a. Ontwerp derde herziening van de Nota bodembeheer voor de landbodem van Zeeuwsch-Vlaanderen versie 20 februari 2019;
Tekst van het document
MARMOS bodemmanagement
INHOUDSOPGAVE 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Inleiding Besluit bodemkwaliteit en hergebruik van grond en bagger Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen Bevoegd gezag Handhaving Vaststelling, geldigheid en evaluatie Afstemming met overige belanghebbenden
1 1 1 2 2 3 4
2. 2.1 2.2 2.3
Normering en klasse-indeling volgens Besluit bodemkwaliteit Introductie Toetsingsregels Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit
7 7 7 8
3. 3.1 3.2
Bodemfunctiekaart Bodemfunctiekaart van de gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis Betekenis van de bodemfunctiekaart bij saneringen
9 9 10
4. 4.1 4.2
Samenvatting bodemkwaliteitskaart Beschrijving bodemkwaliteitskaart Stoffenpakket
11 11 12
5. 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.3 5.4 5.5 5.6
Algemene regels voor het toepassen van grond en bagger Grondverzet volgens grondstromenmatrix, afgezien van uitzonderingslocaties Uitzonderingslocaties Hergebruik van grond afkomstig van een verdachte locatie Toepassing van grond op (mogelijk) ernstig verontreinigde locaties Hergebruik van grond afkomstig uit een zone waarvan geen kwaliteit is vastgesteld Toepassing van grond buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart Grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart Zintuiglijk afwijkende grond Grondstromenmatrix Hergebruik van grond afkomstig van grotere diepte dan 2,0 m-mv Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Sint Jansteen Toepassing van zout zeezand
13 13 14 14 15 15 15 15 16 16 18 18 19
6. 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.4
Lokale maximale waarden (LMW) Inleiding Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid Vastlegging LMW per gebied (gemeente Hulst) LMW voormalig veerplein Perkpolder Vastlegging LMW Brugse Vaart (gemeente Sluis)
21 21 22 23 24 27
7. 7.1 7.2
Meldingsprocedure voor het toepassen van grond en bagger Meldingsplicht voor de toepasser Behandeling van de melding door de gemeente
31 31 32
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
MARMOS bodemmanagement
8.
Stappenplan: grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3A: Bijlage 3B: Bijlage 3C: Bijlage 4A Bijlage 4B Bijlage 4C Bijlage 5A: Bijlage 5B: Bijlage 5C: Bijlage 6A: Bijlage 6B: Bijlage 6C: Bijlage 7:
Normering Regeling bodemkwaliteit en gebiedsspecifieke LMW gemeente Hulst Grondstromenmatrix Bodemfunctiekaart (Hulst) Bodemfunctiekaart (Terneuzen) Bodemfunctiekaart (Sluis) Bodemkwaliteitskaart bovengrond (Hulst) Bodemkwaliteitskaart bovengrond (Terneuzen) Bodemkwaliteitskaart bovengrond (Sluis) Bodemkwaliteitskaart ondergrond (Hulst) Bodemkwaliteitskaart ondergrond (Terneuzen) Bodemkwaliteitskaart ondergrond (Sluis) Toepassingseis 0-2,0 m-mv (Hulst) Toepassingseis 0-2,0 m-mv (Terneuzen) Toepassingseis 0-2,0 m-mv (Sluis) Risicotoolbox
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
33
MARMOS bodemmanagement
1e Herziening, 5 december 2013 De eerste versie van deze Nota bodembeheer d.d. 2 januari 2009 is in 2010 bestuurlijk vastgesteld door de afzonderlijke gemeenteraden van de gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis. In verband met het gebiedsspecifieke beleid is de Nota destijds door de gemeenteraden vastgesteld, waarbij een openbare voorbereidingsprocedure is gevolgd. Bij de 1e herziening in 2013 is een aantal redactionele aanpassingen gedaan: de bodemfunctiekaart (zoals eerder afzonderlijk vastgesteld door de Colleges van Burgemeester en Wethouders) is opgenomen in de Nota in hoofdstuk 3 en bijlage 3. Hierdoor verschuift de nummering van de overige hoofdstukken en bijlagen; de provinciebrede bodemkwaliteitskaart van de wegbermen is geactualiseerd. De gemeentes Hulst, Sluis en Terneuzen kennen de bodemfunctieklasse ‘industrie’ toe aan de wegen en bijbehorende wegbermen die deel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart van de wegbermen. Daarnaast is aan een aantal onverharde wegen de bodemfunctieklasse ‘industrie’ toegekend; de bodemkwaliteitskaart van Zeeland Seaports uit 2005 is niet meer geldig, zodat de erkenning van voornoemde bodemkwaliteitskaart niet meer van toepassing is. In plaats daarvan worden de bodemkwaliteitskaarten van andere Zeeuwse gemeentes erkend wanneer deze rechtsgeldig zijn vastgesteld door desbetreffende gemeente.
Verder wordt de door Waterschap Scheldestromen vastgestelde waterbodemkwaliteitskaart van Zeeuwsch-Vlaanderen erkend; er zijn enkele kleine aanpassingen gedaan in verband met wijzigingen in landelijke regelgeving. De aanpassingen vormen geen wijziging van het gebiedsspecifieke beleid, zodat de herziene versie is vastgesteld door de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeentes Hulst, Sluis en Terneuzen.
2e Herziening, 19 oktober 2015 / 23 december 2015 In 2015 is de bodemkwaliteitskaart van de drie gemeentes geactualiseerd. In de gemeentes Terneuzen en Hulst zijn de grenzen of classificaties van zones op enkele plaatsen gewijzigd. Deze wijzigingen zijn verwerkt in de kaartbijlagen van de Nota bodembeheer. De erkenning van andere bodemkwaliteitskaarten in paragraaf 5.2.5 is gewijzigd: toekomstige bodemkwaliteitskaarten uit andere bodembeheergebieden worden door de gemeentes Hulst en Sluis niet automatisch erkend. In plaats daarvan kan het College van Burgemeester en Wethouders besluiten om een andere bodemkwaliteitskaart te erkennen; de gemeente Terneuzen erkent automatisch toekomstige bodemkwaliteitskaarten binnen de provincie Zeeland wanneer deze door een andere gemeente conform het Besluit bodemkwaliteit zijn vastgesteld (ongewijzigd ten opzichte van voorgaande versie van Nota bodembeheer). De volgende paragraaf is toegevoegd aan de Nota bodembeheer: 5.6 Toepassing van zout zeezand De bodemfunctiekaart is op enkele plaatsen gewijzigd: toekenning functie wonen aan Perkpolder West en aan de zuidkant van Hengstdijk in de gemeente Hulst; toekenning functie wonen aan de nieuwe woonwijk Othene in Terneuzen.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
MARMOS bodemmanagement
Verder zijn enkele redactionele aanpassingen gedaan zoals het gebruik van een recente topografische ondergrond in de kaartbijlagen. De versies van 19 oktober 2015 en 23 december 2015 zijn identiek, met uitzondering van paragraaf 5.2.5. De versie van 19 oktober 2015 is vastgesteld in de gemeentes Hulst en Sluis. De gemeente Terneuzen heeft de versie van 23 december 2015 vastgesteld.
3e Herziening, [VASTSTELLINGSDATUM] 2019 Bij de derde herziening van de Nota bodembeheer is in de paragrafen 3.2 en 5.2.2 een redactionele correctie gedaan op de beschrijving van de volgens landelijke regelgeving geldende terugsaneerwaarden. Verder heeft het College van B&W van Terneuzen in 2018 de bodemfunctiekaart op enkele plekken gewijzigd. Voor het overige heeft de derde herziening van de Nota bodembeheer alleen betrekking op de gemeente Hulst en op de locatie Brugse Vaart in de gemeente Sluis. Bij de eerste vaststelling van de Nota bodembeheer in 2010 is in hoofdstuk 6 gebiedsspecifiek beleid opgenomen voor het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst. Dit gebiedsspecifiek beleid bestaat uit het vastleggen van lokale maximale waarden (LMW) voor dit plangebied.
