gebied. Het plan leidt evenmin tot een aantasting van het bestaande waterbergende en/of -afvoerende vermogen van het systeem. ii) kustgebieden Er is geen sprake van kustgebied.
iii) berg- en bosgebieden; Er is geen sprake van berg- of bosgebied. iv) reservaten en natuurparken; Er is geen sprake van reservaten of natuurparken in de directe omgeving. v) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2). De ontwikkeling heeft geen effecten voor beschermde natuurgebieden, zie het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek (zie paragraaf 5.1.1).
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 31 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
vi) gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Er is geen sprake van overschrijding van de milieukwaliteitsnormen in het gebied. Dit geldt ook voor de luchtkwaliteit, mede gelet op het NSL-2 (zie paragraaf 6.3). vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Er is in Europese context geen sprake van gebied met een hoge bevolkingsdichtheid, ook al is Nederland als zodanig een dichtbevolkt land. Reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat relatief weinig hoogbouw aanwezig is. viii) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Het landschap is niet van beperkt historisch of cultureel belang. Er is sprake van een bestaand bedrijventerrein langs een bebouwingslint dat typerend is voor het gebied. De beoogde nieuwbouw sluit aan bij de bestaande bedrijfsbebouwing. Wat betreft archeologie is van belang dat geen rekening wordt gehouden met relevante archeologische waarden (zie paragraaf 5.2). 6.1.4.
Kenmerken van het potentiële effect De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder betrekking hebben op: a) het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); Het mogelijke effect van het project beperkt zich tot de belendende percelen en ook daar is het milieueffect gering. Op dit punt kan ook worden verwezen naar de informatie die is opgenomen onder het kopje ‘cumulatie’. b) het grensoverschrijdende karakter van het effect; De ontwikkeling zal geen gevolgen hebben voor de bevolking van België, het Verenigd Koninkrijk of Duitsland. Dit geldt ook voor de bevolking van verderaf gelegen nationale staten. c) de orde van grootte en de complexiteit van het effect; De ontwikkeling kan als weinig complex worden gekarakteriseerd, ook wat betreft het effect daarvan. d) de waarschijnlijkheid van het effect; Het is waarschijnlijk dat het effect van de ontwikkeling zich zal beperken tot enkele meters afstand van de perceelgrens en ook daar gering zal zijn. e) de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; De ontwikkeling zal voor onbepaalde tijd worden bestemd, aangevraagd en vergund. De gebouwen zullen voortdurend aanwezig zijn. Het gebruik zal gedurende het gehele etmaal en het gehele jaar plaatsvinden.
Door verhuizing van de bedrijven, sloop van de gebouwen en verwijdering van verdere infrastructuur is het effect van de ontwikkeling omkeerbaar, zij het dat in geval van sloop fundatiepalen in de grond aanwezig zullen blijven.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 32 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Beoordeling Doel van vormvrije mer-beoordeling is te achterhalen of er belangrijke nadelige milieugevolgen zijn te verwachten. Gelet op het voorgaande en hetgeen verder is beschreven in deze onderbouwing en in de tot deze onderbouwing behorende onderzoeksrapportages, is er geen aanleiding om voor onderhavig project een m.e.r.-procedure te doorlopen, gelet op de schaal en omvang van het project, de te verwachten effecten op de omgeving en de aard van de omgeving. Er zijn immers geen belangrijke milieugevolgen te verwachten. 6.2. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Functies maken geluid en/of worden blootgesteld aan geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook kunnen direct werkende regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Beoordeling Er bevindt zich in een straal van 20 kilometer van het plangebied geen spoorlijn. Evenmin wordt extra belasting op het spoorwegennetwerk voorzien. Raillawaai heeft dus geen invloed heeft op en van het plangebied. Met het geprojecteerde uitbreidingsgebied zal het wegennet op het bedrijventerrein uitgebreid worden. In het kader van de te doorlopen planologische procedure dient onder andere het aspect geluid te worden beschouwd. Onderzocht wordt of de ontwikkeling voor het aspect geluid planologisch inpasbaar is, en sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hiertoe is enerzijds de (in planologische zin) akoestische invulling van de uitbreiding en anderzijds de verkeersaantrekkende werking ten gevolge van de uitbreiding in beschouwing genomen7. Het geluid op de gemeentewegen binnen het plangebied op nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen bedraagt ten hoogste 38 dB. Dit geluidsniveau wordt berekend ter plaatse van de woning aan de Vlaschaard 5a. De standaardwaarde Lden van 53 dB wordt niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat het geluid afkomstig van de nieuwe te realiseren wegen dan ook aanvaardbaar is.
