01 - ontwerpbestemmingsplan Mariastraat 35.pdf
Tekst van het document
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 27
Figuur 15. Uitsnede stedenbouwkundig plan met parkeerkoffer (bron: Van Kerkhoff Maatwerk/Omna, 2020)
Om aan de maximale parkeerkencijfer voor vrijstaande koopwoningen te voldoen zijn 22 parkeerplaatsen nodig, waarvan er 16 op de eigen percelen gesitueerd moeten worden. Er zijn dus maximaal 6 parkeerplaatsen buiten de eigen percelen nodig. Bij de toegang worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan er 10 toegewezen worden aan de Hemelse Vrede. Er zijn derhalve altijd 6 parkeerplaatsen beschikbaar. Verkeer en parkeren vormt derhalve geen belemmering voor de planvorming.
4.7 Milieuzonering
In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 is de potentiële milieubelasting van bedrijfsmatige activiteiten bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Potentieel milieubelastende activiteiten in de omgeving zijn afkomstig van omliggende agrarische bedrijven. De dichtstbijzijnde agrarische bouwblokken bevindt zich aan de Vierhonderdpolderdijk op een afstand van circa 250 meter. Een is recent verkocht als woonboerderij. Intensieve veehouderij is er niet toegestaan. Voor akkerbouwbedrijven moet volgens de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 een minimale afstand van 30 meter aangehouden worden. Er wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden afstand. Op een afstand van minimaal 175 meter van het plangebied ligt het bedrijventerrein Cadzand. Volgens het vigerende bestemmingsplan zijn ter plaatse bedrijfsactiviteiten toegestaan tot maximaal milieucategorie 3.1 met een indicatief aan te houden afstand van 50 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand.
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 28
Andere potentieel milieubelastende activiteiten zijn horeca-activiteiten aan de Mariastraat. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 10 meter. De nieuwe woningen staan op grotere afstand. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Figuur 16. Geluid (bron: M-tech, 2016)
4.8 Grijze milieu-aspecten Geluid Op grond van de Wet geluidhinder hebben alle wegen een zone, behalve woonerven en 30 km/uur wegen. Binnen een zone moet worden getoetst of de geluidsbelasting (Lden) ter plaatse van geluidsgevoelige bestemmingen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Ringdijk-Noord en de Retranchementseweg, met een maximum snelheid van 60 km/h. Deze gezoneerde wegen van twee rijstroken buiten de bebouwde kom hebben een geluidszone van 250 meter. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd dat als bijlage 5 bij de toelichting is gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied minder dan 48 dB bedraagt (figuur 16). Een hogere grenswaardeprocedure is derhalve niet noodzakelijk. Geluid vormt dan ook geen belemmering voor de planvorming. Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 29
Lucht Elke ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in de Wet luchtkwaliteit zijn opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Eventueel onderzoek beperkt zich dan ook veelal tot deze twee stoffen. Het ruimtelijk besluit kan worden genomen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: • door het besluit, al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³), ofwel dat; • de luchtkwaliteit door het besluit, al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, ofwel dat; • bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege het besluit de luchtkwaliteit in een gebied rondom het plangebied per saldo verbetert. De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, ofwel dat; • er geen grenswaarden worden overschreden.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2019 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 60 Aandeel vrachtverkeer 1,0% Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in μg/m3 0,05 PM10 in μg/m3 0,01 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 17. Resultaat NIBM-tool (bron: Van Kerkhoff Maatwerk, 2018)
In het Besluit en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen NO2 en PM10 als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze het jaargemiddeld maximaal 1,2 μg/m3 bedragen. Gebruik makend van de NIBM-tool (figuur17) met de extra verkeersbijdrage van 60 motorvoertuigbewegingen (zie paragraaf 4.6) blijkt dat het project niet “in betekenende mate” bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Toetsing aan de grenswaarden kan dus achterwege kan blijven. Externe veiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen volgens de risicokaart liggen op een afstand van meer dan 1.500 meter. Er is evenmin een route gevaarlijke stoffen aangewezen in of nabij het plangebied. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Conclusie
De sectorale aspecten in het plangebied zijn onderzocht en hetzij niet van toepassing hetzij inzichtelijk gemaakt en geadresseerd. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 30
H5. Juridische vormgeving 5.1 Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP)
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is verankerd dat een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP). Daarnaast is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling. Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012 en is daarmee digitaal uitwisselbaar en vergelijkbaar zijn. Het plan wordt digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden.
5.2 Opzet bestemmingsregeling Planvorm De keuze van de planvorm wordt bepaald in het spanningsveld tussen flexibiliteit en rechtszekerheid. Gedetailleerde bestemmingsplannen bieden in beginsel meer rechtszekerheid, terwijl globale eindplannen meer ontwikkelingsmogelijkheden bieden binnen één bestemming. Het voorliggende bestemmingsplan kan getypeerd worden als een mengvorm tussen een gedetailleerd plan (verschillende bestemmingen) en een globaal eindplan (ruimte binnen de bestemmingen). Opzet verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, zoals W voor ‘Wonen’. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de analoge verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge verbeelding bestaat uit 1 kaartblad en renvooi op een schaal van 1:1.000.
Opzet planregels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: • In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. • In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de plankaart voorkomen nader worden omschreven. • Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkingsregel of wijzigingsbevoegdheden. • Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); • afwijken van de bouwregels; Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 31
• • • •
specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheden.
Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.3 Gehanteerde bestemmingen
Het bestemmingsplangebied wordt begrensd door de grenzen van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Kom Cadzand. Het bestemmingsplan vervangt ter plaatse van het plangebied het vigerende bestemmingsplan Kom Cadzand. Er is in regels en begrippen nadrukkelijk aangesloten bij het bestemmingsplan Kom Cadzand. Inleidende regels (hoofdstuk 1) Hoofdstuk 1 bestaat uit begripsbepalingen en de wijze van meten. Voor de begripsbepalingen is waar mogelijk gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP2012. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In de wijze van meten is aangegeven hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, dienen te worden gemeten. Hoofdbestemmingen (hoofdstuk 2) Het voorliggende bestemmingsplan kent vier hoofdbestemmingen, te weten de bestemming Agrarisch, Groen, Wonen en Verkeer. Agrarisch is gebruikt voor het achterste deel van het gebied van de wijzigingsbevoegdheid dat niet in de herontwikkeling wordt betrokken. Groen is gebruikt voor de te handhaven kleine schuur met de ruimte eromheen en de overgang naar de achtertuinen van de woningen langs de Mariastraat.
Wonen is gebruikt voor de woonkavels en Verkeer voor de collectieve buitenruimte en de parkeerkoffers. In de bestemming Wonen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waardoor het wonen alleen mogelijk is als ook de openbaar toegankelijke buitenruimte conform het beeldkwaliteitsplan dat in hoofdstuk 2 van de toelichting is uitgewerkt en als bijlage 1 bij de regels is opgenomen, wordt gerealiseerd. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 1b en 2 uit het parapluplan Archeologie overgenomen. Algemene regels (hoofdstuk 3) In dit hoofdstuk zijn de relevante algemene regels opgenomen conform het bestemmingsplan Kom Cadzand. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 4) In artikel 14 is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het bestemmingsplan geregeld. In lid 1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Van de mogelijkheid die artikel 3.2.3 Bro biedt om hieraan een persoonsgebonden overgangsrecht te koppelen, is geen gebruik gemaakt. Lid 3 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, in geval van onbillijkheid, het overgangsrecht buiten toepassing te laten.
