CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 - ontwerpbestemmingsplan Mariastraat 35.pdf

Raad 25 maart 2021, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Mariastraat 35 Cadzand25.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4. Verkennend booronderzoek Ter aanvulling op het bureauonderzoek is voor het gehele plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd, gebaseerd op het vooraf opgestelde PvA. Het boorgrid en de boornummers zijn weergegeven in afbeelding 13. 4.1. Doelstelling Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel de in het bureauonderzoek geformuleerde hoge verwachting ten aanzien van bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd (vanaf de 13e eeuw) aan de Mariastraat te toetsen, door inzicht te krijgen in de omvang, (diepte)ligging, aard, datering, gaafheid en conservering van de te verwachten archeologische resten. Op gelijke wijze is de verwachte lage kans voor bewoningssporen in de overige delen van het plangebied, waar vooral perceleringssporen (kades, greppels), worden verwacht, getoetst.

35

Coppens, 2013.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

19

Afbeelding 13: Boorgrid (rode stippen) in het plangebied (gele contour). Bron: Archis/RCE/PDOK.

4.2. Methode Conform de Provinciale richtlijn en de specificatie VS03 uit de KNA 3.3 is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Verslaglegging is gedaan volgens specificatie VS05. De boringen zijn in een variabel grid gezet: langs de noord/noordwestelijke zijde zijn de raaien op 30 meter uit elkaar geplaatst, met een boorinterval van 40 meter, omdat hier de hoogste verwachting geldt. Meer naar het zuiden is de afstand tussen de raaien vergroot, omdat de verwachting hier lager is. Veldinspectie leverde niets op vanwege de aanwezige bebouwing, verharding en de reeds aanwezige vegetatie op het perceel.

Werkwijze

Er is voor boringen gekozen, omdat deze methode het meest efficiënt zicht geeft op de opbouw van de bodem, grootschalige verstoringen en archeologie in de ondergrond. De boringen zijn verkennend van aard. De beschrijving van de boringen is terug te vinden in bijlage 3. De boringen zijn verspreid over het plangebied uitgevoerd, rekening houdend met de beperkingen vanwege aanwezige bebouwing, verharding, kabels en leidingen. De locatie van de boringen is met behulp van GPS ingemeten, met een nauwkeurigheid van c. 1 meter. De hoogte van de boringen is met behulp van het AHN in NAP geschat.36 De boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 7 cm en een guts met een diameter van 0,03 m. Het opgebrachte materiaal is per laag bemonsterd en beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB), dat gebaseerd is op NEN5104. 37 Naast lithologische en bodemkundige aspecten is in het bijzonder aandacht besteed aan het wel of niet voorkomen van archeologische indicatoren als houtskool, verbrande klei/leem, aardewerk, (on)verbrand bot, natuursteen, fosfaatvlekken, baksteen en andere niet natuurlijke insluitsels. Ook is 36 Gegevens www.ahn.nl 37 Bosch 2005 en Nederlands Normalisatie Instituut 1989.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

20

het kalkgehalte bepaald. In alle boringen is de bodem zeer kalkrijk (bruist met HCl), met uitzonering van een aantal ophogingslagen. Dit is echter niet bij de boorbeschrijvingen genoteerd. De beschrijving van de boorgegevens is digitaal vastgelegd met gebruikmaking van het software pakket Boorstaten.nl.38 4.3. Resultaten

Landschap

Op basis van het bureauonderzoek werd de verwachting geformuleerd dat er in het onderzoeksgebied afzettingen, ontwikkeld als kreekafzettingen (erosiegeul), aanwezig zijn, die een dikte van 20 m tot aan de Pleistocene ondergrond kunnen hebben. Uit de omgeving zijn enkele boringen opgenomen in Dinoloket, waaruit blijkt dat de kleiige afzettingen 2,5 tot 3,5 meter dicht aan de oppervlakte dik zijn.39 In eerste instantie was het de bedoeling om te boren tot 3 m, waarvan de onderste meter met de guts. In de meeste gevallen lukte het echter niet om tot 3 m te boren, omdat op een diepte van 110 à 280 cm –mv zandafzettingen werden aangetroffen die onder de grondwaterspiegel liggen. Zodra het zand werd aangeboord en geprobeerd werd om deze afzettingen te bemonsteren liep het meeste zand uit de boor en kon er vaak alleen geconstateerd worden dat de basis van de boring uit zand bestond. In een aantal gevallen was het niet mogelijk om de waarschijnlijk aanwezige differentiatie in de zandafzettingen goed te beschrijven. In een aantal gevallen kon deze differentiatie wel gemaakt worden.

Boringen

Van de 33 boringen is boring 16 vervallen omdat de locatie van deze boring verhard is en er in het omringende terrein geen geschikte locatie voor een boring kon worden gevonden door bebouwing, verharding en doordat een smalle onverharde strook te dicht begroeid was. Het materiaal uit de boringen wordt hieronder van onder naar boven beschreven. Op 110 à 280 cm –mv is grijs tot lichtgeel zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd zand aangetroffen, met daarin schelpengruis en volledige schelpen. Bovenin deze laag komt plaatselijk een bruin tot bruingrijs, zwak humeuze horizont voor met veel plantenresten. In boring 22 is in deze horizont een dubbelkleppige schelp aangetroffen in levenshouding. In sommige boringen is vervolgens lichtgrijs, zeer fijn, zwak siltig, goed gesorteerd zand met enkele kleilaagjes aangetroffen. Meestal gaat de humeuze horizont vrijwel direct over in een sterk zandige kleilaag met vaak een afwisseling met hele dunne zandlaagjes. In boring 24, 26 tot 31 en 33 is op 110 à 170 cm diepte de sterk zandige kleilaag, grijs, zwak humeus en deze bevat vaak een weinige tot een matige hoeveelheid plantenresten.