[…] Gereserveerd voor gemeente Hulst Toelichting: In de gemeente Hulst is het voornemen om voor enkele gebieden LMW ter vaststelling voor te leggen. Oorspronkelijk vormde dit in 2018 de aanzet tot de 3e herziening van de nota bodembeheer. In voorliggende conceptversie is geen voorstel voor LMW in Hulst opgenomen. Afhankelijk van de besluitvorming in de gemeente Hulst worden deze mogelijk in een later stadium geïntegreerd in deze nota bodembeheer.
Bij de 3e herziening van de Nota bodembeheer in 2019 is tevens gebiedsspecifiek beleid opgenomen voor de locatie Brugse Vaart in de gemeente Sluis. Op deze locatie is vanaf 2010 grond toegepast ten behoeve van de uitbreiding van een golfbaan, waarbij de toepassing in het verleden ten onrechte werd aangemerkt als een grootschalige bodemtoepassing (GBT). Middels het vaststellen van LMW wordt deze situatie gerepareerd. Hoofdstuk 6 is geheel herzien, waarbij de titel van het hoofdstuk is gewijzigd in ‘Lokale maximale waarden (LMW)’. De toepassing van de risicotoolbox is uitgebreid en opgenomen in bijlage 7 van de Nota bodembeheer. Voorheen was deze opgenomen in hoofdstuk 8 van de bodemkwaliteitskaart van Hulst.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
MARMOS bodemmanagement
In de kaartbijlagen van de gemeente Hulst is de ontpoldering van de oostelijke Perkpolder verwerkt. Tevens is in bijlage 6A de toepassingseis van de zone F2: Bedrijfsterreinen gecorrigeerd. De derde herziening van de Nota bodembeheer is vastgesteld door de gemeenteraad van Hulst op [VASTSTELLINGSDATUM T.Z.T INVULLEN] respectievelijk de gemeenteraad van Sluis op [VASTSTELLINGSDATUM T.Z.T INVULLEN], na een openbare voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het aanpassen van de bodemfunctiekaart is een bevoegdheid van het College van B&W waarvoor geen openbare voorbereidingsprocedure hoeft te worden gevolgd. De wijziging van de bodemfunctiekaart van Terneuzen leidt niet tot een wijziging van de toepassingskaart. Voor de gemeente Terneuzen is het beleid niet gewijzigd en is verder alleen de redactionele correctie over de terugsaneerwaarden in de paragrafen 3.2 en 5.2.2 van belang. In deze gemeente stelt het College van B&W de nota opnieuw vast.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
MARMOS bodemmanagement
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
1.
INLEIDING
1.1
Besluit bodemkwaliteit en hergebruik van grond en bagger
Op 1 januari 2008 zijn het Besluit bodemkwaliteit (lit. 1) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit (lit. 2) in werking getreden. Deze vormen het nieuwe beleidskader voor hergebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie en vervangen onder andere het Bouwstoffenbesluit en de Vrijstellingsregeling grondverzet. De onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit over het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem zijn van kracht met ingang van 1 juli 2008. Een belangrijk instrument voor hergebruik van grond en bagger vormt de bodemkwaliteitskaart. In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in één of meer zones met een vergelijkbare milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het gaat hierbij om de ‘gemiddelde’ kwaliteit van deze gebieden, afgezien van lokale verontreinigingen veroorzaakt door puntbronnen. In een Nota bodembeheer1 is beleidsmatig vastgelegd binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is en welke voorwaarden hierbij gelden. Met andere woorden, de bodemkwaliteitskaart vormt de technisch-inhoudelijke onderbouwing voor het grondstromenbeleid zoals dat wordt vastgelegd in de Nota bodembeheer.
1.2
Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer Zeeuwsch-Vlaanderen
De gemeenteraden van Hulst, Terneuzen en Sluis hebben in 2010 een bodemkwaliteitskaart en een bijbehorende Nota bodembeheer vastgesteld voor de landbodem van heel Zeeuwsch-Vlaanderen. In 2015 zijn deze documenten geëvalueerd en geactualiseerd. Deze Nota bodembeheer beschrijft het gezamenlijke grondstromenbeleid van de drie Zeeuws-Vlaamse gemeentes, gebaseerd op de in 2015 geactualiseerde bodemkwaliteitskaart van deze gemeentes2. Voor de bodemkwaliteitskaart is per gemeente een afzonderlijke rapportage opgesteld (lit. 3 t/m 5). De bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer zijn gebaseerd op het Besluit bodemkwaliteit, de Regeling bodemkwaliteit en de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 6). De normering en klasse-indeling volgens het Besluit bodemkwaliteit worden toegelicht in hoofdstuk 2. Deze normering is afhankelijk van zowel de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem. De bodemfunctiekaart is opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat een overzicht van de zones uit de bodemkwaliteitskaart, getoetst aan de klasse-indeling uit het Besluit bodemkwaliteit. Hoofdstuk 5 van deze Nota bodembeheer behandelt de Zeeuws-Vlaamse regels voor grondverzet. Een belangrijk onderdeel hiervan is de in bijlage 2 opgenomen grondstromenmatrix. In de grondstromenmatrix is per zone uitgewerkt in hoeverre binnen één zone danwel tussen zones hergebruik van grond mogelijk is.
In een groot deel van Zeeuwsch-Vlaanderen is vrij grondverzet mogelijk (mits geen 1
In het Besluit bodemkwaliteit wordt de term ‘Nota bodembeheer’ gehanteerd. In het verleden werd hiervoor de term ‘bodembeheerplan’ gebruikt. Beide termen zijn synoniem. 2 De bodemkwaliteitskaart van Hulst is in 2017 aangevuld met nieuwe gegevens van de Hertogin Hedwigepolder.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
1/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
sprake is van een uitzonderingslocatie). In een aantal gevallen dient eerst door middel van onderzoek de kwaliteit van de vrijkomende grond te worden bepaald. Voordat gebruik wordt gemaakt van de grondstromenmatrix, moet eerst worden gecontroleerd of er geen sprake is van een uitzonderingslocatie (verdachte locaties etc.). Verder dient in het algemeen het voorgenomen grondverzet minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te worden gemeld bij het landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit, ondergebracht bij Rijkswaterstaat (Bodem+). In het algemeen hanteren de drie Zeeuws-Vlaamse gemeentes het generieke beleid uit het Besluit bodemkwaliteit. In hoofdstuk 6 van deze Nota bodembeheer is gebiedsspecifiek beleid opgenomen, door voor de volgende gebieden lokale maximale waarden (LMW) vast te stellen: voormalig veerplein van Perkpolder Brugse Vaart
1.3
Bevoegd gezag
In het Besluit bodemkwaliteit is vastgelegd welke instanties bevoegd gezag zijn voor toepassingen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Een landelijk meldpunt stuurt de melding van de toepassing door naar het bevoegd gezag. Dit bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de handhaving. Voor toepassingen op de landbodem is in het algemeen de gemeente het bevoegd gezag. Binnen Wminrichtingen is echter de vergunningverlener bevoegd gezag voor toepassingen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Binnen inrichtingen met een provinciale milieuvergunning is dus de provincie het bevoegd gezag. Voor toepassingen op de waterbodem is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (waterschap danwel Rijkswaterstaat). In de Waterregeling is vastgelegd voor welke gebieden Rijkswaterstaat het bevoegd gezag is. Als grens tussen de landbodem en de waterbodem geldt: Sloten (ook als deze een groot deel van het jaar droog staan) zijn waterbodem vanaf de bovenkant van de insteek van de sloot; de buitenkruin van de zeedijk geldt als grens tussen de landbodem en de waterbodem. Bij grensgevallen die onder het bevoegd gezag van verschillende overheden vallen overleggen de bevoegde overheden wie de rol van bevoegd gezag voor de specifieke situatie op zich neemt.
