06 260513 Klachtbrief inz. dossier vm. Euregiotuinen
Tekst van het document
In deze zin is er ruimtelijk sprake van een ondergeschiktheid van verblijfsrecreatie.” ▪ “In geval de evenementen achterblijven en het groepskamperen in het hiervoor gereserveerde gebied dominant wordt, komt in ruimtelijke zin in dit gebied de nadruk meer op verblijfsrecreatie te liggen.” En zelfs die laatste conclusie was voor de gemeente geen aanleiding om nog eens uitdrukkelijk stil te staan bij de uitgangspunten van de Prijsvraag.
9
Bijlage VIII – Advies van Van Nuland & Partners d.d. 25 juni 2022
17
Het feit dat pas in 2022 over dit onderwerp advies is ingewonnen bevestigt overigens ons standpunt dat de ambtelijke werkgroep – en dus ook het college van B&W – in 2017 volledig voorbij is gegaan aan de toetsing van het winnende plan aan de (sub-)criteria “kleinschalig”, “onderscheidend” en “nevenactiviteit”.
De in 2022 gemaakte keuze om een RECRON TOP-adviseur opdracht te verstrekken voor het aanleveren van een advies valt wat ons betreft bovendien in de categorie “slager die het eigen vlees keurt”. Waar de planologische relevantie van de vraagstelling door de adviseur wordt vertaald in een simpele, doch volstrekt irrelevante oppervlakteberekening, had het meer voor de hand gelegen om die vraag voor te leggen aan een jurist omgevingsrecht. In dat verband wijzen wij er nadrukkelijk op dat de betreffende vraag ook simpel kan worden beantwoord door gericht te zoeken in de Uitspraken van de Raad van State. Wij vonden bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2017 (201604017/3/R!) van de Afdeling Bestuursrechtspraak, waarin o.a. wordt gesteld, dat “...de betreffende ondergeschikte nevenactiviteit uitsluitend is toegestaan, indien deze activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de ingevolge dit plan toegestane hoofdfunctie”. Het betreffende RECRON TOP-advies stelt feitelijk vast dat in functioneel en inkomenswervend opzicht juist de verblijfsrecreatie als hoofdfunctie moet worden beschouwd, maar die conclusie is kennelijk op bestuurlijk niveau (B&W, Raad) niet getrokken in relatie tot het bestemmingsplan, laat staan openlijk en uitdrukkelijk in verband gebracht met de uitgangspunten van de Prijsvraag.
Het college van B&W (2022) heeft de Raad naar onze mening in ieder geval niet alleen onvoldoende, maar ook onjuist geïnformeerd omtrent dit planologische vraagstuk. De B&W-conclusie “Op basis van dit advies kan geconcludeerd worden dat er in ruimtelijke zin sprake is van ondergeschiktheid van verblijfsrecreatie.” wordt feitelijk immers niet gedekt door de inhoud van het ingewonnen advies. In het kader van de benodigde transparantie zal de gemeente de bewuste keuze moeten kunnen uitleggen voor juist een adviseur uit de recreatiebranche in plaats van een opdrachtverstrekking aan een jurist omgevingsrecht. Wij gaan er vooralsnog van uit dat er hiervoor geen logische c.q. planologisch verantwoorde verklaring kan worden gegeven en dat het betreffende advies feitelijk is gebruikt om ‘s raads medewerking te verkrijgen, zonder al te veel discussie over het aspect “nevenactiviteit”.
20. Onvoldoende “match” tussen uitgangspunten Prijsvraag en bestemmingsplan. In relatie tot de uitgangspunten van de Prijsvraag zijn er wat ons betreft meerdere opmerkingen te maken met betrekking tot de bestemmingsplanprocedure, zoals: het feit dat de aanvankelijke transparantie / participatie vanuit het gemeentehuis richting omwonenden als sneeuw voor de zon verdween toen sprake werd van de Prijsvraag; het gegeven dat uit het bestemmingsplan Regiopark Oostburg qua bouw- en gebruiksregels allesbehalve naar voren komt dat sprake zal zijn van kleinschalige verblijfsrecreatie als ondergeschikte nevenactiviteit van een andere hoofdactiviteit. het gegeven dat aan de nieuwe bestemming – nota bene – een separate woonbestemming voor één woning is toegevoegd, zonder dat sprake moet zijn van een relatie tot de nieuwe bedrijfsvoering. In de gemeentelijke bekendmaking van de Prijsvraagvoorwaarden werd woningbouw uitgesloten. Zoals ook uit het Relaas (pagina 7/23) blijkt werd daarbij uitdrukkelijk gesteld: “Wel kan maximaal 1 (bedrijfs-)woning worden toegestaan, behorend bij de hoofdfunctie van de nieuwe invulling.” Ondanks die geboden mogelijkheid moet in planologisch opzicht toch vraagtekens worden gezet bij de wijze waarop daaraan in het bestemmingsplan inhoud is gegeven.
Een zuivere woonbestemming zou in onze optiek slechts voor de hand hebben gelegen, ingeval een particulier een bod zou hebben neergelegd om de locatie grotendeels als tuin/groenpark in stand te houden, zonder daaraan een
18 commercieel plan ten grondslag te leggen. Nu de “nieuwe invulling” een bedrijfsmatige invulling betreft dient op grond van de uitgangspunten slechts sprake te zijn van een bedrijfswoning. Door het toevoegen van een afzonderlijke, zuivere woonbestemming is dus niet alleen afgeweken van de deelnamevoorwaarden, maar wordt de winnaar feitelijk rechtstreeks bevoordeeld. Immers, dat bouwperceel vertegenwoordigt een extra waarde, waarmee de door de winnaar aan de gemeente verschuldigde koopsom voor een substantieel deel wordt gecompenseerd. In het raadsvoorstel noch in de Toelichting wordt deze woonbestemming nader toegelicht. Daarmee werd wederom een mogelijke discussie bewust omzeild.
Wij verzoeken u ons aan te geven hoe de bouwkavel in de contracten tussen de gemeente en de winnaar is geregeld en waarom die woonbestemming als zodanig is opgenomen in het bestemmingsplan.
Wij hebben voorts begrepen dat de verkeerssituatie ter plaatse van de uitrit van de locatie op de Nieuwstraat om veiligheidsredenen dient te worden aangepast.
Wij verzoeken u ons aan te geven of, en zo ja, in welke mate de daaraan verbonden kosten worden doorberekend aan de winnaar.
De antwoorden op deze vragen zijn naar onze mening essentieel omdat de Prijsvraag er van uitging dat elk plan zichzelf moest bedruipen. Indien uit uw beantwoording blijkt dat inderdaad sprake is van enige vorm van subsidiëring, dient naar onze mening de uitslag van de Prijsvraag alleen al op basis van dat gegeven ongeldig te worden verklaard.
Los van de vraag of de genoemde vrije bouwkavel al dan niet tegen een meerprijs door de winnaar wordt verkregen had dit vooraf aan alle deelnemers bekend moeten zijn gemaakt. Bij een aanbesteding behoort het speelveld immers voor alle deelnemers hetzelfde te zijn. Ingeval de rechter tijdig door één of meerdere verliezende deelnemers zou zijn ingeschakeld, zou deze aanbesteding hoogstwaarschijnlijk ook zijn gebeurd. De vrees voor een rechterlijke inmenging is in het dossier overigens zeker aanwezig (geweest). Wij wijzen u in dat verband nogmaals op de tekst van de “subjectiviteits-disclaimer” waarin uitdrukkelijk met een juridische procedure rekening werdgehouden, alsmede op de aanvankelijk uiterst beperkte transparantie rondom de Prijsvraag. Dat laatste vormde immers voor de verliezende deelnemers een belangrijke drempel om de rechter kort na de Prijsvraag (en dus tijdig) in te schakelen. Bovendien geldt voor ondergetekenden als verliezende deelnemers, dat wij – separaat van elkaar – ons verlies al lang en breed hadden genomen, maar vervolgens werden geconfronteerd met het gerucht dat de winnaar al vooraf bekend zou zijn geweest. Een confrontatie, die uiteindelijk zorgde voor vraag- en uitroeptekens, die alleen maar groter werden.
