a. ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
In veraarde niveaus binnen het Hollandveen
Romeinse tijd
Hoog; nederzettingen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot.
In de (veraarde) top van het Hollandveen
Vroege Middeleeuwen
Hoog; nederzettingen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot.
In de top van de Walcheren-afzettingen of in antropogene ophogingslagen
Late Middeleeuwen
Hoog; nederzettingen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, waterputten, funderingsresten; aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot; glas
In de top van de Walcheren-afzettingen of in antropogene ophogingslagen
Nieuwe tijd
Hoog; verdedigingswerken; nederzettingen; sporen van landgebruik
Akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, waterputten, funderingsresten; aardewerk, houtskool, baksteen, metaal, (verbrand) bot; glas
In de top van de Walcheren-afzettingen of in antropogene ophogingslagen
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 13 van 20
Het plangebied ligt vlak ten westen van een getijdegeul uit de Vroege Middeleeuwen. Deze getijdegeul is als getij-inversierug in het landschap achtergebleven. De getijdegeul heeft zich ingesneden in Hollandveen en de onderliggende pleistocene dekzanden. Binnen het plangebied worden oeverafzete tingen van de getijdegeul verwacht op Hollandveen en dekzand. Vanaf de 9 eeuw is op de getijinversierug de nederzetting Oostburg ontstaan. De ringwalburcht waaraan de stad haar naam dankt, e lag in het noordwesten van het huidige centrum. In de 16 eeuw ligt het plangebied buiten de bebouwde kom van Oostburg, maar het Middeleeuwse centrum van de stad was mogelijk groter dan dat e e in de 16 eeuw. In de 17 eeuw wordt de vesting Oostburg aangelegd en het plangebied ligt dan op de grens tussen de stad en de omwalling. De vesting wordt na 1648 ontmanteld en vanaf dan tot in de jaren 1950 is het plangebied in gebruik als akker, moestuin of weiland. Aan het eind van de jaren ’50 wordt de woonwijk waarbinnen het plangebied ligt, aangelegd. De binnen het plangebied aanwezige bebouwing dateert uit die tijd. In het noorden van het plangebied is ook bebouwing aanwezig geweest, maar deze is eind jaren 1990 gesloopt. Binnen het plangebied worden drie potentiële archeologische niveaus verwacht. Het onderste niveau betreft de pleistocene ondergrond.
De top van de pleistocene ondergrond wordt verwacht tussen -2 en 0 m NAP, dus op maximaal 4 m –mv. Archeologische resten worden alleen verwacht als het gebied voor de periode van veenvorming droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden en wanneer deze podzolbodem niet is afgetopt door mariene erosie in de Middeleeuwen. De pleistocene ondergrond heeft een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum – Neolithicum. Uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum worden resten van kampementen verwacht in de vorm van een vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool. Deze vondstlaag bevindt zich in de top van het dekzand, direct onder het veen. Uit het Neolithicum worden voornamelijk resten van huisplaatsen en sporen van landgebruik verwacht in de vorm van cultuur- en akkerlagen met strooiing van houtskool, vuursteen, aardewerk en verbrand leem en grondsporen zoals paal- en afvalkuilen, greppels en waterputten. Deze resten worden in de top van het dekzand, direct onder het veen, verwacht. Het tweede archeologische niveau betreft het Hollandveen. Uit boringen in de omgeving blijkt dat het veen in de omgeving van het plangebied grotendeels is verdwenen. Desalniettemin zouden in het veen archeologische resten uit de periode Bronstijd – Romeinse tijd kunnen worden verwacht.
