02d Het Zeeuwsche Lanschap - Beheerplan Wallen van Aardenburg
Tekst van het document
28
Figuur 17 Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van West-Zeeuws Vlaanderen. In groen is het provinciale Belvedère project in dit gebied aangegeven en in paars de Staats-Spaanse linies.
3.6
Bestemmingsplan
In het gemeentelijke bestemmingsplan zijn de wallen deels opgenomen als cultuurmonument, deels natuurmonument en hebben deels nog een agrarische bestemming. De gemeente wil echter inzetten op vermindering van de landbouw een grotere rol voor de natuur en cultuur. De kern van Aardenburg is aangeduid als een cultuurhistorisch monument. 3.7
Recreatie
In de gemeentelijke visie op woningbouw wordt het wallencomplex gezien als recreatieruimte van een “compact Aardenburg binnen groene vestingwerken”.36 Deze visie kan worden versterkt door het doortrekken van de bestaande paden. In de provinciale Cultuurnota37 wordt gesteld dat de cultuurhistorie een toegevoegde waarde aan het toerisme in een gebied kan leveren. Als actiepunt wordt het fysiek openstellen van cultuurhistorische objecten genoemd, door middel van wandel en/of fietspaden en voorlichting.38Ook in het provinciale Natuurgebiedsplan 2005 wordt de toegankelijkheid van een (natuur)gebied benadrukt. Alle natuurgebieden binnen de EHS die voldoen aan de normen voor ontsluiting en toegankelijkheid komen dan ook in aanmerking voor subsidie.
36
Meerding 2006 Provincie Zeeland 2005b 38 Provincie Zeeland 2007, 24 37
29
4 Externe ontwikkelingen 4.1
Recreatie
Aangezien de plangebieden de stadkern omringen, zijn ze beeldbepalend en leveren een groot aandeel aan het karakter van de stad Aardenburg. Aangezien de eerste indruk zeer belangrijk is, kan een goede, publieksvriendelijke inrichting als trekpleister voor de stad gaan dienen. De gebieden bieden de stad een groene uitstraling, waarbij nadruk op de oorspronkelijke functie van de wallen en de rol van Aardenburg in de geschiedenis van de regio een meerwaarde biedt. De stadsraad dringt al lange tijd aan op het doortrekken van de huidige wandelroutes. Vanuit de gemeente is de wens om de historie van de stad zichtbaar te maken. Essentieel hierbij is de toegankelijkheid van het gebied doormiddel van paden. Ook de ondernemingsvereniging van Aardenburg (‘Ondernemend Aardenburg’) heeft recentelijk aangegeven mee te willen denken over de inrichting van het gebied.39 4.2
Waterhuishouding
Zoals geschetst in 2.4 is de waterkwaliteit momenteel verre van optimaal. De Europese Kaderrichtlijn Water voorziet in een verbetering van de waterkwaliteit voor 2015. De minimumeisen die de gemeente uit praktisch oogpunt hanteert voorzien echter in een stand still van de huidige situatie. De capaciteit van de riolering wordt vergroot en verschillende overstorten worden gemoderniseerd. De werkzaamheden zijn dit jaar gestart en worden gefaseerd uitgevoerd tot 2011. Voor de overstorten in de plangebieden zijn de volgende ingrepen voorzien: De overstort in deelgebied Zuid zal de toekomst verdwijnen. Hiervoor in de plaats wordt een bergbezinkbassin aangelegd in de Wandeldreef. Alleen bij zeer grote piekbelasting zal hier overstort plaatsvinden. 40 Dit zal de waterkwaliteit in de sloten rondom deelgebied Zuid doen toenemen. In deelgebied Zuidoost liggen twee kleinere gemengde overstorten. Ook hier zijn geen ingrepen gepland, omdat daar momenteel geen negatieve gevolgen van blijken. De sloten lijken snel af te wateren, zodat eventueel vervuild water snel uit het gebied stroomt. In deelgebied Noord worden voor de overstort in het noordwesten (Peurssenstraat) diverse aanpassingen overwogen in verband met een provinciaal verdrogingsproject41. Voor dit project wordt door HZL overleg gevoerd met de gemeente Sluis, Provincie Zeeland en het Waterschap Zeeuws- Vlaanderen.
