01 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
R202207/2301
Pagina 31 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Voor onderhavige locatie wordt gerekend met het gemeentelijke parkeerbeleid. Derhalve worden voor de 5 appartementen die hier worden gerealiseerd, de kentallen uit de CROW gehanteerd, waarbij voor een ‘niet-stedelijke’ gemeente in het centrum een minimale parkeerbehoefte geldt van 1,7 parkeerplaatsen per koopappartement. In totaal komt dit neer op een parkeerbehoefte van 8,5 parkeerplaatsen. In totaal komt de behoefte hiermee neer op 25,3 parkeerplaatsen. Het plan voldoet hierin, gezien het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 32 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
6.
Natuur
6.1. Juridisch kader Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van toepassing. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming is onder andere de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen. Onderdeel van de wet is dat er beschermde gebieden worden aangewezen (netwerk van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten) gericht op de bescherming van ongeveer 500 soorten in het wild voorkomende planten en dieren. Op provinciaal niveau hebben bepaalde natuurgebieden eveneens een beschermingsniveau toegewezen gekregen, in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN). 6.2. Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied of in een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ is gelegen op een afstand van circa 430 meter ten noorden van het projectgebied. Daarnaast ligt het eveneens Natura 2000-gebied ‘Zwin & Kievittepolder’ op circa 950 meter ten westen van het projectgebied. Het projectgebied ligt op circa honderd meter van het NatuurNetwerk Zeeland. De toename aan woningen zou extra recreatiedruk op het NNZ kunnen veroorzaken.
Door de fysieke scheiding middels de Boulevard de Wielingen, welke als ontsluiting van het projectgebied dient wordt voorkomen dat gebruikers van het perceel onverhoopt in het natuurgebied terecht komen. Binnen de afwegingszone rondom het NatuurNetwerk bevinden zich reeds bestaande wandelpaden welke door bezoekende recreanten en bewoners gebruikt worden. Voorts bevinden zich meerdere appartementencomplexen op kleinere afstand van de afwegingszone welke reeds maatgevend zijn en potentiële lichthinder van de appartementen op de projectlocatie afschermen.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 33 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 9: De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden in de nabije omgeving van de projectlocatie (indicatief aangegeven met rode stip). Bron: AERIUS Calculator
In verband met de realisatie van de nieuwe appartementencomplexen aan de Boulevard de Wielingen 24-25 is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er na de eerst berekening relevante stikstofdepositie nog niet kon worden uitgesloten, waarna om die reden een ecologische voortoets is uitgevoerd. Zie bijlage 1 voor de aangehouden uitgangspunten van dit onderzoek en bijlage 2 voor de bijbehorende AERIUS berekeningen. Als gevolg van de stikstofemissies vanuit de gebruiksfase vindt geen stikstofdepositie plaats op daarvoor gevoelige natuur. Dit gebeurt wel door de bouwfaseactiviteiten, maar deze stikstofdepositie leidt niet tot significante negatieve effecten. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit. 6.3. Soortenbescherming Eveneens staat de bescherming van dier- en plantsoorten vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Naast een algemene zorgplicht is hier ook de bescherming van aangewezen zeldzame of bedreigde inheemse diersoorten in vastgelegd. Mits dergelijke
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 34 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
soorten aanwezig zijn op een bepaalde locatie kan dit gevolgen hebben voor de uitvoering van activiteiten. In de bestaande situatie is sprake van een verhuurkantoor en een woning met berging die als zodanig in gebruik zijn. De woning en het kantoorpand voldoen aan het Bouwbesluit 2012 v.w.b. kierdichting, waardoor het in principe kan worden uitgesloten dat zich beschermde soorten in deze bebouwing hebben gevestigd. Het onbebouwde terrein bestaat voornamelijk uit gras en struiken. Gelet op deze bestaande situatie wordt rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Om deze reden is in juli 2022 een Quickscan uitgevoerd. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 3. Hieruit is naar voren gekomen dat er nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen nodig is. Met het aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de te slopen bebouwing en de aanwezige groenstructuren een relevante functie hebben voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen (soortenbescherming). Dit is onderzocht in de periode augustus 2022 – augustus 2023. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport dat als bijlage 4 is bijgesloten. Uit dit onderzoek bleek dat er geen nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen aanwezig zijn. Tijdens dit onderzoek zijn wel verblijfsplaatsen van vleermuizen aangetroffen.