7
Adromi, Geluidsonderzoek Bedrijventerrein De Vlaschaard te Eede 28 oktober 2025, bijlage 7
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 33 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
De toename van het geluid als gevolg van het veranderende verkeer op de wegen buiten het plangebied bedraagt maximaal 1,2 dB voor de gemeentewegen en maximaal 1,0 dB voor de waterschapswegen. Aangezien het geluid niet meer toeneemt dan 1,5 dB, kan worden geconcludeerd dat het geluid als gevolg van het veranderende verkeer aanvaardbaar is. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 6.3. Luchtkwaliteit Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er moet worden getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- of fijnstofconcentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Beoordeling In de huidige situatie bevindt zich op het perceel enkel grasland. In de beoogde situatie wordt het bestaande bedrijventerrein uitgebreid en bebouwd ten behoeve van bedrijvigheid. Er dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of de emissies van NOx en PM10 niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de lokale luchtkwaliteit. In onderstaande afbeelding 12 is een uitsnede opgenomen van de NLS-monitoringsviewer.
Hieruit blijkt dat het dichtstbijzijnde meetpunt gelegen is op 12,8 kilometer van het plangebied, dit is teven shet geval bij de viewer van CIMLK. Dichterbij zijn geen rekenpunten bekend. Op dit meetpunt worden de grenswaarden van maatgevende stoffen geen van allen overtreden. Daar er in de nabije omgeving van het plangebied geen noemenswaardige wegen lopen of bedrijven aanwezig zijn welke de uitstoot vergroten, kan worden uitgegaan van de resultaten van het meetpunt. De omgeving van het plangebied kent momenteel dus een goede luchtkwaliteit en kan dus gesproken worden van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 34 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Afbeelding 12: Uitsnede NSL-monitoringstool en plangebied (indicatief voorzien van rode stip) (bron: https://www.nslmonitoring.nl/viewer/)
Op 20 december 2022 is door Adromi een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd8. Uit de rekenresultaten van het onderzoek volgt dat de uurgemiddelde grenswaarde voor NO2 niet worden overschreden op de gehanteerde rekenpunten. Uit de resultaten blijkt tevens dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) op de toetspunten voor de beoogde bedrijfsvoering ruim onder de grenswaarden liggen. Ook het aantal overschrijdingsdagen voor fijnstof blijft ruim onder de norm. Indicatief is getoetst aan de WHO grenswaarden. De WHO grenswaarde voor stikstofdioxide van 10/m3 µg wordt thans overschreden door de achtergrondconcentratie. De WHO grenswaarde voor m3 fijnstof van 15 µg/ wordt niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de totstandkoming van het plan. 6.4. Geur Bij het oprichten van geurgevoelige objecten dient in bepaalde gevallen rekening te worden gehouden met de geurhinder van eventueel aanwezige veehouderijbedrijven. Voor vergunningplichtige veehouderijen gelden de geurregels uit het omgevingsplan. Voor wat betreft geurhinder wordt doorgaans een normafstand van 50 meter aangehouden vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten buiten stedelijk gebied. Beoordeling
8
Adromi, Luchtkwaliteitsonderzoek Bedrijventerrein De Vlaschaard te Eede, 17 oktober 2025, bijlage 8
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 35 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Uitgaande van de aanwezige toegepaste systematiek voor bedrijven en milieuzonering dient op het bedrijventerrein met richtafstanden rekening te worden gehouden die gelden voor gemengd gebied. Voor de gewenste 3.2 bedrijvigheid in het geprojecteerde uitbreidingsgebied komt dit ten aanzien van het aspect geur neer op een aan te houden richtafstand van 50 meter waarbinnen in beginsel geen gevoelige objecten zoals woningen of kinderdagverblijven aanwezig mogen zijn. Ten opzichte van het geprojecteerde uitbreidingsgebied zijn de woningen op het bedrijventerrein aan de Vlaschaard 5a en 10a, Nijverheidweg 15 de bepalende woningen en buiten het bedrijventerrein de woningen aan de Vlaschaard 12. Deze woningen zullen zich evenwel op een afstand van meer dan 50 meter van de beoogde uitbreiding bevinden. Omdat binnen het geprojecteerde uitbreidingsgebied geen aanvullende woningen worden toegestaan hoeft ten aanzien van geur niet met nieuwe woningen rekening te worden gehouden. Al met al kan worden geconcludeerd dat het aspect geur zich niet verzet tegen onderhavige ontwikkeling. 6.5. