a. Ontwerp derde herziening van de Nota bodembeheer voor de landbodem van Zeeuwsch-Vlaanderen versie 20 februari 2019;
Tekst van het document
6.3.1
LMW voormalig veerplein Perkpolder
Overwegingen om LMW vast te stellen Bij de eerste vaststelling van de Nota bodembeheer in 2010 zijn LMW vastgelegd voor het plangebied van het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst. Inmiddels is de ophoging van het voormalig veerplein voltooid. De LMW blijven van kracht voor incidenteel grondverzet in dit gebied. In 2010 is het vaststellen van deze LMW als volgt gemotiveerd:
Het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst wordt heringericht. Een deel van het gebied krijgt een woonbestemming. De exacte inrichting van het plangebied ligt echter nog niet vast. Ten behoeve van deze ruimtelijke ontwikkeling wordt het gebied (gedeeltelijk) opgehoogd. De dikte van deze ophooglaag bedraagt naar verwachting 3 à 3,5 meter. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 15 hectare. Voor de ophoging van het plangebied is dus circa 450.000 m3 grond nodig. In de bodemkwaliteitskaart ligt het voormalige veerplein Perkpolder in de zone A (Buitengebied en woonwijken > 1960). In deze zone voldoen zowel de boven- als ondergrond aan de Achtergrondwaarde. Volgens het generieke beleid dient alle toe te passen grond derhalve te voldoen aan de Achtergrondwaarden. Met andere woorden, er mag alleen schone grond worden toegepast. Dit betekent, dat een belangrijk deel van het aanbod van hergebruiksgrond niet toepasbaar is.
1
De beoordeling van de risico’s voor de landbouw is voor de gebieden met LMW niet relevant.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
24/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Eén van de achtergronden van het Besluit bodemkwaliteit is, dat voor licht verontreinigde grond en bagger op een milieu-hygiënisch verantwoorde wijze nuttige toepassingen worden gevonden. De ophoging van het veerplein Perkpolder kan een dergelijke nuttige toepassing zijn, waarbij met name bij toepassing in de ondergrond de milieu-hygiënische gevolgen gering zijn. Tegelijk blijft er meer schone hergebruiksgrond beschikbaar voor andere toepassingslocaties. Wanneer het generieke beleid onvoldoende mogelijkheden biedt voor de maatschappelijke opgave van nuttige toepassing van vrijkomende hergebruiksgrond en bagger, dan kan de gemeenteraad voor (een deel van) haar grondgebied gebiedsspecifiek beleid vaststellen. Binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden kan een gemeenteraad besluiten om voor bepaalde gebieden een verslechtering van de bodemkwaliteit toe te staan of juist een verbetering van de bodemkwaliteit na te streven ten opzichte van het generieke beleid. In dat geval wordt gesproken over ‘gebiedsspecifiek beleid’ en stelt de gemeenteraad ‘Lokale Maximale Waarden’ (LMW) vast. De gemeente Hulst kiest ervoor, om voor het op te hogen plangebied Perkpolder gebiedspecifiek beleid te voeren. Hiermee wordt invulling gegeven aan de maatschappelijke opgave om milieu-hygiënisch verantwoorde toepassingen van licht verontreinigde hergebruiksgrond en bagger te vinden.
Het generieke beleid uit het Besluit bodemkwaliteit biedt hiervoor onvoldoende mogelijkheden. Er is weinig vraag naar hergebruiksgrond in de zones uit de bodemkwaliteitskaart waar hergebruik van licht verontreinigde grond volgens het generieke beleid is toegestaan.
Keuze van LMW Als Lokale Maximale Waarden (LMW) heeft de gemeente Hulst voor het voormalig veerplein Perkpolder de Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) vastgesteld voor alle in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen, met uitzondering van kobalt. Met de keuze voor MaxWONEN wordt op een praktische en eenduidige wijze aangesloten op het grondstromenbeleid in de rest van het bodembeheergebied. In verschillende woonwijken geldt als toepassingseis MaxWONEN. Uit de toepassing van de risicotoolbox blijkt, dat lood en PAK kritische parameters zijn. Alleen voor de meest gevoelige bodemfunctie ‘moestuin / volkstuin’ heeft de risicotoolbox als uitkomst een overschrijding van MTR-humaan (Maximaal Toelaatbaar Risico voor de mens). De mens mag niet meer van deze dosis in mg per kg lichaamsgewicht per dag ‘binnen krijgen’ van een bepaalde verontreinigende stof (lit. 14). De risicotoolbox houdt daarbij rekening met de blootstelling aan deze stoffen vanuit andere bronnen (lucht, voedsel), waardoor er minder toegestane blootstelling vanuit de bodem overblijft. Het onderliggende risicomodel gaat voor de blootstelling bij ‘moestuin / volkstuin met een gemiddelde gewasconsumptie’ uit van een huishouden, dat 50% van de bladgewassen en 25% van de knolgewassen van de betreffende bodem consumeert. In de praktijk is hiervoor een moestuin met een minimale oppervlakte van 100 m2 benodigd (lit. 15).
Dergelijke intensief benutte moestuinen zijn niet voorzien in het plangebied Perkpolder. Het wordt derhalve verantwoord geacht om de Maximale waarden voor wonen vast te stellen als Lokale Maximale Waarden voor het plangebied Perkpolder.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
25/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Voor kobalt is op grond van de uitkomsten van de risicotoolbox een uitzondering gemaakt. Hoewel deze uitkomsten terugvoeren op modelmatige onzekerheden is er niettemin voor gekozen om de toepassingseis voor kobalt op de Achtergrondwaarde te houden om onzekerheid over de mogelijkheid tot gewasconsumptie uit eigen tuin tegen te gaan. Overigens worden in Zeeuwsch-Vlaanderen zelden gehalten kobalt boven de Achtergrondwaarde gemeten. Voor niet in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen geldt als toepassingseis de Achtergrondwaarde (generieke toepassingsnorm).
Herkomstgebied De LMW gelden voor grond en bagger afkomstig uit Zeeuwsch-Vlaanderen. In 2010 is voor deze begrenzing gekozen aangezien de bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer in een gezamenlijk project van de drie Zeeuwsch-Vlaamse gemeenten zijn opgesteld.