21. Resultaten gekozen werkwijze vormen geen rechtvaardiging voor vaststelling bestemmingsplan. Het evidente gebrek aan transparantie omtrent de beoordeling van de ingediende plannen enerzijds en anderzijds het gegeven dat het het college van B&W nog zelfs in het januari 2026-besluit – ten onrechte ! – weigert om de risico-paragraaf uit het ambtelijk advies van 29 februari 2016 niet openbaar te maken, wijzen op een op verkeerde gronden behoedzaam opererende overheid. Uit de aard van privaatrechtelijk en publikerechtelijk optreden van een (gemeentelijke) overheid vloeit voort, dat die overheid uitdrukkelijk rekening dient te houden met rechtsmiddelen en waar nodig uitdrukkelijk mogelijkheden dient te vermelden om overheidsbesluiten aan de rechter voor te leggen. Met andere woorden: het risico m.b.t. het instellen van bezwaar, beroep en het inschakelen van de rechter is zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau dagelijkse kost en een wezenlijk onderdeel van het functioneren van een overheid.
Het betitelen van een “risicoparagraaf” als een niet voor de openbaarheid bestemde, ambtelijke beleidsvisie (zoals het college van B&W in het besluit van 15 januari 2026 feitelijk heeft gedaan), getuigt dan ook allesbehalve van een overheid die bestuurlijk/maatschappelijk op een verantwoorde manier bezig is met termen als “openheid”, “fair play” en “behoorlijk bestuur”.
19 Samenvattend stellen wij op basis van hetgeen in deze klachtbrief naar voren is gebracht, dat: de Prijsvraag niet op een juiste manier is georganiseerd, aangezien vooraf geen jury is vastgesteld en geen publicate heeft plaatsgevonden van de in de beoordeling te betrekken objectieve, toetsbare en redelijke criteria c.q. de daarbij behorende scores; met betrekking tot (de uitslag van) de Prijsvraag niet de nodige transparantie is betracht; de uitgevoerde beoordeling duidelijke sporen vertoont van een onaanvaardbare mate van subjectiviteit, waardoor de uiteindelijke winnaar evident een bepaalde voorkeursbehandeling heeft verkregen, omdat (o.a.): ◦ diens plan niet uitdrukkelijk is getoetst aan de beperkende deelnamevoorwaarde m.b.t.
verblijfsrecreatie als onderscheidende, ondergeschikte nevenactiviteit; ◦ het bestemmingsplan is vastgesteld mede aan de hand van een volstrekt ontoereikend en subjectief extern advies met betrekking tot de vraag of de voorgestelde verblijfsfrecreatieve activiteiten ondergeschikt zijn aan de overige activiteiten; ◦ in strijd met de eigen beoordelingscriteria het “bewezen ondernemerschap’ van de winnaar uitdrukkelijk in de beoordeling is betrokken, waaraan bovendien het “laag afbreukrisico” is verbonden om de raad mee te krijgen; ◦ zijn plan evident is gesubsidieerd door middel van het onterecht vestigen van een zelfstandige woonbestemming op de door hem te verwerven locatie; Deze samenvatting roept de – wat ons betreft door het college van B&W en de Raad te beantwoorden – vraag op of de gemeente Sluis de uitslag van de Prijsvraag èn de daarop gebaseerde vaststelling van het bestemmingsplan Regiopark Oostburg op basis van de thans voorgelegde reeks van vragen, vaststellingen en opmerkingen thans nog kan rechtvaardigen. Die laatste vraag staat overigens wat ons betreft los van de vraag of het bestemmngsplan Regiopark Oostburg binnenkort al dan niet onherroepelijk wordt.
Want in afwachting van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot de ingestelde beroepen tegen de vaststelling van het bestemmingsplan Regiopark Oostburg heeft de grondtransactie tussen de gemeente Sluis en de winnaar van de Prijsvraag tot op heden nog geen uitvoering verkregen. BIj uitspraak nr. 202400889/4/R1 van de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 23 juli 2024 is het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan RegioPark Oostburg immers geschorst naar aanleiding van een ingediend verzoek om voorlopige voorziening. Die schorsing is uitgesproken omdat de initiatiefnemer op 18 juli 2024 heeft laten weten dat hij niet zal beginnen met werkzaamheden voordat het bestemmingslan onherroepelijk is. Daarmee geeft de winnaar - begrijpelijk – aan dat hij onder de gegeven mstandigheden geen haast heeft, ook niet met de betaling van de overeengekomen koopsom voor de locatie, voorafgaand aan de notariële levering. Die afwachtende houding die ook door de gemeente moest worden aangenomen, werd op een bepaald moment wel degelijk door het college van B&W doorbroken. Wij lichten dat verder toe.
Op vrijdag 12 juli 2024 vond de zitting plaats van de Rechtbank te Middelurg naar aanleiding van het door GroEnergie ingesteld beroep tegen het Besluit op Bezwaarschrift in de eerder genoemde Woo-procedure . Desgevraagd gaf de gemeentelijke vertegenwoordiger tijdens de zitting aan dat hij direct na het weekend enkele nog ontbrekende stukken aan de rechtbank zou toesturen. De rechter deelde partijen vervolgens mee dat hij er naar zou streven om binnen 6 weken na de ontvangst van die laatste stukken tot een uitspraak te komen. GroEnergie werd vervolgens 5 dagen later (!) geconfronteerd met een openbare kennisgeving van de gemeente Sluis d.d. woensdag 17 juli 2024 betreffende de levering van het object Nieuwstraat 87a te Oostburg op basis van de op 14 mei 2022 tussen de gemeente en de winnaar (Regiopark Oostburg B.V.) tot stand gekomen koopovereenkomst m.b.t. de aan voormeld adres gelegen gronden, plaatselijk bekend als het complex van en rondom de voormalige “Euregiotuinen” met een totale oppervlakte van 129.630 m2. Uit de tekst van die in het Zeeuws-Vlaams Advertentieblad verschenen publicatie bleek toen dat de gemeente Sluis refereerde aan het (zgn. Didam-)arrest van de Hoge Raad d.d.
26 november 2021, waarin werd geoordeeld “…dat een overheidslichaam dat een onroerende zaak wil verkopen, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar die onroerende zaak, indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn.” Dit houdt - zo stelt de
20 gemeente - in “…dat het overheidslichaam de koper moet selecteren aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. Die verplichting vloeit voort uit het gelijkheidsbeginsel, dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen.” De publicatie richt zich op de mogelijkheid om binnen een termijn van 21 kalenderdagen tegen de voorgenomen notariële levering van het object te ageren door een kort geding aanhangig te maken. Voor de goede orde merken wij op, dat dit dus niets zegt over de totstandkoming van de koopovereenkomst of de uitslag van de Prijsvraag. Aangezien GroEnergie inmiddels geen belang meer had in de levering van het object en ondergetekenden bovendien nog niet beschikten over alle relevante gegevens is toen geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid
22. Weloverwogen, maar volstrekt onnodige gemeentelijke “haast” met Didam-publicatie. Ons vraagteken op dit punt betreft de onnodige, plotse gemeentelijke haast, oftewel het tijdstip van de betreffende publicatie. Aangezien de zitting in het kader van de Woo-procedure op vrijdag 12 juli 2024 plaatsvond (dus 5 dagen vóór de publicatie) en de rechter tijdens die zitting aangaf binnen 6 à 7 weken uitspraak te zullen doen, kan GroEnergie Groep zich niet aan de indruk onttrekken dat het college “...die termijn niet heeft willen afwachten en dus naar aanleiding van die zitting weloverwogen is besloten om direct over te gaan tot genoemde publicatie, nota bene midden in de vakantieperiode!”.