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Uit de bodemtoepassingskaart van de provincie Zeeland (uitsnede in afbeelding 13) komt naar voren dat onderhavige locatie voldoet aan de kwaliteitswaarden voor een bedrijventerrein, daar het de achtergrondwaarden heeft. Beoordeling In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan heeft desalniettemin een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden9. Hieruit volgt dat de bodem zelf geschikt is voor het beoogde gebruik. Wel dienen eerst de aangetroffen asbesthoudende materialen op het maaiveld te worden verwijderd middels handpicking. Naar aanleiding van dit onderzoek is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd10. Op basis van de onderzoeksresultaten bedraagt het oppervlak waarin asbest in een gewogen gehalte boven de interventiewaarde aanwezig is circa 845 m2. Met een gemiddelde dikte van circa 0,4 meter wordt de totale omvang van de asbestverontreiniging in een gehalte boven de interventiewaarde geraamd op circa 340 m3. Sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
9
ABO Milieuconsult Bodem & Asbest – Rapportage leeflaag bodemonderzoek Ambachtsweg te Eede (uitbreiding bedrijventerrein de Vlaschaard) – 4 augustus 2022, bijlage 9 10 ABO Milieuconsult Bodem & Asbest – Rapportage verkennend asbestonderzoek, Ambachtsweg te Eede versie 2 – 23 februari 2023, bijlage 10
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 36 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Naar aanleiding van dit onderzoek is een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd11. Tijdens het onderzoek is het te onderzoeken gebied opgedeeld in ruimtelijke eenheden (RE) van 1.000 m2 waarbij per RE een vijftal asbestinspectiesleuven zijn voorzien. Dit resulteert in het onderzoek van 5 ruimtelijke eenheden (RE1 t/m RE5) en het graven van 25 asbestinspectiesleuven (1 sleuf per ca. 180 m2). Op basis van de analyseresultaten van het asbestonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodem ter plaatse van de locatie RE5 niet geheel vrij is van asbest. In de grond is ter plaatse van één locatie asbest aangetoond in de fijne fractie in een gehalte van 81 mg/kg droge stof, met een bovengrens van 112 mg/kg. Geadviseerd wordt de contour van de asbestverontreiniging ter plaatse van deze locatie in kaart te brengen. Op basis van bovenstaande is nog een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd12. Het onderzoek heeft als doel meer inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit omtrent asbest in het gebied ter plaatse van RE5. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodem ter plaatse van deze locatie ter plaatse van de onderzochte proefsleuven vrij is van asbest. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van dit terrein.
Afbeelding 13: Uitsnede bodemkwaliteitskaart, planlocatie indicatief rood omlijnd (bron: Geoloket: Zeeuws Bodemvenster)
6.6. Omgevingsveiligheid 6.6.1. Algemeen juridisch kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 11
ABO Milieuconsult Bodem & Asbest – Rapportage asbestonderzoek, Ambachtsweg te Eede – 27 augustus 2024, bijlage 11 12 ABO Milieuconsult Bodem & Asbest – Rapportage verkennend asbestonderzoek Ambachtsweg te Eede – 31 oktober 2024, bijlage 12
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 37 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. 6.6.2. Risicobronnen, kabels en leidingen en transportroutes Beoordeling De te realiseren bedrijven op het nieuwe gedeelte van het bedrijventerrein de Vlaschaard worden niet aangemerkt als kwetsbaar objecten in het kader van de externe veiligheid. Desalniettemin is voor dit plan een inventarisatie uitgevoerd van mogelijke risicobronnen in de omgeving door risicokaart.nl te raadplegen.
Wat betreft overige risicovolle inrichtingen, transport en overige risicobronnen kan aan de hand van bijgevoegde risicokaart (afbeelding 14) geconcludeerd worden dat er binnen een straal van 5 kilometer enkel één LPG-installatie aanwezig, welke op voldoende afstand van het plangebied is gelegen (ca. 800 m). Tot slot zijn er op basis van het omgevingsplan geen Bevi-inrichtingen toegestaan op het bestaande bedrijventerrein. Wel is een regeling opgenomen welke het mogelijk maakt om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het vestigen van een Bevi-inrichting.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 38 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
6.6.3. Niet-gesprongen explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog is in Zeeuws-Vlaanderen op verschillende plaatsen gevochten. Gemeente Sluis omvat enkele van de meest relevante locaties waar niet-gesprongen explosieven kunnen liggen. Er is een onderzoek13 uitgevoerd waarbij het doel was om de ontplofbare oorlogsresten op te sporen en te verwijderen. Tijden het onderzoek zijn tussen de 950 en 1000 verdachte objecten benaderd. Hierbij zijn 19 (restanten van) ontplofbare oorlogsresten aangetroffen welke aan de EODD zijn overgedragen. Met de gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten van ontplofbare oorlogsresten meer aangetroffen. Het gebied is vrijgegeven om toekomstige werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Het gehele opsporingsgebied is vrijgegeven tot een diepte van 3,50m -mv.