Overige randvoorwaarden Niet van toepassing
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
26/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
6.4
Vastlegging LMW Brugse Vaart (gemeente Sluis)
Overwegingen om LMW vast te stellen Vanaf 2010 is op de locatie Brugse Vaart – ten westen van de huidige golfbaan – grond toegepast met het oog op een toekomstige uitbreiding van de golfbaan op deze locatie. Aanvankelijk werd deze toepassing aangemerkt als een grootschalige bodemtoepassing (GBT). In 2018 heeft de gemeente Sluis vastgesteld dat de situatie niet aan de criteria van een GBT voldoet. De aanvoer van grond naar deze locatie is in oktober 2018 stopgezet. Op basis van een inventarisatie van de gemeente Sluis is tot dat moment circa 160.600 m3 grond toegepast. De toegepaste grond (en bagger) is als volgt onderverdeeld (meldingen t/m oktober 2018): Niet gemeld volgens inmeting augustus 2012 23.281 m3 Meldingen grond en bagger afkomstig uit gemeente Sluis 87.643 m3 Meldingen grond en bagger afkomstig uit overige Zeeuws-Vlaamse gemeenten 1.846 m3 Meldingen grond en bagger afkomstig van buiten het bodembeheergebied 19.080 m3 Schone grond (geen meldingsplicht) 28.781 m3 TOTAAL 160.631 m3
Van de beginperiode is geen administratie beschikbaar vanwege het grotendeels ontbreken van meldingen en vervolgens het faillissement van de toenmalige exploitant. In augustus 2012 is de toenmalige situatie vastgelegd (hoeveelheid en indicatieve keuring van de kwaliteit). Hieruit bleek dat tot dat moment 30.240 m3 was toegepast. Hiervan was 4.784 m3 gemeld en verder was 700 m3 schone grond zonder meldingsplicht toegepast. De administratieve gegevens ontbreken dus voor 23.281 m3 grond die tot augustus 2012 is toegepast. Sindsdien is voornamelijk schone grond en/of grond uit het eigen bodembeheergebied (ZeeuwschVlaanderen) toegepast. Circa 15% is afkomstig van buiten het bodembeheergebied, voornamelijk uit België via een depot in Maldegem. Op de locatie is dit echter niet meer op partijniveau te herleiden. Een belangrijk deel van de op deze locatie toegepaste grond is afkomstig van projecten van de gemeente Sluis. Met name voor grond afkomstig uit de vooroorlogse kernen is het moeilijk om andere toepassingslocaties te vinden, ook vanwege de civieltechnische eigenschappen van de grond. Het wegvallen van de mogelijkheid om grond uit eigen projecten toe te passen op de locatie Brugse Vaart leidt voor de gemeente tot hogere kosten en tot een hogere milieubelasting wanneer de grond over grotere afstanden moet worden getransporteerd.
De kosten voor transport en acceptatie bedragen 20 à 40 Euro per kuub wanneer de gemeente in haar bestekken opneemt dat vrijkomende grond vervalt aan de aannemer. Dit is een factor 3 hoger dan de kosten bij toepassing op de locatie Brugse Vaart. Verder is een beperkter aantal grotere bedrijven in staat om een oplossing te bieden waarbij vrijkomende grond naar andere toepassingslocaties wordt afgevoerd. Dit betekent minder kansen voor lokale aannemers. Uit oogpunt van handhaafbaarheid heeft het laten vervallen van vrijkomende grond aan aannemers niet de voorkeur. De gemeente Sluis wil middels LMW de situatie op de locatie Brugse Vaart legaliseren.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
27/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
De reeds toegepaste grond en bagger voldoet aan de hieronder voorgestelde LMW. Circa 15% van de grond die in de periode augustus 2012 – oktober 2018 is toegepast komt niet uit Zeeuwsch-Vlaanderen en de al toegepaste grond voldoet dus voor een klein deel niet aan het beginsel van standstill op gebiedsniveau. Dit valt echter niet meer tegen acceptabele maatschappelijke kosten te herstellen.
Keuze van LMW Bij de keuze van LMW wordt aangesloten bij de normen die zouden gelden bij een GBT, inclusief de onder ‘overige randvoorwaarden’ opgenomen aanvulling over uitloging. In afwijking van de normen van een GBT wordt niet voor alle stoffen gekozen voor MaxINDUSTRIE als LMW. In plaats daarvan geldt alleen MaxINDUSTRIE als LMW voor de stoffen waarvan regelmatig in delen van Zeeuwsch-Vlaanderen verhoogde gehalten boven MaxWONEN worden aangetroffen. Als criterium is uitgegaan van de 95-percentielwaarden in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten respectievelijk de waterbodemkwaliteitskaart van ZeeuwschVlaanderen. Voor de overige stoffen uit de bodemkwaliteitskaart geldt als LMW MaxWONEN. Als LMW gelden de Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE) voor de volgende stoffen: Arseen Cadmium Chroom Koper Kwik Lood Zink PAK (som 10) Minerale olie PCB (som 7) Als LMW gelden de Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) voor de volgende stoffen: Kobalt Molybdeen Voor niet in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen geldt als toepassingseis de Achtergrondwaarde (generieke toepassingsnorm). De LMW gelden alleen voor grond en bagger die wordt toegepast dieper dan 0,5 meter beneden het uiteindelijke maaiveld. Net als bij een GBT dient de bovenste halve meter aan de Achtergrondwaarde te voldoen.
Herkomstgebied Een belangrijk verschil ten opzichte van een GBT is dat bij de LMW moet worden voldaan aan de randvoorwaarde van standstill op gebiedsniveau. Zoals al vermeld in paragraaf 6.2 gelden verhoogde LMW dus alleen voor regionale grond en bagger afkomstig uit het eigen bodembeheergebied.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
28/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
De LMW gelden voor grond en bagger afkomstig uit Zeeuwsch-Vlaanderen, aangezien de drie gemeenten in Zeeuwsch-Vlaanderen reeds eerder ervoor hebben gekozen om gezamenlijk één bodembeheergebied te vormen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat grond bij grondreinigers veelal afkomstig is vanuit heel Nederland en deels uit het buitenland, zodat de herkomst van gereinigde grond vaak moeilijk aan een gebied te koppelen is. In het algemeen zal “thermisch gereinigde grond” (TGG) dus niet aan het beginsel van standstill op gebiedsniveau voldoen. In dat geval kan geen gebruik worden gemaakt van LMW om TGG toe te passen. Uiteraard mag grond of bagger die aan de Achtergrondwaarde voldoet wel overal vandaan komen uit binnen- of buitenland.
Overige randvoorwaarden De LMW gelden alleen onder de volgende voorwaarden: de grond of bagger wordt toegepast op een diepte van minimaal 0,5 meter beneden het uiteindelijke maaiveld; het dient geborgd te zijn dat er geen ontoelaatbare uitloging plaatsvindt. Voor de maximaal toelaatbare uitloging wordt aangesloten bij de criteria die in de Regeling bodemkwaliteit zijn opgenomen voor grootschalige bodemtoepassingen (GBT). Daarmee wordt voor uitloging een vergelijkbaar beschermingsniveau geboden als het geval is bij een GBT. Dit betekent dat tevens getoetst wordt aan de emissie(toets)waarden uit bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Bij gehalten arseen, koper, lood en/of zink boven de emissietoetswaarden dient dus tevens uitloogonderzoek van de toe te passen grond uitgevoerd te worden. Voor de overige metalen met LMW tot MaxINDUSTRIE geldt dat de emissietoetswaarden gelijk zijn aan MaxINDUSTRIE. Het voorgaande is gebaseerd op de huidige normen en kennis over uitloging. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat andere parameters relevant zijn voor de beoordeling van mogelijke uitloging (bijvoorbeeld sulfaat) dan dient de toepasser aan te tonen dat geen ontoelaatbare uitloging plaats kan vinden.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
29/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
30/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
7
MELDINGSPROCEDURE VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGER
7.1
Meldingsplicht voor de toepasser
Met uitzondering van de hieronder vermelde situaties dient een toepassing van grond of baggerspecie minimaal vijf werkdagen tevoren te worden gemeld bij het landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit. De meldingsplicht geldt ook voor kortdurende en tijdelijke opslag. Voor de volgende toepassingen van grond en bagger is volgens het Besluit bodemkwaliteit geen melding voorgeschreven: Toepassingen van grond of bagger door particulieren, voorzover niet in de uitoefening van een bedrijf of beroep; Toepassingen binnen een landbouwbedrijf, mits de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot datzelfde landbouwbedrijf behorend perceel, waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast; Toepassingen van schone grond in een hoeveelheid van minder dan 50 m3; Verspreiden van baggerspecie uit een watergang over aan de watergang grenzende percelen; Tijdelijke uitname van grond of baggerspecie, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. De melding wordt digitaal gedaan via de website: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Op deze site kan de melder een digitaal formulier invullen met de vereiste gegevens. Rapportages van milieuhygiënische verklaringen zoals een partijkeuring kunnen als pdf-bestand worden bijgevoegd bij de digitale melding.