Om deze reden is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, welke door de provincie is verleend Voor de ontheffing wordt verwezen naar bijlage 5. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 35 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
7.
Water
7.1. Waterschapsprogramma Scheldestromen Het waterschapsprogramma 2022-2027 van het Waterschap Scheldestromen geeft de bestuurlijke kaders en ambities aan die de komende vier jaar leidend zijn voor de uitvoering van de taken van het waterschap. In de strategienota wordt het waterschapsprogramma op hoofdlijnen uitgewerkt in een strategie om de ambities te bereiken. Het waterschap heeft per thema haar ambities geformuleerd. Beoordeling Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Aangaande de aspecten omtrent water is hieronder een watertoets opgesteld. Ten aanzien van waterveiligheid kan worden beargumenteerd dat de locatie niet ligt in/op een waterkering, en hier daarom geen invloed op heeft. Het plan ligt tevens buiten de beschermingszone B van de primaire waterkering, wat maakt dat voor dit initiatief geen vergunning in dit kader benodigd is. 7.2. Watertoets Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”.
Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van het Watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en 1.000 m2 in landelijk gebied is een Watervergunning nodig. Ter onderbouwing van deze ontwikkeling is het aanmeldformulier watertoets waterschap Scheldestromen ingevuld, welke als bijlage is toegevoegd aan dit document. Beoordeling In de bestaande situatie bestaat het projectgebied overwegend uit gras, beplanting en bebouwing. Hierdoor is er sprake van (ruimte voor) het vasthouden en vertraagd afvoeren van water. In de beoogde situatie neemt het bebouwde oppervlakte toe. Momenteel bedraagt deze (voor beide percelen, incl. bijgebouwen) circa 196 m2. In de beoogde situatie bedraagt de bebouwde oppervlakte circa 1.196 m2 (inclusief parkeerkelder). De dichte bodemverharding bedraagt momenteel circa. 260 m2 en in de beoogde situatie circa. 160 m2. De toename aan Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 36 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
verhard oppervlak bedraagt 900 m2. De te compenseren m3 waterberging is 900 m2 x 0,147 = 132,3 m3. Door de te bouwen parkeerkelder zijn de mogelijkheden om de waterberging op eigen terrein te compenseren, beperkt. De parkeerkelder wordt, waar mogelijk, bekleed met een intensief retentiedak op de locaties waar geen gebouw wordt gerealiseerd opdat een deel van de regen kan worden vastgehouden. Het beoogde groendak van in totaal 516 m2 wordt aanvuld met infiltratiekratten zodat voorzien kan worden in de gevraagde waterberging.
Figuur 10: Locatie van retentiedak in de projectlocatie (bron: Compagnie Het Zoute)
7.3. Afvalwater Voor de afvoer van afvalwater zal worden nagegaan of kan gebruik worden gemaakt van de aanwezige gemeentelijke riolering. Deze riolering en de ontvangende afvalwaterzuiveringsinstallatie zijn van afdoende capaciteit om dit water te transporteren en te verwerken. De uitgangspunten hiervoor zijn als volgt: • Er wordt gescheiden aangesloten op de gemeentelijke riolering van Boulevard de Wielingen. • Op de locatie van de parkeerkelder ligt bestaande gemeentelijke riolering, welke nog in gebruik is voor enkele woningen aan de Boulevard de Wielingen en de Wulpenlaan. Er wordt hiernaast een alternatieve rioolafvoer voorzien met een nieuwe riolering langs het perceel van Boulevard de Wielingen 27, welke wordt aangesloten op de Mr. P.C. Hennequinlaan put C59712. • Voor de rioolaansluiting zal een vergunningaanvraag worden ingediend met een tekening van het ontwerp voor het riool. • Het rioleringsgebouw steekt tot 60-70 cm beneden het maaiveld uit. • De gemeente sluit boven op het riool aan (diameter van 160 mm).
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 37 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
8.
Milieu
8.1. Besluit milieueffectrapportage Gelet op artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. bestaat de verplichting voor het bevoegd gezag om de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid en 7.20a van de Wet milieubeheer toe te passen. Dit komt erop neer dat het bevoegd gezag verplicht is om een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van een besluit voor een in de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r.-beoordelingsbesluit genoemd. Een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit is niet alleen vereist indien sprake is van een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. en de drempelwaarden voor de desbetreffende activiteit worden overschreden, maar ook indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Zowel het college als de raad zijn op grond van artikel 7.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer bevoegd om een dergelijk m.e.r.beoordelingsbesluit te nemen.
