CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Stec Groep 19.006 KWOZ Hoofdrapportage (Def).pdf

Informatieve/opiniërende raadsbijeenkomst 26 april 2021, gemeente SluisBij agendapunt: Opening door de voorzitter33.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Allereerst kijken we naar het aantal ingeschreven MOE-landers 13. Het CBS beschikt op gemeenteniveau over cijfers over het aantal ingeschreven inwoners naar herkomstland, en de historische ontwikkeling

We hanteren voor dit kwadrant de PEARL-prognose van CBS/PBL, 2016, om de regio’s met Nederland te kunnen vergelijken. Voor de abosulte huishoudensontwikkeling per regio gebruiken we in het KWOZ de Provinciale prognose 2019. 13 Onder de MOE-landen vallen Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Roemenië en Bulgarije. Mensen met een van deze nationaliteiten hebben geen tewerkstellingsvergunning (meer) nodig om in Nederland te werken. 12

87

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

2.

3.

4.

daarin. Dit geeft een indicatie van het aantal arbeidsmigranten per gemeente op dit moment en in het verleden. De historische ontwikkeling van het aantal ingeschreven MOE-landers en het arbeidsmigrantenkwadrant gebruiken we om een inschatting te maken van het aandeel MOE-landers in de toekomst. Vervolgens doen we een aanname over de registratiegraad van arbeidsmigranten, nu en in de toekomst. De geschatte registratiegraad baseren we onder andere op eerder uitgevoerde onderzoeken naar de registratiegraad van arbeidsmigranten in Nederland, uitgevoerd door de Erasmus Universiteit (2014) en Universiteit Utrecht (2013). Deze onderzoeken wijzen erop dat in Nederland gemiddeld zo’n 50% van de MOE-landers zich geregistreerd heeft in het BRP (Basis Registratie Personen). We werken met een laag en hoog scenario, waarmee we de prognose in een bandbreedte presenteren. We benadrukken dat het gaat om een indicatieve raming van het aantal arbeidsmigranten, omdat we verschillende aannames in de prognose doen, en ontwikkelingen op gebied van arbeidsmigranten grillig kunnen zijn.

Modelmatige prognose arbeidsmigranten Op basis van ons prognosemodel voor arbeidsmigranten kan een indicatieve behoefteraming voor arbeidsmigrantenhuisvesting voor elke Zeeuwse regio worden gemaakt. Voor deze indicatieve schatting van de huisvestingsbehoefte, hanteren we het uitgangspunt dat één extra arbeidsmigrant gelijk staat aan de behoefte aan één extra (passende) huisvestingsplek. Uit deze analyse komt een eerste indicatief beeld naar voren van een groei van circa 1.790 tot maximaal 5.350 extra arbeidsmigranten in Zeeland voor de periode van 2019 tot 2029. Figuur: Indicatieve behoefte-ontwikkeling arbeidsmigranten Zeeuwse regio’s 2019 - 2029 2.500

2.000

1.500 Hoog

+ 2.050

Laag

1.000

+ 1.200 + 1.050

500

+ 450 Bevelanden

+ 520

+ 530

+ 190

+ 180

Schouwen-Duiveland

Tholen

+ 570 Walcheren

+ 400 Zeeuw-Vlaanderen

Bron: Stec Groep (2019).

Bij de duiding van de bandbreedte tussen laag en hoog scenario is het belang te beseffen dat de toename van het aantal ingeschreven MOE-landers op de Bevelanden is van 1998 naar 2018 met een factor 9,6 duidelijk sterker toegenomen is dan op Tholen (factor 7,6), Schouwen-Duiveland (factor 5,9) en Walcheren of Zeeuws-Vlaanderen (factor 4,8). Ook is van belang de absolute verhoudingen qua werkgelegenheid en aantal inwoners in het oog te hebben. De maximale potentie van inzet van arbeidsmigranten is op de Bevelanden relatief hoog, maar hangt sterk samen met het (verwezenlijken) van de gezamenlijke ambitie.

88

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

Hierna lichten we stapsgewijs toe hoe we tot deze indicatieve behoefteraming zijn gekomen. 1.

In 2018 bedroeg het aantal geregistreerde arbeidsmigranten met geboorteland Polen, Hongarije en Overig Europa in Zeeland volgens het CBS zo’n 4.669 (circa 1,22% van het totaal aantal inwoners van ~382.300). Daarbinnen is Polen met 91% het belangrijkste herkomstland. Het aantal geregistreerde MOE-landers bedraagt 4.450, samen 1,16% uitmaken. Als we naar de trendlijn kijken valt op dat de economische crisis van 2008-2012 niet tot een daling van het aantal arbeidsmigranten heeft geleid, maar dat ook in deze periode het aantal is gestegen. In Zeeland zijn met name op de Bevelanden, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen veel arbeidsmigranten geregistreerd. Op Schouwen-Duivenland en Tholen is het aantal MOE-landers slechts in zeer beperkte mate toegenomen.