Afbeelding 14: Risicobronnen in de omgeving van de Kanaalweg. Planlocatie is indicatief in het rood weergegeven. (bron: Atlas Leefomgeving)
6.7. Bedrijven en milieuzonering Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van bedrijven te verwachten. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandsnormen en dienen als handvat om concrete situaties maatwerk te kunnen leveren. 13
Euroradar – Proces-verbaal van oplevering opsporen ontplofbare oorlogsresten uitbreiding industrieterrein te Eede – 25 januari 2024, bijlage 13
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 39 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Hierbij wordt gekeken naar nieuwe milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van bestaande bedrijven/inrichtingen of nieuwe bedrijven/inrichtingen ten opzichte van bestaande milieugevoelige bestemmingen. Beoordeling Uitgaande van de aanwezige toegepaste systematiek voor bedrijven en milieuzonering dient op het bedrijventerrein met richtafstanden rekening te worden gehouden die gelden voor gemengd gebied. Voor de gewenste 3.2 bedrijvigheid in het geprojecteerde uitbreidingsgebied komt dit ten aanzien van de milieuaspecten binnen de milieuzonering neer op een aan te houden richtafstand van 50 meter waarbinnen in beginsel geen gevoelige objecten zoals woningen of kinderdagverblijven aanwezig mogen zijn. Ten opzichte van het geprojecteerde uitbreidingsgebied zijn de woningen op het bedrijventerrein aan de Vlaschaard 5a en 10a, Nijverheidweg 15 de bepalende woningen en buiten het bedrijventerrein de woningen aan de Vlaschaard 12. Deze woningen bevinden zich evenwel op een afstand van meer dan 50 meter van de beoogde uitbreiding. Al met al kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijvenzonering zich niet verzet tegen onderhavige ontwikkeling. 6.8.
Duurzaamheid en gezondheid Duurzaamheid De gemeente Sluis heeft een uitgebreid en ambitieus beleid op het gebied van duurzaamheid, dat is vastgelegd in het Integraal Beleidsplan Duurzaamheid en mede vormgegeven door haar inwoners via een Burgerberaad. Visie en Beleidslijnen De gemeente Sluis streeft naar een groene toekomst waarin gemeente, bedrijven en inwoners samenwerken. Het beleid is gebaseerd op drie hoofdthema’s: 1. Energietransitie o Bevorderen van energiebesparing en het gebruik van duurzame energiebronnen zoals zonne- en windenergie. o Stimuleren van groene stroom en warmtevoorzieningen. 2. Klimaatadaptatie o Maatregelen tegen hitte, droogte en hevige neerslag. o Wateropvang via regentonnen en aanpassingen aan woningen voor comfort in alle seizoenen. 3. Circulaire Economie o Verminderen van afval en bevorderen van hergebruik. o Circulair bouwen en duurzaam materiaalgebruik.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 40 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Gezondheid Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling kan zijn geïndiceerd indien effecten op de volksgezondheid niet kunnen worden uitgesloten. Hierbij dient ook aandacht te worden besteed aan mensen die een bijzondere kwetsbaarheid hebben voor een bepaalde blootstelling. Er kan hierbij worden gedacht aan verspreiding van (besmettelijke) ziekten, waaronder risico op zoönose. Wat dit laatste betreft kan worden gedacht aan biologische laboratoria, dierenverblijfplaatsen in tuinen en parken, kinderboerderijen, dierentuinen en veehouderijen. Daarnaast kan worden gedacht aan oppervlaktewateren, daken, koeltorens en AWZI’s). Beoordeling Duurzaamheid Bij de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein in Sluis wordt duurzaamheid integraal meegenomen in de planvorming en toetsing van individuele initiatieven. Hierbij wordt aangesloten bij relevante wet- en regelgeving op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau, waaronder de Omgevingswet, de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), het Klimaatakkoord, de provinciale subsidieregelingen voor toekomstbestendige bedrijventerreinen en het gemeentelijk beleidsplan Duurzaamheid Sluis.