Indien dit project wordt goedgekeurd, zal de overstort niet langer op de sloot ten noorden van de wallen worden aangesloten, maar worden afgeleid richting de Aardenburgse Havenpolder. Hierdoor kan het waterpeil in het gebied ten noorden van de wallen omhoog. Dit wordt momenteel door de provincie ingericht als nieuwe natuur. Deelgebied Oost is gekoppeld aan de afvoer van overstort Markt. Deze overstort blijft een gemengde overstort, maar het debiet halveert door een grotere opvangcapaciteit van de rioolbuizen. Aan de waterkwaliteit wordt echter niets veranderd. Als extra ingreep om de waterkwaliteit in de natuurgebieden te verbeteren wordt hier in het hiervoor genoemde verdrogingsproject gedacht aan het afkoppelen van de natuurgebieden en het versneld afvoeren van het rioolwater richting de polder middels een duiker onder het gebied door. Niet 39
Brief dd. 31 december 2007 Zoals verwoord tijdens een overleg dd. 6 feb 2008 door Mw. A. van Harteveld en Dhr. J.A. Arendse, Gemeente Sluis 41 R. Hollebrandse, Verslagpunten overleg regenwaterafvoer en riooloverstort Aardenburg 19 augustus 2008, 13:30 te Oostburg, Gemeente Sluis 40
30
alleen de waterkwaliteit neemt hierdoor toe, maar ook de waterstand in deelgebied Oost kan dan gestuwd worden tot ca. +0,50 m NAP. In deelgebied Zuid is het wenselijk om de sloot die tussen Fort Grotendorst en de Oude Stad loopt in ieder geval af te koppelen, maar bij voorkeur ook te dempen, om verdroging tegen te gaan. Dit is vooralsnog echter niet gepland. 4.3
Project Staats-Spaanse Linies
Het provinciale Belvedère project Staats-Spaanse Linies is een poging om de geschiedenis van Zeeuws-Vlaanderen te visualiseren in het kader van de toewijzing als Nationale Landschap. Hierbij zijn de restanten van deze linies als beeldbepalende elementen aangegeven in de CHS, zodat ze elkaar versterken en een samenhang tussen de geïsoleerde elementen ontstaat. Daarnaast zijn ook in het kader van de toewijzing als Nationaal Landschap de reconstructie van de Bordeelschans bij Draaibrug en de laatste fase van de herinrichting van de Aardenburgse Havenpolder voorzien (zie 4.5). Door samenwerking met verschillende partijen in Zeeland en in West-Vlaanderen is gebruik gemaakt van de Europese INTERREG III subsidie, die in 2005 is goedgekeurd. Er was onder meer voorzien in de reconstructie van enkele elementen, zoals de Olieschans. Momenteel heeft het project vooral een informerende functie, waarbij deze geschiedenis wordt overgedragen door infopanelen ter plekke, op Internet en door wandelroutes over de individuele vestingen en fietsroutes langs de verschillende linies en schansen in ZeeuwsVlaanderen en aangrenzend België.42 Hierdoor wordt de samenhang tussen de verschillende steden en linies zichtbaar gemaakt en in de tijd geplaatst.
Er is inmiddels sprake van een nieuwe aanvraag binnen INTERREG IV, waarbij men zich concentreert op recreatievoorzieningen (fietsroutes en wandelpaden) en informatiepanelen bij de verschillende objecten. 4.4
Rondweg Aardenburg
In het kader van het project Duurzaam Veilig West Zeeuwsch-Vlaanderen is een rondweg ten oosten van Aardenburg gepland, ter vervanging van de huidige weg dwars door de kern (Figuur 18). De gebieden ten zuiden en westen van de rondweg, aansluitend op deelgebieden Noord en Zuidoost (Smedekensbrugge), zijn opgenomen als nieuwe natuur en deels natuurcompensatie in het provinciale Gebiedsplan Zeeland. Gedeeltelijk vallen deze gebieden binnen de EHS (figuur 16), maar de beoogde natuurcompensatie bij Smedekensbrugge is hier niet in opgenomen. In deze projecten wordt voorzien in uitbreiding van de leefgebieden van de Boomkikker en Kamsalamander, door de aanleg van kikkerpoelen. Voor de locatie van deze poelen wordt gekeken of kreekruggen en de voormalige buitengrachten van de vesting gebruikt kunnen worden. Het gaat ook in dit project om de aanleg voor natte natuur, zodat een groot aaneengesloten gebied zal ontstaan en meer mogelijkheden om de grondwaterstand in beide gebieden te verhogen en sloten af te koppelen. Hiervoor zijn al initiatieven in ontwikkeling (zie 4.2).
Dit project is op dit moment grotendeels afgerond, de inrichting is in grote lijnen bekend (Figuren 19 en 20), hoewel op sommige plaatsen nog aanvullend onderzoek zal moeten worden verricht om te zien of de geplande verdieping mogelijk is uit archeologisch oogpunt en technisch zinvol is vanwege de huidige lage waterstand. Na inrichting worden de gebieden overgedragen aan Het Zeeuwse Landschap. 42
http://www.staatsspaanselinies.nl/
31
Figuur 18 Ligging van de voorgenomen rondweg.
In mei 2008 is het inrichtingsplan door de Provinciale Staten aangenomen en is de nota openbaar geworden. Of het project vervolgens wordt uitgevoerd, hangt echter af van de aanleg van de rondweg, waarover ook nu nog altijd geen duidelijkheid bestaat. De procedure ligt momenteel stil in afwachting van een definitieve uitspraak van de Raad van State.
Figuur 19 Inrichting deelgebied 1, direct ten noorden van deelgebied Noord in dit rapport.
32
Figuur 20 Inrichting deelgebied 2, direct ten zuiden van deelgebied Zuidoost/ Smedekensbrugge in dit rapport. De pijlen geven gewenste verbindingen aan tussen de gebieden, waarbij ook een natte passage onder de rondweg is gepland (in blauw)
4.5
Natuurontwikkeling Aardenburgse Havenpolder
De noordelijke helft van de Aardenburgse Havenpolder, ten noordwesten van deelgebied Noord, krijgt een natuurfunctie in het kader van verschillende projecten. Een deel is bestemd als Nieuwe Natuur als onderdeel van de EHS, een ander deel geldt ter compensatie van de wegenaanleg voor het Project Veilig West Zeeuwsch-Vlaanderen. De beoogde fauna omvat Boomkikker, Kamsalamander, diverse vleermuizen, watervogels en kleine zoogdieren. De Aardenburgse Havenpolder maakt deel uit van een middeleeuws kreeksysteem, dat in het huidige plan deels wordt gereconstrueerd. De reconstructie omvat het uitdiepen van de jongste loop door de haven, aangezien deze door opslibbing geleidelijk sterk is opgehoogd en gedeeltelijke reconstructie van de westdijk. Hierdoor zal de haven weer laag in het landschap komt te liggen. De geul wordt in een meanderend patroon aangelegd, waarbij de geul alleen in de winter volledig watervoerend wordt, en in de zomer grotendeels droog zal vallen. In de naastgelegen voormalige slikken worden lokaal kikkerpoelen aangelegd en struiken gepland. Ook op de dijken worden struiken aangeplant. Het aan te planten struweel bestaat op de dijken uit 20% Hondsroos, 40% Eenstijlige meidoorn, 30% Sleedoorn en 10% Koebraam.