Eventueel kan de melder rapportages ook per post nazenden (uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden). Het Meldpunt Bodemkwaliteit scant deze dan in om er een pdf-bestand van te maken. Eventueel kan de melding ook schriftelijk worden gedaan. Het hiervoor benodigde formulier is eveneens te vinden op de website www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het Meldpunt Bodemkwaliteit stuurt de melding inclusief de eventuele pdf-bestanden van milieuhygiënische verklaringen per e-mail door naar het bevoegde gezag. In de landelijk meldingssystematiek is er onderscheid tussen: Melding van toepassen van grond / baggerspecie die aan de Achtergrondwaarde voldoet (voorzover > 50 m3, want kleinere hoeveelheden zijn vrijgesteld). In dat geval behoeft alleen de toepassingslocatie te worden gemeld, zonder gegevens over de herkomst van de grond (die kunnen ook niet op het formulier worden vermeld). Melding van toepassen van verontreinigde grond of bagger (uitgebreider formulier met gegevens over herkomst van de grond of bagger en bijvoegen van milieuhygiënische verklaring.)
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
31/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Enkele aandachtspunten voor het invullen van het meldingsformulier Bij toepassing van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart dient men bij vraag 3 (beoogde toepassing grond) optie II aan te vinken (toepassing van grond op de landbodem volgens het generieke toetsingskader). In geval van toepassing volgens het gebiedsspecifieke kader voor Perkpolder dient men optie I aan te vinken. Bij vraag 9 wordt gevraagd naar de bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse. Deze zijn af te lezen uit de bijlagen 4 t/m 6 van deze Nota. Bij vraag 10 (milieuhygiënische verklaringen) dient de melder in geval van vrij grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart te kiezen voor de optie ‘Verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart (BKK)’. Hierbij dient men de zone van herkomst te vermelden. De gemeentes hechten hierbij zeer aan een correct uitgevoerde historische toets op uitzonderingslocaties. Om deze reden dient de melding vergezeld te gaan van het historisch onderzoek (inclusief eventuele gegevens over ter plaatse van de ontgravingslocatie uitgevoerde bodemonderzoeken). De bodemkwaliteitskaart zelf hoeft men niet bij de melding te voegen. Vraag 11 (fysische gegevens) en 12 (kwaliteitsgegevens) hoeven niet te worden ingevuld, aangezien de bodemkwaliteitskaart deze gegevens voor de herkomstzone bevat.
Indien er geen sprake is van vrij grondverzet dient de melder één van de overige opties aan te vinken en de betreffende milieuhygiënische verklaring bij te voegen. In dat geval dient de zonenaam van de herkomstlocatie te worden vermeld bij vraag 7 (adresgegevens van herkomstlocatie) bij het veld locatieomschrijving.
7.2
Behandeling van de melding door de gemeente
Het landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit zendt de melding direct per e-mail door naar de het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag beoordeelt de melding en kan in geval van onduidelijkheden of onvolkomenheden in de melding contact opnemen met de melder. Zonodig kan de melder de melding via het meldsysteem aanpassen.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
32/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
8.
STAPPENPLAN: GRONDVERZET OP BASIS VAN DE BODEMKWALITEITSKAART
1a. Grondverzet door particulier, niet in uitoefening van bedrijf of beroep?
JA
NEE 1b. Grondverzet binnen agrarisch bedrijf, tussen percelen met vergelijkbare gewasteelt?
Beschikt de toepasser over informatie op basis waarvan hij weet dat de toe te passen grond niet voldoet aan de toepassingseis?
JA
NEE
NEE 2. Werkgebied afbakenen. Vrij grondverzet mogelijk volgens grondstromenmatrix?
NEE
JA
JA 3. Vooronderzoek uitvoeren (historische toets): Verdachte locatie?
Bodemonderzoek uitvoeren. Voldoet kwaliteit grond aan toepassingseis (zie bijlage 6A/6B/6C)?
JA
NEE JA
4. Voldoet de grond aan de Achtergrondwaarden?
JA
NEE
NEE
5. Volume toe te passen grond minder dan 50 m3?
Grondverzet niet mogelijk.
NEE 6. Melden bij Bodem+ (minimaal 5 werkdagen voor start werkzaamheden)
Evt. nader onderzoek uitvoeren, Grond afvoeren.
JA
7. Grondverzet uitvoeren.
8. Indien tijdens werk zintuiglijk afwijkende waarnemingen worden gedaan: Werk staken, melden bij bevoegd gezag. Grond in depot plaatsen en bemonsteren.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
33/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Toelichting: 1a en 1b: Voor grondverzet door particulieren en grondverzet binnen agrarische bedrijven geldt in het Besluit bodemkwaliteit een algemene vrijstelling. Op basis van deze vrijstelling hoeft men geen kwaliteit van de toe te passen grond te bepalen. Verder hoeft de toepassing niet te worden gemeld bij Bodem+. Voornoemde vrijstelling geldt overigens niet voor een aannemer die in opdracht van een particulier grond toepast. Wel geldt in het Besluit bodemkwaliteit een algemene zorgplicht. Wanneer de toepasser weet, dat de kwaliteit van de toe te passen grond niet voldoet aan de toepassingseis van de ontvangende bodem (bijvoorbeeld op basis van een bodemonderzoeksrapport waarover hij beschikt), dan vervalt de vrijstelling en mag de grond niet worden toegepast. 2: Bepaal in welke bodemkwaliteitszone de herkomstlocatie ligt en in wat de toepassingseis is van de zone waar de grond wordt toegepast. Volgens de grondstromenmatrix mag grond alleen op basis van de bodemkwaliteitskaart worden toegepast voorzover de bodemkwaliteitsklasse van de herkomstlocatie gelijk is (danwel schoner) dan de toepassingseis van de ontvangende bodem. 3: Wanneer volgens de grondstromenmatrix in algemene zin vrij grondverzet mogelijk is, betekent dit niet automatisch dat ook in het specifieke geval vrij grondverzet mogelijk is.