Figuur: ontwikkeling aantal ingeschreven inwoners per regio met geboortelanden Polen, Hongarije en Overig Europa 14s 5.000 4.500 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Bevelanden

Schouwen-Duiveland

Tholen

Walcheren

Zeeuws-Vlaanderen

Bron: CBS, 2019.

2.

3.

4.

5.

De toename van het aantal ingeschreven MOE-landers op de Bevelanden is van 1998 naar 2018 met een factor 9,6 duidelijk sterker toegenomen is dan op Tholen (factor 7,6), Schouwen-Duiveland (factor 5,9) en Walcheren of Zeeuws-Vlaanderen (factor 4,8). Het aandeel geregistreerde arbeidsmigranten (MOE-landers) is in de loop der tijd gestegen, van 0,97% in 2015 naar 1,16% in 2018. Figuur 8 laat zien dat het aantal ingeschreven MOE-landers al vele jaren stijgt terwijl het aantal inwoners nauwelijks gestegen is. We gaan uit van een registratiegraad van 50 tot 60% van het totaal aantal arbeidsmigranten. Ofwel: we gaan ervan uit dat gemiddeld zo’n 40 tot 50% van de arbeidsmigranten niet geregistreerd is. De geschatte registratiegraad baseren we onder andere op eerder uitgevoerde onderzoeken naar de registratiegraad van arbeidsmigranten in Nederland, door de Erasmus Universiteit (2014) en Universiteit Utrecht (2013). Deze onderzoeken wijzen erop dat in Nederland gemiddeld zo’n 50% van de MOE-landers zich geregistreerd heeft in het BRP. Om een veilige bandbreedte aan te houden gaan we uit van een inschrijvingsgraad van 50 tot 60%. Voor het inschatten van een ‘laag’ groeiscenario gaan we uit van een groei naar 1,6% ingeschreven arbeidsmigranten t.o.v. van de totale bevolking in Zeeland in 2030.

In het ‘hoge’ groeiscenario gaan we uit van een groei naar zo’n 2,2% ingeschreven arbeidsmigranten in 2030. Hiervoor baseren we ons op de verwachte bevolkingsontwikkeling voor Zeeland in de komende tien jaar (lichte daling met 4.500 naar circa 377.800 in 2029 van 382.300 in 2018, bron regionale prognose 2017-2040 van CBS/PBL) en de historische ontwikkeling van het aantal ingeschreven MOE-landers en specifiek Polen.

Hieronder vallen voornamelijk Oost-Europese landen, waaronder Roemenië en Bulgarije, maar ook Zuid-Europese landen. Het aantal MOE-landers bedraagt 4.450.

14

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

89

D3. Basisbegrippen arbeidsmigranten(huisvesting) In deze notitie zetten we enkele basisbegrippen, feiten en inzichten ten aanzien van arbeidsmigranten en de huisvesting van arbeidsmigranten op een rij. Dit doen we aan de hand van enkele kernthema’s: arbeidsmigranten (demografisch) werkgevers (economisch) en huisvesting (ruimtelijk). Ten slotte verbinden we deze kernthema’s met elkaar door de demografische en economische kenmerken te koppelen aan de ruimtelijke en huisvestingsaspecten.

Arbeidsmigranten Definitie arbeidsmigrant In Nederland kennen we een omvangrijke groep internationale werknemers. Dit zijn economisch actieve werknemers met een buitenlandse (niet-Nederlandse) nationaliteit. Deze groep internationale werknemers is als het ware op de delen in twee verschillende subgroepen: (internationale) kenniswerkers of kennismigranten en arbeidsmigranten. Voor beide groepen bestaan geen landelijk vastgestelde definities. De belangrijkste verschillen tussen deze twee doelgroepen zijn het scholingsniveau, het type arbeid (hoog/laaggeschoold) en daarmee vaak ook het gemiddelde inkomen. De groep ‘(Internationale) kenniswerkers’ of ‘kennismigranten’ kenmerkt zich door een gemiddeld hoog opleidingsniveau. Kenniswerkers vervullen vaak hoger geschoolde banen (hbo of WO-niveau) bijvoorbeeld vaak in (zakelijke of financiële) dienstverleningssector, ICT, technische branche en research & development. Het gemiddelde inkomen van de Kenniswerkers ligt hiermee ook hoger dan die van de groep arbeidsmigranten. De herkomst van deze groep is zeer divers: variërend van China, India, en Pakistan tot Europese landen als Polen, Spanje en Italië. De verblijfsduur is verschillend, van ‘expats’ die voor korte en afgebakende duur komen tot huishoudens die zich voor lange duur of permanent willen vestigen.

