CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

06 260513 Klachtbrief inz. dossier vm. Euregiotuinen

Commissie Ruimte/AB 9 juni 2026, gemeente SluisBij agendapunt: B-brieven (zienswijzen, bezwaarschriften etc. De brieven komen in het vervolg van de procedure terug)17.701 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 Carlos Faes Ton de Fouw p/a/ Burchtstraat 17-101 4501 BH Oostburg

Aan de Klachtencoördinator van de gemeente Sluis Postbus 27 4500 AA OOSTBURG

Eindhoven / Oostburg, 13 mei 2026 Onderwerp: klacht inzake dossier “voormalige Euregiotuinen” Geachte heer / mevrouw, A. INLEIDING Ondergetekenden1 Carlos Faes en Ton de Fouw - indertijd deelnemers aan de door de gemeente Sluis in 2017 georganiseerde prijsvraag (hierna: de “Prijsvraag”) in het kader van de verkoopprocedure voor de locatie van de voormalige Euregiotuinen – vragen uw aandacht voor het navolgende. Sinds 2014 staat de locatie “voormalige Euregiotuinen” op de agenda’s van de opvolgende colleges van B&W, raadscommissies en van de gemeenteraad in de opvolgende samenstellingen. Daarbij ging en gaat het steeds om besluitvorming gericht op de formalisering van een herbestemming van die locatie en de verkoop van de betreffende gemeentegrond. Nu wij – sinds kort – kunnen beschikken over een groot deel van de benodigde informatie is het ons duidelijk geworden dat er sprake is geweest van een reeks van besluiten, activiteiten en/of nalatigheden, waarin de mate van transparantie ondermaats is geweest, op enkele momenten de spelregels zijn aangepast en waarbij het er alle schijn van heeft dat er een doelredenering is gehanteerd om tot een vooraf beoogde resultaat te komen. Bij die reeks moeten de nodige vraagen uitroeptekens worden geplaatst, waarop vanuit de gemeente Sluis op een transparante manier zou moeten worden gereageerd.

Want dit dossier kan en mag niet vrij van kritiek blijven, en zeker niet van gemeentelijke zelfkritiek. Deze brief is dan ook te beschouwen als een klachtbrief. B. DOELSTELLING KLACHTBRIEF Deze klachtbrief richt zich op (gedragingen van) de betrokken bestuurders, bestuursorganen en ambtenaren, en wel om twee redenen. Ten eerste zullen wij mede aan de hand van die “vraag- en uitroeptekens” aantonen dat in dit dossier qua advisering èn besluitvorming niet altijd de juiste mate van objectiviteit en transparantie is betracht, hetgeen niet alleen aan de orde is geweest tussen de gemeente en de inwoners en deelnemers aan de prijsvraag, maar ook tussen de gemeentelijke bestuursorganen (B&W – Raad) onderling. Ten tweede blijken ook andere (politieke?) motieven van (negatieve) invloed te zijn (geweest) op de wijze, waarop afgesproken en vastgelegde intenties zijn nagestreefd, of juist niet, en op de wijze waarop door de gemeente Sluis tijdens en na de Prijsvraag met bepaalde belangen werd en wordt omgegaan. Onze doelstelling is eveneens tweeledig. Enerzijds willen wij onszelf en de andere verliezende deelnemers, maar ook de direct-omwonenden van de locatie en overige inwoners en ondernemers in de gemeente Sluis duidelijkheid verschaffen over de gang van zaken in dit dossier. Die transparantie achteraf is – gelet op de aard en het aantal van die vraag- en uitroeptekens – zeker gewenst.

Anderzijds willen wij door die vraag- en uitroeptekens als “pijnpunten” te signaleren de huidige raad en het huidige college van B&W in de gelegenheid stellen om niet alleen alsnog bestuurlijke transparantie in dit dossier aan te brengen, maar tevens – daar waar nodig – uit de resultaten van de klachtprocedure conclusies te trekken over de wijze waarop de gemeente Sluis als organisatie in die reeks heeft gefunctioneerd en hoe zich dat verhoudt met (o.a.) een “open overheid” als bedoeld in de Wet open overheid (Woo), met aanbestedingsrichtlijnen en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

1

Ondergetekende Carlos Faes is eigenaar/exploitant van de Philips Fruittuin te Eindhoven en aldaar woonachtig. De gemeente Sluis sloot in 2014 met Faes een Intentieovereenkomst inzake de verwerving en herbestemming van de locatie vm. Euregiotuinen ( www.philipsfruittuin.nl ). Ondergetekende Ton de Fouw is inwoner van Oostburg en nam als senior partner in GroEnergie Groep B.V./Dronten deel aan de Prijsvraag.

2 Het is namelijk evident dat die gemeentelijke rol op essentiële onderdelen en momenten in die reeks niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Reden waarom wij van de gemeente Sluis verwachten dat er (mede) aan de hand van deze klachtbrief met een gezonde dosis zelfkritiek en op een transparante, gedegen manier wordt teruggeblikt op recente en minder recente mijlpalen in dit dossier, om daaruit – in openbaarheid – de nodige conclusies te trekken. Leeswijzer Hieronder treft u – per thema / aspect – een korte inleiding aan, gevolgd door een genummerd kader waarin onze “vraag- en uitroeptekens” c.q. onze essentiële kritiekpunten bij dat thema / aspect worden weergegeven. Aan het einde van deze brief treft u een totaaloverzicht aan van de bijlagen waarnaar in deze brief wordt verwezen. Dat totaaloverzicht van onze vraag-, uitroeptekens en kritiekpunten is wat ons betreft slechts een leidraad voor de behandeling van dit dossier en laat ruimte voor het stellen – en beantwoorden – van andere vragen. Achtereenvolgens blikken wij onder C. terug op de gevoerde Woo-procedure, onder D. op de inschakeling van de Nationale Ombudsman, onder E, F en G op de Prijsvraag, onder H, I en J op de Intentieovereenkomst-periode, terwijl wij onder K de bBestuurlink tussen die periode en de Prijsvraag duiden. Onder L.

wordt één en ander aan de opvolgende colleges van B&W gekoppeld en op hoofdlijnen samengevat weergegeven. C. OPEN OVERHEID Op 17 mei 2022 is door GroEnergie Groep B.V. te Dronten (hierna: “GroEnergie”) een Woo-verzoek ingediend m.b.t. “alle relevante besluiten en correspondentie m.b.t. instelling en uitvoering van de Prijsvraag”. GroEnergie was in 2017 één van de deelnemers aan de Prijsvraag. De naar aanleiding van dat Woo-verzoek door het college verstrekte - naar later zou blijken te beperkte - informatie geeft GroEnergie dan vervolgens aanleiding tot het indienen van een bezwaarschrift, en later – na de ontvangst van de B&W-beslissing op bezwaarschrift d.d. 11 augustus 2022 – tot het instellen van beroep bij de rechtbank. Laatstgenoemde B&W-beslissing wordt bij uitspraak van de rechtbank d.d. 21 november 20252 vernietigd, “...omdat de weigering om documenten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken voor een groot deel van de informatie niet kan worden gegrond op de daarvoor ingeroepen wetsartikelen, danwel onvoldoende is gemotiveerd”. Op 15 januari 20263 heeft het college een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift genomen en dientengevolge eerder niet vrijgegeven informatie alsnog verstrekt (en dus openbaar gemaakt). Wij komen later in deze brief op die nieuwe beslissing terug

1. Interne kwaliteitscontrole heeft gefaald. Wij hebben moeten constateren dat het Woo-verzoek en later het betreffende bezwaarschrift aanvankelijk noch op adviserend niveau (ambtelijk, Commissie Bezwaarschriften, de door de gemeente ingeschakelde advocaat), noch op bestuurlijk niveau de juiste aandacht heeft verkregen om te kunnen spreken van een gedegen heroverweging van de bestreden beschikking (zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) of van een ‘open overheid” als bedoeld in de Wet open overheid (Woo). De genoemde uitspraak van de rechtbank illustreert onze conclusies. In deze Awb-bezwaarprocedure is duidelijk geworden dat in eerste instantie de gemeente Sluis er niet in is geslaagd om die procedure te gebruiken op de volgens de toelichting op de Awb bedoelde wijze, namelijk als interne kwaliteitscontrole. Op ambtelijk niveau werden slechts eerder ingenomen standpunten herhaald, terwijl ook de Commissie Bezwaarschriften (gevormd door onafhankelijke deskundigen) er niet in slaagde om naar aanleiding van de aangevoerde bezwaren en argumenten te concluderen, dat de door de gemeente aangehaalde wetsartikelen het aanvankelijke besluit niet konden dragen. Daar komt nog bij dat de gemeente er voor koos om naar aanleiding van het bezwaarschrift een advocaat in de arm te nemen.