Meestal heeft deze humeuze horizont een dikte variërend van 5 à 25 cm, maar in boring 28 en 31 is deze horizont respectievelijk 160 en 70 cm dik en in boring 26 is vervolgens na een interval bestaande uit lichtgrijze sterk zandige klei nog een zwak humeuze horizont aanwezig. Op een diepte variërend van 60 à 160 cm diepte bevindt zich een lichtgrijze sterk zandige kleilaag. Algemeen bevindt zich hier bovenop een matig zandige kleilaag tot aan het maaiveld (als de humeuze bovenlaag/bouwvoor wordt meegerekend). De boven beschreven opbouw representeert min of meer de algemene opbouw van de (natuurlijke) afzettingen zoals ze zijn aangetroffen in het plangebied. In de boringen 5, 6, 11, 13, 17 en 21 is een geheel natuurlijke bodemopbouw vastgesteld, zonder indicaties op archeologie of vegetatiehorizonten. In boring 2, 4, 7, 8, 10, 12, 14, 19 en 22, 23, 24, 26, 27, 29, 30, 31 en 33 is een vegetatiehorizont waargenomen tussen de kleiige en zandige lagen. Een aantal boringen laat een (mogelijk) meer antropogeen beïnvloede bodemopbouw zien: ter hoogte van de bebouwing aan de Mariastraat (boring 1, 2, 3, 8, 9), het tuincentrum (boring 10, 11, 18, 19 en 20), boring 15 nabij een perceelsloot, boring 24 en 27 op het bouwland en boring 28 en 31 die op een talud zijn gelegen op een kortere afstand van de Mariastraat en boring 25 dat in een spoor moet zijn

38 www.boorstaten.nl. 39 www.dinoloket.nl.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

21

gezet. Het talud behoort mogelijk tot een voormalig traject van de Mariastraat of een daaraan in het verleden parallel lopend pad. In boring 1 is afgezien van de zandafzettingen (kreekafzettingen) aan de basis geen natuurlijke bodemopbouw meer herkenbaar en bestaat waarschijnlijk hoofdzakelijk uit ophogingen en/of kuilvullingen. De sterk zandige kleilaag ontbreekt en vanaf de onderste matig zandige kleilaag vanaf 190 cm diepte zijn fosfaatvlekken zichtbaar, is deze zwak humeus vanaf 170 cm diepte en wordt vanaf 50 cm diepte afgedekt door een matig humeuze zandlaag. In het hele pakket zijn archeologische indicatoren aangetroffen als steenkolengruis, houtskool, een slak, stukje bot, baksteen, enkele aardewerkfragmentjes en zoals al beschreven fosfaatvlekken. In boring 2 waar de sterk zandige kleilaag nog wel wordt aangetroffen, bestaat deze verder eveneens uit ophogingen en/of kuilvullingen, waarvan de basis op ca. 160 cm –mv ligt. Naast houtskool en rode en gele baksteen is er op 145 cm diepte verbrande leem als archeologische indicator aangetroffen. In boring 3 representeert de dikke A-horizont waarschijnlijk eveneens een geringe ophoging. In deze humeuze bovenlaag zijn baksteen en houtskool aangetroffen. De extreem dikke humeuze bovenlaag van boring 8 en 9 representeren eveneens ophogingen met als archeologische indicatoren, houtskool, baksteen en fosfaatvlekken.

In boring 8 is tevens verbrande leem aangetroffen. In boring 9 zijn ook nog de archeologische indicatoren kalk, een enkel stukje ijzer en een enkel aardewerkfragmentje aangetroffen. In boring 10 zijn eveneens een aantal ophogingen aangetroffen tot tenminste 160 cm diepte, met daarin o.a. twee laagjes veen. In de ophoging waren een aantal lagen waarin grind was bijgemengd. In een aantal van deze lagen was rode en gele baksteen als archeologische indicator aanwezig. In de (waarschijnlijk) voormalige bouwvoor op 160 cm –mv zijn eveneens wat rode en gele baksteen aangetroffen. In boring 11 is de humeuze bovengrond maar liefst 130 cm dik, waarvan de bovenste 20 cm gevlekt is en waarschijnlijk uit opgebrachte grond bestaat. Afgezien in de bovenste 20 cm waar wat kleine baksteenfragmenten zijn aangetroffen, zijn er in deze boring geen archeologische indicatoren aangetroffen. Bovenop een begraven bouwvoor ligt in boring 17 en 18 zo’n 15 à 20 cm cunnetzand, dat weer met worteldoek is afgedekt. In boring 18 zijn in de bovenste 60 cm –mv baksteenfragmenten, een aardewerkfragmentje en een spikkel houtskool aangetroffen. In boring 19 zijn in de bouwvoor wat baksteen en twee aardewerkfragmenten van een gelijksoortig baksel aangetroffen. In boring 20 en 24 is in de bovenste 45 à 50 cm tot net onder de bouwvoor wat baksteen als archeologische indicator aangetroffen.

In boring 15 zijn onder een bouwvoor van 10 cm binnen 50 cm –mv twee begraven A-horizonten aangetroffen. Vanwege de nabijheid van een kavelsloot is deze bodemopbouw waarschijnlijk ontstaan door het schonen van deze sloot. In de bovenste begraven bouwvoor is wat baksteen en een aardewerkfragmentje aangetroffen als archeologische indicator. In boring 25 is tot 65 cm –mv net onder de dikke humeuze bovenlaag van 55 cm wat baksteen aangetroffen als archeologische indicator. Op 100 à 110 cm –mv is echter in matig zandige klei een houtskoolspikkel aangetroffen. Vervolgens is op 115 cm –mv een zwak humeuze, matig zandige, sterk schelphoudende kleilaag aangetroffen met een houtskoolspikkel. Terwijl meteen daaronder een lichtgrijze, zeer zwak humeuze, matig zandige kleilaag is aangetroffen tot ca. 180 cm diepte waarin op ca. 170 cm –mv een brokje houtskool en een aardewerkfragmentje is aangetroffen. Waarschijnlijk is boring 25 in een spoor gezet met een diepte van ca. 180 cm. In boring 26 is op 125 tot 135 cm diepte een vegetatiehorizont aangetroffen bovenin de sterk zandige kleilaag. In boring 27 en 28 zijn op respectievelijk ca. 120 en 140 cm –mv houtskoolspikkels aangetroffen in de sterk zandige klei, die in boring 28 zwak humeus is. Verder zijn in boring 28 tot net onder de dikke humeuze bovenlaag van 55 cm wat baksteenfragmenten aangetroffen.