De groep (internationale) kenniswerkers is vooral groot in enkele Nederlandse stedelijke regio’s waaronder Amsterdam, Eindhoven, Rotterdam-Den Haag en Utrecht. De groep ‘arbeidsmigranten’ kenmerkt zich doordat zij over het algemeen lager geschoolde en ongeschoolde werkzaamheden verrichten. Het gaat daarbij vaak om praktische banen in sectoren als de logistiek, land- en tuinbouw, voedselindustrie, visserij, de bouw, en op sommige plekken ook de toeristische sector en horeca. Denk hierbij bijvoorbeeld aan werkzaamheden als het plukken van groenten en fruit, lopendebandwerk en orderpicken. Het gemiddelde inkomen voor deze groep arbeidsmigranten ligt daarmee ook lager dan dat van de groep internationale kenniswerkers. De herkomst van deze groep arbeidsmigranten is minder divers: arbeidsmigranten komen vaak uit Midden- en Oost-Europese (MOE) landen als Polen, Hongarije, Bulgarije of Slowakije. De verblijfsduur van arbeidsmigranten is zeer verschillend en ook sterk afhankelijk van het type arbeid dat zij verrichten: van zeer korte duur (short-stay) tot (semi-)permanente vestiging in Nederland (long-stay). De groep arbeidsmigranten is groot en groeiende op diverse plekken door het hele land, met name ook buiten de stedelijke regio’s waar de voor arbeidsmigranten belangrijke sectoren ook sterk vertegenwoordigd zijn.

Geregistreerde en niet geregistreerde arbeidsmigranten Arbeidsmigranten (en ook andere personen) die langer dan vier maanden in Nederland verblijven zijn verplicht zich in te schrijven in de BRP, in de gemeente waarin zij wonen. Zo krijgen zij dezelfde rechten en plichten als de andere inwoners. Ook eventuele partners en kinderen die in een aaneengesloten periode van zes maanden, vier maanden of langer in Nederland verblijven zijn verplicht om zich in de woongemeente in te laten schrijven in de BRP. Staatsburgers van de Europese Unie, Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland hebben daarbij geen werkvergunning nodig om in Nederland te werken en in loondienst te treden. Voor arbeidsmigranten die korter dan vier maanden in Nederland verblijven, is inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) niet verplicht. Arbeidsmigranten die korter dan vier maanden in Nederland wonen, kunnen zich laten inschrijven als niet-ingezetene. Registratie niet-ingezetenen (RNI) is alleen nodig

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

90

voor het verkrijgen van een Burgerservicenummer (BSN). Er zijn in Nederland 19 loketten waar nietingezetenen zich kunnen inschrijven in de RNI. Registratie niet-ingezetenen (RNI) is voor deze groep dus wel mogelijk, maar evenmin verplicht en geeft daarom vaak geen representatief beeld van de werkelijke omvang van het aantal tijdelijke arbeidsmigranten: het overgrote deel van deze groep schrijft zich niet in. Gemeenten kunnen ervoor kiezen middels een verordening te regelen dat voor personen die korter dan vier maanden een registratieplicht wordt ingesteld (denk bijvoorbeeld aan een nachtregister waarin wordt geregistreerd welke personen op welke plekken verblijven) en dat bijvoorbeeld ook toeristenbelasting of niet-ingezetenenbelasting moet worden afgedragen. Dit is echter geen verplichting en per gemeente verschillend. Inschrijving in de RNI bij een korte verblijfsduur is dus geen verplichting en is alleen nodig wanneer een arbeidsmigrant behoefte zou hebben aan een BSN. Inschrijving in de BRP is wel een wettelijke verplichting voor eenieder die in een aaneengesloten periode van zes maanden, voor vier maanden of langer in Nederland verblijft. De inschrijving in de BRP in de betreffende woonplaats, moet in formele zin binnen vijf dagen na aankomst in Nederland plaatsvinden.

In de praktijk blijkt echter dat inschrijving in de BRP, zeker onder de groep arbeidsmigranten, vaak niet gebeurt. Veel gemeenten hebben dan ook geen zicht op het aandeel arbeidsmigranten dat in de gemeente verblijft en zich daarbij daadwerkelijk inschrijft in de RNI en de BRP. Naast de groep geregistreerde (ingeschreven) arbeidsmigranten is er dan vaak ook nog een omvangrijke groep niet-ingeschreven arbeidsmigranten. Diverse onderzoeken uit de afgelopen jaren, naar de registratiegraad van arbeidsmigranten uit de MOE-landen, wijzen erop dat op landelijk niveau ongeveer 50% van deze doelgroep zich daadwerkelijk inschrijft. Andere onderzoeken naar de registratiegraad van arbeidsmigranten in bepaalde regio’s of landsbreed, wijzen op registratiegraden die variëren van ongeveer 40% tot bijna 70%. De registratiegraad kan dus ook per regio en situatie verschillen. Arbeidtechnische indeling doelgroepen arbeidsmigranten Vanuit arbeidstechnisch perspectief (het type werkzaamheden en sector) is er geen hard onderscheid te maken tussen verschillende doelgroepen arbeidsmigranten, omdat werkzaamheden, sectoren en kenmerken vaak veel overlap vertonen.