Artikel 15 geeft ten slotte aan dat dit bestemmingsplan kan worden aangehaald als “Bestemmingsplan Mariastraat 35”.
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 32
H6. Uitvoerbaarheid en handhaving 6.1 Economische uitvoerbaarheid
Er is een intentieovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Deze intentieovereenkomst wordt voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, omgezet in een anterieure overeenkomst. Daarin worden de risico’s voor planschade, aanwezigheid van bodemverontreiniging en aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven bij de initiatiefnemer gelegd. Het kostenverhaal is voor de gemeente daarmee anderszins verzekerd. Er hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden. Het plangebied is in eigendom van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer gebruikt eigen middelen om het bouwplan te financieren. Derhalve is de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate verzekerd.
6.2 Handhaving
Handhaving van regelgeving vraagt om actuele regels. Regels die zijn gebaseerd op gedateerde inzichten, hebben hun geloofwaardigheid verloren en kunnen in redelijkheid ook niet meer afgedwongen worden. Door verouderde regels neemt de kans op misbruik daarvan ook toe. De regels van het bestemmingsplan leggen een ruimtelijk relevante norm vast, met in bepaalde gevallen een daaraan gekoppelde bevoegdheid tot afwijken, die het bestuur de mogelijkheid geeft in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt ook de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van de individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang. Afwijkingsbevoegdheden zijn echter gelimiteerd. Daar waar geen afwijkingen meer mogelijk zijn begint de handhaving. Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is de laatste jaren in een steeds verder toenemende belangstelling komen te staan van bestuurlijk Nederland. Door het plaatsvinden van enkele ingrijpende incidenten is de handhaving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels. Ook in de jurisprudentie is een verandering tot stand gekomen. De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt zelfs in beginsel een plicht tot handhaving aan.
Daarnaast krijgt de rechtszekerheid van bestemmingsplannen bij de rechterlijke toetsing een steeds belangrijkere rol. Voor een aanvaardbaar handhavingsbeleid wordt in de eerste plaats gestreefd naar een voldoende draagvlak voor het bestemmingplan en de daarin opgenomen regels. Een bestemmingsplan met weinig draagvlak houdt immers het risico in dat het slecht wordt nageleefd en is dan weinig zinvol. In verband hiermee is het bestemmingsplan zodanig opgezet dat het voor zoveel mogelijk betrokkenen een duidelijke, toegankelijke en op de hedendaagse behoeften en eisen afgestemde bestemmingsregeling bevat. Verder wordt informatie verstrekt omtrent de inhoud van het bestemmingsplan. Hiermee wordt onder andere beoogd het begrip bij de burger te vergroten. Handhavingsactiviteiten worden zoveel mogelijk onderling afgestemd. Controle in het kader van het bestemmingsplan wordt gekoppeld aan controle in het kader van milieuwetgeving en omgekeerd. Dit is van belang om de benodigde inzet van extra middelen zo beperkt mogelijk te houden, maar ook om tot een samenhangend handhavingsbeleid te komen.
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 33
Tegen activiteiten, die in strijd zijn met het bestemmingsplan zal het gemeentebestuur, administratiefrechtelijk optreden, op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wanneer eenmaal sancties moeten worden getroffen, zal dit op consistente wijze, maar met oog voor de juridische spelregels, worden gedaan. Indien de activiteiten niet kunnen worden gelegaliseerd, zullen de instrumenten van aanschrijving, stillegging bouw, bestuursdwang en dwangsom worden toegepast. De uitvoering van de strafrechtelijke vervolging ligt in handen van het Openbaar Ministerie. De uitvoering en voortgang van de handhaving wordt jaarlijks vastgelegd in een verslag, dat bestuurlijk wordt vastgesteld.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bestemmingsplan in vooroverleg gezonden naar de provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio. Tegelijk met het vooroverleg is het voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd. Er zijn zeven reacties binnengekomen. De beantwoording van de vooroverleg- en inspraakreacties is opgenomen in bijlage 8. Op grond van vooroverleg en inspraak is het bestemmingsplan aangepast. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter visie gelegd.
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 34
BESTEMMINGSPLAN MARIASTRAAT 35 CADZAND BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING • • • • • • • •
Bijlage 1. Watertoets Bijlage 2. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Mariastraat 35 te Cadzand, Buro de Brug, rapport B16-279, mei 2016 Bijlage 3. Samenvatting bodemonderzoek, Grond-, gewas- en milieulaboratorium ZeeuwsVlaanderen, januari 2006 Bijlage 4. Aeriusberekening, Van Kerkhoff Maatwerk in RO, 4 november 2019 Bijlage 5. Flora en faunatoets Mariastraat Cadzand, Wieland Advies, januari 2020 Bijlage 6. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai in het kader van een bestemmingsplanprocedure voor het bouwplan Mariastraat 35 te Cadzand, M-tech, 25 februari 2016 Bijlage 7. Biotoopadvies Mariastraat 35, Vereniging de Hollandsche Molen, november 2019 Bijlage 8. Notitie beantwoording inspraak voorontwerpbestemmingsplan Mariastraat 35, Gemeente Sluis, juli 2020
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 35
BESTEMMINGSPLAN MARIASTRAAT 35 CADZAND BIJLAGE 1 Watertoets
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 36
Bijlage 1a. Watertoets-tabel Thema
Waterdoelstelling
Toetsing
Veiligheid waterkering
Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.
Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van een waterkering.
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Voldoende hoogte om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Voldoende ruimte voor vasthouden/ bergen/afvoeren van water.
Toename van verharding (2.988 m²) wordt opgevangen op eigen terrein in de groene zone rond de woningen. Hiertoe wordt een greppel van 180 meter lengte gegraven aan de noord- en oostzijde van de uit te geven kavels op eigen terrein. Desgewenst aan te sluiten op de watergangen langs de Ringdijk-Noord.
Waterschapsobjecten
Geen belemmering voor (milieucontouren Geen waterschapsobjecten. rondom) waterschapsobjecten
Riolering/RWZI (inclusief water op straat/overlast)
Optimale werking van de zuivering en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken
Alle (schone) verharde oppervlakten worden afgekoppeld.
Watervoorziening/aanvoer
Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.
Mogelijkheden voor hergebruik niet van toepassing.
Volksgezondheid (watergerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via onder andere de daarvoor benodigde ruimte.
Aanleg waterpartijen met flauwe oevers.
Bodemdaling
Voorkómen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen met name in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
De polderpeilen worden niet aangepast.
Grondwateroverlast
Tegengaan/verhelpen van grondwateroverlast.