In deze humeuze bovenlaag zijn als bijmenging wat grindsteentjes en steenkolengruis aangetroffen. Boring 28 ligt net als boring 31 op een oud verlaten talud van een weg/pad. In boring 31 is een dikke humeuze bovenlaag aangetroffen, maar daarin is alleen een enkele baksteenspikkel aangetroffen en in boring 28 en 32 is de humeuze bovenlaag eveneens 60 cm dik en daarin is eveneens alleen een enkele spikkel baksteen aangetroffen. De humeuze bovengrond varieert verder in dikte van dun (boring 4, 5, 6, 7 en 14), matig dik (boring 13, 20 tot 24, 29, 30 en 33) tot dik (boring 12 en 27). In vrijwel al deze boringen is een beetje baksteen aangetroffen in de Ahorizont. In de onderstaande tabel staan de aardewerkfragmenten die zijn aangetroffen. Boring 1

Diepte [cm –mv] 0-50

Beschrijving vondst Fragment zoals boring 19

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

22

1

50-180

9 9 15 18 19 25

ca. 40 55-70 15-25 ca. 70 0-25 ca. 170

Stukje roodbakkend, oranje geglazuurd en een rand roodbakkend, wit geverfd Fragment roodbakkend, oranje geglazuurd Stukje ijzer Stukje steengoed Roodbakkend, ongeglazuurd aardewerk Twee aardewerkfragmenten Grijs, gereduceerd gebakken (Elmpt?)

De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 14. 4.4. Conclusies en aanbevelingen Het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen heeft de in het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting kunnen toetsen en aanvullen voor het plangebied. Algemeen bestaat de ondergrond van het plangebied van onder naar boven uit zeer fijn, zwak siltig zand met bovenin een vegetatiehorizont , een sterk zandige kleilaag met onderin vaak een vegetatiehorizont van 25 tot 160 cm dikte en een matig zandige kleilaag waarin zich de humeuze bovenlaag bevindt (boring 2, 4, 7, 8, 10, 12, 14, 19 en 22, 23, 24, 26, 27, 29, 30, 31 en 33). In een aantal boringen is een duidelijke antropogene invloed zichtbaar. Zo zijn er in boring 1, 2, 3, 8, 9, 10, 11 ophogingen en/of kuilvullingen aangetroffen, waarin vooral in boring 1, 2, 3, 8 en 9 overtuigende archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Verder zijn er ook in boring 15, 18, 19, 20, 24, 25, 27, 28, 31 en 32 zeer verschillende soorten archeologische indicatoren aangetroffen en is in boring 26 een vegetatiehorizont op 125 cm diepte aangetroffen, bovenin de sterk zandige klei. Boring 25 is vrijwel zeker in een spoor gezet. In geen van deze boringen zijn diepe verstoringen aangetroffen. In de boringen 5, 6, 11, 13, 17 en 21 is een geheel natuurlijke bodemopbouw vastgesteld, zonder indicaties op archeologie of vegetatiehorizonten.

Het geheel behoort tot de kreekafzettingen - en alle daarbij behorende variaties in zandige en kleiige lagen - binnen het Laagpakket van Walcheren. Het algemene beeld is er één van een gebied met een grote diversiteit aan archeologische indicatoren, verspreid over vele boringen waargenomen, op verschillende dieptes onder maaiveld. Vraag is of dit ophogingspakketten zijn, met afvalmateriaal dat van elders afkomstig is, of dat er sprake is van bewoningsresten in situ. Dat de bouwvoor rijk is aan archeologische indicatoren, wekt geen verbazing: dit is het gevolg van het opbrengen van mest en afval. De bevindingen uit het veldonderzoek ondersteunen dus de verwachtingen die zijn uitgesproken in het bureauonderzoek. Het is - zoals uit het bureauonderzoek al naar voren kwam - zeer aannemelijk dat er sprake is van oudere bewoningsfasen, op en deels in het Laagpakket van Walcheren. Uit het booronderzoek blijkt echter dat dit niet beperkt is gebleven tot de noord-noordwestelijke zijde, maar dat meer zuidwaarts ook activiteiten hebben plaatsgevonden. Bij een vindplaats zou hier gedacht kunnen worden aan de in bijlage 2 genoemde hofstede Schuttershof, daterend uit de Nieuwe Tijd, eventueel teruggaand tot in de Late Middeleeuwen.

Resten van een boerderij met erf, opstal(len), waterput, afvalput en akkers met perceelsgrenzen (beginnen) zouden aangetroffen kunnen worden, met al het bijbehorende organische en anorganische vondstmateriaal. De kern van de activiteiten lijkt toch wel in de noord-noordwestelijke zone te liggen. Meer zuidwaarts is er misschien meer sprake geweest van agrarisch gebruik; dit is echter niet eenduidig uit de boringen af te leiden. Interessant is ook de mogelijke aanwezigheid van een oud wegtracé in de zuidelijke punt, langs de Mariastraat. Op grond van het verkennende booronderzoek is een resultatenkaart gesteld, zie afbeelding 14. Archeologische indicatoren komen verspreid over het gehele plangebied voor, ook de zones met en lage verwachting. De aanwezigheid van vegetatiehorizonten duidt er op dat in diverse perioden sprake was van een fase waarin de bodem boven het waterpeil uit stak, en dus ook mogelijkheden bood voor menselijke bewoning. De eventuele archeologische resten kunnen zeer dicht onder maaivels worden aangetroffen, al direct onder de bouwvoor, doorlopend tot soms wel 170 cm beneden maaiveld (boring 10 en 25).

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

23

Omdat er bij het verkennend booronderzoek een weinig tot niet verstoorde bodemopbouw met veel archeologische indicatoren is aangetroffen, wordt geadviseerd om vervolgonderzoek te laten uitvoeren voor het gehele plangebied, indien er daadwerkelijk bouwwerkzaamheden gaan plaatsvinden. De ligging op (de flank van) het Eiland van Cadzand en nabij de oude kern van Cadzand - dat in een bepaalde periode de vrijwel enig bewoonbare plek was in de omgeving - onderstreept het belang van vervolgonderzoek. De meest geëigende wijze om de archeologische waarden in beeld te brengen, is een karterend/waarderend booronderzoek, in een fijn boorgrid, binnen het gehele plangebied. Omwille van de informatiewaarde en effectiviteit is het echter ook verdedigbaar direct een proefsleuvenonderzoek uit te voeren; dit verschaft onmiddelijk duidelijkheid in de aard en omvang van een eventuele vindplaats . Daar opdrachtgever nog geen definitieve ontwerpen voor het plangebied heeft opgesteld, waarin de exacte locatie en diepte van de bebouwing is aangegeven, kan op dit moment slechts een globaal advies worden opgesteld.