Daarbij dient aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III bij de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de m.e.r.-richtlijn) te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In deze context dient verder te worden beoordeeld of de onderhavige ontwikkeling moet worden beschouwd als een zogenaamd ‘plan of programma’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2011 (hierna ook: de SMB richtlijn). Immers artikel 7.2, lid 1, lid 2 en lid 5 van de Wet milieubeheer jo. artikel 3, lid 3, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna ook: het Besluit mer) strekken mede ter uitvoering van het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. In kolom 3 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit mer zijn op plannen benoemd waarvoor in het Nederlandse recht voor de uitvoering van het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn een milieueffectrapportageplicht kan gelden.
Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 19 (recreatie)appartementen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 38 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld. Deze is opgenomen als de bijlage bij de vergunningaanvraag. Hieruit blijkt dat geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu optreden. 8.2. Bedrijven en milieuzonering Voor de inpassing van hindergevoelige functies zoals woningen nabij potentieel hinderlijke functies kan gebruik worden gemaakt van de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2009). In deze VNG-brochure worden gangbare vormen van bedrijvigheid ingedeeld in (milieu)categorieën van bedrijfsactiviteiten, waarbij per activiteit wordt aangegeven met welke indicatieve afstanden rekening dient te worden gehouden voor wat betreft de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast wordt een indicatie gegeven van de overige invloed die de activiteit kan hebben op de omgeving als het gaat om de aspecten verkeersaantrekkende werking, continu bedrijfsproces, visueel en gevolgen voor de luchtkwaliteit.
Op grond van de geldende beheersverordening Cadzand-Bad in samenhang met het geldende bestemmingsplan Cadzand-Bad zijn in de directe omgeving enkel woningen toegelaten. Daarnaast bevinden zich binnen een straal van 200 meter enkele aan-huis-gebonden kantoren, bed & breakfasts en andere faciliteiten om te overnachten. Allen vallen binnen de milieucategorie 1, met een milieucontour van 10 meter. Beoordeling De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor de aanwezige bedrijvigheid in de omgeving, daarnaast zullen de bedrijfsbestemmingen in de omgeving geen relevante hinder voor de toekomstige woningen in het projectgebied veroorzaken. 8.3. Geluid Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai en industrielawaai op geluidgevoelige objecten zoals is vastgesteld in de Wet geluidhinder. Recreatiewoningen zijn geen geluidgevoelige objecten in het kader van de Wgh, maar kunnen wel als zodanig worden beschouwd. De te realiseren appartementen in de categorie ‘additioneel’ in onderhavig plan zijn wel geluidgevoelige objecten.. In de Wet geluidhinder (artikel 74) zijn onder andere voor wegen binnen de bebouwde kom formele zones met betrekking tot geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai opgenomen.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 39 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Voor het stedelijk gebied bedraagt deze zone 200 meter vanaf een weg met een of twee rijstroken en 350 meter van een weg met drie of meer rijstroken. De Wet geluidhinder is niet van toepassing voor wegen waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur of minder. Het projectgebied van de beoogde ontwikkeling ligt in de nabijheid van Boulevard de Wielingen, de Duinlaan, Meester P.C. Hennequinlaan. Op deze wegen is overal een maximumsnelheid van 30 km/uur van kracht. Mede in relatie tot de bestaande en verwachte verkeersstromen maakt dit dat het aspect geluid in onderhavige ontwikkeling niet relevant is voor de komst van de nieuwe appartementen. Uit de Atlas Leefomgeving blijkt tevens dat ter plaatse van het projectgebied wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Gelet op de beoogde opbouw van de buitenwanden en kozijnen wordt voorzien in voldoende geluidwering. De buitengevels zijn opgebouwd uit een betonnen of kalkzandstenen binnenblad, isolatie, luchtspouw en buitenblad en behalen een demping van rond de 50dB. De toe te passen kozijnen behalen een totale demping van 43dB en de dubbele beglazing een demping van 28dB. Gemiddeld wordt ruimschoots voldaan aan de demping van 20dB om een acceptabel binnenniveau te krijgen van 33dB. Verder zullen de woningen aan de achterzijde kunnen beschikken over een geluidluwe buitenruimte. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. 8.4. Geurhinder In de omgeving van het projectgebied is geen sprake van geurhinder. Het bouwplan heeft evenmin betrekking op functies ten aanzien waarvan eventuele geurhinder relevant kan zijn. Het aspect geurhinder is dan ook niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. 8.5. Luchtkwaliteit Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Van belang hierbij is de invloed van het bouwplan op de plaatselijke luchtkwaliteit alsook de invloed van kwaliteit van de omgevingslucht op het bouwplan. De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wet milieubeheer, hierna ook: Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: 1. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; 2. De luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; 3. Een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 40 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld); 4. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.) Sinds 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 in werking. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Voor Elementair Koolstof (EC) gelden geen grenswaarden, maar de concentratie van deze stof in de buitenlucht vormt eveneens een parameter bij de beoordeling van de luchtkwaliteit. Gevolgen van bouwplan voor luchtkwaliteit Het plan is zodanig kleinschalig dat hierop het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit) van toepassing is (hierna ook: NIBM). De grens op grond van dit besluit is immers meer dan 1.500 woningen1. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen is vastgelegd in welke situaties sprake is van een ontwikkeling van zodanig geringe omvang dat kan worden aangenomen dat geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is.