In de Bronstijd en de IJzertijd was er sprake van actieve veenvorming in het gebied, waardoor het gebied niet geschikt is geweest voor bewoning. Desondanks valt niet uit te sluiten dat het veengebied lokaal is ontwaterd en hierdoor wel geschikt is geweest voor bewoning. Uit de Bronstijd en de IJzertijd kunnen resten van huisplaatsen en sporen van landgebruik worden verwacht, maar deze verwachting is laag. Archeologische niveaus in het veen zijn herkenbaar aan veraarde lagen in het veen en resten worden verwacht in de vorm van akker-, cultuur- en ophogingslagen met strooiing van houtskool, vuursteen, aardewerk, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot en grondsporen zoals paal- en afvalkuilen, greppels en waterputten. De verwachting voor archeologische resten uit de Romeinse tijd is hoog. Resten van nederzettingen en sporen van landgebruik uit deze periode worden verwacht in de (veraarde) top van het veen, in de vorm van akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 14 van 20
Het derde archeologisch niveau betreft de top van de getijdeafzettingen uit de Vroege Middeleeuwen, die aan het maaiveld of onder een moderne ophogingslaag worden verwacht. In de top van deze getijdeafzettingen worden archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. De archeologische verwachting voor deze resten is hoog. Uit de Middeleeuwen worden met name nederzettingsresten en sporen van landgebruik verwacht in de vorm akkerlagen, ophogingslagen en cultuurlagen, grondsporen als greppels, afvalkuilen, waterputten, funderingsresten en vondsten en indicatoren als aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot; glas. Uit de Nieuwe tijd worden naast nederzettingsresten en sporen van landgebruik ook restanten van de verdedigingswerken van de vesting Oostburg verwacht in de vorm van restanten van de omwalling. Bodemverstoringen De archeologische verwachting wordt beïnvloed door de mate van intactheid van het bodemprofiel. De intactheid van het bodemprofiel kan door zowel natuurlijke als antropogene processen zijn aangetast. Archeologische waarden in de top van de pleistocene ondergrond en het veen kunnen zijn aangetast of verdwenen door mariene erosie. Archeologische waarden in het veen kunnen ook door moernering in de Late Middeleeuwen zijn aangetast of verdwenen.
Archeologische waarden uit de Middeleeuwen in de top van de getijdeafzettingen kunnen zijn aangetast bij de aanleg en de ontmanteling van de e vestingwerken van Oostburg 17 eeuw. Daarnaast kunnen deze waarden en eventuele waarden uit de Nieuwe Tijd zijn aangetast bij de aanleg van de woonwijk in de jaren 1950. De maximale verstoring door vergravingen ten behoeve van de woningbouw is maximaal 1 m. Daarnaast zal de ondergrond door het aanbrengen van heipalen zijn verstoord. De verstoring door de aanleg van kabels, leidingen en rioleringen zal ook beperkt zijn tot 1 m –mv.
4 4.1
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is, conform de richtlijnen van de provincie Zeeland, uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (versie 4.0, 07-06-2016) en KNA, versie 4.0, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 17 mei 2015 door drs. A.J. Wullink (senior KNAprospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) en een gutsboor (diameter 3 cm) vier boringen tot maximaal 5 m -mv gezet (zie figuur 14). De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet, waarbij rekening is gehouden met de bebouwing, verhardingen en kabels en leidingen. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van meetlinten. De maaiveldhoogte van de boringen is bepaald aan de hand van het AHN2. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (Bosch, 2005). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals bouwmaterialen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 15 van 20
Vanwege het gebruik van het plangebied (bebouwd, verhard, gras) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. Vanaf het maaiveld tot een diepte van 45 tot 60 cm –mv wordt een pakket zwak siltig zand aangetroffen. Dit zandpakket is subrecent opgebracht, vermoedelijk bij de aanleg van de wijk. Onder het opgebrachte zandpakket is tot een diepte van 80 tot 115 cm –mv een rommelig, sterk siltig tot sterk zandig kleipakket aangetroffen. In dit kleipakket zijn, zandlenzen, humeuze kleibrokken, baksteen, steenkool en houtskool aangetroffen. Dit pakket betreft het oude maaiveldniveau van voor de aanleg van de wijk. Alleen in boring 2 is sprake van een vrij homogene bouwvoor. In de overige boringen is eerder sprake van een geroerde laag. Onder de geroerde laag zijn zandige en siltige kleien aangetroffen, waarin ook zandlagen voorkomen. De kleien zijn kalkrijk en gaan vanaf een diepte 80 tot 180 cm –mv over in gelaagde, matig tot sterk siltige zanden met kleilagen. Vanaf 180 à 210 cm –mv worden de zanden zwak siltig en verdwijnen de kleilagen en de gelaagdheid. Wel komen detritus- en schelplaagjes voor in het pakket. De zanden zijn kalkrijk.