Afbeelding 14: Resultaten en advieskaart.

Voorlopig advies

Aanbevolen wordt binnen het gehele plangebied vervolgonderzoek uit te voeren.  In de te ontwikkelen zone (roze), is een vervolgonderzoek op korte termijn noodzakelijk. In overleg met bevoegd gezag zal hier een booronderzoek of direct een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dienen te worden.  Van de beige-gele zone zijn geen ontwikkelplannen bekend. Daarom kan hier slechts in algemene termen worden aangegeven dat bij toekomstige ontwikkelingen een booronderzoek of direct een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dient te worden. Ook hier zal in een later stadium met bevoegd gezag overleg gepleegd dienen te worden.  Het groene gebied wordt niet verder ontwikkeld: de huidige bebouwing blijft er staan. Vervolgonderzoek is niet nodig, zolang er geen bodemingrepen plaatsvinden. B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

24

Voor het gehele plangebied geldt dat wordt aanbevolen bij sloop, aanleg kabels & leidingen, rooien van bomen vooraf overleg te voeren over eventuele archeologische begeleiding.

5. Geraadpleegde literatuur 5.1. Digitale bronnen www.ahn.nl www.archis.cultureelerfgoed.nl www.dinoloket.nl www.dotkadata.nl www.gemeentesluis.nl www.geologievannederland.nl www.rijksoverheid.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.scez.nl www.sikb.nl www.cadzandgeschiedenis.nl www.zeeland.nl www.zeeuwsarchief.nl

5.2. Literatuur Alkemade, M. , R.M. van Heeringen & W.A.M. Hessing, 2011: Archeologiebeleid gemeente Sluis. Deel A: Beleidsnota archeologie, (Vestigia-rapport V708-A). Baeteman, C., 2007: Ontstaansgeschiedenis van onze kustvlakte, De Grote Rede, vol. 18, pp. 2-10. Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land. (Fysische geografie van Nederland), Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2, Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Brugman, A., R.M. van Heeringen & R. Schrijvers, 2011: Archeologiebeleid gemeente Sluis Deel B: Toelichting beleidskaart, (Vestigia-rapport V707B). Brus, 1987: Geomofologische Kaart van Nederland , kaartblad 53 ‐ 54 ‐ 55 ‐ 47 ‐ 48 ‐ 49 Sluis ‐ Terneuzen ‐ Hulst ‐ Cadzand ‐ Middelburg ‐ Bergen op Zoom (gedeeltelijk), Schaal 1:50.000. Coppens, E. 2013: Cadzand Reconstructie Zuidzandseweg, Gemeente Sluis; Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennende boringen), Artefact-rapport 33. Gemeente Sluis, 2012: Verordening interimbeleid archeologie Sluis, vastgesteld bij raadsbesluit van 21 april 2011. Gemeente Sluis, 2012. Verordening interimbeleid archeologie Sluis 2012, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 juni 2012.

Gottschalk, M.K.E., 1956: Aspecten van de historische geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen aan de hand van enige kaarten, Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Tweede Reeks, Deel 73, 7-22.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

25

Gottschalk, M.K.E., 1984: Historische Geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen (herdruk; 2 delen), Dieren. Hullu, J. de; Brakman, J.A., 1928: De hofsteden van Cadzand, Retranchement, Zuidzande, Nieuwvliet en Oostburg en hunne bewoners in vroeger en later tijd, Oostburg. KNA, zie www.SIBK.nl/archeologie Nederlands Normalisatie-Instituut, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104, Delft. Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014. Rummelen, F.F.F.E, van, 1977a: Geologische Kaart van Nederland, Zeeuwsch‐Vlaanderen (Westblad), 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Rummelen, F.F.F.E, van, 1977b: Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Zeeuwsch‐ Vlaanderen. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Sier, M.M. (red.), 2003: Ellewoutsdijk in de Romeinse Tijd, ADC rapporten 200. ADC, Amersfoort. Stiboka, 1980: Bodemkaart van Nederland, Kaartblad 47 Cadzand ‐ 48 West Middelburg, Schaal 1:50.000, Wageningen. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen, A.J. Borsboom & M. Verbruggen 2004: Prospectief boren. Een studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie , Amsterdam (RAAP-rapport 1000). Tys, D., 2010: Embankment as a Social Practice.

The historical study of embankments and rising sea level in medieval coastal Flanders and our understanding environmental sustainability, s.l. Verhagen, J.G.M., & M.P. Defilet, 2009. Oppervlaktegrenzen bij archeologisch onderzoek. Criteria voor ontheffing verdienen betere onderbouwing, Archeobrief 2009:4, p. 8-14. Verhagen, J.W.H.P., E. Rensink, M. Bats en Ph. Crombe, 2011: Optimale strategieen voor het

opsporen van Steentijdvindplaatsen met behulp van booronderzoek. Een statistisch perspectief,

Rapportage Archeologische Monumentenzorg 197.

Visser, N.J.G. de, 2013: Archeologiebeleid gemeente Sluis & Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie Sluis, Artefact-rapport 18. Vos, P.C. & R.M. van Heeringen, 1997: Holocene geology and occupation history of the Province of Zeeland (SW Netherlands), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen 59 (1997), Haarlem, 1-109. Wijsman, M., W.P. Brienen-Moolenaar & S. De Vos, 2005: Archeologische waarden- en beleidsadvieskaart Cadzand-Dorp, (Archeomedia-rapport A04-087-H). 5.3. Begrippenlijst Deze lijst is verkort overgenomen uit de KNA (zie www.sikb.nl) Afdekking - Relatief jonge afzetting die een of meer archeologisch relevante lagen afdekt. Dit verschijnsel kan ontstaan door antropogene processen (bijvoorbeeld esdek) en door natuurlijke processen (zoals bedekking door sediment). B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

26

Archeologische Monumenten Kaart (AMK) - een archeologische beleidskaart met een overzicht van alle bekende beschermde archeologische monumenten en overige behoudenswaardige locaties in een bepaald gebied. Archeologisch beleid - Door een overheid vastgesteld kader voor de wijze waarop zij wil omgaan met haar zorgplicht ten aanzien van archeologische waarden in haar gebied, eventueel aangevuld met verdergaande bepalingen ten aanzien van selectieprioriteiten, een beleidskaart, etc. Archeologische maatregelenkaart - Kaart met een ruimtelijke presentatie van het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid. Archeologische indicatoren - Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van rijk en provincies en wordt beheerd door de RCE. Archeologische verwachting - Het vermoeden over het voorkomen van (de aard, omvang en kwaliteit van) archeologische waarden in het onderzoeksgebied.