Wel kunnen we op hoofdlijnen hierin het volgende onderscheid in de groep arbeidsmigranten maken: • Seizoenarbeiders • Flexibele krachten • Vaste krachten Seizoenarbeiders zijn de arbeidsmigranten die vaak invulling geven aan kortdurende pieken op de arbeidsmarkt, vaak ingegeven door seizoensinvloeden. Het gaat hierbij vaak om banen in de land- en tuinbouw (agrarische sector), die gedurende een of enkele maanden ontstaan, doordat er bijvoorbeeld een oogstseizoen aantreedt. Werkgevers zijn hierin vaak kleine en middelgrote agrarische ondernemingen die voor korte duur op zoek zijn naar flexibele werknemers om de pieken op te vangen. Vaak maakt de groep seizoenarbeiders dan ook het grootste deel uit van de groep arbeidsmigranten die voor korte duur (<4 maanden) in Nederland verblijft. Flexibele krachten zijn de arbeidsmigranten die invulling geven aan de korte termijn pieken en dalen op de arbeidsmarkt. Vaak vormen zij de flexibele schil die invulling geeft aan arbeidsplekken in bedrijven waar de nodige inzet van arbeid van dag tot dag en van week tot week wisselt (korte-termijn flexibiliteit). Het betreft vooral bedrijven in sectoren als de voedingsindustrie, logistiek, bouw, en land- en tuinbouw (kassen, visserij, etc.). In sommige regio’s is de toeristische (horeca) sector hierin ook een belangrijke.

Denk hierbij aan wisselende werkzaamheden als orderpicken, schoonmaak in toeristische verblijven, het verpakken van voedsel, et cetera. Vaak is dit ook de groep arbeidsmigranten die voor korte tot middellange duur verblijft. Onder de groep arbeidsmigranten is een deel ook werkzaam als ‘vaste’ kracht. Dit zijn in feite arbeidsmigranten die een reguliere baan op vaste of tijdelijke basis hebben. Zij zijn vaak direct in dienst bij de werkgever zelf. Naast de hiervoor genoemde sectoren, gaat het hier vaak ook om een diversiteit aan

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

91

andere banen en sectoren: bijvoorbeeld callcentermedewerkers, horecapersoneel, stukadoors, et cetera. De vaste krachten zijn vaak ook de groep arbeidsmigranten die zich (semi)permanent in Nederland willen vestigen, en dus voor een langere duur verblijven. Verblijfsduurtechnische indeling doelgroepen arbeidsmigranten Met name voor het aspect huisvesting is het van belang om ook een verblijfsduur technisch onderscheid tussen groepen arbeidsmigranten te maken. Ook van deze indeling is geen wettelijke of landelijk dekkende definitie beschikbaar. Deze verdeling kent overigens veel overlap met de hiervoor genoemde arbeidstechnische indeling, maar is concreter te maken gezien de koppeling aan de verblijfsduur van de arbeidsmigrant. Hierin onderscheiden we: • Short-stay arbeidsmigranten (korter dan 4 maanden) • Mid-stay arbeidsmigranten (van 4 tot 12 maanden) • Long-stay arbeidsmigranten (vanaf 12 maanden) Onder short-stay verstaan we een verblijfsduur van een arbeidsmigrant tot maximaal 4 maanden. Deze grens is logisch gezien ook de wettelijke registratieplicht (BRP) vanaf 4 maanden ingaat. Short-stay is daarnaast ook te koppelen aan seizoensarbeid: meestal met een duur van maximaal zo’n 3 maanden (één seizoen).

De aard van het type short-stay huisvestingsplekken dat we in Nederland zien is verschillend: veelal is dit huisvesting op het erf van de agrarische onderneming, of (legaal en illegaal) in bestaande woningen, logiescomplexen of campings. De regionale verschillen van de omvang van de short-stay doelgroep kunnen echter groot zijn, afhankelijk van dominante sectoren en het type arbeid in regio’s en gemeenten. Onder mid-stay verstaan we een verblijfsduur van een arbeidsmigrant van 4 tot maximaal 12 maanden (één jaar). Vanaf 4 maanden is men verplicht zich in te schrijven in het BRP als inwoner van de betreffende gemeente. Daarnaast ligt rond de 12 maanden het omslagpunt waarop ook ander moet worden gekeken naar huisvesting van arbeidsmigranten. Huisvesting van tijdelijke aard in bijvoorbeeld logiesfuncties is bij een verblijfsduur tot maximaal één jaar nog als wenselijk en acceptabel te beschouwen. De aard van het type mid-stay huisvestingsplekken dat we in Nederland zien is verschillend: veelal is dit huisvesting (legaal en illegaal) in bestaande woningen, logiescomplexen of op campings. Vanaf één jaar kan de huisvesting van een arbeidsmigrant minder als ‘tijdelijk’ en steeds meer als ‘structureel’ worden gezien. De regionale verschillen van de omvang van de mid-stay doelgroep kunnen echter groot zijn, afhankelijk van dominante sectoren en het type arbeid in regio’s en gemeenten.