Dit hele pakket zanden en kleien betreft de opvulling van een getijdegeul en laat een geleidelijk opslibbing zien, waarbij de korrelgrootte naar boven toe afneemt en het silt- en kleigehalte toe. Archeologie Binnen het plangebied zijn, afgezien van baksteen en steenkool in de geroerde laag direct onder het opgebrachte zandpakket, geen archeologische indicatoren aangetroffen. 4.3
Consequenties archeologische verwachting
Volgens het archeologisch verwachtingsmodel (paragraaf 3.9) ligt het plangebied ten westen van een getijdegeul en worden binnen het plangebied oeverafzettingen van deze getijdegeul op Hollandveen en dekzand verwacht. Uit het inventariserend veldonderzoek is echter gebleken dat ook binnen het plangebied, tot een diepte van 4 tot 5 m –mv getijdegeul-afzettingen aanwezig zijn. De oostelijker gelegen getijdegeul is dus breder dan gedacht en heeft dus ook binnen het plangebied het oudere Hollandveen en dekzand geërodeerd. De archeologische verwachting voor het plangebied voor archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum – Romeinse tijd, die in de top van het dekzand, dan wel in het veen werden verwacht, komt dan ook te vervallen. De hoge archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft bestaan. Archeologische resten uit deze periodes worden verwacht in de top van de getijdeafzettingen, onder een subrecent ophogingspakket, vanaf 45 tot 60 cm –mv. De top van de getijdeafzettingen is in de Late Nieuwe tijd tot een diepte van 80 tot 115 cm –mv geroerd. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van oudere cultuur- of ophogingslagen. Eventuele archeologische resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd worden, voornamelijk in de vorm van grondsporen, verwacht onder de geroerde laag, dus beneden 80 cm –mv.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 16 van 20
5 5.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het bureauonderzoek en het verkennen booronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied op een getij-inversierug uit de Vroege Middeleeuwen ligt. Op deze getij-inversierug is e in de 9 eeuw Oostburg ontstaan. Hoewel de kern van deze nederzetting waarschijnlijk meer naar het noordwesten heeft gelegen, heeft ook het plangebied een hoge verwachting voor bewoningssporen e en sporen van landgebruik uit de Middeleeuwen. In de 17 eeuw heeft het plangebied op de overgang van de historische kern van de vesting Oostburg naar de vestingwerken gelegen. Uit deze periode kunnen nederzettingsresten en resten van de vestingwerken worden verwacht. De vestingwerken zijn e e in de loop van de 17 en 18 eeuw geslecht. Uit de periode hierna worden alleen sporen van landgebruik verwacht. Archeologische resten uit de Middeleeuwen Nieuwe tijd worden voornamelijk verwacht in de vorm van grondsporen, zoals greppels, afvalkuilen, paalgaten, waterputten en funderingsresten. Deze grondsporen bevinden zich onder een recent ophoogpakket en de geroerde toplaag van de getijdeafzettingen, vanaf 80 cm –mv. Het archeologische niveau is ter plaatse van de bestaande bebouwing waarschijnlijk niet significant verstoord, omdat de graafwerkzaamheden ter plaatse van de bebouwing waarschijnlijk ook niet dieper dan 80 cm –mv hebben gereikt.
De enige verstoringen ter plaatse van de bebouwing is dan veroorzaakt door het aanbrengen van heipalen. De archeologische waarden binnen het plangebied worden mogelijk bedreigd door voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied. 5.2
Advies
Het plangebied heeft een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten worden verwacht beneden 80 cm –mv en worden mogelijk bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden. Het is nog niet bekend tot hoe diep de bodemingrepen zullen reiken. Geadviseerd wordt om, in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie‘ toe te kennen aan het gehele plangebied. Als beleidsregel kan aan deze dubbelbestemming een onderzoeksplicht worden gehangen voor bodemingrepen met een op2 2 pervlakte van meer dan 50 m (de gewaardeerde stadskern) of 250 m (de zone met een hoge verwachting) en die dieper reiken dan 80 cm –mv. Dit is in lijn met het gemeentelijke archeologiebeleid, met een correctie voor de waargenomen minimale verstoringsdiepte. Deze dubbelbestemming heeft tot gevolg dat bij eventuele toekomstige, vergunningplichtige, bodem2 verstorende werkzaamheden beneden 80 cm –mv en groter dan 50/250 m , eerst een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase dient te worden uitgevoerd. Dit onderzoek heeft tot doel om te bepalen of er in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn.