33
Langs de poelen uit 30% Hondsroos, 40% Eenstijlige meidoorn, en 30% Koebraam.43 Na inrichting worden de gebieden overgedragen aan Het Zeeuwse Landschap. 4.6
Olieschans
De Olieschans was oorspronkelijk een vooruitgeschoven verdedigingswerk van de Spaanse bezetters, dat tussen 1600 en 1604 werd aangelegd. Toen de stad in 1604 in Staatse handen kwam is de schans verder versterkt. De schans verloor vrij snel haar functie en werd in 1672 verkocht en vervolgens afgebroken. Op luchtfoto’s van vóór de latere reconstructie zijn de contouren echter nog duidelijk zichtbaar. Al in 2003 zijn de eerste plannen gemaakt om de grond die vrij zou komen bij de aanleg van de rondweg te gebruiken voor de reconstructie van het verdedigingswerk. De rondweg is nog altijd niet aangelegd, maar het Europese project ‘Staats-Spaanse Linies I’ bood uitkomst. Eind 2006 is het fort gereconstrueerd in samenwerking met de Menno van Coehoornstichting. Drie van de vier bastions werden gerestaureerd en een groot gedeelte van de gracht opnieuw uitgegraven. De gracht werd minder diep en breed uitgegraven dan hij oorspronkelijk was, zodat eventuele onderliggende archeologische vindplaatsen niet verstoord werden. Deze gracht zal geleidelijk met riet begroeid raken. De buitenwallen werden niet hersteld. Allereerst omdat daar niet overal ruimte voor was, maar ook omdat het fort visueel aantrekkelijker is zonder die buitenwal. Ten oosten van de schans zijn 3 boomkikkerpoelen aangelegd. Daarlangs zijn inheemse struiken aangeplant, waaronder Meidoorn en Braam44.
De grond is na de inrichting overgedragen aan Stichting Het Zeeuwse Landschap. De inrichting is nog niet helemaal naar wens, er zijn plannen om de reconstructie bij te stellen. 4.7
Elderschans
De Elderschans is, net als de Olieschans, een vooruitgeschoven verdedigingswerk, dat ook uit 1604 dateert. In 1729 is de schans, die zijn verdedigende functie had verloren, ingericht als buitenverblijf, en werden allereerst een houten zomerhuis en bijbehorende dienstverblijven (keuken, koetshuis en stallen) gebouwd. In 1885 werd het huidige (stenen) herenhuis gebouwd. Het is de enige nog bestaande historische buitenplaats in Zeeuws-Vlaanderen.45 Het herenhuis, het park en het hek zijn als rijksmonument beschermd. De laan (de Herendreef), het koetshuis en de stal zijn nog niet als monument opgenomen. Het oude park is ecologisch van grote waarde, door de rijke flora en fauna, zoals de oude, bemoste bomen en de vele soorten paddenstoelen. Bij het nieuwe inrichtingsplan is gekozen voor de monumentale buitenplaats als eerste prioriteit. Het plan voorziet in het herstellen van de functie als buitenplaats: het omringende verwilderde parkbos (in Engelse landschapsstijl) wordt gerenoveerd en als recreatiegebied aan de inwoners van Aardenburg ter beschikking gesteld. Hierbij worden de oude structuren en zichtlijnen zoveel mogelijk hersteld. De Staatse schans is hierbij een onderdeel van het 19e eeuwse park.
De oorspronkelijke verdedigingsfunctie wordt voor wandelaars echter inzichtelijk gemaakt door een wandelpad over noordelijke deel van de wal, met aangepaste beplanting en vrij uitzicht over de polder.
43
DLG 2007 Provincie Zeeland 2005c 45 Aschman et al. 2007, 9 en 21 44
34
5 Het beheer tot nu toe 5.1
Aankoopgeschiedenis
De Wallen van Aardenburg worden gekenmerkt door een complexe aankoopgeschiedenis (Tabel 1). Het gebied kent veel kleine percelen, die zeer geleidelijk in het bezit zijn gekomen van Het Zeeuwse Landschap. Hierdoor is het lange tijd lastig geweest om een integraal beheerplan op te stellen, omdat de gebieden geen aaneengesloten geheel vormden en rekening gehouden moest worden met aangrenzende landbouwpercelen en hun eisen aan de grondwaterstand en afwatering. Stichting Het Zeeuwse Landschap heeft de eerste twee percelen van de Wallen van Aardenburg verworven in 1991. Deze twee percelen liggen in het zuidelijk deel van de wallen. Hierin ligt een belangrijke kikkerpoel (Kloosterwei: het oude begijnenhof). Hierna zijn geleidelijk steeds meer percelen in het bezit van het landschap gekomen. In 1992 werd de noordelijke strook grond van het Kloosterwei-perceel verkocht voor de aanleg van een bredere waterloop tussen oude stad en stadswal. In 1993 werden braamstruwelen langs de poel aangeplant. In de periode 1994-1998 verwierf Het Zeeuwse Landschap het grootste deel van de noordelijk gelegen wallen door daar vijf percelen aan te kopen. In 1999 werden de twee zuidoostelijke percelen (Smedekensbrugge) verworven en in 2001 en 2004 de meeste van de oostelijke percelen. In 2007 zijn ten slotte nog zeven percelen verworven. Deze percelen sluiten aan bij de overige percelen.