Nu de rechtbank naar aanleiding van het ingestelde beroep tot de conclusie kwam dat het aangevochten besluit “…..niet (kon) worden gegrond op de daarvoor ingeroepen wetsartikelen, danwel onvoldoende is gemotiveerd”, dient te worden geconcludeerd dat ook de externe kwaliteitscontrole aanvankelijk niet tot resultaat leidde. Ofwel de ingehuurde deskundige heeft nagelaten om de evidente pijnpunten te signaleren, ofwel zijn deskundig oordeel is door de gemeente genegeerd.  Dit alles plaatst niet alleen vraagtekens in dit dossier, maar roept uitdrukkelijk de vraag op in hoeverre sprake is van een structureel gebrek aan interne controle en zelfkritiek in de gemeentelijke organisatie. 2 3

Bijlage I – uitspraak Rb. d.d. 21-11-2025 Bijlage II – B&W-besluit op bezwaarschrift d.d. 15-01-2026 n.a.v. uitspraak Rb.

3 D, NATIONALE OMBUDSMAN De deelname van beide ondergetekenden aan de Prijsvraag resulteerde in de ontvangst van een summiere afwijzingsbrief. Achteraf vormden de groeiende onvrede over de gang van zaken èn geruchten op straat (“de winnaar was al van te voren bekend”) voor ons aanleiding om eind 2023 in gesprek te gaan met burgemeester mr. M.M.D. (Marga) Vermue en wethouder M. (Marian) Van Oostenbrugge-Bertou (Sluis Lokaal), met het dringende verzoek om het dossier “vm. Euregiotuinen” vanaf 2014 tot en met de Prijsvraag nog eens kritisch door te nemen, juist vanwege die geruchten, het gebrek aan transparantie en de onvrede over die procedure aan de zijde van meerdere verliezende deelnemers. Op voorstel van de gemeente werd vervolgens de Nationale Ombudsman gevraagd om een relaas op te stellen, maar dan alleen over de Prijsvraag en (uitdrukkelijk) niet over de aan die Prijsvraag voorafgaande periode vanaf 2014. Die periode wordt daarom in deze brief onder het kopje “H. Intentie-overeenkomst 2014-2015” door ons nader beschouwd. Het door de Nationale Ombudsman opgestelde relaas (hierna: het “Relaas4”) gaf van gemeentewege echter geen aanleiding om kritische kanttekeningen te stellen bij de gang van zaken rondom die Prijsvraag. Voor ondergetekenden is die gemeentelijke stellingname juist aanleiding geweest om meer informatie boven tafel te krijgen, o.a.

via eerdergenoemd Woo-verzoek. Het Relaas, dat op ons verzoek in december 2023 door een besluit van de Nationale Ombudsman “openbaar” werd verklaard bestaat grotendeels uit een zakelijke en geanonimiseerde weergave van de ambtelijke nota’s van 29 februari 20165 (“Voorstel tot openbare verkoop perceel Euregiotuinen’) en 4 oktober 2017 6 (“Prijsvraag verkoop Euregiotuinen”). Reagerend op het voornemen van de Nationale Ombudsman om positief op ons verzoek tot openbaarmaking te reageren heeft de betrokken derde-belanghebbende (= de gemeente Sluis) op 11 december 2023 aan die instantie kenbaar gemaakt dat er geen bedenkingen bestonden tegen dat besluit. Kennelijk blijft “openbaarheid” in dit dossier toch een moeilijk onderwerp voor de gemeente Sluis, want tot onze verbazing geeft het college van B&W in de eerdergenoemde nieuwe beslissing (d.d. 15 januari 2026) op het in de Woo-procedure ingediende bezwaarschrift o.a. de volgende overwegingen te kennen (onderstreping door ondergetekenden):  bij Document 1 (= de ambtelijke nota d.d. 29 februari 2016, BIJLAGE IV bij deze klachtbrief): “In document 1 is per zin beoordeeld of deze feitelijkheden en/of persoonlijke beleidsopvattingen bevat. De weggelakte passages bevaten een ambtelijk advies dat niet of nauwelijks bestaat uit objectieve, verifieerbare gegevens.

Het betreft overwegingen en aanbevelingen over de wijze van inrichting van de openbare verkoopprocedure, de te hanteren termijnen, de voorwaarden en de vaststelling van de prijs. Deze passages geven daarmee persoonlijke beleidsopvattingen weer over de inrichting van de openbare verkoopprocedure. Op grond van artikel 5.2. lid 1 van de Woo maken we deze passages niet openbaar.” 

bij Document 3 (= de ambtelijke nota d.d. 4 oktober 2017, BIJLAGE V bij deze klachtbrief): “Document 3 betreft een vertrouwelijke nota aan het college van burgemeester en wethouders. Dit document maken wij openbaar, met uitzondering van 3 paragrafen. In twee van deze paragrafen worden de plannen beschreven van twee inschrijvers die geen toestemming hebben gegeven voor openbaarmaking van hun plannen. (Etc.) In een andere paragraaf wordt ambtelijk een risico gesignaleerd. Het betreft hier nadrukkelijk een ambtelijk advies en daarmee een persoonlijke beleidsopvatting. Op grond van artikel 5.2 lid 1 van de Woo maken we deze passage niet openbaar.”

2. Onjuiste interpretatie van o.a. “openbaarheid” en “persoonlijke beleidsopvattingen”. Zoals reeds vermeld was het college van B&W wegens het hanteren van onjuiste wettelijke artikelen en een ondeugdelijke motivering genoodzaakt om op het in de Woo-procedure ingediende bezwaarschrift een nieuwe beslissing te nemen. Het college van B&W gaat in zijn nieuwe beslissing d.d. 15 januari 2026 echter ten onrechte voorbij aan het feit dat de volledige inhoud van de genoemde documenten (1 en 3) inmiddels – geanonimiseerd – openbaar is gemaakt via het Relaas. 4

Bijlage III – Relaas van de Nat. Ombudsman Bijlage IV – ambtelijke nota d.d. 29 februari 2016 (zoals door B&W openbaar gemaakt d.d. 15 januari 2026) 6 Bijlage V – ambtelijke nta d.d. 4 oktober 2017 (zoals door B&W openbaar gemaakt d.d. 15 januari 2026) 5

4 De door ons onderstreepte argumentatie is dus een herhaling van onjuiste zetten, Tegen die nieuwe beslissing is – ondanks een wederom onjuiste toepassing van de Woo en de wederom gebrekkige motivering – om praktische redenen geen beroep meer ingesteld. 

Duidelijk is wel dat het college van B&W een geheel eigen, maar onjuiste (!) interpretatie geeft aan begrippen als “openbaarheid’ en “persoonlijke beleidsopvattingen”. Maar die gemeentelijke interpretatie is klaarblijkelijk te beperkt, omdat immers de in die documenten 1 en 3 weggelakte passages – op een enkele naamsvermelding na – volledig zijn opgenomen in het door de Nationale Ombudsman openbaar gemaakte Relaas (zie BIJLAGE III van deze klachtbrief, pagina’s 6/23 t/m 8/23 en pagina 14/23, 2e alinea). Overigens hebben wij In het kader van deze klachtbrief de mening van beide inschrijvers die geen toestemming hebben gegeven voor de openbaarmaking van hun plannen uiteraard gerespecteerd door met name bij punt 15. niet nader in te gaan op (de beoordeling van) hun plannen.