Er dient een historische toets te worden uitgevoerd om na te gaan of de grond niet afkomstig is van een verdachte locatie (een locatie waar op grond van historische gegevens mogelijk sprake is van bodemverontreiniging). Voor het toepassen van ongekeurde grond op basis van de bodemkwaliteitskaart dient men dus altijd een historische toets uit te voeren (gewaarmerkte verklaring opvragen bij de gemeente). Deze verplichting geldt ook in geval van toepassingen van minder dan 50 m3 grond afkomstig uit een zone die aan de Achtergrondwaarde voldoet. De historische toets dient gewaarmerkt te zijn door de gemeente waarin de herkomstlocatie ligt. 4 en 5: Het toepassen van schone grond in een hoeveelheid van minder dan 50 m3 behoeft volgens het Besluit bodemkwaliteit niet te worden gemeld. Een toepassing van minder dan 50 m3 grond afkomstig uit een zone met als bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’ hoeft derhalve niet te worden gemeld indien uit de historische toets volgt dat de herkomstlocatie onverdacht is. 6: Minimaal 5 werkdagen tevoren dient de toepassing te worden gemeld bij een landelijk meldpunt (afgezien van eerdergenoemde uitzonderingen). Dit landelijk meldpunt is ondergebracht bij Bodem+. De melding geschiedt bij voorkeur digitaal, via de website www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Zie ook de aandachtspunten voor het invullen van het meldingsformulier in paragraaf 7.1.
8: Bij zintuiglijke afwijkingen tijdens de werkzaamheden: werkzaamheden stilleggen en contact opnemen met het bevoegd gezag. Grond in depot plaatsen en bemonsteren.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
34/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
LITERATUUR 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.
16. 17. 18.
Besluit bodemkwaliteit; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2007, nr. 469. Regeling bodemkwaliteit; Staatscourant, 20 december 2007. Bodemkwaliteitskaart gemeente Terneuzen, actualisatie 2015; Marmos Bodemmanagement, 19 oktober 2015. Bodemkwaliteitskaart gemeente Hulst, actualisatie 2015, inclusief aanvulling 2017; Marmos Bodemmanagement, 27 december 2017. Bodemkwaliteitskaart gemeente Sluis, actualisatie 2015; Marmos Bodemmanagement, 19 oktober 2015. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; Ministerie van VROM en Ministerie van Verkeer en Waterstaat; gepubliceerd via website NEN, 7 september 2007, inclusief wijzigingsblad d.d. 1 januari 2016. Bodemkwaliteitskaart Zeeuwsch-Vlaanderen – beleidsdocument; De Straat Milieu-adviseurs BV, 22 oktober 2004. Bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan in het kader van de Vrijstellingsregeling grondverzet Zeeland Seaports; Marmos Bodemmanagement, 28 november 2005. Waterbodemkwaliteitskaart Zeeuwsch-Vlaanderen; Marmos Bodemmanagement, 9 november 2012. Nota bodembeheer inclusief bodemkwaliteitskaart voor wegbermen in de provincie Zeeland; Marmos Bodemmanagement, 5 augustus 2013. NEN5740, Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN, januari 2009.
Evaluatie van het nieuwe stoffenpakket NEN5740 in relatie tot bodemkwaliteitskaarten in Zeeland; Marmos Bodemmanagement, 29 november 2010. Toepassing zout zeezand, geohydrologische aspecten; Royal Haskoning, 21 september 2005, projectnummer 9P5675. Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk; Grontmij 1 september 2007. NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. NOBO-2008-029. Grontmij Nederland BV, 12 september 2008. Hulst, Perkpolder, 1e herziening bestemmingsplan. NL.IMRO.0677.bpperkpolder1h-001O; Rho adviseurs voor leefruimte, vastgesteld 25 september 2014. Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid; RIVM rapport 711701053, 2007. Onderbouwing LAC-2006 waarden en overzicht van bodem – plant relaties ten behoeve van de Risicotoolbox; Alterra, rapport 1442, december 2007.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
35/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Marmos . Bodemmanagement
gereserveerd
LMW Perkpolder (veerplein) 27 1,2 62 54 0,83 210 39 200 n.v.t. 15 88 6,8 0,04 190
gereserveerd
Normen per stof voor standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof), in mg/kgds Bovengrens maximale toetsingsmaximale waarde InterventieAchtergrondregel stofnaam waarde waarde wonen industrie waarde Arseen 20 27 27 76 76 1,2 1,2 4,3 13 Cadmium 0,6 Chroom 55 62 62 180 180 / 78 Koper 40 54 54 190 190 Kwik 0,15 0,3 0,83 4,8 36 / 4 Lood 50 100 210 530 530 70 39 100 100 Nikkel 35 Zink 140 200 200 720 720 Barium n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 30 35 190 190 Kobalt 15 Molybdeen 1,5 3 88 190 190 3 6,8 40 40 PAK (10) 1,5 som PCB's 0,02 0,04 0,04 0,5 1 minerale olie 190 190 190 500 5000 (*) Geldt alleen dieper dan 0,5 m-mv. Tevens zijn maximale emissiewaarden van toepassing. Zie hoofdstuk 6 voor herkomstgebied en overige voorwaarden van de verschillende LMW
gereserveerd
Bijlage 1: Normering Regeling bodemkwaliteit en gebiedsspecifieke LMW
LMW Brugse Vaart (*) 76 4,3 180 190 4,8 530 100 720 n.v.t. 35 88 40 0,5 500
Toetsingsregel achtergrondwaarde (bij 7 t/m 15 parameters): Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan AW, mits niet hoger dan 2 x AW en niet hoger dan maximale waarde voor bodemfunctie wonen (nikkel afwijkende toetsingsregel) Toetsingsregel maximale waarde wonen (bij 7 t/m 15 parameters): Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan maximale waarde wonen, mits niet hoger dan maximale waarde wonen + AW en niet hoger dan maximale waarde voor bodemfunctie industrie
Formule bodemtypecorrectie metalen:
Formule bodemtypecorrectie organische verbindingen:
Gehalte(standaardbodem) = Gehalte(y) / { {A + B x %lutum(y) + C x %humus(y)} / {A + 25 x B + 10 Gehalte(standaardbodem) xC} } = Gehalte(y) x { 10 / %humus(y) }
Bij een percentage lutum of organische stof lager dan 2% wordt een minimumpercentage van 2% gehanteerd. Bij PAK(10) wordt bij een percentage organische stof lager dan 10% geen bodemtypecorrectie toegepast. Voor organische verbindingen wordt bij een percentage organische stof hoger dan 30% een maximumpercentage van 30% gehanteerd.
