a. ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Aanduidingen Ten slotte worden op de verbeelding ook een maatvoeringsaanduiding gebruikt, de maximaal toegestane bouwhoogte. Bij het toekennen van aanduidingen is zo veel mogelijk aangesloten bij de standaard (en verplichte) aanduidingen uit SVBP2012. In het renvooi zijn alle gebruikte aanduidingen opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
38
Opzet planregels De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012: hoofdstuk 1 (inleidende regels): hierin worden de in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; hoofdstuk 2 (bestemmingsregels): hierin worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; hoofdstuk 3 (algemene regels): dit hoofdstuk bevat regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals algemene afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheden, de anti‐dubbeltelbepaling et cetera; hoofdstuk 4 (overgangs‐ en slotregel): dit hoofdstuk geeft het overgangsrecht weer voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Tevens is de titel van het plan opgenomen. De artikelen in hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving: hier wordt aangegeven welk gebruik binnen de bestemming is toegestaan; bouwregels: deze zijn onderverdeeld in de toelaatbaarheid van bouwwerken, bouwhoogte, oppervlakte en inhoud; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: beschreven wordt of voor het uitvoeren van specifieke werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. Het gaat dan bijvoorbeeld om het afgraven of ophogen van grond, werkzaamheden aan beschermde stoepen.
Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.3
Gehanteerde bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik. Artikel 3 Groen De bestemming Groen laat plantsoenen en beplanting toe. Daarnaast mogen op deze gronden (licht)masten, voet‐ en fietspaden en bij deze doeleinden behorende voorzieningen worden geplaatst. Ook is een waterelement of waterberging op gronden met bestemming Groen toegestaan. De bouwmogelijkheden op deze gronden zijn beperkt tot bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de hiervoor beschreven gebruiksmogelijkheden. Artikel 4 Maatschappelijk De bestemming Maatschappelijk geldt voor het terrein van de zorgvoorzieningen. Hier zijn zorgwoningen, gezondheidszorg, sociale en welzijnsvoorzieningen. Evenals bij deze bestemmingen horende voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk ‐ maatschappelijke woonvoorziening' is tevens eeen bijzondere woonvoorziening voor (een) bepaalde groep(en) die ter plaatse structureel zorg ontvangt van een professionele zorg verlenende organisatie. Het maximaal aantal appartementen is bepaald op 22. Op de kaart is een bouwvlak opgenomen die de plaats van de gebouwen vast legt, alleen hierbinnen mogen gebouwen worden gebouwd. In het bouwvlak is de toegestane bouwhoogte voor de verschillende bouwdelen aangegeven.
Artikelen 5 en 6 Waarde ‐ Archeologie 1 en Waarde ‐ Archeologie 2
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
39
De bestemmingen Waarde – Archeologie 1 en Waarde ‐ Archeologie 2 betreffen zogenoemde dubbelbestemmingen overeenkomstig met het geldende gemeentelijke archeologiebeleid. De dubbelbestemming is overeenkomstig SVBP2012 met een arcering op de verbeelding weergegeven. De bestemmingen vallen samen met de enkelbestemmingen Maatschappelijk en Groen in het hele plangebied. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Voordat er ten behoeve van een samenvallende bestemming (bijvoorbeeld een bestemming Maatschappelijk) een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend, moet eerst worden nagegaan of daardoor geen onevenredige schade aan de archeologische waarden wordt toegebracht. Alleen herbouw van bestaande bebouwing op dezelfde fundering hoeft niet te worden getoetst. Om geen onnodige procedures te hoeven voeren, is gekozen voor een regeling, waarbij na toetsing van de voorkomende archeologische waarden rechtstreeks (dus zonder afwijking van het bestemmingsplan) een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend. Voor andere werkzaamheden dan bouwen (bijvoorbeeld graven) is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. Deze vergunning kan niet worden verleend, indien daardoor in onevenredige mate schade aan de archeologische waarden wordt of kan worden toegebracht.
Slechts onder bepaalde voorwaarden is geen omgevingsvergunning noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
40
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
41
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoeringsaspecten
Financiële uitvoerbaarheid
De grond waar het bestemmingsplan betrekking op heeft is voor het grootste gedeelte in bezit van de gemeente Sluis. Er is een samenwerkingsovereenkomst (december 2016) gesloten met Woongoed Zeeuws‐Vlaanderen om de ontwikkeling te realiseren. De gemeente Sluis zal in een anterieure overeenkomst de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vastleggen. Conclusie De gemeente Sluis acht de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op grond van het voorgaande afdoende gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro Inspraak Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening worden ingezetenen van de gemeente en in de gemeente belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan betrokken. Het voorontwerpbestemmingsplan zal ter inzage worden gelegd bij het Klanten Contact Centrum (KCC) van de gemeente Sluis, Nieuwstraat 22 te Oostburg, en is tevens op de website www.ruimtelijkeplannen.nl in te zien. Gedurende deze termijn van terinzagelegging konden inspraakreacties mondeling of schriftelijk naar voren worden gebracht. In bijlage 8 zijn de inspraakreacties opgenomen. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Tijdens de inspraaktermijn is het voorontwerpbestemmingsplan verstuurd voor het overleg ex artikel 3.1.1. Bro. toegestuurd aan: Provincie Zeeland Waterschap Scheldestromen DNWG De vooroverlegreacties zijn in bijlage 8 opgenomen. Hierin is ook beschreven tot welke aanpassingen deze reacties hebben geleid.