E. DE PRIJSVRAAG In juni 2017 kondigde de gemeente Sluis een prijsvraag / biedingsproces (hierna te noemen: “Prijsvraag”) aan met betrekking tot de herbestemming en openbare verkoop van het voormalige “Euregiotuinen”, gelegen aan de Nieuwstraat, net buiten de bebouwde kom van Oostburg. Die Prijsvraag werd al een jaar eerder voorbereid. In een ambtelijke nota d.d. 29 februari 2016 werd een “verkoopprocedure” voorgesteld op basis van de volgende deelnamevoorwaarden: “De voorkeur gaat uit naar een invulling die aansluit bij de recreatieve functie van de locatie los van de subbestemming tuinbezichtiging. De locatie leent zich voor een functie die een bijdrage kan leveren aan een gevarieerd toeristisch-recreatief product voor Oostburg maar ook gemeentebreed.” Het college van B&W stelde op 24 mei 2016 de verkoopprocedure vast en “… besluit dat er breed naar mogelijkheden gekeken mag worden (de passage dat de voorkeur uitgaat naar een invulling die aansluit bij de recreatieve functie, vervalt daarmee).” Door middel van de Prijsvraag ging de gemeente Sluis dus op zoek naar de beste prijs-/kwaliteit-verhouding. In juni 2017 volgden publicaties, waarin geïnteresseerden werden uitgenodigd om uiterlijk op 22 september 2017 “….een aanbod aan de gemeente te doen, bestaande uit een plan en en bod.

Vervolgens zal uit de ingekomen plannen een selectie worden gemaakt en zal een keuze worden gemaakt voor een voorkeursalternatief. Hiermee zullen de eerste gesprekken over verkoop en voorwaarden plaatsvinden. Gemeente behoudt zich het recht voor geen enkel aanbod te aanvaarden indien er geen plannen zijn die kwalitatief en financieel voldoende krachtig zijn.” Voor deelname aan de Prijsvraag werd wèl een aantal beperkende voorwaarden gesteld, te weten: ◦ een woningbouwlocatie wordt niet toegestaan; ◦ verblijfsrecreatie als hoofdfunctie is niet mogelijk; verblijfsrecreatie, mits kleinschalig en onderscheidend en als nevenactiviteit bij een andere hoofdactiviteit wordt overwogen; ◦ het initiatief moet zichzelf financieel kunnen bedruipen, zonder gemeentelijke bijdrage in de exploitatie; ◦ er zal een marktconforme koopsom worden gehanteerd; ◦ bedrijfsmatige activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein worden niet toegestaan. Als mogelijke uitzondering op het verbod tot woningbouw werd gesteld dat een “(bedrijfs-)woning” eventueel wel tot de mogelijkheden behoorde. Op die “eventuele (bedrijfs-)woning’ komen wij later nog terug (zie punten 20 en 21).

3. Prijsvraag voldeed niet aan de daaraan te stellen landelijke richtlijnen De Prijsvraag richtte zich op het juiste plan met de juiste aanbieding. De gemeente Sluis heeft bij het uitschrijven van de Prijsvraag echter niet gehandeld overeenkomstig de voor de aanbestedingsvorm “prijsvraag” geldende richtlijnen (zie hiervoor o.a. de website www.pianoo.nl ; PIANOo is het Expertisecentrum voor aanbesteden van het Ministerie van Economische Zaken). Immers: ▪ er werd vooraf geen jury ingesteld om de ingediende plannen te beoordelen; en ▪ er werd vooraf geen wedstrijdreglement vastgesteld, waarin objectieve, toetsbare en redelijke criteria en de wijze van beoordelen werden vermeld.

5 

Dit roept vragen op, zoals:  Waarom is gekozen voor een prijsvraag, die niet aan de landelijke richtlijnen voldoet ?  Wat is de reden geweest van het – ongebruikelijk lange – tijdsverloop tussen het advies d.d. 29 februari 2016 en het B&W-besluit d.d. 24 mei 2016 ?  Wat is de reden geweest van het tijdsverloop tussen laatstgenoemd besluit en de start van de Prijsvraag in juni 2017 ?

Uit het Relaas is gebleken dat de ingediende plannen/biedingen door een ambtelijke werkgroep zijn beoordeeld. Nadat die ambtelijke werkgroep – waarover later meer – had geadviseerd over de ingediende plannen en biedingen en het toenmalige college van B&W de raad in een besloten vergadering had geconsulteerd, werden op 24 november 2017 de winnende deelnemer èn de 8 verliezende deelnemers schriftelijk op de hoogte gebracht van de uitslag van de Prijsvraag. De verliezers werden in die brieven summier op de hoogte gebracht van de reden waarom niet voor hun plan/bieding was gekozen.

4. Geen transparantie omtrent samenstelling / taakstelling & werkwijze ambtelijke werkgroep In de op basis van het Woo-verzoek door de gemeente beschikbaar gestelde informatie is geen advies en/of B&W-besluit aangetroffen omtrent de samenstelling en taakstelling/werkwijze van de ambtelijke werkgroep, terwijl toch mag worden aangenomen dat sprake is geweest van een dergelijk advies en/of B&W-besluit.  Dit roept de vraagt op of het dossier een dergelijk advies/B&W-besluit bevat ? Zo ja, waarom is dat (essentiële) document dan niet in het kader van het Woo-verzoek beschikbaar gesteld ? Dat verzoek was immers gericht op “alle relevante besluiten en correspondentie m.b.t. instelling en uitvoering van de Prijsvraag”.

5. Ambtelijke èn bestuurlijke insteek voor beoordeling ingediende plannen onduidelijk Voor zover het dossier niet een advies/B&W-besluit als hierboven bij vraagpunt 4. bedoeld zou bevatten, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het op z’n minst bestuurlijk ongebruikelijk is om een ambtenaar of een dergelijke ambtelijke werkgroep aan het werk te zetten zonder verdere instructies. Wellicht valt dat te verklaren doordat die instructies mondeling zijn verstrekt door één of meerdere bestuurders, maar dat zal dan uit nader onderzoek moeten blijken en moeten worden toegelicht.  Dit roept dan wèl (uitdrukkelijkere) vragen op met betrekking tot de op ambtelijk èn bestuurlijk niveau gekozen insteek voor de beoordeling van de inzendingen voor de Prijsvraag. In de ambtelijke werkgroep waren de volgende disciplines vertegenwoordigd:  ruimtelijk beleid  recreatie en toerisme  vastgoed  planologie  Aantrekkelijk Oostburg.

6. Ambtelijke werkgroep onevenwichtig samengesteld Naast het ontbreken van een advies en/of B&W-besluit inzake de samenstelling en taakstelling/werkwijze van de ambtelijke werkgroep valt het op dat de discipline Financiën niet vertegenwoordigd was, terwijl de Prijsvraag toch werd uitgeschreven om tot de beste prijs-/kwaliteitverhouding te komen. Verder valt het ons op dat de discipline “recreatie en toerisme” als enige specifieke (= niet algemene) discipline in de werkgroep was vertegenwoordigd. Dit valt temeer op, omdat immers bij B&W-besluit van 24 mei 2016 de keuze werd gemaakt om “breed” naar mogelijkheden te kijken (Relaas, pag.8/23, 5e alinea) en daarom uitdrukkelijk werd besloten om “de ambtelijk voorgestelde voorkeur voor een recreatieve invulling te laten vervallen”.

6  Nu van schriftelijke instructies (nog) niet gebleken is, kunnen wij vooralsnog niet anders concluderen dat het op basis van dat expliciete besluit ongepast leek om juist die ene specifieke discipline met 1 van de 5 stemmen in die werkgroep een relatief grote, wellicht te grote invloed te verschaffen. Uit het Relaas blijkt aan dat de ambtelijke werkgroep een aantal criteria heeft vastgesteld ten behoeve van de beoordeling van de ingediende plannen. Die criteria waren: (a) de meerwaarde voor Oostburg en/of de regio, (b) het onderscheidend vermogen van het plan, (c ) de ruimtelijke invulling en de benutting van het perceel, (d) het openbare of gesloten karakter van het plan en (e) de sociaal/maatschappelijke aspecten.

7. Beoordelingscriteria niet “objectief, redeljke en toetsbaar”. Vaststaat dat deze criteria vooraf niet aan de deelnemers kenbaar zijn gemaakt, hetgeen strijdig is met de landelijke richtlijnen ter zake. Met betrekking tot het criterium (d) veronderstelt de ambtelijke werkgroep kennelijk – maar naar onze mening ten onrechte – dat tijdens de exploitatie van de Euregiotuinen sprake was van een “openbaar karakter” en dat dat karakter eigenlijk behouden zou moeten worden. 

Het is evident dat de criteria (a), (b), (c) en (e) niet als “objectief en toetsbaar” kunnen worden beschouwd. Voor het enige achteraf vastgestelde criterium (d) dat daar wel aan voldoet, geldt naar onze mening dat niet wordt voldaan aan de vereiste “redelijkheid”, vanwege de onjuiste gemeentelijke aanname m.b.t. het openbare karakter van de voormalige Euregiotuinen. Opvallend is dat het college van B&W indertijd de ambtelijke advisering op dit punt klakkeloos heeft overgenomen. Dat roept de vraag op in hoeverre de gemeente toch van mening is dat genoemde criteria als “objectieve, toetsbare en redelijke” criteria beschouwd konden worden, en in hoeverre de (uitslag van de) Prijsvraag nog gehandhaafd kan worden.