1.4
Handhaving
Volgens de Nota van Toelichting van het Besluit bodemkwaliteit dient de Nota bodembeheer o.a. een beschrijving van de uitvoering, het toezicht, de handhaving en de evaluatie van het bodembeleid te bevatten. Het toezicht en de bestuurlijke handhaving op toepassingen van grond en bagger op de landbodem berust gedeeltelijk bij de Inspectie Leefomgeving en Transport en gedeeltelijk bij de gemeente (dan wel de vergunningverlener wanneer het toepassingen binnen een Wm-inrichting betreft).
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
2/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
De Inspectie Leefomgeving en Transport is verantwoordelijk voor de handhaving voor de keten van producent tot en met de aannemer. Het lokale bevoegd gezag (de gemeente dan wel de vergunningverlener in het kader van de Algemene wet omgevingsrecht) houdt toezicht op de opdrachtgever. De gemeente kan met name handhaven op: de wijze van toepassing (overeenkomstig de regels uit deze Nota bodembeheer); de tijdige en correcte melding van de toepassing; de milieuhygiënische kwaliteitsverklaringen die bij de melding worden overlegd. Met ingang van 1 januari 2014 zijn het toezicht en de handhaving van de bodemregelgeving verdeeld over de gemeentes en de RUD (Regionale Uitvoeringsdienst) Zeeland. Voor het toezicht en de handhaving van het Besluit bodemkwaliteit wordt aangesloten bij de richtlijnen uit de landelijke HUM (Handhavings Uitvoerings Methodiek) voor het Besluit bodemkwaliteit.
1.5
Vaststelling, geldigheid en evaluatie
Het vaststellen van een bodemkwaliteitskaart met regels voor grondverzet volgens het generieke beleid is een bevoegdheid van het College van Burgemeester en Wethouders. Gebiedsspecifiek beleid wordt vastgesteld door de gemeenteraad, waarbij een voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gevolgd. De eerste versie van deze Nota bodembeheer met bijbehorende bodemkwaliteitskaart is in 2010 in werking getreden na de bestuurlijke vaststelling door de gemeenteraden van de gemeentes Terneuzen, Hulst en Sluis. Met het in werking treden van deze Nota bodembeheer zijn destijds de volgende bodemkwaliteitskaarten en bodembeheerplannen vervallen (lit. 7 en 8): Bodemkwaliteitskaart Zeeuwsch-Vlaanderen – beleidsdocument; De Straat Milieu-adviseurs BV, 22 oktober 2004 Bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan in het kader van de Vrijstellingsregeling grondverzet Zeeland Seaports; Marmos Bodemmanagement, 28 november 2005 (inmiddels is zowel het gedeelte in de gemeente Terneuzen als het gedeelte in de gemeentes Borsele en Vlissingen vervallen). Sindsdien is de Nota bodembeheer met een aantal voornamelijk redactionele aanpassingen herzien en is in 2015 de bodemkwaliteitskaart van de drie gemeenten geactualiseerd. Redactionele aanpassingen die geen wijziging van het beleid inhouden zijn vastgesteld door de respectievelijke Colleges van B&W.
Bij de 3e herziening van de Nota bodembeheer in 2019 is het gebiedsspecifiek beleid voor de gemeente Hulst uitgebreid en is tevens gebiedsspecifiek beleid opgenomen voor een locatie in de gemeente Sluis. Dit nieuwe beleid treedt in werking direct nadat de bestuurlijke vaststelling door desbetreffende gemeenteraad onherroepelijk is. De geldigheid van de bodemkwaliteitskaart en/of de Nota bodembeheer vervalt wanneer een nieuwe bodemkwaliteitskaart en/of Nota bodembeheer wordt vastgesteld.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
3/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
In artikel 53 van het Besluit bodemkwaliteit is vastgelegd, dat de bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer een maximale geldigheid hebben van 10 jaar. De Nota bodembeheer heeft alleen betrekking op toepassing van grond en bagger op de landbodem. Bagger afkomstig uit Zeeuws-Vlaamse watergangen is toepasbaar op de landbodem volgens de in deze nota beschreven regels na keuring of op basis van de door Waterschap Scheldestromen vastgestelde waterbodemkwaliteitskaart (lit. 9). Naast deze Nota bodembeheer gelden onverkort de algemene regels zoals opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Bij het niet naleven van de regels uit deze Nota bodembeheer blijft het Besluit bodemkwaliteit, inclusief alle daarop van toepassing zijnde handhavingsmogelijkheden en eventuele sancties onverminderd van kracht.
Wegbermen Voor de wegbermen in de provincie Zeeland geldt een afzonderlijke bodemkwaliteitskaart annex Nota bodembeheer (lit. 10). Deze heeft in Zeeuwsch-Vlaanderen betrekking op de verharde, voor het openbaar wegverkeer opengestelde wegen in het buitengebied.
Evaluatie De evaluatie van het bodembeleid vindt periodiek plaats in het kader van het gemeentelijk milieujaarverslag van de afzonderlijke gemeentes. In 2015 is de bodemkwaliteitskaart geëvalueerd en geactualiseerd. Dit heeft geleid tot enkele kleine aanpassingen van zones, die zijn verwerkt in voorliggende nota.
1.6
Afstemming met overige belanghebbenden
De bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer zijn opgesteld in een gezamenlijk project van de gemeentes Hulst, Sluis en Terneuzen. Daarnaast heeft gedurende het project afstemming plaatsgevonden met de provincie Zeeland, het Waterschap Zeeuws-Vlaanderen en het havenschap Zeeland Seaports. De begrenzing van de zone Bedrijfsterreinen D is afgestemd met Cargill Benelux BV.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
4/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
3e Herziening Nota bodembeheer 2019 PM T.z.t hier de gevolgde procedure en eventuele zienswijzen opnemen: afstemming met belanghebbenden periode van 6 weken ter inzage leggen (x maand 2019 t/m x maand 2019), behandeling eventueel ingediende zienswijzen vaststelling door gemeenteraad Hulst op x maand 2019 vaststelling door gemeenteraad Sluis op x maand 2019. Voor de gemeente Terneuzen is het beleid bij de 3e herziening in 2019 niet gewijzigd. In deze gemeente wordt de herziene nota vastgesteld door het College van B&W en vervolgens wordt de meest recente versie van de Nota bodembeheer ter kennisname toegezonden aan de gemeenteraad Terneuzen.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
5/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
6/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
2.
NORMERING EN KLASSE-INDELING VOLGENS BESLUIT BODEMKWALITEIT
2.1
Introductie
In de Regeling bodemkwaliteit zijn de landelijke Achtergrondwaarden vastgelegd. Deze gelden als toetsingskader om te bepalen of grond “schoon” is. Wettelijk gezien mogen geen strengere normen worden gesteld dan de Achtergrondwaarden. Het Besluit bodemkwaliteit relateert het beleid voor het toepassen van grond en bagger aan de functie van de bodem. Daartoe zijn de bodemfunctieklasses ‘wonen’ en ‘industrie’ geïntroduceerd, met bijbehorende maximale waarden. Deze maximale waarden voor de verschillende stoffen zijn samen met de Achtergrondwaarden te vinden in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
2.2
Toetsingsregels
In de Regeling bodemkwaliteit zijn voor de Achtergrondwaarden en de ‘Maximale waarden voor wonen’ (MaxWONEN) toetsingsregels opgenomen, waarbij een beperkt aantal stoffen in geringe mate de norm mag overschrijden. Deze toetsingsregels zijn afhankelijk gesteld van het aantal geanalyseerde stoffen. Voor de ‘Maximale waarde voor industrie’ (MaxINDUSTRIE) geldt geen toetsingsregel. Toetsingsregel voor de Achtergrondwaarde (bij 7 t/m 15 getoetste parameters):
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan de Achtergrondwaarde, mits niet hoger dan 2 x Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxWONEN Toetsingsregel voor MaxWONEN (bij 7 t/m 15 getoetste parameters) 1:
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan MaxWONEN, mits niet hoger dan MaxWONEN + Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxINDUSTRIE De toetsingsregel voor de Achtergrondwaarde geldt zowel voor de ontvangende bodem als voor de toe te passen grond. De toetsingsregel voor MaxWONEN geldt alleen voor de beoordeling van de ontvangende bodem en mag niet worden toegepast om de kwaliteit van een partij hergebruiksgrond te bepalen. In bijlage 1 zijn de Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE vermeld met de bovengrens van voornoemde toetsingsregels voor de in de bodemkwaliteitskaart gehanteerde stoffen uit NEN5740 (lit. 11), inclusief de stoffen die per 1 juli 2008 zijn toegevoegd aan het standaardpakket uit NEN5740.