Grondwateroverlast is niet aanwezig. Bij de aanleg ontstaat geen grondwateroverlast.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud/realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur
Bestaande watergangen blijven behouden.
Grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit.
N.v.t.
Verdroging
Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden;
Hydrologisch geen verandering. Verdroging is niet aan de orde.
Natte Natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
N.v.t.
Onderhouds(mogelijkheid) waterlopen
Oppervlaktewater dient adequaat onderhouden te worden.
Langs de waterlopen rondom het plangebied is een obstakelvrije ruimte van minimaal 7 meter voorzien ten behoeve van het onderhoud.
Waterschapswegen
Rekening houden met eventueel aanwezige waterschapswegen
N.v.t.
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 37
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 38
Bijlage 1b. Wateradvies
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 39
BESTEMMINGSPLAN MARIASTRAAT 35 CADZAND BIJLAGE 2 Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Mariastraat 35 Buro de Brug rapport B16-279 mei 2016
Toelichting - Bestemmingsplan Mariastraat 35 - 40
Buro de Brug Rapporten Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Mariastraat 35 te Cadzand Gemeente Sluis BdB rapport B16-279 ISSN in aanvraag
Concept v.2, 27 mei 2016
Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................ 3 Administratieve gegevens .............................................................................................................. 5 1. Inleiding ................................................................................................................................... 6 1.1. Algemeen ........................................................................................................................... 6 2. Bureauonderzoek en archeologische verwachting ........................................................................ 7 2.1. Onderzoeksmethode ............................................................................................................ 7 2.2. Beleid ................................................................................................................................. 9 2.3. Geo(morfo)logie en bodemopbouw....................................................................................... 9 2.4. Historische gegevens ..........................................................................................................12 2.5. Bekende archeologische waarden ........................................................................................17 2.6.
Verstorende bodemingrepen in het verleden ........................................................................18 2.7. Archeologische verwachting ................................................................................................18 3. Conclusies en aanbevelingen n.a.v. het bureauonderzoek ...........................................................19 4. Verkennend booronderzoek .......................................................................................................19 4.1. Doelstelling ........................................................................................................................19 4.2. Methode ............................................................................................................................20 4.3. Resultaten .........................................................................................................................21 4.4. Conclusies en aanbevelingen ...............................................................................................23 5. Geraadpleegde literatuur...........................................................................................................25 5.1. Digitale bronnen .................................................................................................................25 5.2.
Literatuur ...........................................................................................................................25 5.3. Begrippenlijst .....................................................................................................................26 5.4. Archeologische perioden .....................................................................................................29 Bijlagen 1, 2 en 3 .........................................................................................................................31
Colofon Projectcode : Opdrachtgever: Uitvoerder: Locatie: Auteur: Autorisatie:
B16-279 Van Kerkhoff Maatwerk in RO Buro de Brug ACR bv Mariastraat 35 te Cadzand Drs. ing. C. Sueur (bureauonderzoek/booronderzoek); dr. J. Wijnen (booronderzoek) drs. J.W.M. Oudhof
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
2
Samenvatting Dit archeologisch onderzoek Mariastraat 35 te Cadzand, gemeente Sluis) bestaat uit een bureaustudie gevolgd door een verkennend booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Van Kerkhoff Maatwerk in RO. De aanleiding tot dit onderzoek is de voorgenomen realisatie van 8 woningen aan de oostzijde van de dorpskern van Cadzand (gemeente Sluis). Op dit moment is de noordwestelijke hoek (1/4) van het plangebied in gebruik als tuin met woning en als verhard erf met loods en opstallen. Alle bouwwerken zijn te dateren in de 20e eeuw. Achter de loods staat een bosje. Het resterende deel (3/4) is in gebruik als akker/weiland. De huidige woning aan de Mariastraat 35, de achterliggende loods en overige de opstallen zullen voorafgaand aan de nieuwbouw worden gesloopt. Het bosje zal worden gekapt. Voor 2012 was hier Tuincentrum Schuttershof gevestigd. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat aan de Mariastraat 35 de hofstede Schuttershof heeft gestaan. Vanaf 1732 wordt hiervan melding gemaakt. Op basis van de geologie van het gebied - met vrij jonge erosiegeulen - zijn bewoningssporen pas te verwachten vanaf de 13e eeuw. Daarbij kan gedacht worden aan een boerderij met erf en opstallen, aan de zijde van de Mariastraat, die de voorganger is van de Schuttershof.
Op de percelen die in agrarisch gebruik zijn, wordt de kans klein geacht bewoningssporen te vinden, maar zouden wel perceleringssporen (kades, greppels), kunnen worden waargenomen. Deze sporen liggen vrij ondiep, en bevinden zich waarschijnlijk dicht onder de bouwvoor. Het onderhavig plangebied kan op basis van bovenstaand onderzoek in twee verwachtingszones worden gesplitst. Langs de Mariastraat en rondom de huidige schuur geldt een hoge verwachting vanwege de voormalige - of voorlopers van de - hofstede Schuttershof. Voor de akkers en de weilanden binnen het plangebied geldt een lage tot zeer lage verwachting.
Afbeelding 1. Aanzicht plangebied februari 2016 vanaf de Mariastraat. Bron: C. Sueur.
Uit het verkennende booronderzoek komt het volgende beeld naar voren. In het algemeen bestaat de ondergrond van het plangebied van onder naar boven uit zeer fijn, zwak siltig zand met bovenin een vegetatiehorizont , een sterk zandige kleilaag met onderin vaak een vegetatiehorizont van 25 tot 160 cm dikte en een matig zandige kleilaag waarin zich de humeuze
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
3
bovenlaag (vegetatiehorizont) bevindt (boring 2, 4, 7, 8, 10, 12, 14, 19 en 22, 23, 24, 26, 27, 29, 30, 31 en 33). In een aantal boringen is een duidelijke antropogene invloed zichtbaar. Zo zijn er in boring 1, 2, 3, 8, 9, 10, 11 ophogingen en/of kuilvullingen aangetroffen, waarin vooral in boring 1, 2, 3, 8 en 9 overtuigende archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Verder zijn er ook in boring 15, 18, 19, 20, 24, 25, 27, 28, 31 en 32 zeer verschillende soorten archeologische indicatoren aangetroffen en is in boring 26 een vegetatiehorizont op 125 cm diepte aangetroffen, bovenin de sterk zandige klei. Boring 25 is vrijwel zeker in een spoor gezet. In geen van deze boringen zijn diepe verstoringen aangetroffen. In de boringen 5, 6, 11, 13, 17 en 21 is een geheel natuurlijke bodemopbouw vastgesteld, zonder indicaties op archeologie of vegetatiehorizonten. Het geheel is te interpreteren als kreekafzettingen - en alle daarbij behorende variaties in zandige en kleiige lagen - binnen het Laagpakket van Walcheren. Archeologische indicatoren komen verspreid over het gehele plangebied voor, ook de zones met en lage verwachting. De aanwezigheid van vegetatiehorizonten duidt er op dat in diverse perioden sprake was van een fase waarin de bodem boven het waterpeil uit stak, en dus ook mogelijkheden bood voor menselijke bewoning.