Daarbij komt dat het ambtelijk advies d.d. 4 oktober 2017 inzake de beoordeling van de ingediende plannen – aantoont dat de beoordeling door de ambtelijke werkgroep in een volstrekt onnavolgbare, zelfs chaotische vorm is weergegeven, waarbij bovendien in een aantal gevallen de eindconclusie niet of niet geheel overeenkomt met de door de werkgroep eerder per ingediend plan gegeven opsomming van opvallende – positieve of negatieve – punten. Verder zijn vraagtekens te plaatsen bij een aantal in die opsommingen opgenomen conclusies die door de ambtelijke werkgroep zijn getrokken.

8. Beoordelingsresultaten lijken vrij willekeurig te zijn weergegeven Los van de vaststellingen, dat de gehanteerde criteria niet vooraf aan de (potentiële) deelnemers kenbaar zijn gemaakt en los van de vraag in hoeverre die criteria zijn te beschouwen als objectieve en toetsbare criteria, betreffen die vraagtekens onder andere:  het “meten met twee maten” : voorbeeld: in een enkel geval wordt bij een plan een kanttekening geplaatst met betrekking tot de mogelijk te verwachten hinder, terwijl bij het winnende plan c.q. de diverse evenementen dienaangaande geen enkel vraagteken wordt geplaatst;  het “trekken van onjuiste conclusies” : voorbeeld: waar GroEnergie een plan indiende voor een grootschalig zonnepark, kwam de gemeente tot de conclusie dat “...daarvoor betere locaties in de gemeente aanwezig zouden zijn”; van dergelijke locaties was/is echter geen sprake !  het “onjuist hanteren van gegeven” : voorbeeld: het plan van GroEnergie werd negatief beoordeeld vanwege het door die partij gemaakte financieringsvoorbehoud; de bankfinanciering voor het plan was namelijk gewaarborgd ingeval sprake zou zijn van een “subsidie” op grond van de SDE-regeling; dit werd door de werkgroep ten onrechte aangevoerd om het plan als “onvoldoende financieel draagkrachtig” te betitelen, terwijl de subsidie in het kader van die stimuleringsregeling feitelijk een prijsgarantie vormt die voor

geldverstrekkers van essentieel belang is;  de “redelijkheid” van het criterium “openbaar of gesloten karakter van het plan”: voorbeeld: ingeval dit criterium vooraf bekend zou zijn gemaakt zou GroEnergie Groep B.V. niet

7 aan de Prijsvraag hebben deelgenomen, omdat een zonnepark per definitie om (o.a.) veiligheidsredenen niet openbaar toegankelijk kan zijn; N.B.: de “openbare toegankelijkheid” kan overigens voor meerdere deelnemers problematisch zijn geweest. Wij begrijpen uiteraard dat elke vorm van beoordeling per definitie een zekere mate van subjectiviteit met zich mee brengt. Van een prijsvraag-uitschrijvende organisatie mag echter – zeker als dat een overheidsinstantie betreft – een optimale objectiviteit worden verwacht. In dit geval is met betrekking tot de Prijsvraag echter al geconstateerd, dat niet werd voldaan aan de basisvoorwaarden voor het houden van een prijsvraag, terwijl de in het vorige punt behandelde vraagtekens duiden op een allesbehalve objectieve benadering. Klaarblijkelijk heeft de ambtelijke werkgroep zich ook willen indekken tegen het risico van eventuele kritiek op hun beoordeling. Bij punt 2. gaven wij al aan dat het college van B&W in haar nieuwe beslissing op het Woo-bezwaarschrift ten onrechte bepaalde delen uit (o.a.) het eerdergenoemde advies van 4 okober 2017 heeft afgeblokt. Het college schrijft daarover in haar besluit van 15 januari 2026 : “In een andere paragraaf wordt ambtelijk een risico gesignaleerd.

Het betreft hier nadrukkelijk een ambtelijk advies en daarmee een persoonlijke beleidsopvatting.” Die “andere paragraaf” betreft de hieronder weergegeven tekst, die wij in het vervolg van deze brief gemakshalve als de “subjectiviteits-disclaimer” zullen aanduiden, en die opgenomen is in het Relaas en dus ook door het eerdergenoemde besluit van de Natonale Ombudsman openbaar is geworden: “Opgemerkt wordt dat de afwegingen die zijn gemaakt en hebben geleid tot de top drie uiteraard deels subjectief zijn. Een aantal zaken zijn niet meetbaar en zijn bekeken vanuit het perspectief van de gemeente. Tevens wordt opgemerkt dat op voorhand niet exact een scherp toetsingscriterium is meegegeven. Dat is bewust gedaan om er met een brede visie naar te kunnen kijken. Erkend wordt dat hierdoor de kans bestaat dat initiatiefnemers die niet uitgekozen worden protest zullen aantekenen tegen de gunning aan een andere partij. En dat hierbij ook de mogelijkheid bestaat dat er juridische stappen ondernomen zullen worden om de uitslag aan te vechten. Ambtelijk is geconcludeerd dat de gemaakte keuze voor het voorkeursinitiatief voldoende is te rechtvaardigen. Daarbij is opgemerkt dat wanneer vooraf exacte criteria meegegeven waren er toch een mate van subjectiviteit blijft bestaan door het toekennen van scores aan deze criteria.

En dat de kans op protest hoe dan ook aanwezig is, ongeacht de manier van beoordeling.”

9. Het opnemen van een “subjectiviteits-disclaimer” is onacceptabel. Het hanteren van een dergelijke disclaimer, die er - vrij vertaald - op neer komt dat de ambtelijke werkgroep weliswaar van mening was dat er betere beoordelingsmethodieken gehanteerd hadden kunnen worden, maar dat ook daaraan een bepaalde subjectiviteit zou blijven kleven, is niet alleen uiterst ongebruikelijk, maar zeker in dit geval ook ongepast, nu per definitie gestreefd had moeten worden naar een zo objectief mogelijke beoordeling.  Er dienen derhalve uitdrukkelijke vraag- en uitroeptekens te worden geplaatst bij het feit dat , c.q. het kennelijke gemak waarmee het college van B&W de ambtelijke beoordelingen inclusief de “subjectiviteits-disclaimer” tot de zijne heeft gemaakt. Dit klemt temeer omdat er ook geen enkele overweging is besteed aan de vormgeving van de prijsvraag in relatie tot de aanbestedingsrichtlijnen. Waar kennelijk die disclaimer (ook) is opgenomen in het licht van mogelijke juridische claims, moet worden geconstateerd dat het evidente gebrek aan openheid en transparantie partijen niet of nauwelijks in staat heeft gesteld om beargumenteerde juridische stappen te ondernemen. Het gegeven dat het ons ruim 3 jaar heeft gekost om via een Wooverzoek bepaalde informatie boven tafel te krijgen is wat dat betreft tekenend.

10. Geen rechtsmiddelen-clausule in afwijzingsbrieven Uitdrukkelijk signaleert de gemeente Sluis het risico van juridische claims naar aanleiding van het gunningsbesluit en de afwijzingsbrieven: “Erkend wordt dat hierdoor de kans bestaat dat initiatiefnemers die niet uitgekozen worden protest zullen aantekenen tegen de gunning aan een andere partij. En dat hierbij ook de mogelijkheid bestaat dat er juridische stappen ondernomen zullen worden om de uitslag aan te vechten.” 

Het blijft echter bij een ambtelijk-bestuurlijke overweging dienaangaande want in de uiteindelijk

8 verzonden afwijzingsbrieven ontbreekt een rechtsmiddelen-clausule, hetgeen strijdig is met zowel de Algemene wet bestuursrecht als het aanbestedingsrecht. Uit zo’n clausule blijkt welke rechtsmiddelen openstaan (bijv. bezwaar, beroep, kort geding bij de civiele rechter bij aanbestedingen), binnen welke termijn deze moeten worden ingesteld (bijv. 20 dagen standstill-termijn bij aanbestedingen) en waar het rechtsmiddel moet worden ingesteld (welke rechter/instantie).