1
Bij de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit in april 2009 is voor nikkel deze toetsingsregel aangepast. Voor nikkel wordt in deze toetsingsregel alleen getoetst aan 2 x Achtergrondwaarde en niet aan MaxWONEN.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
7/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
2.3
Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid Gebiedsspecifiek beleid In het Besluit bodemkwaliteit is het beleid voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. De strengste is daarbij (in het generieke beleid) maatgevend. Voorbeeld 1: Wanneer de bodemkwaliteit van een industrieterrein voldoet aan de Achtergrondwaarde, dan geldt als toepassingseis dat de toe te passen grond ook aan de Achtergrondwaarde dient te voldoen. Voorbeeld 2: Wanneer de bodemkwaliteit van een oud stadscentrum niet voldoet aan MaxWONEN,, (maar bijv. wel aan MaxINDUSTRIE), dan geldt als toepassingseis MaxWONEN. Hierboven is de situatie beschreven zoals die geldt in het ‘generieke beleid’. Binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden mogen gemeentes besluiten om hiervan af te wijken en voor een deel van hun grondgebied een strenger of juist minder streng beleid te voeren. De gemeenteraad stelt dan ‘lokale maximale waarden’ vast. In dat geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van ‘gebiedsspecifiek beleid’.
Voor de volgende gebieden in de gemeente Hulst is in hoofdstuk 6 gebiedsspecifiek beleid opgenomen: voormalig veerplein van Perkpolder; PM Verder is in hoofdstuk 6 gebiedsspecifiek beleid opgenomen voor de volgende locatie in de gemeente Sluis: Brugse Vaart (uitbreiding golfbaan) Afgezien hiervan hanteren de drie Zeeuws-Vlaamse gemeentes het generieke beleid.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
8/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
3.
BODEMFUNCTIEKAART
3.1
Bodemfunctiekaart van de gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis
Het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor, dat gemeentes een bodemfunctiekaart vaststellen. In deze bodemfunctiekaart worden de bodemfunctieklassen ‘wonen’ en ‘industrie’ weergegeven. Strikt genomen spreekt het Besluit bodemkwaliteit alleen over de bodemfuncties ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Het overige gebied (landbouw- en natuurgebieden) wordt in deze Nota tot de bodemfunctie ‘overig’ gerekend. De bodemfunctiekaart van de gemeentes Hulst, Sluis en Terneuzen is weergegeven in bijlage 3A t/m 3C. De bodemfunctiekaart komt in het algemeen overeen met de kaartbijlagen met de ouderdom van de bebouwing uit de bodemkwaliteitskaart. In de rapportage van de bodemkwaliteitskaart zijn dit de bijlagen 4A t/m 4D (Terneuzen), respectievelijk 3A t/m 3C (Hulst) en 2A t/m 2D (Sluis). De legenda-eenheden met woonwijken hebben de functie ‘wonen’. De legenda-eenheden met bedrijfsterreinen hebben de functie ‘industrie’. Op sommige plaatsen is in de kaarten een toekomstige functie weergegeven. In deze situaties geldt als bodemfunctieklasse de toekomstige functie. In aanvulling hierop kennen de gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis de bodemfunctieklasse industrie toe aan: de verharde wegen inclusief bijbehorende wegbermen die deel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart van de wegbermen (lit. 10).
Dit betreft voor Zeeuwsch-Vlaanderen de verharde openbare wegen in het buitengebied; een aantal onverharde openbare wegen in het buitengebied. Voor de afbakening van de wegbermen geldt de volgende definitie (uit lit. 10):
Bermgrond is de grond vanaf de rand van de wegverharding van de weg tot aan de insteek van de sloot of tot aan de voet van de dijk/grondwal of tot aan de kruin van de dijk (bij een dijk) tot 50 cm onder maaiveld. Indien er geen sloot aanwezig is, wordt hiervoor een arbitraire afstand van 10 meter aangehouden (6 meter voor gemeentelijke wegbermen) vanaf de rand van de wegverharding van de weg. Indien een fietspad langs de weg aanwezig is, is de wegberm het gedeelte vanaf de rand van het asfalt van de weg tot aan de rand van het asfalt van het fietspad en het gedeelte vanaf de rand van het asfalt tot aan de insteek van de sloot.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
9/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
3.2
Betekenis van de bodemfunctiekaart bij saneringen
Voor een aantal standaardsituaties kan men op grond van het Besluit uniforme saneringen (BUS) een vereenvoudigde procedure volgen. Onder bepaalde voorwaarden kan dan worden volstaan met een BUSmelding van de sanering en hoeft men geen beschikking over het saneringsplan bij de provincie aan te vragen. Voor saneringen, die op basis van een BUS-melding worden uitgevoerd geldt sinds 1 oktober 2008 dat als terugsaneerwaarde en kwaliteitseis voor de leeflaag / aanvulgrond wordt aangesloten bij de waarden die ook gelden voor het toepassen van grond of bagger (artikel 3.1.6 en 3.1.7 Regeling uniforme saneringen): Situatie
Terugsaneerwaarde Besluit uniforme saneringen (BUS)
Geen bodemfunctiekaart vastgesteld
Achtergrondwaarde
Bodemfunctieklasse ‘overig’ (generiek beleid) Bodemfunctieklasse Wonen (generiek beleid) Bodemfunctieklasse Industrie (generiek beleid) Gebiedsspecifiek beleid
Achtergrondwaarde Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN ) Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE ) Lokale Maximale Waarden (LMW) zoals vastgesteld door gemeenteraad
Voorbeeld 1: De saneringslocatie heeft volgens de functiekaart de functie ‘wonen’. Volgens de bodemkwaliteitskaart ligt de saneringslocatie in een zone, die aan de Achtergrondwaarde voldoet. De terugsaneerwaarde bij een BUS-sanering is MaxWONEN. Voorbeeld 2: De saneringslocatie ligt in een oude binnenstad (functie wonen, bodemkwaliteitsklasse industrie). De terugsaneerwaarde bij een BUS-sanering is MaxWONEN. Voor saneringen waarbij het bevoegde gezag Wet bodembescherming (= de provincie Zeeland) een beschikking over het saneringsplan afgeeft, dient dit bevoegde gezag in beginsel rekening te houden met de bodemfunctieklasse van de saneringslocatie. De provincie1 kan hiervan afwijken en in een beschikking op een saneringsplan een andere terugsaneerwaarde vastleggen dan vermeld in bovenstaande tabel.
1
Formeel is de provincie Zeeland het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Sinds 1 januari 2014 voert de RUD Zeeland deze taken uit namens de provincie.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
10/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
4.