Archeologische waarde - Vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context. Zowel grote complexen/ structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid. Archis - ARCHeologisch Informatie Systeem. Het door de RCE beheerde archeologisch informatiesysteem, met informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. De informatie kan via een GIS-module in kaartlagen zichtbaar worden gemaakt. Behoudenswaardigheid - De resultante van de verschillende stappen van waardering van een archeologische vindplaats, waarbij wordt vastgesteld of een vindplaats al dan niet voor duurzaam behoud in aanmerking komt. Bekende archeologische waarde(n) - Vastgestelde en op schrift of in kaart gebrachte archeologische waarde(n) (i.t.t. indicatieve of verwachte archeologische waarde(n)). Bodemingreep - Alle grondwerkzaamheden/ activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden in situ, ook wel bodemverstoring genoemd. Booronderzoek - Methode bij inventariserend veldonderzoek, gebaseerd op het verrichten van grondboringen, waarbij vooral wordt gelet op het voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerkfragmenten, houtskool en fosfaatconcentraties.

Bureauonderzoek - Het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied, resulterend in een gespecificeerde verwachting. Complex - Een verzameling in tijd en ruimte geassocieerde vondsten en/of grondsporen. Complextype - Interpretatie van een specifieke vondst en/of grondspoor of een groep daarvan, geeft aan in welke systeemcontext (complex) een vondst of grondspoor heeft gefunctioneerd. Eolische afzettingen - Afzettingen die door de wind zijn gevormd. Fluviatiele afzettingen - Afzettingen die door de werking van stromend water zijn gevormd. Fysiek beschermen - Het duurzaam in stand houden van archeologische waarden in situ als bron van kennis en beleving. Het streven is het (verdere) verval van archeologische waarden tegen te gaan en aangerichte schade, zo mogelijk, te herstellen. Gaafheid - De mate van (fysieke) verstoring van de bodem en/of de (eventueel aanwezige) archeologische waarden, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang). Geofysisch onderzoek - Onderzoek gebaseerd op geofysische meettechnieken. Hiermee kunnen structuren in de bodem opgespoord en gevisualiseerd worden. Gespecificeerde verwachting - Eindresultaat van een Bureauonderzoek. Op basis hiervan kan een besluit genomen worden over (eventueel) vervolgonderzoek.

Historische situatie - Vroegere vormen van grondgebruik, voor zover van belang voor de keuze van de onderzoeksstrategie. Huidig gebruik - Actuele situatie van grondgebruik, voor zover van belang voor de keuze van de onderzoeksstrategie. Inventarisatie - Onderzoek naar de aard, omvang en kwaliteit van het bodemarchief.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

27

Inventariserend veldonderzoek - Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. KNA - Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (zie www.sikb.nl). Laag - Een over een meer of minder groot oppervlak vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden. Monument - Algemene term, in de archeologische monumentenzorg meestal synoniem voor vindplaats. Met de term monument wordt in de AMZ dus niét per definitie bedoeld dat er sprake is van formele wettelijke bescherming. In de Monumentenwet 1988 is de term monument zowel van toepassing op een terrein, als op een vondst of een bouwwerk. Criterium is, dat het om een ‘vervaardigde zaak’ moet gaan van tenminste 50 jaar oud. Nationale Onderzoeks Agenda Archeologie - De NOaA geeft inzicht in de actuele thema’s en vragen die in de huidige archeologische discussie centraal staan en waaraan nieuw uitvoerend onderzoek een bijdrage kan leveren.

In de NOaA wordt soms ook aangegeven wat de meest geschikte onderzoeksmethoden zijn voor de beantwoording van deze vragen; hij verduidelijkt de potentiële relaties tussen uitvoerend onderzoek en vigerende onderzoeksprogramma’s en hij geeft inzicht in het belang van specialistisch onderzoek (bijv. van specifieke materiaalcategorieën). De NOaA kan ingezet worden als instrument voor het opstellen van onderzoeksplannen, de selectie en waardering van vindplaatsen en het opstellen van Programma’s van Eisen Het is een gemeenschappelijk product van het hele archeologisch veld (RCE, universiteiten, bedrijfsleven, gemeentelijke archeologen). Opdrachtgever - Persoon of instantie in wiens opdracht werk wordt uitgevoerd in het kader van de archeologische monumentenzorg. Opgraven/ Opgraving - De ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. Oppervlaktekartering - Karteringsmethode waarbij aan de hand van vondsten aan het oppervlak vindplaatsen worden gelokaliseerd. Hiertoe worden met name akkerbouwpercelen (in verband met de vondstzichtbaarheid) in raaien met een regelmatige tussenafstand belopen, waarbij het oppervlak op vondsten wordt geïnspecteerd.

Proefsleuf - Methode bij Inventariserend veldonderzoek. Programma van Eisen (PvE) - Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. Prospectie - Systematische opsporing van archeologische waarden door middel van nondestructieve methoden en technieken. Sediment – aanduiding voor materiaal dat is meegevoerd door wind, water en/of ijs en vervolgens is neergeslagen of afgezet (bijvoorbeeld grind, zand, klei). Selectieadvies - Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria. Selectiebesluit - Een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid tot het al dan niet behouden van een bepaalde archeologische vindplaats. Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of te nemen archeologische maatregelen. Selectierapport - Rapport waarin is vastgelegd welk materiaal geselecteerd is voor nadere uitwerking (direct of in een later stadium) en welk materiaal zal worden afgestoten. Site - Een plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden.