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
42
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
bijlagen bij de Toelichting
44
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
45
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
46
Rho adviseurs voor leefruimte
231503.20161884.00
ARCHEOLOGISCH VOORONDERZOEK PLANGEBIED ‘BURGHTKWARTIER’ TE OOSTBURG GEMEENTE SLUIS
Rapportage archeologisch vooronderzoek Plangebied ‘Burghtkwartier’ te Oostburg Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Nieuwstraat 27 4331 JK Middelburg
Rapportnummer 1
Versienummer
Datum
4195.002 1 14 juni 2017
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
drs. A.J. Wullink
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Rotterdam Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van het bevoegd gezag is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeelt door het bevoegd gezag.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Kwaliteitszorg Econsultancy s onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Soort onderzoek
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Provincie
Zeeland
Gemeente
Sluis
Plaats
Oostburg
Locatiegegevens
Burgemeester I. van Houtestraat 1 – 19 Burgemeester H.A. Callenfelsstraat 3 - 19
Projectnaam
Plangebied “Burghtkwartier”
Projectcode
4195.002
Planologische aanleiding
Bestemmingsplan
RD-coördinaten plangebied
22.639/372.351; 22.672/372.349; 22.679/372.330; 22.710/372.346; 22.721/372.320; 22.634/372.278
Oppervlakte plangebied
3710 m
Kadastrale perceelnummers
Oostburg, sectie G, perceelnummers 3954, 1449, 2013, 2121, 2120, 2385, 2386, 2387, 2118, 1437, 1438, 1528, 1527, 1526, 3266, 3348, 3349, 3350, 1756, 4638 (deels), 3392 (deels), 4686 (deels)
AMK-status
AMK-terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nummer 13466); Oostburg, nederzetting met stedelijk karakter (Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd).
ZAA-vondstmeldingen
Geen
ARCHIS-vondsmeldingen
Geen
Rijks- en gemeentelijke monumenten
Geen
Onderzoeksmelding ARCHIS
4544613100
Opdrachtgever
Rho Adviseurs Middelburg L. ten Braak Nieuwstaart 27 4331 JK Middelburg
T: 0118-689054 E: lotte.tenbraak@rho.nl
Uitvoerder
Econsultancy Rotterdam Drs. A.J. Wullink Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam
T: 06-36538355 E: wullink@econsultancy.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Sluis M. de Paauw Postbus 27 4500 AA Oostburg
T: 140117 E: mdepaauw@gemeentesluis.nl
Begeleiding, beoordeling en toetsing
Edufact Advies in Erfgoed N. de Visser Postbus 331
T: 06-23284662 E: nathaliedevisser@edufact.nl
Rapport 4195.002 versie 1
2
4330 AH Middelburg Beheer en plaats van vondsten
Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland Depotbeheerder: H. Hendrikse Postbus 49 4330 AA Middelburg
Levering van digitale gegevens
Een digitale versie van het definitieve rapport dient toegezonden aan de RCE. In het onderzoek gegenereerde digitale data dienen aangeleverd te worden aan het e-depot, www.edna.nl. Er moet worden gestreefd naar aanlevering van de gegevens van boringen aan het DINO-loket (in de toekomst Basisregistratie Ondergrond)
Nieuw aangetroffen vindplaatsen
-
Complextype(n) en datering
-
Rapport 4195.002 versie 1
T: 0118-670618 E: h.hendrikse@scez.nl
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied “Burghtkwartier” aan de Burgemeester I. van Houtestraat en de Burgemeester H.A. Callenfelstraat te Oostburg in de gemeente Sluis. In het plangebied zullen zorgwoningen worden gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken, dient eerst een wijziging van het bestemmingsplan te worden doorgevoerd. Hierbij dient ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening (2006). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd volgens de KNA 4.0 en de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland. Conform de KNA en de aanvullende richtlijnen bestaat het onderzoek uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn. Dit advies dient te worden getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Sluis, waarna een besluit zal worden genomen of het plangebied kan worden vrijgegeven of dat vervolgstappen uitgevoerd dienen te worden.
Op basis van het bureauonderzoek en het verkennen booronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied op een getij-inversierug uit de Vroege Middeleeuwen ligt. Op deze getij-inversierug is e in de 9 eeuw Oostburg ontstaan. Hoewel de kern van deze nederzetting waarschijnlijk meer naar het noordwesten heeft gelegen, heeft ook het plangebied een hoge verwachting voor bewoningssporen e en sporen van landgebruik uit de Middeleeuwen. In de 17 eeuw heeft het plangebied op de overgang van de historische kern van de vesting Oostburg naar de vestingwerken gelegen. Uit deze periode kunnen nederzettingsresten en resten van de vestingwerken worden verwacht. De vestingwerken zijn e e in de loop van de 17 en 18 eeuw geslecht. Uit de periode hierna worden alleen sporen van landgebruik verwacht. Archeologische resten uit de Middeleeuwen - Nieuwe tijd worden voornamelijk verwacht in de vorm van grondsporen, zoals greppels, afvalkuilen, paalgaten, waterputten en funderingsresten. Deze grondsporen bevinden zich onder een recent ophoogpakket en de geroerde toplaag van de getijdeafzettingen, vanaf 80 cm –mv. Het archeologische niveau is ter plaatse van de bestaande bebouwing waarschijnlijk niet significant verstoord, omdat de graafwerkzaamheden ter plaatse van de bebouwing waarschijnlijk ook niet dieper dan 80 cm –mv hebben gereikt.