Waar uiteraard begrip kan worden opgebracht voor het gegeven dat het college B&W kennelijk duidelijkheid wenste te verkrijgen met betrekking tot de vraag of er zich nog juridische problemen zouden kunnen aandienen aangaande de voorgenomen levering, geeft deze haastactie ons in ieder geval de indruk dat er bewust voor gekozen is om ons nog vóór de uitspraak van de rechter in de Woo-kwestie te dwingen om duidelijkheid te verschaffen over een eventuele kort geding-procedure.
Met het bovenstaande menen wij in ieder geval te hebben aangetoond dat de winnaar van de Prijsvraag op onjuiste gronden is verkozen en dat er (waarschijnlijk daarom) door de gemeente Sluis een onvoldoende mate van transparantie is betracht. Naar onze mening geven de in deze brief geplaatste “vraag- en uitroeptekens” in ieder geval blijk van een onprofessionele manier waarop de Prijsvraag is uitgeschreven en waarop de beoordeling van de ingediende plannen heeft plaatsgevonden. Met als resultaat dat er ruim voldoende aanleiding lijkt te zijn voor de veronderstelling dat het gerucht als zou “de winnaar van te voren bekend zijn geweest” op waarheid berust. In dat verband willen wij thans ingaan op de aanloop naar de Prijsvraag, naar de periode vanaf 2014. H. INTENTIEOVEREENKOMST (2014-2015) Ondergetekende Faes – geboren en getogen in Waterlandkerkje – was in 2014 al exploitant van de in 1928 door Anton Philps als werkverschaffingsproject opgerichte Philips Fruittuin te Eindhoven, dat een educatieve en dagrecreatieve functie verkreeg. Het complex, dat inmiddels bestaat uit 12 ha boomgaard met een Landwinkel, een Pannenkoekenhuis en een PIT-vergadercomplex, is gelegen in de groene noordwestelijke hoek van Eindhoven, de Herdgang.
Het bedrijf is onder leiding van en samen met de heer Frits Philips opgebouwd door Carlos en Anneke Faes, die vervolgens het bedrijf in 1995 mochten overnemen en het bedrijf sindsdien voor eigen rekening en risico exploiteren. In 2013 komt Faes in gesprek met wethouder Almekinders (VVD) over het realiseren van een soortgelijke voorziening op de locatie van de vm. Euregiotuinen. Begin maart 2014 besluit het college van B&W nog juist voor de gemeenteraadsverkiezingen om daartoe met Faes een Intentie-overeenkomst aan te gaan. De ondertekening van de IOVK vindt pas enkele maanden na het besluit van maart 2014 plaats en dan is inmiddels sprake van een nieuw college van B&W. Het dossier Euregiotuinen maakt vanaf dat moment onderdeel uit van de portefeuille van wethouder Van de Vijver (Nieuw Gemeentebelang). In de Intentieovereenkomst (hierna: “IOVK”) worden procedurele afspraken vastgelegd omtrent de door Faes beoogde herontwikkeling van de locatie. De bedoelingen van partijen zijn bij het aangaan van die IOVK duidelijk. Uiterlijk eind 2015 moet er tussen partijen duidelijkheid bestaan over de eigendomssituatie van het betreffende vastgoed, in de vorm van een koopovereenkomst en een huurovereenkomst. In de IOVK wordt met betrekking tot het Rabobank-deel van de locatie voorzien dat dat vastgoed door middel van een zgn.
ABC-akte door de Rabo (A) via de gemeente (B) aan Faes (C) zal worden verkocht. Tevens wordt uiteraard geregeld, dat de beoogde herbestemming – mits de gemeenteraad bereid is daarvoor planologische medewerking te verlenen – geheel voor rekening van Faes zal komen, inclusief de kosten van de vereiste bestemmingsplanherziening.
21 De onderhandelingen worden vervolgens gestart op basis van een door de gemeente ingewonnen taxatierapport met betrekking tot de dan actuele marktwaarde. Faes organiseert in september 2014 een presentatie op locatie, waarvoor hij niet alleen ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordigers van de gemeente Sluis uitnodigt, maar ook – met het oog op kruisbestuiving en/of potentiële samenwerkingen – een aantal ondernemers uit de streek, waaronder de latere winnaar van de Prijsvraag. De maand september 2014 levert Faes een aantal inzichten op: de latere winnaar heeft tijdens de door Faes georganiseerde presentatie op locatie een vrij lang gesprek met wethouder Ploegaert (CDA); het CDA ontbreekt als enige raadsfractie tijdens genoemde presentatie; Faes wordt nog tijdens die bijeenkomst gewaarschuwd voor “kapers op de kust”; het CDA stemt op 24 september 2014 als enige raadsfractie tegen een voorstel inzake het voteren van het benodigde krediet voor de aankoop van de Rabo-grond en geeft daarmee duidelijk aan het initiatief dan wel de betreffende initiatiefnemer niet te ondersteunen. I. VASTLIGGENDE INTENTIES, VERMINDERD ENTHOUSIASME Tijdens de verdere looptijd van de IOVK wordt Faes bovendien geconfronteerd met een duidelijk verminderd enthousiasme aan de zijde van de gemeente Sluis, zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau.
Dat vertaalt zich met name in de laatste twee kwartalen van 2015 (richting einde looprijd IOVK) met name in: a) vertraging en vervuiling door de gemeente van de lopende onderhandelingen; b) gemeentelijk handelen in strijd met de IOVK; c) evidente onwil om met Faes tot zaken te komen. Deze aspecten worden hieronder nader toegelicht. a. Vertraging en vervuiling van lopende onderhandelingen In de tweede helft van 2015 wordt Faes geconfronteerd met een doelbewuste vertragingstactiek van de gemeente. Zo wordt zijn brief van. 28 juli 2015 pas na 4 maanden (!) beantwoord, met het einde van de looptijd van de IOVK in zicht. In een (te) laat stadium van de onderhandelingen presenteert de gemeente bovendien een in haar opdracht opgesteld (tweede) taxatierapport (Kindt & Biesbroeck d.d. 7 oktober 2015), op basis waarvan de gemeente vervolgens de onderhandelingen voortzet. Waar het eerste taxatierapport – op basis waarvan tot dan toe is onderhandeld ! – de toen actuele marktwaarde van het onroerend goed betrof, wordt in het tweede taxatierapport een andere grondslag gebruikt. Die hogere taxatie betreft namelijk de marktwaarde nà herontwikkeling, dus overeenkomstig de toekomstige, door Faes gewenste situatie. Faes ervaart die handelwijze als een strategische zet om de slepende onderhandelingen onder druk te zetten.