Voorlopig advies (zie afbeelding 14)
Aanbevolen wordt binnen het gehele plangebied vervolgonderzoek uit te voeren. In de eerst te ontwikkelen zone (roze), is een vervolgonderzoek op korte termijn noodzakelijk. In overleg met bevoegd gezag zal hier een booronderzoek of direct een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dienen te worden. Van de beige-gele zone zijn de ontwikkelplannen niet bekend. Daarom kan hier slechts in algemene termen worden aangegeven dat bij toekomstige ontwikkelingen een booronderzoek of direct een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dient te worden. Ook hier zal in een later stadium met bevoegd gezag overleg gepleegd dienen te worden. Het groene gebied wordt niet verder ontwikkeld: de huidige bebouwing blijft er staan. Vervolgonderzoek is niet nodig, zolang er geen bodemingrepen plaatsvinden. Voor het gehele plangebied geldt dat wordt aanbevolen bij sloop, aanleg kabels & leidingen, rooien van bomen vooraf overleg te voeren over eventuele archeologische begeleiding.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
4
Administratieve gegevens Soort onderzoek Provincie Gemeente Plaats Locatienaam Projectnaam RD-coördinaten van het plangebied Kaartbladnummer (topo 1:25.000) Kadastraal perceelnummers Vigerend bestemmingsplan Oppervlakte onderzoekslocatie Status terrein OZM-nummer1 Opdrachtgever Contactpersoon, tel. Bevoegd gezag
Adviseur bevoegd gezag, contactpersoon, contactgegevens
Beheer en plaats van vondsten:
Beheer en plaats van documentatie:
Beheer en plaats van digitale documentatie: Uitvoerder Projectleider
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Zeeland Sluis Cadzand Mariastraat 35 Mariastraat 35 Noordoost: X=61421 ; Y=364348 Zuidwest : X=17560 ; Y=377460 48C Kadasrtale gemeente Oostburg, Sectie EC, Kadastrale percelen 1125, 1786 en 1855. Gemeente Sluis, Bestemmingsplan Kom Cadzand 29-09-2005 Ca. 44440 m2 Aan straatzijde overlap met AMK 13464 (oude dorpskern Cadzand) 3996869100 (nieuwe nummering) Van Kerkhoff Maatwerk in RO Dhr. Van Kerkhoff T: 0631771881 Gemeente Sluis Dhr. J. Gerrits Postbus 45, 4500 AA Oostburg T: 0117-457250 E: Jgerrits@gemeentesluis.nl Edufact! Advies in Erfgoed Mevr. Drs. N.J.G de Visser Postbus 331, 4330 AH Middelburg T: 06 23284662 E: nathaliedevisser@edufact.nl Zeeuws Archeologisch Depot Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland Looierssingel 2, 4331 LN Middelburg Depotbeheerder: dhr. H. Hendrikse T: 0118-670618 E: h.hendrikse@scez.nl Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) Looierssingel 2, 4331 LN Middelburg Beheerder: dhr. J.J.B. Kuipers T: 0118-670879 E: jjb.kuipers@scez.nl e-depot (https://easy.dans.knaw.nl/)
Huidig grondgebruik
Buro de Brug ACR bv Drs. ing. C. Sueur T: 020-4866685 E: c.sueur@burodebrug.nl B16-277 Drs. ing. C. Sueur (bureauonderzoek en booronderzoek); dr. J. Wijnen (booronderzoek). Woonhuis, loods, opstallen, verharding, akkers en bomen.
Geplande ingreep NAP-hoogte maaiveld
Realisatie 8 woningen 0,5 - 1,5 m +NAP
Datum Rapportversie
27 mei 2016 Concept versie 2
Controle en accordering
Drs. J.W. Oudhof, 28 mei 2016
Projectcode Buro de Brug Auteur
1
Landelijk onderzoeksmeldingsnummer dat bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE/ARCHIS) moet worden aangevraagd bij aanvang van archeologisch onderzoek.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
5
1. Inleiding
1.1. Algemeen Dit archeologisch onderzoek Mariastraat 35 te Cadzand bestaat uit een bureaustudie gevolgd door een verkennend booronderzoek. Het plangebied is enigszins driehoekig. Aan zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door de woningen langs de Mariastraat; aan de oostzijde ligt de N674 (Ringdijk Noord); aan de noordwestzijde raakt het plangebied aan de bebouwing van de dorpskern en aan akkers. Het plangebied is aangegeven in afbeelding 2 en heeft een oppervlakte van circa 44440m2. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Van Kerkhoff Maatwerk in RO. De aanleiding tot dit onderzoek is de voorgenomen realisatie van 8 woningen aan de oostzijde van de dorpskern van Cadzand (gemeente Sluis). Voorafgaand is een wijziging en/of herziening van het vigerende bestemmingsplan nodig. Op dit moment is de noordwestelijke hoek (1/4) van het plangebied in gebruik als tuin met woning en als verhard erf met loods en opstallen. Achter de loods staat een bosje. Het resterende deel (3/4) is in gebruik als akker/weiland. De loods en overige opstallen zullen voorafgaand aan de nieuwbouw worden gesloopt. Het bosje zal worden gekapt.
Afbeelding 2: locatie plangebied (geel) met als ondergrond de luchtfoto 2015, kadastrale percelen (zwart) en bebouwing (rood). Bron: www.pdok.nl.2
2
Alle afgebeelde kaarten vanaf 1830, ook die zonder noordpijl, zijn noord-gericht. De schaal van de kaart kan worden afgelezen uit de coördinaten aan de randen van de kaarten. Kaarten vóór 1830 zijn landmeetkundig gezien van inferieure kwaliteit, en hebben daarom geen noordpijl en geen schaalaanduiding.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
6
Afbeelding 3: impressie van het plangebied. Bron: C. Sueur.
Het plangebied is een samenvoeging van drie grote kadastrale percelen: 1786 (Mariastraat 35), 1855 (akker in de boordoosthoek van het plangebied) en 1125 (akker in de zuidelijke punt van het plangebied). Op het perceel 1786 was tot 2012 Tuincentrum Schuttershof gevestigd, waar bloemen, planten en tuinbenodigdheden werden verkocht. De voormalige, en thans deels overgroeide, zaaibedden zijn aan de zuidoostzijde van de loods nog te zien.