De enige verstoringen ter plaatse van de bebouwing is dan veroorzaakt door het aanbrengen van heipalen. De archeologische waarden binnen het plangebied worden mogelijk bedreigd door voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied. Advies Het plangebied heeft een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten worden verwacht beneden 80 cm –mv en worden mogelijk bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden. Het is nog niet bekend tot hoe diep de bodemingrepen zullen reiken. Geadviseerd wordt om, in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie‘ toe te kennen aan het gehele plangebied. Als beleidsregel kan aan deze dubbelbestemming een onderzoeksplicht worden gehangen voor bodemingrepen met een op2 2 pervlakte van meer dan 50 m (de gewaardeerde stadskern) of 250 m (de zone met een hoge verwachting) en die dieper reiken dan 80 cm –mv. Dit is in lijn met het gemeentelijke archeologiebeleid, met een correctie voor de waargenomen minimale verstoringsdiepte.
Rapport 4195.002 versie 1
Deze dubbelbestemming heeft tot gevolg dat bij eventuele toekomstige, vergunningplichtige, bodem2 verstorende werkzaamheden beneden 80 cm –mv en groter dan 50/250 m , eerst een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase dient te worden uitgevoerd. Dit onderzoek heeft tot doel om te bepalen of er in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. Omdat binnen het plangebied voornamelijk grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Een proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Sluis). Het bevoegd gezag neemt vervolgens een besluit. Er is getracht een gefundeerd advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten hoger dan 80 cm in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten.
Econsultancy wijst er op dat, dat indien er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voor het melden van een vondst kunt u terecht bij de infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456), de gemeente Sluis of de Provincie Zeeland.
Rapport 4195.002 versie 1
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
DOELSTELLING ......................................................................................................................... 1
3
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 4.1 4.2 4.3
5
Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 2 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Bewoningsgeschiedenis van Oostburg ............................................................................ 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 Archeologische waarden ................................................................................................ 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 13
Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Consequenties archeologische verwachting .................................................................. 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17 5.1 5.2
Conclusie ........................................................................................................................ 17 Advies ............................................................................................................................. 17
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 19 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 4195.002 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied . Grondwatertrappenindelin. Naar Jongmans e.a. (2013). Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.
Situering van het plangebied binnen Nederland Het plangebied op de kadastrale kaart Luchtfoto van het plangebied Kabels en leidingen binnen het plangebied Toekomstige situatie binnen het plangebied Top pleistocene ondergrond Het plangebied op de geomorfologische kaart Het plangebied op het AHN Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart, laag 1 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart, laag 2 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart, laag 4 Archeologische waarden en onderzoeken binnen het plangebied Boorpuntenkaart Advies op basis van het vooronderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Paleogeografische ontwikkeling van het plangebied Bewoningsgeschiedenis van Nederland Historisch kaartmateriaal Archeologische onderzoeken Archeologische vondsten en sporen AMZ-cyclus Boorprofielen
Rapport 4195.002 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied “Burghtkwartier” aan de Burgemeester I. van Houtestraat en de Burgemeester H.A. Callenfelstraat te Oostburg in de gemeente Sluis (zie figuur 1). In het plangebied zullen zorgwoningen worden gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken, dient eerst een wijziging van het bestemmingsplan te worden doorgevoerd. Hierbij dient ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening (2006). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd volgens de KNA 4.0 en de aanvullende richtlijnen voor 2 archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland . Conform de KNA en de aanvullende richtlijnen bestaat het onderzoek uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 5). Dit advies dient te worden getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Sluis, waarna een besluit zal worden genomen of het plangebied kan worden vrijgegeven of dat vervolgstappen uitgevoerd dienen te worden.
2
DOELSTELLING
Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel van het plangebied op te stellen. Het verwachtingsmodel is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is er op gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Verder is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn.
3
BUREAUONDERZOEK
3.1
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Verder is het onderzoek uitgevoerd volgens de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
2
www.scez.nl
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 1 van 20
Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 3 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 3.2
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); het geoloket van de provincie Zeeland; geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOloket); 4 het Zeeuws archeologisch archief (ZAA) literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Sluis; Afbakening van het plangebied
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied. Het plangebied ligt in het zuiden van de bebouwde kom van Oostburg (zie Figuur 1). Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de Burgemeester I. van Houtestraat en in het westen aan de Burgemeester H.A. Callenfelsstraat. Aan de noordoostzijde wordt het plangebied begrensd door de Schouwburgstraat en door het terrein van zorgcentrum De Burght. De totale oppervlakte van het plangebied is 2 3.710 m . Het plangebied beslaat kadastrale percelen Oostburg, sectie G, perceelnummers 1437, 1438, 1449, 1526, 1527, 1528, 1756, 2013, 2118, 2120, 2121, 2385, 2386, 2387, 3266, 3348, 3349, 3350, 3954, 3392 (deels), 4638 (deels), 4686 (deels). De ligging van het plangebied op de kadastrale kaart is weergegeven in Figuur 2. 3 4
Beschikbaar via www.sikb.nl. Er is contact geweest met dhr. H. Jongepier. Er zijn geen aanvullende gegevens bekend bij het ZAA.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 2 van 20
3.3
Huidige situatie
Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Binnen het plangebied liggen in totaal 19 woningen met tuin (Burgemeester I. van Houtestraat 1 – 19, Burgemeester H.A. Callenfelsstraat 3 – 19. Buiten deze erven is het plangebied in gebruik als openbare weg, parkeerplaats of groenvoorziening (zie Figuur 2, Figuur 3). Vigerend beleid 5 Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Kom Oostburg uit 2008 . Volgens dit bestemmingsplan heeft het grootste deel van het plangebied een bestemming ‘Wonen’. De zuidwestelijke punt van het plangebied heeft een bestemming ‘Groen’. Het hele plangebied heeft een dubbelbestemming ‘waarden – archeologische waarden’. In het bestemmingsplan zijn geen planregels opgenomen ten aanzien van archeologie. Kabels en leidingen Voor het plangebied is een KLIC-melding verricht. Binnen het plangebied zijn enkele kabels en leidingen aanwezig, zoals in Figuur 4 is te zien. In het noorden van het plangebied staat een transformatorhuisje, waarnaartoe een aantal midden- een laagspanningsleidingen lopen, alsook een lagedruk aardgasleiding. Verder lopen er enkele datakabels en laagspanningsleidingen door het plangebied. Rioleringen en waterleidingen lopen buiten het plangebied onder de Van Houtestraat en de Callenfelsstraat.