Spoor - Een ruimtelijk duidelijk begrensbaar verschijnsel van antropogene oorsprong (bijvoorbeeld een paalkuil, lijksilhouet of muur) of natuurlijke oorsprong (bijvoorbeeld een boomval). Binnen een spoor kunnen verschillende, duidelijk te onderscheiden eenheden voorkomen. Stratigrafie - Opeenvolging van lagen in de bodem. Structuur - Meerdere met elkaar in ruimte en tijd, en in functioneel opzicht samenhangende sporen. Type monument - Vindplaats van een bepaalde aard zoals een nederzetting, grafveld etc. Typologie - Systematische chronologische en/of morfologische indeling van artefacten in

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

28

kenmerkende grondvormen. Vegetatiehorizont - Begroeiingslaag in klei, herkenbaar aan een relatief donkere kleur, waarschijnlijk ontstaan tijdens een stilstandsfase in de opslibbing. De horizont representeert een voormalig loopniveau. Een laklaag is een zeer sterk ontwikkelde donkere vegetatiehorizont die glimt vanwege het hoge organische stofgehalte. Veldinventarisatie - Zie: inventariserend veldonderzoek. Veldkartering - Verzamelnaam voor de verschillende karteringsmethoden. Veroorzaker - De initiatiefnemer van een bodemverstorende activiteit die een vergunning aanvraagt. Verstoring - Aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring. Verwachtingswaardenkaart - Een kaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering en mate van voorkomen van nog onbekende vindplaatsen zijn weergegeven in termen van vlakken en zones. Vindplaats - Een ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt. Vondst - Alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties. Waarderen - Het bepalen van de kwaliteit van: het bodemarchief, van vondstmateriaal of van een monster.

Het vaststellen van de kwaliteit van het bodemarchief geschiedt op basis van:  belevingsaspecten (schoonheid en herinneringswaarde);  fysieke criteria (gaafheid en conservering); deze geven de mate aan waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn,  inhoudelijke criteria (zeldzaamheid, informatiewaarde, context- of ensemblewaarde en representativiteit). De waardering van een vindplaats of een groep van vindplaatsen leidt tot een uitspraak over de behoudenswaardigheid ervan en vormt de basis voor het selectieadvies. Na het verwerken van het vondstmateriaal kan dit worden gewaardeerd om een selectie te kunnen maken van materiaal dat voor deponering in aanmerking komt. Monsters worden gewaardeerd teneinde een indruk te krijgen van de diversiteit, kwantiteit en conservering van organische resten. Waarneming - Een inhoudelijk goedgekeurde vondstmelding in Archis2. Wettelijke bescherming - De aanwijzing van archeologische monumenten op grond van artikel 3 van de Wet op de archeologische monumentenzorg. Zeldzaamheid - De mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied. 5.4. Archeologische perioden

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

29

Overzicht archeologische perioden. Bron: Alkemade et al. 2011.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

30

Bijlagen 1, 2 en 3 Zie losse bijlagen.

B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016

31

Bijlage 1 - Kaartbeeld bij beleidsnota 2012 en 2013

Schuttershof

http://www.cadzandgeschiedenis.nl/hofsteden/hofstedeO6Schuttershof.html

6) OUDELANDSCHE POLDER, 24ste BEGIN OOST VAN DEN KERKHOVE. Mariastraat 35, Het Schuttershof. Op 7 juni 1732 overleed op deze hofstede Tanneke Troye, weduwe van Jacob de Meulenaer. Daarna heeft er gewoond Jacobus Verdouw, haar neef, aan wie de timmer en plantage in januari 1733 door haar erfgenamen werden overgedragen voor ƒ 900. Verdouw overleed 29 april 1757, waarop zijn erfgenamen de timmer en de plantage, staande beide op pachtland, in hetzelfde jaar voor ƒ 1.200 overdroegen aan Willem Pleijte, destijds schoolmeester te Cadzand, die na het overlijden van zijn tweede vrouw, Tanneke Verdouw, hertrouwde op 6 mei 1764 met Elizabeth Morel, weduwe van Jacob van Houwe. Pleijte overleed 18 augustus 1783. In 1784 gekomen zijn zoon Willem Pleijte, die ook schoolmeester te Cadzand is geweest, en Maria Guequiere, de man gestorven in 1796, de vrouw gebleven tot 1798. Op 4 mei 1798 is de timmer voor ƒ 4.310,10 verkocht aan Jannes de Bruijne en Johanna Butin. De vrouw overleden 16 januari 1804, de man hertrouwd 1 augustus 1805 met Cornelia van Houte. Op 19 januari 1808 is de schuur afgebrand en in hetzelfde jaar een andere herwaarts overgebracht uit op Hoofdplaatpolder. De vrouw overleden 7 april 1839. In hetzelfde jaar als pachters gekomen Isaac Abraham Risseeuw en Maria Becu, die vertrokken zijn in 1885, waarop de hofstede gepacht is door hun kinderen. Foto: 1.

Izaak Abraham Risseeuw, geboren Groede 28 december 1814, overleden Cadzand 25 oktober 1912, zoon van Johannes Risseeuw en Jannetje Schoonhaart. 2. Maria Becu, geboren Breskens 22 november 1816, overleden Cadzand 31 mei 1900, dochter van Abraham Becu en Maria Risseeuw. 3. dochter Jannetje Risseeuw, geboren Cadzand 25 februari 1840, overleden Cadzand 4 juli 1906. 4. dochter Elizabeth Risseeuw, geboren Cadzand 20 oktober 1847, overleden Cadzand 10 augustus 1909. 5. dochter Maria Risseeuw, geboren Cadzand 17 oktober 1844, overleden Ermelo 29 juli 1899.

1 van 2

16-3-2016 21:40

Schuttershof

http://www.cadzandgeschiedenis.nl/hofsteden/hofstedeO6Schuttershof.html

In 1890 gekomen Pieter van Cruijningen (1867-1942), in 1890 gehuwd met Maria Cappon, die in 1917 vertrokken en opgevolgd zijn door Pieter Marinus van Iwaarden en Maatje de Groene uit Zuid-Beveland. De man stierf in 1953. De zoon Adriaan van Iwaarden, in 1948 gehuwd met Deborah Pladdet uit Sluiskil, hielp zijn moeder met de bedrijfsvoering, terwijl hij zelf nog een hofstede onder Zuidzande had. Maatje de Groene verhuisde in 1958 naar Oostburg en toen kwam de boerderij geheel in beheer van de zoon. In 1971 kwam deze met zijn vrouw hier ook wonen, omdat de pacht van de hofstede in Zuidzande (nr.5) ten einde was. Intussen was er een nieuw huis gebouwd. Opgevolgd door zoon Pieter van Iwaarden en Anneke Basting. In 2007 vertrokken naar de hofstede Vijverhoeve. In 2012 is Het Schuttershof verkocht aan derden.