De nieuwe percelen in het oostelijk deel van de wallen vormen een verbinding tussen het oostelijk en het noordelijk deel van de Wallen van Aardenburg. 5.2
Beheer
Het beheer heeft zich lange tijd gericht op extensivering van de landbouw, door de weiden te maaien en het maaisel af te voeren en door de gebieden te verpachten onder de conditie dat er geen kunstmest gebruikt zou worden en slechts door weinig vee beweid zou worden. Vanaf 1999 zijn diverse pogingen ondernomen om de gebieden Zuid en Noord verder in te richten voor de amfibieën, waarbij de aanleg van kikkerpoelen centraal stond. Deze pogingen zijn gestrand op de archeologische waarde van de gebieden, waardoor graafwerkzaamheden niet zonder meer werden toegestaan. Drie jaar later na aankoop van de noordelijke gebieden is gestart met de herinrichting. Op de noordelijke wal is een dubbele rij populieren gekapt en de beplanting aangepast. In 2000 zijn Zomereik en knotwilg en verschillende struiken aangeplant. Ook zijn toen de laagten in dit deelgebied vernat door de aanleg van verschillende dammetjes, die de afwatering van het gebied bemoeilijkten. Er is toen nergens verdiept. In 2004 zijn in samenwerking met Stichting Landschapsbeheer Zeeland de putten van Van Iwaarden en Hoogerwerf volledig geschoond en gebaggerd. Bij put Hoogerwerf is ook de opgeschoten beplanting verwijderd voor meer invallend zonlicht. Verder zijn in de tuin van deze voormalige autohandelaar diverse wrakken en auto-onderdelen verwijderd.
Momenteel bestaat het beheer van de gebieden uit extensieve beweiding door runderen (1,5 rund per ha), plaatselijk door onderhoud van de heggen (snoeien) en het regelmatig opschonen van de kikkerpoelen in de droge periode. Indien nodig wordt er aanvullend gemaaid, deels in verband met de distelverordening. Figuur 21 toont de tien verschillende beheereenheden en hun wijze van beheer.
35
Figuur 21 De beheereenheden, opgesplitst in type beheer.
5.3
Faunabeheer
Het jachtrecht is verhuurd aan een wildbeheereenheid voor eventuele schadebestrijding van naastgelegen percelen. Het gaat hier om zogenaamde 0-contracten, waarvan pas gebruik gemaakt mag worden bij gebleken schade. Echter altijd pas na toestemming van Het Zeeuwse Landschap.
36
6 Beheerplan Wallen van Aardenburg 6.1
Hoofddoelstellingen
De geschiedenis van Aardenburg is onlosmakelijk verbonden met innamen en belegeringen. De beroemdste vondst in de stadskern zijn de overblijfselen van een castellum, dat door de Romeinse bezetters is gebouwd. Vanaf de Middeleeuwen werden ter verdediging van de welvarende stad wallen opgericht, grachten gegraven en later zelfs polders onder water gezet. De natte omstandigheden vormden een ideale habitat voor de Boomkikker, waardoor in Aardenburg een grote populatie is ontstaan. Door grondwaterstandverlagingen en het dichtslibben van de grachten is het natte karakter van de stadswallen echter verdwenen. Hierdoor is niet alleen de historische aanblik van de stad veranderd, maar wordt ook de boomkikkerpopulatie in zijn voortbestaan bedreigd. 1. De hoofddoelstelling van dit beheerplan is de ontwikkeling van een optimaal habitat voor de Boomkikker en andere amfibieën, waardoor in het stadswallengebied een vitale populatie kan ontstaan die zich als kernpopulatie over de naastgelegen aan te leggen natuurgebieden kan verspreiden. De Boomkikker wordt in dit verband beschouwd als boegbeeld van een soortenrijk habitat, gevormd door kleinere graslandpercelen met drinkpoelen en watervoerende grachten, omsloten door struweel of een wallichaam. 2. Een tweede doelstelling is het zichtbaar maken van de verdedigingsfunctie van de stadswallen, door een deel van de grachten te reconstrueren.