De huisaansluitingen staan niet aan gegeven op de kaart. Bodemloket 6 Het Bodemloket is een initiatief van de overheid om inzicht te geven in de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om de bodemkwaliteit in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te verbeteren (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger mogelijk (potentiële) bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Volgens het bodemloket is het deel van het plangebied ten noorden van de woningen in 1995 onderzocht door middel van een verkennend en nader bodemonderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat het in dit deel van het plangebied een garagebedrijf heeft gestaan en dat binnen een deel van het onderzochte gebied een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, die gesaneerd moet worden. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld. Een sanering is nog niet uitgevoerd. 3.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarden.
5
https://www.gemeentesluis.nl/Leven_Wonen_en_Werken/Ruimte_wonen_milieu/Bestemmingsplannen/Geldende_bestemming splannen 6
www.bodemloket.nl.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 3 van 20
De initiatiefnemer heeft het voornemen om in het plangebied een aantal zorgwoningen te ontwikkelen bij zorgcentrum De Burght. Hiertoe wordt eerst de bestaande bebouwing gesloopt. Vervolgens worden twee woonclusters ontwikkeld. In het westelijke cluster komen twaalf appartementen en in het 2 oostelijke cluster tien appartementen. De totale oppervlakte van de nieuwbouw wordt circa 1100 m . De nieuwbouw valt deels samen met de te slopen bebouwing. Het overige deel van het plangebied wordt ingericht als openbaar groen, patio/binnentuin of parkeerplaats. In deze fase van de planvorming is nog niet bekend tot hoe de bebouwing exact gefundeerd wordt en wat de omvang en diepte van de bodemverstorende werkzaamheden is. 3.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie
Formatie van Naaldwijk op Formatie van Nieuwkoop op de Formatie van Boxtel
Geomorfologie
Bebouwd
Bodemkunde
Bebouwd
Grondwatertrap
-
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het Zeeuws zeekleigebied. De landschappelijke ontwikkeling van dit gebied begint tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 – 10.150 jaar geleden). In de koudste fase van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (28.000 – 13.000) zijn voornamelijk nat-eolische zanden afgezet. Deze zanden zijn als een zacht golvende deken afgezet over het landschap, door wind in combinatie met sneeuwsmeltwater. De zanden worden ook wel Oude Dekzanden of ten dele verspoelde dekzanden genoemd en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend (Mulder e.a. 2003). De afzettingen bestaan overwegend uit zeer fijn tot matig fijn, siltarm tot siltig zand, waarin ook leembandjes en grindsnoertjes kunnen voorkomen. Tijdens het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.150 jaar geleden) verbetert het klimaat. De permafrost verdwijnt, het land raakt begroeid en er komt een einde aan grootschalige sedimentatie van nat-eolische zanden. Tijdens de koude fases van het Laat-Glaciaal, de Oude Dryas (12.000 - 11.800 jaar geleden) en de Jonge Dryas (10.800 – 10.150 jaar geleden), is er sprake van discontinue permafrost. Het vegetatiedek breekt open en lokaal kan zand gaan verstuiven. Dit zand, dat in ruggen en kopjes wordt afgezet, wordt ook wel Jong Dekzand genoemd en vormt binnen de Formatie van Boxtel het Laagpakket van Wierden.