Verblijft een arbeidsmigrant langer dan een jaar, dan noemen we dit long-stay verblijf. Vanaf één jaar verblijfsduur wordt het verblijf en de huisvesting al meer van structurele aard. Tussen de een en twee jaar is er sprake van een semi-structurele verblijfs- en huisvestingssituatie. Vanaf twee jaar is er in feite sprake van een meer structurele verblijfs- en huisvestingssituatie, waarbij de arbeidsmigrant in feite kan worden gezien als één regulier huishouden in de betreffende gemeente. Huisvesting van tijdelijke aard in bijvoorbeeld logiesfuncties is bij een verblijfsduur vanaf één jaar minder wenselijk en acceptabel: gezien de lange duur van verblijf is ook een meer structurele vorm van huisvesting wenselijk. Grofweg weten we vanuit landelijke studies en onderzoeken dat in Nederland (ter indicatie) zo’n 20% van de arbeidsmigranten zich permanent in Nederland vestigt, en zo’n 80% tijdelijk verblijft. Let op: ook voor deze doelgroepindeling van arbeidsmigranten geldt, dat er in de praktijk geen ‘harde knip’ te maken is in de definities van short- mid- en long-stay. Vaak is sprake van een geleidelijk proces, waarbij men in eerste instantie voor korte duur komt, en steeds langer in Nederland blijft hangen: sommigen vestigen zich uiteindelijk zelfs structureel in Nederland.

Arbeidsmigranten in relatie tot prognoses en woningbehoefte Een groot deel van de arbeidsmigranten in Nederland is hier in principe maar voor tijdelijk. Dat betekent dat zij in beginsel ook geen aanspraak maken op de reguliere woningvoorraad: hoewel er soms wel (meerdere) arbeidsmigranten worden gehuisvest in reguliere woningen. In beginsel maken vooral de meer

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

92

tijdelijke groepen arbeidsmigranten (short- en mid-stay) gebruik van tijdelijke woonvormen zoals een caravan op het erf van een agrariër, logies in complexen of op recreatieparken, of dus kamers in woningen. In feite gaan arbeidsmigranten pas ‘meetellen’ in de woningvraag, zodra zij zich inschrijven in Nederland en daarnaast ook van plan zijn om (semi-)permanent te blijven in Nederland. Vanaf dat moment zullen de meeste arbeidsmigranten dan ook een beroep doen op een (sociale huur) woning in de reguliere woningvoorraad. De arbeidsmigrant vormt dan gewoon een regulier huishouden zoals ieder ander huishouden, en tellen ze daarmee ook mee voor de woningopgave in de gemeente of regio. Vanaf dat moment tellen ze dus ook mee in de BRP, en de stand van het aantal huishoudens van het CBS, en daarmee ook in de prognoses. Reguliere migratie maakt in de basis al onderdeel uit van de meeste prognosemodellen, en in principe vormen arbeidsmigranten die zich hier inschrijven en permanent vestigen daarmee geen ‘plus’ op de prognose, mits de migratiestromen niet plotseling fors onder- of bovengemiddeld uitvallen. Dat betekent niet dat ervoor de meer tijdelijk verblijvende arbeidsmigranten (short- en mid-stay) geen passende woonruimte moet worden gecreëerd, maar dit staat dan los van je reguliere woningbouwopgave als gemeente of regio.

Je gaat voor deze groepen immers geen reguliere zelfstandige woningen toevoegen, maar eerder complexen met logiesfuncties. Alleen daar waar voor de huisvesting van arbeidsmigranten aanspraak wordt gedaan op reguliere zelfstandige woningen, betekent dit iets voor je woningbouwopgave. Nu zien we in sommige gemeenten en regio’s nog dat prognoses worden ‘geplust’, omdat er de komende jaren X-aantal arbeidsmigranten in een gemeente bij zouden komen. Uit de praktijk weten we echter dat het overgrote deel van die arbeidsmigranten tijdelijk komt en woont in logiesvoorziening, en dus geen aanspraak op de woningvoorraad maakt. In dat geval is het dan ook niet verstandig om de verwachte aantal extra arbeidsmigranten een op een te vertalen in je woningbouwopgave als gemeente of regio: er is wel een opgave voor het creëren van passende huisvesting, maar die zal grotendeels invulling moeten krijgen door toevoeging van tijdelijke logiesplekken die los staan van de woningvoorraad (het toevoegen van bijvoorbeeld koopwoningen, lost het tekort aan passende huisvesting voor arbeidsmigranten immers niet op). Ook het effect van tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten in kamers in reguliere woningen is in de praktijk marginaal, omdat het vaak gaat om enkele woningen in de totale woningvoorraad.