SAMENVATTING BODEMKWALITEITSKAART
4.1
Beschrijving bodemkwaliteitskaart
In de bodemkwaliteitskaart is het grondgebied van de drie Zeeuws-Vlaamse gemeentes ingedeeld in een aantal zones met een vergelijkbare algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit. Gebieden met eenzelfde historie hebben in het algemeen een vergelijkbare diffuse bodemkwaliteit. De indeling in zones is met name gebaseerd op het onderscheid tussen woonwijken en bedrijfsterreinen en de ouderdom van de bebouwing. Daarnaast kent de gemeente Terneuzen enkele opgehoogde gebieden met een afwijkende bodemkwaliteit. Verder is gekeken naar recente inpolderingen, die verontreinigd kunnen zijn als gevolg van sedimentatie van verontreinigd slib. Vervolgens zijn de analyseresultaten van de binnen de zones uitgevoerde bodemonderzoeken geïnterpreteerd. Deze gegevens zijn afkomstig uit de bodeminformatiesystemen van de drie gemeentes. Voor enkele gebieden is in 2008 aanvullend onderzoek uitgevoerd (Mariapolder in Sluis en Hertogin Hedwigepolder in de gemeente Hulst). Per zone zijn voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) verschillende statistische kengetallen berekend (gemiddelde, lognormaal gemiddelde en diverse percentielwaarden) voor diverse stoffen. Op basis van deze berekeningen en het ruimtelijk patroon van de waarnemingen is de zone-indeling getoetst en zonodig bijgesteld.
Er is gekeken welke analyseresultaten niet representatief zijn voor de algemene zonekwaliteit, zodat deze als uitbijters buiten de dataset van de zoneringsberekeningen zijn gelaten. De uiteindelijke indeling in zones is dus een combinatie van historische informatie en statistische bewerkingen. Conform de Regeling bodemkwaliteit zijn de rekenkundig gemiddeldes van de verschillende zones in de bodemkwaliteitskaart getoetst aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE. Op basis van deze toetsing zijn de zones ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’, ‘wonen’ of ‘industrie’ (danwel ‘voldoet niet aan bodemkwaliteitsklasse industrie’). Voor het samenvoegen van verschillende deelgebieden tot dezelfde zone is deze klasse-indeling ook bepalend. De zones en bijbehorende statistische kengetallen zijn per gemeente afzonderlijk bepaald (zie verder de afzonderlijke rapportages van de bodemkwaliteitskaart: lit. 3 t/m 5). Vergelijkbare zones uit de verschillende gemeentes zijn vervolgens voor het grondstromenbeleid samengevoegd. In meer dan 90% van het bodembeheergebied van Zeeuwsch-Vlaanderen voldoen zowel de bovengrond als de ondergrond aan de Achtergrondwaarde. Voor een klein deel van het gebied is geen kwaliteit vastgesteld. Bijlage 4 bevat kaarten met de gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0-0,5 m-mv) in de drie gemeentes.
Bijlage 5 bevat kaarten met de gemiddelde kwaliteit van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv). In het hele bodembeheergebied is de kwaliteit van de ondergrond vergelijkbaar of beter dan de kwaliteit van de bovengrond. Op basis van de bodemfuncties en de bodemkwaliteitsklasses is voor de verschillende zones de toepassingseis bepaald volgens het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit. Bijlage 6 bevat kaarten met de toepassingseis voor de verschillende zones in Zeeuwsch-Vlaanderen.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
11/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
4.2
Stoffenpakket
De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op de stoffen zoals opgenomen in het standaardpakket uit de NEN 5740, versie januari 2009 (lit. 11). In aanvulling hierop is aandacht besteed aan de DDD, DDE, DDT en drins, aangezien bij de vorige bodemkwaliteitskaart (lit. 7) voor het buitengebied een diffuse verontreiniging is vastgesteld met de som van drins en de som van DDD+DDE+DDT. Bij aanvang van het project is voor de drie Zeeuws-Vlaamse gemeentes tezamen een analyse uitgevoerd in hoeverre het buitengebied bij toetsing aan de nieuwe normering uit de Regeling bodemkwaliteit nog steeds als licht verontreinigd geldt. Uit deze analyse blijkt, dat de gemiddelde bodemkwaliteit in Zeeuwsch-Vlaanderen voor deze bestrijdingsmiddelen voldoet aan de Achtergrondwaarde (uiteraard behoudens lokale verdachte locaties zoals boomgaarden). Op basis van deze analyse is bij de indeling en karakterisatie van zones geen verdere aandacht meer besteed aan DDD, DDE, DDT en drins. Met ingang van 1 juli 2008 is de samenstelling van het stoffenpakket uit de NEN5740 gewijzigd. Arseen, chroom en EOX maken sindsdien geen deel meer uit van het standaard stoffenpakket voor verkennend bodemonderzoek. Hiervoor in de plaats komen barium, kobalt, molybdeen en de som-PCB’s.
In bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit is bepaald, dat bij wijziging van het standaardpakket uit NEN5740 gedurende een overgangstermijn niet behoeft te worden voldaan aan het minimum van 20 analyses per zone. Deze overgangstermijn is enkele malen aangepast. Bij de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit d.d. 18 april 2013 zijn de overgangstermijnen als volgt vastgelegd: PCB’s: tot 1 januari 2014; Barium, kobalt en molybdeen: tot 1 januari 2016. In een wijzigingsblad bij de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 6) is voor deze stoffen het minimum van 20 analyses per zone losgelaten. In plaats daarvan mag worden onderbouwd, dat deze stoffen niet van invloed zijn op de classificatie van zones. Voor deze onderbouwing geldt een minimum van 30 waarnemingen per bodemlaag voor het hele bodembeheergebied tezamen1. Voor de nieuwe parameters waren bij het opstellen van de eerste versie van de bodemkwaliteitskaart in 2008 onvoldoende gegevens beschikbaar om deze mee te nemen in de bodemkwaliteitskaart. Er waren destijds echter geen aanwijzingen dat deze nieuwe parameters tot een aanpassing van de bodemkwaliteitskaart zouden leiden. In 2010 is een provinciebrede analyse uitgevoerd in hoeverre de nieuwe parameters bepalend zijn in de classificatie van zones (lit. 12).
Uit die analyse wordt geconcludeerd dat de nieuwe parameters in Zeeland tot dusverre niet bepalend zijn voor de classificatie van zones. Bij de actualisatie van de bodemkwaliteitskaart in 2015 is onderbouwd dat de nieuwe parameters in Zeeuwsch-Vlaanderen geen invloed hebben op de classificatie van zones. Aanvankelijk is voor de zone ‘H: Hertogin Hedwigepolder’ een voorbehoud gemaakt voor PCB. In de aanvulling op de bodemkwaliteitskaart uit 2017 is vastgesteld dat de Hertogin Hedwigepolder niet verontreinigd is met PCB.
1
Voor barium geldt volgens het wijzigingsblad geen minimum aantal waarnemingen, aangezien er op dit moment geen normen zijn waaraan kan worden getoetst (afgezien van de interventiewaarde indien verhoogde gehaltes barium duidelijk zijn terug te voeren op een antropogene bron).
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
12/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
5
ALGEMENE REGELS VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGER
5.1
Grondverzet volgens grondstromenmatrix, afgezien van uitzonderingslocaties
Het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor, dat de kwaliteit van toe te passen grond en bagger in overeenstemming dient te zijn met zowel de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem. In de grondstromenmatrix in bijlage 2 is uitgewerkt tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is en aan welke bodemkwaliteitsklasse de in een zone toe te passen partij grond dient te voldoen. In gezoneerde gebieden geldt in beginsel de bodemkwaliteit zoals deze als algemene bodemkwaliteit voor de betreffende zone in de bodemkwaliteitskaart is vastgelegd. Alvorens hiervan kan worden uitgegaan, dient eerst te worden gecontroleerd of er geen sprake is van een lokaal afwijkende bijzondere situatie. Dit betekent, dat eerst een vooronderzoek moet worden uitgevoerd voordat men gebruik mag maken van de grondstromenmatrix.