De afzettingen zijn beter gesorteerd dan de nat-eolische zanden en bestaan uit matig fijn, zwak siltig zand. In het eerste deel van de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.150 jaar geleden) raakt het landschap begroeid en treedt er bodemvorming op. Vanaf het Atlanticum vindt op grote schaal veenvorming plaats in Nederland. Volgens de paleogeografische kaarten van Nederland (Vos & De Vries, 2015; bijlage 2) is het plangebied tussen 3850 en 2750 v. Chr. door veen overdekt geraakt. Dit veen wordt tot de Formatie van Nieuwkoop gerekend.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 4 van 20
De veengroei gaat door tot het begin van onze jaartelling. In de Romeinse tijd vind er op het veen bewoning plaats. Door natuurlijke drainage door de Schelde en ontginning door de mens daalt de bodem en vanaf 300 n. Chr. kan de zee het land weer binnendringen. Het land raakt ontvolkt en grote delen van het veen verdwijnen door erosie door getijdegeulen. Op het resterende veen wordt een kleidek afgezet. De getijdegeulen verzanden uiteindelijk en komen door reliëfinversie relatief hoog in het landschap te liggen. De getijdeafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) gerekend. Volgens de paleogeografische kaarten (bijlage 2) ligt het plangebied rond 800 n. Chr. op een kreekinversierug. Iets ten westen van het plangebied ligt dan een actieve getijdegeul. e
Vanaf de 8 eeuw n. Chr. worden er op oeverwallen van deze kreken nederzettingen gesticht. In de Late Middeleeuwen vindt op grote schaal moernering plaats. Hierbij wordt het veen onder het kleidek afgegraven voor zoutwinning; het kleidek wordt vervolgens weer terug gezet. Het hoogteverschil tussen de kreekruggen en de omringende vlakten wordt hiermee nog sterker geaccentueerd. Door de moernering en de daarmee gepaard gaande bodemdaling vinden opnieuw inbraken van de zee plaats, waardoor op nieuw grote delen van Zeeland verloren gaan. Om het land tegen verdere overstromingen te beschermen, worden rond 1250 n. Chr. de tot dan toe van overstroming gespaard gebleven delen bedijkt. Deze delen van het land worden in Zeeland Oudland genoemd. De delen van Zeeland die na 1250 zijn opgeslibd en bedijkt, worden Nieuwland genoemd (Berendsen 2005). Volgens de paleogeografische kaarten (bijlage 2) ligt rond 1500 ten zuiden van het plangebied nog een bedijkte vaart. Dit is de Brugschse Vaart, die tussen 1501 en 1505 is aangelegd om het meer westelijk gelegen Zwin bereikbaar te houden. Het westelijke deel is later ingepolderd en het oostelijke deel 7 staat nu bekend als het Groote Gat . Geologie Zoals in de voorgaande paragraaf al is gemeld, worden binnen het plangebied getijdeafzettingen uit de Middeleeuwen verwacht.
Deze getijde-afzettingen, die in twee fases zijn afgezet (Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen), worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren binnen de Formatie van Naaldwijk. De geulen hebben zich diep ingesneden in de pleistocene ondergrond, maar buiten de geulen, onder de dekafzettingen, wordt veen (Formatie van Nieuwkoop) op dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) verwacht. Het veen is mogelijk verdwenen door moernering. Volgens een reconstructie van het pleistocene oppervlak (figuur 6) ligt het plangebied pal ten westen van een getijdegeul die zich tot een diepte van -5 tot -10 m NAP heeft ingesneden. Het pleistocene maaiveld binnen het plangebied tussen 0 en -2 m NAP en loopt in westelijke en noordelijke richting af. 8
Naast de reconstructie van het pleistocene oppervlak is ook het DINOloket geraadpleegd . In de nabijheid van het plangebied zijn enkele geologische boringen geplaats (zie figuur 6). De boringen ten oosten van het plangebied liggen rondom de geul die op de reconstructie van het pleistocene maaiveld is te zien. Uit deze boringen blijkt dat de basis van de getijdeafzettingen tussen -0,7 en -4,0 m NAP ligt. Onder de getijde-afzettingen is 20 tot 60 cm veen aangetroffen. De top van de pleistocene zanden ligt tussen -1.25 en -4,6 m NAP. De aanwezigheid van het veen wijst erop dat de top van het pleistocene maaiveld hier, buiten de getijdegeul, nog intact is.
7 8
https://www.hetzeeuwselandschap.nl/natuurgebieden/groote-gat http://www.dinoloket.nl/
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 5 van 20
In een boring 650 m ten westen van het plangebied ligt de basis van de getijdeafzettingen op -2,6 m NAP en is geen veen aanwezig. Hier is de top van de pleistocene ondergrond mogelijk geërodeerd. Geomorfologie De Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de verschillende landvormen in het landschap weer. Volgens de geomorfologische kaart (figuur 7). Ligt het plangebied in de bebouwde kom van Oostburg en zijn de oorspronkelijk aanwezige landvormen niet gekarteerd. Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een vlakte van getijdeafzettingen (code 2M35), op al dan niet gemoerneerde welvingen van getijdeaf9 zettingen (code 3L20, 3L27) op eventueel op een getij-inversierug (code 3K33) . Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 10 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand geeft een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Volgens het AHN2 (figuur 8) ligt het maaiveld in het plangebied tussen 1,6 en 2,0 m NAP. In noordelijke richting, richting het historische kern van Oostburg, loopt het maaiveld op richting 3,5 m NAP. In het ingepolderde deel van het Grote Gat, ten zuidwesten van het plangebied, ligt het maaiveld tussen 0,4 en 1,4 m NAP.