In de context van een goede ruimtelijke ordening dient los daarvan te worden nagegaan of een ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Uit de NIBM-tool2 blijkt dat pas vanaf 1.370 motorvoertuigen per dag extra, in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
1
Bijlage 3a, voorschrift 3A2 van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) – uitgaande van een bepalende ontsluitingsweg. In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier, bijvoorbeeld door middel van berekeningen, aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 41 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 11: Uitsnede NIBM-tool
8.6. Bodem Verontreiniging in de bodem vormt een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit om zeker te stellen dat eventuele verontreinigingen in de bodem, gelet op de geldende regelgeving en het staande beleid, zich niet verzetten tegen het door onderhavig bestemmingsplan beoogde gebruik. Uit de bodemtoepassingskaart van de provincie Zeeland (uitsnede in figuur 12) en de bodemfunctiekaart van de gemeente Sluis (uitsnede in figuur 13) komt naar voren dat onderhavige locatie voldoet aan de kwaliteitswaarden voor de functie wonen. Van de bodemkwaliteitskaart mag gebruik worden gemaakt mits er een historische toets is uitgevoerd en er op basis van deze toets geen verdachte gegevens aanwezig zijn. Uit de historische toets is gebleken dat er op en/of langs de projectlocatie een tracé van een voormalige stoomtrambaan heeft gelegen, hetgeen verhoogde PAK’s waarden met zich mee zou kunnen brengen. Het tracé loopt vrijwel langs de gehele boulevard, en in enkele onderzoeken uit het verleden bleek dat er geen belemmeringen waren voor de ontwikkelen of het verlenen van vergunningen. De verwachting is derhalve dat dit ook hier niet het geval zal zijn. De grond die bij de werkzaamheden vrijkomt kan echter niet zondermeer vrij worden toegepast, daar de projectlocatie o.b.v. de historische toets niet als onverdacht kan worden aangemerkt.
Hierom dient na de sloopwerkzaamheden van de huidige bebouwing een partijkeuring uitgevoerd te worden om de vrijkomende grond op waarde te kunnen schatten. Het aspect bodem vormt verder voor onderhavige ontwikkeling geen belemmering.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 42 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 12: Bodemtoepassingskaart provincie Zeeland, planlocatie indicatief voorzien van rode stip. (Bron: Geoloket: Zeeuws Bodemvenster).
Figuur 13: Bodemfunctiekaart gemeente Sluis, planlocatie indicatief voorzien van rode cirkel (Bron: Nota bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen).
8.7. Externe veiligheid Doel van het externe veiligheidsbeleid is om de kans op overlijden van mensen in de omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen, binnen aanvaardbare grenzen te Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 43 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
houden. Deze risicobenadering kent een tweetal begrippen om het risiconiveau weer te geven, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute of industriële risicobron overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op die plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicovolle bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor het plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6 per jaar. Het groepsrisico drukt de kans uit per jaar dat een groep mensen van minimale omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute of industriële risicobron waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.