In de volgende situaties is vrij grondverzet niet zondermeer mogelijk: Indien de vrijkomende grond afkomstig is van een verdachte locatie; Indien de grond vrijkomt in een zone waarvan geen kwaliteit is vastgesteld; Indien de grond wordt toegepast op een verdachte locatie die mogelijk ernstig verontreinigd is; Indien de toe te passen grond afkomstig is van buiten het bodembeheergebied van ZeeuwschVlaanderen; In geval van toepassing van de vrijkomende grond buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart; In geval van zintuiglijk afwijkende grond (afwijkende geuren en bodemvreemde bijmengingen zoals puin, koolas en asbest). In paragraaf 5.2 worden deze situaties nader toegelicht. Indien geen sprake is van één van bovenstaande uitzonderingssituaties, gelden voor grondverzet de regels uit de in bijlage 2 opgenomen grondstromenmatrix. Deze wordt toegelicht in paragraaf 5.3.
Het Besluit bodemkwaliteit bevat een algemene vrijstelling voor de volgende toepassingen: Toepassingen van grond of bagger door particulieren, voorzover niet in de uitoefening van een bedrijf of beroep; Toepassingen binnen een landbouwbedrijf, mits de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot datzelfde landbouwbedrijf behorend perceel, waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast; Tijdelijke uitname van grond of baggerspecie, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Dit betekent, dat de regels uit deze Nota bodembeheer niet gelden voor voornoemde vrijgestelde toepassingen. Wel is in het Besluit bodemkwaliteit een algemene zorgplicht vastgelegd, die ook geldt bij de hierboven genoemde toepassingen.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
13/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
5.2
Uitzonderingslocaties
5.2.1
Hergebruik van grond afkomstig van een verdachte locatie
Alvorens hergebruik van grond op basis van deze bodemkwaliteitskaart mogelijk is, moet eerst worden nagegaan of de grond niet vrijkomt op een historisch verdachte locatie. Om dit na te gaan, dienen historisch kaartmateriaal en de gegevens uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem te worden geraadpleegd. Verder zijn bij de gemeentes overzichten beschikbaar van voormalige bedrijven op basis van Hinderwet-inventarisaties. De volgende locaties gelden mogelijk als verdachte locaties (niet limitatief): dammen en kavelpaden verdachte locaties op basis van bij de gemeente beschikbare inventarisaties (vm. Hinderwetvergunningen etc.) huidige bedrijfslocaties (voormalige) stortlocaties (voormalige) boomgaarden uit de periode 1940 - 1980 elektriciteitsmasten wegen wegbermen1 (voormalige) tram- en treinbanen huiskavels van boerderijen (boerenerf) Bij het toepassen van grond kan alleen gebruik worden gemaakt van een milieuhygiënische verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart, indien bij de melding de historische gegevens van de herkomstlocatie worden gevoegd inclusief: een gewaarmerkte uitdraai uit het bodeminformatiesysteem van de gemeente waar de partij grond vandaan komt; een gewaarmerkte schriftelijke beoordeling door de gemeente waarvandaan de grond afkomstig is, of de herkomstlocatie verdacht of onverdacht is.
De milieuhygiënische verklaring is niet verplicht in geval van de op de voorgaande pagina genoemde vrijstellingen voor particulieren, agrarische bedrijven en tijdelijke uitname, zodat bij deze vrijstellingen ook geen historische toets is voorgeschreven. In de overige gevallen waarin geen melding is voorgeschreven (zoals hergebruik van minder dan 50 m3 schone grond) is het uitvoeren van de historische toets wel verplicht. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient men de historische toets te kunnen overleggen. Ter verkrijging van meer zekerheid kan men een gewaarmerkte verklaring bij de gemeente aanvragen. Grond die op verdachte locaties vrijkomt, dient eerst te worden onderzocht. De onderzoeksstrategie is afhankelijk van de resultaten van het vooronderzoek en dient per geval te worden afgestemd met de gemeente waar de grond wordt toegepast (maatwerk).
1
Voor wegbermen is een bodemkwaliteitskaart voor de gehele provincie opgesteld en geldt een aparte Nota bodembeheer (lit. 10).
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
14/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Er behoeven alleen chemische analyses van grondmonsters te worden uitgevoerd voor de bodemlagen waaruit de grond vrijkomt. De grond kan alsnog vrij worden toegepast als de grond na onderzoek blijkt te voldoen aan de toepassingseis zoals die voor de betreffende zone geldt (zie bijlage 6). Voor de Achtergrondwaarde geldt een toetsingsregel, waarbij voor een beperkt aantal stoffen een geringe overschrijding van de Achtergrondwaarde wordt toegestaan. Voor de toetsing van de hergebruiksgrond aan MaxWONEN mag een dergelijke toetsingsregel niet worden toegepast. Indien de locatie asbestverdacht is, dient tevens een onderzoek conform de NEN5707 te worden uitgevoerd.
5.2.2
Toepassing van grond op (mogelijk) ernstig verontreinigde locaties
Het aanbrengen van hergebruiksgrond op een ernstig verontreinigde locatie geldt als een saneringsmaatregel. In dit geval zijn de regels uit de Wet bodembescherming van toepassing (opstellen van een door het bevoegd gezag goed te keuren saneringsplan dan wel BUS-melding doen). Zie verder paragraaf 3.2 welke terugsaneerwaarden gelden volgens de Regeling uniforme saneringen.
5.2.3
Hergebruik van grond afkomstig uit een zone waarvan geen kwaliteit is vastgesteld
Voor hergebruik van grond afkomstig uit een zone waarvan geen kwaliteit is vastgesteld geldt hetzelfde als voor hergebruik van grond afkomstig van een verdachte locatie. De grond dient altijd chemisch te worden onderzocht.
5.2.4
Toepassing van grond buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart van de landbodem van Zeeuwsch-Vlaanderen kan door een andere gemeente (buiten het bodembeheergebied van Zeeuwsch-Vlaanderen) worden geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond afkomstig uit één van de zones van deze bodemkwaliteitskaart. In dat geval dient de andere gemeente eerst in een bestuurlijk besluit de bodemkwaliteitskaart in algemene zin te erkennen.
5.2.5
Grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart
Grond of bagger afkomstig van buiten het bodembeheergebied kan binnen het bodembeheergebied worden hergebruikt, voor zover de gemiddelde kwaliteit van de hergebruiksgrond voldoet aan de generieke toepassingseis van de zone waar de grond of bagger wordt toegepast. Dit dient te blijken uit een milieuhygiënische verklaring (partijkeuring of bodemonderzoek), die is opgesteld conform paragraaf 4.3 van de Regeling bodemkwaliteit. De gemeentes Hulst, Sluis en Terneuzen kunnen besluiten om een bodemkwaliteitskaart van buiten het eigen bodembeheergebied te erkennen. In dat geval kan desbetreffende bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring dienen, mits geen sprake is van een uitzonderingslocatie.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
15/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
De gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis erkennen alle andere bodemkwaliteitskaarten binnen de provincie Zeeland, die tot dusverre zijn opgesteld en bestuurlijk worden vastgesteld conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast erkennen de gemeentes Hulst, Sluis en Terneuzen de waterbodemkwaliteitskaart van Zeeuwsch-Vlaanderen (lit. 12). Deze is op 27 juni 2013 vastgesteld door de Algemene Vergadering van Waterschap Scheldestromen, waarbij een openbare voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is gevolgd. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hulst en van de gemeente Sluis kan in de toekomst besluiten om nieuwe bodemkwaliteitskaarten van andere gemeentes of het waterschap erkennen. De gemeente Terneuzen erkent automatisch toekomstige bodemkwaliteitskaarten binnen de provincie Zeeland wanneer deze door een andere gemeente conform het Besluit bodemkwaliteit zijn vastgesteld. Hetzelfde geldt voor een nieuwe waterbodemkwaliteitskaart van het waterschap. Een erkenning van een bodemkwaliteitskaart komt te vervallen zodra de bodemkwaliteitskaart niet meer geldig is in het bodembeheergebied waarvoor die bodemkwaliteitskaart is opgesteld.