11. (Te) subjectieve beoordeling kan niet worden opgehangen aan “Subjectiviteits-disclaimer” Het opnemen van deze subjectiviteits-disclaimer is in onze optiek zowel qua aard als inhoud volstrekt misplaatst. In z’n algemeenheid dient immers elke aan een gemeente voorgelegde kwestie een zo objectief mogelijke beoordeling te verkrijgen, terwijl dat bij een Prijsvraag als de onderhavige niet eens ter discussie zou moeten staan. Uit deze brief moge blijken dat er wel degelijk aanleidingen zijn voor die discussie. En die aanleidingen versterken de grote vraagtekens die bij de subjectiviteits-disclaimer kunnen worden gesteld. Wat verder opvalt is dat het college van B&W bij eerdergenoemd nieuwe besluit (d.d. 15 januari 2026) op bezwaarschrift weliswaar een geanonimiseerde versie van de ambtelijke nota van 4 oktober 2017 openbaar maakt, maar dat echter doet met uitzondering van juist de tekst van die “subjectiviteits-disclaimer”. Het college van B&W kan zich echter op dit punt niet (blijven) verschuilen achter een niet openbaar te maken persoonlijke opvatting van een ambtenaar, aangezien in de verdere besluitvorming – wat ons betreft ten onrechte! – geen aandacht is besteed aan de mate van subjectiviteit, waarmee de uitslag van de Prijsvraag uiteindelijk is belast.

Desalniettemin kunnen wij gebruik maken van die tekst, aangezien die tekst ons in het kader van de totstandkoming van het Relaas ter beschikking is gesteld. Dat geeft dus aan dat het college van B&W tot op de dag van vandaag in dit dossier qua transparantie te terughoudend is. 

Eén en ander roept vragen op, zoals:  waarom is die subjectiviteits-disclaimer opgenomen en waarom heeft niemand in de organisatorische lijn daar vraagtekens bij geplaatst ?  En waarom geeft die tekst tot op de dag van vandaag kennelijk nog aanleiding om die niet aan de openbaarheid prijs te geven ?

Het gebruik van een dergelijke “subjectiviteits-disclaimer” kan in onze optiek echter niet camoufleren, noch dienen als een excuus voor het feit dat genoemd advies van 4 oktober 2017 een chaotische weergave betreft van een toetsing aan criteria, die – zoals eerder gesteld – niet als “objectief, toetsbaar en redelijk” kunnen worden beschouwd en niet – zoals te doen gebruikelijk – vooraf aan de deelnemers kenbaar zijn gemaakt. Bovendien kunnen de eindconclusies met betrekking tot sommige plannen niet overal gedragen worden door de opgenomen motivering en is er in een enkel geval zelfs sprake van discrepanties tussen de eindconclusies en de weergave daarvan in de afwijzingsbrieven.

12. Raadsconsultatie in afwijking van eerder vastgestelde procedure Op 24 oktober 2017 besloot het college van B&W om de beslissing op het namens de ambtelijke werkgroep voorgelegde advies over de Prijsvraag-plannen aan te houden en – in afwijking van de eerder (d.d. 24 mei 2016) vastgestelde procedure en daarmee feitelijk in strijd met de gepubliceerde aanbestedingsrichtlijnen – alsnog op zoek te gaan naar bestuurlijke steun, door het organiseren van een zogenoemde “raadsconsultatie”. 

Dit roept de vraag op waarom het college daartoe alsnog besloot.

Tijdens een besloten vergadering op 6 november 2017 is een deel van de raad – 8 van de 9 fractievoorzitters zijn dan aanwezig – door B&W door middel van een PowerPoint-presentatie7 op de hoogte gesteld van de ingediende plannen. Die presentatie – aan de hand van enkele steekwoorden per ingediend plan – vormde de basis voor de door het college van B&W gevraagde, door de raad uitgesproken steun voor de keuze voor het winnende plan waarna op 24 november 2017 de deelnemende partijen op de hoogte worden gesteld van de uitslag van de Prijsvraag.

7

Bijlage VI – De “steekwoorden-presentatie” tbv raadsconsultatie (zoals door B&W openbaar gemaakt d.d. 15 januari 2026)

9 In dat verband hebben wij gemeend om u thans alle beschikbare informatie voor te leggen en onze stellingen niet door middel van enkele steekwoorden te poneren, maar uitgebreid toe te lichten. Op de presentatie ten behoeve van de raadsconsultatie komen wij hierna onder “F. De Steekworden-presentatie” nog uitgebreid terug. Naast de inhoudelijke kritiek op het ambtelijk advies van 4 oktober 2017 en daarmee op het B&W-besluit van 24 oktober 2017 hebben wij nog enkele opvallende vaststellingen kunnen doen met betrekking tot de procedurele gang van zaken rondom dat advies. Op de eerste plaats is het ons opgevallen dat het de werkgroep amper 7 werkdagen heeft gekost om tot de beoordeling van de ingediende plannen te komen. Met vrijdag 22 september als laatste dag voor de deelname, konden er op maandag 25 september 2017 negen ingediende plannen aan een beoordeling worden onderworpen. Het eerdergenoemde ambtelijk advies is vervolgens anderhalve week later, op woensdag 4 oktober opgesteld en gedateerd. Die kennelijke voortvarendheid waarmee de ambtelijke werkgroep de beoordeling van de ingediende plannen heeft aangepakt is op zich te prijzen, maar die voortvarendheid kwam wèl met de eerdergesignaleerde gebreken aan de inhoudelijke beoordeling. Bovendien werpt de tweede vaststelling nog een geheel ander licht op dat ambtelijk advies.

Die tweede vaststelling betreft het gegeven dat het ambtelijk advies van 4 oktober 2017 uitdrukkelijk voorsorteerde op een “conform-advies”-besluit van B&W.

13. Ambtelijk voorsorteren op een “Conform advies-besluit” was ongebruikelijk en ongepast. Dat voorsorteren zat ‘m in het feit dat het advies aan het college van B&W werd voorgelegd inclusief de afwijzingsbrieven aan de op dat moment nota bene nog als verliezers aan te wijzen partijen en inclusief de gunningsbrief aan de op dat moment nog niet aangewezen winnende partij. Gelet op de aard van het advies en het onderwerp lag dat voorsorteren volstrekt niet voor de hand, aangezien mag worden verondersteld dat het advies juist was bedoeld om B&W een basis te bieden voor een (eerste?) bestuurlijke beoordeling. Maar de gekozen handelwijze (en de snelheid van handelen) zou wèl passen in een situatie, waarin voorafgaand aan de totstandkoming van dat advies sprake is geweest van enige bestuurlijke inmenging (schriftelijk of mondeling).  Het besluitvormingsproces vergt naar onze mening – om evidente redenen – zeker op dit punt nader onderzoek, met name door het horen van betrokkenen.

F. DE “STEEKWOORDEN-PRESENTATIE” Het consulteren van de gemeenteraad op basis van slechts een presentatie met enkele steekwoorden kan in bepaalde gevallen uiteraard een gepaste vorm zijn, maar in dit geval plaatsen wij daar toch enkele grote vraagtekens bij. En niet alleen omdat die steekwoorden een samenvatting vormden van een uiterst subjectieve beoordeling, die heeft plaatsgevonden op basis van achteraf vastgestelde criteria die niet voldoen aan de voorwaarde “objectief, toetsbaar en redelijk”, maar ook omdat er een reden moet zijn geweest om ‘s raads mening te vragen op basis van de toen verstrekte, uiterst beperkte informatie. Het heeft er dan ook alle schijn van dat het resultaat van de betreffende besloten raadsvergadering uitdrukkelijk “gestuurd” is, wellicht om een mogelijke discussie over de wijze waarop de plannen zijn beoordeeld te vermijden, maar in elk geval om bevestiging van de ambtelijk en bestuurlijk getrokken conclusies te verkrijgen. Dit klemt wat ons betreft temeer, omdat – zoals wij hieronder op basis van de overigens pas bij B&W-besluit van 15 januari 2026 verkregen informatie met betrekking tot de inhoud van de steekwoorden-presentatie zullen aantonen – door een uiterst subjectieve weergave van zowel de verkoopvoorwaarden als van van (vermeende) plussen en minnen overduidelijk is ingespeeld op het beoogde resultaat.