Het groepsrisico is te beschouwen als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een incident. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde. Beoordeling Voor onderhavige locatie is de risicokaart geraadpleegd om uit te sluiten dat risicobronnen een belemmering vormen voor onderhavig plan. Uit figuur 14 blijkt dat er binnen een straal van een kilometer geen enkele risicobron aanwezig is vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Tevens vindt er over land geen transport van gevaarlijke stoffen plaats in de nabije omgeving. Op de Westerschelde vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Daar dit echter op ca. 3,5 kilometer van de projectlocatie plaatsvindt, vormt dit geen risicobron voor onderhavige ontwikkeling. De ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van deze transportroute. De transportroute ligt op meer dan 500 meter afstand en daarmee heeft de relatief kleinschalige ontwikkeling geen significant negatief effect op de hoogte van het GR.
Uit het Basisnet Water blijkt dat het GR in de huidige situatie niet zorgt voor een overschrijding van de oriëntatiewaarde, de realisatie van de ontwikkeling zorgt eveneens niet voor een overschrijding
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 44 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
van de oriëntatiewaarde. Conform het BEVT geldt dat bij een afstand van meer dan 200 m geen ruimtelijke beperkingen worden gesteld. Een verantwoording van het GR is dan niet noodzakelijk. Uit risicoberekeningen van Rijkswaterstaat (2008) blijkt dat het plaatsgebonden risico van 10-6 niet tot de oever reikt. Ook heeft TNO een analyse uitgevoerd met betrekking tot het groepsrisico (2007), waaruit blijkt dat het invloedsgebied zich uitstrekt tot over de oevers. Het beperkte aantal te bouwen appartementen is derhalve niet maatgevend. Omdat de locatie wel in het invloedsgebied ligt is hieronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld.
Figuur 14: Risicobronnen in de nabije omgeving van het projectgebied (indicatief weergegeven met blauwe stip) (Bron: risicokaart.nl).
Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen (Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR, 2019). Het projectgebied wordt ontsloten via de Boulevard de Wielingen op de N674. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Zeeuws-Vlaanderen. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen,
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 45 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zijn 19 appartementen in het projectgebied. Eventueel aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook is goede voorlichting en instructie van aanwezige personen van belang, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'.
Door de VVE van het appartementencomplex zal een ontruimingsplan worden opgesteld, waarin tevens de externe veiligheidsrisico’s zijn uitgewerkt. Daarnaast worden de volgende maatregelen getroffen ter beperking van de risico’s: • Ventilatie: De appartementen worden luchtdicht afsluitbaar. Ramen, deuren (inclusief automatische schuifdeuren) en ventilatieroosters moeten gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie dient met een druk op de knop uit te schakelen te zijn. Met deze maatregel wordt het binnendringen van gevaarlijke stoffen tegengegaan. • Risicocommunicatie: Bewoners/gebruikers worden geïnformeerd over het handelingsperspectief bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiertoe wordt een infographic met dit handelingsperspectief bijgesloten die verstrekt kan worden. Conclusie Het projectgebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de Westerschelde. Gezien de beperkte persoonstoename en de afstand tot de risicobron kan een relevante toename van het groepsrisico worden uitgesloten. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 46 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
8.8. Niet-gesprongen explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog is in Zeeuws-Vlaanderen op verschillende plaatsen gevochten. Cadzand-Bad is een van de meest relevante locaties waar niet-gesprongen explosieven kunnen liggen. Uit historisch onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van Noordzee Résidence Cadzand-Bad blijkt dat geheel Cadzand-Bad als verdacht gebied voor nietgesprongen explosieven gekenmerkt wordt. Er zijn geen aanvullende onderzoeksgegevens voorhanden die een nauwkeuriger inschatting van het risico op niet gesprongen explosieven op kavelniveau mogelijk maken. Beoordeling De huidige panden zijn gebouwd in 1960 en 1965, waardoor toentertijd grondroeringen hebben plaatsgevonden. De kans lijkt derhalve klein dat bij nieuwe grondroeringen op dezelfde locatie ongeroerde grond wordt behandeld. Mochten er explosieven gevonden worden, dan kunnen deze voor de bouw verwijderd worden. Mochten er geen explosieven gevonden worden, kan de bouw een aanvang nemen. Risico’s komen conform de anterieure overeenkomst voor rekening van de eigenaar. Als er na sloop van het bestaande gebouw gewerkt gaat worden in ongeroerde grond (grond die sinds 1944 niet geroerd is) dan is het dringende advies om voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden explosievenopsporingsonderzoek te laten plaatsvinden. 8.9.