5.2.6
Zintuiglijk afwijkende grond
Tijdens de uitvoering van het grondverzet dient de vrijkomende grond zintuigelijk te worden beoordeeld. Indien hierbij afwijkende geuren danwel bodemvreemde bijmengingen zoals puin1, koolas of asbest worden waargenomen, mag de partij grond niet zondermeer worden toegepast. De partij grond moet in depot worden gezet. Door middel van monstername en analyses dient de kwaliteit van de betreffende partij te worden vastgesteld. De grond kan alsnog vrij worden toegepast als de grond na onderzoek blijkt te voldoen aan de toepassingseis zoals die voor de betreffende zone geldt. Voor de Achtergrondwaarde geldt een toetsingsregel, waarbij voor een beperkt aantal stoffen een geringe overschrijding van de Achtergrondwaarde wordt toegestaan. Voor de toetsing van de hergebruiksgrond aan MaxWONEN mag een dergelijke toetsingsregel niet worden toegepast.
5.3
Grondstromenmatrix
In de vereenvoudigde grondstromenmatrix (bijlage 2) zijn de bodemkwaliteitsklasses uit bijlage 4 en 5 enerzijds en de toepassingseisen uit bijlage 6 anderzijds tegen elkaar uitgezet. In de grondstromenmatrix kan worden afgelezen binnen en tussen welke gebieden vrij grondverzet mogelijk is. Vrij grondverzet is in principe alleen mogelijk indien in de grondstromenmatrix op de kruising van de herkomstzone en de bestemmingszone “JA” staat. In dat geval hoeft alleen de controle op uitzonderingslocaties te worden uitgevoerd, zoals omschreven in paragraaf 5.2. Vrij grondverzet betekent, dat de grond zowel binnen dezelfde gemeente als tussen de drie gemeentes vrij toepasbaar is.
1
Incidentele puinbijmengingen worden hiermee niet bedoeld.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
16/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
In andere gevallen dient men door middel van een bodemonderzoek of partijkeuring na te gaan in hoeverre de kwaliteit van de toe te passen grond voldoet aan de generieke toepassingseis (Achtergrondwaarde, MaxWONEN danwel MaxINDUSTRIE). Deze generieke toepassingseis geldt zowel voor de stoffen uit de bodemkwaliteitskaart als voor parameters die niet zijn opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. In het algemeen is vrij grondverzet mogelijk wanneer de grond afkomstig is uit een zone met dezelfde of een schonere bodemkwaliteitsklasse dan de toepassingseis van de zone waar de grond wordt toegepast. De bodemkwaliteitsklasse van de bovengrond (0-0,5 m-mv) is weergegeven in bijlage 4A t/m 4C. De bodemkwaliteitsklasse van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is weergegeven in bijlage 5A t/m 5C. De toepassingseis van de verschillende zones is weergegeven in bijlage 6A t/m 6C. Er is voor de toepassingseis geen onderscheid gemaakt in voornoemde dieptetrajecten. De toepassingseis geldt voor het hele dieptetraject van 0,0 t/m 2,0 m-mv. Vanuit oogpunt van risico’s kan licht verontreinigde grond beter in de ondergrond dan in de bovengrond worden toegepast en verder is het voor de uitvoeringspraktijk praktischer om één norm voor het gehele traject 0-2,0 m-mv te hanteren, in plaats van verschillende normen voor 0-0,5 m-mv en 0,5-2,0 m-mv.
De toepassingseis is gebaseerd op zowel de bodemfunctieklasse als de bodemkwaliteitsklasse van de bovengrond. De strengste van deze twee is daarbij maatgevend. In de meeste zones is de bodemkwaliteitsklasse van de bovengrond tevens de bodemfunctieklasse. In sommige zones voldoet de bodemkwaliteitsklasse echter niet aan de bodemfunctieklasse. Conform het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit is geen vrij grondverzet binnen dezelfde zone mogelijk. Dit geldt voor de zones met de oudste centra (in de bodemkwaliteitskaart aangeduid als zones C2 en C3) en voor de Hertogin Hedwigepolder. Strikt genomen zouden ook particulieren en agrariërs in deze zones geen gebruik mogen maken van de onderaan paragraaf 5.1 beschreven vrijstelling. Voor hergebruik binnen dezelfde zone (zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart) wordt in deze zones de vrijstelling voor deze categorieën wel van toepassing verklaard. Voor het plangebied van het voormalige veerplein Perkpolder alsmede voor de locatie Brugse Vaart in Oostburg geldt gebiedsspecifiek beleid, dat nader wordt toegelicht in hoofdstuk 6. Indien onderzoek is voorgeschreven om na te gaan of de kwaliteit van de gezoneerde hergebruiksgrond voldoet aan de toepassingseis kan men volstaan met een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740.
Daarnaast is in paragraaf 4.3 van de Regeling bodemkwaliteit voor bepaalde types partijkeuringen en bodemonderzoeken vastgelegd dat deze als milieuhygiënische verklaring kunnen dienen. Voor de Zone Kanaalhavens Broomchemie e.o. (in de rapportage van de bodemkwaliteitskaart aangeduid met de letter K) is altijd onderzoek voorgeschreven naar zowel het standaardpakket als naar organochloor- en broomverbindingen. Voor grond die vrijkomt in een zone waarvoor geen kwaliteit is vastgesteld is altijd bodemonderzoek of partijkeuring voorgeschreven. Als toepassingseis voor de zones waarvoor geen kwaliteit is vastgesteld geldt altijd de Achtergrondwaarde.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
17/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
5.4
Hergebruik van grond afkomstig van grotere diepte dan 2,0 m-mv
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de dieptetrajecten 0-0,5 m-mv en 0,5-2,0 m-mv. In aanvulling hierop is in de bodemkwaliteitskaart vastgesteld, dat in de zone A1 ook de ondergrond dieper dan 2,0 mmv voldoet aan de Achtergrondwaarde. Dit betekent, dat ook grond vrij toepasbaar is die in de zone A van dieper dan 2,0 m-mv vrijkomt. Ook voor de overige zones wordt verwacht, dat de diepere ondergrond een vergelijkbare of betere kwaliteit heeft dan de bovenste 2 meter. Wanneer de grond op een onverdachte locatie in het dieptetraject 0,5-2,0 m-mv voldoet aan de Achtergrondwaarde, dan mag worden aangenomen dat ook de grond dieper dan 2,0 m-mv voldoet aan de Achtergrondwaarde. Voor zones waar het dieptetraject 0,5-2,0 m-mv voldoet aan de Achtergrondwaarde geldt, dat grond die op een onverdachte locatie op een grotere diepte dan 2,0 m-mv vrijkomt eveneens aan de Achtergrondwaarde voldoet. De grond is in dat geval eveneens vrij toepasbaar. Hieraan wordt als aanvullende voorwaarde gesteld, dat men zonodig aandacht besteedt aan eventuele hoge chloridegehaltes als gevolg van zout grondwater. Men dient na te gaan, in hoeverre sprake kan zijn van verhoogde chloridegehaltes (bijvoorbeeld op basis van geohydrologische gegevens) en in hoeverre dit bezwaarlijk is voor de toepassingslocatie. Dit dient men nader af te stemmen met het bevoegd gezag.
Als toepassingseis voor grond die op een grotere diepte dan 2,0 m-mv wordt toegepast geldt standaard de Achtergrondwaarde.