14. De “steekwoorden-presentatie” is evident gebruikt om de Raad te “sturen”. In de Presentatie van de “Voorwaarden verkoopadvertentie” valt namelijk een aantal zaken op. (1) Er wordt vermeld dat woningbouwontwikkeling niet is toegestaan, maar dat er een maximum geldt van

10 één woning. Oorspronkelijk werd die mogelijkheid weergegeven als “één (bedrijfs-)woning in relatie tot de hoofactiviteit”, hetgeen een iets andere benadering betreft. Wij komen daar ook in ander verband – bij punt 20 – nog nader op terug. (2) Met de vermelding “Nieuwvestiging van verblijfsrecreatie als hoofdfunctie wordt niet toegestaan.” wordt slechts een deel van de gelende voorwaarde vermeld. Opvallend is wel dat het deel “verblijfsrecreatie kan als nevenactiviteit kan worden overwogen, ingeval die “onderscheidend”, “kleinschalig” en “ondergeschikt” hier is weggelaten. 

In beide gevallen is evident sprake van onvolledige informatie, ogenschijnlijk met de bedoeling om discussies te vermijden tijdens de geplande raadsconsultatie.

Anders gezegd: het lijkt er sterk op dat de raad min of meer om de tuin werd geleid, in dit geval de vm. Euregiotuin, terwijl bovendien vraagtekens moeten worden gesteld bij de wijze waarop de ingediende plannen aan de raad zijn “gepresenteerd”: een presentatie door middel van enkele steekwoorden per plan.

15. De steekwoorden-presentatie vertoont een onaanvaardbare mate van subjectiviteit. Met nog eens een uitdrukkelijke verwijzing naar het bij aanvang van de Prijsvraag door het college van B&W genomen “… besluit dat er breed naar mogelijkheden gekeken mag worden (de passage dat de voorkeur uitgaat naar een invulling die aansluit bij de recreatieve functie, vervalt daarmee)” zijn hieronder enkele delen van de ten behoeve van de raadsbijeenkomst van 6 november 2017 samengestelde presentatie weergegeven en voorzien van ons commentaar. Tevens verwijzen wij naar de eerder (bij vraagpunt 7) door ons bekritiseeerde, door de ambtelijke werkgroep vastgestelde en toegepaste criteria, te weten: (a) de meerwaarde voor Oostburg en/of de regio, (b) het onderscheidend vermogen van het plan, (c ) de ruimtelijke invulling en de benutting van het perceel, (d) het openbare of gesloten karakter van het plan en (e) de sociaal/maatschappelijke aspecten. PLAN: Zonnepark (het plan van GroEnergie Groep B.V. / ondergetekende De Fouw) Planpresentatie:

“Hoofdgebouw krijgt geen functie”

Kansen en risico’s:

“Huidige inrichting van het park en openbaar karakter gaan verloren.” “Bod met voorbehoud van financiering.” “Potentie van de locatie wordt niet benut.”

Commentaar:

De stelling “Hoofdgebouw krijgt geen functie” is onvolledig en daarmee onjuist. Voor het beoogde zonnepark had het hoofdgebouw inderdaad geen concrete functie, maar in het plan GroEnergie wordt op pagina 10 een zestal (!) alternatieven aangedragen voor commerciële of niet-commerciële verhuur van dat gebouw. De vraag of een ingediend plan het “openbaar karakter” van de vm. Euregiotuinen respecteert is weliswaar het enige, door de werkgroep geïntroduceerde criterium dat als objectief en toestbaar criterium is te beschouwen, maar wij bestrijden het achteraf introduceren van een dergelijk criterium èn de gemeentelijke aanname dat de Euregiotuinen voorheen een openbaar karakter hadden. Dat de “huidige inrichting” van het park verloren gaat is een vaststelling, die gebaseerd is op een – niet vooraf uitgesproken - streven of vereiste dat die inrichting deels of grotendeels gehandhaafd zou moeten blijven., terwijl een dergelijke vereiste zich overigens niet verdraagt met de beoogde “breedte” in de Prijsvraag. Het GroEnergie-bod is inderdaad gedaan onder voorbehoud van financiering. Vooraf is niet bekend gemaakt dat een dergelijk, normaal zakelijk voorbehoud niet kon worden gemaakt of in elk geval tot een negaieve beoordeling zou leiden.

11

In het plan is overigens duidelijk gemaakt, dat er een bankfinanciering beschikbaar zou zijn, mits het project een subsidietoezegging zou verkrijgen op grond van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproduktie (SDE), welke subsidie pas kon worden aangevraagd op basis van een voor het project verkregen bouwvergunning. In latere correspondentie heeft het college van B&W met betrekking tot dit plan en de noodzakelijke subsidie uitdrukkelijk gesteld, dat “...het plan zichzelf dus niet kon bedruipen.” . Het is stuitend om te moeten vaststellen dat de gemeente Sluis aan de toepassing van de betreffende stimuleringsregeling onjuiste conclusies verbindt, omdat de gemeente wist, althans behoorde te weten dat de SDE-subsidie zou worden verleend in de vorm van een bodemprijs-garantie en niet als dekking voor een vooraf bekend exploitatietekort. Ingeval van een vooraf bekend exploitatietekort zou immers ook geen sprake zijn geweest van een beschikbare bankfinanciering. Het gegeven dat GroEnergie met een bedrag van € 850.000 de hoogste bieding heeft neergelegd met daarnaast een jaarlijkse bijdrage van € 25.000 aan maatschappelijke doeleinden, heeft daarom een onjuiste beoordeling gekregen. De beoordeling “Potentie van de locatie wordt niet benut.” is een volstrekt subjectieve, en daarmee onhoudbare beoordeling.

PLAN: Park Euregiotuinen (winnend plan) Planpresentatie:

“Combinatie van dagrecreatie en verblijfsrecreatie. Nadruk op dagrecreatie.” “Activiteiten passend bij locatie: muziek, kunst, culinair, sportief.” “Deels vast programma, deels flexibel. Afhankelijk van seizoen/trends/bezoekers.” “Belevingstuinen, 15-20 glamping eenheden, enkele groepsaccommodaties, evenementen, broedplaats voor ideeën en visies.” “Optie: realisatie van twee à drie woningen aan de Nieuwstraat. In overleg met de gemeente.”

Kansen en risico’s:

“Regionale functie voor zowel toeristen als inwoners.” “Behoud openbaar karakter.” “Speelt in op behoefte slechtweervoorzieningen.” “Verbinding tussen kust en achterland.” “Bestaande elementen van de locatie worden als basis genomen.” “Bestaande ondernemer uit de streek, laag afbreukrisico.” “Nadere afspraken over 2/3 woningen.”

Commentaar:

De stelling “Nadruk op dagrecreatie” gaat volledig en ten onrechte voorbij aan de discussie over (de mate van ) verblijfsrecreatie als ondergeschikte nevenactiviteit, terwijl juist de verblijfscomponent concreet wordt gemaakt (15-20 glamping eenheden, enkele groepsaccommodaties) en de hoofdactiviteiten (dagrecreatie, passende activiteiten als muziek, kunst, culinair, sportief, en belevingstuinen, evenementen, broedplaats voor ideeën en visies) allesbehalve worden geconcretiseerd en derhalve niet of nauwelijks kunnen worden afgewogen. Welke ondernemer voert een renderende onderneming met (o.a.) een “broedplaats voor ideeën en visies” en waarom is in dit geval de potentiële hinder van evenementen voor de directe omgeving niet als risico genoemd? Qua opgesomde kansen valt ook hier het “behoud openbaar karakter” op, Op “Bestaande ondernemer uit de streek, laag afbreukrisco” komen wij later in deze brief nog terug, Hetzelfde geldt voor de “Nadere afspraken over 2/3 woningen”.

12

PLAN: Healthpark Planpresentatie:

“Combinatie van wonen en zorg.” “100 tweepersoonsbungalows en 20 éénpersoonsbungalows van 100 m2.”

Kansen en risico’s:

“Komt neer op woningbouwontwikkeling, wat op basis van de verkoopadvertentie niet is toegestaan (wonen staat centraal, niet zorg).” “Risico planningslijst woningbouw”

Commentaar:

Het had in onze optiek de ambtelijke werkgroep gesierd om – rekening houdend met de beoogde “breedte” in de Prijsvraag – dit plan vanuit de component “zorg” te benaderen en te beoordelen. De stelling dat wonen centraal staat en niet de zorg doet het plan van de initiatiefnemer namelijk tekort. Net als bij – bijvoorbeeld – het appartementengebouw De Burcht in Oostburg het geval was en is, stond het thema “veilig en zelfstandigwonen mèt zorg op maat” centraal in dit, naar Amerikaanse voorbeelden ingericht planinitiatief.