In het niet-ingepolderde deel van het Grote Gat, ten zuiden van het plangebied, ligt het maaiveld rond -0,40 m NAP. Bodem De Bodemkaart van Nederland (1:50.000) geeft de bodemkundige indeling weer van de bovenste 120 cm van de bodem. Bodemvorming en daarmee de classificatie is voor een groot deel afhankelijk van het substraat (zand, leem, klei en veen) waarin de bodem is gevormd, het kalkgehalte, de mineralogische rijkdom en de grondwaterstand. Volgens de bodemkaart (figuur 9) ligt het plangebied in de bebouwde kom van Oostburg en is de bodem niet gekarteerd. In de getijdegebieden rondom Oostburg komen kalkrijke poldervaaggronden (code Mn) en knippige poldervaaggronden (code gMn) voor. Poldervaaggronden zijn kleigronden, die worden gekenmerkt door periodieke hoge grondwaterstanden, waardoor binnen 50 cm –mv gleyverschijnselen (roestvlekken) voorkomen. De kalkrijke poldervaaggronden zijn gevormd in zavel en lichte klei. Knippige poldervaaggronden zijn kalkloze kleigronden, die zijn gevormd in zware klei, dat in een brak milieu is afgezet. Door het ontbreken van klei treedt chemische rijping op, waardoor een structuurloze laag ontstaat die moeilijk is te bewerken (Jongmans e.a. 2013). In de dekzanden in de ondergrond zijn, voordat in het Midden-Holoceen veenvorming is opgetreden, in principe podzolbodems gevormd.
Deze bodems worden in mineralogisch arme zanden gevormd, onder relatief droge omstandigheden. Bij podzolbodems is sprake van een inspoelingshorizont (Bhorizont). In dekzandgebieden met relatief hoge grondwaterstanden zijn in principe goor- of beekeerdgronden gevormd. Dit zijn bodems zonder inspoelingshorizont en gley-verschijnselen hoog in het profiel. Bij podzolbodems is het landschap droog genoeg geweest voor bewoning en landbouw. Bij beek- of gooreerdgronden is dit niet het geval geweest. De aanwezigheid van een (restant van) een podzolbodem is ook een indicatie voor de intactheid van het pleistocene maaiveldniveau en heeft daarmee ook invloed op de archeologische verwachting.
9
Dit is een aanname op basis van de aanwezigheid van een inversierug in Bijlage 2 (800 n. Chr.) en een getijdegeul in Figuur 6. 10
www.ahn.nl
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 6 van 20
Grondwater Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VIII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. .
Tabel II.
Grondwatertrappenindelin. Naar Jongmans e.a. (2013).
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Oostburg bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. Uit extrapolatie van grondwater gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied een grondwatertrap V of VI heeft. 3.6
Bewoningsgeschiedenis van Oostburg
In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 3. Zoals in de voorgaande paragraaf al werd gemeld, werd het veengebied in Zeeland in de Romeinse tijd bewoond. Door inbraken van de zee en erosie van het veen raakte het gebied aan het einde van e de Romeinse tijd ontvolkt. Vanaf de 8 eeuw worden op de inmiddels verzande kreken, die als getijinversieruggen in het landschap liggen, nieuwe nederzettingen gesticht. Oostburg ontstaat rondom e een ringwalburcht die aan het eind van de 9 eeuw is aangelegd. Deze burchten werden als verdediging tegen overvallen door de Vikingen opgeworpen. De oudste vermelding van Oostburg dateert uit 949 n. Chr. (Van Berkel & Samplonius 2006).
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 7 van 20
In de Late Middeleeuwen maakte Oostburg deel uit van het graafschap Vlaanderen. Via de Oude e Haven stond de stad in verbinding met het Zwin. In de 13 eeuw kende Oostburg een economische e bloeiperiode, maar vanaf de 14 eeuw nam de voorspoed af door oorlog en overstromingen. Tussen 1501 en 1505 werd de Brugsche Vaart gegraven tussen het Zwin in het westen en de Braakman in het oosten. Deze vaart moest Brugge bereikbaar houden voor schepen en doorsneed Oostburg. In de 11 e loop van de 16 eeuw verzandde de Brugsche Vaart . De Brugsche Vaart is later ingepolderd en het oostelijke deel hiervan staat bekend als het Groote Gat. Tijdens de Opstand, in 1583 werd het gebied door de Spanjaarden veroverd. Om hen te hinderen werd het land geïnundeerd en als gevolg hiervan werd Oostburg verlaten. De Spanjaarden bouwden rondom Oostburg enkele forten, zoals de Cathalijneschans ten zuidoosten van Oostburg en de Hans Vrieseschans ten westen van Oostburg. In 1604 werd het gebied door prins Maurits veroverd en werd de linie van Oostburg aangelegd, waarbij een aantal nieuwe forten werd aangelegd: de schans Nijevelt ten zuiden van de Brugsche Vaart, de schans Frederik Hendrik ten noorden hiervan en de schans Slikkenburg ten noorden van het plangebied. Deze laatste twee schansen werden verbonden met een wal en gracht dwars door het Middeleeuwse Oostburg.
Later werd er ook een wal met bastions aangelegd aan de westzijde van Oostburg en was de vesting Oostburg een feit. e
De vesting Oostburg wordt na 1672 in fases ontmanteld, maar tot in de 20 eeuw blijven delen van de vesting zichtbaar in het landschap. Pas na de Tweede Wereldoorlog worden de laatste sporen van de vesting uitgewist. 3.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De historische ontwikkeling van het plangebied kan aan de hand van historisch kaartmateriaal vanaf e de 16 eeuw worden beschreven. De gebruikte historische kaarten zijn opgenomen in bijlage 4. De oudste kaart van Oostburg en het plangebied is de kaart van Jacob van Deventer uit circa 1560, dus van voor de Tachtigjarige Oorlog. Deze kaart is niet heel nauwkeurig, maar het plangebied ligt ten zuiden van de bebouwing van Oostburg, ten noorden van de Brugsche Vaart en ten noordoosten van de Oude Haven. Oostburg is niet ommuurd en volgens mw. N.
de Visser van Edufact, archeologisch adviseur van de gemeente Sluis, geeft deze kaart ook niet de volle omvang van de Middele eeuwse bebouwing weer, omdat Oostburg door de economische teruggang vanaf de 14 eeuw is gekrompen.