Vanwege de alarmerende situatie van de Boomkikker wordt in eerste plaats alleen gewerkt aan het verdiepen van grachten. Later in deze beheerperiode zal een plan gemaakt worden voor een al of niet gedeeltelijke reconstructie van de wallen. Hierin zal worden verkend hoe de verdedigingsfunctie van de stadswallen verder zichtbaar wordt gemaakt. 3. Een derde doelstelling is het openstellen van de wallen voor publiek. 6.2
Lange termijnvisie
Aardenburg zal in de toekomst omringd worden door een aantrekkelijke groene, parkachtige randzone, waarin de voormalige verdedigingsfunctie van de wallen goed tot uiting komt. Door de aanleg van voldoende natte gebieden op historisch verantwoorde plaatsen zoals de oude grachten, vertoont de boomkikkerpopulatie op termijn in plaats van een daling weer een duidelijke groei. Door het gebied aantrekkelijk in te richten zullen de wallen tevens in gebruik zijn als wandelen groengebied voor de inwoners van Aardenburg. 6.3
Planperiode 2009-2020
De reconstructie van de oude grachten voorziet in de aanleg van natte gebieden, die het juiste habitat vormen voor de Boomkikker. Hiervoor zijn met name enkele ravelijngrachten geselecteerd. Voor sommige gebieden is grondverwerving essentieel, voor andere gebieden wenselijk. Het verwerven van belangrijke percelen heeft dan ook prioriteit. De beoogde volgorde van inrichting van de al verworven percelen is als volgt:
37
1. Aanpak plangebied zuidoost (Smedekensbrugge). Dit gebied heeft momenteel geen bijzondere flora en fauna, zodat hier, afgezien van de archeologie, geen belemmeringen lijken te zijn. 2. De ravelijnen in deelgebied Noord, ten westen en oosten van de Noordstraat (vooraf archeologisch onderzoek). 3. De oude stad in deelgebied oost. 4. De oude stad in deelgebied zuid. Hiervoor dient eerst nog grond te worden verworven. Bij voorkeur wordt hier eerst de westelijke sloot afgekoppeld om verdroging tegen te gaan. 6.4
Aankoopbeleid
Het huidige aankoopbeleid is gericht op de geleidelijke verwerving van alle gebieden binnen de wallen die binnen de EHS vallen. Enkele percelen zijn echter belangrijker dan andere, doordat die bijvoorbeeld een grondwaterstandsverhoging tegengaan, of doordat ze nodig zijn om een verbindingsweg op aan te leggen. Deze percelen zijn hieronder aangegeven in groen (Figuur 22). Zo zijn de in groen aangegeven percelen in deelgebied Noord momenteel in gebruik als akker, waardoor de grondwaterstand hier slechts beperkt omhoog kan. Perceel N460 in Zuidoost/ Smedekensbrugge is van belang voor de verbinding met de Akkerstraat. Dit perceel is momenteel al eigendom van Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL), het onderdeel van DLG dat toekomstige natuur aankoopt en aan natuurbeheerders overdraagt. De groene percelen in deelgebied Zuid verhinderen de afkoppeling van de sloot ten noorden van perceel H380. Deze sloot ligt op de plaats van de voormalige middeleeuwse gracht en zou dus verdiept en verbreed kunnen worden als alle belendende percelen in bezit van Het Zeeuwse Landschap zouden zijn.
Figuur 22 Aan te kopen percelen die belangrijk zijn voor een succesvolle uitvoering van dit beheerplan (aangegeven in groen).
38
6.5
Doelen in het beheersysteem
Naast de uitvoering van de hierna gemelde herinrichtingsmaatregelen zal invulling aan de beheerdoelstelling worden gegeven door de uitvoering van de desbetreffende beheertypen van Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer (SNL), zie 3.1.
39
7 Inrichting 7.1
Cultuurhistorie en archeologie: randvoorwaarden
Eén van de beperkende factoren voor de aanleg van kikkerpoelen is de locatie van het plangebied: in een archeologisch waardevol gebied. De plangebieden liggen verdeeld over de verschillende historische delen van de stad. Alle versterkingsfasen zijn in de percelen van Het Zeeuwse Landschap vertegenwoordigd (Figuur 23). Dit is vooral van belang omdat de mogelijkheden voor de aanleg van kikkerpoelen sterk afhankelijk is van de archeologische waarden van de gebieden.
Figuur 23 Aardenburg, opgedeeld in de verschillende versterkingsfasen.
De grachten hebben historisch een hoge waarde: ze maken deel uit van bij de beschermde stadskern. Reconstructie van deze grachten, door ze (deels) uit te graven, zal bijdragen aan de visuele waarde van het aangezicht van Aardenburg. Voor de plangebieden is in december 2007-januari 2008 een literatuuronderzoek en aanvullende kartering door middel van boringen uitgevoerd, waarin de ligging en globale dimensies van de oude grachten binnen en buiten de veste zijn vastgesteld.46 Deze grachten zijn nu opgevuld met veen en wadklei, maar zouden gebruikt kunnen worden om eventuele waterpartijen in de gebieden te realiseren.
46
Mol 2009
40
In de plangebieden gaat het voornamelijk om ravelijngrachten, aangezien de buitengrachten en de middeleeuwse grachten niet (volledig) op percelen van Het Zeeuwse Landschap liggen. Het afgraven van deze grachten moeten worden uitgevoerd door middel van archeologisch onderzoek. Hierbij moet gedacht worden aan proefsleuven, waarmee het exacte talud van de grachten wordt vastgesteld, waarna de grachten vervolgens zijwaarts verder kunnen worden aangelegd. Deze manier heeft allereerst als voordeel dat het oorspronkelijke talud zeer exact wordt vastgesteld en eventuele onderliggende oudere sporen (Middeleeuws en Romeins) aangetoond kunnen worden. Tevens betekent deze wijze van aanleggen dat de grachten een zandige basis zullen hebben, een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling van kansrijke kikkerpoelen, aangezien een kleiige bodem het water troebel maakt. In deelgebieden Noord en Zuidoost is verdieping mogelijk, na verder archeologisch onderzoek: In deelgebied Noord zijn ten westen en oosten van de Noordstraat ravelijngrachten uit 1621 aangetroffen, waarvan de diepte globaal 100 cm en de breedte 10-15 m bedragen (Figuur 24). De vulling bestaat binnen de wal uit humeuze klei of veen aan de basis, afgedekt door kleiige en zandige wadafzettingen, als gevolg van overstromingen.