23. Inbreng tweede taxatierapport uiterst dubieus. Het is immers – gelet op het uitgangspunt dat Faes als koper het risico en de kosten van de herbestemming draagt – volstrekt onlogisch om een taxatierapport te gebruiken dat uitgaat van een waarde nà herbestemming, laat staan om zo’n taxatie op een “twee voor twaalf”-moment in te brengen. De gemeente Sluis heeft voor die koerswijziging bovendien geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Aangezien van een gemeente consistent, zorgvuldig en transparant handelen mag worden verwacht, staat die handelwijze op uiterst gespannen voet met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fairplay-beginsel. Bovendien ging de gemeente met het inbrengen van dat tweede taxatierapport voorbij aan het feit, dat reeds overeenstemming met Faes was bereikt voor wat betreft de huursom, hetgeen hierna onder “J. Achterhouden van informatie” zal worden toegelicht. Het heeft er daarmee alle schijn van, dat bewust is aangestuurd op het ondergraven van de lopende onderhandelingen met Faes, in plaats van gezamenlijk de eerder vastgelegde intenties na te streven. Dit roept de vraag op in hoeverre dit handelen / nalaten achteraf dient te worden beoordeeld en welke consequenties aan die beoordeling zouden moeten worden verbonden.
b.
Gemeentelijk handelen in strijd met de IOVK
22 De stroevere samenwerking met de gemeente geeft Faes meermalen aanleiding om het college uitdrukkelijk te vragen om – voor zover sprake zou zijn van een verminderde enthousiasme voor zijn plannen – dat toch vooral uit te spreken, zodat partijen die IOVK dan op een zakelijke wijze zouden kunnen beëindigen. Steevast is het bestuurlijke antwoord dat er “gewoon” wordt gewerkt aan de nakoming van de IOVK, terwijl de ambtelijke contactpersoon van Faes al in 2014 te kennen geeft dat “er andere dingen spelen”. Faes’ vermoedens dat de gemeente met een alternatieve invulling van de locatie bezig is wordt in november 2015 feitelijk bevestigd tijdens een telefoongesprek met de toenmalige burgemeester (mevr. mr. A.A.M. Jetten MSc), waarin zij een “wild guess” van Faes (“Klopt het dat de locatie Euregiotuinen is of wordt aangewezen als een mogelijke AZClocatie ?”) feitelijk zelf bevestigt (en daarmee de zelf-opgelegde geheimhouding schendt). Dit ligt vast in een door de politie te Eindhoven – nota bene op verzoek van de burgemeester – opgesteld proces-verbaal d.d. 30 november 2015.10
24. Het gemeentelijke nastreven van alternatieve herbestemming was in strijd met de IOVK. Daarmee staat vast dat de gemeente Sluis inmiddels – ondanks de nog lopende IOVK – bezig was met tenminste één alternatieve invulling van de locatie. Overigens is het ons bekend dat er tijdens de looptijd van IOVK – dus in de periode maart 2014 tot en met december 2015 – sprake is geweest van een vertrouwelijke raadsinformatiebrief met betrekking tot de mogelijke vestiging van een AZC op het terrein van de vm. Euregiotuinen. Het is maar de vraag in hoeverre die brief ca. 11-12 jaar na dato nog vertrouwelijk dient te blijven, maar het zou wat ons betreft passend zijn om status èn inhoud van die brief te betrekken in de beoordeling van deze klachtbrief. Niet onvermeld dient te blijven dat Faes op grond van zijn gaandweg in die IOVK-periode opgedane ervaringen het toenmalige college meermalen heeft gevraagd of er nog voloende basis was om de afgesproken intenties na te streven. Op die vragen werd steevast een bevestigend antwoord gegeven !
Dit roept de vraag op met welke beweegredenen het toenmalige college dat AZC-alternatief (en wellicht andere) toen in overweging heeft genomen en in hoeverre dat de reden is geweest of welke andere redenen dat zijn geweest om de onderhandelingen met Faes niet naar behoren af te ronden.
c. Evidente onwil om met Faes tot zaken te komen Nadat de gemeente Sluis in de brief van 11 december 2015 heeft gewezen op het feit dat er wèl overeenstemming is bereikt over de koopprijs van de percelen T 1001, T 1412 (ged.) en T 1489, maar nog niet over “een huurprijs dan wel verkoopprijs ter zake van het perceel T 1000”, kiest Faes tegen het einde van de looptijd van de IOVK dan toch eieren voor z’n geld. In de door zijn accountant verzonden brief van 14 december 2015 11 aanvaardt Faes het gemeentelijk voorstel met betrekking tot het perceel T 1000 en wordt verzochtj de gemeente “het betreffende akkoord te bevestigen”, zodat de notaris kan worden ingeschakeld voor het paseren van de akte op korte termijn. Het betreffende akkoord wordt weliswaar in de gemeentelijke brief van 29 december 2015 bevestigd, maar in die brief stelt de gemeente Sluis zich op het standpunt dat er nog geen algehele overeenstemming is bereikt, aangezien overeesntemming over essentiéle punten uit de IOVK zou ontbreken. Dat betreft dan de voorwaarden waaronder de huur- en koopoverenkomst gesloten worden. Anders dan de hiervoor onderstreepte woorden “dan wel” aangeven, heeft de gemeente voor ogen, dat er ook nog overenstemming moet worden bereikt over een gegarandeerde verkoop ( aan Feas) van het perceel T 1000 binnen uiterlijk 5 jaar tegen en vooraf vastgestelde koopprijs.
Met het stellen van die nadere voorwaarde legt het toenmalige college van B&W volgens Faes een bom onder de IOVK, nu er nadere voorwaarden worden gesteld, terwijl er – door het akkoord van Faes d.d. 14 december 2015 – reeds overeenstemming is bereikt. Overigens zou later blijken dat de gemeente al eerder van mening was dat er met betrekking tot de huur overeenstemming was bereikt . Wij verwijzen naar de aanleiding tot punt 26. Bij brief van 30 december 2015 laat de advcaat van Faes de gemeente weten dat in de optiek van Faes reeds sprake was van een algehele en bindende overeenstemming en dat hij derhalve niet bereid is om verder te onderhandelen over nadere voorwaarden van de zijde van de gemeente. Wethouder Van de Vijver meldt vervolgens op 13 januari 2016 in de Commissie Ruimte dat er geen overeenstemming is bereikt met de initiatiefnemer.
10 11
Bijlage IX – Proces-verbaal d.d. 30-11-2015 Bijlage X – Brief ABAB namens Faes aan B&W d.d. 14-12-2015 inzake aanvaarding gemeentelijke vraagprijzen
23 Diezelfde wethouder zou later te kennen geven dat “het college voor zekerheid heeft gekozen”, hetgeen feitelijk neerkomt op een verklaring dat de Prijsvraag alleen maar voor de bühne is georganiseerd, waarmee bovendien de verliezende deelnemers aan de Prijsvraag worden weggezet als noodzakelijke vertolkers van de bijrollen.
25. “Zekerheid” was geen beoordelingscriterium voor de Prijsvraag Door te melden dat “het college voor zekerheid heeft gekozen” heeft wethouder Van de Vijver feitelijk verklaard dat de Prijsvraag alleen maar “voor de bühne” is georganiseerd. Niet alleen omdat de mate van zekerheid niet als criterium gold voor de Prijsvraag, maar ook omdat die zekerheid niet op objectieve gegevens is gebaseerd, maar op subjectieve wijze is gekoppeld aan de persoon van de winnende deelnemer aan de Prijsvraag. Door op de in deze brief aangetoonde manier bewust te kiezen voor die winnaar is die niet alleen bevoordeeld, maar zijn per definitie alle verliezende deelnemers ernstig benadeeld. Ongeacht of die gemeentelijke keuze vóór of na het uitschrijven van de Prijsvraag is gemaakt, dient te worden vastgesteld, dat de deelname van alle verliezende partijen feitelijk onder de noemer “voor spek en bonen” dient te worden geplaatst. Dit roept de vraag op of, en zo ja hoe voormalig wethouder Van de Vijver het gemeentelijk handelen c.q. nalaten van haarzelf als portefeuillehouder c.q. van de resp. colleges van B&W in beide perioden / situaties kan verklaren.