2. Bureauonderzoek en archeologische verwachting 2.1. Onderzoeksmethode Het bureauonderzoek heeft tot doel bestaande landschappelijke, archeologische en historische bronnen bijeen te brengen en daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen voor het plangebied. Op basis van de resultaten zal een aanbeveling worden gedaan ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek, behoud in situ of vrijstelling. Het resultaat is een standaardrapport, dat voldoet aan de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 3.3) en de gemeentelijke eisen.3 Voor het verkrijgen van gegevens met betrekking tot reeds bekende archeologische- en bodemkundige waarden van het plangebied, is het Archeologisch Informatiesysteem Archis 3 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de diverse archeologische beleidskaart en documenten van de gemeente geraadpleegd.4 Ook zijn onder andere de geomorfologische kaart5, de 3
De gemeente Sluis volgt in deze één-op-één de provinciale richtlijnen uit 2014. Archeologische beleidsadvieskaart, via de gemeente Sluis (www.gemeentesluis.nl). 5 STIBOKA 1987 en www.zeeland.nl. 4
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
7
bodemkaart6, de geologische kaart7 en enkele historische kaarten bestudeerd 8. Tevens is het AHN3 geraadpleegd9 en zijn de meest recente of relevante archeologische onderzoeksresultaten in het onderzoek opgenomen, zoals in de literatuurlijst is opgenomen. De gebruikte bronnen komen terug in de volgende paragrafen. Het SCEZ is benaderd met de vraag naar aanvullende archeologische gegevens, maar er zijn geen vondsten of vindplaatsen die niet reeds via andere bronnen beschikbaar zijn.
6
STIBOKA 1980 en www.zeeland.nl. www.dinoloket.nl en Van Rummelen 1977. 8 Zie paragraaf 2.4.. 9 www.ahn.nl. 7
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
8
2.2. Beleid In het vigerend bestemmingsplan uit 2005 rust op de zone langs de Mariastraat geen dubbelbestemming voor archeologie, cultuurhistorie of bouwhistorie. In 2005 heeft Archeomedia weliswaar de Archeologische waarden- en beleidsadvieskaart Cadzand Dorp opgesteld,10 maar deze kaart is niet doorvertaald in de bestemmingsplannen. In 2011 heeft Vestigia een beleidsnota en beleidskaart vervaardigd voor de gehele gemeente Sluis.11 De gemeente Sluis heeft er evenwel voor gekozen om deze beleidsadviezen niet te hanteren als uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid. Daarom heeft de gemeente in 2011 en in 2012 een interimbeleid vastgesteld12, waarbij als basis de AMK en de IKAW dienden; deze kaartlagen zijn te raadplegen via het provinciale Geoloket (zie print in Bijlage 1). In 2013 zijn vervolgens de voorgaande adviezen door Artefact omgewerkt tot één samenhangend beleidsmatig geheel,13 en eveneens via het provinciale Geoloket te raadplegen (zie print in Bijlage 1). Dit laatste document heeft tot op heden echter geen juridisch bindende status gekregen. Al met al liggen er dus vier verschillende visies op de omgang met de archeologie voor de dorpskern en omgeving van Cadzand. In de onderstaande tabel zijn de mogelijke verplichtingen ten aanzien van archeologisch onderzoek bijeengebracht. Instrument Bestemmingsplan 2005 Beleidsnota 2012, vastgesteld. Zie kaart in bijlage 1.
Beleidsnota 2013, concept. Zie kaart in bijlage 1.
Onderzoeksverplichting bebouwde zone langs Mariastraat Geen AMK terrein (dorpskern Cadzand) / hoge archeologische waarde. Onderzoek bij activiteiten dieper dan 40cm en met een oppervlakte groter dan 50m2. Dorpskern Cadzand / hoge archeologische waarde. Onderzoek bij activiteiten dieper dan 40cm en met een oppervlakte groter dan 50m2.
Onderzoeksverplichting overige delen plangebied Geen IKAW / Lage archeologische verwachting. Onderzoek bij activiteiten dieper dan 40cm en met een oppervlakte groter dan 2500m2. Hoge archeologische verwachting voor Laag 1. Onderzoek bij activiteiten dieper dan 40cm en met een oppervlakte groter dan 500m2.
Tabel met de verschillende beleidsregels voor plangebied. Bron: De Visser 2013.
2.3. Geo(morfo)logie en bodemopbouw In 2013 is een bureauonderzoek opgesteld voor een plangebied dat raakt aan de zuidzijde van het project Mariastraat 35.14 Sindsdien is er geen nieuwe informatie ten aanzien van de landschappelijke aspecten bijgekomen. Daarom wordt hier volstaan met het citeren uit het bureauonderzoek van 2013. Cadzand is gelegen in westelijk Zeeuws‐Vlaanderen, een relatief laaggelegen streek die gekenmerkt wordt door het voorkomen van Holocene kustafzettingen. Pas ten zuiden van Aardenburg dagzomen Pleistocene Formaties, die door Van Rummelen zijn gekarteerd. In de laatste ijstijd, het Weichselien, werden overal eolische zanden afgezet (dekzand). Het betreft fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja‐ en venige gyttjalaagjes. De laatste ijstijd wordt gekenmerkt door een afwisseling van warmere en koudere fasen, de zogenaamde interstadialen en stadialen. Deze klimaatschommelingen manifesteerden zich met name sterk in het Vroeg en Laat Glaciaal. Veralgemenend zijn in West Zeeuws‐Vlaanderen met name de Vroeg Glaciale interstadialen goed herkenbaar, terwijl in Oost Zeeuws‐Vlaanderen de Laat Glaciale beter vertegenwoordigd zijn. In het licht van de bewoningsgeschiedenis zijn het Bölling interstadiaal (11.990 BP) en het Allerød‐interstadiaal daarvan de voornaamste exponenten.
Het dekzandlandschap werd gekenmerkt door zuidwest‐noordoost georiënteerde zandruggen, die in Oost Zeeuws Vlaanderen veel talrijker zijn dan in het westelijk deel. In het grootste deel van Zeeuws‐ 10
Wijsman et al, 2005. Alkemade et al., 2011 en Brugman et al. 2011. 12 Verordening interimbeleid archeologie Sluis 2012,vastgesteld bij Raadsbesluit van 28 juni 2012. 13 De Visser, 2013. 14 Coppens 2013. 11
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
9
Vlaanderen zijn deze echter niet meer herkenbaar, als direct gevolg van de klimatologische veranderingen die circa 10.000 jaar geleden optraden. Het smelten van het landijs van de laatste IJstijd en de daaruit voortvloeiende sterke stijging van de zeespiegel, kondigt een nieuw geologisch tijdperk aan: het Holoceen. Het valt niet uit te sluiten dat er zich ook Basisveen in westelijk Zeeuws‐Vlaanderen ontwikkelde, maar dat is dan door latere erosie weer verdwenen. In West Zeeuws‐Vlaanderen begon de veenvorming pas laat door de hoge ligging van het Pleistoceen: tussen het Laat‐Atlanticum (5500 BP) in het noorden en in het zuiden in de tweede helft van het Subboreaal tot het begin van het Subatlanticum (2400 BP). Echter, overal is de veenvorming doorgegaan tot na de Romeinse Tijd. Door een goede ontwatering van het veen, de bijhorende klink, en een sterke zeespiegelstijging komt het veenlandschap weer onder invloed van de zee. Deze getijdenafzettingen, beter bekend als de Duinkerke transgressies, ontwikkelen zich vanaf circa 1600 BC. De post Romeinse transgressiefase (Duinkerke II, 250‐600 AD) heeft grote delen van Zeeuws‐Vlaanderen met een zwaar kleipakket bedekt. De invloed van de zee is geleidelijk en in Zeeuws‐Vlaanderen is die evolutie nauw verweven met de zeearm die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand gaat insnijden naar het oosten.