De basis van de gracht ligt op -20 tot -50 cm NAP, dit zou net voldoende zijn voor een watervoerende gracht. In deelgebied Zuidoost (Smedekensbrugge) bedraagt de diepte van de ravelijngrachten, die uit 1604 dateren, 120-135 cm beneden maaiveld en de breedte minimaal 5 m. De vulling bestaat uit humeuze zandige klei. De basis van de gracht ligt hier op -10 tot -50 cm NAP (Figuur 25). In deelgebied Zuid is vooralsnog geen verdieping mogelijk zonder verder onderzoek en aankoop van nieuwe terreinen. De gracht is weliswaar aangetoond op perceel H333, maar deze ligt langs en onder een recente sloot die aan een perceel grenst dat niet in bezit is van Het Zeeuwse Landschap. De diepte van deze middeleeuwse grachten bedraagt minimaal 200-235 cm beneden maaiveld (-190 tot -200 cm NAP). De vulling is veen, afgewisseld met zand- en kleilagen. Omdat deze gracht grotendeels onder de huidige sloot ligt is de breedte daardoor niet vast te stellen. Deze grachten komen door hun locatie en hun zeldzaamheid echter voorlopig niet in aanmerking voor verdieping. Elders in dit deelgebied is ook geen locatie gevonden waar zonder verder onderzoek een poel kan worden aangelegd. Het onderzoek heeft geen andere locaties in de plangebieden aan kunnen wijzen waar ontgrond zou kunnen worden. Voor de noordelijke en zuidoostelijke plangebieden lijken de ravelijngrachten echter afdoende.
Voor het zuidelijk plangebied is de afwezigheid van andere potentiële locaties echter wel problematisch. Binnen het terrein zijn geen andere verdiepingsmogelijkheden. Er bevindt zich een archeologisch monument, het begijnenklooster, waarvan de grachten nog aanwezig zijn. Dit monument is in 2002 opnieuw gewaardeerd. Hierbij is geconstateerd dat het monument in goede staat verkeert en wordt de monumentenstatus van het terrein inclusief de grachten gecontinueerd. Hierdoor is uitdieping van deze grachten dus niet mogelijk. Het huidig gebruik levert geen bedreiging op.47 Ook Fort Grotendorst is archeologisch van hoge waarde (maar niet beschermd), waardoor ook daar geen verdiepingen kunnen worden gerealiseerd. Overigens heeft het bureauonderzoek ook uitgewezen dat de Middeleeuwse stad een zeer ruime begrenzing kende. Dat betekent dat sommige delen binnen de omwalling nooit bewoning hebben gekend. Wellicht kan in de toekomst verder archeologische onderzoek in de 47
de Haan 2002
41
vorm van proefsleuven een locatie in het oosten of zuiden aanwijzen waar geen huizen hebben gestaan, zodat de kosten voor verder archeologisch onderzoek beperkt zullen blijven.
Figuur 24 Twee geologische doorsneden door het meest westelijke ravelijn in deelgebied Noord. Aan de westzijde is de opgevulde buitengracht aangetroffen, aan de oostzijde de ravelijngracht. 48
48
Mol 2009
42
Figuur 25 Drie geologische doorsneden door het ravelijn in deelgebied Zuidoost/ Smedekensbrugge, waarin de opgevulde ravelijngrachten zijn aangetroffen.49
49
Mol 2009
43
Figuur 26 Legenda bij figuren 24 en 25.
44
7.2
Landschap en natuur, randvoorwaarden
Voor de inrichting van de gebieden wordt uitgegaan van de historische structuren van de stad Aardenburg. De stad werd vanaf de Middeleeuwen omringd door imposante stadswallen en grachten. Deze grachten zijn in de loop van de tijd dichtgeslibd, waardoor de reliëfverschillen tussen de hoge stadswallen en de watervoerende grachten kleiner zijn geworden. Door het uitgraven van de dichtgeslibde grachten wordt het verdedigingswerk visueel aantrekkelijker en kunnen de gewenste waterpartijen worden gerealiseerd. Voor de doelsoort, de Boomkikker moeten de waterpartijen aan de volgende eisen voldoen De grachten moeten minimaal van april tot eind juli nat blijven. In de zomer en najaar mogen ze eventueel droog liggen. De bodem van de grachten moeten bij voorkeur een zandige ondergrond hebben. De poelen moeten beschut liggen. De poelen moeten voldoende licht en weinig bladval krijgen. De grachten lijken grotendeels aan deze eisen te voldoen. De zandige ondergrond voor de poelen is essentieel, maar kan alleen worden bereikt door de ravelijngrachten volledig uit te graven: tot op het zand. Dit heeft als positief gevolg dat een volledige reconstructie van het oorspronkelijke talud wordt gerealiseerd. De beschutting wordt deels bereikt door het reliëf, de wallen, en kan worden versterkt door de aanleg van struweel.
Eventuele bomen die zonlicht in de poelen tegenhouden en bladval in de poelen veroorzaken, moeten worden verwijderd. 7.3
Recreatie en infrastructuur
Vanuit de bevolking van Aardenburg bestaat al lange tijd een wens om de noordelijke wallen vanuit de Noordstraat met het Driebekje in de oostelijke oude stad te verbinden. Deze verbindingweg is te realiseren door de aanleg van een eenvoudig natuurpad bovenop de wal, dat door middel van paaltjes aangegeven wordt (Figuur 27). In dit deel van het terrein zou dan wel een aanlijnplicht voor honden moeten gelden in verband met het aanwezige vee. Er wordt gekozen voor een pad op de wal omdat dit voor de recreant een mooi uitzicht creëert, onder andere op het nieuw aan te leggen natuurgebied in het noorden. In het zuidoosten is vooralsnog geen duidelijke padenstructuur te realiseren. Een terrein dat al is aangekocht door BBL (N460) zorgt voor de verbinding met de Akkerstraat. Als dit gebied volgens planning te zijner tijd in beheer van Het Zeeuwse Landschap komt, kan een wandelpad worden aangelegd. In dit gebied zijn minder wandelmogelijkheden, een drukke doorgaande weg, de Beekmanstraat, en de doodlopende Akkerstraat ontsluiten de nieuwbouw ten noorden van het plangebied. Er zijn geen verdere mogelijkheden voor een ommetje. Er zal dan ook zeker behoefte bestaan aan een wandelroute door het plangebied Zuidoost/ Smedekensbrugge, die de Beekmanstraat met de Akkerstraat verbindt. Deze route zal dan wel verhard moeten worden met bijvoorbeeld schelpen, om het gebied beter te ontsluiten.