11
http://www.staatsspaanselinies.eu/nl/de-staats-spaanse-linies/lijstweergave/linie:linie-van-oostburg.htm
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 8 van 20
De tweede kaart, die van Visscher Roman uit circa 1650 laat de vesting Oostburg zien, alsook de schansen Nijevelt (nog net te zien ten zuiden van de Brugsche Vaart), Frederik Hendrik (ten noorden van de Brugsche Vaart) en Slikkeveer (ten noorden van Oostburg). Het plangebied ligt waarschijnlijk ter plaatse van de vestinggracht en omwalling en mogelijk deels binnen de vesting. Het zelfde beeld e blijkt uit de 3 kaart, die van Hattinga uit circa 1750. Zoals op de kadastrale kaart uit de periode 1811 – 1832, de militair-topografische kaarten uit de periode 1846 – 1852 en circa 1900 en de topografie sche kaart uit circa 1950 is te zien, zijn de vestingwerken aan het begin van de 19 eeuw gesloopt en is het plangebied tot in de jaren 1950 in gebruik als akker- en weiland. Rondom het plangebied zijn wel enkele wegen met daarlangs bebouwing aanwezig (de Nieuwstraat, de Zuidwal en de Langestraat, maar het plangebied zelf is onbebouwd. De wijk waar het plangebied deel van uitmaakt is aan het eind van de jaren 1950 aangelegd. De in 12 het plangebied aanwezige bebouwing dateert uit 1956 en 1957 . Het kaartmateriaal uit de tweede e helft van de 20 eeuw laat verder zien dat er in het noorden van het plangebied ook bebouwing heeft gestaan. Deze bebouwing is voor 1997 gesloopt, toen iets ten noorden van het plangebied seniorenwoningen werden gebouwd.
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Deze beschrijvingen zijn samengesteld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit project was een initiatief van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur om een landelijk overzicht te krijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940. Het MIP werd in de periode 1987-1994 uitgevoerd door de provincies en de vier grote steden, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
Het plangebied ligt niet binnen een 50 m van een rijksmonument, een gemeentelijke monument of een MIP-object. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Sluis is bij de heer De Paauw navraag gedaan naar bouwhistorische gegevens. Deze gegevens waren niet voorhanden, maar volgens hem zijn de woningen niet onderkelderd. In het kader van het onderzoek was voor de bebouwing uitgegaan van een fundering op palen en een maximale ontgravingsdiepte van 80 cm ten behoeve van funderingssleuven, rioleringen en kabels en leidingen.
12
www.edugis.nl
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 9 van 20
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 13
Volgens de Indicatieve Kaart Militaire Waarden ligt Oostburg binnen de Atlantikwall, de door de Duitsers aangelegde verdedigingslinie die de Atlantische en Noordzeekust moest verdedigen tegen invallen over zee. De Atlantikwall bestaat uit meerdere achter elkaar gelegen onderdelen om diepte te geven aan de verdediging. Binnen het gebied van de Atlantikwall kunnen zaken als bunkers, barake ken, loopgraven, mangaten en tankversperringen. In Oostburg was het hoofdkwartier van de 712 Infanterie-Division gevestigd (Jong 1969 - 1994). Volgens de IKME ligt Oostburg ook binnen het operatieterrein Breskens. In het najaar van 1944 veroverden de geallieerden het brughoofd Breskens, om van hieruit Walcheren te veroveren en zo de Westerschelde en daarmee de haven van Antwerpen veilig te stellen. Volgens Klep & Schoenmaker (1995) is rondom Oostburg hard gevochten en is het stadje ook zwaar gebombardeerd. Hierbij is circa 80% van de stad verwoest. Na de oorlog is Oostburg grotendeels opnieuw en in een nieuw stratenplan opgebouwd (Brugman e.a. 2011). 3.8
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf14 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. Archeologische beleidskaart Vereniging van Zeeuwse Gemeenten Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. Volgens deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. In Zeeland is een beleidskaart gemaakt door een deel van de gemeenten, waaronder Sluis, die zijn aangesloten in de Vereniging van Zeeuwse gemeenten (VZG).
Deze beleidskaart bestaat uit vier delen, die een archeologische verwachting op basis van de aanwezig lithostratigrafische eenheden. De eerste kaart betreft de verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), dus voor de mariene afzettingen die (voornamelijk) vanaf de Middeleeuwen zijn afgezet. Volgens deze kaart (figuur 10) ligt het plangebied grotendeels in een gewaardeerde stadskern. Deze kern e betreft de contouren van de 17 -eeuwse stad binnen de omwalling, bebouwing volgens de kaart van e Van Deventer uit 1560 en de locatie van de ringwalburcht uit de 9 eeuw. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting. Binnen de gewaardeerde kern worden resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. Dit geldt ook voor de zone met een hoge archeologische verwachting (Brugman e.a. 2011).