Afval Appartementen die een woonfunctie hebben vallen onder de wettelijke inzamelplicht van de gemeente voor het inzamelen van huishoudelijk afval. De eigenaren van de appartementen gaan een aanslag afvalstoffenheffing ontvangen van de gemeente. De door de gemeente aangewezen inzameldienst gaat het van de appartementen afkomstige huishoudelijk afval inzamelen. De gemeente beslist welke inzamelmiddelen gebruikt worden. In het Grondstoffenplan is opgenomen dat de gemeente aan de kust het huishoudelijk afval gescheiden gaat inzamelen met ondergrondse containers. Deze ondergrondse containers worden in overleg met de gemeente of door de gemeente geplaatst. De containers zijn eigendom van de gemeente. Mogelijk moeten de ondergrondse containers op particulier terrein geplaatst worden. Dan wordt een recht van opstal gevestigd. Ondergrondse containers zijn enkel te openen met behulp van een elektronische badge. Deze badge is eigendom van de gemeente. Per appartement wordt één badge beschikbaar gesteld. De bereikbaarheid en toegankelijkheid van de inzamelmiddelen voor huishoudelijk afval moet te allen tijde geborgd blijven.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 47 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Beoordeling In afwachting van ondergrondse containers langs de Boulevard wordt een ondergrondse afvalruimte voorzien in het project. Deze voldoet aan de ‘richtlijnen voor containerruimten bij hoogbouw’ van de gemeente Sluis met betrekking tot brandveiligheid, geluidsisolatie alsook ventilatie voorschriften. De maximale wandelafstand van 75m vanaf de appartementen wordt gerespecteerd. In de regelementen van de VVE zal opgenomen worden dat de beheerder de rolcontainers dient buiten te zetten aan de weg op de dag van de ophaling. 8.10 Bezonning Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. De wet stelt de TNO-norm niet verplicht, maar veel gemeenten hanteren hem. Een aantal gemeenten heeft beleid gebaseerd op deze norm.
De gemeente kan er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan op te nemen. Beoordeling Gezien de openheid direct ten zuiden van de projectlocatie (in vergelijking met naburige percelen) wordt bezonning voor deze locatie, evenals in de huidige situatie, niet als een belemmering gezien en wordt niet afgedaan aan de ‘lichte’ TNO-norm op naburige percelen als gevolg van de ontwikkeling op onderhavig complex. 8.11. Overig Gelet op de bouwhoogte van 14 meter behoeft geen rekening te worden gehouden met een risico op het ontstaan van onaanvaardbare windhinder rondom het gebouw. In de NEN 8100 is namelijk opgenomen dat windonderzoek nodig is bij gebouwen hoger dan 30 meter, en dat een nadere beoordeling moet plaatsvinden als gebouwen tussen de 15 tot 30 meter hoog zijn. In
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 48 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
dit geval betreft de bouwhoogte zoals gezegd 14 meter, hetgeen gezien de locatie en vergelijkbare bebouwing in het lint niet tot enige hinder leidt. Daarnaast hoeft er bij een bouwhoogte lager dan 90 meter geen rekening te worden gehouden met radarverstoring. In de omgeving is evenmin sprake van functies die nadeel kunnen ondervinden van schaduwwerking. Het aspect elektromagnetische straling speelt geen rol op de locatie en evenmin behoeft rekening te worden gehouden met explosievenonderzoek. Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen binnen en in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 49 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
9.
Uitvoerbaarheid
9.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro en om de wijze waarop burgers bij de planvoorbereiding zijn betrokken. In het kader van artikel 3.1.1 Bro is de concept ruimtelijke onderbouwing op 2 juni 2025 toegezonden aan de provincie Zeeland, de Veiligheidsregio Zeeland en het Waterschap Scheldestromen. Hierop zijn, samengevat, de volgende overlegreacties ontvangen. Provincie Zeeland, bij brief van 15 juli 2025 Overlegreactie 1. Betreft Stikstof, voor de habitattypen Grijze Duinen (Kalkarm) en Vochtige Duinvalleien (open water; H2190Aom) zijn de Natuurdoelanalyses (NDA’s) en het advies van de Ecologische Autoriteit niet meegenomen in de beoordeling. Dit betreft de meest recente wetenschappelijke kennis en zou daarom moeten worden meegenomen in de voortoets. Voor Grijze duinen wordt verwezen naar het jaar 2017 en daarmee waarschijnlijk naar de (verouderde) PAS Gebiedsanalyse. Naar verwachting heeft deze aanvulling van de onderbouwing geen effect op de conclusie. 2. Daarnaast wordt verzocht helderheid te geven over de toetsing van het recreatief beleid zoals de provincie Zeeland dat voorstaat. Paragraaf 3.3.2. wordt ‘Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018’ genoemd.