J. ACHTERHOUDEN VAN INFORMATIE De eerlijkheid gebiedt ons aan te geven dat Faes die gang van zaken aan de kaak heeft gesteld door twee rechtszaken tegen de gemeente aan te spannen, maar dat hij daarin in het ongelijk gesteld omdat niet voldoende aantoonbaar kon worden gemaakt dat de onderhandelingen wel degelijk al tot een belangrijke mate van overeenstemming hadden geleid. Daarmee lijkt dan die juridische kwestie uit de wereld, maar in het kader van deze klachtbrief past het toch om alsnog vraagtekens te stellen bij die gang van zaken, temeer omdat Faes inmiddels – sinds eind oktober 2023 – beschikt over een kopie van de raadsinformatiebrief d.d. 23 september 2014, kenmerk 1346612, waarin het college op basis van een eerder door wethouder Van de Vijver gedane toezegging enige aanvullende informatie geeft over de stand van zaken in de onderhandelingen met Faes. Die brief ondersteunt het eerdere raadsvoorstel inzake het voteren van het benodigde krediet voor de aankoop van de Rabo-grond, dat op 24 september 2014 in de raad aan de orde komt. In die brief wordt letterlijk gesteld (weergave vet door ondergetekenden): “...Ondanks dat in de plannen van Faes dus wel een aanleiding voor het voorstel ligt, doet u donderdag geen uitspraak over de plannen van Faes zelf, maar puur over de aankoop van de locatie.
Mocht het plan van de familie Faes onverhoopt toch niet van de grond komen of tussentijds beëindigd worden, dan nog heeft de gemeente een strategische locatie met veel potentie in eigendom verworven tegen een schappelijke prijs. Ten aanzien van de verhuur van de gronden hebben wij al overeenstemming bereikt met de familie Faes, maar nog niet ten aanzien van het gebouw met onder- en aanliggende grond. Momenteel worden die onderhandelingen gevoerd.” Het valt niet te ontkennen dat genoemde brief – waarin duidelijk wordt aangegeven dat in september 2014 reeds een belangrijke mate van overeenstemming tussen partijen was bereikt – heeft bijgedragen tot ‘s raads instemming met gevraagde kredietvotering, zij het – zoals eerder vermeld – met de CDA-fractieleden als enige tegenstemmers. Maar die gemeentelijke stelling d.d. september 2014 dat er ten aanzien van de verhuur van de gronden al overeenstemming was bereikt met de familie Faes, vomde voor de gemeente echter geen beletsel om die overeenstemming éénzijdig open te breken door het introduceren van het – eerdergenoemde – tweede taxatierapport. Daar komt bij dat Faes die bereikte overeenstemming voor de rechtbank niet kon bewijzen, o.a. doordat hij toen niet op de hoogte was van het bestaan en de inhoud van de raadsinformatiebrief d.d. 23 september 2014, kenmerk 13466. Maar dat is – achteraf – eigenlijk bijzaak.
26. Achterhouden van informatie geen aanleiding voor kritiek op eigen handelen/nalaten gemeente. In het kader van deze klachtbrief past het namelijk achteraf wèl om er uitdrukkelijk op te wijzen, dat
12
Bijlage XI – Raadsinformatiebrief d.d. 23-09-2014, kenmerk 13466 (o.a. bevestiging huurovereenkomst)
24 gebleken is dat de genoemde raadsinformatiebrief (23 september 2014, kenmerk 13466) tot tweemaal toe niet in het rechtbank-dossier is terechtgekomen. De gemeente Sluis heeft dus tot tweemaal toe – bewust of onbewust – een voor de bewijsvoering van Faes wellicht belangrijk document niet ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd, met alle mogelijke gevolgen van dien. Maar zelfs dat gegeven was voor burgemeester Vermue en wethouder Van Oostenbrugge ten tijde van de bespreking van het Relaas van de Nationale Ombudsman geen aanleiding om een kritische noot te plaatsen bij dat gemeentelijk handelen (of nalaten).
Dat laatste wijst wederom op een (stuctureel) gebrek aan zelfkritiek als het gaat om gemeentelijk handelen, terwijl dat in het licht van de gevoerde rechtszaken moet worden gekoppeld aan de verzwaarde waarheidsplicht en zorgvuldigheidsplicht die in Nederland geldt voor overheden.
De december 2015-correspondentie tussen Faes en de gemeente werpt in ieder geval ook de vraag op wat Faes van een redelijk optredende overheid had mogen verwachten, aan het einde van de looptijd van een IOVK, waarin beide partijen hun intenties met elkaar en jegens elkaar hadden vastgelegd.
27. Evidente gemeentelijke onwil om tot een afrondende overeenkomst met Faes te komen. Het had in ieder geval – zowel inhoudelijk als ook qua tijdstip (vlak voor het einde van de looptijd van de IOVK) – meer voor de hand gelegen om vanuit de gemeente op een (meer) positieve manier te reageren op de ABAB-brief namens Faes d.d. 14 december 2015 door (a) in ieder geval te bevestigen dat er inderdaad op essentiële onderdelen als de hoogte van de huur- en koopsom overeenstemming was bereikt en (b) aan te kondigen dat vanuit de gemeente op korte termijn zou worden zorggedragen voor de toezending van concepten van de huuroverenkomt en de koopovereenkomst. Het gegeven dat een dergelijke reactie niet is gegeven en er vervolgens bestuurlijk een harde conclusie is getrokken naar aanleiding van de brief van Faes van 30 december 2015 door het dossier feitelijk te sluiten, geeft de gemeentelijke onwil aan om met Faes tot daadwerkelijke transacties te komen.
Het had – gelet op het einde van de looptijd van de IOVK – in elk geval voor een redelijk en transparant handelende overheid voor de hand gelegen om die looptijd nog wat te verlengen. Nu dat niet is gebeurd lijkt het er op dat Faes is “geprovoceerd” om zelf te concluderen dat er wat hem betreft geen ruimte meer was om verder te onderhandelen. In ieder geval is het de vraag of die onwil voortkwam uit het gegeven dat de gemeente inmiddels wellicht een geschiktere kandiaat op het oog had ? In ieder geval dient te worden geconcludeerd dat de gemeente Sluis de brief van Faes van 30 december 2015 – net vóór het einde van de looptijd van de IOVK – niet als teleurstellend, maar juist als een ‘verlossing” heeft evaren, getuige het uitblijven van verdere pogingen tot toenadering en/of verlenging van de looptijd. Van een overheid die het niet zo nauw neemt met het inbrengen van nieuwe gezichtspunten ( de tweede taxatie) tijdens onderhandelingen, mag echter ook een minder formele benadering worden verwacht met betrekking tot de looptijd. Dit temeer, omdat in dit geval diezelfde overheid er bewust voor koos om pas op 27 november 2015 inhoudelijk te reageren op een brief van Faes van 28 juli 2015, waarmee dus een periode van ca. 4 maanden van de benutbare looptijd van 21 maanden (van april 2014 t/m december 2015) verloren ging.
In het licht van geschetste “afronding” van de onderhandelingen dient dit in elk geval als “onzorgvuldig handelen” van de zijde van de gemeente te worden betiteld, maar ook andere beginselen van behoorlijk bestuur (vertrouwensbeginsel, fair play) zijn hier in het geding.
