CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

a. Ontwerpbestemmingsplan.pdf

Commissie Ruimte/AB 6 september 2022, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan 'Quarles van Uffordstraat 20 Groede'16.262 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1.80 Verstoring Aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring. 1.81 Voorste perceelsgrens De kadastrale grens aan de wegzijde bij een bouwperceel die de zijkanten van een bouwperceel verbindt. Indien meerdere zijden van het bouwperceel naar de weg gekeerd zijn, wijst het bevoegd gezag een voorste perceelsgrens aan. 1.82 Vrijstaand Een gebouw zonder gemeenschappelijke wand met een andere gebouw.

Adromi B.V.

Pagina 10 van 26

1.83 Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.84 Wed De Wet op de economische delicten, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.85 Weg Als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet 1994. 1.86 Wegenverkeerswet De Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.87 Wgh De Wet geluidhinder, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. 1.88 Wonen Het gehuisvest zijn in een woning. 1.89 Woning Een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.90 Wro Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.91 Zijdelingse perceelsgrens De kadastrale grens van een bouwperceel tussen twee bouwpercelen, die voor- en achterzijde van een bouwperceel verbindt. 1.92 Zorgwonen Zelfstandige vormen van wonen, waar zorg op afroep of 24 uur per dag zorg beschikbaar is vanuit een verpleeg- of verzorgingshuis, een woonzorgcentrum of een dienstcentrum.

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Afstanden van gebouwen onderling alsmede afstanden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 Dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

Adromi B.V.

Pagina 11 van 26

2.4 De breedte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat; 2.5 De diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voor- en achtergevel; 2.6 De goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien zich op een gebouw één of meer dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, wordt de goot of het boeibord van de dakkapel(len) als hoogte aangemerkt; 2.7 De inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.8 De oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.9 Het bebouwde oppervlak optellen van de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar, tenzij in deze regels anders is bepaald;

Adromi B.V.

Pagina 12 van 26

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Bestemming De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verhardingen, wegen, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, jongerenontmoetingsplaatsen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, beeldende kunst of kunstuitingen en gedenktekens; b. horecaterrassen behorend bij nabijgelegen horecabedrijven of detailhandelsvestigingen met ondersteunende horeca-activiteiten; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘garage’: garageboxen.

3.1.2 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in artikel 3 lid 1.1 genoemde bestemming worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Met betrekking tot het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 15 m²; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,5 meter; de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt minimaal 5 meter; garageboxen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden opgericht; e. de breedte van één garagebox bedraagt maximaal 3 meter; f. de goothoogte van een garagebox bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat; g. in afwijking van het bepaalde in artikel 3 lid 2.1 sub b bedraagt de bouwhoogte van een garagebox maximaal 4 meter meer dan de goothoogte. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal: • • • •

antennes: 5 meter; speeltoestellen: 3 meter; openbare nutsvoorzieningen: 3 meter; lichtmasten en overige masten: 10 meter;

Adromi B.V.

Pagina 13 van 26

• •

terrasschermen: 2 meter; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter.

3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a.

artikel 3 lid 2.2 sub a tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter.

3.3.2 De in lid 3.3.1 genoemde afwijkingen bij omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. 3.5 Wijzigingsbevoegdheid 3.5.1 Bestemmingswijziging Het bevoegd gezag kan, met in achtneming van het bepaalde in de Wro, de bestemming ‘Verkeer’ wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding ‘erf’ met dien verstande dat: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de groenstructuur; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; c.

de regels ten aanzien van de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding ‘erf’ van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Adromi B.V.

Pagina 14 van 26

Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Bestemming De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. tuinen, erven, paden, verhardingen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming; 4.1.2 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in artikel 4 lid 1.1 genoemde bestemming worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Met betrekking tot het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden opgericht; b. ter plaatse van de bouwvlakken met de aanduiding ‘twee-aaneen’, mogen uitsluitend twee aaneen gebouwde hoofdgebouwen worden gebouwd; c. de breedte van een hoofdgebouw – een aangebouwd bijgebouw, aan- en uitbouw als genoemd in lid artikel 4 lid 1.2 sub b niet meegerekend – zal minimaal 6 meter bedragen. d.

de afstand tussen de hoofdgebouwen – een aangebouwd bijgebouw, aan- en uitbouw als genoemd in artikel 4 lid 1.2 sub b niet meegerekend – en de zijdelingse perceelsgrens zal minimaal 1 meter (aan één zijde) bedragen, tenzij het hoofdgebouw met de gevel of met minimaal één hoekpunt in de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd; e. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat; f. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter meer dan de maximaal toegestane goothoogte, uitgezonderd daar waar de bouwhoogte op de verbeelding is aangegeven; g. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is het maximum aantal woningen bepaald. 4.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen Bij hoofdgebouwen mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak of ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ worden gebouwd; b. de maximale goothoogte bedraagt 3,30 meter; c. de maximale bouwhoogte bedraagt 7 meter; Adromi B.V.