Bij de inleiding van dit deel wordt gesproken over de op 1 januari 2025 gewijzigde provinciale Omgevingsverordening Zeeland. Weer iets verderop in de paragraaf wordt verwezen naar artikel 2.13 die zal verwijzen naar de verordening 2018. Overwegingen en conclusie 1. Het gaat om het onderzoek van Blom (Ecologische Voortoets Boulevard de Wielingen 2425 te Cadzand - Aanvullend onderzoek gebiedsbescherming in het kader van de Omgevingswet). De beoordeling van de habitattypen Grijze Duinen (kalkarm) en Vochtige Duinvalleien (open water, H2190Aom). Grijze Duinen (kalkarm) Het habitattype Grijze Duinen (kalkarm, H2130b) komt niet voor binnen het Natura 2000gebied Zwin en Kievittepolder waarop de bouwfase stikstofdepositie veroorzaakt. Dit habitattype wordt ook niet benoemd in de Natuurdoelanalyse Natura 2000-gebied Zwin en Kievittepolder (2023) of in het Advies over de Natuurdoelanalyse Zwin & Kievittepolder, provincie Zeeland (Ecologische Autoriteit, 2023), noch is deze opgenomen in de AERIUS Monitor.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 50 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Grijze duinen (kalkrijk) zijn wel opgenomen in de ecologische voortoets. In deze paragraaf wordt verwezen naar de PAS Gebiedsanalyse uit 2017. De recentere natuurdoelanalyse uit 2023 omschrijft de huidige kwaliteit als goed (zie pagina 43). Dit geeft geen andere conclusies. Vochtige Duinvalleien (open water; H2190Aom) Het habitattype Vochtige Duinvalleien (open water; H2190A) komt wél voor binnen het Natura 2000-gebied Zwin en Kievittepolder waarop de bouwfase stikstofdepositie veroorzaakt. In totaal vindt er een stikstofdepositie plaats van 0,01 mol/ha/jaar op 0,01 hectare van dit habitattype. Het gaat om twee hexagonen (2305794 en 2307323), nabij de Gerrit van Hoekestraat. 2. De tekst wordt in lijn gebracht met de meest recente versie van de verordening. Waterschap Scheldestromen, per e-mailbericht van 5 juni 2025 Overlegreactie 1. Waterkeringen: Het plan is gelegen buiten de beschermingszone B van de primaire waterkering en voor dit initiatief is dus geen vergunning nodig. 2. Voorkomen wateroverlast: De te compenseren toename van verharding is 900 m² en niet 1356 x 75 mm zoals in de tabel is neergezet (tekstueel). 3. Voorkomen wateroverlast: Er wordt gesteld dat er voor 900 m² toename van verharding 67,5 m³ water op eigen terrein geborgen moet worden.