Normen inclusief wijzigingen Regeling bodemkwaliteit per 1 januari 2014 Interventiewaarden uit Circulaire bodemsanering (Staatscourant 2013, 16675)
CONCEPT, 20 februari 2019
Voor chroom gelden aparte interventiewaarden voor chroom III en chroom IV Voor kwik gelden aparte interventiewaarden voor anorganisch en organisch kwik
A
B C 15 0,4 0,4 0,4 0,007 0,021 50 2 0 15 0,6 0,6 0,2 0,0034 0,0017 50 1 1 10 1 0 50 3 1,5 30 5 0 2 0,28 0 n.v.t. (geen bodemtypecorrectie)
Marmos . Bodemmanagement
BIJLAGE 2: GRONDSTROMENMATRIX BODEMBEHEERGEBIED ZEEUWSCH-VLAANDEREN
Toepassingseis ontvangende bodem volgens bijlage 6A t/m 6C (0-2,0 m-mv)
Achtergrondwaarde
Wonen
Industrie
Voldoet niet aan klasse industrie
Geen kwaliteit vastgesteld
Kwaliteitsklasse zone van herkomst volgens bijlage 4A t/m 4C (0-0,5 m-mv) en bijlage 5A t/m 5C (0,5-2,0 m-mv)
Achtergrondwaarde
JA
NEE
NEE
NEE
NEE
Maximale waarden voor wonen
JA
JA
NEE
NEE
NEE
Maximale waarden voor industrie
JA
JA
JA
NEE
NEE
Toelichting: De grondstromenmatrix geldt alleen voor grondverzet tussen onverdachte locaties. Vraag eerst een gewaarmerkte verklaring bij de gemeente aan om na te gaan of er geen sprake is van een uitzonderingslocatie. Indien er geen sprake is van een uitzonderingslocatie, zoek dan de kwaliteitsklasse op van de zone waar de grond wordt ontgraven: zie bijlage 4A t/m 4C voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) danwel bijlage 5A t/m 5C voor de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Zoek in bijlage 6A t/m 6C op welke toepassingseis geldt voor de locatie waar de grond wordt toegepast De toepassingseis uit bijlage 6A t/m 6C geldt alleen voor het dieptetraject 0-2,0 m-mv Dieper dan 2,0 m-mv mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarde. In bovenstaande matrix is af te lezen of vrij grondverzet mogelijk is: - Vrij grondverzet tussen onverdachte locaties is mogelijk in de situaties waarbij bovenstaande tabel "JA" staat. - Voor situaties waarvoor bovenstaande tabel "NEE" vermeldt dient men altijd d.m.v. onderzoek de kwaliteit van de partij hergebruiksgrond te bepalen In hoofdstuk 6 zijn voor enkele gebieden lokale maximale waarden (LMW) vastgesteld. Deze zijn in bovenstaande matrix buiten beschouwing gelaten en dienen afzonderlijk te worden beoordeeld.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
11 januari 2019
Bodemfunctiekaart in het kader van het Besluit bodemkwaliteit Bodemfunctieklasse Wonen Bodemfunctieklasse Industrie overig Wegen met bodemfunctieklasse industrie
SCHAAL: 1:75.000
DATUM:31-05-2018
BIJLAGE:
3A
Bodemfunctiekaart
PROJECT:
P17-07
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Bodemfunctiekaart in het kader van het Besluit bodemkwaliteit Bodemfunctieklasse Wonen Bodemfunctieklasse Industrie overig Wegen met bodemfunctieklasse industrie
SCHAAL: 1:75.000
DATUM: 31-5-2018
BIJLAGE:
3B
Bodemfunctiekaart
PROJECT:
P18-08
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Bodemfunctiekaart in het kader van het Besluit bodemkwaliteit Bodemfunctieklasse Industrie Bodemfunctieklasse Wonen overig Wegen met bodemfunctieklasse industrie
SCHAAL: 1:75.000
DATUM:10-11-2015
BIJLAGE:
3C
Bodemfunctiekaart
PROJECT:
P14-08 P14-09 P14-10
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld
SCHAAL: 1:75.000
DATUM: 24-01-2018
BIJLAGE:
4A
Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit bovengrond
PROJECT:
P17-07
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst. Terneuzen en Sluis
Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld
SCHAAL: 1:75.000
DATUM: 30-09-2015
BIJLAGE:
4B
Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit bovengrond
PROJECT:
P14-08 P14-09 P14-10
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld
SCHAAL: 1:75.000
DATUM:30-09-2015
BIJLAGE:
4C
Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit bovengrond
PROJECT:
P14-08 P14-09 P14-10
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld
SCHAAL: 1:75.000
DATUM: 24-01-2018
BIJLAGE:
5A
Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit ondergrond
PROJECT:
P17-07
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst. Terneuzen en Sluis
Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld
SCHAAL: 1:75.000
DATUM:29-12-2008
BIJLAGE:
5B
Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit ondergrond
PROJECT:
P14-08 P14-09 P14-10
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld
SCHAAL: 1:75.000
DATUM:30-09-2015
BIJLAGE:
5C
Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit ondergrond
PROJECT:
P14-08 P14-09 P14-10
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Toepassingseis (0 - 2,0 m-mv) Kwaliteitseis voor toepassing van grond en bagger Achtergrondwaarde Maximale waarden voor Wonen Maximale waarden voor Wonen (gebiedsspecifiek beleid voor veerplein Perkpolder) Maximale waarden voor Industrie
SCHAAL: 1:75.000
DATUM: 20-02-2019
BIJLAGE:
6A
Toepassingseis voor grond en bagger
PROJECT:
P17-07
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst. Terneuzen en Sluis
Toepassingseis (0 - 2,0 m-mv) Kwaliteitseis voor toepassing van grond en bagger Achtergrondwaarde Maximale waarden voor Wonen Maximale waarden voor Industrie
SCHAAL: 1:75.000
DATUM:30-09-2015
BIJLAGE:
6B
Toepassingseis voor grond en bagger
PROJECT:
P14-08 P14-09 P14-10
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Toepassingseis (0 - 2,0 m-mv) Kwaliteitseis voor toepassing van grond en bagger Achtergrondwaarde Maximale waarden voor Wonen Maximale waarden voor Industrie Gebiedsspecifiek beleid voor Brugse Vaart
SCHAAL: 1:75.000
CONCEPT
DATUM: 11-01-2019
BIJLAGE:
6C
Toepassingseis voor grond en bagger
PROJECT:
P18-16
Nota Bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
OPDRACHTGEVER:
Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
BIJLAGE 7: RISICOTOOLBOX 7.1
Gebiedsspecifiek beleid en de risicotoolbox
In hoofdstuk 6 van deze Nota bodembeheer is gebiedsspecifiek beleid opgenomen, waarbij voor een aantal gebieden Lokale Maximale Waarden (LMW) zijn vastgelegd. Een voorwaarde voor het vaststellen van LMW is, dat de gevolgen van deze waarden worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox (www.risicotoolbox.nl). Dit instrument is ontwikkeld om te bepalen welke risico’s de LMW met zich mee brengen bij een bepaald terreingebruik. Deze bijlage bevat de uitkomsten van de toepassing van de risicotoolbox. De berekeningen zijn uitgevoerd met versie 1.1.3.4 van de risicotoolbox. In hoofdstuk 6 zijn voor de volgende situaties hogere LMW vastgelegd dan de generieke toepassingseisen: Gebied LMW Voormalig veerplein Perkpolder MaxWONEN voor alle in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen, met uitzondering van kobalt Geldt voor het volgende herkomstgebied: Zeeuwsch-Vlaanderen
gereserveerd gereserveerd gereserveerd Brugse Vaart
Onder bepaalde voorwaarden (dieper dan 0,5 m-mv, maximale emissiewaarden): MaxINDUSTRIE voor alle in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen, met uitzondering van molybdeen en kobalt MaxWONEN voor molybdeen en kobalt Geldt voor het volgende herkomstgebied: Zeeuwsch-Vlaanderen
De parameters minerale olie en PCB komen niet voor in de risicotoolbox en zijn derhalve in deze bijlage verder buiten beschouwing gelaten. Er is volgens de risicotoolbox sprake van een duurzaam geschikte bodem indien de risico-index lager is dan 1. Bij een hogere risico-index geldt de bodem weliswaar niet als “duurzaam geschikt”, maar daarmee is de bodem nog niet ongeschikt voor het betreffende gebruik. Of de bodem al of niet (mogelijk) ongeschikt is voor het betreffende gebruik wordt beoordeeld met een ander risicomodel: Sanscrit. In geval van een ernstige bodemverontreiniging dient men met behulp van Sanscrit te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare risico’s waardoor spoedige sanering van de verontreiniging noodzakelijk is. Hiervan is mogelijk sprake, wanneer de risico-index volgens Sanscrit hoger is dan 1. CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen1/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
De volgende paragrafen behandelen de uitkomsten van de risicotoolbox, met onderscheid in ecologische risico’s en humane risico’s. Om een goed referentiekader te bieden worden de resultaten gepresenteerd voor verschillende bodemfuncties. Deze bodemfuncties komen niet allemaal daadwerkelijk voor in de gebieden met LMW.