Pagina 15 van 26

d. de afstand tussen het hoofdgebouw en vrijstaande bijgebouwen bedraagt minimaal 1 meter; e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens met een ander bouwperceel mag niet minder dan 0,5 meter bedragen, tenzij het bijgebouw met de gevel of met minimaal één hoekpunt in de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd; f. een bouwperceel mag tot maximaal 40% worden bebouwd met bijgebouwen, aan- en uitbouwen - overkappingen meegerekend - met een maximum van 60 m²; g. indien de toelaatbare bebouwing ingevolge het gestelde onder artikel 4 lid 2.2 sub f minder bedraagt dan 20 m² is een bebouwingspercentage van 50% tot een maximum van 20 m² toegestaan. 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal: 1. antennes: 5 meter; 2. speeltoestellen: 3 meter; 3. openbare nutsvoorzieningen: 3 meter; 4. vlaggenmasten: 10 meter; 5. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter. b. in afwijking van het bepaalde onder artikel 4 lid 2.3 sub a bedraagt de bouwhoogte van een tuin- of erfafscheiding, die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevellijn maximaal 1 meter. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Bouwhoogte Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a.

artikel 4 lid 2.3 sub a tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter. 4.3.2 Voorwaarde De in artikel 4 lid 3.1 genoemde afwijkingen bij omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Verboden gebruik Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. b. c. d.

het gebruik van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van de huisvesting van personen; garages en bergplaatsen voor handel en distributie van goederen; kamerbewoning uitoefening bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bij de woning behorende bijgebouwen.

Adromi B.V.

Pagina 16 van 26

4.4.2 Toegestaan gebruik Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c Wabo wordt niet gerekend: a. het gebruik van de woning voor permanente bewoning en tweedewoninggebruik; b. beroep aan huis, met dien verstande dat: 1. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen ten hoogste 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m² bedraagt; 2. het beroep uitsluitend is toegestaan als nevenfunctie van het wonen; 3. geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de omgeving; 4. de woning blijft voldoen aan het Bouwbesluit; 5. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of bijgebouw uitvoert tevens bewoner van de woning is; 6. er geen sprake mag zijn van zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; 7. er geen verstoring plaatsvindt in de evenwichtige opbouw in de voorzieningenstructuur. c. het gebruiken van een deel van de woning, een aan- of uitbouw van de woning ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg.

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Bedrijf aan huis Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 4.1 sub d voor de uitoefening bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bij de woning behorende aan- en uitbouwen met een oppervlakte van ten hoogste 25% met een maximum van 50 m², met dien verstande dat: a. b. c. d.

het bedrijf uitsluitend is toegestaan als nevenfunctie van het wonen; geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de omgeving; de woning blijft voldoen aan het Bouwbesluit; het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of bijgebouw uitvoert tevens bewoner van de woning is; e. er geen sprake mag zijn van zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; f. er geen verstoring plaatsvindt in de evenwichtige opbouw in de voorzieningenstructuur; g. geen vergunning tot afwijking wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van bijlage I van het Bor of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten; h. geen detailhandel is toegestaan tenzij als ondergeschikte nevenactiviteit van de bedrijfsmatige activiteit. 4.5.2 Bed & breakfast Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 1.1 voor het inrichten en/of gebruiken van een woning en/of aan- en uitbouw als bed & breakfast, met dien verstande dat:

Adromi B.V.

Pagina 17 van 26

a. de vergunning uitsluitend wordt verleend voor percelen waarop een woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is; b. de aanvrager bewoner is van het perceel; c. het hoofdgebouw op het perceel permanent wordt bewoond; d. de bed & breakfast uitsluitend voor niet-permanente bewoning wordt gebruikt; e. de vergunning tot afwijking niet tot gevolg heeft dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad; f. er aangetoond wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het betreffende hoofdgebouw (veiligheid, milieuhinder); g. indien mogelijk op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt geboden en indien op eigen terrein geen ruimte is voor parkeergelegenheid, dan dient in de nabijheid van de eigen woning ruim voldoende openbare parkeergelegenheid te zijn, zodanig dat de activiteiten geen parkeeroverlast kunnen veroorzaken. 4.5.3 Mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 4.2 sub c voor het inrichten en/of gebruiken van een bijgebouw als woonruimte ten behoeve van het bieden of ontvangen van mantelzorg, met dien verstande dat: a. de vergunning uitsluitend wordt verleend voor percelen waarop een woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is; b.