28. Na IOVK-periode is op essentiële punten sprake van een soepelere gemeentelijke opstelling. Wat bovendien opvalt is dat tijdens de onderhandelingen uitdrukkelijk een “terugval-scenario” een rol speelde, overigens niet geheel ten onrechte na het debacle rondom de Euregiotuinen. Uitdrukkelijk werd door de gemeente steeds rekening gehouden met een situatie, waarin Faes er niet in zou slagen om z’n plannen te realiseren en rendabel te exploiteren. Geheel anders dan nu het geval is voor de winnaar van de Prijsvraag, werd indertijd van Faes verwacht dat hij eigenaar / huurder van de betreffende percelen zou worden, nog vóórdat de planologische procedure werd opgestart. En dat, terwijl het ook in 2015 door
25 gemeenten als volstrekt redelijk werd ervaren om de planologische procedure weliswaar aan een initiatiefnemer door te berekenen, maar de uitvoering van de grondtransactie(s) wèl te laten afhangen van de uitkomst van die procedure (waarmee dus onnodige discussies over eventuele terugkoop werden vermeden).
De vraag is op welk moment de gemeente Sluis op dit punt een ander (soepeler) beleid heeft geïntroduceerd na deze kwestie met Faes. Duidelijk is wel dat de “bewezen ondernemer” een geheel andere benadering heeft verkregen dan Faes, ondanks de in het geval Faes vooraf vastgelegde intenties, en wel: ◦ omdat de levering van de locatie aan de winnaar kennelijk afhankelijk is gesteld van de positieve uitkomst van de planologische procedure, en ◦ er kennelijk geen vraagtekens bestaan aan de zijde van de gemeente met betrekking tot een renderende exploitatie nà herbestemming (hetgeen – gelet op de uiteindelijke omvang van de component “verblijfsrecreatie” – ook weer niet echt verwonderlijk is).
29. Bewuste of onbewuste, maar verwijtbare nalatigheid ? Dat brengt ons met betrekking tot de raadsinformatiebrief d.d. 23 september 2014, kenmerk 13466 ook op de vraag of de gemeente Sluis nog kan worden aangesproken voor het achterhouden van bepaalde stukken in een rechtszaak. Voor zover wij kunnen nagaan moet die vraag bevestigend worden beantwoord, als de gemeente bewust of verwijtbaar heeft gehandeld. Hoe en in welke mate de gemeente dan moet worden aangesproken hangt af van de omstandigheden. In een civiele kwestie zoals die tusen de gemeente en Faes heeft gespeeld bestaat de mogelijkheid van herroeping (art. 382 Rv), als de uitspraak berust op bedrog (bewust achterhouden) of als de achtergehouden stukken van doorslaggevende betekenis hadden kunnen zijn. De termijn voor herroeping bedraagt echter maar 3 maanden, te rekenen vanaf het moment waarop de feiten bekend zijn geworden. Die termijn begon in dit geval te lopen per eind oktober 2023, dus van deze mogelijkheid kan geen gebruik meer worden gemaakt. Een andere mogelijkheid is dan om de gemeente aan te spreken op schade uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Daarvoor geldt een termijn van 5 jaar vanaf – in dit geval – eind oktober 2023.
Van een “bewuste” nalatigheid kan – zonder verder onderzoek – nog niet worden gesproken, maar de nalatigheid van de gemeente om die raadsinformatiebrief niet bij de processtukken te voegen is in ieder geval als “verwijtbaar” te beschouwen. Vooralsnog hebben wij gekozen om dit aspect mee te nemen in de klachtprocedure (Hfdst. 9 Awb.) naar aanleiding van deze brief.
K. BESTUURLIJKE LINK TUSSEN IOVK-PERIODE EN PRIJSVRAAG De belangrijkste bestuurlijke link tussen de IOVK-periode en de Prijsvraag wordt gevormd door het wethouderschap van mw. Chr. van de Vijver (Nieuw Gemeentebelang). Als portefeuillehouder was zij verantwoordelijk voor het gemeentelijk nastreven van de met Faes in 2014 afgesproken intenties, terwijl zij in 2016-2017 de Prijsvraag bestuurlijk heeft vormgegeven en mede-verantwoordelijkheid draagt voor de manier waarop de ingediende plannen zijn beoordeeld.
30. Tot op heden ontbreekt elke vorm van afleggen van “bestuurlijke verantwoordelijkheid”. Wij zijn op de hoogte van het feit dat zij in antwoord op een door een bij ons bekende persoon gestelde vraag over de uitslag van de Prijsvraag heeft verklaard “We hebben gekozen voor zekerheid”. Een uitspraak, die naadloos aansluit bij de eerder door ons gesignaleerde bevoordeling van de latere winnaar, door met conclusies als “Bewezen ondernemer” en “Bestaande ondernemer uit de streek, laag afbreukrisco” niet zozeer een oordeel te geven over diens plan, maar over de winnaar als ondernemer (die zich met name in de nevenactiviteit “verblijfsrecreatie” heeft bewezen).
Op grond daarvan zijn wij van mening dat wethouder mevr. Chr. van de Vijver in verband met deze klachtbrief dient te worden gehoord.
Ook burgemeester Vermue draagt mede-verantwoordelijkheid voor de manier waarop de ingediende plannen
26 zijn beoordeeld. Zij heeft op één van haar eerste werkdagen in de gemeente Sluis het advies van 4 oktober 2017 beoordeeld en draagt dus als collegelid bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de manier waarop de ingediende plannen zijn beoordeeld c.q. voor het uiteindelijke gunningsbesluit. Uit de voorliggende klachtbrief moge blijken dat er meer dan voldoende aanleiding was (en is) om dit dossier te onderwerpen aan een kritische terugblik zoals door ons - zie ook onderdeel “D. Nationale Ombudsman” eind 2022 hebben verzocht aan burgemeester Vermue en wethouder Van Oostenbrugge.
Het gegeven dat burgemeester Vermue en wethouder Van Oostenbrugge. na het verschijnen van het Relaas geen enkele aanleiding zagen om ook maar een deel van onze eerder geventileerde kritiek te onderkennen, lijkt thans meer dan voldoende aanleiding te geven om ook deze bestuurders in verband met deze klachtbrief te horen.
L. SAMENVATTEND De opvolgende colleges van B&W hebben in ieder geval gezorgd voor een min of meer constante koers, gericht op de (aanstaande) levering van de locatie aan de winnaar van de Prijsvraag. Bij die koers hebben wij in deze klachtbrief de nodige vraag- en uitroeptekens geplaatst. Hieronder hebben wij onze kritiek samengevat in relatie tot de opvolgende colleges van B&W, onder vermelding van het verkiezingsjaar en de namen van de toen betrokken burgemeesters en verantwoordelijke portefeuillehouders.
31. Samenvatting (aan de hand van de opvolgende colleges van B&W). Het college van B&W (2010 – burgemeester Jetten, wethouder Almekinders) besluit begin maart 2014 om een intentieovereenkomst met Faes aan te gaan, met de bedoeling om het initiatiefplan van Faes uiterlijk per 31 december 2015 te concretiseren in een koop- en huurovereenkomst met betrekking tot de locatie. Het initiatiefplan behelst de realisatie van de Fruit- en Tuinkamer Oostburg, een belevingscentrum met als thema’s fruitteelt en streekprodukten, in de vorm van een land- en streekproduktenwinkel, een vergaderlocatie, tentoonstellingsruimte, en natuurspeeltuin met wateractiviteit, een kinderboerderij en een pannekoeken-restaurant, Als ondergeschikte nevenactiviteit werd de realisatie van 15 trekkershutten en enkele camperplaatsen voorzien. Eind maart 2014 vinden dan gemeenteraadsverkiezingen plaats, waavan de uitslag aantoonbaar negatieve consequenties zal hebben voor het gemeentelijk nastreven van de met Faes vastgelegde intenties. Die intentieovereenkomst wordt pas na de verkiezingen van maart 2018 door partijen ondertekend. In de periode tot eind 2015 blijkt het college van B&W (2014 – burgemeester Jetten, wethouder Van de Vijver) in steeds mindere mate bereid om de vastgelegde intenties daadwerkelijk na te streven.