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen2/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
7.2
Ecologische risico’s volgens de risicotoolbox
Voor de ecologische risico’s rekent de risicotoolbox met 3 verschillende beschermingsniveaus, afhankelijk van de functie van de bodem. Afhankelijk van het beschermingsniveau toetst de risicotoolbox voor de ecologische risico’s van de somparameter van PAK en de metalen uit NEN5740 aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN of MaxINDUSTRIE 1: Bodemfunctie Ecologisch beschermingsniveau Risicogrenswaarde Natuur Hoog Achtergrondwaarde Wonen met tuin Gemiddeld MaxWONEN * Moestuinen/volkstuinen Gemiddeld MaxWONEN * Landbouw zonder boerderij/erf Gemiddeld MaxWONEN Groen met natuurwaarden Gemiddeld MaxWONEN Plaatsen waar kinderen spelen Gemiddeld of MaxWONEN * of Matig MaxINDUSTRIE Ander groen, bebouwing en industrie Matig MaxINDUSTRIE * Voor cadmium en kwik hogere risicogrenswaarden dan MaxWONEN De risico-index wordt in de risicotoolbox als volgt bepaald: Risico-index = LMW / risicogrenswaarde Verder berekent de risicotoolbox de toxische druk op ecosystemen van (mengsels van) stoffen, uitgedrukt in msPAF. De afkorting PAF staat hierbij voor ‘Potentieel Aangetaste Fractie’, en het voorvoegsel ms duidt aan, dat de risico’s een optelsom van het effect van meerdere stoffen zijn. De msPAF geeft een percentage van het aantal organismen waarop de hogere concentraties een merkbaar/meetbaar effect hebben. De ecologische mengselrisico’s zijn buiten beschouwing gelaten.
Deze zijn een optelsom van risico’s voor verschillende stoffen, maar in de praktijk zal de toe te passen grond voor een deel van de stoffen schoner zijn dan de Lokale Maximale Waarden, waardoor de berekening van ecologische mengselrisico’s met alle stoffen tezamen te hoog uit zouden vallen.
[…] gereserveerd Bij een toepassing van grond of bagger op de locatie Brugse Vaart geldt onder voorwaarden MaxINDUSTRIE als LMW. Eén van deze voorwaarden is dat deze gelden minimaal 0,5 meter beneden het uiteindelijke maaiveld, zodat deze LMW geen ecologische consequenties hebben. Voor het voormalig veerplein Perkpolder zijn de LMW niet hoger dan de ecologische risicogrenswaarde.
1
lood: enigszins afwijkende waarden (540 in plaats van 530 mg/kgds en 214 in plaats van 210 mg.kgds)
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen3/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
7.3
Humane risico’s volgens de risicotoolbox
7.3.1
Algemeen
De risicotoolbox maakt gebruik van het risicomodel CSOIL. Voor de humane risico’s is in het model CSOIL een maximale blootstellingsdosis vastgelegd, waarbij mensen nog niet ziek worden: het MTR-humaan (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau voor de mens). De mens mag niet meer dan deze dosis in mg per kg lichaamsgewicht per dag ‘binnen krijgen’ van een bepaalde verontreinigende stof (lit. 14). De risico-index is gedefinieerd als: Blootstelling (LMW) / MTR-humaan Bij de humane risico’s is voor het bodemgebruik ‘moestuinen / volkstuinen’ uitgegaan van een gemiddelde gewasconsumptie uit eigen tuin. Dit komt overeen met de consumptie van 50% bladgewassen en 25% knolgewassen uit eigen tuin. In de praktijk is hiervoor een moestuin met een minimale oppervlakte van 100 m2 benodigd (lit. 15). Bij de bodemfunctie ‘wonen met tuin’ rekent het risicomodel met een gewasconsumptie van 10% uit eigen tuin (lit. 15). De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘wonen met tuin’ en ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek. De humane risico’s bij ‘landbouw (zonder boerderijk/erf)’ hebben alleen betrekking op de risico’s voor de agrariër als gevolg van consumptie van gewassen van eigen akker. De Warenwet ziet toe op de voedselveiligheid van landbouwproducten die in de handel worden gebracht.
De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘natuur’, ‘groen met natuurwaarden’ en ‘overig groen, bebouwing, industrie’ zijn voor de humane risico’s eveneens identiek.
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen4/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
7.3.2
Humane risico’s metalen
In de tabellen op de volgende pagina’s zijn de blootstelling en de bijbehorende risico-index opgenomen [tussen vierkante haken] voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE voor de volgende bodemfuncties: Moestuin / volkstuin (gemiddelde gewasconsumptie) Wonen met tuin (uitkomsten voor terreingebruik ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek) Plaatsen waar kinderen spelen Ander groen, bebouwing en industrie (uitkomsten voor de terreingebruiken ‘natuur’ en ‘groen met natuurwaarden’ zijn voor de humane risico’s identiek) Er is uitgegaan van een standaardbodem (lutum=25%, humus=10%)2. Dit is een worst case benadering, aangezien in alle zones in Zeeuwsch-Vlaanderen de gemiddelde percentages voor lutum en organische stof lager zijn. In het merendeel van de zones zijn de 95-percentielwaarden lager dan voornoemde percentages. De werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE zijn dus lager dan bij een standaardbodem. De blootstelling aan de verschillende stoffen is bij de werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE lager dan de in deze bijlage berekende blootstelling. Voor de pH van de bodem zijn geen meetgegevens beschikbaar. Als aanname is een pH-waarde van 6 gehanteerd. Voor de meeste stoffen is de pH niet van invloed op de uitkomsten van de risicotoolbox.