Er wordt dan gerekend met 75 mm berging echter dat kan alleen als er berging wordt gemaakt in het oppervlaktewatersysteem en dat is hier niet het geval. Als er solitaire berging op het terrein wordt aangelegd moet gerekend worden met de totale T=100 neerslagsom en dat is 147 mm. Dat maakt dat er 900 m² x 147 m = 132,5 m³ berging aangelegd moet worden. Dat betekent dat het benoemde retentiedak waarvan wordt aangegeven dat het 150 mm kan bergen ook ongeveer 900 m² moet zijn. 4. Grondwaterkwantiteit: Als sprake is van grondwateronttrekking dient dit gemeld te worden bij het waterschap. De locatie is volgens de Grondwaterbeheerkaart gelegen buiten een zoetwatervoorkomen en buiten een zogenoemd kwetsbaar (natuur)gebied (link https://scheldestromen.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=373b07ae7 7f948f5b8266badf09a0d7d). Voor deze gebieden gelden de volgende algemene regels voor tijdelijke onttrekkingen om aan een melding te voldoen: − Tussen 10 m³ en 100 m³ wordt onttrokken. − Minder dan 15.000 m³ per maand wordt onttrokken. − Minder dan 30.000 m³ per 6 maanden wordt onttrokken. − De werkzaamheden duren niet langer dan 6 maanden.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 51 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Indien één van deze criteria wordt overschreden is in plaats van een meldingsplicht, sprake van een vergunningsplicht. Overwegingen en conclusie 1. De ruimtelijke onderbouwing is op dit onderdeel aangevuld. 2. en 3. Zowel de ruimtelijke onderbouwing als het watertoetsformulier zijn op dit onderdeel gecorrigeerd. 4. Bij de uitvoering van het bouwplan zal hiermee rekening worden gehouden. De verwachting is dat een vergunning noodzakelijk is. Van de Veiligheidsregio Zeeland is geen reactie ontvangen. Participatie Teneinde de omwonenden goed te informeren werd aan hen een brief toegestuurd met de uitnodiging om de plannen persoonlijk toe te lichten. De initiatiefnemer is van oordeel dat een persoonlijk gesprek drempelverlagend is. Gezien bijna alle panden worden verhuurd werden de brieven ook per mail overgemaakt via de desbetreffende verhuurkantoren. Met enkele eigenaren heeft overleg plaatsgevonden om de plannen te bespreken en uit te leggen, met positieve reacties als resultaat. De eigenaren met wie in gesprek gegaan is zullen blijvend op de hoogte worden gehouden tijdens deze ontwikkeling. Op basis van de uitgebreide analyses en onderzoeken beschreven in de hoofdstukken 4 t/m 8 kan geconcludeerd worden dat de geplande ontwikkeling zowel vanuit milieukundig als sociaaleconomisch perspectief verantwoord is.
De genomen maatregelen zorgen ervoor dat eventuele milieueffecten geminimaliseerd worden en dat de ontwikkeling op een duurzame manier geïntegreerd wordt in de omgeving. Er is voldoende aangetoond dat er geen significante negatieve effecten op de omgeving zijn, noch dat de omgeving een bedreiging vormt voor de ontwikkeling. Zienswijzenprocedure Op de voorbereiding van de vergunningverlening is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De ontwerp omgevingsvergunning ligt, na voorafgaande bekendmaking, voor een periode van zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend door eenieder. 9.2. Financiële uitvoerbaarheid In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan worden besloten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 52 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is en er –kort gezegd- ook voor wat betreft fasering of andere bijzondere omstandigheden geen exploitatieplan nodig is. Een ander aspect dat in het kader van de economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld, is de vraag of er aanleiding bestaat voor planschade. Een planschadeovereenkomst als bedoeld in artikel 6.4a, lid 1 van de Wro wordt met de initiatiefnemer afgesloten middels een anterieure overeenkomst. Nu er geen noodzaak bestaat een exploitatieplan vast te stellen, is er met de initiatiefnemer een zogenaamde anterieure overeenkomst gesloten voor wat betreft vergoeding van de gemeentelijke exploitatiekosten, waaronder begrepen mogelijke kosten die samenhangen met een verzoek om toekenning van schade die volgens artikel 6.1 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet voor hun rekening dient te blijven. De ontwikkeling van de nieuwbouwappartementen aan de Boulevard de Wielingen 24-25 is een particulier initiatief. Er is sprake van een haalbare exploitatie. Het plan is financieel uitvoerbaar als met deze vergunning de benodigde zekerheid kan worden verkregen dat de ontwikkeling wordt toegelaten.
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 53 van 54
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlages -
Bijlage 1: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 2: Stikstof Voortoets Boulevard de Wielingen 24-25 te Cadzand Bijlage 3: Stikstofberekeningen - Uitdraai AERIUS Calculator Bijlage 4: Quick-scan Wnb Boulevard de Wielingen 16, 24 en 25 te Cadzand-Bad Bijlage 5: Aanvullend onderzoek ecologie Boulevard de Wielingen 16,24 en 25 te Cadzand- Bad Bijlage 6: Mitigatieplan Boulevard de Wielingen 16 en 25 Cadzand-Bad Bijlage 7: Ontheffing Wet natuurbescherming Bijlage 8: Watertoets-formulier Bijlage 9: Brief communicatie naar omgeving Bijlage 10: Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Adromi B.V.
R202207/2301
Pagina 54 van 54