er sprake is van mantelzorg waarbij een zorgindicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) of een doktersverklaring als toetsinstrument wordt toegepast; c. per bouwperceel maximaal 1 woonruimte ten behoeve van het bieden of ontvangen van mantelzorg is toegestaan; d. maximaal 75 m² van de bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning; e. de vergunning tot afwijking niet tot gevolg heeft dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad; f. er aangetoond wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het betreffende bijgebouw (veiligheid, milieuhinder).

Artikel 5 Waarde - Archeologie - 3a 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor Waarde - Archeologie - 3a aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Bouwwerken ten behoeve van deze bestemming Op de in artikel 5 lid 1.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze dubbelbestemming worden gebouwd;

Adromi B.V.

Pagina 18 van 26

5.2.2 Andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere voor deze gronden geldende bestemming(en) a. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag worden gebouwd, tenzij de grond-of graafwerkzaamheden dieper gaan dan 0,40 meter beneden het maaiveld en hierbij het te verstoren oppervlak dieper dan 0,40 meter beneden het maaiveld groter is dan 1.000 m²; b. het bepaalde onder artikel artikel 5 lid 2.2 sub a is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Algemene afwijking Burgemeester en wethouders zijn bevoegd via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, sub 1 Wabo af te wijken van het bepaalde onder artikel 5 lid 2.2 sub a ten behoeve van het bouwen in een plangebied met een te verstoren oppervlak groter dan 1.000 m² dieper dan 0,40 meter beneden het maaiveld, indien de aanvrager van de vergunning artikel 2.1, lid 1 sub a Wabo een archeologisch rapport heeft overgelegd, waarin wordt aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate worden veiliggesteld. 5.3.2 Voorwaarden Indien uit het onder artikel 5 lid 3.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de vergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.

de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.3.3 Advies Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 3.1, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologische deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in dat lid. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.

Adromi B.V.

Pagina 19 van 26

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Omgevingsvergunningsvereiste Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1 sub b Wabo) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,40 meter beneden het maaiveld, waartoe ook wordt gerekend afgraven, diep woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage met kettingtechniek; b. het ophogen van de bodem met meer dan 2,00 meter waartoe wordt gerekend het aanleggen van tijdelijke gronddepots; c. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 0,40 meter beneden het maaiveld; d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer 0,40 meter beneden het maaiveld bedraagt; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op één of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 0,40 meter beneden het maaiveld; f. het verlagen van het waterpeil, voor zover dit geen bevoegdheid van het waterschap betreft; g.

het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 0,40 meter beneden het maaiveld; h. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 0,40 meter beneden het maaiveld. 5.4.2 Uitzonderingsregel Het in artikel 5 lid 4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. een te verstoren oppervlak van het plangebied beslaan van ten hoogste 1.000 m², of een verstorend oppervlak dieper dan 0,40 meter beneden het maaiveld hebben van minder dan 1.000 m²; b. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; c. betreffen het aanbrengen van drainage middels sleufloze technieken; d. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 5.4.3 Voorwaarden a. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in artikel 5 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische waarden; b.

Voor zover de in artikel 5 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

Adromi B.V.

Pagina 20 van 26

2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; 3. de verplichting de oprichting van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. c. De vergunning kan alleen worden verleend nadat de aanvrager een archeologisch rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.4.4 Advies Alvorens de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in artikel 5 lid 4.3. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 'Waarde Archeologie - 3a', als bedoeld in artikel 5 lid 1.1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Adromi B.V.

Pagina 21 van 26

3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Plaatsbepaling en vormgeving bouwwerken 7.1.1 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de regels vervat in Hoofdstuk 2, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van hoofdgebouwen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.1.2 Procedureregel De in lid artikel 7 lid 1.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 7.2 Bestaande afstanden en andere maten 7.2.1 Bestaande afstanden Indien afstanden op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangenomen.

7.2.2 Bestaande maten en hoeveelheden In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden. 7.2.3 Herbouw In geval van herbouw is het bepaalde in artikel 7 lid 2.1 en artikel 7 lid 2.2 slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats of binnen het geldende bouwvlak plaatsvindt. 7.3 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, maatvoeringsaanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door:

Adromi B.V.