Bron: De Hofsteden van Cadzand, J. de Hullu, 1928 De hofsteden van Cadzand, Retranchement en Zuidzande, drs. H.A.M. van de Vijver, 1977 Zeeuws Archief cadzandgeschiedenis.nl

2 van 2

16-3-2016 21:40

BESTEMMINGSPLAN MARIASTRAAT 35 CADZAND BIJLAGE 3 Samenvatting bodemonderzoek Grond-, gewas- en milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen januari 2006

Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 41

BESTEMMINGSPLAN MARIASTRAAT 35 CADZAND BIJLAGE 4 Aerius-berekening Van Kerkhoff Maatwerk in RO 4 november 2019

Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 42

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl. RS5DudJAANum (04 november 2019) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Van Kerkhoff Maatwerk in RO

Mariastraat 35, 4506AC Cadzand

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Bestemmingsplan Mariastraat Cadzand

RS5DudJAANum

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

04 november 2019, 13:24

2019

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

35,26 kg/j

NH3

1,39 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Bestemmingsplan nieuw woonwijkje met 8 woningen

Situatie 1

RS5DudJAANum (04 november 2019) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Resultaten

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 1 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

< 1 kg/j

10,28 kg/j

Bron 2 Wegverkeer | Buitenwegen

1,00 kg/j

24,98 kg/j

RS5DudJAANum (04 november 2019) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

56,0 / etmaal NOx NH3

4,72 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Middelzwaar vrachtverkeer

8,0 / etmaal NOx NH3

5,56 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Bron 1 17472, 377072 10,28 kg/j < 1 kg/j

Bron 2 18277, 376198 24,98 kg/j 1,00 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

56,0 / etmaal NOx NH3

11,05 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Middelzwaar vrachtverkeer

8,0 / etmaal NOx NH3

13,93 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

RS5DudJAANum (04 november 2019) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019_20191018_c53b8fdaa8 Database versie b429880a81 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Resultaten

Situatie 1

RS5DudJAANum (04 november 2019) pagina 5/5

BESTEMMINGSPLAN MARIASTRAAT 35 CADZAND BIJLAGE 5 Quick scan natuurwetgeving Project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand Wieland Advies 15 januari 2020

Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 43

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

Quickscan natuurwetgeving project Ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

1

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

Quickscan natuurwetgeving project Ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

Opdrachtgever: Van Kerkhoff maatwerk Datum: 15 januari 2020 Uitgevoerd en opgesteld door: Adviesbureau Wieland Liniestraat 13 4561 ZS Hulst 0612352169 © Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.

2

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

INHOUD

1

Inleiding 4 1.1 Aanleiding en doel onderzoek 4 1.2 Beoordelingskader 4 1.3 Verantwoording 5 1.4 Opzet beoordeling 6 2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten 7 3 Soortenbescherming 11 3.1 Zoogdieren 11 3.2 Vogels 12 3.2.1 Broedvogels 12 3.2.2 Watervogels 13 3.3 Reptielen en Amfibieën 13 3.4 Vissen 14 3.5 Ongewervelden 14 3.6 Vaatplanten 15 4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) 16 5 Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering 17

Bijlage 1 Kaart Natuurbeheerplan, Natura 2000 Bijlage 2 Informatie Wet natuurbescherming Zeeland

3

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel onderzoek Opdrachtgever is voornemens om woningbouw te realiseren aan de noordoostzijde van Cadzand ter plaatse van een voormalig tuincentrum (figuur 1). Voor deze activiteit geldt een onderzoeksplicht in het kader van Natuurbeschermingswet. De Natuurbeschermingswet beschermt aangewezen dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. Door handelingen in of in de nabijheid van het plangebied kunnen verbodsbepalingen van de Natuurbeschermingswet worden overtreden. Daartoe moet voor wat betreft flora en fauna inzicht worden verkregen in de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten of leefgebieden van beschermde diersoorten en in de effecten van de ingrepen op deze soorten. Voorliggende rapportage bevat de beoordeling van de gevolgen van de ontwikkeling op de beschermde soorten.

Figuur 1. Eigendom (geel) en plangebied (oranje) (bron: Pdok, 2017) 1.2 Beoordelingskader Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In dit kader is het bij

4

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

bouwprojecten van belang te beoordelen in hoeverre er beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn of kunnen zijn. In de Wet natuurbescherming zijn de beschermde dier- en plantensoorten aangeduid alsmede de mate van bescherming. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. 1.3 Verantwoording Deze beoordeling beschrijft de gevolgen van het beoogde voornemen op te beschermen soorten door de Wet natuurbescherming. De mogelijke aanwezigheid van soorten is bepaald aan de hand van een verkennend veldonderzoek. Verder zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd. Een eerste verkenning heeft plaatsgevonden in 2016 en die had betrekking op een groter gebied, namelijk het gebied globaal gelegen tussen de Ringdijk-Noord, de Mariastraat en de Nieuwleusenerstraat. Aan de hand van de biotoopeisen van de soorten die in de directe omgeving voorkomen is toen bepaald of de soorten ook in het plangebied voor kunnen komen. Geconcludeerd werd toen dat nader onderzoek nodig is voor: steenuil, ransuil, boomkikker, kamsalamander, veldspitsmuis, steenmarter, vleermuizen en broedvogels.

In de tussenliggende periode heeft het plan voor 8 woningen verder gestalte gekregen (figuur 2) en is onder begeleiding de beplanting van het voormalige tuincentrum dat ter kweek was geplant, verwijderd. Het kleinere plangebied voldoet niet aan de biotoopeisen van Steenuil en Veldspitsmuis zodat die buiten beschouwing kunnen blijven.