Ook hier vertaalt het huisvesten van een arbeidsmigrant zich dus niet een op een in toekomstige behoefte aan één extra woning. Tenzij er relatief veel woningen in een gemeente worden gebruikt voor kamerverhuur aan arbeidsmigranten, is het effect op de woningbouwopgave en op eventuele woningtekorten dus marginaal.

Werkgevers (=inleners) Typen werkevers Arbeidsmigranten kunnen te maken krijgen met verschillende soorten werkgevers, vaak gekoppeld aan het type arbeid dat zij verrichten. Ook hier liggen vaak sterke koppelingen met de aard en duur van de werkzaamheden, en daarmee ook met de verblijfsduur van de arbeidsmigrant en het type huisvesting voor deze arbeidsmigranten. Belangrijke typen spelers op dit gebied zijn: • Agrariërs (land- en tuinbouwers) hebben arbeidsmigranten vaak direct in loondienst en huisvesten deze vaak ook op eigen terrein (vaak in caravans of tenten). Het gaat hierbij vaak om seizoensarbeid voor kortere duur, zoals het oogsten van groenten en fruit. Gezien het feit dat het vaak gaat om relatief korte periodes van arbeid en huisvesting, waarbij de agrariër zowel zelf tijdelijk werkgever als tijdelijk huisvester is, blijft vermoedelijk een groot deel van de groep arbeidsmigranten die (tijdelijk) bij agrariërs werkt en woon ‘onder de radar’: er is relatief weinig zicht op deze groep. • Detacheerders en uitzendbureaus zijn op veel plekken de belangrijkste partijen voor zowel het aanbieden van werk als het huisvesten van arbeidsmigranten (vaak de mid-stay groep). Vaak regelen

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

•

93

deze partijen naast het verschaffen van arbeid ook de huisvesting voor eigen werknemers in complexen of kamers in woningen (en soms ook legaal en/of illegaal op campings). Het komt niet vaak voor dat een detacheerder of uitzendbureau ook woonruimte voor arbeidsmigranten verhuurt aan arbeidsmigranten die zij niet zelf in dienst hebben. Arbeidsmigranten die vanuit detacheerders en uitzendbureaus werken, zijn vaak actief in de sectoren logistiek, voedselindustrie, bouw en in sommige regio’s ook toerisme. Reguliere werkgevers is een brede groep werkgevers, die arbeidsmigranten vaak voor langere periode, of voor onbepaalde duur in dienst hebben: in feite is er hier vaak sprake van een reguliere werknemer-werkgeversrelatie zoals ook het geval is bij andere (Nederlandse) personen in loondienst. Vaak is de arbeidsmigrant in dat geval zelf verantwoordelijk voor huisvesting, en zij doen dan ook vaak een beroep op de sociale woningvoorraad, of wonen bijvoorbeeld onzelfstandig op kamers. Het betreft met name arbeidsmigranten in de long-stay groep.

Huisvesting Soorten arbeidsmigrantenhuisvesting Op het gebied van arbeidsmigrantenhuisvesting zien we een aantal verschillende vormen van huisvesting: • Huisvesting op het (agrarisch) erf • Logies (kamers) in bestaande woningvoorraad • Logies in (grootschalige) huisvestingscomplexen • Logies (kamers/verblijfsaccomodaties) op camping/chaletpark/recreatieterrein • Huisvesting in reguliere woningvoorraad Deze verdeling is gebaseerd op de huisvestingssituaties die we nu (regelmatig) in de praktijk zien, en nog los van de vraag of dat type huisvesting passend, wenselijk en/of legaal is. Zoals eerder aangehaald zien we vaak huisvesting op het (agrarisch) erf waar sprake is van seizoensarbeid, waarbij de agrariër vaak zelf ook de werkgever is. Het gaat vaak om arbeid en huisvesting voor kortere duur: short-stay. In veel bestemmingsplannen zijn ook regels opgenomen over het (tijdelijk) huisvesten van arbeidskrachten op het (agrarische) erf zelf, vaak met maxima van een aantal verblijfsplekken. Logies in (grootschalige) huisvestingscomplexen, specifiek bedoeld voor arbeidsmigranten is een vorm van huisvesting die we steeds vaker terugzien. Het gaan dan om complexen met enkele tientallen tot enkele honderden appartementen of kamers met een specifieke logiesfunctie.