PLAN: Crematorium Planpresentatie:

“Uitvaartcentrum met eigen crematorium en een parktuin met verschillende functies.”

Kansen en risico’s:

“Locatie leent zich voor realisatie van een uitvaartcentrum in combinatie met groene omgeving.” “Slechts een klein deel van het terrein wordt daadwerkelijk ingevuld. “Noodzaak voor dergelijke voorziening is minder urgent.”

Commentaar:

De “urgentie” van een bepaalde voorziening is – zeker in een breed opgezette Prijsvraag – in eesrte instantie een afweging die door de ondernemer zelf wordt gemaakt. Bovendien is dit subjectieve criterium niet in de checklist van de werkgroep opgenomen. Enerzijds wordt voor dit plan de “groen omgeving” – in de vorm van de parktuin met verschillende functies – als pluspunt ervaren, anderzijds wordt kennelijk als minpunt gewezen op het feit dat slechts een klein deel van het terrein daadwerkelijk wordt ingevuld. Wat werd hiermee nu feitelijk bedoeld ?

PLAN: Aanleg medicinale tuinen Planpresentatie:

“Bestaande onderneming met uitbreiding van concept.” “Aanleg tuinen met educatief karakter.”

Kansen en risico’s:

“Openbare toegankelijkheid staat nog ter discussie.”

Commentaar:

Ook hier blijkt dat de gemeente hecht aan een openbaar karakter, zonder dat dat als criterium vooraf is gesteld, en zonder dat dat tijdens de exploitatie van de Euregiotuinen aan de orde was !

PLAN: Fruittuinencomplex (het plan van ondergetekende Faes) Planpresentatie:

“Gedeeltelijke overname van de gronden. “Belevingscentrum met fruitteelt en streekproducten als thema’s.” “Realisatie van 15 trekkershutten en enkele camperplaatsen.”

Kansen en risico’s:

“Geen marktconforme prijs.” “Gedeeltelijke afname terrein.”

Commentaar:

De deelname van Faes aan de Prijsvraag was bij voorbaat kansloos, door zijn

13 “symbolische bieding” die voortkwam uit diens frustratie met betrekking tot de gang van zaken in de IOVK-periode. De oorsprong van die frustratie wordt hieronder nader toegelicht onder H. Intentieovereenkomst (2014-2015). 

Zeker nu in afwijking van de eerder vastgestelde procedure het college vn B&W besloot om – alvorens een definitief gunningsbesluit te nemen – de Raad te consulteren, zijn wij van mening dat de Raad in dit geval veel beter – en objectiever - geïnformeerd had kunnen en had moeten worden en dat de raadsconsultatie op een transparantere manier had moeten plaatsvinden. De vraag waarom juist voor een besloten raadsvergadering is gekozen en voor “slechts” een steekwoorden-aanpak èn de vraag waarom er bij de keuze van bepaalde steekwoorden evident voor een iets andere, meer sturende insteek is gekozen verdienen het wel om beantwoord te worden.

G. BE(V)OORDELING VAN HET WINNENDE PLAN Zoals eerder gesteld leveren wij bij deze brief alle openbare stukken ter zake van de Prijsvraag aan, zodat in het kader van de behandeling van onze klachten over een breder beoordelingskader kan worden beschikt dan dat op 6 november 2017 door het college van B&W in de vorm van de “steekwoorden-presentatie” werd aangeleverd aan de raad. Dit teneinde u in staat te stellen om een juist beeld te vormen omtrent de beoordeling – en naar onze mening aantoonbare bevoordeling – van het winnende plan. Op de eerste plaats valt op, dat – anders dan bij de meeste, zo niet alle andere deelnemende plannen het geval is – het door de winnaar ingediende plan meer te beschouwen is als een “planidee” dan als een concreet plan. Het winnende plan betreft immers feitelijk niet meer dan een opsomming van ideeën en mogelijkheden, terwijl alle andere indieners concretere – en dus per definitie beter te beoordelen – plannen hebben ingediend. De ondergeschikte nevenactiviteit – verblijfsrecreatie – lijkt het meest concrete onderdeel. Op de tweede plaats valt een aantal zaken op met betrekking tot de beoordeling van het winnende plan, zoals die door de ambtelijke werkgroep blijkens de ambtelijke nota d.d.

4 oktober 2017 als volgt is gegeven: “Dit plan richt zich op een combinatie van dag- en verblijfsrecreatie, gebaseerd op de elementen verpozen, verblijven, beleven, samenzijn en broedplaats voor ideeën en visies.” In de beoordeling wordt vervolgens de volgende - positieve - opsomming gegeven: (a) een nieuw park voor dagrecreatie een regionale functie heeft voor zowel toeristen als inwoners; (b) bestaande elementen van de locatie als basis worden genomen; (c) voor elk van de vijf elementen is beschreven hoe en waar hier invulling aan te geven; (d) de organisatie van evenementen een positieve bijdrage kan leveren aan de streek; (e) het bod licht de boekwaarde overstijgt en (f) het een bewezen ondernemer betreft.” De eerste beoordeling - sub (a) - toont in elk geval aan dat de voorkeur voor een ontwikkeling in de recreatieve sector zowel op ambtelijk als bestuurlijk vlak in elk geval nog enige voorkeur bleef houden, ondanks de expliciete zinsnede (zie bij vraagpunt 6) in het B&W-besluit van 24 mei 2016 omtrent het uitschrijven van de Prijsvraag “… dat er breed naar mogelijkheden gekeken mag worden (de passage dat de voorkeur uitgaat naar een invulling die aansluit bij de recreatieve functie, vervalt daarmee).”. Uit de geciteerde planbeoordeling blijkt overigens dat het element “verblijfsrecreatie” als een wezenlijk projectonderdeel is meegewogen.

Sterker nog, wij zijn van mening dat dat onderdeel het enige concrete verdienmodel vormt in het winnende plan.

16. “Verblijfsrecreatie-component” niet getoetst aan deelnamevoorwaarden Prijsvraag. Met de kwalificering “een nieuw park voor dagrecreatie een regionale functie heeft voor zowel toeristen als inwoner” verkrijgt het plan een eerste positieve benadering. “Dit plan richt zich op een combinatie van dag- en verblijfsrecreatie, gebaseerd op de elementen verpozen, verblijven, beleven, samenzijn en broedplaats voor ideeën en visies.” Het valt op dat de ambtelijke werkgroep hier volledig voorbij gaat aan een belangrijke, voor deelname aan de Prijsvraag gestelde voorwaarde, namelijk dat “verblijfsrecreatie als hoofdfunctie niet mogelijk is; verblijfsrecreatie, mits kleinschalig en onderscheidend en als nevenactiviteit bij een andere hoofdactiviteit

14 wordt overwogen”. Ten onrechte is noch in de ambtelijke, noch in de bestuurlijke beoordeling aandacht geschonken aan de (sub-)criteria “kleinschalig”, “onderscheidend” en “nevenactiviteit”. Anderzijds maakt de werkgroep niet duidelijk hoe de levensvatbaarheid van de “combinatie van dag- en verblijfsrecreatie, gebaseerd op de elementen verpozen, verblijven, beleven, samenzijn en broedplaats voor ideeën en visies” is beoordeeld, anders dan op basis van bedrijfsvoering op het gebied van verblijfsrecreatie.  Dit roept de vraag op in hoeverre de winnaar de levensvatbaarheid van zijn plan op basis van de dagrecreatieve (en openbare ?) functie en op basis van de “elementen verpozen, beleven, samenzijn en broedplaats voor ideeën en visies.” heeft aangetoond en in hoeverre de exploitatie van de verblijfseenheden daaraan ondergeschikt zou zijn. Hoe en zo ja, op basis van welke gegevens is de vraag “kan dit plan zichzelf bedruipen” in dit geval beantwoord ?