Deze zeearm moet al in de pré‐Romeinse Tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van een getijdengeul.15 Wellicht is deze geul wat in historische bronnen uit de volle Middeleeuwen beschreven is als de Sincfal. Tegenwoordig heet deze geul het Zwin. Via natuurlijke ontwateringsgeulen in het veen en vermoedelijk ook door aangelegde kanalen werd deze geul gevoed. Met het geleidelijke inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van datzelfde veen kon het zeewater geleidelijk verder het land binnendringen. Uit de archeologische opgraving in Ellewoutsdijk (Walcheren) is gebleken dat in de 2de of 3de eeuw het veenlandschap veranderde in een getijdenlandschap.16 Wat vroeger omschreven werd als Duinkerke 2 transgressies wordt nu veeleer gezien als een rustig sedimentatie‐ en verlandingsproces gespreid over verschillende eeuwen.17 Aan de kust kwam aan dit proces omstreeks 750 na Chr. een einde. Tussen het einde van de 10de en het einde van de 11de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied.18 Tussen 900 en 1300 AD ontwikkelen zich de afzettingen van Duinkerke IIIa. Waar deze in het oosten bestaan uit krekenstelsels met eromheen komgebieden worden in het westen van Zeeuws‐Vlaanderen in deze periode met name opwassen gevormd.
De Duinkerke IIIb afzettingen zijn over het algemeen het gevolg van de vele overstromingen die plaatsvonden vanaf 1350 AD en voortduren tot in de huidige tijd. Deze transgressiefase wordt gekenmerkt door hevige stormvloeden die bedijkingen deden bezweken en grote gebieden voor lange tijd onder water zetten. De bekendste exponenten hiervan zijn bijvoorbeeld de stormvloeden van 1375, de Sint Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de inundatie van 1583‐1585. De heftigheid van deze inbraken wordt versterkt door de brede geulen waarvan sommige zich tot een diepte van meer dan 30 meter in de ondergrond insneden.19 Op de Geologische Kaart van Nederland20 heeft het plangebied de code Do.3a. Dit houdt in dat de (diepere) ondergrond bestaat uit Duinkerke IIIa‐afzettingen ontwikkeld als kreekafzettingen. Volgens de bijkaart van de Geologische kaart van Nederland 21 bevinden de pleistocene afzettingen zich op meer dan 20 meter beneden NAP. Deze kaart is opgenomen in het rapport van Coppens. 22 In het Dinoloket zijn geen boorbeschrijvingen binnen het plangebied beschikbaar. Uit de omgeving zijn enkele boringen opgenomen, waaruit blijkt dat de kleiige afzettingen 2,5 tot 3,5 meter dik zijn. 23
15
Vos en van Heeringen 1997. Sier 2003. 17 Baeteman 2007. 18 Tys 2010. 19 Van Rummelen, 1977b. 20 Van Rummelen, 1977a. 21 Van Rummelen, 1977a. 22 Coppens 2013. 23 www.dinoloket.nl. 16
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
10
Op de geomorfologische kaart24 is het plangebied grotendeels niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Cadzand. Langs de Ringdijk Noord is het gebied wel gekarteerd en heeft de code 3M35. Het gaat hier om een vlakte van getijdeafzettingen. Deze kaart is opgenomen in het rapport van Coppens.25 Op de bodemkaart is het grootste deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Cadzand. Langs de Ringdijk Noord is het gebied wel gekarteerd en heeft de code Mn35A. Dit zijn kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte klei.26 Deze kaart is opgenomen in het rapport van Coppens.27 Met een grondwatertrap VI is het gebied goed ontwaterd en daarmee zeer geschikt voor landbouw. In het verleden was dit gebied, aan de rand van het eiland van Cadzand, daarom een aantrekkelijk vestigingsgebied.
Afbeelding 5: Actueel hoogtebestand. Het plangebied is blauw omkaderd en ligt op c. 0,5 tot 1,5m +NAP. Het plangebied grenst aan en ligt deels op het eiland van Cadzand. Bron: www.pdok.nl.
Op het AHN (afbeelding 5) is te zien dat het plangebied aan de oostzijde ligt van het eiland van Cadzand. De Mariastraat ligt nog op de hoge uitloper van het eiland (c. 1,5m +NAP). De rest van het plangebied ligt in het ingepolderde gebied (minimum 0,5m +NAP). Voorbij de Ringdijk Noord (ten oosten van het plangebied) ligt het maaiveld weer hoger (c. 1,15 +NAP). Hierin is te herkennen dat het eiland van Cadzand in een oude polder ligt, waar de bodem reeds meer is ingeklonken dan in de jongere polders (zoals oostelijk van de Ringdijk Noord). De zone met de bebouwing, woning en opstallen is sterk afgevlakt, zoals te zien op het AHN. De onbebouwde delen, die in gebruik zijn als akker of weiland, laten meer reliëf zien. In de zuidelijke punt zijn de afwateringsgeulen in de percelen duidelijk herkenbaar. In het algemeen is er weinig van het natuurlijke reliëf te herkennen. Dit past bij een vlakte met getijdeafzettingen: het gebied is letterlijk vrij vlak. Buiten het plangebied zijn wel verschillende opmerkelijke reliëfverschillen te zien, maar die zijn voor dit onderzoek niet relevant. 24
Brus, 1987. Coppens 2013. 26 Stiboka, 1980. 27 Coppens 2013. 25
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
11
2.4. Historische gegevens Zoals eerder aangegeven, is het landschap rond het eiland Cadzand door de vele fasen van overstromingen en afzettingen in de loop der eeuwen regelmatig geheel veranderd. Het huidige landschap is pas ontstaan vanaf de 8e eeuw. Coppens heeft het ontstaan van het gebied in 2013 al uitgebreid beschreven. Onderstaand wordt hieruit geciteerd en/of geparafraseerd. 28 Vanaf de 10e eeuw neemt de invloed van de zee op het Zeeuws Vlaamse kustgebied gestaag toe (Duinkerke IIIa‐transgressie). Onder impuls van de Vlaamse abdijen worden vanaf de late 10e eeuw de eerste, defensieve bedijkingen aangelegd. Deze bedijkingen gecombineerd met de ontwatering van het gebied door de zeearmen en het aanleggen van ontwateringssluizen lieten een economische exploitatie van het kustgebied toe. De aanleg van de dijken bevorderde en versnelde de aanslibbing aan de buitenzijde. Door de nieuwe dijken verder zeewaarts aan te leggen, werd nieuw land aangewonnen in de vorm van polders. De naam Cadesand (ofwel het huidige Cadsand) duikt op in het begin van de 12e eeuw. Mogelijk wijst de naam erop dat er reeds een stelsel van kaden aanwezig was, waardoor geleidelijk het ene stuk schorgrond na het andere werd omgeven en tot polder werd gemaakt. Zo ontstond het eiland van Cadzand, waarbinnen het plangebied is gelegen.