Vaak worden kamers gedeeld door meerdere arbeidsmigranten, en kunnen zij gebruik maken van gezamenlijk voorzieningen als woonkamers, badkamers en keukens. Minder vaak zien we nog semi-zelfstandige woonruimten in dergelijke complexen (waarbij arbeidsmigranten een eigen kamer en eigen voorzieningen hebben). Met name op het gebied van huisvesting in kamers in bestaande reguliere woningen en kamer/verblijfsaccomodaties op campings zijn de doelgroepen die worden gehuisvest divers: hoewel de hoofdmoot vaak toch de mid-stay groep zal zijn die er voor meer dan 4 maanden verblijven. Waar sprake is van illegale en niet-passende huisvesting, zie we dat dit overwegend vaak bij deze typen huisvesting het geval is. In veel gevallen laten bestemmingplannen voor campings immers geen niet-recreatief gebruik toe, of laten woonbestemmingen het niet toe dat er met meerdere personen die samen geen huishouden vormen wordt geleefd. Van huisvesting in de reguliere woningvoorraad is sprake wanneer een arbeidsmigrant (met zijn gezin) staat ingeschreven in de woongemeente, en als zelfstandig huishouden woont in een zelfstandige reguliere woning. Vaak zijn dit de arbeidsmigranten die (semi-)permanent verblijven (long-stay) en een beroep doen op de reguliere woningvoorraad. In de meeste gevallen wonen deze arbeidsmigranten in een sociale huurwoning van een woningcorporatie.

Een deel huurt kamers in de vrije sector. Op plekken waar de

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

94

goedkope koopmarkt ook toegankelijk is voor deze groep arbeidsmigranten, zullen er sporadisch ook arbeidsmigranten in de goedkope koopvoorraad wonen. Typen huisvesters Grofweg zien we het volgende beeld ontstaan, waar het gaat over typen huisvesters waar arbeidsmigranten mee te maken krijgen: • Detacheerders: (migrant in dienst bij detacheerder) vaak huisvesting geregeld voor eigen werknemers in complexen of kamers in woningen (soms ook illegaal op campings). • Huisvesters en beheerders: (vaak particulieren die investeren en beleggen in complexen: vaak goede lijntjes met detacheerders). Beheerders komen minder vaak voor, soms zitten vastgoedbeheerders als tussenpartij ertussen om complexen te beheren voor particuliere beleggers of detacheerders. Vaak wordt bijvoorbeeld ook expat-huisvesting via beheerders geregeld. • Agrariërs: hebben migranten vaak direct in loondienst en huisvesten deze ook op eigen terrein (vaak in caravans of tenten). Het gaat dan ook vaak om seizoensarbeid voor korte duur. • Particulieren: soms verhuren particulieren ook enkele kamers in reguliere woningen (vaak zijn dit ook de situaties waar sprake is van illegale (over)bewoning, doordat er niet wordt gehuisvest volgens de regels uit bestemmingsplannen of verordeningen). Ook worden tweede woningen verhuurd.

Illegale en/of niet-passende huisvesting en handhaving In veel gemeenten loopt de noodzaak voor passende arbeidsmigrantenhuisvesting op. De groep arbeidsmigranten groeit, maar de toevoeging van passende huisvestingsplekken voor deze doelgroep stagneert vaak nog. Dit werkt dan ook vaak situaties van illegale huisvesting of illegale overbewoning in de hand. Zoals hiervoor werd aangehaald zien we vooral situaties van illegale huisvesting of illegale overbewoning bij situaties waar kamers of bedden in reguliere woningen worden verhuurd aan arbeidsmigranten, en op campings en recreatieparken waar caravans, kamers of bedden worden verhuurd aan arbeidsmigranten. Soms is bewoning van caravans op een recreatiepark, of kamerverhuur in reguliere woningen tot op zekere hoogte wel toegestaan, maar is daar bijvoorbeeld wel een maximum aan geboden. Nu komt het in de praktijk nog voor dat er soms wel meer dan tien arbeidsmigranten in één reguliere (tussen)woning wonen: dit is vaak niet alleen formeel gezien illegaal, maar ook niet-passend en onwenselijk. In juridische zin kun je als gemeente handhaven in situaties waar het gebruik van bijvoorbeeld een woning of op een camping strijdig is met de regels in het bestemmingsplan of in een verordening. Dit vraagt natuurlijk wel om goede juridische borging van hetgeen wel en niet is toegestaan binnen een bepaalde functie of bestemming.

Ook kan een gemeente bijvoorbeeld middels een huisvestingsverordening kamerverhuur/opsplitsing van woningen tegengaan, en daarbij ook handhaven waar dit toch gebeurt. Daarvoor is het voor een gemeente wel eerst nodig om duidelijk zicht te krijgen op de illegale situaties in de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld door met een Bijzonder Opsporingsambtenaar (BOA) langs de deuren/parken te gaan en alle illegale situaties zo nauwkeurig in beeld te brengen. Handhaving is echter in praktische zin minder lastig wanneer een gemeente of regio over onvoldoende passend huisvestingsaanbod voor arbeidsmigranten beschikt: in dat geval is het risico immers heel reëel dat het probleem zich van de ene locatie naar de andere locatie in de gemeente of regio verschuift. Illegale (over)bewoning kan daarmee als het ware ook worden gezien als een tekort aan passende huisvesting, ofwel een latente vraag naar passende huisvesting, die pas tot uitdrukking komt zodra erop wordt gehandhaafd. Dit benadrukt ook het belang van het hebben van een voldoende omvangrijke voorraad passende huisvestingsplekken voor arbeidsmigranten.