Lood vormt een kritische parameter bij de terreingebruiken ‘moestuin / volkstuin’, ‘wonen met tuin’, ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Bij deze terreingebruiken is de risico-index bij een gehalte van MaxINDUSTRIE hoger dan 1. Dit wordt overigens mede veroorzaakt door de blootstelling aan lood vanuit andere bronnen dan bodem zoals luchtverontreiniging3. De hoge risico-index voor kobalt in onderstaande tabellen wordt veroorzaakt door modelmatige onzekerheden. Voor kobalt is het niet mogelijk om een betrouwbare blootstelling via consumptie van groenten te berekenen (lit. 17). De humaan-toxicologische risicogrens in de landelijke modellen is hierdoor onzeker en conservatief. In de landelijke normstelling is voor kobalt alleen uitgegaan van ecologie en zijn vanwege de modelmatige onzekerheden humane risico’s buiten beschouwing gelaten. De risicotoolbox berekent echter wel een blootstelling op basis van onzekere, conservatieve aannames over blootstelling via gewasconsumptie. Verder zou molybdeen een kritische parameter kunnen zijn bij de bodemfunctie ‘moestuin / volkstuin’, maar gehaltes molybdeen boven MaxWONEN worden in de praktijk niet aangetroffen. Meestal wordt in Zeeuwsch-Vlaanderen voor molybdeen geen gehalte boven de detectiegrens aangetoond.
2
Voor de humane risico’s van de metalen zijn de uitkomsten in het algemeen niet afhankelijk van de ingevoerde waarden voor lutum en humus 3 De risicotoolbox rekent ook de blootstelling vanuit andere verontreinigingsbronnen mee CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen5/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
Blootstelling in mg/kg lg/dag voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE (standaardbodem) [Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven] Bodemfunctie: MaxWONEN Blootstelling MaxINDUSTRIE (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) (mg/kgds) - Moestuin / volkstuin -4 Arseen 27 1,14 x 10 76 [index 0,16] Cadmium 1,2 1,14 x 10-4 4,3 [index 0,41] Chroom (III) 62 2,59 x 10-4 180 [index 0,06] Koper 54 0,00388 190 [index 0,04] Kwik 0,83 8,02 x 10-5 4,8 [index 0,04] Lood 210 0,00322 530 [index 1,79] Nikkel 39 0,00161 100 [index 0,04] Zink 200 0,0137 720 [index 0,05] Kobalt 35 0,0172 190 [index 15,66] Molybdeen 88 0,00497 190 [index 0,83] Bodemfunctie: - Wonen met tuin Arseen
MaxWONEN (mg/kgds) 27
Cadmium
1,2
Chroom (III)
62
Koper
54
Kwik
0,83
Lood
210
Nikkel
39
Zink
200
Kobalt
35
Molybdeen
88
Blootstelling (mg/kg lg/dag) 4,37 x 10-5 [index 0,06] 1,73 x 10-5 [index 0,06] 1,12 x 10-4 [index 0,03] 8,61 x 10-4 [index 0,01] 1,24 x 10-5 [index 0,01] 0,00141 [index 0,79] 0,00123 [index 0,03] 0,00196 [index 0,01] 0,00211 [index 1,92] 7,08 x 10-4 [index 0,12]
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen6/10
MaxINDUSTRIE (mg/kgds) 76 4,3 180 190 4,8 530 100 720 190 190
Blootstelling (mg/kg lg/dag) 3,21 x 10-4 [index 0,46] 2,75 x 10-4 [index 0,98] 7,52 x 10-4 [index 0,19] 0,0136 [index 0,12] 4,64 x 10-4 [index 0,24] 0,00812 [index 4,51] 0,00413 [index 0,09] 0,0493 [index 0,20] 0,0935 [index 84,99] 0,0107 [index 1,79] Blootstelling (mg/kg lg/dag) 1,23 x 10-4 [index 0,18] 4,45 x 10-5 [index 0,16] 3,26 x 10-4 [index 0,08] 0,00303 [index 0,03] 7,16 x 10-5 [index 0,04] 0,00357 [index 1,98] 0,00316 [index 0,07] 0,00705 [index 0,03] 0,0115 [index 10,41] 0,00153 [index 0,25]
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
Bodemfunctie: - Plaatsen waar kinderen spelen Arseen
MaxWONEN (mg/kgds) 27
Cadmium
1,2
Chroom (III)
62
Koper
54
Kwik
0,83
Lood
210
Nikkel
39
Zink
200
Kobalt
35
Molybdeen
88
Bodemfunctie: - Ander groen, bebouwing en industrie Arseen
MaxWONEN (mg/kgds) 27
Cadmium
1,2
Chroom (III)
62
Koper
54
Kwik
0,83
Lood
210
Nikkel
39
Zink
200
Kobalt
35
Molybdeen
88
Blootstelling (mg/kg lg/dag) -5
3,37 x 10 [index 0,05] 1,48 x 10-6 [index 0,01] 7,60 x 10-5 [index 0,02] 2,52 x 10-4 [index 0,00] 1,26 x 10-6 [index 0,00] 0,00104 [index 0,58] 0,00117 [index 0,03] 2,47 x 10-4 [index 0,00] 4,53 x 10-5 [index 0,04] 1,09 x 10-4 [index 0,02] Blootstelling (mg/kg lg/dag) 7,20 x 10-6 [index 0,01] 3,05 x 10-7 [index 0,00] 1,53 x 10-5 [index 0,00] 1,99 x 10-4 [index 0,00] 4,49 x 10-7 [index 0,00] 2,10 x 10-4 [index 0,12] 0,00113 [index 0,02] 5,09 x 10-5 [index 0,00] 1,10 x 10-5 [index 0,01] 2,29 x 10-5 [index 0,00]
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen7/10
MaxINDUSTRIE (mg/kgds) 76 4,3 180 190 4,8 530 100 720 190 190
MaxINDUSTRIE (mg/kgds) 76 4,3 180 190 4,8 530 100 720 190 190
Blootstelling (mg/kg lg/dag) 9,47 x 10-5 [index 0,14] 5,31 x 10-6 [index 0,02] 2,21 x 10-4 [index 0,06] 8,85 x 10-4 [index 0,01] 7,30 x 10-6 [index 0,00] 0,00262 [index 1,46] 0,00299 [index 0,07] 8,88 x 10-4 [index 0,00] 2,46 x 10-4 [index 0,22] 2,36 x 10-4 [index 0,04] Blootstelling (mg/kg lg/dag) 2,03 x 10-5 [index 0,03] 1,09 x 10-6 [index 0,00] 4,45 x 10-5 [index 0,01] 6,99 x 10-4 [index 0,01] 2,6 x 10-6 [index 0,00] 5,31 x 10-4 [index 0,30] 0,0029 [index 0,06] 1,83 x 10-4 [index 0,00] 5,96 x 10-5 [index 0,05] 4,95 x 10-5 [index 0,01]
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
7.3.3
Humane risico’s PAK
De normering uit de Regeling bodemkwaliteit gaat uit van de som van 10 PAK’s. De risicotoolbox berekent voor PAK per individuele PAK een blootstelling en een bijbehorende risico-index. Vervolgens worden deze afzonderlijke risico-indexen gesommeerd tot een totale risico-index voor som-PAK. Benzo(a)pyreen weegt het zwaarst in de bepaling van de risico-index, gevolgd door indeno(123cd)pyreen. De dataset van de bodemkwaliteitskaart uit 2015 bevat in de gemeente Hulst voor 273 grondmonsters de afzonderlijke analyseresultaten van benzo(a)pyreen, indeno(123cd)pyreen en andere individuele PAK. Hiervan hebben 182 monsters een som-PAK hoger dan de Achtergrondwaarde (1,5 mg/kgds), waarvan 89 monsters een som-PAK hoger dan MaxWONEN (6,8 mg/kgds) hebben. Voor deze monsters is bekeken, welk aandeel benzo(a)pyreen en indeno(123cd)pyreen hebben in de totale som van PAK. In 85% van de monsters boven de Achtergrondwaarde bestaat de som-PAK uit maximaal 15% benzo(a)pyreen. Verder bestaat in meer dan 95% van de monsters boven de Achtergrondwaarde de som-PAK uit maximaal 15% indeno(123cd)pyreen. In het algemeen hebben benzo(a)pyreen en indeno(123cd)pyreen tezamen een aandeel van minder dan 30% of minder in de totale som-PAK. Voor de toepassing van de risicotoolbox is uitgegaan van een aandeel van 15% benzo(a)pyreen en 15% indeno(123cd)pyreen in de totale som-PAK.