De oudste kaart waarop west Vlaanderen wordt afgebeeld is de kaart, die de geografische situatie anno 1274 van het graafschap van Vlaanderen ten tijde van graaf Gwijde van Dampierre weergeeft. Meer dan een schetsmatig beeld van de toenmalige geografie biedt het niet. Op deze kaart is het eiland Cadsant te zien met het gelijknamige dorp. Zie afbeelding 6. In alle opzichten is de 13e eeuw een bloeiperiode. De gunstige ontwikkeling, die reeds in de 12e eeuw kon worden geconstateerd, zette zich in stijgende lijn voort. De steden kwamen tot grote voorspoed. De lakennijverheid was een winstgevend bedrijf; de scheepvaart bracht leven en vertier; de handel en de vrachtvaart bevorderden de welvaart. Ook het platteland deelde in deze hoogconjunctuur. De steden waren goede afnemers van agrarische producten en turf. Zo werden langs de kust grote uitgestrektheden aan schorgrond ingepolderd. In de 13e eeuw zijn Cadzand en Zuidzande nog twee afzonderlijke eilanden, van elkaar gescheiden door een zeearm, waarvan men verwachtte dat deze binnen afzienbare tijd zouden verlanden. De omvang van het eiland Cadzand was in de 13e eeuw ongeveer gelijk aan die van de tegenwoordige Oudelandsche polder, een groot deel van de Vierhonderdpolder (in het oosten), een groot deel van de Strijdersgatpolder (in het westen) en een deel van de Tienhonderdpolder.
Deze drie laatste polders werden aan het begin van de 14e eeuw bedijkt.
28
Coppens, 2013. De geciteerde of geparafraseerde delen worden ingesprongen weergegeven.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
12
Afbeelding 6. Deze Carta Flandriae schetst de geografische situatie van het graafschap Vlaanderen rond 1274, toen Gwijde van Dampierre graaf van Vlaanderen was. Cadsant (rood omcirkeld) ligt duidelijk nog op een eiland. Zuidzande is blauw omcirkeld. Bron: http://www.cadzandgeschiedenis.nl/images-1400/1274CartaFlandriae.html.
Feitelijk betreft het herbedijkingen, want het gebied werd eeuwenlang geteisterd door overstromingen, van kleine en soms ook van catastrofale omvang (stormvloeden, deel uitmakend van de transgressiefasen). Cadzand bestond al rond 1200, en steeds weer werd er tijdens een stormvloed land prijsgegeven aan het water en werd er nadien land weer teruggewonnen door herbedijking. Dit geven en nemen van land als gevolg van stormvloeden en bedijking gaat eeuwen door. Vanaf c. 1660 verschijnen zogenaamde ommeloperskaarten, waarop alle kleine poldertjes op het eiland Cadzand zijn weergegeven. In een register (de ommeloper) werden vanaf 1553 de eigendomsrechten per polder bijgehouden. Zie afbeelding 7. De poldertjes zelf - die vaak maar één of enkele percelen groot waren en afgegrensd werden met kades van amper 1 meter hoogte - werden beginne genoemd. Clusters van poldertjes werden omringd door c. 2,5 meter hoge dijken. In deze beginnen zijn - ieder geval vanaf de 17e eeuw29, maar mogelijk ook eerder - hofsteden gesticht. In beginne 24 ligt het plangebied Mariastraat 35, binnen de gele contour. Op afbeelding 7 is, met een blauwe cirkel waarin het getal 6 staat, de ligging van de hofstede De Schuttershof gemarkeerd. Aan deze oude hoeve ontleent het voormalige tuincentrum aan de Mariastraat 35 zijn naam.
De locatie van hofstede De Schuttershof is echter niet juist aangegeven; het zou zuidelijker moeten liggen, binnen de gele contour, op de plaats waar nu nummer 7 is ingetekend.
29
De Hullu en Brakman, 1928.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
13
Afbeelding 7. Ommeloperkaart geprojecteerd op een luchtfoto. In geel is de contour van het plangebied weergegeven. De rode lijnen geven de dijkjes, kades en wegen aan die poldertjes begrensden. De groene lijnen geven de ligging van de c. 2,5 meter hoge dijken die de poldertjes tegen grote overstromingen moesten beschermen. Bron: http://www.cadzandgeschiedenis.nl/images-1400/1112oudelandsepolder.html
De voormalige hofstede Schuttershof, gelegen op het terrein van de Mariastraat 35, is op de website www.cadzandgeschiedenis.nl uitvoerig beschreven.30 In ieder geval vanaf 1732 wordt deze hofstede genoemd, alwaar toen sprake was van een plantage en een timmer (houten gebouw). Zie bijlage 2. De huidige Ringdijk Noord die het plangebied aan oostzijde begrenst, komt al voor op de 17e eeuwse kaarten, en is één van de oude dijken die de beginnen omgrensde. Ook uit afbeelding 8 blijkt dit. Op de kaart in afbeelding 8 is ook de Mariastraat al goed herkenbaar als een weg die vanuit Zuidzande naar Cadzand loopt. Voor de aanvoer van bouwmaterialen voor de Onze Vrouwe Kerk van Cadzand is al in de 13e eeuw hier een zandweg aangelegd, vanuit het veer bij Zuidzande naar de bouwplaats. In de volksmond werd die weg de Sinte Marien weghe genoemd. In 1853 is deze zandweg verhard met grind.31 Het plangebied ligt in het noordelijke kwadrant van de kruising tussen de Ringdijk Noord en de Mariastraat.
30 31
http://www.cadzandgeschiedenis.nl/hofsteden/hofstedeO6Schuttershof.html. http://www.cadzandgeschiedenis.nl/images1400-1900/1854grindweg.html
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
14
Afbeelding 8. kaart van het Brugse Vrije door Pieter Pourbus (Kopie door Pieter Claissens - 1596 / 1597 - Groeningemuseum Brugge). Het plangebied is met een rode contour weergegeven. Bron: https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/a/a7/Old_map_of_Kaart_van_het_Brugse_vrije..jpg.
De situatie zoals weergegeven op de kaarten uit de 17 e eeuw verandert vervolgens nauwelijks meer. De tracés van de Ringdijk Noord en de Mariastraat zijn in de laatste eeuwen niet gewijzigd. Op de Kadastrale minuutplan uit 1832 is de situatie voor het plangebied op hoofdlijnen ongewijzigd. Zie afbeelding 9. Wel is in 1832 te zien dat er bebouwing aan de Mariastraat is bijgekomen. Ook zijn nu, geheel in de aard van een kadastrale kaart, alle bijgebouwen gekarteerd. Achterop het erf is dan ook de schuur getekend. Op 19 januari 1808 was de oude schuur afgebrand en in hetzelfde jaar is een nieuwe herbouwd. De gebogen grens tussen de percelen 399 en 365 in afbeelding 9 kan er op duiden dat hier een oude waterloop als scheiding tussen de percelen is gevolgd. Deze gekromde lijn was tot ver in de 20e eeuw zichtbaar in het terrein. Zie ook afbeelding 11.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
15
Afbeelding 9. Ligging van het plangebied (groene contour) op de Kadastrale Minuutplan 1832. Bron: http://zldgwb.zeeland.nl.