5.5
Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Sint Jansteen
De in deze nota bodembeheer gestelde regels voor grondverzet gelden ook voor de provinciale milieubeschermingsgebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden. Voor grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden bevat hoofdstuk 5 van de provinciale milieuverordening (PMV) een aantal bepalingen over het toepassen van grond en bagger: artikel 5.1.3 bevat een zorgplicht op basis waarvan handelingen die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden niet zijn toegestaan; in waterwingebieden mag alleen grond en bagger worden toegepast die aan de Achtergrondwaarde voldoet; in grondwaterbeschermingsgebieden mag grond en bagger worden toegepast die aan de Achtergrondwaarde voldoet, of die aan klasse Wonen voldoet voor zover - de kwaliteit van de ontvangende bodem klasse Wonen of slechter is, of - de grond of bagger afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied; voornoemde beperkingen gelden niet voor het verspreiden van reguliere onderhoudsbagger op aan dezelfde watergang grenzende percelen. In het waterwingebied van Sint Jansteen geldt reeds op grond van het generieke beleid de Achtergrondwaarde als toepassingseis. In een klein deel van het grondwaterbeschermingsgebied geldt volgens het generieke beleid als toepassingseis MaxWONEN. Dit deel ligt in een zone met bodemkwaliteitsklasse Wonen, zodat de PMV de toepassingseis MaxWONEN. toelaat.
1
Lettercodering zoals gehanteerd in de rapportage van de bodemkwaliteitskaart
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
18/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
5.6
Toepassing van zout zeezand
In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat voor het toepassen van zeezand het chloridegehalte maximaal 200 mg/kg ds mag zijn. Er wordt dan gesproken over ontzilt zeezand. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde. Buiten de bekende zoetwatervoorkomens kan zout zeezand dus worden toegepast, als uit lokale veldmetingen van grond- of oppervlaktewater blijkt dat er een chloridegehalte van meer dan 5000 mg/l aanwezig is, zo nodig aangevuld met een effectanalyse van de plaatselijke situatie. In opdracht van de provincie Zeeland is in 2005 een rapport opgesteld (lit. 13) met daarin de geohydrologische aspecten van het toepassen van zout zeezand. In dit rapport wordt beschreven met welke factoren rekening dient te worden gehouden. Het aanbrengen van zout zand mag geen verslechtering opleveren voor de chemische toestand van het grond- of oppervlaktewater.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
19/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
20/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
6
LOKALE MAXIMALE WAARDEN (LMW)
Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op de gemeente Hulst en de gemeente Sluis 6.1
Inleiding
In het Besluit bodemkwaliteit is het beleid voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. De strengste is daarbij (in het generieke beleid) maatgevend. Op grond van lokale omstandigheden kan binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden worden afgeweken van het generieke kader. De gemeenteraad stelt dan ‘Lokale Maximale Waarden’ (LMW) vast. In dat geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van gebiedsspecifiek beleid. De voorwaarden die hiervoor gelden staan vermeld in paragraaf 6.2. De gemeenteraad van Hulst heeft voor een deel van de gemeente LMW vastgesteld. Deze zijn met bijbehorende randvoorwaarden beschreven in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. Bij de eerste vaststelling van de Nota bodembeheer in 2010 zijn LMW vastgelegd voor het plangebied van het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst (paragraaf 6.3.1). Inmiddels is de ophoging van het voormalig veerplein voltooid. De LMW blijven van kracht voor incidenteel grondverzet in dit gebied.
{…] gereserveerd voor paragraaf gemeente Hulst
Bij de 3e herziening van de Nota bodembeheer in 2019 zijn verder LMW vastgesteld voor de volgende locatie in de gemeente Sluis: Brugse Vaart (uitbreiding golfbaan) Op deze locatie vindt toepassing van grond plaats die eerder ten onrechte werd aangemerkt als een grootschalige bodemtoepassing (GBT).
Bij de keuze van de LMW is rekening gehouden met welke stoffen regelmatig in verhoogde gehalten voorkomen. Uit oogpunt van praktische uitvoerbaarheid is aangesloten bij de klassegrenzen van de maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) en de maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE). De LMW gelden voor zowel grond als bagger. Op de LMW wordt de gangbare bodemtypecorrectie toegepast zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
21/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
6.2
Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid
Een besluit van de gemeenteraad om gebiedsspecifiek beleid te voeren bevat volgens artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit1: Een bodemkwaliteitskaart (inclusief begrenzing van het bodembeheergebied en de kwaliteit van de bodem) en een kaart met de functies van de bodem; De Lokale Maximale Waarden (LMW); Een motivering aan de hand van de LMW in relatie tot de kwaliteit van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en een beschrijving van de gevolgen voor de bodemkwaliteit in het beheergebied. Laatstgenoemde beschrijving vindt plaats met behulp van de risicotoolbox. Overige voorwaarden: Er wordt uitgegaan van standstill op het niveau van een bodembeheergebied. Met andere woorden: in de Nota bodembeheer wordt het herkomstgebied van grond en bagger vastgelegd waarvoor de LMW gelden. Het Besluit bodemkwaliteit definieert een bodembeheergebied als: een aaneengesloten door de gemeente afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten. Hogere LMW dan de generieke toepassingsnormen gelden dus alleen voor grond en bagger die afkomstig is uit het herkomstgebied dat is vastgesteld als bodembeheergebied; Het besluit om gebiedsspecifiek beleid te voeren wordt voorbereid conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Binnen 10 jaar wordt overwogen of het besluit tot gebiedsspecifiek beleid aanpassing behoeft.
1
Naast genoemde punten kan worden gekozen voor een afwijkend percentage bodemvreemde bijmengingen ten opzichte van het algemene percentage uit het Besluit bodemkwaliteit. De gemeenten in Zeeuwsch-Vlaanderen hanteren het in de landelijke regelgeving vastgelegde percentage.
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
22/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
6.3
Vastlegging LMW per gebied (gemeente Hulst)
Onderstaande tabellen bevatten een overzicht van de LMW per gebied en de bijbehorende randvoorwaarden. Generieke toepassingsnormen per gebied: Gebied vm. veerplein Perkpolder Generieke Achtergrondtoepassingsnorm waarde Lokale maximale waarden (LMW) per gebied: Gebied vm. veerplein Perkpolder Stof Lokale Maximale Waarden (LMW) Arseen MaxWONEN Cadmium MaxWONEN Chroom MaxWONEN Koper MaxWONEN Kwik MaxWONEN Lood MaxWONEN Nikkel MaxWONEN Zink MaxWONEN Kobalt Achtergrondwaarde Molybdeen MaxWONEN PAK (som 10) MaxWONEN Minerale olie MaxWONEN PCB (som 7) MaxWONEN (*) Voor deze LMW gelden aanvullende randvoorwaarden (zie onderstaande tabel).
Nota bodembeheer landbodem Zeeuwsch-Vlaanderen
23/35
3e herziening, CONCEPT5A 20 februari 2019
Randvoorwaarden waarbinnen de LMW gelden: Gebied vm. veerplein Perkpolder Herkomstgebied ZeeuwschVlaanderen Dieptetraject Hele ophooglaag Aanvullende voorwaarden
Risicotoolbox Eén van de voorwaarden voor het vaststellen van LMW is, dat de gevolgen van deze waarden worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox (www.risicotoolbox.nl). Dit landelijke instrument is ontwikkeld om te bepalen welke risico’s de LMW met zich mee brengen bij een bepaald terreingebruik. De risicotoolbox maakt daarbij onderscheid in ecologische risico’s, humane risico’s en landbouwrisico’s1. Afhankelijk van de uitkomst van de risicotoolbox blijft de bodem al of niet “duurzaam geschikt” voor het desbetreffende terreingebruik. Ter verantwoording van de LMW uit dit hoofdstuk is de risicotoolbox toegepast. De resultaten hiervan zijn beschreven in bijlage 7, inclusief een uitgebreidere toelichting op wat de risicotoolbox inhoudt.