De beoordeling sub (b) “bestaande elementen van de locatie worden als basis genomen” is weliswaar als positief punt naar voren gebracht, maar betreft in feite een nietszeggende constatering, waarbij wij opmerken dat een dergelijk beoordeling in meer of mindere mate voor alle plannen opgaat. De beoordeling sub (c) “voor elk van de vijf elementen is beschreven hoe en waar hier invulling aan te geven”betreft de - positieve - vaststelling dat voor elk van de 5 door de betreffende indiener genoemde elementen wordt aangegeven hoe en waar daar aan invulling wordt gegeven; ook hier dient te worden opgemerkt dat een dergelijk beoordeling in meer of mindere mate voor alle plannen opgaat; immers, elke deelnemer heeft in het eigen plan duidelijk gemaakt op welke wijze het object zou worden gebruikt. De beoordeling sub (f) dat het ingeval van de indiener van het winnende plan “een bewezen ondernemer betreft” geeft ons aanleiding om te spreken van “bevoordeling”, zonder overigens tegen te spreken dat de indiener van het winnende plan inderdaad als zodanig kan worden gekwalificeerd.

17. Beoordeling van ondernemers, niet van de ingediende plannen. Door in de boordeling uitdrukkelijk mee te wegen dat de indiener van het winnende plan “een bewezen ondernemer betreft” heeft men zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau de zelf gestelde grenzen van de beoordeling overschreden. Anders gesteld: men heeft de spelregels tijdens het spel gemakshalve aangepast! Waar het in het onderhavige geval gaat om een Prijsvraag voor het “kwalitatief beste plan en bod” past het immers niet om deze ondernemer als enige van de deelnemers persoonlijk te beoordelen. Bovendien is een dergelijk criterium allesbehalve “objectief en toetsbaar”. En juist door de winnaar als enige als ondernemer te beoordelen zijn - per definitie – alle andere deelnemers aan de Prijsvraag door ambtenaren en bestuurders gediskwalificeerd ! Ten onrechte!  Het is in onze optiek echter geen toeval dat de gekozen werkwijze qua beoordeling in het voordeel is uitgevallen van de winnaar. Dat de kwalificatie “bewezen ondernemer” overigens niet per ongeluk in de beoordeling is meegenomen blijkt wel uit het gestelde in de B&W-brief van 11 augustus 2022 8 aan GroEnergie Groep, waarin in het kader van de Woo-procedure halverwege pagina 4/8 het volgende wordt gesteld, waarbij wij met name wijzen op het door ons onderstreepte tekstgedeelte: “In de documenten 5 tot en met 23 staan bedrijfsgegevens.

Deze informatie is door inschrijvers verstrekt naar aanleiding van een marktconsultatie ten behoeve van een aanbesteding. Deze partijen zijn vervolgens tegen elkaar afgewogen naar aanleiding van de ingezonden informatie, als het gaat om onder andere prijs en kwaliteit.”  Mocht achteraf door de gemeente Sluis worden beweerd dat die door ons onderstreepte zinsnede een misstelling is, dan is die bewering bij voorbaat ongeloofwaardig. Immers, er is uitdrukkelijk naar de 8

Bijlage VII – Het aanvankelijke B&W-besluit d.d. 11 augustus 2022 op het Woo-verzoek

15 partijen gekeken, getuige de eerder genoemde, door de werkgroep met betrekking tot de winnaar getrokken conclusies “Bestaande ondernemer uit de streek, laag afbreukrisco” en “Bewezen ondernemer”.

18. Kwalificatie “bewezen ondernemer” is gekoppeld aan een niet toegelaten hoofdactiviteit. Daar komt nog bij dat de betreffende ondernemer zich inderdaad heeft bewezen, maar daarbij dient te worden aangetekend dat dat is gebeurd in de verblijfsrecreatie- branche, en laat dat nu nèt een activiteit zijn die in het kader van de Prijsvraag niet toelaatbaar werd geacht, “tenzij kleinschalig en onderscheidend en als nevenactiviteit bij een andere hoofdactiviteit”. 

Daarmee komt dus niet alleen de toevoeging van dit criterium ter discussie te staan, maar ook de waarde van die kwalificatie in het geval van de winnaar.

Zoals al bij vraagpunt 16 is aangegeven vertoont de besluitvorming met betrekking tot de uitslag van de Prijsvraag geen enkel spoor van expliciete bestuurlijke overwegingen met betrekking tot het alsnog toestaan van verblijfsrecreatie. 

Bent u met ons van mening dat grote vraagtekens moeten worden gesteld bij het ontbreken van dergelijke expliciete bestuurlijke overwegingen ?

Die vraagtekens plaatsen wij in ieder geval wèl. En voor zover u op dit punt van deze brief nog niet overtuigd zou zijn van het gegeven dat wel degelijk sprake is geweest van een onaanvaardbare mate van subjectiviteit, geldt het volgende punt als illustratie.

19. Discutabele bestuurlijke afweging m.b.t. nevenactiviteit verblijfsrecreatie : “too little, too late”

16 Op 2 november 2023 is het bestemmingsplan Regiopark Oostburg vastgesteld. Dat bestemmingsplan vormt de planologische vertaling van het winnende plan. In de Toelichting van dat bestemmingsplan wordt de link met de Prijsvraag als volgt aangegeven: “Medio 2017 schrijft de gemeente Sluis een prijsvraag uit en nodigt belangstellenden uit een bod te doen op de gronden met een plan voor de ontwikkeling van de gronden. De beste inschrijving op de prijsvraag wordt gedaan door Van Damme Recreatie.“ Daarmee wordt de Raad in openbaarheid in ieder geval geen extra inhoudelijke informatie verstrekt over de Prijsvraag ten opzichte van de – in beslotenheid behandelde – steekwoorden-presentatie. 

Daarmee verkreeg de aanleiding tot de vaststelling van het bestemmingsplan naar onze mening te weinig openbare aandacht.

Het raadsvoorstel bevat o.a. de volgende tekst (onderstreping door ondergetekenden): “Verblijfsrecreatie Vanuit de omgeving worden zorgen geuit over de mogelijke (geluids)overlast van het groepskamperen op de locatie. Tevens bestaat er twijfel over de omvang van het aanbod van verblijfsrecreatie. De vraag is of het aanbod van verblijfsrecreatie ondergeschikt is binnen de totale bedrijfsvoering. Als dit niet het geval is, is er sprake van nieuwvestiging van een verblijfsrecreatief bedrijf en dat is beleidsmatig uitgesloten. Eén van de bezwaren tegen het groepskamperen is dat er jaarlijks in de periode van 15 maart tot en met 15 november volcontinu groepskamperen van maximaal 200 personen kan plaatsvinden. Om die reden worden de regels op dit punt aangepast: na het verblijf van een groep is in de daaropvolgende nachten groepskamperen niet toegestaan. Het aantal nachten dat dan groepskamperen niet is toegestaan, is gelijk aan het aantal nachten dat de voorafgaande groep is verbleven plus één nacht. Over de vraag of het aanbod van verblijfsrecreatie ondergeschikt is binnen de totale bedrijfsvoering is extern advies ingewonnen. Op basis van dit advies kan geconcludeerd worden dat er in ruimtelijke zin sprake is van ondergeschiktheid van verblijfsrecreatie.” Dat betreft dan een advies9 d.d.

25 juni 2022 van Van Nuland & Partners, welk bedrijf zich als consultancy voornamelijk richt op recreatiebedrijven en zich als erkend RECRON TOP -Adviseur in de markt presenteert. Duidelijk is dat het college van B&W zich in het kader van het voorstel tot vaststelling van dat bestemmingsplan toch heeft willen vergewissen van de haalbaarheid van het (winnende) plan qua ondergeschiktheid van de component verblijfsrecreatie, al had dat – zoals eerder door ons gesteld – uitdrukkelijk in het kader van de Prijsvraag moeten plaatsvinden. In de inleiding van dat advies is vermeld: “Gemeente vraagt een advies over de vraag of de voorgestelde verblijfsfrecreatieve activiteiten ondergeschikt zijn aan de overige activiteiten. Deze vraag is relevant omdat nieuwvestiging van verblijfsrecreatie beleidsmatig is uitgesloten”. Dat advies bevat enkele opvallende conclusies, zoals: ▪ “Vraag is of in het bedrijfsconcept de economische waarde van de dagrecreatie, horeca en evenementen hoger is dan die van de verblijfsrecreatieve activiteiten. Op deze vraag is geen eenduidig antwoord te geven. Van de verblijfsrecreatie is een raming te maken op basis van bezetting en tarieven. (…) Voor de overige activiteiten is een omzetraming niet aan te geven.” ▪ “Conclusie is dat op een gebied van in totaal 13 ha maximal 1,8 ha met verblijfsrecreatie wordt benut (14%).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=cfdd0b83-c2be-4810-bdfa-493901b0820d