Pagina 22 van 26

a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels 8.1 Verboden gebruik Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het doen of laten gebruiken van gronden alsmede gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie; b. het gebruik van gronden als opslagplaats voor bagger en grondspecie; c. het doen of laten gebruiken van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming. 8.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 1 sub b indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 9.1 Algemene afwijkingen 9.1.1 Afwijkingen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van: a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,5 meter; b. het overschrijden van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens door: 1. erkers, balkons en bordessen en ingangspartijen tot maximaal 1,5 meter, mits de overschrijding van erkers, balkons en bordessen niet meer bedraagt dan 50% van de diepte van de gronden met de aanduiding ‘erf’; c. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 15%; d. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot; e. de toegestane hoogtematen voor woningen tot een bouwhoogte van maximaal 6 hoger dan de toegestane goothoogte, tenzij de verhoging leidt tot aantasting van de ruimtelijkstedenbouwkundige kwaliteit van het pand en van de omgeving.

Adromi B.V.

Pagina 23 van 26

f.

bouwwerken bij een rioolgemaal of waterzuiveringsinstallatie zoals bijvoorbeeld een hijsinstallatie, lavafilter met bordes en elektrische kast met een maximale oppervlakte van 15 m2 en een bouwhoogte van maximaal 4,5 meter.

9.1.2 Voorwaarde Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend indien: a. de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; c. dit niet leidt tot afwijking van de op de verbeelding aangegeven bestemming. 9.2 Huisvesting individuele personen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken voor het gebruik van een woning in strijd met het begrip woning als bedoeld in artikel 1 lid 87 ten behoeve van de huisvesting van maximaal tien personen, met dien verstande dat: a. de woning een totale bruto vloeroppervlakte heeft van minimaal 120 m2; b. indien mogelijk op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt geboden en indien op eigen terrein geen ruimte is voor parkeergelegenheid, dan dient in de nabijheid van de eigen woning ruim voldoende openbare parkeergelegenheid te zijn, zodanig dat de activiteiten geen parkeeroverlast kunnen veroorzaken; c. de vergunning tot afwijking niet tot gevolg heeft dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad; d. er aangetoond wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het betreffende hoofdgebouw (veiligheid, milieuhinder).

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen ten behoeve van geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van een bouwwerken, geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 3 meter en vergroting van het bestemmingsvlak met maximaal 10% toelaatbaar.

Artikel 11 Overige regels Afwijkingsbevoegdheid parkeergelegenheid a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub c als niet op eigen terrein kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid of dit vanuit ruimtelijk of stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst is maar parkeren kan worden opgevangen door benutting van bestaande parkeerruimte in de openbare ruimte. Inzichtelijk moet zijn gemaakt wat de parkeerdruk in die openbare ruimte is en acceptabele loopafstanden moeten in acht zijn genomen. Getoetst wordt aan het beleid parkeernormen. b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub c als niet op eigen terrein kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid of dit vanuit ruimtelijk of stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst is en parkeren ook niet kan worden opgevangen door benutting van bestaande parkeerruimte in de openbare ruimte, maar de

Adromi B.V.

Pagina 24 van 26

aanleg van extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte binnen acceptabele loopafstanden wel is gewaarborgd. Getoetst wordt aan het beleid parkeernormen. c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub a en c en in minder parkeergelegenheid worden voorzien dan het beleid parkeernormen voorschrijft indien op eigen terrein en ook binnen acceptabele loopafstand onvoldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aanwezig is of te realiseren is, maar gebruik wordt gemaakt van mobiliteitsalternatieven. Gemotiveerd dient te worden dat minder parkeerplaatsen nodig zijn omdat gebruik wordt gemaakt van mobiliteitsalternatieven. Dit moet in vergunningsvoorwaarden worden gewaarborgd. d. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub a en c en in minder parkeergelegenheid worden voorzien dan het beleid parkeernormen voorschrijft indien op eigen terrein en ook binnen loopafstand onvoldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aanwezig is of te realiseren is, maar de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Gemotiveerd dient te worden dat er aantoonbare bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de parkeernorm rechtvaardigen. e.

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub a en c en in minder parkeergelegenheid worden voorzien dan het beleid parkeernormen voorschrijft indien op eigen terrein en ook binnen loopafstand onvoldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aanwezig is of te realiseren is, maar het parkeren op gebiedsniveau wel kan worden verbeterd. In een dergelijk geval dient een financiële bijdrage te worden geleverd voor aanleg en verbetering van parkeervoorzieningen elders. 11.1 Voldoende parkeergelegenheid a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk (anders dan rechtstreeks toegestaan) of van gronden - al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van het vastgestelde beleid parkeernormen ' bepaald wat de parkeerbehoefte is en of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. c. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien op eigen terrein voorzien kan worden in de benodigde parkeergelegenheid. d.