13 14
www.ikme.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 10 van 20
De tweede kaart (figuur 11) betreft de verwachting voor het Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop). De zones waar het Hollandveen is geërodeerd of gemoerneerd hebben geen verwachting, de overige delen hebben een hoge archeologische verwachting. Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting. Direct ten oosten van het plangebied ligt een getijdegeul zonder verwachting. In het Hollandveen worden in principe archeologische resten uit de periode Bronstijd - Romeinse tijd verwacht, waarbij moet worden opgemerkt dat de hoge verwachting met name de Romeinse tijd betreft, omdat het veengebied toen werd ontwaterd. De derde kaart (niet opgenomen) betreft de verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Deze afzettingen worden niet aangetroffen in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen. De vierde kaart (figuur 12) betreft de verwachting voor de pleistocene ondergrond. De delen van de pleistocene ondergrond die niet zijn geërodeerd, hebben een middelmatige (pleistoceen oppervlak dieper dan -2 m NAP) tot hoge archeologische verwachting (pleistoceen oppervlak ondieper dan -2 m NAP). Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting. In deze zone kunnen in principe resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum worden verwacht.
Voor de gemeente Sluis zijn beleidsregels opgesteld voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Deze beleidsregels zijn afhankelijk van de archeologische verwachting in relatie tot de oppervlakte van de bodem verstorende ingreep. Voor de gewaardeerde kern geldt een onderzoeksplicht bij ingre2 pen groter dan 50 m en dieper dan 40 cm. Voor de zones met een hoge verwachting geldt een on2 derzoeksplicht bij ingrepen groter dn 250 m en dieper dan 40 cm (Alkemade 2011). AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Volgens de AMK (zie figuur 13) ligt het plangebied binnen een terrein van hoge archeologische waarde (AMK-terrein 13446). Dit terrein betreft de historische kern van Oostburg, zoals die op historisch kaartmateriaal is vastgelegd. In de provincie Zeeland worden AMK-terreinen die betrekking hebben op historische kernen niet meer onderscheiden.
In plaats hiervan spreekt men van gewaardeerde stads-/of dorpskernen. Zoals in de voorgaande alinea is vastgesteld ligt het plangebied grotendeels in de gewaardeerde kern van Oostburg. Een tweede AMK-terrein van hoge archeologische waarde ligt zo’n 400 m ten zuiden van het plangebied. Het betreft de locatie van de schans Nievelt (AMK-nummer 13524). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied In de directe omgeving van het plangebied, binnen een straal van circa 250 m, zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 34 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen (zie figuur 13 en bijlage 5). Een aantal voor het plangebied relevante onderzoeken zal hieronder worden uitgelicht.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 11 van 20
In 2005 is ten zuiden van het plangebied langs de Van Houtestraat, in het kader van rioleringswerkzaamheden, een bureauonderzoek en een archeologische begeleiding uitgevoerd (onderzoeksmeldingen 2053222100 en 2061939100). De onderzoeksrapporten zijn niet digitaal beschikbaar in Archis, DANS of het Zeeuws Archeologisch Archief. Uit de beschrijving in Archis blijkt dat tijdens de archeologische begeleiding een greppel uit de Late Middeleeuwen is aangetroffen. De aanwezigheid van deze greppel is geen aanleiding tot vervolgonderzoek geweest. Op het terrein van verzorgingstehuis de Burgt ten noorden van het plangebied is in 2008 en 2009 een bureauonderzoek met booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingen 2186955100 en 2228020100). Uit het booronderzoek is gebleken dat een deel van het plangebied bij de bouw van het bejaardentehuis is verstoord, maar dat in het overige deel zijn ophogingslae gen uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen. Verder is ook aardewerk uit de 14 eeuw en e majolica uit de 17 eeuw aangetroffen. Ook bij andere onderzoeken in de omgeving van het plangebied zijn archeologische waarden uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen. Vondsten en/of grondsporen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondsten en grondsporen geregistreerd.
In het plangebied zijn tot nu toe geen archeologische vondsten of grondsporen aangetroffen. In de directe omgeving van het plangebied, binnen het historische centrum van Oostburg zijn bij de verschillende uitgevoerde archeologische onderzoeken en als losse vondsten wel archeologische resten aangetroffen (zie figuur 13 en bijlage 6). Deze resten stammen voor het grootste deel uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd en betreffen grondsporen (greppels, ophooglagen, afvalkuilen, paalkuilen en een gracht) en vondsten (baksteen, aardewerk, metaal, bot). Bij één waarneming (zaak id. 2284421100, 200 m ten noordwesten van het plangebied) is aardewerk uit de Vroege Middeleeuwen aangetroffen.
Rapport 4195.002 versie 1
Pagina 12 van 20
3.9
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel III.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Hoog; kampementen
strooiing van vuursteen en houtskool, vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
In de top van het dekzand, wanneer (een restant van) een podzolbodem aanwezig is
Mesolithicum
Hoog; kampementen
strooiing van vuursteen en houtskool, vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
In de top van het dekzand, wanneer (een restant van) een podzolbodem aanwezig is
Neolithicum
Hoog; huisplaatsen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, vuursteen, houtskool, verbrand leem
In de top van het dekzand, wanneer (een restant van) een podzolbodem aanwezig is
Bronstijd
Laag; huisplaatsen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot.
In veraarde niveaus binnen het Hollandveen
IJzertijd
Laag; huisplaatsen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, verbrand leem, metaal, (verbrand) bot.