Bij de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt gestreefd naar een ontwikkeling die niet alleen economisch, maar ook ecologisch en sociaal duurzaam is. Het toetsingskader duurzaamheid dient als afwegingskader bij de wijziging van het omgevingsplan en borgt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan: • een toekomstbestendige werkomgeving; • beperking van milieubelasting; • versterking van de omgevingskwaliteit. Gezondheid Bij de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt gezorgd voor een gezonde en veilige omgeving voor zowel werknemers als omwonenden. De ontwikkeling houdt rekening met geluids- en luchtkwaliteitsnormen conform landelijke regelgeving en gemeentelijke richtlijnen, zie voorgaande paragrafen. Er worden voldoende voorzieningen getroffen voor veilige ontsluiting. Groene en klimaatadaptieve elementen dragen bij aan een gezonde leefomgeving door hittestress te beperken, wateroverlast te voorkomen en de luchtkwaliteit te verbeteren. Door deze maatregelen wordt voldaan aan de relevante gezondheids- en veiligheidsnormen en wordt een toekomstbestendig en leefbaar bedrijventerrein gerealiseerd.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 41 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
6.9. Algehele conclusie milieu Ten aanzien van milieu, zoals in dit hoofdstuk behandeld, zijn er op het gebied van geluid, geurhinder, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid en bedrijven en milieuzonering geen aspecten die de uitbreiding van het bedrijventerrein in de weg staan. Voor wat betreft de invloed op het omliggende gebied heeft de aanwezigheid van de bedrijven geen beperkende werking op nabijgelegen woningen en/of bedrijven.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 42 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
7.
Juridische planopzet
Het juridisch bindende gedeelte van de wijziging van het omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat de verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de functies. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming/functie gekregen. Binnen een bestemming/functie kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover er regels aan deze aanduidingen zijn gekoppeld. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van de wijziging van het omgevingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. Voor de regels en verbeelding in deze wijziging van omgevingsplan is aansluiting gezocht bij de regeling zoals die voor de omliggende gronden geldt in het omgevingsplan ‘Bedrijventerreinen Sluis’. De functies 'Bedrijventerrein' en ‘Groen’ worden van toepassing en de dubbelbestemming/functie ‘Waarde – Archeologie – 2’ blijft van toepassing.
Daarnaast is de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ opgenomen. Bouwvlakken zijn ingetekend voor de oprichting van bedrijfsgebouwen. De regeling uit het (voormalige) bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Sluis’ is - voor zover van toepassing - integraal overgenomen. Motivering De motivering heeft géén juridisch bindende werking, maar vervult een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde functies en regels. In de motivering dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De motivering heeft echter geen rechtstreeks bindende werking voor burgers.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 43 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
8.
Uitvoerbaarheid
8.1. Economische uitvoerbaarheid Het onderhavige plan betreft een ontwikkeling op eigen grond van de gemeente. Het betreft actief grondbeleid waarvoor een exploitatieopzet zal worden vastgesteld. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht. 8.2. Participatie In de directe omgeving zijn geen woningen aanwezig. Het plan is besproken met betrokken grondeigenaren en bedrijven. Er zijn hierbij geen bezwaren geuit tegen het plan. 8.2.1. Ontwerpbestemmingsplan Het plan is als ontwerp ter inzage gelegd voor de duur van zes weken, van XXX tot en met YYY. Er zijn <aantal> zienswijzen ingediend. Bekendmaking heeft plaatsgevonden via de Staatscourant, de gemeentelijke website en de lokale nieuwskrant.
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 44 van 45
TAM-omgevingsplan Bedrijventerreinen Sluis
Bijlagen Bijlage 1 - Verkeersonderzoek Bijlage 2 – Watercompensatie Bijlage 3 – Rapportage stikstofdepositie Bijlage 4 – Landschappelijke inpassing Bijlage 5 – Ecologisch onderzoek Bijlage 6 – Archeologisch onderzoek Bijlage 7 – Akoestisch onderzoek Bijlage 8 – Luchtkwaliteitsonderzoek Bijlage 9 – Bodemonderzoek Bijlage 10 – Verkennend asbestonderzoek Bijlage 11 – Nader asbestonderzoek Bijlage 12 – Aanvullend asbestonderzoek Bijlage 13 – Onderzoek ontplofbare oorlogsresten
Adromi B.V.
R202530/2502
Pagina 45 van 45