In het zuidelijke gebied is al een mooie wandelroute, die in de toekomst eventueel ook nog langs de binnenzijde van Fort Grotendorst zou kunnen leiden. Momenteel ligt daar echter een vieze sloot. Het Kloosterpad zou wel meer ontsloten kunnen worden door de kap van struikgewas, zodat een beter uitzicht op de oude stad ontstaat. Dit pad is echter in bezit van de gemeente Sluis.
45
Figuur 27 Voorstel nieuwe wandelroutes (aangegeven met stippellijn).
7.4
Waterhuishouding, randvoorwaarden
Voor de terreinen is het noodzakelijk dat de grondwaterstand dusdanig hoog is dat de uitgegraven grachten in het voorjaar onder water staan. In alle gevallen zou het winterpeil op minimaal -40 cm NAP moeten staan en bij voorkeur hoger. De voorgenomen stuw van overstort Markt in deelgebied Oost (zie 4.2) zal waarschijnlijk de grondwaterstand voldoende verhogen om de gewenste waterstand te bereiken. Voor deelgebieden Noord en Oost zijn de exacte te realiseren peilen nog niet bekend, maar de verdiepingen zullen waarschijnlijk ook bij de huidige waterstanden voldoende zijn. Eén van de beperkende factoren zijn laaggelegen gebieden die aan hetzelfde polderpeil gekoppeld zijn en niet in bezit zijn van het Zeeuwse Landschap. Hierdoor kan op diverse locaties het waterpeil niet verhoogd worden. Voor het in 4.2 genoemde verdrogingsproject moet verder overleg gevoerd worden met de gemeente Sluis en het Waterschap Zeeuws- Vlaanderen. De volgende ingrepen moeten worden gerealiseerd: -Overstort Peurssenstraat wordt afgeleid richting de Aardenburgse Havenpolder en de waterpeilen in het gebied ten noorden van de wallen (nieuwe natuur) en in deelgebied Noord worden omhoog gezet. Dit laatste kan alleen wanneer alle landbouwpercelen naast het gebied in bezit zijn van HZL. -In deelgebied Oost wordt een duiker aangelegd voor de afvoer van water uit overstort Markt.
Vervolgens wordt hier het peil verhoogd tot ongeveer +0,50 m NAP. Dit laatste kan alleen wanneer alle landbouwpercelen naast het gebied in bezit zijn van HZL.
46
7.5 Inrichtingsplannen Bij het uitdiepen van de ravelijngrachten komt grond vrij. Historisch gezien kan deze grond zonder meer op de bastions, ravelijnen en stadswallen worden opgebracht, zodat het reliëf verder wordt versterkt. Indien plaatselijk bomen worden aangeplant is dit zelfs verplicht, om zo de onderliggende archeologie te beschermen. De vrijgekomen grond bestaat echter uit plaatselijk zeer humeuze, zandige wadklei. Voor de vegetatieontwikkeling heeft dit een negatief effect. Er moet dus een afweging worden gemaakt tussen de kosten van het afvoeren en de te verwachten flora. Tot dusver is de flora weinig waardevol (zie 2.6). Het bodemtype, matig tot sterk humeus zand, suggereert dat de ontwikkeling naar een interessanter schraal grasland moeilijk te bewerkstelligen is. Uit praktisch oogpunt wordt er dan ook de voorkeur aan gegeven om de grond ter plekke aan te brengen en niet af te voeren. Na verdieping van de grachten worden plaatselijk struweel en bomen aangeplant. Deze moeten echter wel ver van de poelen worden aangeplant, voor voldoende lichtinval en weinig bladval in de poelen. De gekozen bomen zijn zomereiken en knotwilgen, conform de inrichting in deelgebied Noord, zodat een eenheid kan worden bereikt. Deze bomen volgen de contouren van de veste en suggereren zo nog extra reliëf.
De knotwilgen zijn een goede keus, omdat de Steenuil, waarvan al 2 territoria in het wallengebied voorkomt, zich wellicht kan uitbreiden. Voor het struikgewas is gekozen voor de struiken die voor de doelsoort, de Boomkikker, van belang zijn. Ook de Kamsalamander profiteert hier van. Het gaat hier onder andere om Braam, Hondsroos, en Eenstijlige meidoorn. Per gebied zijn de maatregelen globaal als volgt: Deelgebied Zuidoost (Smedekensbrugge) Hier volstaat de reconstructie van de ravelijngracht, waarna de vrijgekomen grond de verstoorde ravelijn op kan vullen. Bovenop het ravelijn wordt struweel aangeplant, aan de buitenzijde van de wal eiken (Figuur 28). Hierbij kan door de aanplant het reliëf versterkt worden en de oude toegang, die tussen het bastion en het ravelijn gelegen moet hebben, visueel versterkt worden. Het wandelpad is slechts indicatief; het zal aansluiting moeten hebben naar het zuidelijk gelegen nieuw aan te leggen natuurgebied of naar de noordelijke Akkerstraat. Hier is gekozen voor de Akkerstraat.