Figuur 2. Stedenbouwkundig plan (bron: Van Kerkhoff Maatwerk/Omna 2018)

5

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

In 2019 is vervolgens nader bekeken in het bestemmingsplangebied naar het voorkomen van de beschermde soorten. Het plangebied is bezocht op 10 mei, 11 juni, 3 september, 10 oktober en 7 december 2019. In deze rapportage zijn de bevindingen opgenomen. 1.4 Opzet beoordeling De opzet van deze beoordeling is als volgt. In hoofdstuk 2 is een korte beschrijving gegeven van het studiegebied, het plangebied en de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de te verwachten en de aangetroffen natuurwaarden in het gebied. Deze gegevens zijn vervolgens geïnterpreteerd en beoordeeld in relatie tot de voorgenomen activiteit.

6

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Het plangebied waar deze natuurtoets op van toepassing is, is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3. Plangebied (oranje). Het plangebied betreft een voormalige kwekerij. Er staat een grote schuur van plaatmateriaal, een kleine oude stenen schuur en een kas. De aanplant die nog zichtbaar is op de luchtfoto, bestond uit gekweekte struiken en heesters op een verhoging (restant van de voormalige kwekerij) en die is inmiddels verwijderd. Het plangebied grenst aan de bebouwing van het dorp Cadzand aan de westzijde, een camping in het noordoosten, landbouwgebied in het zuidoosten en een bedrijventerrein in het zuiden. Direct grenzend aan het plangebied ligt een weiland met knotbomen, een poel en sterk verruigde vegetatie. De voorgenomen activiteit bestaat uit het slopen van de grote schuur en de kas, het bouwrijp maken van het terrein en de bouw van 8 woningen conform figuur 2. De kleine schuur blijft mogelijk staan; dit is mede afhankelijk van de belangstelling voor de daar geplande parkeerplaatsen. Tot dusverre is de belangstelling beperkt.

7

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

Foto 1. Restanten tuincentrum (kas met braamstruwelen).

Foto 2. Vijver.

8

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

Foto 3. Braakballen van Kerkuil op zolder kleine schuur.

Foto 4. Kleine schuur.

9

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

Foto 5. Grote schuur.

Foto 6

10

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

3

Soortenbescherming

Hieronder worden soorten vernoemd die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Vervolgens wordt uitgewerkt of deze soorten ook in het plangebied voorkomen en of er eventueel nadelige effecten te verwachten zijn.

3.1

Zoogdieren

Algemene soorten (zorgplicht van toepassing): Huisspitsmuis, Bosspitsmuis, Bosmuis, Konijn, Egel, Haas, Rosse Woelmuis, Vos, Tweekleurige bosspitsmuis, Dwergmuis. Bunzing. Beschermde soorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis, Hermelijn, Wezel, Veldspitsmuis.

Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: Bekker 2009, Zoogdieren in Zeeland. Veldonderzoek. De algemene soorten komen voor in het leefgebied. Het betreft hier leefgebied waar soorten jaarrond gebruik van maken. Zorgplicht is van toepassing. Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Gewone grootoorvleermuis zijn waargenomen. Ze gebruiken het plangebied als jachtgebied en mogelijk zijn er ook dagverblijven aanwezig in de te slopen bebouwing. Wezel en Hermelijn zijn niet vastgesteld tijdens het onderzoek. Er zijn wel waarnemingen bekend in de directe omgeving. Er dient vanuit gegaan te worden dat de soort gebruik maakt van het plangebied. Het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor de Veldspitsmuis. Er is veel verharding en tuin aanwezig. Net buiten het plangebied is ruigte vegetatie aanwezig. Dit is wel geschikt leefgebied. Uit te voeren maatregelen: Slopen van bebouwing, bouwrijp maken van het terrein, bouwen van woningen. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing bij zorgvuldig handelen. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet van toepassing. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode voor zoogdieren. De kwetsbare periode is 15 maart – 15 augustus.

De resterende beplanting wordt zo veel mogelijk gespaard. Indien verlichting geplaatst wordt, wordt er gekozen voor de meest vleermuisvriendelijke verlichting. Bij sloop van bebouwing wordt nader onderzocht of deze gebruikt wordt als dagverblijf voor vleermuizen (conform vleermuisprotocol). Conclusie: Er zijn beschermde zoogdieren die het plangebied gebruiken als leefgebied. Door zorgvuldig handelen kan voorkomen worden dat dieren gedood worden.

11

Quickscan natuurwetgeving project ontwikkeling woningbouw Mariastraat 35 Cadzand

3.2

Vogels

3.2.1 Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Wilde eend, Patrijs, Fazant, Waterhoen, Meerkoet, Houtduif, Holenduif, Veldleeuwerik, Graspieper, Gele kwikstaart, Witte kwikstaat, Roodborsttapuit, Merel, Rietzanger, Bosrietzanger, Kleine karekiet, Spotvogel, Grasmus, Tuinfluiter, Koolmees, Pimpelmees, Staartmees, Boomkruiper, Grauwe vliegenvanger, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Ransuil, Kerkuil, Steenuil, Zwarte kraai, Ekster, Huismus, Spreeuw, Ringmus, Groenling, Kneu, Putter, Rietgors. Vet gedrukt zijn soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is.

Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: veldinspectie, vogelatlas van Nederland, Steenuilonderzoek Zeeuws-Vlaanderen 2019. In het plangebied komen tuinvogels voor. Daarnaast wordt de kleine schuur gebruikt door de Kerkuil als rustplaats (geen nest). De zolder ligt vol met braakballen. In de grote schuur zijn vooralsnog geen exemplaren aangetroffen. De steenuil komt voor in de weide ten zuiden van het plangebied. De knotbomen in de weide zijn broedlocatie. De boerenzwaluw maakt gebruik van de kleine schuur als broedlocatie. Een achttal nesten is aanwezig. De huismus maakt mogelijk ook gebruik van de kleine schuur als broedlocatie. De grote schuur en de kas zijn niet geschikt als gevolg van vol gegroeide dakgoten. Uit te voeren maatregelen: Slopen van bebouwing, bouwrijp maken van het terrein, bouwen van woningen. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Geen schadelijke handelingen te verwachten indien de werkzaamheden uitgevoerd worden buiten de broedperiode en de kleine schuur gehandhaafd blijft. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Is niet in geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode.

Conclusie: Broedvogels worden niet verstoord indien de werkzaamheden uitgevoerd worden buiten de broedperiode en de kleine schuur gehandhaafd blijft.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=7f22e616-8837-4168-afa5-1fe412d46996