In het geval van verbouw, vervangende nieuwbouw of een functiewijziging van een bestaand pand waarbij de parkeerbehoefte maximaal met 2,0 parkeergelegenheden toeneemt is het niet nodig dat in deze extra parkeergelegenheid wordt voorzien.

Adromi B.V.

Pagina 25 van 26

4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning tot bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b. het bevoegd gezag kan éénmalig via een omgevingsvergunning afwijken van artikel 12 lid 1 sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 45.1, sub a met maximaal 10%; c. artikel 12 lid 1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.

het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 12 lid 2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in artikel 12 lid 2 sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. artikel 12 lid 2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. 12.3 Afwijking Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen, kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht via omgevingsvergunning afwijken.

Artikel 13 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Quarles van Uffordstraat 20’.

Adromi B.V.

Pagina 26 van 26

(e) Plangebied Quarles van Uffordstraat 20, Groede

Enkelbestemmingen V

Verkeer

W

Wonen

Dubbelbestemmingen WR-A3a

W

[tae]

4

6

WR-A3a

Waarde - Archeologie 3a

Functieaanduidingen (e)

erf

Bouwvlakken

V

bouwvlak

Bouwaanduidingen [tae]

twee-aaneen

Maatvoeringen 4

Bestemmingsplan:

Schaal:

Datum:

Quarles van Uffordstraat 20, Groede

1:250

17-12-2021

Formaat:

Versie:

A4

0.5

maximum aantal wooneenheden Gemeente:

Sluis

6

maximum goothoogte (m)

IMRO code:

Planstatus:

NL.IMRO.1714.QvUfstr20-ON01

Ontwerp

ADROMI GROEP

Nota van uitgangspunten

Derks Advies

26 januari 2018

Derks Advies Boxmeerseweg 9 - 5835 AB – Beugen - 0614852454 - info@derks-advies.nl - www.derks-advies.nl

BIJLAGE AERIUS

1

Inhoud 1.

Gegevens Locatie............................................................................................................................................ 3

2.

Gegevens verandering .................................................................................................................................. 3

3.

Emissies tijdens de bouw ............................................................................................................................. 3

4.

Conclusie............................................................................................................................................................ 5

BIJLAGE: AERIUS-bestand bouwfase ................................................................................................................. 6

Derks Advies

14 november 2019

2

1. Gegevens Locatie Voor de bouw van vier woningen binnen de Gemeente Sluis dienen de effecten van de bouw van de locatie in relatie tot het plan/project te worden onderzocht. Hiervoor is onder andere een onderzoek naar de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden nodig. In deze nota zijn de uitgangspunten en resultaten van de berekeningen van de stikstofdepositie met AERIUS Calculator vastgelegd. Het betreft hier een bouwlocatie aan de Jonkheer Meester Quarles van Uffordstraat 18-20 te Groede waar vier nieuwe woningen worden gerealiseerd in de dorpskern van Nieuwvliet, waar nu de gemeentewerkplaats is gesitueerd met de stalling van materieel en machines. Dit betekent dat de locatie zowel tijdens de bouwfase als na ingebruikname in potentie emissies van NOx kan veroorzaken op omliggende beschermde Natura2000 gebieden. Gelet op het feit dat de woningen enkel gebruikt zullen worden ten behoeve van het huisvesten van een gezin en deze bij het gebruik als woonhuis qua vervoersbewegingen minder zal zijn dan de bouwfase waar dagelijks verschillende busjes op locatie komen en regelmatig vrachtwagens, is enkel de bouwfase beschouwd.

2. Gegevens verandering Het betreft een locatie waar twee twee-onder-een-kap woningen worden gerealiseerd. De verwachte bouwtijd bedraagt 8 maanden in totaal en er zullen dagelijks maximaal 4 busjes per dag komen. Ook de opzichter komt wekelijks langs met een personenauto. Bij de fundering, het dek leggen en dakplaten leggen zal een kraan een volledige dag aanwezig zijn gedurende 8 uur en gemiddeld komt elk twee weken een vrachtwagen materiaal lossen of een container ophalen. Uitgaande van een gemiddelde laad- en lostijd van ongeveer driekwart uur zal gedurende de 8 maanden er 12,75 uur een vrachtwagen op terrein stationair of met een lage snelheid mobiel over het terrein rijden. Op de locatie zelf zijn verder behalve de kraan en vrachtwagens geen stikstof veroorzakende activiteiten.