47
Figuur 28 Schematisch inrichtingsplan voor deelgebied Zuidoost, Smedekensbrugge.
Deelgebied Noord Aan de westzijde van de Noordweg is het gebied al grotendeels ingericht, met struweel en bomen. Hier hoeft alleen de ravelijngracht nog te worden verdiept (figuur 29). De gracht ten zuidoosten van deze ravelijngrachten voert al water, maar moet gebaggerd worden. In deelgebied Oost, aan de oostzijde van de Noordweg staat op de wal een driedubbele rij populieren. Deze populieren belemmeren de lichtinval in de te reconstrueren ravelijngracht en zullen daarom moeten worden gekapt. Hiervoor in de plaats kan daarna een enkele rij eiken worden geplant, mits de wal op die plaats voldoende wordt opgehoogd. Overigens huisvest één van de populieren een buizerdnest. Deze boom kan desgewenst gespaard blijven. In deelgebied Zuid zijn vooralsnog geen maatregelen gepland. Eerst dient een groter deel in het bezit van HZL te komen. Ook zal de waterkwaliteit van de omliggende sloten moeten verbeteren. Hierin is voorzien. In een latere fase kan wellicht ook hier de inrichting worden aangepast.
48
Figuur 29 Schematisch overzicht van inrichting van de noordelijke ravelijnen aan weerszijden van de Noordstraat.
7.6
Effecten op andere soorten
Voor de realisatie van de inrichtingsplannen zijn de volgende maatregelen voorzien, die gezamenlijk zullen leiden tot optimalisatie van het boomkikkerbiotoop.
Uitgraven van de ravelijngrachten tot op het zand in deelgebieden Noord en Zuidoost Aanbrengen van de uitgegraven klei op de wallen Kappen van de populieren in deelgebied Noord ten oosten van de Noordstraat Planten van bomen en hagen
Het uitgraven van de grachten heeft geen negatieve effecten op andere in het gebied levende soorten. De terugkeer van natte condities en een schrale zandondergrond kan zelfs een positief effect hebben op de vegetatie. De zandige hellingen zijn ook positief voor de aanwezige insecten. De populieren die moeten worden gekapt zijn ecologisch minder waardevol dan hagen en bomenrijen elders in het gebied, voor zowel vleermuizen als ondergroei (zie 2.6). Uit ecologisch oogpunt is kap dan ook geen probleem, afgezien van de boom waarin zich een nest van een buizerd bevindt. Verder is de geplande waterpartij alleen kansrijk voor boomkikkers indien deze bomen verwijderd worden. De bladval en schaduw hebben een negatief effect op de huidige, kleine poel.
49
8 Monitoring 8.1
Reguliere monitoring
Ecologische monitoringsgegevens worden gebruikt voor het beheer en vormen de basis voor beheerplannen. In de meeste gevallen staan planten en vogels bij het monitoren van de gebieden centraal. Het monitoren van andere faunagroepen gebeurt afhankelijk van de doelstelling en natuurwaarden van het gebied. In de hoofddoelstelling van dit beheerplan staan amfibieën, en dan met name de Boomkikker centraal. Deze groep wordt daarom in dit gebied de komende periode jaarlijks geïnventariseerd. Van kikkers en padden worden de eiklompen geteld. De salamanders (en vissen) worden via amfibiefuiken geïnventariseerd. Voor de Boomkikker worden er roepende mannetjes geteld, dit gebeurt ook in het direct naastgelegen gebied. Door middel van deze dekkende inventarisaties zullen nieuwe vestigingen direct opgemerkt worden. Iedere, in dit beheerplan voorgestelde, inrichtingsmaatregel heeft dus automatisch een nulmeting. Voor de Wallen van Aardenburg staat iedere 6 jaar een botanische en een broedvogelinventarisatie gepland. Onder voorbehoud vindt de eerstvolgende algemene broedvogel-inventarisatie plaats in 2011. Voor planten is een algemene inventarisatie gepland in 2013, zie tabel 2. Tabel 2 Het monitoringsplan. Monitoringsplan 2009-2022 2009 2010 Kwaliteitstoets
2016
2017 Algemene broedvogelinventarisatie
2011 Algemene broedvogelinventarisatie 2018
2012
2019 Algemene botanische inventarisatie
2013 Algemene botanische inventarisatie 2020
2014
2015 Kwaliteitstoets
2021 Kwaliteitstoets
2022
Soorten als roofvogels en uilen worden frequenter vastgelegd door vrijwilligers en beheerders. Ook de akkerkruiden op het natuurakkertje worden frequenter geïnventariseerd. Al deze gegevens worden opgenomen en verwerkt in de database van Stichting Het Zeeuwse Landschap, evenals eventuele losse waarnemingen, zodat trends zichtbaar kunnen worden gemaakt en het beheer hier op kan worden aangepast. 8.2
Kwaliteitstoets
Iedere 6 jaar vindt in de gebieden van Stichting Het Zeeuwse Landschap in de nazomer een interne kwaliteitstoets plaats ter evaluatie van de kwaliteit van het beheer. De kwaliteitstoets adviseert over maatregelen voor het in stand houden en/of verbeteren van de natuurwaarde en de belevingswaarde van het natuurgebied. Na afloop van deze toets worden de maatregelen uitgevoerd en het beheer indien nodig bijgesteld. De planning voor deze toetsen staat weergegeven in tabel 2.
50