Zo wordt er gewerkt aan een alternatieve invulling (AZC), terwijl de onderhandelingen met Faes worden vetraagd en vervuild. Dat laatste met name door het “2 voor 12” inbrengen van een tweede taxatierapport als basis voor die onderhandelingen. Die tweede taxatie gaat niet – zoals de eerste wel deed – uit van de actuele marktwaarde van de locatie, maar van de marktwaarde nà realisatie van de door Faes gewenste herbestemming. Het college van B&W (2014) handelde daarmee niet alleen in strijd met de vastgelegde intenties, maar ook met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur en toonde zich bovendien geen betrouwbare onderhandelingspartij, door op 29 december 2015 – dus twee (!) dagen vóór het einde van de looptijd van de IOVK – alsnog met aanvullende voorwaarden te komen, om vervolgens – nadat Faes heeft aangegeven daarmee niet te kunnen instemmen – de onderhandelingen te beëindigen. Het is ons bekend dat de winnaar van de Prijsvraag tijdens de door Faes in september 2014 georganiseerde presentatie op locatie vrij uitvoerig heeft gesproken met wethouder Ploegaert van het CDA, welke partij enkele dagen na die presentatie tijdens de raadsvergadering van 24 september 2014 – als enige fractie tegen de kredietvotering ten behoeve van de grondtransactie Rabobank – gemeente (het AB-deel van de beoogde ABC-transactie) stemt.
Eerder hebben wij vermeld dat op 14 december 2015 Faes toch instemde met de gemeentelijke vraagprijzen, waarna de gemeente Sluis er bewust voor koos om niet die overeenstemming, maar juist het gebrek aan overeenstemming te benadrukken, door het stellen van nadere voorwaarde(n). Terwijl het voor de hand had gelegen om als gemeente vervolgens concept-overeenkomsten aan Faes voor te leggen.
27 Nadat wethouder Van de Vijver op 13 januari 2016 in de Commissie Ruimte – feitelijk in tegenstelling tot de werkelijke situatie - te kennen heeft gegeven dat er geen overeenstemming is bereikt met de initiatiefnemer Faes, besluit het college van B&W (2014) op 24 mei 2016 tot vaststelling van de ambtelijk voorgestele verkoopprocedure middels een “breed in te steken” prijsvraag. Uitdrukkelijk wordt besloten om de ambtelijke voorkeur voor een recreatieve invulling te laten vervallen. Die voorkeur blijkt echter later wel degelijk zwaarwegend, zo niet doorslaggevend te zijn. Die verkoopprocedure wordt in juni 2017 opgestart met een publicatie, waarin belangstellenden door B&W (2014) worden opgeroepen om door middel van het indienen van een plan en een bieding deel te nemen aan een prijsvraag. Die Prijsvraag voldoet – naar later zal blijken – echter niet aan de daaraan volgens PIANOo ( Expertisecentrum Aanbestedingen) te stellen richtlijnen. Op maandag 25 september 2017 blijkt dat er tijdens de daarvoor geldende termijn 9 plannen/biedingen zijn ingediend. Een ambtelijke werkgroep gaat vervolgens aan de slag om beoordelingscriteria vast te stellen, om aan de hand daarvan de ingediende plannen te beoordelen. Het advies van de werkgroep wordt neergelegd in het advies d.d. 4 oktober 2017, welk advies – vreemd genoeg – al is voorzien van concept-afwijzingsbrieven.
Op ambtelijk niveau is er dus geen twijfel met betrekking tot de vraag welke partij de Prijsvraag gaat winnen ! Ondanks het ingediende Woo-verzoek “m.b.t. alle relevante documenten” is door de gemeente tot op heden geen duidelijkheid verschaft omtrent de samenstelling, de taakstelling en de werkwijze van die werkgroep. Met ingang van 6 oktober 2017 volgt burgemeester Vermue haar voorgangster Jetten op. Het aldus gewijzigde college van B&W (2014) besluit vervolgens op 24 oktober 2017 tot een raadsconsultatie. (Een deel van) de Raad wordt dan op 6 november 2027 geconsulteerd op basis van de eerder al bekritiseerde “steekwoorden-presentatie”. Door die evident “gestuurde” presentatie wordt het door B&W beoogde resultaat behaald: de beoogde winnaar wordt door de Raad “bevestigd”. Een drietal verliezende deelnemers aan de Prijsvraag maakt tijdens een eind 2022 gevoerd gesprek met het college van B&W (2018 – burgemeester Vermue, wethouder Van Oostenbrugge) hun ongenoegen bekend omtrent de gang van zaken rondom de Prijsvraag, terwijl Faes daarmee tevens een verband legt met zijn ervaringen in de IOVK-periode. Het college van B&W (2018) komt dan met het voorstel om de Nationale Ombudsman te vragen om één en ander in beeld te brengen. Het verzoek van het drietal om in dat Relaas ook de periode 2014-2015 (Intentieovereenkomst Faes) mee te nemen wordt door de gemeente afgewezen.
Het Relaas geeft in elk geval inzicht in de ambtelijke adviezen van 29 februari 2016 en 4 oktober 2017. Op ons verzoek wordt dat Relaas eind december 2023 door de Nationale Ombudsman openbaar gemaakt. Een door GroEnergie op 17 mei 2022 ingediend Woo-verzoek m.b.t. “alle relevante besluiten en correspondentie m.b.t. instelling en uitvoering van de Prijsvraag” wordt in eerste instantie door B&W (2022 – burgemeester Vermue, wethouder Van Oostenbrugge) volstrekt onvoldoende beantwoord, waarna ook het B&W-besluit op bezwaarschrift daarin geen verandering brengt. Weliswaar is daarbij sprake van een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaarschrift, maar dat heeft uitsluitend te maken met het alsnog beschikbaar stellen van een (volledige blanco !-)versie van de in eerste instantie door de gemeente verloren gewaande, maar teruggevonden steekwoorden-presentatie, maar helaas vindt er noch door de adviseurs (ambtelijk, Commissie Bezwaarschriften, gemeentelijke advocaat), noch op bestuurlijk niveau (B&W 2022) een volwaardige heroverweging als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht plaats.
Het door GroEnergie ingesteld beroep leidt tot de rechtbank-uitspraak van 21 november 2025, waarbij het besluit op bezwaarschrift wordt vernietigd “...omdat de weigering om documenten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken voor een groot deel van de informatie niet kan worden gegrond op de daarvoor ingeroepen wetsartikelen, danwel onvoldoende is gemotiveerd”. Met het nieuwe besluit op bezwaarschrift d.d. 15 januari 2026 komt dan in elk geval – zoals eerder aangegeven – meer informatie vrij, al blijft het vreemd dat er geen besluitvorming omtrent de samenstelling, taakstelling en werkwijze van de ambtelijke werkgroep openbaar is gemaakt.