3. Emissies tijdens de bouw Voor het bepalen van de depositieberekening in AERIUS is voor de emissies ingevolge de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator van januari 2018 twee bronnen te onderscheiden. Een lijnbron van transport gelieerd aan de locatie en een vlak op de bouwplaats voor de activiteiten van het laden en lossen van producten en de aanwezige kraan. Transport naar de bouwplaats (verkeer en vervoer) In de AERIUS-berekeningen zijn de rijdende voertuigen als volgt opgenomen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal verkeersbewegingen die in een worstcase situatie van en naar de bouwplaats komen in de aan te vragen situatie. Hierin zijn de totale transportbewegingen van het gehele project van 8 maanden meegenomen. Transportbewegingen ten behoeve van bouwmaterialen, afvalstromen en bouwvakkers.

Derks Advies

14 november 2019

3

Tabel 1: aantal transportmiddelen (worst-case) van en naar het bouwproject

Licht verkeer (personenauto’s) Middel zwaar (bestelbus) Zwaar verkeer

Bewegingen 2/week 8/werkdag 4/week

Voertuigen project totaal (35 weken) 35 700 17

De bewegingen zijn gemodelleerd van de Traverse die aansluit op de Nieuwvlietseweg (N675) en het verkeer op gaat in het overige verkeer, via de Burgemeester J.C. Everaarslaan en de Jhr. Mr. De Casembrootstraat tot aan de bouwplaats. Hierbij is gebruik gemaakt van de emissiefactoren voor licht, middelzwaar en zwaar verkeer die in het rekenmodel AERIUS Calculator zijn verwerkt. Voor het wegverkeer is in het rekenmodel “binnen bebouwde kom” aangehouden, omdat het verkeer op dit relatief korte stuk met een drempel en deels 30 km zone tussen de bebouwing langzaam zal rijden. Door hierbij uit te gaan van 0% stagnerend verkeer is niet uitgegaan van een worst-case scenario, omdat deze weg vanuit de Nieuwvlietseweg nauwelijks filevorming kent. De emissiefactoren voor zwaar verkeer die zijn opgenomen in AERIUS Calculator zijn gebaseerd op het gemiddelde Nederlandse vrachtwagenpark en daarmee representatief. Activiteiten op de bouwplaats (mobiele en stationaire bronnen) De emissies van mobiele werktuigen zijn afhankelijk van de emissienormen die van toepassing zijn op het desbetreffende mobiele werktuig (stageklassen).

Uitgangspunt voor de berekeningen van de stationaire bronnen op de bouwplaats zijn gebaseerd op het TNOrapport "Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)", met het kenmerk TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML, november 2009 (te vinden op de website www.emissieregistratie.nl van de Rijksoverheid). Voor vrachtwagens kan worden uitgegaan van de "Invoergegevens luchtkwaliteit die jaarlijks door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat" (voorheen Infrastructuur en Milieu) bekend worden gemaakt. Tabel 2: mobiele en stationaire bronnen op het bouwproject Algemeen NOx Emissiefactor vermogen lastfactor* stage III* Activiteit kW % g/kWh

Aan- en afvoer bouwmateriaal Kraan stationair TOTAAL:

125

0,6

3,3

TAFEmissie factor* stage III % g/uur

1,05

108,75 259,88

Bedrijfsduur uur/jaar

Emissie stage III kg/jaar

12,75 24

1,39 6,24 7,62

*bron: het TNO-rapport 'Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)', met het kenmerk TNO-034-UT-2 009-01 782_RPT-ML, november 2009

In tabel 2 is de emissies (in kg/jaar) weergegeven tijdens het bouwproject van 8 maanden die zijn gebruikt in de berekeningen in AERIUS gebaseerd op machines die voldoen aan de emissienorm voor Stage Ill, die afhankelijk van het type en vermogen van de voertuigen geldt sinds ongeveer 2006. Door de aannemer is mondeling aangegeven dat gelet op het feit dat niet alle onderaannemers en daarmee de machines die het terrein opkomen al bekend zijn, maar de ervaring leert dat ongeveer een kwart van het machinepark van voor 2006 is en dat de rest nieuwer is. De emissies van nieuwere voertuigen zijn aanzienlijk lager dan die van

Derks Advies

14 november 2019

4

Stage Ill, zodat onderstaande geen onderschatting zal zijn van de feitelijke emissies. Voor zwaar vrachtverkeer is uitgegaan van de waarden van 2019 bij verkeer in stad, stagnerend, zoals opgenomen in de emissiefactoren voor niet-snelwegen. De bron van stationair aanwezige mobiele bronnen veroorzaakt een NOx-emissie van 7,62 kg/jaar.