Op de Bonnebladen uit beging 20e eeuw is de situatie vrijwel identiek aan die uit 1832: bebouwing langs de Mariastraat, de schuur op het achtererf en dezelfde percelering. Wel is het aantal woningen aan de Ringdijk Noord zodanig toegenomen, dat er nu sprake is van een dicht bebouwd lint. Vergelijk afbeeldingen 9 en 10. Deze bebouwing ligt echter net buiten het plangebied.
Afbeelding 10. Ligging van het plangebied (gele contour) op de het Bonneblad uit 1912. Bron: Kadaster.
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
16
Ook de luchtfoto uit 1959 laat een beeld zien dat sterk overeenkomt met de situatie uit 1832! Zie afbeelding 11. Kortom, hier is sprake van een terrein dat waarschijnlijk eeuwen lang dezelfde indeling heeft gekend. Wanneer dit wordt vergeleken met de luchtfoto uit 2015 (afbeelding 1) blijkt er in de indeling en de bebouwing van het perceel nagenoeg niets veranderd te zijn.
Afbeelding 11. Ligging van het plangebied (rode contour) op de de luchtfoto uit 1959. Bron: http://zldgwb.zeeland.nl.
2.5. Bekende archeologische waarden Het algemene archeologische kader is reeds uitvoerig beschreven in 2013. 32 De zone langs de Mariastraat valt binnen het AMK terrein nummer 13464 en heeft een hoge archeologische waarde vanwege de veronderstelde aanwezigheid van de historische dorpskern Cadzand, daterend uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Zo is het ook in het provinciale Geoloket opgenomen. Zie bijlage 1. Het huidige huis, dat ten opzichte van de overige bebouwing langs de straat relatief ver naar achteren is neergezet, dateert echter uit de 20e eeuw. De schuur en andere opstallen zijn eveneens van recente datum. Eventuele oudere bebouwing aan de Mariastraat zou nog onder de huidige (diepe) voortuin aanwezig kunnen zijn. Binnen het plangebied zijn geen gebouwde monumenten aanwezig. Het huis en de schuur staan niet op de provinciale MIP lijst. Evenmin is er sprake van een gemeentelijk of Rijks(gebouwd)monument. 33 Archeologische waarnemingen zijn niet bekend binnen het plangebied, noch in Archis 3, noch bij het SCEZ.34 32
Coppens, 2013. Zie http://zldgwb.zeeland.nl/gw411sl/?Viewer=Cultuur%20Historie. 34 Visser, de, 2013. Bijlage 2, Kaart met daarop de ligging van de archeologische vindplaatsen in de gemeente Sluis (gebiedsdekkend). 33
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
17
In de omgeving van het plangebied is wel een aantal vindplaatsen bekend. Aan de westzijde van Cadzand ligt het omgrachte terrein met sporen uit de 14e en 15e eeuw. Het terrein zou een versterkte boerderij of de resten van het middeleeuws kasteel Gravenstein kunnen betreffen. De provincie heeft het terrein opgenomen op de AMK (nummer 2339) en voorzien van de status ‘hoge archeologische waarde’. Daarnaast zijn diverse archeologische onderzoeken en waarnemingen buiten het plangebied bekend, welke in het rapport van Coppens zijn vermeld. Met deze gegevens ontstaat het beeld dat er vanaf de Late Middeleeuwen resten van boerderijen en nijverheid aangetroffen kunnen worden. Ook voor het plangebied zou dit van toepassing kunnen worden verklaard. Vanuit de historische gegevens en de aanwezigheid van een hofstede is dit eveneens een aannemelijke veronderstelling.
Afbeelding 12: Bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied (gele contour). In paars het AMK-terrein uit de beleidskaart 2012. In groen de aanvulling op de AMK uit de beleidskaart 2013. De lichtblauwe sterren markeren de waarnemingen en de lichtblauwe contouren de onderzochte gebieden. Bron: Archis/RCE/PDOK.
2.6. Verstorende bodemingrepen in het verleden Het plangebied lijkt eeuwenlang op dezelfde - vrij extensieve - wijze in gebruik te zijn geweest. Buiten de schuur en de bebouwing langs de Mariastraat hebben er geen noemenswaardige gebouwen gestaan. Ook het landgebruik lijkt zeer bescheiden van karakter te zijn geweest. Mogelijk heeft landbewerking in het verleden voor enige bodemverstoring gezorgd, dit kan met behulp van een verkennend booronderzoek bepaald worden. 2.7. Archeologische verwachting Coppens heeft de archeologische verwachting reeds in 2013 goed beschreven: Gezien de geologische gesteldheid van het onderzoeksgebied, met name in een zone met geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, kan gesteld worden dat er geen
B16-279 Bureauonderzoek Mariastraat 35 te Cadzand - concept versie 2, 27 mei 2016
18
verwachting bestaat voor het aantreffen van archeologische waarden voor de periode Paleolithicum tot de vroege Middeleeuwen. Alle mogelijke vindplaatsen uit deze perioden zoals de steentijd vindplaatsen die verband houden met de Laag van Usselo - zijn door het inschuren van de holocene geul in het pleistocene dekzand volledig geërodeerd. Ook mogelijke vindplaatsen in de top van het Hollandveen Laagpakket (Bronstijd tot en met de Romeinse tijd) zijn door de holocene geul volledig uitgeschuurd en daardoor verdwenen. 35 De verwachting voor het plangebied is dus vrij specifiek te maken: Bewoningssporen zijn pas te verwachten vanaf de 13e eeuw. Daarbij kan gedacht worden aan een boerderij met erf en opstallen, aan de zijde van de Mariastraat, die de voorganger is van de Schuttershof. Op de percelen die in agrarisch gebruik zijn, wordt de kans klein geacht bewoningssporen te vinden, maar zouden wel perceleringssporen (kades, greppels), kunnen worden waargenomen. Deze sporen liggen vrij ondiep, en bevinden zich waarschijnlijk dicht onder de bouwvoor. Met een verkennend booronderzoek zou hierin meer inzicht verkregen kunnen worden.
3. Conclusies en aanbevelingen n.a.v. het bureauonderzoek Het onderhavig plangebied kan op basis van bovenstaand onderzoek in twee verwachtingszones worden gesplitst. Langs de Mariastraat en rondom de huidige schuur geldt een hoge verwachting vanwege de voormalige - of voorlopers van de - hofstede Schuttershof. Voor de akkers en de weilanden binnen het plangebied geldt een lage tot zeer lage verwachting. Aanbevolen wordt om het gehele plangebied - in de lijn met de gemeentelijke en provinciale eisen aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dit dient de vorm te hebben van een verkennend booronderzoek. Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Hulst.