Kwaliteitsnormering huisvesting: SNF-norm Stichting Normering Flexwonen (SNF) komt voort uit de Nationale Verklaring Tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten die op 28 maart 2012 is ondertekend door een groot aantal partijen, zoals de minister van Binnenlandse Zaken, de VNG, Aedes, ABU, NBBU, VIA, LTO Nederland, Productschap Vee en Vlees, CNV, FNV, Pools Overlegplatform in Nederland en diverse gemeenten. De ondertekenaars hebben zich

Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) 19.006

95

onder meer verplicht om een inspanning te leveren voor het vastleggen van normen voor goede huisvesting in Cao’s en in certificering, en voor een vertrouwenwekkend systeem van handhaving van die normen (bron: website Stichting Normering Flexwonen). Uit de op deze website gepubliceerde norm blijkt dat een arbeidsmigrant recht heeft op minimaal 10m² gebruiksoppervlak wonen (GBO) per persoon. Het betreft hier huisvesting in hotel/pension of op een recreatieterrein. Indien sprake is van huisvesting in een reguliere woning, een wooneenheid in een wooncomplex of een zelfstandige wooneenheid dan heeft de arbeidsmigrant recht op minimaal 12m² gebruiksoppervlak wonen (GBO) per persoon. Elke verblijfsruimte dient in alle gevallen minimaal 0,5 m² daglichttoetreding te hebben. Bij alle woonvormen hebben bewoners in hun slaapvertrek minimaal 3,5 m² vloeroppervlak tot hun beschikking. Voor huisvesting op recreatieterreinen mag dit tijdelijk 2,7m² zijn, maar indien het minder dan 3,5m² per persoon is, is het maximaal aantal personen in het slaapvertrek maximaal 2 personen. Daarnaast worden eisen gesteld aan brandveiligheid, aantal kookpitten, koelkastruimte en opbergruimte per persoon. De bewoners worden geacht zelf hun woonruimte schoon te houden. Dit wordt regelmatig gecontroleerd.

Indien dit niet het geval is, kan de beheerder zelf laten schoonmaken en de kosten verhalen op de betrekkende bewoners. Bed-voor-bed-regeling Ondernemingen die arbeidsmigranten huisvesten en in het register van SNF zijn opgenomen komen in aanmerking voor de Bed-voor-bed-regeling. Dit houdt in dat een bij SNF-geregistreerde onderneming in overleg kan treden met een gemeente over de huisvestingslocatie van de onderneming in die gemeente. Als de gemeente bepaalde locaties niet gewenst vindt, gaan gemeente en huisvester in gesprek over andere locaties binnen de gemeente. Voor ieder bed dat moet verdwijnen, moet er een terugkomen. Dit is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en huisvester. Deze Bed-voor-bed-regeling is alleen voor SNF-geregistreerde partijen die, in geval van uitzendbureaus, ook bij SNA-geregistreerd zijn. (Bron: website Stichting Normering Flexwonen). De Stichting Normering Flexwonen beheert de registers van ondernemingen die aan de norm voor huisvesting van arbeidsmigranten voldoen en onderhoudt de normen. Tijdelijke huisvesting Nu wordt vaak nog voor tijdelijk (10 jaar) met een vergunning afgeweken van het bestemmingsplan (vaak ook omdat bestuur/politiek liever niet definitieve keuzes wilt maken gezien de politieke gevoeligheid). In dergelijke gevallen geldt in principe dat de functie na 10 jaar komt te vervallen.

Dit hoeft niet persé te betekenen dat er gesloopt moet worden, maar in ieder geval wel dat het gebruik als zodanig wordt beëindigd. Straks onder de Omgevingswet (en nu ook al deels onder de Chw) worden de mogelijkheden om de differentiëren met tijdelijkheid ruimer. Nu is door met een vergunning van het bestemmingplan af te wijken een periode van maximaal 10 jaar mogelijk. Straks onder de Ow en nu ook al met de Chw kan vooruitlopend op de Omgevingswet, meer worden gespeeld met de tijdelijkheid van functies. Het is mogelijk om de looptijd veel meer te koppelen aan de feitelijke economische/technische levensduur van een gebouw of bouwwerk. Dit biedt ook kansen voor experimenteren met de tijdelijkheid van arbeidsmigrantenhuisvesting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=e4360b6f-e02e-4be1-9ddc-5a72bab32d96