4. Conclusie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het projecteffect van de stikstofdepositie op omliggende gebieden nihil is en daarmee ook geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden. Bij het beoogde gebruik is de depositie eveneens nihil op alle omliggende gebieden, omdat deze emissie met minder verkeer en zonder mobiele werktuigen lager zal zijn. Een Wet natuurbeschermingsvergunning is voor zowel de bouwfase als gebruiksfase dan ook niet noodzakelijk.

AERIUS berekening tijdens de bouwfase

Derks Advies

14 november 2019

5

BIJLAGE: AERIUS-bestand bouwfase

Derks Advies

14 november 2019

6

Derks Advies

14 november 2019

7

Derks Advies

14 november 2019

8

Derks Advies

14 november 2019

9

Derks Advies

14 november 2019

10

Nota van uitgangspunten

Derks Advies

26 januari 2018

Derks Advies Boxmeerseweg 9 - 5835 AB – Beugen - 0614852454 - info@derks-advies.nl - www.derks-advies.nl

BIJLAGE AERIUS

1

Inhoud 1.

Gegevens Locatie............................................................................................................................................ 3

2.

Gegevens verandering .................................................................................................................................. 3

3.

Emissies tijdens de bouw ............................................................................................................................. 3

4.

Conclusie............................................................................................................................................................ 5

BIJLAGE: AERIUS-bestand bouwfase ................................................................................................................. 6

Derks Advies

11 mei 2020

2

1. Gegevens Locatie Voor de bouw van vier woningen binnen de Gemeente Sluis dienen de effecten van de bouw van de locatie in relatie tot het plan/project te worden onderzocht. Hiervoor is onder andere een onderzoek naar de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden nodig. In deze nota zijn de uitgangspunten en resultaten van de berekeningen van de stikstofdepositie met AERIUS Calculator vastgelegd. Het betreft hier een bouwlocatie aan de Jonkheer Meester Quarles van Uffordstraat 18-20 te Groede waar vier nieuwe woningen worden gerealiseerd in de dorpskern van Groede, waar nu de gemeentewerkplaats is gesitueerd met de stalling van materieel en machines. Dit betekent dat de locatie zowel tijdens de bouwfase als na ingebruikname in potentie emissies van NOx kan veroorzaken op omliggende beschermde Natura2000 gebieden. Gelet op het feit dat de woningen enkel gebruikt zullen worden ten behoeve van het huisvesten van een gezin en deze bij het gebruik als woonhuis qua vervoersbewegingen minder zal zijn dan de bouwfase waar dagelijks verschillende busjes op locatie komen en regelmatig vrachtwagens, is enkel de bouwfase beschouwd.

2. Gegevens verandering Het betreft een locatie waar twee twee-onder-een-kap woningen worden gerealiseerd. De verwachte bouwtijd bedraagt 8 maanden in totaal en er zullen dagelijks maximaal 4 busjes per dag komen. Ook de opzichter komt wekelijks langs met een personenauto. Bij de fundering, het dek leggen en dakplaten leggen zal een kraan een volledige dag aanwezig zijn gedurende 8 uur en gemiddeld komt elk twee weken een vrachtwagen materiaal lossen of een container ophalen. Uitgaande van een gemiddelde laad- en lostijd van ongeveer driekwart uur zal gedurende de 8 maanden er 12,75 uur een vrachtwagen op terrein stationair of met een lage snelheid mobiel over het terrein rijden. Op de locatie zelf zijn verder behalve de kraan en vrachtwagens geen stikstof veroorzakende activiteiten.

3. Emissies tijdens de bouw Voor het bepalen van de depositieberekening in AERIUS is voor de emissies ingevolge de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator van januari 2018 twee bronnen te onderscheiden. Een lijnbron van transport gelieerd aan de locatie en een vlak op de bouwplaats voor de activiteiten van het laden en lossen van producten en de aanwezige kraan. Transport naar de bouwplaats (verkeer en vervoer) In de AERIUS-berekeningen zijn de rijdende voertuigen als volgt opgenomen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal verkeersbewegingen die in een worstcase situatie van en naar de bouwplaats komen in de aan te vragen situatie. Hierin zijn de totale transportbewegingen van het gehele project van 8 maanden meegenomen. Transportbewegingen ten behoeve van bouwmaterialen, afvalstromen en bouwvakkers.