28 M. KLACHTPROCEDURE In deze klachtbrief hebben wij de door ons geplaatste, concrete “vraag- en uitroeptekens” in dit vanaf 2014 lopende dossier voorzien van de nodige achtergrondinformatie. In onze optiek is in dit dossier sprake van een reeks van handelingen en nalatigheden, door c.q. onder verantwoordelijkheid van de opvolgende colleges van B&W, die het vermoeden van enige vorm van bewust toegepast nepotisme alleen maar heeft versterkt naarmate er – met de nodige moeite – meer informatie is vrijgekomen. De gebrekkige transparantie – of liever gezegd: het gebrek aan transparantie – heeft dat vermoeden alleen maar steviger gemaakt. Wij benadrukken het gegeven dat die reeks al in 2014 is gestart, omdat er duidelijke aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat al tijdens de looptijd van de IOVK (politieke?) keuzes zijn gemaakt die de uitkomst van de Prijsvraag toen al hebben beïnvloed, en waarschijnlijk zelfs hebben bepaald. Die reeks van gedragingen, handelingen en nalatigheden dient daarom nader te worden beschouwd door middel van een uitgebreid onderzoek. Op voorhand is wat ons zonder meer duidelijk dat de gemeente Sluis in dit dossier een structureel gebrek aan zelfkritiek èn transparantie heeft getoond.
Terwijl toch evident is dat de geschetste reeks van gedragingen, handelingen en nalatigheden heeft geleid tot het behalen van een resultaat in de vorm van een “keuze voor zekerheid”, voor een “bewezen ondernemer”, voor een “bestaande ondernemer uit de streek’ en voor een “laag afbreukrisico”, waarbij het er alle schijn van heeft dat dat resultaat vooraf als doel is gesteld. N. GESCHONDEN BELANGEN Nogmaals gesteld: wij bestrijden niet dat die kwalificaties op de betreffende winnaar van de Prijsvraag van toepassing zijn, integendeel. Wij zijn het echter volstrekt oneens met de wijze waarop de gemeente Sluis is omgesprongen met de belangen van Faes (2014-2015) èn de belangen van de verliezende deelnemers aan de Prijsvraag en wij hopen dit met deze brief te hebben aangetoond. Door de aangegeven reeks van gemeentelijke gedragingen, handelingen en nalatigheden in dit dossier zijn de belangen van in eerste instantie Faes en vervolgens die van alle verliezende deelnemers aan de Prijsvraag evident geschaad. De consequenties daarvan dienen naar onze mening aan de hand van de uit de klachtprocedure voortvloeiende conclusies nader in beeld te worden gebracht. N. MAATSCHAPPELIJKE RELEVANTIE EN TRANSPARANTIE Het functioneren van een gemeente heeft een hoge maatschappelijke relevantie. Dat geldt ook voor de gemeente Sluis.
Gelet op de aard en strekking van deze klachtbrief menen wij daarom een objectieve en transparante behandeling van onze klachten te mogen verwachten van het huidige college van B&W en van de huidige Raad, nadat de onafhankelijke klachtencommissie de formele behandeling van deze klachtbrief heeft afgerond. Voor zover er beletselen zouden zijn om tot een inhoudelijke behandeling van deze klachtbrief – of delen daarvan – te geraken, zien wij de inschakeling van de Nationale Ombudsman – met een bredere opdracht dan alleen opstellen van een relaas – zeker als een mogelijk alternatief. In het geval het huidige gemeentebestuur van Sluis er – om welke (formele) reden dan ook – voor zou kiezen om deze klachtbrief geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren en/of niet verder te behandelen, zullen wij ons over een dergelijke weigering om als gemeente verantwoording af te leggen nader moeten beraden. Zo’n weigering zou echter alleen maar ten koste gaan van het maatschappelijk vertrouwen in de politiek in het algemeen èn het functioneren van de gemeente Sluis in het bijzonder. Wij kunnen ons dan ook moeilijk voorstellen dat deze klachtbrief niet zal leiden tot een diepgaand onderzoek, waarbij wat ons betreft naast het nodige dossieronderzoek ook uitdrukkelijk aanleiding is om – daar waar nodig – betrokken ambtenaren en (voormalige) bestuurders te horen.
Deze klachtbrief richt zich niet op een enkel feit, advies of besluit, maar op een reeks van feiten, adviezen, besluiten en gedragingen in dit dossier en op de feitelijke betrokkenheid bij die reeks van adviseurs en beslissers, ambtenaren, (leden van) colleges van B&W en de Raad. Wij dringen er dan ook aan dat in elk geval de volgende betrokkenen zullen worden gehoord door de klachtencommisie teneinde hun resp. rollen en gedragingen in dit dossier nader toe te lichten en te verantwoorden: ▪ de opvolgende, als portefeuillehouder betrokken wethouders uit de opvolgende colleges van B&W (2014, 2018, 2022); ▪ voormalig burgemeester Jetten, burgemeester Vermue; ▪ de bij dit dossier betrokken ambtenaren in dienst van de gemeente Sluis.
29 Aangezien het evidente gebrek aan transparantie in dit dossier één van onze kritiekpunten vomt, zal het u niet verbazen dat wij met betrekking tot deze klacht en de afhandeling daarvan volledige transparantie (zullen) betrachten. In dat verband merken wij op dat wij geen bezwaar hebben tegen openbaarmaking van onze namen en ons correspondentie-adres, zoals in de kop van deze brief vermeld. In dat verband melden wij u dat deze klachtbrief in kopie is verzonden aan het college van B&W en de individuele leden van de Raad. Tevens is een exemplaar gezonden aan de griffier, met het verzoek om die klachtbrief en de daarbij behorende bijlagen in afwachting van het advies van de Klachtcommissie – te plaatsen op de lijst van ingekomen stukken van de eerstvolgende raad, zodat de geïnteresseerde inwoners van de gemeente Sluis, de plaatselijke ondernemers en de deelnemers aan de Prijsvraag zich niet alleen op de hoogte kunnen stellen van de inhoud van deze stukken èn van de wijze van afdoening door de gemeente Sluis, maar ook de klachtenafhandeling in de gaten zullen kunnen houden. Wij zien uw berichten dan ook met belangstelling tegemoet. Hoogachtend, C.(Carlos) Faes
Th.L. (Ton) de Fouw
Overzicht voetnoten en bijlagen, behorende bij de Klachtbrief inzake dossier “vm. Euregiotuinen” Voetnoot nr. Bijlage nr. Betreft: 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
I II III IV V VI VII VIII IX X XI XII
Uitspraak Rechtbank d.d. 17-11-2025 (beroep inz. Woo-verzoek) B&W-besluit op bezwaarschrift d.d. 15-01-2026 n.a.v. uitspraak Rechtbank Relaas van de Nationale Ombudsman – juni 2023 (openbaar gemaakt, zie BIJLAGE XII) Ambtelijke nota d.d. 29-02-2016 (zoals door B&W openbaar gemaakt via bijlage II) Ambtelijke nota d.d. 4-10-2017 (zoals door B&W openbaar gemaakt via bijlage II) Steekwoordenpresentatie d.d. 6-11-2017 (zoals door B&W openbaar gemaakt via bijlage II) B&W-besluit d.d. 11-08-2022 op ingediend Woo-verzoek Advies Van Nuland & Partners d.d. 25 juni 2022 inzake “nevenactiviteit” Proces-verbaal d.d. 30-11-2015 Brief Faes aan B&W d.d. 14-12-2015 inzake aanvaarding gemeentelijke vraagprijzen Raadsinformatiebrief d.d. 23-09-2014, kenmerk 13466 (o.a. bevestiging huurovereenkomst)
Besluit Nat.Ombudsman 19-12-2023 tot openbaarmaking Relaas (BIJLAGE III)