De resterende 70% is verdeeld over de overige acht PAK’s. Onderstaande tabel bevat de risico-index voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE van som-PAK. Risico-index som-PAK bij standaardbodem (organische stof = 10%): Bodemfunctie MaxWONEN Risico-index MaxINDUSTRIE (mg/kgds) (mg/kgds) Moestuin/volkstuin 6,8 40 2,30 (gem. gewasconsumptie) Wonen met tuin 6,8 0,94 40 Landbouw Plaatsen waar kinderen 6,8 0,34 40 spelen Natuur 6,8 0,08 40 Groen met natuurwaarden Overig groen, bebouwing, industrie
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen8/10
Risico-index 13,51 5,53 2,00 0,49
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
7.4
Conclusie risicotoolbox
Voor een aantal gebieden zijn in hoofdstuk 6 van deze Nota als toepassingseis voor grond en bagger hogere Lokale Maximale Waarden (LMW) opgenomen dan de toepassingseisen volgens het generieke beleid. In dat geval schrijft het Besluit bodemkwaliteit voor, dat de gevolgen van deze LMW worden beoordeeld met behulp van een landelijk voorgeschreven risicomodel, de risicotoolbox. Hieronder worden voor deze gebieden de conclusies van de risicotoolbox beschreven voor de ecologische risico’s, de humane risico’s en de landbouwrisico’s. De parameters minerale olie en PCB komen niet voor in de risicotoolbox. Verder kunnen met behulp van de risicotoolbox alleen de landbouwrisico’s voor een aantal metalen worden bepaald en niet voor de overige parameters. In een aantal gevallen kunnen de gevolgen van de LMW dus niet worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox. Daarnaast dient men zich te beseffen, dat de uitkomsten van de risicotoolbox modelmatige voorspellingen betreffen, waaraan modelmatige aannames en onzekerheden ten grondslag liggen.
Ecologische risico’s Bij een toepassing van grond of bagger op de locatie Brugse Vaart geldt onder voorwaarden MaxINDUSTRIE als LMW. Eén van deze voorwaarden is dat deze gelden minimaal 0,5 meter beneden het uiteindelijke maaiveld, zodat deze LMW geen ecologische consequenties hebben. Voor het voormalig veerplein Perkpolder zijn de LMW niet hoger dan de ecologische risicogrenswaarde.
Humane risico’s Voor de humane risico’s vormen lood en PAK een kritische parameter bij de terreingebruiken ‘moestuin / volkstuin’, ‘wonen met tuin’, ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Bij deze terreingebruiken is bij een gehalte van MaxINDUSTRIE de risico-index hoger dan 1. Hierin speelt mee, dat de risicotoolbox ook de blootstelling aan lood vanuit andere bronnen dan bodem zoals luchtverontreiniging meerekent. Daarnaast zou kobalt een kritische parameter kunnen zijn bij de gevoelige terreingebruiken ‘moestuin / volkstuin’ en ‘wonen met tuin’. Bij kobalt wordt deze uitkomst echter veroorzaakt door modelmatige onzekerheden. De risicotoolbox hanteert voor kobalt conservatieve aannames over de blootstelling via gewasconsumptie, omdat het niet mogelijk is om voor kobalt een betrouwbare blootstelling via consumptie van groenten te berekenen. Molybdeen zou (bij MaxINDUSTRIE) een kritische parameter kunnen zijn bij de bodemfunctie ‘moestuin / volkstuin’, maar gehaltes molybdeen boven MaxWONEN worden in de praktijk niet aangetroffen. Meestal wordt in Zeeuwsch-Vlaanderen voor molybdeen geen gehalte boven de detectiegrens aangetoond.
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen9/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019
Disclaimer bij de risicotoolbox Onderstaand kader bevat de disclaimer zoals ook opgenomen op de website www.risicotoolbox.nl: Status van de berekeningen van de risicotoolbox De risicotoolbox berekent de risico's van een ingevoerde chemische bodemkwaliteit voor ecosysteem, mens en landbouwproductie. De risicotoolbox maakt hiervoor gebruik van wetenschappelijke modellen uit de normstellingspraktijk. Modellen kunnen slechts een voorspelling geven van te verwachten risico's. De kwaliteit van deze voorspellingen wordt bepaald door de betrouwbaarheid van de modellen. De modellen achter de risicotoolbox hebben uiteenlopende betrouwbaarheden. Bij het weergeven van de resultaten wordt een kwalitatieve indruk gegeven van de betrouwbaarheid van een resultaat. De verantwoordelijkheid voor de interpretatie van de resultaten ligt bij de gebruiker van het instrument. Het bovenstaande betekent dat voorspellingen van risico's die zowel boven als onder de - voor de gekozen bodemgebruiksvorm relevante - risicogrenswaarde liggen slechts indicatief zijn. Juist bij resultaten die dicht bij risicogrenswaarden liggen is het belangrijk om hierbij in de interpretatiefase stil te staan.
CONCEPT5 Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen10/10
Bijlage 7: risicotoolbox, 20 februari 2019