Derks Advies

11 mei 2020

3

Tabel 1: aantal transportmiddelen (worst-case) van en naar het bouwproject

Licht verkeer (personenauto’s) Middel zwaar (bestelbus) Zwaar verkeer

Bewegingen 2/week 8/werkdag 4/week

Voertuigen project totaal (35 weken) 35 700 17

De bewegingen zijn gemodelleerd van de Traverse die aansluit op de Nieuwvlietseweg (N675) en het verkeer op gaat in het overige verkeer, via de Burgemeester J.C. Everaarslaan en de Jhr. Mr. De Casembrootstraat tot aan de bouwplaats. Hierbij is gebruik gemaakt van de emissiefactoren voor licht, middelzwaar en zwaar verkeer die in het rekenmodel AERIUS Calculator zijn verwerkt. Voor het wegverkeer is in het rekenmodel “binnen bebouwde kom” aangehouden, omdat het verkeer op dit relatief korte stuk met een drempel en deels 30 km zone tussen de bebouwing langzaam zal rijden. Door hierbij uit te gaan van 0% stagnerend verkeer is niet uitgegaan van een worst-case scenario, omdat deze weg vanuit de Nieuwvlietseweg nauwelijks filevorming kent. De emissiefactoren voor zwaar verkeer die zijn opgenomen in AERIUS Calculator zijn gebaseerd op het gemiddelde Nederlandse vrachtwagenpark en daarmee representatief. Activiteiten op de bouwplaats (mobiele en stationaire bronnen) De emissies van mobiele werktuigen zijn afhankelijk van de emissienormen die van toepassing zijn op het desbetreffende mobiele werktuig (stageklassen).

Uitgangspunt voor de berekeningen van de stationaire bronnen op de bouwplaats zijn gebaseerd op het TNOrapport "Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)", met het kenmerk TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML, november 2009 (te vinden op de website www.emissieregistratie.nl van de Rijksoverheid). Voor vrachtwagens kan worden uitgegaan van de "Invoergegevens luchtkwaliteit die jaarlijks door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat" (voorheen Infrastructuur en Milieu) bekend worden gemaakt. Tabel 2: mobiele en stationaire bronnen op het bouwproject Algemeen NOx Emissiefactor TAFEmissie Bedrijfs- Emissie Activiteit vermogen lastfactor* stage III* factor* stage III duur stage III kW % g/kWh % g/uur uur/jaar kg/jaar Aan- en afvoer bouwmateriaal 108,75 12,75 1,39 Kraan stationair 125 0,6 3,3 1,05 259,88 24 6,24 TOTAAL: 7,62 *bron: het TNO-rapport 'Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)', met het kenmerk TNO-034-UT-2 009-01 782_RPT-ML, november 2009

In tabel 2 is de emissies (in kg/jaar) weergegeven tijdens het bouwproject van 8 maanden die zijn gebruikt in de berekeningen in AERIUS gebaseerd op machines die voldoen aan de emissienorm voor Stage Ill, die afhankelijk van het type en vermogen van de voertuigen geldt sinds ongeveer 2006. Door de aannemer is mondeling aangegeven dat gelet op het feit dat niet alle onderaannemers en daarmee de machines die het terrein opkomen al bekend zijn, maar de ervaring leert dat ongeveer een kwart van het machinepark van voor 2006 is en dat de rest nieuwer is. De emissies van nieuwere voertuigen zijn aanzienlijk lager dan die van

Derks Advies

11 mei 2020

4

Stage Ill, zodat onderstaande geen onderschatting zal zijn van de feitelijke emissies. Voor zwaar vrachtverkeer is uitgegaan van de waarden van 2019 bij verkeer in stad, stagnerend, zoals opgenomen in de emissiefactoren voor niet-snelwegen. De bron van stationair aanwezige mobiele bronnen veroorzaakt een NOx-emissie van 7,62 kg/jaar.

4. Conclusie Uit de AERIUS berekening blijkt dat het projecteffect van de stikstofdepositie op omliggende gebieden nihil is en daarmee ook geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden. Bij het beoogde gebruik is de depositie eveneens nihil op alle omliggende gebieden, omdat deze emissie met minder verkeer en zonder mobiele werktuigen lager zal zijn. Een Wet natuurbeschermingsvergunning is voor zowel de bouwfase als gebruiksfase dan ook niet noodzakelijk.

AERIUS berekening tijdens de bouwfase

Derks Advies

11 mei 2020

5

BIJLAGE: AERIUS-bestand bouwfase

Derks Advies

11 mei 2020

6

Derks Advies

11 mei 2020

7

Derks Advies

11 mei 2020

8

Derks Advies

11 mei 2020

9

Derks Advies

11 mei 2020

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=a9f2a069-9f62-43e0-9e70-a7309d7abe71