Omdat binnen het plangebied voornamelijk grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Een proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Sluis). Het bevoegd gezag neemt vervolgens een besluit.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 17 van 20
Er is getracht een gefundeerd advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten hoger dan 80 cm –mv in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wijst er op dat, dat indien er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voor het melden van een vondst kunt u terecht bij de infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456), de gemeente Sluis of de Provincie Zeeland.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 18 van 20
LITERATUUR Alkemade, M., R.M. van Heeringen, en W.A.M. Hessing. Archeologiebeleid gemeente Sluis. Deel A: Beleidsnota archeologie. Vestigia-rapport V708-A, Amersfoort: Vestigia, 2011. Amersfoort, H., en P.H. Kamphuis. Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. 's-Gravenhage, 1990. Berendsen, H.J.A. Landschappelijk Nederland. Assen, 2004. Berkel, G. van, en K. Samplonius. Nederlandse plaatsnamen, Herkomst en historie. Utrecht, 2006. Bosch, J.H.A. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. TNO-rapport NITG 05-043-A, Utrecht: NITG-TNO, 2005. Brugman, B., R.M. van Heeringen, en R. Schrijvers. Archeologiebeleid gemeente Sluis. Deel B: Toelichting beleidskaart. V707-B, Amersfoort: Vestigia, 2011. Jong, L. de. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 's-Gravenhage, 1969 1994. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J. W.C. Peek, en R.M. van den Berg van Saparoea. Landschappen van Nederland. Wageningen, 2013. Klep, C., en B. Schoenmaker. De bevrijding van Nederland 1944 - 1945- Oorlog op de flank. 'sGravenhage, 1995. Koomen, A.J.M., en G.J. Maas. Geomorfologische Kaart Nederland (GKN); Achtergronddocument bij het landsdekkende digitale bestand. Alterra-rapport 1039, Wageningen: Alterra, 2004. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong. De ondergrond van Nederland. Houten, 2003. Stouthamer, E., K.M.
Cohen, en W.Z. Hoek. De vorming van het Land. Utrecht: Perspectief Uitgevers, 2015. Vos, P.C. „Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands.” In Origin of the Dutch coastal landscape, door P.C. Vos, 50 - 81. Groningen: Barkhuis, 2015. Vos, P.C., en S. de Vries. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd. www.archeologieinnederland.nl (geopend 11 30, 2015). Vries, F. de, W.J.M. de Groot, T. Hoogland, en J Denneboom. De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterra-rapport 811, Wageningen: Alterra, 2003.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 19 van 20
BRONNEN AHN; internetsite, mei 2017 http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, mei 2017 https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, mei 2017 http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, mei 2017 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, mei 2017 http://www.dinoloket.nl/ Edugis, internetsite, mei 2017 http://www.edugis.nl Gemeente Sluis, internetsite, mei 2017 https://www.gemeentesluis.nl/Leven_Wonen_en_Werken/Ruimte_wonen_milieu/Bestemmingsplanne n/Geldende_bestemmingsplannen Geoloket: Cultuur Historie, provincie Zeeland, internetsite, mei 2017 https://zldgwb.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Cultuur%20Historie Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, mei 2017 http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, mei 2017 http://www.topotijdreis.nl/ SIKB; internetsite, mei 2017 http://www.sikb.nl Staats-Spaanse Linies, internetsite, mei 2017 http://www.staatsspaanselinies.eu/nl/de-staats-spaanse-linies/lijstweergave/linie:linie-vanoostburg.htm Stichting Cultureel Erfgoed Zeland, internetsite, mei 2017 http://www.scez.nl Zeeuws Landschap, internetsite, mei 2017 https://www.hetzeeuwselandschap.nl/natuurgebieden/groote-gat
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 20 van 20
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 4. Kabels en leidingen binnen het plangebied
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 5. Toekomstige situatie binnen het plangebied
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 6. Top pleistocene ondergrond
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 7. Het plangebied op de geomorfologische kaart
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 8. Het plangebied op het AHN
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 9. Het plangebied op de bodemkaart
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 10. Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart, laag 1
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 11. Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart, laag 2
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 12. Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart, laag 4
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 13. Archeologische waarden en onderzoeken binnen het plangebied
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 14. Boorpuntenkaart
Rapport 4195.002 versie 1
Figuur 15. Advies op basis van het vooronderzoek
Rapport 4195.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
29.000
50.000
75.000
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
130.000
370.000 410.000
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000
Lithostratigrafie
3
4
Formatie van Beegden
5b 5c 5d 5e
Saalien (ijstijd)
6
Eem Formatie Formatie van Drente Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
850.000
Cromerien (warme periode)
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 4195.002 versie 1
Formatie van Boxtel
5a
Eemien (warme periode)
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Pollen zones
Vb1 Va
800
2650
815
Subboreaal koeler droger
2000
IVb IVa
5000
3755 4900
5300
8000
7020
8240
9000
11.755
10.150
12.745
10.800
8800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas Bølling
35.000
LW I
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
300.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum
loofbos
Saalien (ijstijd) Vroeg-Paleolithicum
Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 4195.002 versie 1
Bijlage 2
Rapport 4195.002 versie 1
Paleogeografische ontwikkeling van het plangebied
Rapport 4195.002 versie 1
Bijlage 3
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 4195.002 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 4195.002 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 4195.002 versie 1
Bijlage 4
Rapport 4195.002 versie 1
Historisch kaartmateriaal